← België

Beslissing over de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008

Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel Tel.:. 02/289.76.11 Fax: 02/289.76.09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS BESLISSING (B)070927-CDC-703 over ‘de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008’ genomen met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe Het erratum dat op 10 januari 2008 werd goedgekeurd door het Directiecomité van de CREG, werd in de tekst opgenomen 27 september 2007 INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) onderzoekt hierna, met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe (hierna: het technisch reglement), het voorstel van de N.V. ELIA SYSTEM OPERATOR (hierna: ELIA) van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008, dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone. Op 22 juni 2007 ontving de CREG ter goedkeuring het voorstel van ELIA betreffende de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008. Op 23 juli 2007 stuurde de CREG een brief naar ELIA met bijkomende vragen over het dossier. Op 28 augustus 2007 ontving de CREG van ELIA een brief waarin zij antwoordt op de gestelde vragen. Op 14 september 2007 ontving de CREG een bijgewerkt voorstel van ELIA (hierna: het voorstel van ELIA). Het voorstel van ELIA bestaat uit een begeleidend schrijven en twee hoofddocumenten in bijlage, namelijk de “Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008” en de “Bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008”. Bij het document dat de evaluatiemethode behandelt, voegde ELIA nog zes bijlagen. De eerste bijlage bevat de UCTE-regels betreffende de reserves, de tweede bijlage behandelt de door ELIA opgestelde theoretische evaluatiemethode voor de secundaire regelband, de derde bijlage bevat de derde versie

(2005)van de UCTE nota beschrijving de ontwikkelde UCTE-kwaliteitsindicatoren inzake balancing en de doelwaarden ervan, de vierde bijlage bevat het door ELIA opgestelde risicomodel, de vijfde bijlage bevat de KULeuven-studie over windturbines in België en de zesde bijlage, ten slotte, bevat een nieuwe versie van de UCTE nota van de derde bijlage (de vierde versie, 2007). In bijlage 4 van het voorstel heeft ELIA haar inzichten gegeven met betrekking tot de uitbreiding van de evaluatiemethode ter bepaling van de reserves voor de jaren ná
  1. Met betrekking tot de evaluatiemethode, heeft de CREG zich in haar huidige beslissing uitsluitend beperkt tot de analyse van de methode ter bepaling van de reservevermogens voor
  2. 2/19 Onderhavige beslissing bevat drie delen. Het eerste deel bespreekt het wettelijk kader. In het tweede deel wordt het voorstel van de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2007 geanalyseerd. Het derde deel bevat de eigenlijke beslissing. De begeleidende brief van ELIA d.d. 14 september 2007, de twee hoofddocumenten en de zes bijlagen bevinden zich in bijlage van deze beslissing. De onderhavige beslissing werd door het Directiecomité van de CREG goedgekeurd op zijn vergadering van 27 september
  3. De onderhavige beslissing spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten m.b.t. deze materie; deze zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tarifaire beslissing van de CREG. aaaa 3/19 I. WETTELIJK KADER
  4. Overeenkomstig artikel 233 van het technisch reglement evalueert en bepaalt de netbeheerder het primair, secundair en tertiair reservevermogen dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het transmissienet in de regelzone, en deelt zijn evaluatiemethode en het resultaat aan de CREG mee ter goedkeuring. Artikel 231, §2, van het technisch reglement voorziet dat de netbeheerder de primaire, secundaire en tertiaire reserves bepaalt rekening houdend met het hulpvermogen voor de installaties van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling van minder dan 20 MW aangesloten op het transmissienet, het lokaal transmissienet of het distributienet. Artikel 231, §3, van het technisch reglement bepaalt dat de netbeheerder gehouden is de ondersteunende diensten, die de primaire regeling van de frequentie, de secundaire regeling van het evenwicht in de Belgische regelzone, de tertiaire reserve, de regeling van de spanning en van het reactief vermogen, het congestiebeheer en de black-start dienst omvatten, in te richten volgens de bepalingen van hoofdstuk XIII van het technisch reglement (artikelen 231 tot en met 266 van het technisch reglement). Het technisch reglement voorziet met name in artikel 232 dat de netbeheerder toeziet op de beschikbaarheid van en, in voorkomend geval, op de inwerkingstelling van de ondersteunende diensten, volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures, die berusten op de marktregels, en overeenkomstig de operationele regels voorzien in het technisch reglement. Artikel 235, §1, van het technisch reglement legt ten andere aan de netbeheerder op de effectieve terbeschikkingstelling van de primaire, secundaire en tertiaire reserves te controleren volgens modaliteiten die hij bepaalt en aan de CREG ter kennis geeft. 4/19 II. ANALYSE VAN HET VOORSTEL
  5. De analyse van het voorstel bevat drie delen. Het eerste deel behandelt de evaluatiemethodes voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen. In het tweede deel licht de CREG de toepassing van de methodes toe en worden de resultaten ervan beoordeeld. In het derde deel tenslotte maakt de CREG enerzijds haar beschouwingen met betrekking tot het huidige voorstel en vermeldt anderzijds haar aandachtspunten met het oog op het opstellen van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor de toekomstige jaren. II.
