← België

2003CC45

Beslissing nr. 2003-C/C-45 van 28 mei 2003 Dossier : MEDE-C/C-03/0012: Johnson Controls Gent N.V. / Johnson Controls Automotive (UK) Ltd. / ECA N.V. Gelet op de Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999 (hierna de WBEM); Gezien de aanmelding aan het Secretariaat van de Raad voor Mededinging van een concentratie op 13 februari 2003; Gezien de beslissing van de Raad voor de Mededinging nr. 2003-C/C-38 van 17 april 2003, waardoor vastgesteld werd dat conform artikel 33 §2, 1.

  1. b)van de WBEM er ernstige twijfels bestaan omtrent de toelaatbaarheid van de concentratie en beslist werd de procedure bepaald in artikel 34 van de WBEM in te zetten en waardoor vooraleer over de toelaatbaarheid van de concentratie te oordelen, aan de Verslaggever verzocht werd conform artikel 33§ 2.1.
  2. b)van de WBEM en artikel 34 van de WBEM een bijkomend verslag op te stellen betreffende onder meer: - Of en in hoeverre er rekening dient gehouden te worden met de Europese dimensie bij de afbakening van de relevante geografische markt op elk der betrokken markten. Of de versterking van de machtspositie door Johnson Controls, Inc op de Belgische markt de mededinging niet op significante wijze belemmert. Gezien de stukken van het dossier en het gemotiveerd verslag van de Verslaggever in toepassing van artikel 34§ 1 van de WBEM zoals op 22 mei 2003 overgemaakt aan de Raad voor de Mededinging; Gezien de beslissing inzake de vertrouwelijke stukken van het dossier van 28 mei 2003; Gezien de beslissing van 23 mei 2003 waardoor het verzoek tot tussenkomst van de Volvo Car Corporation ontvankelijk en gegrond werd verklaard; Gezien de memories van de aanmeldende partijen van 12 mei 2003 in antwoord op de beslissing van de Raad voor de Mededinging van 17 april 2003; Gezien het schrijven van de gemeenschappelijke vertegenwoordiger van 21 mei 2003 waardoor zij afstand doet van het recht op een termijn van minstens vijftien dagen om hun opmerkingen te doen gelden op grond van artikel 32 bis van de WBEM; Gehoord ter zitting van 28 mei 2003: - - De aanmeldende partijen, Johnson Controls Gent N.V. en Johnson Controls Automotive (UK) Ltd., vertegenwoordigd door de gemeenschappelijke vertegenwoordiger meester Gerwin Van Gerven, meester Johan Ysewyn en meester An Hertogen, advocaten te Brussel; De tussenkomende partij Volvo Cars Corporation, vertegenwoordigd door meester Filip Tuytschaever en meester Maaike Visser, advocaten te Brussel; De heer Kenneth Owen, namens JCI. Partijen hebben gewezen op de urgentie van de beslissing en aangedrongen op een snelle beslissing voor 1 juni 2003; Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken van toepassing overeenkomstig artikel 54 bis van de WBEM; 1. De aanmeldende en betrokken partijen Als kopers treden op Johnson Controls Gent N.V. (hierna "JC Gent") met maatschappelijke zetel in België, Mai Zetterlinglaan 70, 9042 Gent en Johnson Controls Automotive (UK) Ltd. (hierna "JCA") met maatschappelijke zetel in het Verenigd Koninkrijk, The Hamilton Centre, Rodney Way Widford Chelmsford, Essex CM1 3BY. JC Gent en JCA zijn 100% dochterondernemingen van Johnson Controls, Inc. (hierna "JCI"), gevestigd in de Verenigde Staten en genoteerd op de New York Stock Exchange. JC Gent en JCA zijn beiden actief in de sector van de auto-interieuronderdelen als onafhankelijke producenten van auto-interieursystemen. - JC Gent assembleert dakelementen, tunnel consoles en bekleding van deurstijlen. JCA produceert schuimkussens voor auto-onderdelen, plooisystemen, metalen frames, dakbekledingen en is ook actief in de Just-In-Time ("JIT") assemblage van complete autozetels. JCI is actief in de sector van de auto-interieursystemen en auto-onderdelen, in de sector van het beheer van bedrijfseenheden ("facility management") en beheers- en regelsystemen voor niet-residentiële gebouwen. De activiteiten met betrekking tot auto-onderdelen bestaat voornamelijk uit twee afdelingen, met name autozetels en auto-interieursystemen en autobatterijen. In de sector van de autozetels en auto-interieursystemen treedt JCI op als een onafhankelijke leverancier van zetels, electronica, instrumentenpanelen, overhead-systemen, vloerbedieningspanelen, deursystemen en ladingbeheersystemen. De verkoper is ECA N.V. (hierna "ECA"), met maatschappelijke zetel in België, Trieststraat 38, 9960 Assenede. ECA is een familiebedrijf dat uitsluitend gecontroleerd wordt door de familie Christiaen. ECA is actief in de assemblage van complete autozetels voor Volvo Gent en in de fabricage van autoaccessoires zoals de confectie van zetelhoezen, deurpanelen, automatten, stuurwielen, pookhoezen en deurknoppen. Het heeft ook een speciale afdeling voor de herbekleding van wagens, inclusief oldtimers. De aangemelde transactie betreft slechts de verwerving van één specifieke activiteit van ECA, namelijk de P2 bedrijfsactiviteit. [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] De genoemde vennootschappen zijn ondernemingen in de zin van artikel 1 van de WBEM. 2. De aangemelde operatie Deze aanmelding betreft de verwerving van uitsluitende zeggenschap door JCI, via haar dochterondernemingen, JC Gent en JCA, van de P2 bedrijfstak van ECA. De transactie wordt tot stand gebracht door een overeenkomst tot overdracht van activa ("Asset Purchase Agreement") tussen ECA en JC Gent die zal leiden tot de verkoop en overdracht van activa en van bepaalde passiva van de P2 bedrijfstak van ECA aan JC Gent. Daarnaast wordt een overeenkomst tot de overdracht van immateriële activa ("Goodwill Purchase Agreement") gesloten tussen ECA en JCA op basis waarvan de JCA de P2 goodwill verkrijgt van ECA. JC Gent verwerft geen onroerende goederen, maar zal een huurovereenkomst ("Lease Agreement") sluiten met ECA voor het gebruik van de kantoren, productie- en stockageruimtes van de P2 bedrijfstak. De aangemelde transactie is een concentratie in de zin van artikel 9, §1(
