← België

2002PK87

Beslissing nr. 2002-P/K-87 van 6 december 2002 Zaak nr. MEDE - I/O - 97/0020 Inzake: BVBA R.L. OFFICE, met gewezen zetel te 2200 Herentals, Oudstrijderslaan 13, fail-liet verklaard door de rechtbank van koophandel te Turnhout bij vonnis dd. 31 maart 1998, waarbij Meester Rudy Van Gompel als curator werd aangesteld. tegen BVBA RAIN AIR BENELUX, met zetel te 9830 Sint-Martens-Latem, Kortrijkse-steenweg 259 Gelet op de Wet op de Bescherming van de Economische Mededinging, dd. 5 augustus 1991 (WBEM); Gelet op de klacht, neergelegd bij de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging op 19 juni 1997 ; Gelet op de stukken van het dossier ; Gelet op het gemotiveerd verslag van de heer Jo Roossens van de Afdeling Prijzen en Mededinging op grond van art.24, 1° WBEM d.d. 13 augustus 1999 ; Gehoord ter zitting op 6 december 2002: - Dhr Johan Isselée, namens de Afdeling Prijzen en Mededinging - Dhr Ronny Spruyt, gewezen zaakvoerder van de klaagster, die evenwel de klaagster niet rechtsgeldig kan vertegenwoordigen wegens faillissement.

  1. Het voorwerp van de klacht Huidige klaagster was sinds begin 1996 exclusieve verdeler van luxe-stofzuigers voor RAIN AIR in België. Volgens klaagster heeft verweerster vanaf oktober 1996 nagela -ten om de door haar bestelde stofzuigers te leveren. Tevens verwijt klaagster ernstige contractuele fouten aan verweerster o.a. inzake prijzen voor de aankoop van de toestel-len en het transport ervan, alsook m.b.t. opleiding, beschikbaarheid en informatie. Volgens klaagster betekenden de begane inbreuken het verbreken van de overeenkomst van alleenverkoop en heeft ze recht op een opzegvergoeding en een schadevergoeding conform de Wet van 27 juli 1961 betreffende de éénzijdige beëindiging van de voor on-bepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop. Er werd tussen partijen een ge-meenrechtelijke procedureslag gevoerd: kortgeding, verzet, dagvaarding ten gronde, be-slagprocedure, hogere beroepen, enz. ... (zie dagvaarding ten gronde).
  2. Toepasselijke wet Huidige procedure werd op 4 juni 1999 ingeleid onder toepassing van de Wet van 5 au-gustus 1991 tot Bescherming van de Economische Mededinging. De gewijzigde Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoör-dineerd bij Koninklijk Besluit van 1 juli 1999, bepaalt dat deze gewijzigde wet niet van toepassing is op de procedures die hangende zijn bij de Raad voor de Mededinging of bij het Hof van Beroep te Brussel Rapport annuel 2002 - Annexes 479 op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze gewijzigde wet (artikel 47 van de Wet van 26 april 1999 (II)), namelijk 1 oktober
  3. De Raad voor de Mededinging beschouwt dat een procedure bij hem hangende is op het ogenblik dat hem een verslag werd voorgelegd door de Dienst voor de Mededinging vóór 1 oktober
  4. In casu werd het verslag van de Dienst voor de Mededinging aan de Raad voor de Me-dedinging overgemaakt op 13 augustus
  5. De zaak was dus reeds aanhangig bij de Raad voor de Mededinging op het ogenblik dat de gewijzigde wet in werking is getre-den. Bijgevolg is de gewijzigde wet tot Bescherming van de Economische Mededinging niet van toepassing op deze zaak en gelden de bepalingen van de wet tot Bescherming van de Economische Mededinging van 5 augustus 1991 zoals deze golden voor de inwer-kingtreding van de gewijzigde wet.
  6. De ontvankelijkheid van de klacht Uit de gegevens van het dossier blijkt dat verweerster als een onderneming kan worden bestempeld in de zin van art. 1a WBEM. Ook beschikte klaagster over een rechtstreeks en dadelijk belang conform art. 23,1°c WBEM. Voorwaarde voor ontvankelijkheid van een klacht is echter ook dat de ingeroepen feiten onder het toepassingsgebied van de WBEM moeten vallen (zie beslissing Raad voor de Mededinging d.d. 06/09/94 inzake Degheldere/Regma Belgium NV, T.B.H. 1995, 338). Verweerster beschikt, gezien de vele producenten van stofzuigers, over géén machtspo-sitie op de Belgische betrokken markt van de verkoop van stofzuigers. Haar producten worden verkocht via de ambulante handel met demonstraties en thuisverkoop. Uit de gegevens van het dossier blijkt wel dat klaagster economisch afhankelijk was van de leveringen door verweerster, doch dergelijke afhankelijkheid is nog géén restrictieve mededingingspraktijk in de zin van de WBEM. De beweerde verkoopweigering in casu was geen gevolg van een afspraak tussen leve-ranciers, noch van een besluit van een ondernemingsvereniging of een onderling afge-stemd feitelijk gedrag, noch was het een misbruik in hoofde van een leverancier met een dominante marktpositie (art.2 en 3 WBEM). Daarenboven baseert klaagster zich op de Wet van 27 juli 1961 tot het verkrijgen van schadevergoeding. Het toepassen van deze wet en het beoordelen van het betrokken ge-schil behoort niet tot de bevoegdheden van de Raad voor de Mededinging, zodat de klacht als onontvankelijk moet worden afgewezen. Om deze redenen De Raad voor de Mededinging Wijst de klacht - voorwerp van de zaak gekend onder nr. I/O - 97/0020 - af als ONONTVANKELIJK; Seponeert derhalve het dossier op grond van art. 24, 1°, van de wet van 5 augustus
  7. Aldus uitgesproken op 6 december 2002 door de Kamer van de Raad voor de Mededin-ging, samengesteld uit: de heer Frank Deschoolmeester, kamervoorzitter ; mevrouw Bé-atrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, de heren Robert Vanosselaer en Eric Mewissen, leden. 480 Jaarverslag 2002 - Bijlagen

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.