  6. Evaluatie van de voorgestelde methodes ter bepaling van de reservevermogens
  7. De voorgestelde evaluatiemethodes ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008 worden door ELIA behandeld in het document “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008”. Dit document bevat acht hoofdstukken. De eerste twee hoofdstukken bevatten de uiteenzetting van het doel van het document en de gebruikte afkortingen. In het derde hoofdstuk wordt de organisatie van de evenwichtsbewaking van de regelzones door de transmissienetbeheerder en de evenwichtsverantwoordelijkheid van de toegangsverantwoordelijken toegelicht. Verder wordt in dit hoofdstuk ook verwezen naar het Belgisch wettelijk kader (artikel 3, §1, van het technisch reglement). In het vierde, vijfde en zesde hoofdstuk worden de evaluatiemethodes voor het bepalen van respectievelijk de primaire, secundaire en tertiaire reservevermogens behandeld. De laatste twee hoofdstukken bevatten de lijst van de bijlagen en van de referenties. II.1.
  8. Methode ter bepaling van het primair reservevermogen
  9. De primaire regeling van de frequentie wordt in artikelen 236 tot 242 van het technisch reglement behandeld. Artikel 236, §2, van het technisch reglement preciseert dat de 5/19 netbeheerder voor het bepalen van de technische specificaties betreffende de beschikbaarheid en de levering van het primair reservevermogen voor de primaire regeling van de frequentie, rekening dient te houden met de aanbevelingen en regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen.
  10. Op het niveau van UCTE werden de regels gedefinieerd voor de bepaling en de levering van het nodige primair reservevermogen. De toepassing door UCTE van deze regels leidt tot een benodigd primair reservevermogen van 3000 MW voor gans het UCTEnet. Elke regelzone dient, volgens deze regels, in de mate van zijn aandeel in de totale elektriciteitsproductie binnen het UCTE-net, bij te dragen tot dit primair reservevermogen. ELIA stelt voor om deze regels ter bepaling van het primair reservevermogen voor de Belgische regelzone te volgen.
  11. De CREG stelt vast dat ELIA voldoet aan artikel 236, §2, van het technisch reglement, gezien de voorgestelde methode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen, en met name de spelregels die door UCTE werden gedefinieerd. II.1.
  12. Methode ter bepaling van het secundair reservevermogen
  13. De secundaire regeling wordt in artikelen 243 tot 247 van het technisch reglement behandeld. Het door UCTE aanbevolen secundair regelvermogen in elke regelzone is functie van de piekbelasting in de desbetreffende regelzone. ELIA volgt de door UCTE aanbevolen methode niet.
  14. De UCTE heeft vijf indicatoren opgesteld die de kwaliteit van de regelzone beschrijven met betrekking tot onder meer de secundaire regeling
  15. UCTE stelt dat deze indicatoren toelaten de kwaliteit van de evenwichtsregeling van de regelzone te monitoren. ELIA stelt dat als elke netbeheerder ervoor zorgt dat de indicatoren binnen zijn regelzone onder de maximale waarde, bepaald door de UCTE, blijven2, hij inherent bijdraagt tot het waarborgen 1 Zie bijlage 6 bij het document “Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008”. 2 Voor de indicatoren met een door UCTE bepaalde maximale waarde, zie paragraaf
  16. 6/19 van de netveiligheid op Europees niveau. De regelzone doet dan immers geen overmatig beroep op de primaire reserves die door alle regelzones gemeenschappelijk ter beschikking gesteld worden aan het UCTE-systeem, zodat voldoende primaire reserve beschikbaar blijft voor het opvangen van de uitschakeling in dit UCTE-systeem van twee grote eenheden van 1400 MW.