  3. b)van de WBEM. 3. Beslissingstermijn tweede fase De beslissing van de Raad voor de Mededinging in het kader van het eerste fase onderzoek werd op 17 april 2003 genomen. De in artikel 34, §1 van de WBEM voorziene termijn van 60 dagen, 2 waarbinnen de Raad voor de Mededinging zich tijdens een tweede fase onderzoek dient uit te spreken over de toelaatbaarheid van de aangemelde concentratie, verstrijkt derhalve op 23 juni 2003. 4. De omzetdrempels De concentratie valt onder het toepassingsgebied van de WBEM aangezien de omzetdrempels zoals voorzien in artikel 11, §1 van de WBEM en in artikel 46 van de WBEM werden bereikt. Uit de aan de Raad voor de Mededinging verstrekte gegevens blijkt immers dat de Belgische omzet van de koper en de Belgische omzet van de over te dragen bedrijfstak de drempels voorzien in artikel 11, §1 van de WBEM overschrijden. 5. De marktafbakening en de marktaandelen 5.1. De relevante productmarkten Uit de beslissingspraktijk van de Europese Commissie blijkt dat een onderscheid moet gemaakt worden tussen: (
  4. i)complete autozetels; (
  5. ii)onderdelen van autozetels; (iii) hoofd- en armsteunen; (
  6. iv)deurpanelen; (
  7. v)achterberden en (
  8. vi)dakpanelen (Zaak nr. IV/M.666 - Johnson Controls/Roth Frères, beslissing van 5 december 1995, paragraaf 8). Wat de complete autozetels betreft moet volgens de beslissingspraktijk van de Europese Commissie een verder onderscheid gemaakt tussen: (
  9. i)standaardzetels en (
  10. ii)gespecialiseerde zetels (Zaak nr. IV/M.937 - Lear Keipern, beslissing van 22 juli 1997, paragrafen 7 en 8). De Raad voor de Mededinging sluit zich bij deze marktafbakeningen aan. Standaardzetels worden exclusief verkocht aan OEM’s en worden specifiek ontworpen voor een bepaald automodel. De OEM’s kopen niet enkel de zetels, maar ook een dienst, de just-in-time (hierna "JIT") levering. JIT leveringen vereisen specifieke know-how op logistiek vlak en op het vlak van het beheer van de toeleveringsketens. OEM’s ("Original Equipment Manufacturers") zijn wederverkopers die verkopen onder eigen merknaam. Gespecialiseerde zetels worden verkocht aan autoconstructeurs en aan particulieren op de markt na verkoop. Met uitzondering van gespecialiseerde zetels geïnstalleerd als originele uitrusting in een "speciale editie" van een bepaald automodel, zijn ze in het algemeen niet specifiek ontworpen voor één bepaald automodel, maar kunnen ze geïnstalleerd worden in andere modellen. De leveringen gebeuren niet JIT. Gespecialiseerde zetels worden geleverd aan opslagplaatsen. Er is een groot prijsverschil tussen standaardzetels en gespecialiseerde zetels, in die mate dat een kleine, maar desalniettemin significante prijsstijging van de standaardzetels geen substitutie effect zou teweegbrengen naar gespecialiseerde zetels. De P2 bedrijfstak van ECA is actief in de ontwikkeling, de productie en de JIT levering van standaardzetels [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] van Volvo. JCI produceert eveneens verschillende onderdelen voor standaardzetels zoals schuimkussens, hoofdsteunen, armsteunen, metalen frames en zetelmechanismen. De Raad voor de Mededinging wenst op te merken dat de Europese Commissie zich niet heeft uitgesproken over de vraag of de markt voor autozetelonderdelen als één markt dient beschouwd te worden, dan wel dient opgespitst te worden in afzonderlijke deelmarkten. De aanmeldende partijen geven een geschat marktaandeel van JCI in Europa voor de totale markt van de autozetelonderdelen. De aanmeldende partijen vermelden ook dat een aantal concurrenten in de markt voor autozetelonderdelen niet actief zijn in de markt voor autozetelassemblage en dat een aantal van deze concurrenten gespecialiseerd zijn in bepaalde specifieke onderdelen voor dewelke zij een 3 aanzienlijke marktpositie hebben opgebouwd. De Raad voor de Mededinging stelt vast dat deze concurrenten geen geïntegreerd pakket aanbieden maar zich toeleggen op de productie van één specifiek onderdeel, met uitzondering één concurrent die een geïntegreerd pakket aanbiedt. De concurrenten zijn echter van oordeel dat er verschillende markten zijn naargelang het autozetelonderdeel. De aanmeldende partijen sluiten zich in hun bijlage bij het aanmeldingsformulier bij deze visie aan met het argument dat autozetelfabrikanten nooit alle onderdelen bij éénzelfde leverancier betrekken. Volgens de aanmeldende partijen dient de markt van de standaardzetels als relevante markt weerhouden te worden. De markt voor standaardzetels is dynamisch. Contracten worden slechts toegekend voor een specifiek model en hun duurtijd is maximaal gelijk aan de levensduur van dat automodel. Overeenkomsten tot levering van autozetels bevatten vaak een clausule volgens dewelke de autoconstructeur kan overschakelen naar een andere autozetelproducent indien deze een competitiever voorstel doet. De korte duur van de contracten en de hoge mate van mededinging tussen de autozetelproducenten voor de toekenning van een contract dragen bij tot het zeer dynamische karakter van deze markt. De Raad voor de Mededinging is van oordeel dat, rekening houdend met bovenvermelde gegevens, ook de markt voor de hoofdsteunen, de markt voor de zitkussens, de markt voor de zetelhoezen, de markt voor plooimechanismen en de markt voor metalen frames als relevante productmarkten dienen beschouwd te worden. Deze markten vallen allen onder NACE-code 34.300. 