Beslissing nr.2003-I/O-76 van 26 september 2003 Dossier MEDE-P/K-96/0022: Cornette Georges / M.I.V.B. Inzake : De Heer Georges Cornette, wonende te Alsembergsesteenweg 763 A, 1180 Ukkel; Tegen : Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (afgekort M.I.V.B.), met zetel te Gulden Vlieslaan 15, 1060 Brussel; Gelet op de klacht van de Heer Georges Cornette neergelegd bij de Raad voor de Mededinging op 30 oktober 1996 en door de Dienst voor de Mededinging geregistreerd op 8 november 1996, onder het nummer I-O/96/0022; Gelet op het onderzoeksverslag van de Dienst voor de Mededinging van 18 februari 1998 dat op 20 februari 1998 aan de Raad voor de Mededinging werd overgemaakt; Gelet op de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de Economische Mededinging (hierna W.B.E.M.); Gelet op het schrijven van de raadsman van de Heer Cornette d.d. 15 september 2003, waarbij deze meldt dat zijn cliënt niet verschijnt op de zitting van 26 september 2003; Gehoord op de zitting van 26 september 2003 : - Dhr. Isselee, namens de Dienst voor de Mededinging, Dhr. Roland Verleysen en de Heer Lucien Vandenbroeck, namens de MIVB.
- De partijen en de klacht De Heer Cornette is exploitant van een krantenwinkel, die zowel de verkoop van dagbladen en periodieken omhelst als de verkoop van tabakswaren, boeken en papierwaren. Verder verkoopt hij o.a. ook nog de produkten van de Nationale Loterij, de produkten van de telefoonmaatschappij Belgacom en de vervoerbewijzen nodig om gebruik te kunnen maken van de diensten van de M.I.V.B. Op 30 oktober 1996 ontving de Raad voor de Mededinging een klacht, ingediend door de Heer Georges Cornette, die zich erover beklaagt dat de M.I.V.B. misbruik maakt van haar machtspositie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (inbreuk op art. 3 van de wet van 5 augustus 1991) door slechts 1% winstmarge toe te kennen bij de wederverkoop van haar vervoerbewijzen. De Heer Cornette merkt immers op dat hij voor de wederverkoop van de produkten van de Nationale Loterij en Belgacom, respectievelijk 6,5% en 5,5% winstmarge krijgt. Hij vraagt dan ook "……dat de Raad zou vaststellen dat de M.I.V.B. op een wezenlijk deel van de Belgische markt een machtspositie inneemt en daarvan misbruik maakt…. terwijl deze vergoeding in situatie van eerlijke mededinging tussen partijen zou moeten worden vastgesteld op tenminste 6,5%, waarbij ondergetekende uw Raad ook verzoekt de gezegde commissie alzo vast te stellen". De Heer Cornette vermeldt tevens: " De wederverkopers doen deze verkoop met verlies van vervoerbewijzen alleen noodgedwongen. Er mag op worden gewezen hoezeer, uit de verhouding in omzet van de vervoerbewijzen van de M.I.V.B. (24% of 9.000.000 BEF)en andere waren of diensten, blijkt dat de ondergetekende klager, en de ongeveer 600 andere wederverkopers-dagbladhandelaars in het Brusselse, niet kunnen afzien van de verkoop van die vervoerbewijzen, willen ze hun cliënteel niet aan hun meest nabije concurrent verliezen."
- Het standpunt van de Dienst voor de Mededinging. In zijn verslag formuleert de Dienst voor de Mededinging het volgende voostel tot beslissing aan de Raad voor de Mededinging : "
- Dat de M.I.V.B. wel degelijk over een machtspositie beschikt, overeenkomstig artikel 3 van de wet van 5 augustus 1991 tot Bescherming van de Economische Mededinging. Immers, zij beschikt over een monopolie om het openbaar personenvervoer in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te organiseren;
- Dat de M.I.V.B., gezien de wettelijke en administratieve bepalingen waaraan zij gebonden is, geen misbruik van haar machtspositie kan maken bij het toekennen van een commissie aan de wederverkopers van haar vervoerbewijzen;
- Dat de heer Cornette door de M.I.V.B. niet wordt gediscrimineerd, daar de commissie van 1% geldt voor alle wederverkopers van haar vervoerbewijzen;
- Dat er overeenkomstig artikel 31, lid 2, van de Wet van 5 augustus 1991 tot Bescherming van de Economische Mededinging, geen restrictieve mededingingspraktijk bestaat."