  17. Voor twee van deze vijf indicatoren heeft UCTE geen maximale waarde opgesteld, namelijk voor de gemiddelde waarde van de ACE3 en voor de relatieve bijdrage tot de hoogste frequentie-afwijkingen. De drie overblijvende indicatoren waarvoor UCTE wel een maximale waarde opgesteld heeft zijn de standaardafwijking van de ACE, het aantal waarden van de ACE boven een maximale waarde en de zogenaamde UCTE“trompetcurve”. Met de "trompetcurves" kan men nagaan hoe snel de frequentie terugkomt op haar stelwaarde binnen het kwartier na een groot onevenwicht en deze indicator is minder geschikt voor de bepaling van de regelkwaliteit van enkel en alleen het secundair regelvermogen. Het doel van de indicator die het aantal waarden van de ACE boven een maximale waarde beschouwt is volgens ELIA eerder een triggerfunctie dan wel een absolute indicator ter evaluatie van de kwaliteit van de secundaire regeling. ELIA voorziet de opvolging en implementatie om het gedrag van deze indicator te verbeteren te realiseren vanaf
  18. De mogelijke oorzaken van het overschrijden van de maximale waarde van deze indicator zijn volgens ELIA ook geheel onafhankelijk van de gecontracteerde bandbreedte.
  19. Dus gebruikt ELIA de indicator die de standaardafwijking van de ACE beschouwt (en waarvoor de UCTE een maximale waarde bepaald heeft per regelzone) om een methode op te stellen die het secundair regelvolume bepaalt. Om de gemiddelde hoeveelheid automatisch secundair regelvermogen te bepalen, baseert ELIA zich op een pragmatische analyse, bescheven in bijlage 2 van het voorstel van ELIA. Op basis van de analyse van het regelresultaat in 2006 simuleert ELIA het "gedrag" van haar regelaar voor verschillende gemiddelde volumes (waarvan één waarde het werkelijk in 2006 gemiddelde volume is, namelijk 137 MW). Vervolgens kan de kwaliteit van de regelaar, gemeten door de standaardafwijking van de ACE, geschat worden voor verschillende hoeveelheden van volumes. Hierbij merkt ELIA op dat dit maar geldig is voor een interval dicht genoeg rond de werkelijke waarde in 2006 (zijnde 137 MW). Het "geldige interval" 3 Area Control Error. 7/19 wordt door ELIA tussen 100 en 150 MW gesteld. Op die manier kan men bepalen voor welk volume de Belgische regelzone in 2008 nog steeds een veiligheidsmarge zal hebben ten opzichte van de maximale waarde die de UCTE bepaald heeft in verband met de standaardafwijking. De keuze voor een veiligheidsmarge is zeker verdedigbaar ook al omdat vandaag nog steeds minstens de onzekerheid blijft bestaan over de grootte-orde van storingen o.a. veroorzaakt door de nog niet precies gekende impact van een toenemend geïnstalleerd windvermogen - weze het in deze aangesloten binnen de distributienetten of binnen het ELIA-net zelf - en het gedrag van de ARP’s dat mede wordt bepaald door de evolutie van de elektriciteitsprijzen, de prijzen voor onevenwicht en door hun ervaringsopbouw.
  20. De CREG stelt vast dat de door ELIA voorgestelde methode erin bestaat het secundaire reservevermogen te bepalen waarbij aan de UCTE-norm wordt voldaan en zo rekening te houden met het vervullen van de taken die haar in artikel 233 van het technisch reglement zijn toegewezen. De CREG is van oordeel dat de door ELIA voorgestelde methode een dimensionering van het secundair automatisch regelvermogen toelaat. II.1.
  21. Methode ter bepaling van het tertiaire reservevermogen
  22. De tertiaire regeling wordt in artikelen 249 tot 260 van het technisch reglement behandeld.
  23. Om onder meer de invloed van een toekomstige toename van de capaciteit aan windmolens in het Belgische systeem op de mogelijke evenwichtsverstoringen in te schatten, ontwikkelt ELIA sinds 2005 een risicomodel ter bepaling van de behoefte aan tertiaire reserves
  24. Dit model bevindt zich nog steeds in een pilootfase en de voorlopige resultaten ervan dienen, zoals ELIA terecht opmerkt, met het nodige voorbehoud te worden geïnterpreteerd. Het risicomodel houdt rekening met het gehele Belgische windmolenpark dat als één enkele geaggregeerde eenheid wordt beschouwd en samen met de overige eenheden van het Belgische productiepark in het model geïntegreerd wordt. Zolang de 4 Zie bijlage 4 van het document “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008”. 8/19 capaciteit aan geïnstalleerde windmolens lager blijft dan de omvang van de grootste thermische productie-eenheid (dus 1050 MW voor de grootste nucleaire eenheid in België), kan men het N-1 criterium gebruiken om evenwichtsverstoringen te modelleren. Dit zal voor 2008 zeker nog het geval zijn.
