← België

2003PK79

Beslissing nr. 2003-P/K-79 van 10 oktober 2003 Inzake: BRANDINI Blaise, zaakvoerder van de BVBA B & B Bijou, Schoenmarkt 21 te 2000 Antwerpen tegen BVBA ROMBOUTS, met zetel Vekestraat 13/2 te 2000 Antwerpen Gelet op de Wet op de Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördineerd op 1 juli 1999 (WBEM) ; Gelet op de klacht, neergelegd op 9 oktober 2001 ; Gelet op de stukken van het dossier ; Gelet op het gemotiveerd verslag van de verslaggever d.d. 6 november 2002, betekend aan de klager op 2 december 2002 ; Voorafgaand Bij brief dd. 08/10/2003 liet de raadsman van de klager weten dat de zaak ook voor de rechtbank werd behandeld en inmiddels minnelijk werd geregeld, zodat hij niet zou verschijnen op de zitting van de Raad op 10 oktober 2003. Waar echter de W.B.E.M. van openbare orde is, dient de Raad, onafgezien van een onderlinge regeling tussen partijen, de zaak te onderzoeken en te beoordelen (zie ook beslissing nr.2003-P/K-75: NV Gielen-Wellens / NV Kuwait Petroleum dd. 26 september 2003). Het voorwerp van de klacht De BVBA B & B Bijou, met de heer Blaise Brandini als zaakvoerder (hierna genoemd: de klager), was afnemer van exclusieve fantasiejuwelen "Dyrberg/Kern" bij de BVBA Rombouts, exclusief verdeler van deze juwelen in de Benelux. Volgens de klager weigerde de BVBA Rombouts (hierna genoemd: verweerster) op zeker ogenblik nog te verkopen aan de klager omdat deze laatste de betrokken fantasiejuwelen ook in zijn nieuw geopende winkel te Leuven wilde verkopen, alwaar verweerster eveneens reeds een winkel heeft. De klager stelde door deze verkoopweigering een omvangrijk nadeel en groot omzetverlies te lijden. Per aangetekend schrijven d.d. 8 juni 2001 werd verweerster in gebreke gesteld en verzocht om de leveringen te hervatten. Op 9 oktober 2001 werd huidige klacht neergelegd, stellende dat deze verkoopweigering een inbreuk inhoudt op art. 3 WBEM, zijnde misbruik van machtspositie. De ontvankelijkheid van de klacht Uit de gegevens van het dossier blijkt dat verweerster als een onderneming kan worden bestempeld in de zin van art. 1a WBEM, zijnde een eerste voorwaarde voor ontvankelijkheid van de klacht. Verweerster is een handelsvennootschap met rechtspersoonlijkheid die op duurzame wijze handel in juwelen drijft. Ook beschikte de klager over een rechtstreeks, dadelijk en persoonlijk belang conform art. 23,1°c WBEM (tweede voorwaarde cfr. Brussel, 11 september 1996, B.S. 20 september 1996). De klager onderging een rechtstreeks nadeel door deze verkoopweigering omdat hij niet langer de juwelen "Dyrberg/Kern" kon verkopen, die een deel van zijn omzet vormden (omzetverlies). Dit belang was dadelijk, gezien de verkoopweigering reeds bestond bij het indienen van de klacht. Derde voorwaarde voor ontvankelijkheid van een klacht is ook dat de ingeroepen feiten onder het toepassingsgebied van de WBEM vallen (zie beslissing Raad voor de Mededinging d.d. 06/09/94 Delgheldere/Regma Belgium NV, T.B.H. 1995, 338). De Raad werd door de klager op formele wijze gevat door de neerlegging op 9 oktober 2001 van een klacht die gebaseerd is op het beweerde misbruik van machtspositie (art. 3 WBEM), zodat de Raad bevoegd is. Gezien aan bovenstaande voorwaarden is voldaan, komt de klacht ontvankelijk voor. De gegrondheid van de klacht De klager stelde dat verweerster, door het exclusief verdeler zijn van de betrokken fantasiejuwelen in de Benelux, een machtspositie heeft op de markt en hiervan ook misbruik maakt in de zin van art. 3 WBEM. Om hierover te oordelen, moeten de relevante productenmarkt, de relevante geografische