← België

2003VM65

Beslissing nr.2003-V/M-65 van 18 juli 2003 Dossier MEDE-V/M-03/0028 : VZW UMA / CVBA Febelma, VZW BVDU en NV BEMEDIA Gezien de klacht ten gronde d.d. 3 april 2003, neergelegd op 4 april 2003, gekend onder het nr. CONC-P/K-03/0027, die gericht is tegen de volgende ondernemingen : De CVBA Belgische Federatie van Magazines Regie (FEBELMA), met zetel te 1070 Brussel, Boulevard Paepsem 22/8, De VZW Belgische Vereniging van de Dagbladuitgevers – l'Association Belge des Editeurs de Journaux (ABEJ/BVDU), met zetel te 1070 Brussel, Boulevard Paepsem 22/7, De N.V. BE-MEDIA, met zetel te Antwerpen, Rijnkaai

  1. Gezien het verzoek om voorlopige maatregelen neergelegd op 4 april 2003, waarbij om voorlopige maatregelen gevraagd werd door de VZW United Media Agencies (hierna VZW UMA), en handelend in naam en voor rekening van het geheel van haar leden, met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, rue du Belvédère 29 a, geregistreerd onder nr. MEDE-V/M-03/0028, met betrekking tot de praktijken van een aantal ondernemingen, waarbij het volgende gevorderd wordt : " - aan de N.V. BE-MEDIA uitdrukkelijk bevel te geven om elk gebruik, of elke poging tot gebruik van bevoorrechte informatie te staken, met betrekking tot potentiële of huidige aankopen van reclameruimte door de overheid, in de media, met het oog op het sluiten of het doen sluiten van dergelijke aankopen, zolang deze informatie niet onder dezelfde voorwaarden, in alle doorzichtigheid, en op hetzelfde moment ter beschikking staat van alle marktoperatoren. aan de Belgische staat, en meer in het bijzonder aan de diensten van de kanselarij van de Eerste Minister, uitdrukkelijk bevel te geven om geen enkele maatregel noch beslissing te nemen die het afsluiten van enig marktcontract betreffende de aankoop van reclameruimte in de media zou kunnen mogelijk maken, zonder dat de leden van de UMA op voorhand, in alle doorzichtigheid, en onder dezelfde voorwaarden als elke andere operator op deze markt, op de hoogte werden gebracht van het bestaan van deze potentiële markt(en)." Gezien het verzoek om inlichtingen van de Dienst voor de Mededinging d.d. 10 april 2003 gericht aan de verzoekende partij, waarbij gevraagd werd aan de verzoekende partij om te verduidelijken welke concrete voorlopige maatregelen zij acht dat er genomen moeten worden en t.a.v. welke partijen het verzoek gericht is ; Gezien het schrijven van de VZW UMA d.d. 23 april 2003, waarin de VZW UMA stelt dat het verzoek tot voorlopige maatregelen bedoeld is om de uitwerking van de overeenkomst, afgesloten op 17 december 2002 tussen de federale overheid en de coöperatieve vennootschap SCME, d.i. de Société Cooperative d'Edition et de Marketing, gemandateerd door de vereniging ABEJ/BVDU, d.i. de Belgische Vereniging van Dagblad Uitgevers, te schorsen. Dat volgens de VZW UMA deze overeenkomst de voorwaarden voor de aankoop door de federale overheid van advertentieruimte in de Belgische dagbladen, vertegenwoordigd door de BVDU, regelt. Dat de VZW UMA bovendien het vermoeden heeft dat een zelfde overeenkomst werd afgesloten of zal worden afgesloten tussen de federale overheid en Febelma, de Belgische Federatie van magazines en tijdschriften. Dat de VZW UMA dan ook vordert dat de gevolgen van de overeenkomst zouden geschorst worden totdat de Raad voor de Mededinging een uitspraak ten gronde heeft gedaan.