5.2. De relevante geografische markt De Europese Commissie heeft in de Lear/Keiper beslissing beslist dat de Europees Economische Ruimte ("EER") als de relevante geografische markt voor standaardzetels moet worden beschouwd omdat de mededinging voor de toekenning van leveringscontracten voor standaardzetels plaatsvindt op het niveau van de EER. Het feit dat de levering uiteindelijk regionaal of zelfs lokaal is, gelet op de JIT leveringsvereiste, doet volgens de Europese Commissie geen afbreuk aan deze conclusie. Ook in haar eerdere beslissing in de zaak Johnson Controls/Roth Frères, bepaalde de Europese Commissie dat het gaat om een Europese markt die het grondgebied van de EER omvat. De aanmeldende partijen onderschrijven de stelling van de Europese Commissie omdat de OEM autoconstructeurs de contracten over standaardzetels toekennen op een Europese basis. Contracten voor de ontwikkeling, het ontwerp, de productie en de levering van standaardautozetels voor een specifiek automodel worden door de autoconstructeurs toegekend na een Europese of soms wereldwijde aanbestedingsprocedure. De markt voor zetelonderdelen zou volgens de aanmeldende partijen eveneens Europees zijn. Er is immers geen JIT vereiste voor onderdelen. Zij circuleren vrij in Europa. In zijn beslissing van 17 april 2003 baseerde de Raad voor de Mededinging zich op een eerdere beslissing (beslissing nr. 2003-C/C-05 van 8 januari 2003, Benteler Automobiltechnik GmbH & Co. KG/Volvo Cars N.V., nog niet gepubliceerd in het B.S.) inzake markten voor onderdelen uit de automobielsector waarin werd beslist dat de relevante geografische markt voor de vervaardiging van chassismodellen voor auto’s eerder lokaal is omdat zij gebonden is aan de productiesite van de autofabrikant. De Raad voor de Mededinging oordeelde in deze beslissing dat: "Niettegenstaande de aanmeldende partijen de stelling verdedigen dat de relevante geografische markt wereldwijd is, wordt in het aanmeldingformulier in de punten 5.1. t.e.m. 5.3. de marktposities van de betrokken ondernemingen op de Belgische markt weergegeven. Deze paradox vindt zijn oorsprong in de specificiteit van de Belgische mededingingswetgeving. De relevante geografische markt wordt in het aanmeldingsformulier immers als volgt gedefinieerd: "De relevante geografische markt omvat het gebied in België [eigen onderlijning] waar de betrokken ondernemingen een rol spelen in het aanbod en de vraag naar relevante producten of diensten, waar de 4 concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn en dat van de aangrenzende geografische gebieden kan worden onderscheiden doordat daar met name duidelijk afwijkende concurrentievoorwaarden heersen." Daarnaast is in het artikel 33, § 2 punt 1, a van de W.B.E.M. voorzien dat "Wanneer de betrokken ondernemingen samen minder dan 25 % van de betrokken markt [de relevante productenmarkt op de relevante geografische - lees Belgische - markt] controleren, wordt de concentratie toelaatbaar verklaard." Om te beoordelen of voorliggende concentratie aan de voorwaarde voorzien in artikel 33, §2, punt 1 a van de W.B.E.M. voldoet, dient dan ook in eerste instantie maximaal te worden uitgegaan van de Belgische markt. Niettegenstaande er, zoals de aanmeldende partijen aangeven, internationale spelers op de markt actief zijn, is de Raad is echter van oordeel dat, rekening houdend met de specificiteit van deze sector, de relevante geografische markt in casu eerder lokaal is, t.t.z. gebonden aan de productiesite van de autofabrikant, in voorliggend geval Volvo Gent. Dat de geografische relevante markt eerder lokaal is werd tijdens het onderzoek o.m. bevestigd door concurrent SML. De noden van de autofabrikanten, meer specifiek de logistieke modaliteiten van just-in-time leveringen, hebben geleid tot een situatie waarbij de producenten van chassismodulen naast de autoassemblage fabriek gevestigd zijn. In België wordt dit geïllustreerd door de in-house productie van chassis-modulen en door SML dat in Genk chassismodulen maakt voor Ford Genk. Bij voorliggende concentratie is bij de toetreding van Benteler Automobiltechnik tot de markt in België als toeleverancier voor Volvo Cars NV essentieel dat de productie verder gezet wordt in de bedrijfsruimtes van CCG. Concurrent SML heeft duidelijk aangegeven dat het onmogelijk zou zijn om vanuit Genk voor Volvo te Gent te produceren. Dit betekent dat deze chassismodulen voor Volvo enkel in de onmiddellijke nabijheid van de Volvo Site te Gent kunnen worden geproduceerd." De Raad voor de Mededinging heeft in zijn beslissing van 17 april 2003 geoordeeld dat in het kader van de huidige transactie prima facie eenzelfde redenering diende te worden toegepast. Het standpunt van de verslaggever De Verslaggever vermeldde reeds in zijn verslag van 26 maart 2003, naar aanleiding van het eerste fase onderzoek, dat deze transactie in een Europese context moet worden beoordeeld en verwees ter verdediging van deze stelling naar de beslissing van de Raad voor de Mededinging in de zaak CMB/Hessenatie/Noord Natie (Beslissing van 3 augustus 2001, nr. 2001-C/C-41, B.S. van 28 maart 2002, p. 13173), waar er aanvankelijk sprake was van een dominante positie op de Belgische markt maar waar tijdens het tweede fase onderzoek toch rekening werd gehouden met de internationale concurrentieverhoudingen en een ruimere, internationale geografische benadering werd aanvaard. In zijn verslag van 22 mei 2003, naar aanleiding van het tweede fase onderzoek, gaat de verslaggever dieper in op de geografische dimensie van de markt. Hij behandelt hiertoe de volgende elementen: (
