Beslissing nr. 2002-P/K-36 van 22 mei 2002 INZAKE: LUDWIG VAN DER AUWERA, Pelgrimstraat 15, B-2820 Bonheiden. TEGEN: ZIEKENFONDSEN, ARTSENSYNDICATEN EN DE BELGISCHE STAAT Gelet op de brief van 4 juni 1999 van klager de heer Ludwig Van der Auwera, door de Dienst voor de Mededinging geregistreerd op 18 juni 1999 onder het nummer I/O – 99/0018, waarbij de klager verzoekt een onderzoek te verrichten met betrekking tot het nationaal akkoord gesloten tussen de geneesheren en de ziekenfondsen dat werd bekrachtigd door de overheid. Gelet op het onderzoeksverslag van de Dienst voor de Mededinging van 6 augustus 1999 dat op 13 augustus 1999 aan de Raad voor de Mededinging werd overgemaakt en dat op 10 april 2002 aan de Heer Van der Auwera werd betekend. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Gelet op de Wet van 5 augustus 1991 tot Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördineerd op 1 juli 1999 (hierna de "WBEM"). Gelet op de memorie van antwoord neergelegd door de heer Ludwig Van der Auwera op 6 mei 2002 waarbij de heer Ludwig Van der Auwera de Raad voor de Mededinging verzoekt zijn klacht ontvankelijk te verklaren en de zaak voor verder onderzoek naar de verslaggever terug te sturen. Gehoord op de zitting van 22 mei 2002: - De heer Antoon Kyndt, Dienst voor de Mededinging. De heer Van der Auwera is niet ter zitting verschenen, alhoewel behoorlijk opgeroepen.
- De feiten Op 4 juni 1999 werd door de heer Ludwig Van der Auwera een klacht neergelegd waarbij de klager verzoekt een onderzoek te verrichten met betrekking tot het nationaal akkoord tussen de geneesheren en de ziekenfondsen waarbij aan patiënten van 60 jaar en ouder een vermindering van het remgeld met 30% wordt toegekend bij een bezoek aan hun vaste huisarts. Dit akkoord werd door de overheid bekrachtigd. Op het ogenblik van de klacht was de Heer Van der Auwera student geneeskunde. In zijn memorie van 6 mei 2002 stelt de klager dat hij thans geen student doch wel arts is. Vanaf 1 september 2000 is de Heer Van der Auwera de huisartsgeneeskunde in eigen praktijk gaan uitoefenen eerst als HIBO (niet erkend-huisarts) en vanaf 4 maart 2002 als erkend huisarts.
- De klacht In een schrijven van 4 juni 1999 gericht aan de Dienst voor de Mededinging, heeft de heer Ludwig Van der Auwera de Dienst voor de Mededinging verzocht een onderzoek in te stellen met betrekking tot het nationaal akkoord gesloten tussen de geneesheren en de ziekenfondsen dat op 15 december 1998 werd gesloten. Dit schrijven werd op 18 juni 1999 als klacht geregistreerd door de Dienst voor de Mededinging onder het nummer I/O - 99/
- De klacht van de heer Ludwig Van der Auwera betreft een onderdeel uit het nationaal akkoord dat op 15 december 1998 werd gesloten tussen de geneesheren en de ziekenfondsen. De klacht richt zich meer bepaald tot de regeling waarbij aan patiënten van zestig jaar en ouder een vermindering van het remgeld met 30% (ongeveer 1,24 euro) wordt toegekend bij bezoek aan hun vaste huisarts. Om van deze regeling te kunnen genieten moeten deze patiënten zich laten registreren bij hun vaste huisarts die als enige het globaal medisch dossier van de bij hem geregistreerde patiënt bijhoudt. Klager beweert dat deze regeling leidt tot oneerlijke concurrentie in het nadeel van nieuwe, pas afgestudeerde huisartsen omdat patiënten bij een andere huisarts dan hun vaste huisarts niet van bovenvermelde remgeldvermindering kunnen genieten. Deze regeling zou volgens de klager een drempel doen ontstaan voor de patiënt om een andere huisarts dan zijn vaste huisarts te consulteren. Dergelijk systeem werkt in het nadeel van de pas gevestigde huisartsen die op die wijze zeer moeilijk een patiëntenbestand kunnen opbouwen.