  2. Procedure Gezien het onderzoeksdossier dat door de Dienst voor de Mededinging aan het Korps Verslaggevers werd overgemaakt; Gezien het gemotiveerd verslag van het Korps Verslaggevers d.d. 25 juni 2003, dat in toepassing van artikel 35 van de Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999 (hierna "W.B.E.M." genoemd), overgemaakt werd aan de Raad voor de Mededinging op 1 juli 2003 ; Gehoord op de zitting van 10 juli 2003 : - De Heer Bert Stulens, verslaggever, en de Heer Patrick Coppé namens de Dienst voor de Mededinging; De VZW UMA, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Paul Hordies en Mr. Anne Van Winnendael, advocaten te Brussel ; De CVBA Febelma, vertegenwoordigd door Mr. Dirk Van Liedekerke en Mr. E. Van Parijs, advocaten te Brussel ; De VZW BVDU, vertegenwoordigd door Mr. Thomas Chellingsworth en Mr. E. Thompson, advocaten te Brussel ; De N.V. BE-MEDIA, vertegenwoordigd door Mr. Hans Gilliams en Mr. Leen Goossens, advocaten te Brussel; De kanselarij van de Eerste Minister, met zetel te 1000 Brussel, Wetstraat 16, vertegenwoordigd door de Heer O. Alsteens, Directeur-generaal van de cel Externe Communicatie en de Heer Patrick Rottie, expert externe communicatie. Gezien het schrijven d.d. 8 juli 2003 van de verzoekende partij, ontvangen op de Raad voor de Mededinging op 9 juli 2003, waarin de raadslieden van de verzoekende partij met het oog op de zitting van 10 juli 2003, vragen om zich in het Frans te mogen uitdrukken op de hoorzitting, Dat de raadslieden van de verzoekende partij opmerken dat de klacht ten gronde, het verzoek tot voorlopige maatregelen en het geheel van de stukken in het Frans zijn opgesteld en dat tijdens de commerciële relaties met de VZW BVDU en de CVBA Febelma, steeds het Frans gebruikt werd, terwijl de zetel van deze federaties te Brussel, gevestigd is ; Partijen hebben ter zitting van 10 juli 2003 hun standpunt uiteengezet over dit verzoek, dat voor elk verweer werd ingeroepen. Gezien het verzoekschrift met betrekking tot taalwijziging dat door de raadslieden van de verzoekende partij werd neergelegd op 11 juli 2003, waarin de raadslieden van de verzoekende partij in hoofdorde vorderen dat de taal van de procedure, tenminste voor de verzoeksters, de Franse taal is en in ondergeschikte orde, dat de raadsman van de verzoeksters gemachtigd zouden worden om de Franse taal te gebruiken in de procedure ; Dat de verzoekende partij stelt dat het verslag van het Korps Verslaggevers dat in het Nederlands werd opgesteld, de inleidende akte voor de procedure voor de Raad voor de Mededinging uitmaakt en dus de taal van de procedure het Nederlands wordt ; De verzoekende partij echter van oordeel is, dat het contradictoir zou zijn om vast te stellen dat, enerzijds de klagende partijen geen echte partijen zijn in de procedure, en, anderzijds, dat de taal van de procedure, die wordt vastgelegd in functie van de taal gebruikt in het verslag van het Korps Verslaggevers, aan verzoeksters moet worden opgelegd ; In ondergeschikte orde stelt verzoekende partij dat, indien de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging de Nederlandse taal zou weerhouden voor wat betreft de procedure, zelfs ten aanzien van verzoeksters, zij vragen dat de Voorzitter de machtiging verleent aan hun raadslieden om een andere taal, namelijk het Frans, te gebruiken overeenkomstig de bepalingen van artikel 36 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, omwille van de erin