  11. i)het JIT principe; (
  12. ii)de lokale aard van de productie; (iii) de door de Raad voor de Mededinging verdedigde analogie met de voornoemde Benteler zaak en (
  13. iv)het feit dat het JIT principe niet geldt voor auto-onderdelen. 5 (
  14. i)De levering van [standaard]autozetels dient te gebeuren volgens het JIT principe In zijn verslag van 26 maart 2003 bepaalde de verslaggever hieromtrent het volgende: "Standaardzetels worden exclusief verkocht aan OEM’s en specifiek ontworpen voor een bepaald automodel. De OEM’s kopen niet enkel de zetels, maar ook een dienst, de just-in-time levering. JIT leveringen vereisen specifieke know-how op logistiek vlak en op het vlak van beheer van de toeleveringsketens (‘supply chain management’)." (
  15. ii)De productie is lokaal Uit de beslissing van de Raad voor de Mededinging van 17 april 2003 kan volgens de verslaggever worden afgeleid dat het JIT principe automatisch tot gevolg heeft dat de productie lokaal moet zijn. De verslaggever stelt zich evenwel de vraag of op basis van het door de Dienst voor de Mededinging gevoerde onderzoek een dergelijk besluit kan worden gekomen. Het verslag van de verslaggever van 26 maart 2003 vermeldt hieromtrent: "Levering van autozetels gebeurt JIT, waardoor productie doorgaans wel lokaal is, maar transportkosten sluiten grensoverschrijdende leveringen niet uit, al kan het toch niet om aanzienlijke afstanden gaan." Deze conclusie is gebaseerd op de antwoorden die de Dienst voor de Mededinging tijdens het eerste fase onderzoek van concurrenten heeft verkregen. De verslaggever leidt hieruit af dat uit het eerste fase onderzoek niet zonder meer kan worden besloten dat het JIT principe automatisch een lokale productie vereist. Wel stelt de Verslaggever dat de tijdige lokale aanwezigheid van de standaardzetels vereist is. De verslaggever verwijst in zijn verslag van 22 mei 2003 ook naar de memorie van de aanmeldende partijen van 13 mei 2003 waaruit hij besluit dat de JIT leveringsvereiste grensoverschrijdende leveringen niet uitsluit zodat zelfs alleen al op deze basis de relevante geografische markt in casu ruimer zou moeten zijn dan de nationale (i.e. Belgische) of de lokale markt. De verslaggever maakt in zijn verslag ook melding van het feit dat ECA bevestigt dat [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] door JCI vanuit [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] wordt bevoorraad. De verslaggever besluit hieruit dat de JIT vereiste niet automatisch impliceert dat ook de productie lokaal moet zijn. (iii) De Raad voor de Mededinging gaat uit van een lokale markt dit naar analogie met de Benteler zaak De verslaggever onderzoekt onder deze hoofdding (
  16. a)de relevante geografische markt en (
  17. b)de analogie met de Benteler zaak. (
  18. a)Het onderzoek naar de relevante geografische markt Op basis van de antwoorden van een aantal concurrenten besloot de verslaggever in zijn verslag van 26 maart 2003 dat: "Geografisch is iedereen het er over eens dat dient uitgegaan te worden van een Europese dimensie. Levering van autozetels gebeurt JIT, waardoor productie doorgaans wel lokaal is, maar transportkosten sluiten grensoverschrijdende leveringen niet uit, al kan het toch niet om aanzienlijke afstanden gaan." De verslaggever sluit zich hierbij aan in zijn verslag van 22 mei 2003. 6 (
  19. b)De analogie met de Benteler zaak De verslaggever gaat in zijn verslag dieper in op de vraag of huidige transactie met de Benteler zaak kan worden vergeleken en dit zowel op het vlak van de te hanteren definities als op het vlak van de verrichte toelaatbaarheidanalyses. De geografische marktdefinitie De Benteler zaak situeert zich op de markt van de vervaardiging van chassismodulen (voor en achterassen). De Raad voor de Mededinging heeft in zijn beslissing geoordeeld dat het hier een lokale markt betreft en dit omwille van het JIT principe. De verslaggever merkt op dat de transactie in de Benteler zaak betrekking had op de outsourcing van de productie van chassismodulen waarbij de interne productie aan een andere onderneming wordt uitbesteed maar de productie noodzakelijkerwijze op de Volvo site in Gent blijft. Huidige transactie heeft betrekking op de markt van de standaardzetels. De assemblage activiteit van ECA, op de productiesite van Volvo Gent, wordt overgenomen door JCI. De verslaggever gaat dieper in op de vraag of de beide activiteiten met elkaar vergelijkbaar zijn en of de te hanteren definities voor beide analoog moeten zijn. De verslaggever concludeert dat de productie van chassismodulen, die aan de orde was in de Benteler zaak, niet voldoende vergelijkbaar is met de productie van autozetels voornamelijk omdat de transportkosten voor het transporteren van chassismodulen veel hoger liggen dan de transportkosten voor het transport van autozetels. De geografische definitie hoeft dan ook niet noodzakelijk dezelfde te zijn. De verplichte toelaatbaarheidsanalyse De verslaggever merkt in zijn verslag van 22 mei 2003 op dat de Raad voor de Mededinging in de Benteler zaak is nagegaan of de concentratie beantwoordde aan het criterium van de verplichte toelaatbaarheid zoals voorzien in artikel 33, §2.1.
