Beslissing nr. 2002-V/M-72 van 4 oktober 2002 Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging tot het nemen van voorlopige maatregelen ingediend door de BVBA Gema Plastics tegen VZW Fechiplast/VZW BCCA/ NV DYKA PLASTICS/NV MARTENS PLASTICS/NV PIPELIFE BELGIUM /NV WAVIN BELGIUM/VZW BIN Gezien de klacht ten gronde van de BVBA Gema Plastics dd. 5 april 2002, gekend onder MEDE-P/K02/0021; Gezien het verzoek waarbij om voorlopige maatregelen werd gevraagd door de BVBA Gema Plastics, met maatschappelijk zetel te 3580 Beringen, Paalsesteenweg 73, geregistreerd onder nr. MEDE-V/M02/0022, met betrekking tot de praktijken van de volgende ondernemingen: - FECHIPLAST VZW met maatschappelijke zetel in B – 1000 Brussel, Square Marie-Louise 49; BELGIAN CONSTRUCTION CERTIFICATION ASSOCIATION VZW (hierna ‘VZW BCCA’), met maatschappelijke zetel in B – 1040 Brussel, Aarlenstraat 53; DYKA PLASTICS NV, met maatschappelijke zetel in B – 3900 Overpelt, Nolimpark 4004; MARTENS PLASTICS NV, met maatschappelijke zetel in B – 2400 Mol, Berkebossenlaan 10; - PIPELIFE BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel in B – 2920 Kalmthout, Brasschaatsteenweg 302; WAVIN BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel in B – 9880 Aalter, Leon Bekaertlaan 30. Gezien het onderzoeksdossier door de Dienst voor de Mededinging aan het Korps Verslaggevers overgemaakt op 8 mei 2002; Gezien het gemotiveerd verslag van het Korps Verslaggevers in toepassing van artikel 35 van de Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999 (hierna "W.B.E.M.") en overgemaakt aan de Raad voor de Mededinging op 13 mei 2002; Gehoord op de zitting van 21 juni 2002: - De Heer Bert Stulens, verslaggever en de Heer Erwin Verhaeren namens de Dienst voor de Mededinging; - De B.V.B.A. GEMA PLASTICS, vertegenwoordigd door de Heer Patrick Vreys en bijgestaan door Meester Luc Savelkoul en Meester Steve Geerdens, advocaten te Beringen; De VZW FECHIPLAST, vertegenwoordigd door De Heer Geert Scheys, secretaris -generaal en bijgestaan door Meester Herman De Bauw, advocaat te Brussel; De VZW BELGIAN CONSTRUCTION CERTIFICATION ASSOCIATION , vertegenwoordigd door de Heren F. Donck en B. De Blaere en bijgestaan door Meester Frank Wijckmans en Meester Mieke Beeuwsaert, advocaten te Brussel, De N.V. DYKA PLASTICS , vertegenwoordigd door Meester Koen Platteau, advocaat te Brussel; De N.V. MARTENS PLASTICS, vertegenwoordigd door Meester Karel Van Overstraeten, advocaat te Mol, - - De N.V. PIPELIFE BELGIUM, vertegenwoordigd door Meester Frédéric Louis, advocaat te Brussel; De N.V. WAVIN BELGIUM, vertegenwoordigd door Meester Peter Wytinck en Meester Hendrik Viaene, advocaten te Brussel, Gezien de memorie van het Korps Verslaggevers op de memories van de klagende partij en de verwerende partijen in de procedure MEDE - V/M – 02/0022 d.d. 14 augustus 2002 en overgemaakt aan de Raad voor de Mededinging op 19 augustus 2002, evenals het aanvullend onderzoeksdossier en het erratum op de memorie van het Korps Verslaggevers d.d . 26 augustus 2002 aan de Raad voor de Mededinging overgemaakt op 27 augustus 2002; Gezien de memories namens de VZW BCCA neergelegd op 20 juni 2002, 11 september 2002 en 25 september 2002; 356 Jaarverslag 2002 - Bijlagen Gezien de memories namens de VZW Fechiplast neergelegd op 21 juni 2002, 10 september 2002 en 25 september 2002, Gezien de memories namens de N.V. Pipelife Belgium neergelegd op 21 juni 2002, 11 september 2002 en 25 september 2002; Gezien de memories namens de N.V. Wavin Belgium neergelegd op 21 juni 2002, 10 september 2002 en 25 september 2002; Gezien de memorie namens de N.V. Martens Plastics neergelegd op 2 juli 2002 en 6 september 2002; Gezien de memories namens de N.V. Dyka Plastics neergelegd op 5 juli 2002, 10 september 2002 en 25 september 2002; Gezien de memorie namens de B.V.B.A. Gema Plastics neergelegd op 2 augustus 2002; Gehoord op de zitting van 13 september 2002: - - De Heer Bert Stulens, verslaggever en De Heer Erwin Verhaeren, namens de Dienst voor de Mededinging; De B.V.B.A. GEMA PLASTICS, vertegenwoordigd door De Heer Patrick Vreys en bijgestaan door Meester Luc Savelkoul en Meester Steve Geerdens, advocaten te Beringen, en Meester Jules Stuyck, advocaat te Brussel; De VZW FECHIPLAST, vertegenwoordigd door De Heer Geert Scheys, secretaris -generaal en bijgestaan door Meester Herman De Bauw en Meester Laurence Van Wymeersch, advocaten te Brussel; De VZW BELGIAN CONSTRUCTION CERTIFICATION ASSOCIATION , vertegenwoordigd door De Heer Daniël Goossens en bijgestaan door Meester Frank Wijckmans, advocaat te Brussel, - De N.V. DYKA PLASTICS , vertegenwoordigd door Meester Koen Platteau, advocaat te Brussel; De N.V.. MARTENS PLASTICS, vertegenwoordigd door Meester Karel Van Overstraeten, advocaat te Mol, - De N.V. PIPELIFE BELGIUM, vertegenwoordigd door Meester Frédéric Louis, advocaat te Brussel; De N.V. WAVIN BELGIUM, vertegenwoordigd door Meester Peter Wytinck en Meester Hendrik Viaene, advocaten te Brussel, Gezien de stukken van het dossier, Gezien de klacht ten gronde van de BVBA Gema Plastics dd. 26 juli 2002, gekend onder MEDE-P/K02/0047; Gezien het verzoek waarbij om voorlopige maatregelen werd gevraagd door de BVBA Gema Plastics, met maatschappelijk zetel te 3580 Beringen, Paalsesteenweg 73, geregistreerd onder nr. MEDE - V/M - 02/0048, met betrekking tot de praktijken van de volgende onderneming: - BIN VZW, met maatschappelijke zetel in B-1000 Brussel, Brabançonnelaan 29. Gezien het gemotiveerd verslag van het Korps Verslaggevers in toepassing van artikel 35 W.B.E.M. en overgemaakt aan de Raad voor de Mededinging op 11 september 2002; Gezien het onderzoeksdossier van de Dienst voor de Mededinging; Gehoord op de zitting van 13 september 2002: - - De Heer Bert Stulens, verslaggever en De Heer Erwin Verhaeren, namens de Dienst voor de Mededinging; De B.V.B.A. GEMA PLASTICS, vertegenwoordigd door De Heer Patrick Vreys en bijgestaan door Meester Luc Savelkoul en Meester Steve Geerdens, advocaten te Beringen, en Meester Jules Stuyck, advocaat te Brussel; De VZW BIN, vertegenwoordigd door De Heer H. Voorhof en De Heer H. Janssens. Rapport annuel 2002 - Annexes 357 Gezien de stukken van het dossier, Gezien de Beslissing nr. 2002-V/M-69 van 13 september 2002 van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging houdende samenvoeging van de zaken MEDE –V/M- 02/0022 en MEDE-V/M-02/0048 inzake de verzoeken tot het nemen van voorlopige maatregelen neergelegd door de BVBA Gema Plastics; Gehoord op de zitting van 27 september 2002: - - De Heer Bert Stulens, verslaggever en de Heer Johan Isselée en de Heer Erwin Verhaeren, namens de Dienst voor de Mededinging; De B.V.B.A. GEMA PLASTICS, vertegenwoordigd door De Heer