vervatte redenen, en 2 dit zonder nadelige erkentenis met betrekking tot de keuze die wordt weerhouden voor de procedure zelf; Dat dit verzoekschrift ondertekend werd door de raadslieden van de verzoekende partij ; Gezien het schrijven van de raadsman van de VZW BVDU ontvangen op 15 juli 2003, waarin hij stelt dat het de BVDU als tweetalige vereniging niet uitmaakt welke taal of talen in de onderhavige procedure gebruikt wordt en de BVDU dan ook geen opmerkingen over de taalkeuze wenst te maken; Gezien de opmerkingen van de raadsman van de CVBA Febelma ontvangen op 16 juli 2003, waarin gemeld wordt dat de CVBA Febelma als vereniging weliswaar een federale aard heeft maar dat haar leden grotendeels in Vlaanderen gevestigd zijn zodat de CVBA Febelma er de voorkeur aan geeft dat de procedure in zijn totaliteit (en niet enkel de onderzoeksfase), minstens wat haar betreft, verder in het Nederlands zou gevoerd worden. Voor het overige gedraagt de CVBA Febelma zich naar de wijsheid van de Voorzitter ; Gezien de opmerkingen van de raadsman van de N.V. BE-MEDIA ontvangen op 16 juli 2003, waarin hij stelt dat de N.V. BE-MEDIA vordert dat : - - vastgesteld zou worden dat de klacht van UMA te beschouwen is als de akte van gedinginleiding en dienvolgens absoluut nietig is ; in ondergeschikte orde, vastgesteld zou worden dat het Gemotiveerd Verslag te beschouwen is als de akte van gedinginleiding, en dienvolgens te oordelen dat de procedure dient voortgezet te worden in het Nederlands : in elk geval, het verzoek van de raadslieden uit hoofde van artikel 36 van de Taalwet Gerechtszaken nietig, minstens onontvankelijk zou verklaard worden ; in ondergeschikte orde, het verzoek van de raadslieden uit hoofde van artikel 36 van de Taalwet Gerechtszaken zou verworpen worden ; in uiterst ondergeschikte orde, in de beschikking te preciseren dat het Frans enkel zou gebruikt kunnen worden in (mondelinge) pleidooien en niet in enige procedurestukken. Gezien de stukken van het geding ; Gezien de Wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, zoals gecoördineerd op 1 juli 1999 (hierna W.B.E.M.) en o.m. artikel 35 volgens hetwelk de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging op aanvraag van de klager of de minister, voorlopige maatregelen kan nemen bestemd om de restrictieve mededingingspraktijken die het voorwerp van het onderzoek uitmaken te schorsen, indien het dringend is een toestand te vermijden die een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel kan veroorzaken voor de ondernemingen waarvan de belangen aangetast worden door deze praktijken of die schadelijk kan zijn voor het algemeen economisch belang.
  3. Beoordeling over het taalgebruik
  4. Artikel 54 bis van de W.B.E.M. bepaalt dat de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen van toepassing is op de in deze wet bepaalde procedures. Overigens werd de wet van 5 augustus 1991, zoals gewijzigd door de wetten van 26 april 1999 en gecoördineerd bij K.B. van 1 juli 1999, op dit punt aangepast. De oude versie van de wet van 5 augustus 1991 voorzag immers niet in een analoge bepaling. Ter verantwoording voor het inlassen van dit artikel 54 bis wordt in de voorbereidende werken enkel gesteld dat het opportuun leek te verduidelijken dat de wet op het gebruik der talen, van toepassing is op de procedures die bepaald zijn in de wet op de bescherming van de economische mededinging, meer bepaald voor de Raad voor de Mededinging (Parl.St., Senaat, 1997/1998, 1-614/5, p.21). 