  20. a)van de WBEM. De toepassing van dit criterium impliceert dat wanneer de bij een concentratie betrokken ondernemingen op de betrokken markt een marktaandeel bereiken van minder dan 25 %, de concentratie door de Raad voor de Mededinging moet worden toegelaten. De term "betrokken markt" wordt nader omschreven in het formulier CONC C/C-1 betreffende de aanmelding van concentraties. Uit deze omschrijving kan worden afgeleid dat onder een betrokken markt moet worden verstaan de relevante productenmarkt op de relevante geografische markt waar de partijen bij de concentratie een marktaandeel bereiken van meer dan 25 % (horizontaal of verticaal). De relevante geografische markt wordt als volgt omschreven: "De relevante geografische markt omvat het gebied in België [eigen onderlijning] waar de betrokken ondernemingen een rol spelen in het aanbod en de vraag naar relevante producten of diensten, waar de concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn en dat van de aangrenzende geografische gebieden kan worden onderscheiden doordat daar met name duidelijk afwijkende concurrentievoorwaarden heersen." Dit betekent volgens de verslaggever dat in het kader van de toetsing van de verplichte toelaatbaarheid de mededingingsautoriteiten verplicht zijn de voorliggende concentratie maximaal op Belgisch niveau te analyseren. De verslaggever wijst erop dat de Raad voor de Mededinging een dergelijke analyse heeft verricht in het kader van de Benteler zaak. De Raad voor de Mededinging heeft in deze beslissing vastgesteld dat, op basis van een lokale marktafbakening, de partijen bij de concentratie niet tot een betrokken 7 markt kwamen waardoor de concentratie automatisch moest worden goedgekeurd. Dit impliceert, aldus de verslaggever, dat de Raad voor de Mededinging in de Benteler zaak de tweede test, met name de dominante machtspositietest, niet heeft moeten verrichten. De dominante machtspositie test De verslaggever merkt op dat wanneer blijkt dat de een concentratie niet kan genieten van de "verplichte toelaatbaarheid", er moet worden nagegaan of de concentratie geen machtspositie in het leven roept of versterkt die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd. Indien dit het geval is dient de concentratie niet toelaatbaar te worden verklaard conform artikel 10, §4 van de WBEM. Bij deze beslissing moet de Raad voor de Mededinging rekening houden met onder meer "de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van binnen of buiten het Koninkrijk gevestigde ondernemingen." (zie artikel 10, §2.
  21. a)van de WBEM) Dit betekent, aldus de verslaggever, dat ook in het licht van deze analyse moet worden uitgegaan van de betrokken markten. Bij gebrek aan een definitie van betrokken markt in de WBEM, moet opnieuw worden verwezen naar de definities gehanteerd in het aanmeldingsformulier. Volgens de verslaggever is dit echter niet vanzelfsprekend in het kader van de "dominante machtspositie test" omdat de definitie van de relevante geografische markt in het aanmeldingsformulier niet aan de juiste economische realiteit zou beantwoorden. Uit het feit dat de Raad voor de Mededinging in het verleden meermaals de Europese context van bepaalde transacties heeft erkend, kan volgens de verslaggever echter worden afgeleid dat de Raad voor de Mededinging, wat de dominante machtspositietest betreft, in het verleden wel bereid was af te stappen van de te rigide definitie van de geografische markt in het Belgische aanmeldingsformulier. Dit verklaart, aldus de verslaggever, waarom de Raad voor de Mededinging in zijn beslissing in de Benteler zaak naar een "paradox" verwijst: voor de verplichte toelaatbaarheidtest wordt gekeken naar de "artificiële" Belgische markt en voor de dominante machtspositietest wordt gekeken naar de juiste "economische" geografische markt. De verslaggever besluit dat in huidige transactie geen analogie kan worden gemaakt met de Benteler zaak omdat de activiteiten niet vergelijkbaar zijn op grond van economische motieven, de verrichte analyses niet dezelfde zijn (in de Benteler zaak werd een verplichte toelaatbaarheidtest verricht, in casu is een dominante machtspositietest noodzakelijk) en de gevoerde onderzoeken verschillend zijn (in de Benteler zaak volstond een vereenvoudigd onderzoek terwijl in casu een tot een meer uitgebreid onderzoek werd overgegaan). (
  22. iv)Het JIT principe geldt niet voor de onderdelen De verslaggever merkt op dat de Raad voor de Mededinging in zijn beslissing zelf reeds lijkt aan te geven dat de JIT vereiste een verschillende invloed heeft op de geografische marktomschrijving voor onderdelen dan voor autozetels. Daarnaast verwijst de verslaggever naar de antwoorden van een aantal concurrenten die deze stelling bevestigen. De verslaggever besluit hieruit dat de Raad voor de Mededinging in zijn beslissing de juiste analyse heeft gemaakt. De JIT vereiste speelt op het niveau van de onderdelen niet in dezelfde mate als dit het geval is voor de autozetels zelf. Dit impliceert dat de transportkost nog minder van doorslaggevende aard kan zijn waardoor de geografische afbakening automatisch ruimer is en als Europees dient te worden omschreven. (
  23. v)Algemene conclusie van de verslaggever 8 Wat de geografische marktafbakening betreft, besluit de verslaggever dat uit het gevoerde onderzoek blijkt dat zowel voor de markt van de standaardautozetels als voor de markt van de onderdelen hiervan, in casu dan vooral de markt van de hoofdsteunen, de geografische markt als Europees kan worden omschreven. Het standpunt van de aanmeldende partijen De aanmeldende partijen verdedigen tevens de stelling dat zowel de markt van de standaardautozetels als de markt van de onderdelen hiervan als een Europese markt moeten worden beschouwd. Ter staving van deze stelling verwijzen de aanmeldende partijen in essentie naar de volgende elementen: Wat de markt voor de levering van autozetels betreft: (
  24. i)mededinging voor de leveringen van standaardzetels is gebaseerd op een biedingprocedure voor leveringscontracten voor een bepaald automodel. Als autoconstructeurs een nieuw model ontwikkelen, zullen ze potentiële leveranciers uitnodigen om een offerte in te dienen. De mededinging voor het leveringscontract vindt plaats op dat moment. OEM autoproducenten nodigen leveranciers uit om deel te nemen aan deze biedingprocedure zonder een onderscheid te maken tussen leveranciers die nabij of in hetzelfde land gevestigd zijn of leveranciers die in andere landen van Europa gevestigd zijn of daar fabrieken hebben en (
  25. ii)de vereiste om autozetels op JIT basis te leveren impliceert niet dat markten op een engere basis moeten gedefinieerd worden. De aanmeldende partijen verwijzen uitvoerig naar de relevante beslissingspraktijk van de Europese Commissie en van de Raad voor de Mededinging ter staving van deze argumenten. Wat de markt voor de levering van hoofdsteunen betreft. De aanmeldende partijen benadrukken dat alle Europese leveranciers kunnen bieden voor contracten voor de levering van hoofdsteunen en dat hoofdsteunen worden geleverd doorheen Europa vanuit enkele productiefaciliteiten. Bovendien is er geen JIT vereiste voor hoofdsteunen en is de geografische nabijheid irrelevant. Ter staving van deze stelling verwijzen de aanmeldende partijen naar de relevante beslissingspraktijk van de Europese Commissie en naar de meningen van concurrenten die allemaal akkoord gaan met de stelling dat de gunningprocedure Europees is en dat de markt daarom een Europese dimensie heeft. De aanmeldende partijen gaan ook dieper in op de Benteler beslissing van de Raad voor de Mededinging en verdedigen dienaangaande dezelfde stelling als de verslaggever. Het standpunt van de Raad voor de Mededinging De Raad voor de Mededinging sluit zich aan bij het standpunt van de verslaggever en maakte het zich eigen. De Raad voor de Mededinging is dus van oordeel dat de markten voor de levering van standaardautozetels en de markt voor de levering van onderdelen als een Europese markt moeten worden beschouwd. Na kennisname van het onderzoek in tweede fase en gelet op de nieuwe elementen die door de aanmeldende partijen en door de tussenkomende partij zijn aangebracht, is de Raad voor de Mededinging van oordeel dat er motieven zijn om aan te nemen dat in deze huidige transactie de relevante geografische markt niet beperkt is tot België. De Benteler zaak betrof een beslissing inzake de verplichte toelaatbaarheid in de zin van artikel 33, §2.1.