Patrick Vreys en bijgestaan door Meester Luc Savelkoul en Meester Steve Geerdens, advocaten te Beringen, en Meester Jules Stuyck, advocaat te Brussel; De VZW FECHIPLAST, vertegenwoordigd door De Heer Geert Scheys, secretaris -generaal en bijgestaan door Meester Herman De Bauw , advocaat te Brussel; De VZW BELGIAN CONSTRUCTION CERTIFICATION ASSOCIATION , vertegenwoordigd door De Heer B. De Blaere en bijgestaan door Meester Frank Wijckmans en Meester Mieke Beeuwsaert, advocaten te Brussel, De N.V. DYKA PLASTICS , vertegenwoordigd door Meester Koen Platteau, advocaat te Brussel; De N.V.. MARTENS PLASTICS, vertegenwoordigd door de Heer C. Rutsaert en bijgestaan door Meester Karel Van Overstraeten, advocaat te Mol, De N.V. PIPELIFE BELGIUM, vertegenwoordigd door Meester Frédéric Louis, advocaat te Brussel; De N.V. WAVIN BELGIUM, vertegenwoordigd door Meester Peter Wytinck, advocaat te Brussel; - De VZW BIN, vertegenwoordigd door De Heer H. Janssens. - - - Gezien de Wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, zoals gecoördineerd op 1 juli 1999 (hierna W.B.E.M.) en o.m. artikel 35 volgens hetwelk de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging op aanvraag van de klager of de minister, voorlopige maatregelen kan nemen bestemd om de restrictieve mededingingspraktijken die het voorwerp van het onderzoek uitmaken te schorsen, indien het dringend is een toestand te vermijden die een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel kan veroorzaken voor de ondernemingen waarvan de bela ngen aangetast worden door deze praktijken of die schadelijk kan zijn voor het algemeen economisch belang. ***** Beslissingen inzake vertrouwelijkheid Gezien de beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging inzake de vertrouwelijke stukken van het dossier van 15 mei 2002, de aanvullende beslissing inzake de vertrouwelijke stukken van het dossier van 11 september 2002 en de aanvullende beslissing inzake de vertrouwelijke stukken van het dossier van 27 september 2002; Gezien volledigheidshalve nog gepreciseerd wordt dat verzoekende partij, op verzoek van de Voorzitter, een niet-vertrouwelijke versie van de stukken 25-57 heeft neergelegd, die tevens aan alle partijen werden ter kennis gebracht, Dat de stukken 25-57 van verzoekende partijen in hun oorspronkelijke versie immers zakengeheimen bevatten (de identificatiegegevens van de klanten van verzoekende partij) hetgeen overigens niet betwist werd door de betrokken ondernemingen, zodat de mededeling van deze stukken geweigerd werd en de stukken uit het dossier verwijderd werden ten aanzien van de betrokken ondernemingen; Dat deze stukken als B dienen gekwalificeerd te worden (toegankelijk enkel voor de verzoekende partij, het Korps Verslaggevers, de Dienst voor de Mededinging en de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging). 358 Jaarverslag 2002 - Bijlagen Gezien tevens volledigheidshalve gepreciseerd wordt dat het stuk neergelegd door de N.V. Wavin Belgium samen met de aanvullende schriftelijke opmerkingen van de N.V. Wavin Belgium van 10 september 2002 als vertrouwelijk dient gekwalificeerd te worden ten aanzien van alle partijen behalve de auteur, de verzoekende partij, het Korps Verslaggevers, de Dienst voor de Mededinging en de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging; Dat dit stuk immers een offerte van de N.V. Wavin Belgium aan de verzoekende partij betreft en derhalve zakengeheimen bevat, hetgeen overigens niet betwist werd door de overige betrokken ondernemingen, zodat de mededeling van deze stukken geweigerd werd en de stukken uit het dossier verwijderd werden ten aanzien van de overige betrokken ondernemingen; Dat dit stuk als C dient gekwalificeerd te worden met dien verstande dat het toegankelijk is enkel voor de auteur (N.V. Wavin Belgium), de verzoekende partij en het korps Verslaggevers, de Dienst voor de Mededinging en de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging. Gezien tenslotte volledigheidshalve gepreciseerd wordt dat N.V. Pipelife Belgium een nietvertrouwelijke versie van haar memories van 11 september en 25 september 2002 heeft neergelegd, waarbij gesteld wordt dat de vertrouwelijke versie zakengeheimen bevat; Dat dit evenmin betwist werd door de verzoekende partij en de overige betrokken ondernemingen zodat de vertrouwelijke versie van de memories van de N.V. Pipelife Belgium niet medegedeeld werd aan de verzoekende partij noch aan de overige betrokken ondernemingen en deze stukken uit het dossier werden verwijderd ten aanzien van de verzoekende partij en de overige betrokken ondernemingen. Nota buiten beraad De zaakvoerster van de BVBA Gema Plastic s heeft op 30 september 2002, derhalve na de sluiting van debatten op 27 september 2002, nog een nota neergelegd. Stukken, nota’s of conclusies die een partij neerlegt na het sluiten van de debatten, worden buiten het beraad gehouden (Cass., 1 juni 1977, R.W., 1977-78, 248). De nota die door de zaakvoerster van verzoekende partij op 30 september 2002 neergelegd werd, wordt derhalve buiten het beraad gehouden. I. De partijen, de feiten en de procedure 1 BVBA GEMA PLASTICS, met maatschappelijke zetel te 3580 Beringen, Paalsesteenweg 73, is een fabrikant van PVC toezichtputten. De BVBA Gema Plastics heeft tevens een groothandelsactiviteit in PVC Benor buizen, alsook in PVC Benor hulpstukken, PVC goten, druk PVC, drainageproducten en aanverwante bouwspecialite iten. Het cliënteel van de B.V.B.A. Gema Plastics bestaat uit aannemers in grondwerken, aannemers in wegenbouw, dakwerkers, beregeningswerken, groot- en kleinhandel in sanitair en doe-het-zelfzaken. 2 De VZW FECHIPLAST, met maatschappelijke zetel te1000 Brussel, Square Marie -Louise 49 is binnen Fedichem, de Federatie van de Chemische Industrie van België, een beroepssectie die als leden 147 kunststofverwerkende bedrijven in België en Luxemburg telt. Fechiplast is in deelsecties en werkgroepen ingedeeld, die binnen Fechiplast elk een eigen taak te vervullen hebben. Fechiplast heeft ook partnerships met andere actoren binnen de kunststofverwerkende sector aangegaan, voor onder meer opleidingen, het opzetten en het valoriseren van recyclageactiviteiten, enz… Daarnaast heeft Fechiplast de opdracht om decision makers (politici en ambtenaren), als ook de pers en andere actoren in de maatschappij te informeren over thema’s, die haar leden aanbelangen. Tevens houdt zij haar leden up-to-date over de aanwezige trends en genomen initiatieven binnen de kunststofverwerkende sector. Fechiplast onderhoudt tenslotte ook externe en internationale betrekkingen, waarbij ze onder meer deelneemt aan werkgroepen en secties van de Europese overkoepelende organisatie EuPC, alsook van de sectorale Europese