- Juridisch kader Het nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen van 15 december 1998, gesloten door de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen (hierna "NCGZ"), werd op 8 januari 1999 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Dit akkoord voorziet onder andere in de door de klager betwiste vermindering van het remgeld van 30% voor alle patiënten van zestig jaar en ouder bij een consultatie van hun vaste huisarts. Het nationaal akkoord van de NCGZ bevat enkel een advies aan de Minister van Sociale Zaken die het akkoord bij Koninklijk Besluit kan uitvoeren. De door klager betwiste regeling werd door de overheid bekrachtigd.
- Het standpunt van de Dienst voor de Mededinging De Dienst voor de Mededinging stelt aan de Raad voor de Mededinging voor om de klacht onontvankelijk te verklaren en dienvolgens het dossier te seponeren op grond van artikel 24 § 1 WBEM, omdat de klager geen rechtstreeks en dadelijk belang kan laten gelden en omdat het voorwerp van de klacht niet onder het toepassingsgebied van de WBEM valt, gezien de ziekenfondsen met betrekking tot de voorliggende problematiek niet als een onderneming worden beschouwd en gelet op de toepassing van artikel 47 van de WBEM.
- Het standpunt van de klager Klager beweert dat het nationaal akkoord tussen geneesheren en ziekenfondsen, inzoverre het de regeling van het remgeld en het globaal medisch dossier betreft, de mededinging beperkt en dus strijdig is met artikel 2, §1 van de WBEM. In zijn memorie van 6 mei 2002 stelt de klager onder meer dat de klacht wel ontvankelijk is nu de klager erkend huisarts is sedert 4 maart
- Juridische beoordeling 6.
- De toepasselijke wet Huidige procedure werd op 4 juni 1999 ingeleid onder toepassing van de Wet van 5 augustus 1991 tot Bescherming van de Economische Mededinging. De gewijzigde Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördineerd bij Koninklijk Besluit van 1 juli 1999, bepaalt dat deze gewijzigde wet niet van toepassing is op de procedures die hangende zijn bij de Raad voor de Mededinging of bij het Hof van Beroep te Brussel op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze gewijzigde wet (artikel 47 van de Wet van 26 april 1999 (II)), namelijk 1 oktober
- De Raad voor de Mededinging beschouwt dat een procedure bij hem hangende is op het ogenblik dat hem een verslag werd voorgelegd door de Dienst voor de Mededinging vóór 1 oktober
- In casu werd het verslag van de Dienst voor de Mededinging aan de Raad voor de Mededinging overgemaakt op 13 augustus
- De zaak was dus reeds aanhangig bij de Raad voor de Mededinging op het ogenblik dat de gewijzigde wet in werking is getreden. Bijgevolg is de gewijzigde wet tot Bescherming van de Economische Mededinging niet van toepassing op deze zaak en gelden de bepalingen van de wet tot Bescherming van de Economische Mededinging van 5 augustus 1991 zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de gewijzigde wet. 6.