  26. a)van de WBEM terwijl de huidige transactie een onderzoek naar het bestaan of het versterken van een machtspositie betreft conform artikel 10, §4 van de WBEM. De Raad voor de Mededinging verwijst hier naar zijn beslissing in CMB n.v./Hessenatie n.v./Noord Natie n.v. (beslissing nr. 2001-C/C-41 van 3 augustus 2001, B.S., 28 maart 2002, p. 13173) waar het gecombineerde marktaandeel van de partijen in België de 25% overschreed maar de betrokken markt 9 toch Europees en zelfs mondiaal werd geacht. De Raad voor de Mededinging oordeelde dat de marktaandelen op Belgisch niveau significant waren maar keek ook naar de Europese en wereldwijde marktaandelen en concludeerde dat de aangemelde transactie geen aanleiding gaf tot een dominante positie. Een gelijkaardige stelling werd verdedigd in Sobel N.V./Degussa AG/SKW Gelatine & Specialties (beslissing nr. 2002-C/C-23 van 4 maart 2002, B.S., 31 oktober 2002, p. 49636). 5.3. De marktaandelen - De markt voor standaardautozetels De Raad voor de Mededinging stelt vast dat, volgens de cijfers verstrekt door de aanmeldende partijen, het gezamenlijk marktaandeel van de aanmeldende partijen op de markt voor de standaardautozetels in België , inclusief interne productie, tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] bedraagt in volume en tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] in waarde. De aanmeldende partijen overschrijden hiermee ruimschoots de drempel van de 25%. Er is duidelijk sprake van een dominante positie op de Belgische markt. Dit situatie is identiek wanneer rekening gehouden werd met de interne productie door autoproducenten aangezien de interne productie door autoconstructeurs in 2002 verwaarloosbaar was. Wanneer rekening gehouden wordt met de Europese context, inclusief interne productie, blijven de gezamenlijke marktaandelen van de aanmeldende partijen hoog en tussen [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] in volume en tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] in waarde. - Markt voor hoofdsteunen De aanmeldende partijen merken op dat het zeer moeilijk is om een betrouwbare schatting van de marktaandelen per onderdeel te geven omdat het bijna onmogelijk is om de mate van interne productie of van uitbesteding van de levering van onderdelen door autozetelproducenten in te schatten. JCI geeft haar eigen interne productie op. Deze bedraagt tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] in België. Het totale marktaandeel van JCI in België, inclusief interne productie, bedraagt tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] in volume en waarde. Deze marktaandelen wijzen op het bestaan van een machtspositie ook al zijn er op de Belgische markt nog twee grote spelers actief met marktaandelen tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim]. De P2 bedrijfstak van ECA is niet actief op deze markt. JCI is, naar volume gemeten en uitgaande van schattingen inclusief interne productie, tevens de grootste speler op de Europese markt, zonder evenwel dominant te zijn. Op de zogenaamde "vrije" markt, exclusief interne productie, wordt de rol van kleine, gespecialiseerde producenten groter. Op de vrije markt in België behoudt JCI een zeer sterke positie met een marktaandeel tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] ook al zijn op deze markt twee andere grote spelers actief met marktaandelen tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim]. - Markt voor zitkussens De aanmeldende partijen zijn van oordeel dat het zeer moeilijk is om de interne productie uit te sluiten. De aanmeldende partijen zijn van oordeel dat de captieve productie in de definitie van de markt voor zitkussens moet worden meegerekend omdat zij ten allen tijde een invloed uitoefent op de concurrentievoorwaarden in de markt. De eigen interne productie van JCI bedraagt in België tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim]. Het totale marktaandeel van JCI, inclusief interne productie, op de Belgische markt bedraagt in volume en in waarde tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim]. De P2 bedrijfstak van ECA is niet actief op deze markt. 10 JCI is, naar volume gemeten, inclusief interne productie, ook een grote speler op Europees vlak met een marktaandeel tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim]. De aanmeldende partijen hebben ook een schatting gemaakt van de marktaandelen op de "vrije" markt, exclusief interne productie. Ook hier wordt de rol van kleine, gespecialiseerde producenten groter. Het zijn immers voornamelijk deze ondernemingen die voor autozetelproducenten produceren. JCI beschikt hier over een marktaandeel tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] in België. Op Europees vlak is het marktaandeel van JCI gering. - Markt voor plooimechanismen Het marktaandeel van JCI is zowel op Belgisch als op Europees vlak gering [vertrouwelijk – bevat zakengeheim]. De P2 bedrijfstak van ECA is niet actief op deze markt. Deze markt wordt verder dan ook buiten beschouwing gelaten. - Markt voor zetelhoezen JCI heeft in België een aanzienlijk marktaandeel tussen de [vertrouwelijk – bevat zakengeheim]. Het gaat hier evenwel uitsluitend om interne productie. JCI’s totale omzet voor zetelhoezen in België, die volledig geïmporteerd worden aangezien JCI geen zetelhoezen produceert in België, heeft betrekking op levering aan haar autozetelassemblage-activiteiten. JCI verkoopt geen zetelhoezen op de "vrije markt" in België. De P2 bedrijfstak van ECA is niet actief op deze markt. Deze markt wordt verder dan ook buiten beschouwing gelaten. - Markt voor metalen frames Het marktaandeel van JCI is zowel op Belgisch als Europees vlak gering. De P2 bedrijfstak van ECA is niet actief op deze markt. Deze markt wordt verder dan ook buiten beschouwing gelaten. 