3 In de parlementaire werken (Parl. St., Senaat, 1990/1991, 1289-2, p.52-53) werd tevens reeds aandacht besteed aan de problematiek van het taalgebruik binnen de Raad waarbij het volgende gesteld werd : "Aangezien de Raad een administratief rechtscollege is, waarvan de beslissingen voor het Hof van Beroep kunnen worden betwist, zijn de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in gerechtszaken hier van toepassing. De bepalingen met betrekking tot de procedure inzake geschillenregeling voor de rechtbanken van eerste aanleg, waarvan de zetel is gevestigd in het arrondissement Brussel (de zetel van de Raad bevindt zich binnen het Ministerie van Economische Zaken), zijn aldus mutatis mutandis van toepassing. Bijgevolg verloopt de procedure voor de Raad in de taal die door de Dienst wordt gebruikt voor het opstellen van zijn verslag, dat op dit niveau de akte van inleiding van het geding vormt. De beslissing van de Raad wordt opgesteld in de taal van de procedure. Voor de personen die voor de Raad verschijnen, zijn de bepalingen van toepassing die algemeen gelden voor alle burgerlijke rechtbanken of rechtbanken van koophandel. Aldus : 1° gebruiken de partijen de taal van hun keuze ; 2° gebruiken de getuigen, advocaten (voor hun pleidooien) en deskundigen (voor hun verslagen) de taal van de procedure, behalve wanneer ze de toestemming krijgen om zich in een andere taal uit te drukken. Maar, in al deze gevallen kunnen de leden van de Raad die de door één van de aangehaalde personen gebruikte taal niet zouden begrijpen, beroep doen op een vertaler." Onder de gewijzigde W.B.E.M. is het Korps Verslaggevers (en niet meer de Dienst voor de Mededinging) belast met het opstellen en het indienen van het onderzoeksverslag bij de Raad voor de Mededinging op grond van artikel 14 §2, 3° van de W.B.E.M.. Alhoewel partijen (en in het bijzonder de verzoekende partijen) hierover geen duidelijk standpunt innemen, komt het ons, op grond van de hierboven geciteerde voorbereidende werken, voor dat het onderzoeksverslag van het Korps Verslaggevers als de gedinginleidende akte moet beschouwd worden voor de procedure voor de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, ook al bepaalt artikel 35 §1 van de W.B.E.M. dat de aanvraag tot voorlopige maatregelen aan de Voorzitter van de Raad dient gericht te worden (waarna de Voorzitter de aanvraag aan het Korps Verslaggevers overmaakt, die een met redenen omkleed verslag dient voor te leggen) en ook al stelt artikel 24 §1 van de W.B.E.M. dat de klachten betreffende de restrictieve mededingingspraktijken ingediend worden bij de Raad voor de Mededinging, die ze echter onmiddellijk voor onderzoek aan het Korps Verslaggevers dient over te zenden. Overigens bepaalt artikel 3 § 3 van het K.B. van 22 januari 1998 betreffende het indienen van klachten en verzoeken bedoeld bij artikel 23 §1, c) en d) van de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999 (B.S., 24 april 1998), gewijzigd bij K.B. van 28 december 1999 (B.S., 1 februari 2000) dat de klacht of het onderzoek opgesteld wordt in één van de landstalen. De bijlage bij de klacht of het verzoek wordt neergelegd in hun oorspronkelijke taal. Indien deze taal geen der landstalen is, kan de verslaggever aangewezen door het Korps of de Raad, van de natuurlijke of de rechtspersonen die de klacht of het verzoek indienen, de vertaling eisen van het geheel of een gedeelte van de bijlagen.