  25. Voor de bepaling van het tertiaire reservevermogen dat door ELIA dient te worden gecontracteerd heeft ELIA rekening gehouden met volgende hypotheses: • een zeker importniveau; • het gebruik van het “N-1 criterium”; • de karakteristieken van het Belgische productiepark en de duur van de ongeplande stilstanden in de voorbije jaren, waarbij ELIA wijst op het beperkt aantal pannes van de kerneenheden; • de mechanismen om onevenwichten te beletten door de toegangsverantwoordelijken via onevenwichtstarieven te stimuleren hun evenwicht te behouden en om onevenwichten weg te werken door de mogelijkheid te bieden intraday-transacties op de Belgische hub uit te voeren; in geval van een onevenwicht van de Belgische regelzone, zal ELIA in eerste instantie de “Incremental/Decremental-Bids” activeren alvorens de door haar gecontracteerde reserves aan te spreken; • de volledige benutting van het marktpotentieel aan afschakelbare afnamen met een voorlopig geschatte beschikbaarheidsfactor van 40%; • de programma-uitwisselingen tussen TNB’s voor onderlinge hulp. ELIA stelt dat er vanuit 2007 geen elementen zijn die laten verwachten dat de weg te regelen onevenwichten voor 2008 substantieel verschillend zouden zijn van die van de voorbije jaren. Daarom stelt ELIA voor om de portefeuille voor het tertiaire reservevermogen op dezelfde manier samen te stellen als voor
  26. Dit betekent een zelfde volume aan productiereserve en afschakelbare afnamen. ELIA beschouwde in haar voorstel voor 2007 dat de afschakelbare afnamen een beschikbaarheid van 40% hadden. Dus nam ELIA 40% van het gecontracteerde vermogen voor de afschakelbare afnamen in rekening. Intussen heeft ELIA door middel van een analyse van de afschakelbare afnamen vastgesteld dat 40% van het gecontracteerde vermogen slechts 70% van de tijd beschikbaar waren. Gedurende de andere uren was minder dan 40% van het gecontracteerde vermogen beschikbaar. 9/19 ELIA heeft echter voor de contracten van afschakelbare afnames voor 2007 prikkels ingebracht die ervoor moeten zorgen dat niet langer systematisch het onderschreven beschikbaar vermogen overschat wordt. Op basis van deze nieuwe modaliteiten stelt ELIA dan ook een a priori theoretische ex-ante beschikbaarheid van 100% van de effectief afschakelbare afnames, in plaats van de 70% die in 2006 werd waargenomen. Zoals voor 2007 verklaart ELIA dat het gemakkelijker en goedkoper zou zijn om tertiaire productiereserve met een beschikbaarheid lager dan 100% voor 2008 te contracteren in vergelijking met de situatie wanneer er voor 2008 geen vermindering van de beschikbaarheid zou zijn. Tenslotte wil ELIA de inter-TSO contracten bij het tertiaire reservevermogen voegen, zodat haar portefeuille uitgebreid wordt. Uit het document van ELIA leidt de CREG af dat ELIA voorstelt de volgende evaluatiemethode voor het tertiaire reservevermogen voor 2008 toe te passen, net zoals voor
  27. • Hetzelfde totale tertiaire reservevermogen te contracteren als voor
  28. • Zoveel mogelijk afschakelbare afnamen te contracteren. • De rest van het tertiaire reservevermogen bij productie-eenheden te plaatsen via contracten met een beschikbaarheid lager dan 100%. • De gedaalde beschikbaarheid van de afschakelbare afnamen en het productiereservevermogen te compenseren door een gedeelte van de inter-TSO contracten. Uit de ervaring opgedaan in 2006 blijkt dat de inter-TSO contracten de beschikbaarheid <100% kunnen compenseren van de tertiaire productiereserve. Verder is er geen correlatie tussen de beschikbaarheid van de verschillende middelen, wat betekent dat het gerechtvaardigd is om op hun compenserend effect te