5.4. Betrokken markten - Standaardzetels Uit de vertrouwelijke gegevens volgt dat het gezamenlijk marktaandeel van de aanmeldende partijen op de markt voor de standaardzetels in België ruimschoots de 25% overschrijdt. Deze markt is dus een horizontaal betrokken markt voor de doeleinden van deze aanmelding. - Autozetelonderdelen Het marktaandeel van JCI in België op de markt van de autozetelonderdelen, en meer bepaald voor hoofdsteunen, overstijgt ruimschoots de 25%. ECA en de P2 bedrijfstak van ECA zijn niet actief op de markt voor de hoofsteunen. Gelet op het marktaandeel van JCI is er sprake van een verticale betrokken markt. - Zitkussens Op de markt voor de zitkussens is de P2 bedrijfstak van ECA niet actief. JCI heeft in België een marktaandeel van net geen [vertrouwelijk – bevat zakengeheim]. De markt van de zitkussens dient dus niet als een betrokken markt weerhouden te worden. 11 Besluit: er zijn twee betrokken markten, meer bepaald een horizontale betrokken markt voor de standaardautozetels en een verticale betrokken markt voor de hoofdsteunen. 6. Economische analyse De economische analyse moet de Raad voor de Mededinging in staat stellen om te oordelen of de aangemelde transactie een machtspositie in het leven roept of versterkt in hoofde van JCI die tot gevolg zal hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt op significante wijze wordt belemmerd (artikel 10, §4 van de WBEM). Bij deze beoordeling moet rekening gehouden worden met de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van binnen of buiten het Koninkrijk gevestigde ondernemingen (artikel 10, §2 van de WBEM). De geografische marktafbakening is vanzelfsprekend essentieel bij deze beoordeling. De Raad voor de Mededinging heeft hierboven geoordeeld dat gebleken is dat deze transactie moet worden geanalyseerd op de Europese markt van de standaard autozetels, alsook op de Europese markt van de hoofdsteunen voor autozetels. 6.1. De markt van de standaard autozetels Uit de gegevens verstrekt door de aanmeldende partijen blijkt dat JCI op de Europese markt van de standaard autozetels na de concentratie een aanzienlijk marktaandeel zal verwerven. Uit het onderzoek dat door de Dienst voor de Mededinging werd verricht is gebleken dat er andere belangrijke concurrenten op deze Europese markt aanwezig zijn die tevens over aanzienlijke marktaandelen beschikken. De Raad voor de Mededinging verwijst hier naar Lear met een marktaandeel van [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] en Faurecia met een marktaandeel van [vertrouwelijk – bevat zakengeheim]. Deze situatie wordt bevestigd door het overgrote deel van de bevraagde concurrenten. Ook Trèves, die tijdens het eerste fase onderzoek twijfels had geuit over de transactie, maar dan vooral over de positie van JCI op de Belgische markt, heeft tijdens het tweede fase onderzoek gesteld dat deze transactie geen invloed zal hebben op de Europese markt. Daarnaast moet bij de economische analyse ook rekening gehouden worden met andere vormen van competitieve druk zoals de afnemerskracht van de autoproducenten. In navolging van de stelling verdedigd door de verslaggever en door de aanmeldende partijen wenst de Raad voor de Mededinging op te merken dat marktaandelen niet altijd beslissend zijn in de analyse of een concentratie aanleiding geeft tot een dominante positie of een versterking daarvan. Bij de concurrentiële analyse van deze transactie moet alle beperkingen in aanmerking worden genomen die JCI zullen verhinderen om zich onafhankelijk van concurrenten, leveranciers en afnemers te gedragen (zie in dit verband het Jaarverslag 2001 van de Raad voor de Mededinging, paragraaf 35, pagina 27). Bovendien merkt de Raad voor de Mededinging op dat de leveringscontracten voor standaardzetels en hoofdsteunen toegekend worden via biedingprocedures. In dergelijke markten zijn historische marktaandelen minder relevant dan in andere markten. Immers, voor iedere gunning van een contract hebben alle leveranciers die uitgenodigd worden om te bieden in principe gelijke kansen om het contract toegewezen te krijgen. Marktaandelen zijn een aanwijzing van succes in het verleden, maar zijn geen indicatie van marktmacht (dit is de mogelijkheid om prijzen boven het concurrentiële niveau te hanteren). Dit bevestigt volgens de Raad voor de Mededinging de stelling dat bij de beoordeling van een concentratie vooral moet gekeken worden naar de situatie zoals zich die na de totstandkoming van de transactie zal voltrekken. De verslaggever en de aanmeldende partijen wijzen in dit verband op het evolutieve karakter van de markt voor standaard autozetels. Zetelleveranciers die op dit moment de meeste leveringen (dit is marktaandeel) hebben, zijn in het verleden het meest succesvol geweest en men mag er dus vanuit gaan dat ze het meest competitief waren in de biedingen. Als de meest succesvolle bieder uit het verleden zou proberen om zijn prijzen te verhogen, zou hij toekomstige contracten verliezen ten gunste van andere. Dit is nog meer zo als de kopers die de contracten 12 toekennen gesofisticeerde kopers zijn die verschillende potentiële leveranciers indringend kunnen evalueren en tegen elkaar kunnen uitspelen. De Raad voor de Mededinging heeft dit aanvaard in zijn beslissing ISS Europe A/S/ Lavold/Randstad (beslissing van de Raad voor de Mededinging van 11 april 2001, B.S., 21 september 2001, p. 31734) De