verenigingen. Via deze kanalen Rapport annuel 2002 - Annexes 359 worden belangrijke, Europese dossiers opgevolgd. Fechiplast wekt bovendien nauw samen met APME, Association of Plastics Manufacturers in Europe, om de Belgische overheden en leden van het Europese Parlement over het standpunt van de kunststofindustrie in Europese dossiers in te lichten. Fechiplast beantwoordt hierbij ook vragen om informatie, zowel van haar leden als van het onderwijs en van industriële en commerciële contacten in binnen- en buitenland. Fechiplast telt de volgende leden: de vier ondernemingen die in deze mede het voorwerp van het onderzoek uitmaken, zijnde N.V. Dyka Plastics, N.V. Martens Plastics, N.V. Pipelife Belgium en N.V. Wavin Belgium en de volgende ondernemingen: N.V.Kabelfabriek EUPEN, N.V. MSC – divisie Storama (behoort tot de Wavin-groep), N.V. MSC – divisie Makubo (behoort tot de Wavin-groep) en Ravago – divisie Lentrex N.V. 3 De VZW BCCA, met maatschappelijke zetel te 1040 Brussel, Aarlenstraat 53, is leider inzake certificatie in de bouwsector en is voor de certificatie van kwaliteitssystemen geaccrediteerd. Daarnaast is het BCCA als certificeerder voor meerdere productfamilies door het Belgisch Instituut voor Normalisatie (hierna het ‘BIN’) aangewezen (zie hierover infra onder nr. 9). Op het vlak van certificatie neemt het BCCA tevens deel aan activiteiten van diverse nationale en internationale instanties. Binnen de BCCA is er een adviesraad die samengesteld is uit alle relevante maatschappelijke groepen die in de betrokken sector belang hebben en dit conform de eisen van het Comité voor het merk Benor (zie hierover infra onder nr. 9). De Adviesraad van de BCCA heeft geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid. Bij de samenstelling van de adviesraad wordt er volgens de VZW BCCA over gewaakt dat zowel de overheid, de producenten als de gebruikers vertegenwoordigd zijn. De adviesraad wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van het BIN. Volgens de VZW BCCA bestaat de BCCA adviesraad in de sector van de kunststofbuizen uit de volgende leden: Aantal 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 360 Leden Aantal vertegenwoordigers BCCA 2 BECETEL 1 BIN 1 C.R.R. / O.C.W. 1 COPRO 1 FAB 1 KBVG 1 SECO 2 SWDE 1 Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) 1 BELGAQUA 1 Ministerie van Verkeer en Infrastructuur – DGV 2 SOLVAY Polyolefins Europe-Belgium 1 NVBB 1 Regie der Gebouwen 1 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Administratie Wegen en Verkeer Afdeling 1 Wegen WVC Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Betonstructuren 1 Ministère Wallon de l’Equipement et des Transport - Division du Controle technique 1 Ministère de la Région de Bruxelles – Capitale - Adm. de l’Equip. et de la Politique 1 des Dépiac. Serv. A1 Université de Liège – Institut du Génie Civil - Laboratoire des Matériaux de 1 Construction Aquafin – Directie Engineering en Leidingen 1 Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening 1 Jaarverslag 2002 - Bijlagen 23. 24. 25. 26. 27. 28. 29. 30. Agoria Kunststoffen - Vereniging van kunststofverwerkers bij Agoria NV Pipelife Belgium NV Dyka Plastics NV Storama Fechiplast VZW SA Cablerie d’Eupen NV Intraco NV Akatherm Benelux 1 1 1 1 1 1 1 1 33 Volgens BCCA bestaat de taak van de Adviesraad erin de Benor toepassingsreglementen op te stellen en voor te stellen ter goedkeuring aan het comité van het merk Benor van het BIN. BCCA stelt bovendien dat er een strikt onderscheid dient gemaakt te worden tussen de instanties die belast zijn met de creatie van de toetsingscriteria (Adviesraad/ Comité van het merk) en de instantie die deze criteria in concreto moet toepassen (BCCA). 4 De N.V.DYKA PLASTICS, met maatschappelijke zetel te 3900 Overpelt, Nolimpark 4004, is een Belgische producent van kunststofleidingsystemen in PVC en PE met zustermaatschappijen in diverse Europese landen. Dyka Plastics is actief in de bouw (buitenriolering, binnenriolering, regenwaterafvoer, watertoevoer, electro), in het openbaar nut (gasleidingen, drinkwaterleidingen, telecomleidingen, leidingen voor gestuurde boringen), in de industrie (kunststofleidingen voor industrieel gebruik) en in het milieu (milieusaneringsprojecten). 5 De N.V. MARTENS PLASTICS met maatschappelijke zetel te 2400 Mol, Berkebossenlaan 10 verkoopt Benor buizen en hulpstukken aan de grotere bouwmateriaalhandel in België. 6 De N.V. PIPELIFE BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 2920 Kalmthout, Brasschaatsteenweg 302 is een leverancier van kunststofleidingsystemen in België en Luxemburg en dit voor alle mogelijke toepassingen zoals gas, water, kabelbescherming, drainage, sanitair en rioolle idingen. Het grootste gedeelte van de productie van buizen voor de Belgische en Luxemburgse markt gebeurt in België. Hulpstukken en andere accessoires, die nodig zijn om een volledig leidingsysteem op de markt te brengen, worden zowel in België als in het buitenland aangekocht en dit zowel binnen als buiten de Pipelife Groep. De Pipelife Groep heeft in de meeste Europese landen activiteiten, alsook in China en Amerika. Er is eveneens een joint-venture (fifty-fifty) tussen de Solvay Groep en Wienerberger Groep 7 De N.V.WAVIN BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 9880 Aalter, Leon Bekaertlaan 30 is actief in de productie van PVC buizen en in de verkoop van leidingssystemen aan de bouwstofhandel en doe-het-zelfzaken. De PVC hulpstukken worden zowel binnen als buiten de Wavin Groep aangekocht (ook Duitse niet-Benor hulpstukken met korte insteekdiepte zoals Gema). Naast de Belgische productieonderneming Wavin Belgium zijn er binnen de Wavin Groep in België nog twee handelsondernemingen actief, zijnde: MSC NV en de SA Crame-Crame. Deze twee handelsondernemingen zijn actief in de verkoop aan handel- en nutsbedrijven en in de verkoop op de eindmarkt van producten, die betrekking hebben op kunststofafvoer- en drukleidingen als op allerhande toebehoren. 