← België

2003PK75

Beslissing nr.2003-P/K-75 van 26 september 2003 Dossier MEDE-P/K-94/0006 : NV Gielen-Wellens / NV Kuwait Petroleum Inzake: NV Gielen-Wellens, gevestigd te 3900 OVERPELT, Hoevestraat 38 tegen : NV Kuwait Petroleum, voorheen n.v. Aral, gevestigd te 2018 ANTWERPEN, Brusselstraat 59 Gelet op de klacht van de n.v. Gielen-Wellens neergelegd bij de Algemene Inspectie van de Prijzen en de Mededinging op 30 mei

  1. Gelet op het verslag van de Algemene Inspectie van de Prijzen en de Mededinging van 4 juli 1997, dat op 9 juli 1997 overgemaakt werd aan de Raad. Gelet op de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de Economische Mededinging (hierna W.B.E.M.). Gelet op het schrijven van de raadsman van de n.v. Gielen-Wellens dd 22 maart 2002, waarbij deze meldt dat zijn cliënt geen belang meer heeft bij de verdere vervolging van de klacht. Gelet op het schrijven van de raadsman van de n.v. Aral België dd 17 juli 2003, met in bijlage kopie van een dadingsovereenkomst afgesloten tussen de n.v. Kuwait Petroleum (voorheen Aral België), de b.v.b.a. Esso en de n.v. Gielen-Wellens. Gehoord op de zitting van 26 september 2003 : - Johan Isselee, namens de Dienst voor de Mededinging, Mr. Peter Teerlinck, namens NV Gielen-Wellens, Mr. Peter Hechtermans loco Mr. Paul Geuens, namens NV Kuwait Petroleum.
  2. De partijen en de klacht Op 17 juli 1986 sloot Mobil Oil b.v., rechtsvoorganger van Kuwait Petroleum met Gielen-Wellens n.v. een overeenkomst af betreffende de aankoop van Mobilproducten. In 1992 werd de b.v. Mobil Oil opgeslorpt door de n.v. Aral België. Met brief dd 30 mei 1994 diende de n.v. Gielen-Wellens klacht in tegen de n.v. Kuwait Petroleum, voorheen n.v. Aral, bij de Algemene Inspectie van de Prijzen en de Mededinging op grond van beweerde inbreuken tegen de artikelen 2 en 3 van de W.B.E.M., waarbij zij aan de n.v. Aral verweet enerzijds haar niet vrij te laten in haar prijsbepaling (verticale prijsbinding) en anderzijds zich schuldig te maken aan misbruik van machtspositie, namelijk door haar te dwingen nietige clausules uit de overeenkomst na te komen. De n.v. Gielen-Wellens verzocht de Raad voor de Mededinging onder meer om Aral te bevelen haar materiaal weg te halen op de terreinen van Gielen-Wellens in het pompstation te Peer, verder om Aral te bevelen na een welbepaald tijdstip zich niet meer aan te bieden voor leveringen bij Gielen-Wellens in het pompstation te Peer, dit alles op straffe van dwangsommen. De n.v. Gielen-Wellens verzocht tevens haar te machtigen om te contracteren met een oliemaatschappij naar keuze.
  3. Het standpunt van de Algemene Inspectie van de Prijzen en de Mededinging De Algemene Inspectie van de Prijzen en de Mededinging stelt in het op 4 juli 1997 opgestelde verslag onder meer voor om overeenkomstig artikel 31 '1 vast te stellen dat de Mobil/Aral exclusieve afnameovereenkomst een restrictieve mededingingspraktijk vormt zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1991 en dat Aral aan bovengenoemde inbreuken een einde moet stellen, verder om een boete op te leggen, gezien de ernst van sommige van de inbreuken.
  4. De dadingsovereenkomst Tussen de n.v. Kuwait Petroleum (voorheen Aral België), de b.v. Esso (voorheen n.v. Esso) en de n.v. Rina Gielen-Wellens werd een dadingsovereenkomst -getekend op 7/3/2002, 17/3/2002 en 17/4/2002afgesloten waarvan op 17 juli 2003 kopie werd overgemaakt aan het Secretariaat van de Raad voor de Mededinging. Eerder liet de n.v. Gielen-Wellens via haar raadsman aan de Raad voor de Mededinging met brief dd 22 maart 2002 weten dat zij geen belang meer heeft bij de verdere vervolging van de klacht. De Raad voor de Mededinging merkt terzake op dat de W.B.E.M. van openbare orde is, zodat de Raad, onafgezien het bestaan van een dadingsovereenkomst, de zaak moet onderzoeken.