Raad voor de Mededinging besliste dat er, ondanks hoge marktaandelen voor en na de concentratie, geen risico van dominantie was, namelijk dat de gecombineerde entiteit niet in de mogelijkheid zou zijn om haar voorwaarden op te leggen aan afnemers, leveranciers en concurrenten, gelet op de aard en de dynamiek van de gunningprocedures in die industrie. Iedere gunningprocedure impliceert een prijsvergelijking en een kosten/baten analyse door de klant zodat een hoog marktaandeel van de gecombineerde entiteit vandaag geen garantie biedt voor de toekenning van toekomstige contracten, tenzij zij competitieve prijzen hanteert. Dit geldt volgens de verslaggever en de aanmeldende partijen ook voor de markt voor de levering van autozetels. De Raad voor de Mededinging maakt zich deze stelling eigen. Uit voorgaande analyse kan volgens de Raad voor de Mededinging het volgende worden besloten: - De markt van de standaard autozetels is een Europese markt; Deze Europese markt wordt gekenmerkt door een beperkt aantal globale spelers; De belangrijkste spelers op deze markt zijn JCI, Faurecia, Lear, Magna; Het betreft hier een biedingmarkt, wat betekent dat de concurrentie speelt voor de markt, namelijk wanneer op nieuwe contracten wordt geboden; Een beperkt aantal spelers is geen onbekend fenomeen voor deze specifieke markten; Historische marktaandelen zijn geen correcte indicatie van de ware marktmacht van de spelers op deze markt; Biedingmarkten hebben als effect de concurrentie volledig te laten spelen, weze het op een oligopolistische markt die gekenmerkt wordt door slechts enkele full service suppliers ("FSS"); Het onderzoek heeft aangetoond dat de ondervraagde ondernemingen door deze operatie geen ingrijpende veranderingen verwachten in de marktstructuur, immers ECA wordt niet als een grote marktspeler erkend. De marktaandelen van de aanmeldende partijen op Europees vlak zijn niet van die orde dat zij aanleiding geven tot het bestaan van een dominante positie. Conclusie: Op de markt van de standaard autozetels zal deze concentratie niet leiden tot de creatie of versterking van een machtspositie in hoofde van JCI die tot gevolg zou hebben dat de mededinging op de nationale markt op significante wijze wordt belemmerd. 6.2. De markt van de onderdelen (hoofdsteunen) Op de markt van de hoofdsteunen beschikt JCI over een aanzienlijk marktaandeel. Ook hier moet worden nagegaan of de voorgenomen transactie JCI zou toelaten om zich onafhankelijk van concurrenten, leveranciers en klanten te gedragen na de concentratie. De verslaggever en de aanmeldende partijen zijn van oordeel dat de aangemelde transactie JCI niet zal toelaten om de prijs voor hoofdsteunen in België of elders te verhogen om de hieronder uiteengezette redenen: - - Er zijn een aantal sterke concurrenten actief op de markt voor hoofdsteunen in België en in Europa. De aangemelde transactie heeft nagenoeg geen impact op de markt voor de levering en aankoop van hoofdsteunen in Europa en België. ECA’s marktaandeel voor de autozetelassemblage op Europees niveau is minder dan [vertrouwelijk – bevat zakengeheim] zodat de toename van het marktaandeel dat resulteert uit deze transactie op de markt voor de assemblage van autozetels zeer klein is. De OEM autoproducent kan wel of niet aangeven bij wie de autozetelproducent hoofdsteunen moet aankopen. Contracten voor de levering van hoofdsteunen worden toegekend na biedingprocedures. De duur van de contracten is dezelfde als die van het leveringscontract voor autozetels. Uit voorgaande analyse kan volgens de Raad voor de Mededinging het volgende worden besloten: 13 - - De markt van de onderdelen voor autozetels is een Europese markt; Deze Europese markt wordt gekenmerkt door een beperkt aantal globale spelers; De belangrijkste spelers op deze markt zijn JCI, Grammer, Trèves, Faurecia, Lear; Deze markt wordt gekenmerkt door het feit dat de belangrijkste spelers aan elkaar onderdelen leveren; ECA, of althans de overgenomen bedrijfstak P2 is als leverancier op deze markt iet aanwezig; Het gaat hier om een verticaal betrokken markt; De analyse die hier moet worden verricht is nagaan of door de positie die JCI op de markt van de standaard autozetels zal verwerven, zij in staat is een dominante machtspositie te bekomen op deze markt van de hoofdsteunen; vermits op het eerste element reeds negatief werd geantwoord zal er ook automatisch geen dominante machtspositie op deze markt worden verworven; Er werden geen negatieve reacties van de ondervraagde ondernemingen opgetekend. De marktaandelen van de aanmeldende partijen op Europees vlak zijn niet van die orde dat zij aanleiding geven tot het bestaan van een dominante positie. Conclusie: Op de markt van de onderdelen voor autozetels zal deze concentratie niet leiden tot de creatie of versterking van een machtspositie in hoofde van JCI, die tot gevolg zal hebben dat de mededinging op de nationale markt op significante wijze wordt belemmerd. Om deze redenen De Raad voor de Mededinging Gelet op de van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, van toepassing overeenkomstig artikel 54 bis van de WBEM. - Stelt vast dat de betrokken concentratie onder het toepassingsgebied valt van de WBEM. Verklaart de concentratie bovendien toelaatbaar conform artikel 10, §3 van de WBEM. Aldus uitgesproken op 28 mei 2003 door de Kamer van de Raad voor de Mededinging samengesteld uit: Mevrouw Béatrice Ponet, Kamervoorzitter; de heren Geert Zonnekeyn, Eric Mewissen en Robert Vanosselaer, leden van de Raad voor de Mededinging. 14

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.