8 De verzoekende partij heeft op 5 april 2002 een (eerste) klacht tegen de hogervermelde organisaties en ondernemingen bij de Raad neergelegd wegens schending van artikel 2, § 1 W.B.E.M. Op dezelfde datum heeft de verzoekende partij een aanvraag tot voorlopige maatregelen aan de Voorzitter van de Raad gericht, waarbij de verzoekende partij voorhield dat de aangeklaagde praktijken haar een onmiddellijk en onherstelbaar nadeel zouden kunnen veroorzaken. Volgens verzoekende partij liggen de volgende feiten aan de basis van de klacht en de aanvraag tot voorlopige maatregelen: Rapport annuel 2002 - Annexes 361 Op 28 september 2001 heeft BCCA beslist de Belgische normering van PVC hulpstukken NBN T 42601 te veranderen, met name de insteekdiepten. In de aanvraag tot voorlopige maatregelen stelt de verzoekende partij dat BCCA hierover op 28 september 2001 een beslissing genomen heeft, doch de beslissing door de BCCA adviesraad werd door het BIN op 24 augustus 2001 gevalideerd en geregistreerd. Het nieuwe Benor toepassingsreglement heeft de Belgische normering van PVC hulpstukken NBN T 42-601 gewijzigd, met name werden de insteekdiepte als volgt gewijzigd: - Voor diameter 110: een insteekdiepte van 40 mm; Voor diameter 125: een insteekdiepte van 43 mm; Voor diameter 160: een insteekdiepte van 50 mm. Door deze beslissing wijken, volgens de verzoekende partij, de Belgische normen voor deze PVC hulpstukken af van de Europese norm NBN EN 1401-1, zijnde: - Voor diameter 110: een insteekdiepte van 32 mm; - Voor diameter 125: een insteekdiepte van 35 mm; Voor diameter 160: een insteekdiepte van 42 mm. Het nieuwe toepassingsreglement zal, na een overgangsperiode, vanaf 3 oktober 2002 van kracht zijn. Het Korps Verslaggevers heeft na onderzoek dienen vast te stellen dat het niet om nieuwe Belgische normen gaat, die strijdig zouden zijn met de Europese normen. Het betreft daarentegen wel het nieuwe Benor toepassingsreglement TR 1401. Volgens verzoekende partij druist deze beslissing tegen de Europese reglementering in, die in andere Europese landen van kracht zou blijven. Volgens verzoekende partij is deze wijziging in de Belgische normering er onder druk van de VZW Fechiplast gekomen met de bedoeling de concurrentie op de Belgische markt uit te schakelen. Tijdens het onderzoek verklaarde de VZW BCCA dat de vertegenwoordigers van VZW Fechiplast de probleemstelling van de verschillende insteekdieptes tussen de twee toepassingen (sanitair en riool) op de adviesraad te berde hebben gebracht. Dit voorstel werd volgens de VZW BCCA vervolgens in de Technische Werkgroep behandeld, waarna het aan de adviesraad werd voorgesteld die het heeft aanvaard. Alle partijen hadden hierover volgens de VZW BCCA snel een consensus bereikt. Deze wijziging zou volgens de verzoekende partij aan vier (Nederlandse) fabrikanten van PVC hulpstukken ten goede komen, waardoor er op een kunstmatige wijze een monopolistische situatie zou worden gecreëerd. Deze wijziging zou een onmiddellijke weerslag hebben op verzoekende partij, gezien verzoekende partij geen PVC hulpstukken uit andere landen meer kan importeren en derhalve haar activiteiten op dat vlak dient te staken. Buitenlandse ondernemingen zouden nog alleen maar PVC hulpstukken produceren volgens de Europese normering. Buitenlandse producenten zouden dan ook hun PVC hulpstukken niet meer in België aan de man kunnen brengen. Ten gevolge van deze hele wijziging van normering zou een zeer aanzienlijk deel van de activiteiten van verzoekende partij nadelige effecten kunnen ondervinden en dit op een onmiddellijke, ernstige en onherstelbare wijze, namelijk marktverlies en klantenverlies en het staken van de importactiviteiten. Verzoekende partij besluit dan ook dat de wijziging van normering door BCCA en dit zonder enige, objectieve reden, een inbreuk is op artikel 2, § 1 W.B.E.M. 9 Het merk Benor is een collectief merk, dat in het kader van de Beneluxmerkenwet werd gedeponeerd. Het Belgisch Instituut voor Normalisatie is eigenaar van het merk Benor. Het merk Benor is een vrijwillig en niet dwingend kwaliteitskeurmerk, waarbij een product het Benormerk kan voeren, wanneer het product conform is met de relevante normen en met specificaties is aangevuld, die de relevante normen niet mogen veranderen maar die omwille van de 362 Jaarverslag 2002 - Bijlagen noodwendigheden gerechtvaardigd zijn. Die aanvullende specificaties worden door de adviesraden uitgewerkt en door het BIN aanvaard. De fabrikant van het product doet hiervoor een aanvraag bij de VZW BCCA. Binnen het BIN werd een orgaan opgericht, het Comité van het Merk Benor, dat voor het bepalen van het algemeen beleid bevoegd is en o.m. voor het aanstellen van certificatie -instellingen, welke bevoegd zijn voor het toekennen van het merk Benor. Voor het merk Benor is de VZW BCCA door het Comité van het Merk Benor als certificatie -instelling aangeduid. Volgens het BIN is de aanduiding gebeurd op basis van de nodige waarborgen inzake onafhankelijkheid, onpartijdigheid, integriteit, betrouwbaarheid en technische deskundigheid. Binnen het BCCA zijn er drie organen die voor het merk Benor actief zijn. Vooreerst is er de BCCA adviesraad voor de sector van de thermoplastische kunststofbuizen wiens opdracht erin bestaat de technische en procedurele reglementen goed te keuren (zoals TR 1401) en toezicht op de certificatie te houden. De voorbereidende teksten worden door een technische werkgroep gemaakt en aan de adviesraad gerapporteerd. Vervolgens is er het BCCA certificatiecomité, dat adviezen verstrekt met betrekking tot de certificatie, de toekenning, de voorwaardelijke toekenning, de weigering of intrekking van het certificaat om technische redenen en tenslotte bestaat er de BCCA directie, die de beslissing tot de toekenning van de certificaten neemt op basis van de door de certificatiecomités uitgebrachte adviezen. De adviezen van de BCCA adviesraad voor onder meer een nieuw toepassingsreglement worden door het BIN gevalideerd en geregistreerd. 10 Het nieuwe Benor toepassingsreglement TR 1401, dat het gebruik en de controle van het Benor merk in de sector van de kunststofbuizen regelt, vormt bijgevolg het voorwerp van de aanvraag tot voorlopige maatregelen. Het nieuwe Benor toepassingsreglement TR 1401 regelt in het bijzonder de kunststofleidingsystemen van ongeplastificeerd poly vinyl chloride (PVC-U) voor drukloze ondergrondse afvoer van afvalwater (kortweg: rioolleidingen). Dit toepassingsreglement heeft zowel betrekking op buizen als op hulpstukken. De verzoekende partij richt zowel de aanvraag tot voorlopige maatregelen als de klacht op de hulpstukken (met diameters 110, 125 en 160