rekenen, aldus ELIA. ELIA stelt dat, zolang het onevenwichtstarief de toegangsverantwoordelijken voldoende aanzet om hun evenwicht te bewaren, het gezamenlijke tertiaire reservevermogen, zijnde de eigen reserves van de toegangsverantwoordelijken vermeerderd met de door ELIA gecontracteerde reserves, binnen de regelzone zal voldoen aan het N-1 criterium. De door ELIA voorgestelde methode voorziet geen bijkomend tertiair reservevermogen ten behoeve van het dekken van het hulpvermogen voor de installaties van kwalitatieve 10/19 warmtekrachtkoppelingeenheden van minder dan 20 MW, zoals bepaald in artikel 231, §2, van het technisch reglement. ELIA verwacht dat de invloed van een aanpassing van de tolerantiemarges voor onevenwichten van deze eenheden voldoende klein zal zijn voor
  29. Teneinde het risico te bewaken dat er onvoldoende reservevermogen binnen de regelzone beschikbaar zou zijn, voert ELIA ex ante beschikbaarheidcontroles op alle regelmiddelen binnen de regelzone uit. De beschikbaarheid van het tertiaire reservevermogen wordt door ELIA gecontroleerd op verschillende tijdshorizonten gaande van 1 jaar op voorhand tot een day ahead controle. Op een tijdshorizon van een jaar tot enkele maanden op voorhand verscherpt ELIA haar waakzaamheid indien het voorspelde beschikbaar reservevermogen minder dan een bepaalde waakzaamheidsdrempel zou bedragen voor het uur van piekbelasting van elke week. Op een tijdshorizon van een maand tot 2 dagen op voorhand waakt ELIA op de beschikbaarheid van een reservevermogen ter grootte van de grootste productie-eenheid binnen de regelzone tijdens de piekuren per week. Bij de day ahead controle controleert ELIA of op elk uur van de volgende dag het uitvallen van de grootste eenheid kan worden gecompenseerd tot het einde van de betrokken dag.
  30. De CREG stelt vast dat de door ELIA voorgestelde evaluatiemethode ter bepaling van de tertiaire reservevermogens voor 2008 gebaseerd is op haar ervaring met de uitbating van het Belgische systeem. De methode is identiek aan die van 2007 en is gebaseerd op een gebruik van de afschakelbare afnamen en neemt de inter-TSO reserves gedeeltelijk in rekening. De methode laat echter toe om nog steeds minstens de uitval van de grootste nietkerneenheid te compenseren. De CREG is van mening dat het gebruik van het N-1 criterium, dat ELIA toepast op het totale Belgische productiepark om het tertiaire reservevermogen te bepalen, een zeer gangbare praktijk is. Rekening houdend met de karakteristieken van het Belgische systeem en de voorziene procedures voor de ex ante controles op de beschikbaarheid van de reserves, is de CREG van mening dat het contracteren door ELIA van een tertiaire reserve, bestaande uit een productiereserve, uit afschakelbare afnamen en uit een gedeelte van de inter-TSO reserves, gerechtvaardigd is. Bijgevolg is de CREG van oordeel dat de door ELIA voorgestelde evaluatiemethode aanvaardbaar is. De CREG merkt niettemin op hiermee geen uitspraak te doen over enig onevenwichtstarief. 11/19 II.1.
  31. Conclusie met betrekking tot de methodes ter bepaling van de reservevermogens
  32. Rekening houdend met de hierboven aangehaalde elementen verleent de CREG haar goedkeuring aan ELIA met betrekking tot de voorgestelde evaluatiemethodes voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen. II.
  33. Evaluatie van de toepassing van de methodes op het Belgische systeem
  34. De bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008 door toepassing van de voorgestelde methodes worden door ELIA in een afzonderlijk document behandeld dat zich in bijlage aan het begeleidend schrijven bevindt. II.2.