- De toepasselijke Wet. Huidige procedure werd op 3 oktober 1996 ingeleid onder toepassing van de Wet van 5 augustus 1991 tot Bescherming van de Economische Mededinging. De gewijzigde Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördineerd bij Koninklijk Besluit van 1 juli 1999, bepaalt dat deze gewijzigde wet niet van toepassing is op de procedures die hangende zijn bij de Raad voor de Mededinging of bij het Hof van Beroep te Brussel op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze gewijzigde wet (artikel 47 van de Wet van 26 april 1999 (II)), namelijk 1 oktober
- De Raad voor de Mededinging beschouwt dat een procedure bij hem hangende is op het ogenblik dat hem een verslag werd voorgelegd door de Dienst voor de Mededinging vóór 1 oktober 1999 (zie onder andere beslissing van de Raad voor de Mededinging van 3 april 2002, nr.2002-P/K-27, Degheldere t. N.V. Brugs Persagentschap, B.S. 12 februari 2003, 2de editie; beslissing van de Raad voor de Mededinging van 22 mei 2002, nr. 2002-P/K-36, Ludwig Van der Auwera t. Ziekenfondsen, Artsensyndicaten en de Belgische Staat, B.S. van 12 februari 2003, 2de editie ; beslissing van de Raad voor de Mededinging van 19 juni 2002, nr. 2002-P/K-45, Marc De Smet BVBA t. Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars, B.S. van 12 februari 2003, 2de editie en beslissing van de Raad voor de Mededinging nr. 2002-P/K-80 van 5 november 2002, Nubelt t. VMV, BFV, VB,VHA, B.S. van 19 augustus 2003); In casu werd het verslag van de Dienst voor de Mededinging aan de Raad voor de Mededinging overgemaakt op 20 februari
- De zaak was dus reeds aanhangig bij de Raad voor de Mededinging op het ogenblik dat de gewijzigde wet in werking trad. Bijgevolg is de gewijzigde wet tot Bescherming van de Economische Mededinging niet van toepassing op deze zaak en gelden de bepalingen van de wet tot Bescherming van de Economische Mededinging van 5 augustus 1991 zoals deze golden vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde wet.
- Beoordeling De Raad voor de Mededinging dient vast te stellen dat het verslag van de Dienst voor de Mededinging sedert 20 februari 1998 overgemaakt werd aan de Raad terwijl er sedert deze datum geen onderzoeksdaden meer werden gesteld. 2 Artikel 48 §1 van de W.B.E.M. bepaalt echter : "Het onderzoek bedoeld in artikel 23 mag slechts betrekking hebben op feiten die zich niet langer dan vijf jaar geleden voordeden. De termijn wordt berekend vanaf de datum van de beslissing van de Dienst voor de Mededinging om ambtshalve een onderzoek in te stellen of vanaf de datum van het aanhangig maken van de zaak bij de Dienst overeenkomstig artikel 23 § 1". Artikel 48 § 2 van de W.B.E.M. bepaalt tevens : "De verjaringstermijn met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing is vijf jaar te rekenen vanaf de datum bedoeld bij §
- De verjaring wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of daden van beslissing verricht binnen de termijn bepaald in het vorige lid; met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen". De Raad voor de Mededinging moet vaststellen dat er sinds meer dan vijf jaar geen onderzoeksdaden werden gesteld, zodat onderhavige zaak verjaard is. Het dossier moet om die reden geseponeerd worden. Om deze redenen, De Raad voor de Mededinging, Verklaart de zaak gekend onder nr.I/O-96/0022 verjaard en seponeert het dossier in toepassing van artikel 24, §1 van de W.B.E.M.. Aldus uitgesproken op 26 september 2003, door de Kamer van de Raad voor de Mededinging samengesteld uit mevrouw Béatrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging en kamervoorzitter, de heren Geert Zonnekeyn, Peter Poma en Robert Vanosselaer, leden van de Raad voor de Mededinging. 3