- mm)en niet op de buizen. Dit nieuwe Benor toepassingsreglement TR 1401 is op de Europese norm EN 1401-1 en de Belgische norm NBN EN 1401-1 gebaseerd. De Europese norm EN 1401-1 is sinds 1998 van kracht en werd zonder wijzigingen in de Belgische norm NBN EN 1401-1 omgezet. Die norm NBN EN 1401-1 heeft de oude normen NBN T42-108 (norm voor rioleringsbuizen in PVC) en NBN T42-601 (norm voor hulpstukken sanitair en riool in PVC) reeds in 1999 vervangen. Voor dit nieuwe Benor toepassingsreglement TR 1401 was er een BCCA reglement, dat het toekennen van het merk Benor op basis van de oude normen NBN T42-108 en NBN T42-601 regelde. Het nieuwe Benor toepassingsreglement TR 1401 vormt een aanvulling op de norm NBN EN 1404-1, die in het bijzonder betrekking heeft op de insteekdieptes voor de ongeplastificeerde PVC hulpstukken voor rioolleidingen. Deze aanvulling kan schematisch als volgt voorgesteld worden: NBN EN 1401-1 TR 1401 Voor diameter 110 mm Insteekdiepte 32 mm Insteekdiepte 40 mm Voor diameter 125 mm Insteekdiepte 35 mm Insteekdiepte 43 mm Voor diameter 160 mm Insteekdiepte 42 mm Insteekdiepte 50 mm Rapport annuel 2002 - Annexes 363 De langere insteekdieptes van het nieuwe Benor toepassingsreglement TR 1401 zijn van het type medium, die in het Benor toepassingsreglement TR 1329 zijn voorzien. Dit Benor toepassingsreglement werd tevens op 24 augustus 2001 door het BIN goedgekeurd en is van toepassing op buizen en hulpstukken in ongeplastificeerd PVC voor huishoudelijke afvoerleidingen. Het nieuwe Benor toepassingsreglement TR 1401 voert bijgevolg geen nieuwe Belgische norm in (die in NBN EN 1401-1 is vastgelegd), maar legt aanvullende eisen op om het collectief merk Benor te kunnen dragen. 11 De verzoekende partij heeft op 26 juli 2002 een (tweede) klacht neergelegd tegen de VZW BIN, eveneens wegens schending van artikel 2 § 1 van de W.B.E.M. Op dezelfde datum richt verzoekende partij tevens een verzoek tot voorlopige maatregelen tot de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging. Verzoekende partij vraagt aan de Voorzitter van de Raad om de onmiddellijke schorsing van de beslissing van de VZW BIN dd.24 augustus 2001 en van de beslissing van de VZW BCCA dd.28 september 2001 te bevelen. 12 Het Belgisch Instituut voor Normalisatie (BIN) is een VZW onder de voogdij van het Ministerie van Economische Zaken en is erkend als een instelling van openbaar nut. De belangr ijkste taak van het BIN is het uitwerken van normen. Het doel hiervan is het scheppen van een optimaal maatschappelijk economisch kader, waarbinnen handelsbelemmeringen zijn weggewerkt, producten diensten en processen zijn geoptimaliseerd en de veiligheid van mens en milieu zijn gewaarborgd. 13 In haar memorie neergelegd op 2 augustus 2002 breidt verzoekende partij haar verzoek tot voorlopige maatregelen uit waarbij zij niet alleen de door haar gevorderde voorlopige maatregelen nader specifieert, doch tevens nieuwe restrictieve mededingingspraktijken (o.m. inzake de toegepaste prijzen) aanvoert. 14 Verzoekende partij brengt een "attest van overeenkomstigheid" bij van de VZW Copro. Dit attest van overeenkomstigheid draagt als nr. 22125-00 en dateert van 25 februari 2000. Het attest heeft betrekking op hulpstukken in PVC die nagezien werden inzake de NBN T 42-601. Er wordt vermeld dat het attest 499 stuks betreft, dat de producent Gema is en onder merktekens wordt Redi vermeld. Het attest geeft aan dat de bochten voldoen aan de norm NBN T42-601. Tenslotte vermeldt het attest dat het document niet van toepassing is voor een specifieke bouwplaats. Verzoekende partij was oorspronkelijk van mening dat de in dit attest vermelde PVC-hulpstukken als Benor goedgekeurd dienden beschouwd te worden en als zodanig onder dat collectief merk mochten verkocht worden. Uit het bijkomend onderzoek van het Korps Verslaggevers (o.m. een verzoek om inlichtingen dd. 8 juli 2002 aan de VZW Copro) blijkt verzoekende partij aan de hand van dit attest enkel kan aantonen dat de 499 erop vermelde PVC-hulpstukken, partijgoedgekeurd zijn en overeenkomstig met de vermelde norm zijn. Het bovenvermelde attest is blijkens het onderzoek tevens slechts een "moederattest", wat betekent dat voor le vering naar een specifieke bouwplaats de leverancier (in deze de verzoekende partij) aan de VZW Copro een "deelattest" moet vragen. Dit deelattest vermeldt de geleverde hoeveelheid, de bouwplaats, de bouwheer en de aannemer. Uit het onderzoek van het Korps blijkt voorts dat verzoekende partij nooit deelattesten heeft aangevraagd. Volgens de partijkeuringsprocedures die de VZW Copro in acht moet nemen, worden geen deelattesten meer afgeleverd één jaar na het uitgeven van het moederattest. Uit het onderzoek blijkt tevens dat de VZW Copro geen Benor-certificaten voor PVC-hulpstukken kan afleveren, omdat zij hiervoor niet gemandateerd is door het Comité voor het merk Benor van de VZW BIN. Verzoekende partij dient zich hiervoor tot de BCCA te richten, die hiervoor wel gemandateerd is door het Comité voor het merk Benor. 15 Uit het onderzoek van het Korps Verslaggevers blijkt bovendien dat de Italiaanse fabrikant Redi nooit Benor PVC-hulpstukken aan verzoekende partij heeft kunnen leveren, vermits de fabrikant Redi 364 Jaarverslag 2002 - Bijlagen op geen enkel ogenblik een Benor-certificatie bij de BCCA aangevraagd heeft voor de bewuste PVC hulpstukken. 16 Bij beslissing nr.2002 – V/M-69 van 13 september 2002 van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging werden de zaken gekend onder nr. MEDE-V/M-02/0022 en MEDE-V/M-02/0048 samengevoegd. II. De aanvraag tot voorlopige maatregelen 1. De verzoekende partij vraagt in haar oorspronkelijk verzoek tot voorlopige maatregelen dd. 5 april 2002 om de toepassing van artikel 35 WBEM en van de artikels 17 e.v. van het KB van 15 maart 1993 betreffende de procedures inzake de bescherming van de economische mededinging. Volgens de verzoekende partij is de restrictieve mededingingspraktijk te vinden in de wijziging van de insteekdiepten van de PVC hulpstukken door het BCCA (in het bijzonder ongeplastificeerde PVC hulpstukken voor rioolleidingen met diameters 110, 125 en 160 mm), waarvan die insteekdiepten door de norm NBN T 42-601 werden geregeld. Deze norm NBN T 42-601 dateerde van 1976 en stemde met de Europese norm overeen. Door de beslissing van 28 september 2002 van het BCCA is er afgeweken van deze Europese norm voor wat betreft de insteekdiepten. De verzoekende partij vraagt aan de Voorzitter van de Raad om de beschreven restrictieve mededingingspraktijk te schorsen, gezien deze praktijk een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel voor de verzoekende partij zou vormen. Het nadeel zou ernstig zijn, aangezien een zeer aanzienlijk onderdeel van de activiteit van de verzoekende partij door die wijziging in normering van PVC hulpstukken wordt getroffen. Het nadeel zou onmiddellijk voelbaar zijn, aangezien de verzoekende partij thans geen PVC hulpstukken meer uit het buitenland kan importeren en derhalve haar activiteiten op dat vlak dient te staken. Het nadeel zou tenslotte onherstelbaar zijn voor de verzoekende partij in de vorm van marktverlies en klantenverlies. Om die reden verzoekt de verzoekende partij de Voorzitter van de Raad om in het kader van de mogelijkheid tot het nemen van voorlopige maatregelen de hierboven beschreven restrictieve mededingingspraktijk te schorsen op basis van artikel 35 W.B.E.M. 2. Op 26 juli 2002 legt de verzoekende partij een (tweede) verzoek tot voorlopige maatregelen neer, gericht tegen de