  35. Bepaling van het primaire reservevermogen
  36. Het aandeel van de Belgische regelzone in de totale primaire regeling voor 2008 binnen de UCTE-zone wordt pas in oktober 2007 door UCTE bepaald. ELIA is van mening dat dit aandeel voor 2008 weinig zal verschillen van de waarde in 2007, zijnde 3,22% van 3000 MW. ELIA stelt daarom voor om bij de bepaling van het primair reservevermogen voor 2008 rekening te houden met de waarde bepaald voor het jaar 2007 van 97 MW. Gezien dit volume als richtwaarde geldt, voorziet ELIA om in de aanbestedingsprocedure clausules in te lassen die toelaten het gecontracteerde volume aan primair reservevermogen te kunnen aanpassen in functie van het aandeel van de Belgische regelzone voor 2008 dat door UCTE zal worden bepaald. Op basis van de goedgekeurde evaluatiemethode stelt ELIA voor om een gemiddeld primair regelvermogen van 97 MW te contracteren, met de mogelijkheid dat het primair regelvermogen lager mag zijn dan de voorziene waarde indien één van de eenheden welke in dag D-1 voorzien waren om deel uit te maken van het primair reservevermogen voor dag D ongepland onbeschikbaar valt tussen het moment waarop de D-1 reserve genomineerd werd en de dag D zelf. In dit geval zal het verlies aan primair reservevermogen bovendien beperkt zijn tot de primaire bijdrage van de eenheid in kwestie. Onafhankelijk van het tijdstip waarop een panne zich voordoet, stelt ELIA eveneens dat het totaal primair reservevolume opnieuw in zijn geheel beschikbaar moet zijn na verloop van maximaal 1 uur. ELIA stelt dat 12/19 hierdoor geen afbreuk gedaan wordt aan de criteria van UCTE, noch aan de systeemveiligheid. Rekening houdend met de clausules die ELIA, ten behoeve van het invoeren van flexibiliteit ten aanzien van de te contracteren volumes aan primair regelvermogen, in de aanbestedingsprocedure zal inlassen, en rekening houdend met de voorwaarden van de vorige paragraaf, verleent de CREG haar goedkeuring voor het contracteren van een primair reservevermogen van 97 MW voor de Belgische regelzone voor
  37. Het effectief gecontracteerde primaire reservevermogen mag echter niet uitstijgen boven de waarde die UCTE voor 2008 zal bepalen. II.2.
  38. Bepaling van het secundaire reservevermogen
  39. Op basis van de toepassing van de goedgekeurde evaluatiemethode ter bepaling van het benodigd secundair reservevermogen, stelt ELIA voor een reservevermogen van gemiddeld 137 MW met een minimaal beschikbaar vermogen van 100 MW voor de automatische secundaire regeling te contracteren voor de Belgische regelzone voor
  40. ELIA legt uit dat de gemiddelde bandbreedte van 137 MW moet gezien worden samen met de vereiste van een minimale bandbreedte van 100 MW en waaraan de bijkomende vereiste wordt gekoppeld van een N-1-criterium, in die zin dat de uitval of onbeschikbaarheid van een gecontracteerde eenheid nooit tot gevolg mag hebben dat een volume < 100 MW beschikbaar zou zijn. Dit betekent dat grote gedeelten van de tijd er veel meer dan 100 MW beschikbaar zal zijn, zelfs meer dan 137 MW, aangezien dit een gemiddelde is. Hierbij stelt ELIA dat een waarde van het secundair regelend vermogen < 137 MW slechts aanvaardbaar is indien één van de eenheden welke in dag D-1 voorzien waren om deel te nemen aan deze 137 MW secundaire regeling ongepland onbeschikbaar valt tussen het moment waarop de D-1 reserve genomineerd wordt en de dag D zelf. In dit geval zal het verlies aan secundaire reservevermogen bovendien beperkt zijn tot de bijdrage van de eenheid aan het secundaire regelvermogen. Onafhankelijk van het tijdstip waarop een panne zich voordoet, stelt ELIA eveneens dat het totaal secundair reservevolume van 137 MW opnieuw in zijn geheel beschikbaar moet zijn na verloop van maximaal 3 uur. ELIA stelt dat de voorgestelde bandbreedte van de secundaire regeling a-priori toelaat om de UTCE-kwaliteitseisen te respecteren en dat de veiligheid van het Belgische net hierdoor niet negatief beïnvloed wordt. 13/19 De CREG verleent haar goedkeuring aan de door ELIA bepaalde hoeveelheid voor het secundaire reservevermogen van gemiddeld 137 MW met een minimaal beschikbaar vermogen van 100 MW in de bovenvermelde omstandigheden en voorwaarden voor
  41. II.2.
  42. Bepaling van het tertiaire reservevermogen
  43. Het criterium voor de toepassing van de goedgekeurde evaluatiemethode voor 2008 voorziet dat ELIA hetzelfde totale tertiaire vermogen als voor 2007 contracteert, namelijk 660 MW. Op basis van offertes voor 2007 denkt ELIA ook voor 2008 contracten te kunnen afsluiten zodat rekening kan worden gehouden met een effectief afschakelbaar vermogen van minstens 240 MW gedurende alle beschouwde tarifaire periodes (peak, off-peak en weekend). Daarboven stelt ELIA voor om 420 MW productiecapaciteit met een beschikbaarheid van 90%, te contracteren. ELIA stelt dat de inter-TSO reserves met RTE en TenneT, die voor tweemaal 250 MW gecontracteerd worden, voldoende zijn om de lagere beschikbaarheid van de productiemiddelen en van de afschakelbare afnamen te compenseren. De kans dat noch RTE, noch TenneT de inter-TSO reserve zouden kunnen leveren op het moment dat ELIA daar nood aan heeft, is erg klein. De CREG keurt de door ELIA voorgestelde hoeveelheden voor het tertiaire reservevermogen goed. II.