- Ontvankelijkheid Rechtstreeks en dadelijk belang Overeenkomstig artikel 23, §1, c) van de WBEM moet de klager het bewijs leveren van een rechtstreeks en dadelijk belang bij het indienen van een klacht. In een arrest van 11 september 1996 heeft het Hof van Beroep te Brussel verduidelijkt hoe het bovenvermelde begrip "rechtstreeks en dadelijk belang" moet worden geïnterpreteerd in het kader van de WBEM (zie arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 11 september 1996, R.T.B.F. e.a. t. Belgische Staat e.a., 1995/AR/1005/1006/1007/1062, B.S., 20 september 1996, p. 24607; ook gepubliceerd in Jaarboek Handelspraktijken en Mededinging, 1996, p. 773). Vooreerst bepaalde Het Hof van Beroep in zijn arrest dat het begrip rechtstreeks en dadelijk belang, zoals opgenomen in artikel 23, §1, c) van de WBEM, werd ingegeven door artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat het belang bij de rechtsvordering een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn. Het Hof verwees hierbij naar de voorbereidende werken die deze stelling uitdrukkelijk bevestigen (Gedr. St. Senaat, 1289-2 (1990-1991), p. 55). Het Hof besloot daarom dat het aangewezen was om zich bij de interpretatie van het begrip "rechtstreeks en dadelijk belang" in artikel 23, §1, c) van de WBEM te baseren op artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Ten tweede voegde het Hof hieraan toe dat voor de precieze inhoud van artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek moet teruggegrepen worden naar het Verslag van Reepinghen van 1964, en dus naar de voorbereidende werken van het Gerechtelijk Wetboek zelf. Op grond van deze voorbereidende werken besloot het Hof van Beroep dat de klager, wil hij zijn klacht ontvankelijk horen verklaren, zal moeten aantonen dat hij een reeds verkregen en dadelijk belang heeft. Dit bestaat uit ieder materieel en moreel voordeel – effectief en niet theoretisch – dat de eiser uit zijn vordering kan halen en die hij formuleert op het ogenblik van het instellen van de vordering (Verslag Van Reephingen, 1964, p. 39 en overgenomen door het Hof van Beroep). Ten derde bepaalt het Hof van Beroep dat het belang persoonlijk moet zijn in hoofde van de klager waardoor de klager juridisch niet beschermd is wanneer het belang hem slechts indirect treft (Verslag Van Reepinghen, 1964, p. 39 en overgenomen door het Hof van Beroep). Het Hof van Beroep besluit dat het rechtstreeks verkregen en dadelijk belang, welke is vereist opdat een klacht ontvankelijk zou zijn op grond van artikel 23 §1 van de WBEM van 5 augustus 1991, niet enkel reëel maar ook persoonlijk moet zijn in hoofde van de klager. Bovendien dient opgemerkt te worden dat een eventueel belang niet volstaat om een ontvankelijke vordering in de zin van artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek in te stellen. Een vordering ‘ad futurum’ is in beginsel immers niet toegelaten (A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Faculté de droit, d’économie et de sciences sociales de Liège, 1985, nr. 33, p. 45-46) Aangezien de klager op het ogenblik van het indienen van de klacht nog steeds student geneeskunde was en pas op 4 maart 2002 werd geregistreerd als erkend huisarts, kon hij op het ogenblik van het indienen van de klacht geen rechtstreeks en dadelijk belang laten gelden zoals vereist door artikel 23, §1, c) van de WBEM. Om deze redenen besluit de Raad voor de Mededinging dat de klacht van de heer Ludwig Van der Auwera onontvankelijk is. Er is derhalve geen reden noch om de andere ontvankelijkheidvereisten te onderzoeken, noch om de grond van de klacht te onderzoeken. OM DEZE REDENEN De Raad voor de Mededinging, - Verklaart de zaak gekend onder nummer I/O – 99/0018 onontvankelijk. Beslist dat de klager geen rechtstreeks en dadelijk belang kan doen gelden als bedoeld in artikel 23, §1 c) van de WBEM. Seponeert derhalve het dossier op grond van artikel 24 § 1 van de wet van 5 augustus 1991 (WBEM). Aldus uitgesproken op 22 mei 2002, door de Kamer van de Raad voor de Mededinging samengesteld uit: Mevrouw Béatrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, Kamervoorzitter, de heer Geert Zonnekeyn, de heer Frank Deschoolmeester en de heer Erik Mewissen, leden.