VZW BIN, waarbij de verzoekende partij aan de Voorzitter van de Raad vraagt om de onmiddellijke schorsing van de beslissing van het BIN dd.24 augustus 2002 en van de beslissing van de BCCA dd.28 september 2001 te bevelen, met verbod van de volgende restrictieve mededingingspraktijken uitgaande van Dyka, Pipelife en Wavin: - identieke prijsverhogingen van 6% op alle producten, uitgezonderd één product waarvoor de prijsstijging 10% bedraagt; - het toekennen aan verzoekende partij van kortingen op de brutoprijs overeenkomstig de kortingen, die aan kleine aankopers zoals installateurs worden toegestaan, in plaats van het toestaan van de gebruikelijke kortingen aan de verzoekende partij voor groothandelaars en distributeurs. Verzoekende partij is hierbij van oordeel dat deze praktijken een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel voor haar vormen. Verzoekende partij vraagt dan ook dat de hierboven beschreven beslissingen van het BIN en de BCCA zouden geschorst worden en de restrictieve mededingingspraktijken zouden verboden worden op basis van artikel 35 van de W.B.E.M. 3. Op 2 augustus 2002 legt verzoekende partij een memorie neer aangaande het oorspronkelijk verzoek tot voorlopige maatregelen, gekend onder MEDE-V/M-02/0022, waarin zij haar (oorspronkelijk) verzoek tot voorlopige maatregelen uitbreidt en waarin zij vordert dat de Voorzitter de volgende maatregelen zou bevelen: Rapport annuel 2002 - Annexes 365 1. Vast te stellen dat de besluiten die binnen Fechiplast en BCCA in augustus-september 2001 m.b.t. PVC hulpstukken werden genomen en door het BIN werden goedgekeurd geen uitwerking kunnen hebben tot op het moment waarop de Raad voor de Mededinging een uitspraak ten gronde zal hebben gedaan over de klacht van de verzoekende partij; 2. Dyka, Martens, Pipelife en Wavin te bevelen zich tot op het onder 1 bedoelde moment te onthouden van elke handeling die ertoe strekt ondernemingen van de markt uit te sluiten, op basis van de onder 1 bedoelde Belgische normering; 3. De ondernemingen Dyka, Pipelife en Wavin België te verbieden
- a)tot op het onder 1 bedoelde moment, bij de levering van de onder 1 bedoelde hulpstukken aan de verzoekende partij discriminerende voorwaarden, onder meer inzake prijzen, toe te passen en
- b)deze ondernemingen te verplichten aan de verzoekende partij groothandelsvoorwaarden toe te kennen; 4. Voor recht te verklaren dat de verzoekende partij ook na 3 oktober 2002 en tot op het onder 1 bedoelde moment het recht heeft op de Belgische markt bedoelde hulpstukken aan te bieden, voor zover zij beantwoorden aan de Europese norm NBN EN 1401-1; 5. Tot op het onder 1 bedoelde moment, het BIN, subsidiair BCCA, of de beklaagde ondernemingen, te verplichten op ruime schaal een aankondiging te verspreiden waarin aan alle marktdeelnemers wordt aangekondigd dat de Voorzitter voor de Raad voor de Mededinging, bij wijze van voorlopige maatregel, heeft beslist dat het nieuwe Benor- toepassingsreglement TR 1401, dat op 24 augustus 2001 door het BIN werd gevalideerd en in september 2001 werd meegedeeld, zich geenszins verzet tegen het gebruik op de Belgische markt van hulpstukken die beantwoorden aan de Europese norm BN EN 1401-1, met andere woorden: - voor diameter 110 : een insteekdiepte van 32 mm.; voor diameter 125 : een insteekdiepte van 35 mm; voor diameter 160 : een insteekdiepte van 42 mm; Het BIN, BCCA , Fechiplast, Dyka, Pipelife, Wavin en Martens te veroordelen tot een dwangsom van 4.000 euro per dag dat zij één van de hierboven genoemde verplichtingen niet zouden nakomen. III. Het standpunt van het korps verslaggever 1. Het Korps Verslaggevers is in zijn gemotiveerd verslag in de zaak MEDE V/M- 02/0022 de mening toegedaan dat niet is voldaan aan de voorwaarde van ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel (voorwaarde 3) in de zin van artikel 35 van de W.B.E.M. Gezien aan voorwaarde 1 (het bestaan van een klacht ten gronde en daaraan verbonden het bestaan van een rechtstreeks en dadelijk belang voor de klager) en aan voorwaarde 2 (het bestaan van een prima facie inbreuk op de mededingingsregels) is voldaan concludeert het Korps Verslaggevers dat het verzoek tot het nemen van voorlopige maatregelen ingeleid door de verzoekende partij ontvankelijk is. Het Korps Verslaggevers is echter de mening toegedaan dat in het kader van art. 35 WBEM niet is voldaan aan de voorwaarde van ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel, (voorwaarde 3), waardoor het verzoek van verzoekende partij tot het nemen van voorlopige maatregelen ongegrond kan worden verklaard. In zijn voorstel tot beslissing stelt het Korps Verslaggevers de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging voor de voorliggende aanvraag van verzoekende partij tot het nemen van voorlopige maatregelen als ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Het Korps Verslaggevers preciseert in zijn gemotiveerd verslag tevens dat verzoekende partij enkel benor-hulpstukken van ongeplastificeerd pvc voor rioolleidingen verdeelt van de buitenlandse fabrikant Redi. Verzoekende partij verdeelt echter ook nog hulpstukken van ongeplastificeerd pvc 366 Jaarverslag 2002 - Bijlagen voor rioolleidingen van de buitenlandse fabrikant Funke, doch deze zijn niet benor gekeurd. (Antwoord van de Raadsman van Gema Plastics BVBA dd. 29 april 2002 op het verzoek om inlichtingen van de Dienst). Het Korps Verslaggevers is dan ook van oordeel dat de klacht en het verzoek van verzoekende partij tot het nemen van voorlopige maatregelen enkel slaat op de benorhulpstukken (diameter 110, 125 en 160) van ongeplastificeerd pvc voor rioolleidingen van de buitenlandse, Italiaanse fabrikant Redi. 2. In zijn memorie dd.14 augustus 2002 in de zaak MEDE V/M 02/0022 handhaaft het Korps Verslaggevers zijn standpunt en oordeelt het Korps dat de aanvraag tot voorlopige maatregelen ontvankelijk doch ongegrond is. Het Korps bevestigt zijn standpunt dat aan de eerste twee toepassingsvoorwaarden wordt voldaan maar niet aan de derde toepassingsvoorwaarde omwille van het gemis van een vermoeden van een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel, dat in verband staat met de aangeklaagde praktijk en dat dringend moet worden vermeden. Aangaande de uitbreiding van het oorspronkelijk verzoek in de memorie van 2 augustus 2002 van de verzoekende partij, stelt het Korps dat aan de bijkomende, gevraagde maatregelen geen gevolg kan worden gehecht, gezien het oorspronkelijk verzoek enkel betrekking had op de schorsing van het nieuwe Benor toepassingsreglement TR 1401 tot aan de uitspraak ten gronde van de Raad over de klacht ten gronde. Gezien de Dienst voor de Mededinging geen onderzoek heeft gevoerd omtrent deze nieuwe, uitgebreide verzoeken tot voorlopige maatregelen, om dit al dan niet prima facie te kunnen staven, heeft het Korps niet de mogelijkheid gehad hierover een standpunt in te nemen. Het Korps Verslaggevers herhaalt zijn voorstel tot beslissing aan de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging en meent dat de voorliggende aanvraag van de klager, met name Gema, tot het nemen van voorlopige maatregelen als ontvankelijk doch ongegrond dient verklaard te worden. 