Beslissing nr. 2002-P/K-34 van 3 mei 2002 Zaak nr. MEDE - PRA - 94/0003 Inzake: NV MAURETUS SPAARBANK, met zetel te 2018 Antwerpen, Rubenslei 11 tegen NV BANKSYS, met zetel te 1130 Brussel, Haachtsesteenweg 1442 Gelet op de Wet op de Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördi-neerd op 1 juli 1999 (WBEM) ; Gelet op de brief van 11 mei 1994 vanwege de NV MAURETUS SPAARBANK aan de Dienst voor de Mededinging, waarin klacht lastens de NV BANKSYS, die werd gere-gistreerd op 13 mei 1994 ; Gelet op het verzoek van 4 juli 1994 van de Dienst voor de Mededinging aan de NV BANKSYS tot het bekomen van inlichtingen ; Gelet op het toekennen op 15 juli 1994 van een bijkomende termijn voor het antwoor-den op het verzoek tot inlichtingen aan de NV BANKSYS ; Gelet op het antwoord vanwege de NV BANKSYS op 31 augustus 1994 ; Gelet op het gemotiveerd verslag van de verslaggever van 6 november 2001 ; Gelet op het overmaken door de verslaggever op 7 november 2001 van zijn verslag aan de Raad, inhoudende een gemotiveerd voorstel tot sepot ; Gehoord ter zitting op 3 mei 2002 de verslaggever dhr. Bert Stulens ; Gehoord ter zitting op 3 mei 2002 meester Carl Raymaekers namens de nv Mauretus-Spaarbank ; Over de vraag tot uitstel van wege de klager Op het verzoek tot uitstel kan niet ingegaan worden om volgende redenen : - - art 27, §2, in fine W.B.E.M. bepaalt dat de Raad binnen een termijn van 6 maanden nadat het verslag is ingediend, een beslissing moet nemen, hetzij in casu uiterlijk op 6 mei 2002 ; dat klager ten onrechte opwerpt dat hij beschikt over een termijn van 15 dagen na ken-nisname van het verslag van de verslaggever, nu hiervoor geen rechtsgrond bestaat ; dat integendeel uit de lezing van de artikelen 9, §1, 10 en 12 van het K.B. van 15 maart 1993 betreffende de procedure inzake de bescherming van de economische mede-dinging blijkt dat de klager uiterlijk de dag voor de zitting schriftelijke opmerkingen kan neerleggen bij de secretaris van de Raad, terwijl de termijn van 15 dagen waarvan sprake in artikel 9, §1 van het K.B. slechts geldt ten aanzien van de onderzochte partij ; dat volledigheidshalve bovendien uit de stukken blijkt dat de klager reeds op 11 de-cember 2001 kennis kreeg van het verslag van de verslaggever. Inhoud van de klacht en standpunt van de klager NV BANKSYS commercialiseert de systemen "Bancontact" en "Mister Cash" voor betalingen en geldopvragingen via automaten met gebruik van een plastic bankkaart. Op 6 november 1987 werd de klager aangeschreven door de toenmalige SV BANCON-TACT, waarin het product werd voorgesteld en 2 formules werden aangeboden: -
(1)het onderschrijven van een aandeel van de CV, het betalen van een toetredingsrecht en het deelnemen in de financiering via een bijdragesysteem, of
(2)een aansluiting bij het Bancontact-netwerk met betaling van kosten inherent aan de kaart (34 Fr./kaart), aan het bestand (35 Fr./kaart) en aan het gebruik (35 Fr. voor op-vraging of storting en 20 Fr. voor betaling). Bij brief van 4 februari 1988 opteerde de klager voor de 2de formule. N.a.v. een kapitaalverhoging van de CV BANCONTACT ontving de klager een bericht op 9 juni 1989, waarin haar nieuwe voorwaarden werden aangeboden om lid te worden van de CV. De klager ging in op dit voorstel. In 1989 werd de CV BANCONTACT omgevormd tot NV BANKSYS. De kosten voor het gebruik van het netwerk kwamen volgens de klager voor haar toen neer op 20.567 Fr./jaar. In 1992 werd beslist om het bijdragesysteem te wijzigen. De 5 grote instellingen die deel uitmaken van de NV BANKSYS (ASLK, CCB-GKB, G-Bank, BBL en KB+COB +HSA) werkten een nieuw systeem uit, welk de Raad van Bestuur goedkeurde. Het nieuwe tarief werd aan de klager medegedeeld op 24 december
- Volgens de klager werd dit nieuw systeem éénzijdig opgelegd in het uitsluitend belang van de grote bankinstellingen. Voor haar kwam dit in 1993 neer op een jaarlijkse bij-drage van 500.000 Fr. + BTW en vanaf 1994 zelfs 1.250.000 Fr. + BTW. De nieuwe prijzen zorgen er volgens de klager voor dat zij het product "Bancontact -Mister Cash" onmogelijk nog op een rendabele wijze aan haar klanten kan aanbieden, zodat zij en andere kleine financiële instellingen (minder dan 10.000 verrichtingen per jaar) hiervan in feite worden uitgesloten. Volgens de klager zijn de opgelegde kosten totaal buiten verhouding tot de verstrekte dienstverlening. De klager stelt dat de NV BANKSYS inbreuk pleegt op art.2 §1b WBEM (een on-rechtmatig besluit tot beperking van de afzet), op art.2 §1c+d WBEM (ongelijke voor-waarden aan de