  5. Partijen, en in het bijzonder verzoekende partijen, betwisten niet dat het Korps Verslaggevers terecht toepassing gemaakt heeft van artikel 23 § 5 van de W.B.E.M., dat het taalgebruik door het Korps Verslaggevers en de Dienst voor de Mededinging, tijdens de onderzoeksfase regelt, en dat als volgt luidt : 4 " Bij de uitoefening van hun onderzoeksbevoegdheid houden de verslaggevers en de personeelsleden van de Dienst voor de Mededinging zich : 1) voor het verhoor van personen aan de bepalingen van artikel 31, uitgezonderd lid 3, van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken ; 2) voor de opstelling van de oproepingen, processen-verbaal en rapporten, aan de bepalingen van artikel 11 van dezelfde wet. Wanneer meerdere personen het voorwerp uitmaken van het onderzoek, zal het rapport van de verslaggever bedoeld in artikel 24, §4, opgesteld worden in de taal van de meerderheid rekening houdend met de bepalingen van voornoemd artikel
  6. Wanneer er pariteit is zal er worden gebruik gemaakt van één der landstalen volgens de noodwendigheden van de zaak". Verzoekende partijen stellen immers dat, op grond van de toepassing van dit artikel 23 §5 van de W.B.E.M., het gemotiveerd verslag (terecht) in het Nederlands werd opgesteld.
  7. Artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken stelt dat de regels voorgeschreven zijn op straffe van nietigheid en deze van ambtswege door de rechter worden uitgesproken. De wet van 15 juni 1935 is derhalve van openbare orde. Wij zijn van oordeel dat, gezien het gemotiveerd verslag van het Korps Verslaggevers als gedinginleidende akte dient beschouwd te worden, de procedure voor de Raad voor de Mededinging in het Nederlands dient gevoerd te worden, vermits op grond van artikel 4 §1 in fine van de wet van 15 juni 1935, de rechtspleging wordt voortgezet in de taal van de akte tot inleiding van het geding, in casu het Nederlands. Terecht merkt de N.V. BeMedia op dat, op basis van dit artikel 4 §1 van de wet van 15 juni 1935, enkel de verweerder, voor alle verweer en alle exceptie, zelfs van onbevoegdheid, kan vragen dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet. Gezien geen der verwerende partijen verzocht heeft om een taalwijziging, is de taal van de rechtspleging in huidige procedure tot voorlopige maatregelen het Nederlands. Verzoekende partijen stellen dat zij geen partij zijn in de procedure, zoals in het Gerechtelijk Wetboek, ook al hebben zij de klacht neergelegd, en menen hieruit te kunnen afleiden dat zij de taal van hun keuze voor hun tussenkomst voor de Raad voor de Mededinging moeten kunnen hanteren. Dit standpunt van de verzoekende partijen is echter in strijd met artikel 4 §1 in fine van de wet van 15 juni 1935, dat bepaalt dat de rechtspleging wordt voortgezet in de taal van de gedinginleidende akte (met uitzondering van de bepalingen vervat in de artikelen 30 e.v. van de wet van 15 juni 1935, waarover infra sub 4). Het verzoek van de VZW UMA om te verklaren dat de taal van de procedure tenminste voor de verzoeksters, de Franse taal zou zijn, dient bijgevolg afgewezen te worden. Wel is het correct te stellen dat de W.B.E.M. minder rechten verleent aan de klagende partij (zie o.m. artikel 27 §1 van de W.B.E.M. waar gesteld wordt dat de indiener van de klacht enkel op de hoogte gebracht wordt van het verslag van de verslaggever, zo de Raad dit aangewezen acht). Wij zien echter niet in op welke wijze het feit dat de klagende partij inzake het onderzoek naar restrictieve mededingingspraktijken, minder rechten verwerft dan in een klassieke gerechtelijke procedure, deze klagende partij toch het recht zou verlenen om aanspraak te maken op een meer soepele toepassing van de taalwetgeving. 5