  44. Beschouwingen van de CREG
  45. De CREG wenst, rekening houdend met het belang van de bepaling van de reservevermogens voor de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het transmissienet in de regelzone, in de huidige beslissing een aantal beschouwingen te maken met het oog op het opstellen van een evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen in de toekomst.
  46. Uit het UCTE-handboek is niet duidelijk af te leiden of de UCTE aanvaardt dat een TNB van een regelzone voor primaire regeling beroep mag doen op productie-eenheden van een 14/19 andere regelzone. De CREG vraagt aan ELIA dat punt te verklaren vóórdat ELIA op primair regelvermogen in het buitenland beroep doet.
  47. De CREG herinnert ELIA eraan dat indien ELIA er, om welke reden ook, niet in slaagt de voorziene afschakelbare afnamen (waarmee zij bij de bepaling van het tertiair reservevermogen rekening houdt) te contracteren, zij er toe gehouden is om voor elke periode in 2008 waarin het geheel of een gedeelte van de afschakelbare afnamen niet gecontracteerd wordt, andere middelen te voorzien die in een equivalent effect resulteren.
  48. De CREG wenst dat ELIA haar in de toekomst blijft informeren door middel van een jaarlijks verslag5 over de beschikbaarheid en het gebruik van de reservevermogens, afschakelbare afnamen en inter-TSO reserves inbegrepen, ten behoeve van de Belgische regelzone.
  49. De CREG is van mening dat de pragmatische methode ter bepaling van het secundair regelvolume een frequente en regelmatige monitoring vereist van de regelkwaliteit. De CREG ontvangt momenteel van ELIA maandelijks de gegevens over onder meer de vier UCTE-indicatoren in het kader van het verslag over de monitoring van de balancing. De CREG wenst dat in dit verslag ook de vijfde indicator, namelijk de "trompetcurves", wordt opgenomen. Tevens dient ELIA in dit verslag de opvallende zaken gedetailleerd te duiden, zodat indien nodig tijdig kan bijgestuurd worden in het geval veranderingen met een ingrijpende invloed op de regelkwaliteit plaatsvinden.
  50. De CREG wenst dat het voorstel van ELIA aan de CREG met betrekking tot de reserves voor 2009 een analyse bevat van de meest recente gegevens van de vijf UCTEindicatoren.
  51. ELIA stelt voor om, als de opportuniteit zich aanbiedt, een gedeelte van de tertiaire reserve in het buitenland aan te kopen. Rekening houdend met de evolutie van de Belgische markt in de Europese context vraagt de CREG aan ELIA om de hoeveelheid tertiaire reserve die in het buitenland gecontracteerd kan worden te bestuderen, evenals de invloed van deze aankoop op de veiligheid van het Belgische systeem en op de NTC
  52. De CREG vraagt aan ELIA de resultaten van deze studie met de CREG te bespreken voor haar voorstel aan de CREG met betrekking tot de reserves voor
  53. 5 6 Document “Reporting réserves 2006” Net transfer capacity. 15/19
  54. Met betrekking tot het voorstel van ELIA om beroep te doen op uitwisselingsprogramma’s tussen transmissienetbeheerders, benadrukt de CREG dat ELIA waakzaam dient te blijven ten aanzien van de kost van de aangenomen oplossing, terwijl zij verder het risico dient te houden op een aanvaardbaar niveau.