markt en de marktpositie van verweerster worden onderzocht. Uit het onderzoek van de Dienst is gebleken dat men de markt voor de groothandel in fantasiejuwelen "Dyrberg/Kern" niet als een afzonderlijke markt kan beschouwen. "Dyrberg/Kern" is een Deens merk van hedendaagse fantasiejuwelen, genoemd naar de twee ontwerpers en verdeeld in 20 landen. De BVBA Rombouts is exclusief verdeler van deze juwelen in de Benelux en levert aan multimerkenzaken zoals de klager. De omzet van de klager m.b.t. de "Dyrberg/Kern" juwelen bedraagt slechts 15% van zijn totale omzet. Uit het onderzoek van de Dienst blijkt dat er een afzonderlijke markt voor fantasiejuwelen bestaat. Deze markt moet onderscheiden worden van de markt van de edele metalen en uurwerken, gezien deze producten niet substitueerbaar zijn o.a. om redenen van prijs, kwaliteit, distributie. Op de markt van de fantasiejuwelen bestaan er naast "Dyrberg/Kern" nog vele andere concurrerende merken/ontwerpers o.a. Thomas Sabo, Pilgrim, Goivanni, Cabouchon, Laval, Victoria, Nico Taeymans, Van Ranst, AML Bijoux, Olino, Xen, Moments, Marc O’Polo, Cypriano, enz....,alsook een aanzienlijk segment van merkloze fantasiejuwelen. Er wordt niet aangetoond dat de "Dyrberg/Kern" juwelen niet substitueerbaar zouden zijn met andere juwelen. Er moet aldus in casu uitgegaan worden van de markt van de groothandel in fantasiejuwelen. De relevante geografische markt is België. Uit de beschikbare gegevens blijkt alleszins niet dat de markt geografisch enger zou moeten worden afgebakend. Onderzoek van de Dienst heeft aangetoond dat er op de Belgische markt een zeer groot aantal groothandelaars actief zijn op de markt van de groothandel in fantasiejuwelen. In acht genomen daarenboven het feit dat veel van deze fantasiejuwelen merkloos worden verkocht en gelet op het omzetcijfer van de BVBA Rombouts, kan besloten worden dat verweerster over een zeer gering marktaandeel (minder dan 5%) op de markt van de groothandel van fantasiejuwelen in België beschikt. Art. 3 WBEM verbiedt dat een onderneming misbruik maakt van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel ervan. Volgens art. 1 WBEM is een machtspositie "een positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen en het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen". Het is dan ook duidelijk dat verweerster, met het hierboven omschreven miniem marktaandeel niet over dergelijke machtspositie kan beschikken. Een dergelijk laag marktaandeel wordt mededingingsrechtelijk als "de minimis" beschouwd, d.w.z. dat zo’n onderneming in deze geacht 2 wordt niet over voldoende marktmacht te beschikken om de mededinging op de betrokken markt merkbaar te verhinderen, beperken of vervalsen (zie Bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten van geringe betekenis die de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van art. 81 lid 1 E.G Verdrag, PB 22-12-2001, C 368/13). Bij gemis aan machtspositie kan er dan ook géén misbruik van gemaakt worden. De klacht is ongegrond. Om deze redenen De Raad voor de Mededinging Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken van toepassing overeenkomstig art. 54 bis WBEM ; Verklaart de klacht ontvankelijk, doch ongegrond ; Seponeert derhalve de zaak op grond van art.24 §2 W.B.E.M.; Aldus uitgesproken op 10 oktober 2003 door de Kamer van de Raad voor de Mededinging, samengesteld uit de heer Frank Deschoolmeester, kamervoorzitter; mevrouw Béatrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, de heren Robert Vanosselaer en Eric Mewissen, leden. 3

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.