  8. De raadslieden van de verzoekende partijen verzoeken tenslotte om de toepassing van artikel 36 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, dat als volgt luidt : "Voor de pleidooien wordt de taal van de rechtspleging gebruikt. De rechter kan echter, op verzoek van een partij en indien hij zulks volstrekt nodig acht, toestaan dat de raadsman van die partij gebruik maakt van een andere taal dan die van de rechtspleging, mits deze verklaart de taal van de rechtspleging niet te kennen en zijn woonplaats heeft in een ander taalgebied. In dat geval kan de rechter de raadsman van de andere partij ertoe machtigen voor zijn pleidooi dezelfde taal te gebruiken. De in voorgaande alinea's voorziene machtiging wordt bij een met redenen omklede beslissing verleend, op een door de partij zelf geschreven en ondertekend verzoekschrift." Krachtens artikel 37 van de wet van 15 juni 1935 dienen de uitspraken alleszins gesteld te worden in de taal van de rechtspleging. Er dient opgemerkt te worden dat in algemene regel, gepleit moet worden in de taal der rechtspleging. Pleidooien worden beschouwd als akten van rechtspleging, waarop de sanctie van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 toepasselijk is (L. Lindemans, Taalgebruik in Gerechtszaken, A.P.R., Gent, Story, 1973, nr. 161, p. 96 verwijzend naar: Cass., 31 mei 1948, J.T., 1948, 407 ; Cass., 17 april 1950, Pas., 1950, I,553). De wet bevat afwijkingen van deze grondregel, zoals o.m. in artikel 36 van de wet omschreven. Deze uitzonderingen worden beperkt geïnterpreteerd (Ibidem). Wat de uitzondering vervat in artikel 36 van de wet van 15 juni 1935 betreft, worden de volgende vereisten gesteld (zie Lindemans, o.c., nr. 162, p.96-97) : - de partij wiens raadsman wenst te pleiten in een andere taal dan die van de rechtspleging, dient een eigenhandig geschreven en ondertekend verzoekschrift in. In casu stellen wij vast dat het verzoekschrift enkel ondertekend werd door de raadslieden van de verzoekende partij. - de raadsman van de partij dient te verklaren de taal van de rechtspleging niet te kennen. Impliciet wordt aan deze voorwaarde voldaan door het neerleggen van het verzoekschrift. - de raadsman dient te verklaren zijn woonplaats in een ander taalgebeid te hebben. Over deze voorwaarde verstrekken de raadslieden van de verzoekende partij geen uitleg. In de rechtsleer en rechtspraak wordt weliswaar gesteld dat deze vereiste met enige soepelheid gehanteerd kan worden (L. Lindemans, o.c., nr. 162, p. 96, verwijzend naar Rb Antwerpen, 21 mei 1970, J.T., 1970, 481) maar dit neemt niet weg dat de raadslieden van de verzoekende partijen er toch toe gehouden zijn hieromtrent enige uitleg te verstrekken, hetgeen in het verzoekschrift niet geschied is. Wij kunnen dan ook niet anders dan het verzoekschrift op grond van artikel 36 van de wet van 15 juni 1935 af te wijzen. Het staat verzoekende partijen desgevallend vrij om eventueel een nieuw gemotiveerd verzoekschrift neer te leggen. Louter volledigheidshalve merken wij nog op dat de N.V. BeMedia ten onrechte meent dat de raadslieden van verzoeksters blijk geven van een voldoende kennis van het Nederlands, aangezien zij op de zitting van 10 juli 2003 gebruik maakten van het Nederlands en het verzoekschrift tot taalwijziging in het Nederlands werd opgesteld. 6 Vermits de taal van de procedure, zoals supra gesteld, het Nederlands is, waren de raadslieden van verzoeksters er toe gehouden zich derwijze te organiseren dat de pleidooien voor de verzoeksters in het Nederlands gehouden werden op de zitting van 10 juli 2003 en diende het verzoekschrift tot taalwijziging tevens in het Nederlands, d.i. de taal van de procedure, neergelegd te worden. Om Deze Redenen Wij, Béatrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, Alvorens recht te doen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het verzoek tot voorlopige maatregelen: Stellen vast dat de taal van de procedure voor de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging in de zaak nr. MEDE-V/M-03/0028 het Nederlands is. Wijzen het verzoek van de raadslieden van de verzoekende partijen op grond van artikel 36 van de wet van 15 juni 1935, af. Aldus geoordeeld op 18 juli 2003 door Béatrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging. 7

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.