handelspartners, niet in verhouding tot de bestaande verschillen) en art.3 WBEM (misbruik van economische machtspositie). Het verweer van de NV BANKSYS Bij brief d.d. 31 augustus 1994 replikeerde de NV BANKSYS met haar standpunt: - dat de klager als aandeelhouder nog geen enkele vordering heeft ingesteld voor de Rechtbank tegen enige beslissing van haar vennootschap ; - dat de klager de enige is die het nieuwe facturatiesysteem aanklaagt ; dat de klager geen enkele verplichting had om aandeelhouder van de vennootschap te worden of verplicht is te blijven ; - dat de klager niet verplicht is beroep te doen op de diensten van de NV BANKSYS en zo gewenst kan toetreden tot het systeem van haar concurrent DE POST ; dat de klacht de finaliteit van het automatisch systeem miskent, welk slechts ten volle kan renderen door de vermenigvuldiging van de transacties, verantwoord door de hoe-grootheid van de investerings- en werkingskosten ; dat een financiële instelling zich niet rechtmatig en billijk kan beperken tot enkele al-leenstaande transacties en hierbij voorhouden dat haar bijdrage moet beperkt zijn tot de kostprijs van deze beperkte transacties, waarbij dan de integraliteit van de investerings- en werkingskosten wordt afgeschoven op de andere financiële instellingen die een rui-mer gebruik maken van het opgezet systeem ; - - - dat de ingediende klacht als onontvankelijk en ongegrond moet worden aanzien. De toepasselijke wet inzake de verjaring Overwegende dat huidige procedure op 13 mei 1994 werd ingeleid onder toepassing van de Wet van 5 augustus 1991 tot Bescherming van de Economische Mededinging ; Dat de gewijzigde Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, zoals geco-ördineerd bij K.B. van 1 juli 1999 bepaalt dat deze gewijzigde wet niet van toepassing is op de procedures die hangende zijn bij de Raad voor de Mededinging of bij het Hof van Beroep te Brussel op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze gewijzigde wet (art.47 van de Wet van 26 april 1999 (II)), zijnde 1 oktober
- Dat de tekst i.v.m. de verjaring overigens zowel in de oude als in de nieuwe wet dezelfde is. Dat de Raad slechts een procedure bij hem als hangende beschouwt wanneer een verslag bij hem werd voorgelegd door de Dienst voor 1 oktober 1999 ; Dat in casu het verslag van de verslaggever dateert van 6 november 2001, zodat in elk geval de nieuwe wet van toepassing is ; Dat art.48§1 WBEM bepaalt: "Het onderzoek bedoeld in artikel 23 mag slechts betrek-king hebben op feiten die zich niet langer dan vijf jaar geleden voordeden. De termijn wordt berekend vanaf de datum van de beslissing van de Dienst voor de Mededinging om ambtshalve een onderzoek in te stellen of vanaf de datum van het aanhangig maken van de zaak bij de Dienst overeenkomstig artikel 23§1". Dat art.48§2 WBEM bepaalt: "De verjaringstermijn met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing is vijf jaar te rekenen vanaf de datum bedoeld bij §
- De verjaring wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of daden van beslissing ver-richt binnen de termijn bepaald in het vorig lid ; met die daden begint een nieuwe ter-mijn van gelijke duur te lopen". Beoordeling door de Raad In huidige zaak werd de klacht op 13 mei 1994 ontvangen en geregistreerd onder het nummer PRA 94/
- Op 4 juli 1994 stuurde de Dienst een verzoek om inlichtingen naar de NV BANKSYS, waarna op 15 juli 1994 een bijkomende termijn voor het antwoorden werd toegekend. De NV BANKSYS antwoordde op 31 augustus
- Uit het onderzoeksdossier van de Dienst blijken geen elementen waaruit kan worden af-geleid dat verdere onderzoeksdaden werden gesteld. Het verzoek om inlichtingen op 4 juli 1994 dient als de laatste onderzoeksdaad van de Dienst te worden beschouwd. Dat de Raad vaststelt dat er in dit dossier gedurende méér dan 5 jaar geen verdere on-derzoeksdaden werden gesteld, nl. sinds 4 juli 1994, zodat de verjaringstermijn voor-zien in art.48§2 WBEM is ingetreden ; Dat het dossier om deze reden moet worden ge -seponeerd ; OM DEZE REDENEN De Raad voor de Mededinging - Gelet op de art. 2 e.v. van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken van toepassing overeenkomstig art. 54bis WBEM ; - Verklaart dat de zaak gekend onder nr. MEDE - PRA - 94/0003 verjaard is ; Seponeert het dossier in toepassing van art.24§2 WBEM ; Aldus uitgesproken op 3 mei 2002 door de Kamer van de Raad voor de Mededinging, samengesteld uit: de heer Frank Deschoolmeester, kamervoorzitter ; de heren Peter Poma, Geert Zonnekeyn en Erik Mewissen, leden.