3. In het gemotiveerd verslag aangaande de zaak MEDE-V/M-02/0048 is het Korps Verslaggevers eveneens de mening toegedaan dat de aanvraag tot voorlopige maatregelen, gericht tegen de VZW BIN, ontvankelijk doch ongegrond is. Het Korps meent eveneens dat aan de eerste twee toepassingsvoorwaarden wordt voldaan maar niet aan de derde toepassingsvoorwaarde omwille van het gemis van een vermoeden van een ernstig , onmiddellijk en onherstelbaar nadeel dat in verband staat met de aangeklaagde praktijk en dat dringend moet worden vermeden. Het Korps oordeelt derhalve dat aan de derde cumulatieve toepassingsvoorwaarde in het kader van artikel 35 van de W.B.E.M. niet voldaan is. In zijn voorstel tot beslissing stelt het Korps Verslaggevers evenzeer de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging voor de voorliggende aanvraag van de verzoekende partij, met name Gema, tot het nemen van voorlopige maatregelen als ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. IV. Over de bevoegdheid van de voorzitter van de Raad voor de Mededinging De NV Pipelife Belgium verzoekt de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging zich onbevoegd te verklaren om de door de verzoekende partij gevraagde maatregelen te verlenen. De NV Pipelife is hierbij van oordeel dat de verzoekende partij als voorlopige maatregel vraagt om een recht te krijgen dat hij nooit heeft gehad. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Voorzitter van het Gerecht van Eerste Aanleg van de E.G. (Beschikking van de Voorzitter van het Gerecht van Eerste Aanleg van 10 augustus 2001, zaak T184/01 R, IMS Health t. Commissie, waar de Voorzitter van het Gerecht prima facie zou geoordeeld hebben dat in zulke gevallen de gevraagde maatregelen buiten de bevoegdheden van een mededingingsautoriteit vallen) besluit deze partij dan ook dat de Voorzitter van Raad voor de Mededinging zich niet bevoegd dient te verklaren. Wij zijn echter van oordeel dat het door de NV Pipelife Belgium ingeroepen argument, te weten het feit dat de verzoekende partij via een procedure voorlopige maatregelen tracht een recht te krijgen dat hij nooit heeft gehad, de ontvankelijkheid (in het kader van het onderzoek van het rechtstreeks en Rapport annuel 2002 - Annexes 367 dadelijk belang) en /of de gegrondheid (in het kader van het onderzoek naar een prima facie inbreuk) betreft. Wij zien derhalve geen reden om Ons onbevoegd te verklaren, zodat de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging bevoegd is. V. Over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het verzoek tot voorlopige maatregelen Teneinde voorlopige maatregelen in de zin van artikel 35 van de W.B.E.M. te kunnen toekennen, dienen drie cumulatieve toepassingsvoorwaarden vervuld te zijn: - Het bestaan van een klacht ten gronde en daaraan verbonden het bestaan van een rechtstreeks en dadelijk belang van de klager. Het bestaan van een prima facie inbreuk op de W.B.E.M. Het vermoeden van een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel dat in verband staat met de aangeklaagde praktijk en dat dringend moet vermeden worden (zie o.m. Brussel, 18 december 1996, N.V. Honda Belgium e.a. /Belgische Staat, B.S., 8 januari 1997, 381; Jaarboek Handelspraktijken § Mededinging, 1996, 836). Er dient thans onderzocht te worden of deze voorwaarden vervuld zijn. 1. Het bestaan van een klacht ten gronde en daaraan verbonden het bestaan van een rechtstreeks en dadelijk belang van de klager. In casu dient vastgesteld te worden dat aan de voorwaarde van het bestaan van een klacht ten gronde voldaan is. Verzoekende partij heeft immers op 5 april 2002 een (eerste) klacht ten gronde neergelegd tegen Fechiplast, BCCA, Dyka Plastics, Martens Plastics, Pipelife Belgium en Waving Belgium. Voorts heeft de verzoekende partij een (tweede) klacht ten gronde neergelegd tegen de VZW BIN op 26 juli 2002. Beide klachten vermelden dat er een inbreuk op artikel 2 §1 van de W.B.E.M. zou zijn. De voorlopige maatregelen die op 5 april 2002 en 26 juli 2002 werden neergelegd, zijn gebaseerd op de respectieve klachten, zodat besloten dient te worden dat er wel degelijk een klacht ten gronde is en dat aan deze voorwaarde voldaan is. 2. Het bestaan van een rechtstreeks en dadelijk belang van de klager. 2.1. Overeenkomstig artikel 23 §1
- c)van de W.B.E.M. moet de klager aantonen dat hij een rechtstreeks en dadelijk belang heeft bij het indienen van de klacht. Het Hof van Beroep te Brussel heeft, gesteund op de voorbereidende werken van de W.B.E.M. (Gedr.St., Senaat, Verslag, Commissie, 1289-2 (1990-91) p.55) vastgesteld dat het belang dat vereist wordt van een klager op hetzelfde niveau moet gesteld worden als het belang dat vereist is bij een vordering in rechte overeenkomstig artikel 18 Ger.W. (Brussel, 11 september 1996, R.T.B.F. e.a.t. Belgische Staat e.a. B.S., 20 september 1996, p.24607). Het Hof voegde hier bovendien aan toe dat, voor de precieze inhoud van artikel 18 van het Ger. W., teruggegrepen moet worden naar het Verslag van Reepinghen van 1964 en dus naar de voorbereidende werken van het Gerechtelijk Wetboek zelf. Op grond van deze voorbereidende werken besloot het Hof van Beroep dat de klager, wil hij zijn klacht ontvankelijk horen verklaren, moet aantonen dat hij een reeds verkregen en dadelijk belang heeft. Dit bestaat uit ieder materieel en moreel voordeel – effectief en niet theoretisch – dat de eiser uit zijn vordering kan halen en die hij formuleert op het ogenblik van het instellen van de vordering 368 Jaarverslag 2002 - Bijlagen (Verslag van Reepinghen, 1964, p. 39, geciteerd door het Hof van Beroep). Tenslotte bepaalde het Hof van Beroep dat het belang persoonlijk moet zijn in hoofde van de klager waardoor de klager juridisch niet beschermd is wanneer het belang hem slechts indirect treft (Verslag van Reepinghen, 1964 p.39 en geciteerd door het Hof van Beroep). Het Hof van Beroep besluit dat het rechtstreeks verkregen en dadelijk belang, welke is vereist opdat een klacht ontvankelijk zou zijn op grond van artikel 23 §1 van de W.B.E.M., niet enkel reëel maar ook persoonlijk moet zijn in hoofde van de klager. Deze rechtspraak werd voorts bevestigd door de Raad voor de Mededinging (zie o.m. Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 1 april 1999, zaak 99 – VMP-04, François Detimmerman t. Association Pharmaceutique de Tournai et Conseil Provincial du Hainaut de l’Ordre des Pharmaciens, niet gepubliceerd in het B.S. ; beslissing van de Raad voor de Mededinging nr. 2002 – P/K –36 van 22 mei 2002, Ludwig Van Der Auwera t. Ziekenfondsen, Artsensyndicaten en de Belgische Staat, nog niet gepubliceerd in het B.S.). Wij sluiten Ons bij deze rechtspraak aan. 2.2. Wij dienen thans in concreto te onderzoeken of de verzoekende partij wel over een rechtstreeks en dadelijk belang beschikt. Het Korps Verslaggevers is, zowel in het verslag neergelegd in de zaak MEDE V/M 02/0022 als in het verslag neergelegd in de zaak MEDE V/M 02/0048, van oordeel dat de klager een rechtstreeks belang heeft bij de klacht en dat, aangezien het aangeklaagde toepassingsreglement vanaf 3 oktober 2002 van kracht zal zijn voor eenieder die Benor overeenkomstige ongeplastificieerde PVC-hulpstukken voor rioolleidingen op de markt wil brengen, de klager tevens een dadelijk belang heeft bij de klacht. Het Korps besluit dan ook dat de verzoekende partij aan de eerste cumulatieve toepassingsvoorwaarde in de zin van artikel 35 van de W.B.E.M. voldaan heeft. Het Korps Verslaggevers heeft weliswaar ernstige bedenkingen bij het feit dat het door de verzoekende partij bijgebrachte attest van overeenkomstigheid dd.25 februari 2000 met nr. 22125-00, in tegenstelling tot wat de klagende partij voorhield, niet aantoont dat de verzoekende partij Benor – hulpstukken heeft laten goedkeuren. Het Korps Verslaggevers besluit hier echter uit dat het bestaan van het vermoeden van een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel voor de klager niet bewezen wordt, nu enerzijds de verzoekende partij nooit Benor PVC-hulpstukken, afkomstig van Redi op de markt heeft kunnen brengen, daar Redi nooit een Benor-certificatie bij de BCCA voor die PVC-hulpstukken in kwestie heeft aangevraagd en uit het onderzoek bij de VZW Copr o blijkt dat de verzoekende partij het kwaliteitskeurmerk Benor niet mocht en mag hanteren voor het op de markt brengen van ongeplastificeerde PVC-hulpstukken voor rioolleidingen met diameters 110, 125 en 160mm. In tegenstelling tot het standpunt van het Korps Verslaggevers, zijn Wij van oordeel dat deze feitelijke gegevens tot gevolg hebben dat er geen rechtstreeks belang is in hoofde van de verzoekende partij. Terwijl het Korps Verslaggevers er van uit ging dat verzoekende partij in België oorspronkelijk hulpstukken van ongeplastificeerd pvc voor rioolleidingen (diameter 110, 125, 160) van de buitenlandse fabrikant Redi mocht verdelen onder het Benormerk, terwijl dit volgens het nieuwe Benor toepassingsreglement TR 1401 niet meer het geval zou zijn, dienen Wij vast te stellen dat uit het aanvullend onderzoek van het Korps is gebleken dat verzoekende partij in feite nooit hulpstukken onder het Benormerk mocht verdelen. Wij verwijzen hierbij in het bijzonder naar de feiten uiteengezet onder I, nrs. 14 en 15, waaruit blijkt dat het zogenaamde "attest van overeenkomstigheid" dd. 25 februari 2000 niet voor gevolg heeft dat de bewuste PVC hulpstukken over een Benor-certificatie beschikken en dat de firma Redi evenmin op enig ogenblik een benor-certificatie aangevraagd heeft. Wij stellen wel vast dat de te volgen procedures om een Benor-certificatie te verkrijgen (op zijn minst gezegd) niet transparant zijn. Hetzelfde geldt overigens inzake de precieze besluitvorming inzake het nieuwe toepassingsreglement TR 1401. Rapport annuel 2002 - Annexes 369 Wij zijn niettemin van oordeel dat verzoekende partij hic et nunc niet aantoont een materieel en/of moreel voordeel uit zijn verzoek te kunnen halen, nu ook voor 3 oktober 2002 verzoekende partij niet gerechtigd was hulpstukken onder het Benor-merk te verdelen. Het in extremis door verzoekende partij bijgebrachte stuk (brief dd. 12 september 2002 van de Duitse fabricant Funke), dat volstrekt onduidelijk is, is evenmin van aard een rechtstreeks belang in hoofde van verzoekende partij aan te tonen. Verzoekende partij toont hic et nunc evenmin aan om een persoonlijk belang te hebben bij zijn verzoek. De louter hypothetische veronderstelling dat verzoekende partij mogelijkerwijze ooit hulpstukken zou wensen te laten Benor-goedkeuren, volstaat niet om hem hic et nunc een rechtstreeks belang te verlenen. Het belang van verzoeker dient immers effectief en niet theoretisch te zijn en vermag niet enkel een indirect belang te zijn. Wij zijn bovendien van oordeel dat het belang in het kader van een procedure voorlopige maatregelen op grond van artikel 35 van de W.B.E.M. strikt dient geïnterpreteerd te worden gezien een verzoek tot voorlopige maatregelen, bestemd is om restrictieve mededingingspraktijken te schorsen, na (slechts) een prima facie onderzoek van de praktijken. Nu verzoekende partij niet over een rechtstreeks belang beschikt, dienen Wij niet verder te onderzoeken of hij over een dadelijk belang beschikt. Besluitend zijn Wij derhalve van oordeel dat verzoekende partij niet over een rechtstreeks en dadelijk belang in de zin van artikel 35 W.B.E.M. beschikt zodat het verzoek tot voorlopige maatregelen onontvankelijk dient verklaard te worden. 2 & 3. Het bestaan van een prima facie inbreuk op de W.B.E.M. en het vermoeden van een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel dat in verband staat met de aangeklaagde praktijk en dat dringend moet vermeden worden. Gezien drie cumulatieve voorwaarden vervuld dienen te zijn teneinde voorlopige maatregelen in de zin van artikel 35 van de W.B.E.M. te kunnen toekennen, en de eerste voorwaarde niet vervuld is, dienen Wij de tweede en derde voorwaarde niet verder te onderzoeken. Niettegenstaande de afwezigheid van een rechtstreeks en dadelijk belang in hoofde van de verzoekende partij teneinde voorlopige maatregelen te kunnen aanvragen, lijkt het Ons aangewezen dat het Korps Verslaggevers de procedure ten gronde zou activeren, nu het Korps Verslaggevers van oordeel is dat er sprake is van een prima facie inbreuk op artikel 2 §1 van de W.B.E.M. Om deze redenen Wij, Béatrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging De beslissing van 13 maart 2002 verder uitwerkend, Houden de nota van de zaakvoerster van verzoekende partij, neergelegd op 30 september 2002, buiten het beraad, Verklaren het verzoek tot het nemen van voor lopige maatregelen in de zaken MEDE V/M 02/0022 en MEDE V/M 02/0048 onontvankelijk gezien de voorwaarde van het bestaan van een rechtstreeks en dadelijk belang in de zin van artikel 35 van de W.B.E.M. in hoofde van de verzoekende partij niet aanwezig is. Aldus beslist op vrijdag 4 oktober 2002 door Béatrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging. 370 Jaarverslag 2002 - Bijlagen