  5. De toepasselijke Wet Huidige procedure werd op 30 mei 1994 ingeleid onder toepassing van de Wet van 5 augustus 1991 tot Bescherming van de Economische Mededinging. De gewijzigde Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördineerd bij Koninklijk Besluit van 1 juli 1999, bepaalt dat deze gewijzigde wet niet van toepassing is op de procedures die hangende zijn bij de Raad voor de Mededinging of bij het Hof van Beroep te Brussel op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze gewijzigde wet (artikel 47 van de Wet van 26 april 1999 (II)), namelijk 1 oktober
  6. De Raad voor de Mededinging beschouwt dat een procedure bij hem hangende is op het ogenblik dat hem een verslag werd voorgelegd door de Dienst voor de Mededinging vr 1 oktober 1999 (zie onder andere beslissing van de Raad voor de Mededinging van 3 april 2002, nr.2002-P/K-27, Degheldere t. N.V. Brugs Persagentschap, B.S. 12 februari 2003, 2de editie; beslissing van de Raad voor de Mededinging van 22 mei 2002, nr.2002-P/K-36, Ludwig Van der Auwera t. Ziekenfondsen, Artsensyndicaten en de Belgische Staat, B.S. van 12 februari 2003, 2de editie; beslissing van de Raad voor de Mededinging van 19 juni 2002, nr.2002-P/K-45, Marc De Smet BVBA t. Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars, B.S. van 12 februari 2003, 2de editie en beslissing van de Raad voor de Mededinging nr.2002-P/K-80 van 5 november 2002, Nubelt t.VMV, BFV, VB, VHA, B.S. van 19 augustus 2003). In casu werd het verslag van de Dienst voor de Mededinging aan de Raad voor de Mededinging overgemaakt op 9 juli
  7. De zaak was dus reeds aanhangig bij de Raad voor de Mededinging op het ogenblik dat de gewijzigde wet in werking trad. Bijgevolg is de gewijzigde wet tot Bescherming van de Economische Mededinging niet van toepassing op deze zaak en gelden de bepalingen van de wet tot Bescherming van de Economische Mededinging van 5 augustus 1991 zoals deze golden vr de inwerkingtreding van de gewijzigde wet.
  8. Beoordeling De Raad voor de Mededinging dient vast te stellen dat het verslag van de Dienst voor de Mededinging sedert 9 juli 1997 overgemaakt werd aan de Raad terwijl er sedert deze datum geen onderzoeksdaden meer werden gesteld. 2 Art. 48 ' 1 van de W.B.E.M. bepaalt echter : " Het onderzoek bedoeld in artikel 23 mag slechts betrekking hebben op feiten die zich niet langer dan vijf jaar geleden voordeden. De termijn wordt berekend vanaf de datum van de beslissing van de Dienst voor de Mededinging om ambtshalve een onderzoek in te stellen of vanaf de datum van het aanhangig maken van de zaak bij de Dienst overeenkomstig artikel 23 ' 1". Artikel 48 ' 2 van de W.B.E.M. bepaalt tevens : " De verjaringstermijn met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing is vijf jaar te rekenen vanaf de datum bedoeld bij '
  9. De verjaring wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of daden van beslissing verricht binnen de termijn bepaald in het vorige lid; met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen". De Raad voor de Mededinging moet vaststellen dat er sinds meer dan vijf jaar geen onderzoeksdaden werden gesteld, zodat onderhavige zaak verjaard is. Het dossier moet om die reden geseponeerd worden. Om deze redenen, De Raad voor de Mededinging, Verklaart de zaak gekend onder nr.PRA94/0006 verjaard en seponeert het dossier in toepassing van artikel 24 '1 van de W.B.E.M.. Aldus uitgesproken op 26 september 2003, door de Kamer van de Raad voor de Mededinging samengesteld uit de heer Peter Poma, kamervoorzitter, mevrouw Béatrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, de heer Geert Zonnekeyn en Robert Vanosselaer, leden. 3

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.