  55. In het huidige voorstel heeft ELIA een voorlopige, mogelijke uitbreiding van de evaluatiemethode ter bepaling van de reservevermogens voorgesteld om in de toekomst onder meer rekening te kunnen houden met een toenemende capaciteit aan windenergieparken en de kans op ontoereikendheid van de reservevermogens in te schatten op basis van simulaties met een risicomodel. Het initiatief van de uitbreiding komt tegemoet aan de wens van de CREG uitgedrukt in de beschouwingen in haar beslissingen betreffende de reservevermogens voor 20047, 20058, 20069 en
  56. Gezien de voorgestelde methode zich nog in een pilootfase bevindt, is de CREG van mening dat de evaluatiemethode verder dient te worden verfijnd. Daarenboven wenst de CREG dat ELIA de evaluatiemethode in het voorstel van ELIA aan de CREG met betrekking tot de reserves voor 2009 verder ontwikkelt om onder meer rekening te houden met voorspellingsfouten van de windsnelheden en met de impact van de windenergieproductie op de noodzaak aan secundair regelvermogen.
  57. De CREG vraagt dat ELIA in haar voorstel met betrekking tot de reserves voor 2009 een duidelijkere, meer kwantitatieve motivatie geeft voor de gekozen veiligheidsmarge ter bepaling van het secundair regelvermogen.
  58. De CREG meent dat ELIA zo vlug mogelijk en in elk geval vanaf begin 2009 over de nodige middelen moet beschikken om de zoneregeling aan te passen ten einde het gedrag van de UCTE-indicator te verbeteren met betrekking tot het aantal waarden van de ACE die een bepaalde maximumwaarde overschrijden.
  59. In het huidige voorstel van ELIA is de deelneming aan de diensten voor primaire regeling van de frequentie en secundaire regeling van het zone-evenwicht beperkt tot de producenten. Sommige grote industriële afnemers hebben industriële processen die zich 7 Beslissing (B)040212-CDC-255 over ‘de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2003 en 2004’, 12 februari 2004 8 Beslissing (B)040610-CDC-295 over ‘de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2005’, 10 juni 2004 9 Beslissing (B)050526-CDC-438 over ‘de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2006’, 26 mei 2005 10 Beslissing (B)060831-CDC-553 over ‘de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2007’, 31 augustus 2006 16/19 zouden kunnen lenen tot de deelneming van deze afnemers aan deze ondersteunende diensten gedurende bepaalde momenten van de dag of de week. Deze deelneming is ontegensprekelijk van aard om de openstelling van de markt van deze ondersteunende diensten en de komst van een (sterkere) mededinging op deze markten te bevorderen. In deze maatregel vraagt de CREG aan ELIA om samen met deze industriële afnemers na te gaan hoe deze laatste aan de primaire regeling en/of de secundaire regeling zouden kunnen deelnemen. De besluiten van deze studie zouden moeten opgenomen worden in het voorstel van ELIA over de reserves voor 2009 en in voorkomend geval zou alvast een pilootfase moeten kunnen aangevat worden in de loop van het jaar
  60. De intraday werd enkele maanden geleden in werking gesteld op de zuidgrens en een voorlopige bilaterale oplossing wordt momenteel onderzocht voor de noordgrens. Bovendien onderzoekt Belpex op dit ogenblik de totstandkoming van een Belgisch intraday trading platform tijdens de eerste maanden van
  61. Deze belangrijke uitbreiding van de mogelijkheden tot uitwisseling van elektrische stroom tussen België en zijn buurlanden zou een invloed kunnen hebben op het volume van de reserves in België, meer bepaald op het volume van de tertiaire reserve. In deze context vraagt de CREG aan ELIA om de impact van de intraday op de noodzakelijke reservevolumes in België te onderzoeken en daarmee rekening te houden in haar voorstel over de reserves voor
  62. 17/19 III. BESLISSING Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende het technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe. Gelet op het voorstel betreffende de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008, dat door ELIA op 14 september 2007 aan de CREG ter goedkeuring werd overgemaakt. Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op artikel 236, §2, van het technisch reglement en met name op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen; Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het secundair reservevermogen gebaseerd is op een analyse van ELIA die toelaat om op een technischeconomische basis het secundair reservevermogen te bepalen; Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het tertiair reservevermogen aanvaardbaar is op basis van de elementen aangehaald in paragraaf 14; Overwegende dat de voorgestelde evaluatiemethodes correct werden toegepast voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2008; Heeft de CREG besloten, in het raam van de opdracht die haar werd toevertrouwd door artikel 233 van het technisch reglement, de evaluatiemethode voor het primair, secundair en tertiair reservevermogen en haar toepassing voor 2008 goed te keuren. In de mate dat de methode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen nog dient te evolueren, met name om rekening te houden met de in onderhavige beslissing geformuleerde beschouwingen, vestigt de CREG de aandacht van ELIA op het feit dat haar aanvaarding van de methode voor 2008 geen aanvaarding inhoudt van deze of een gelijkaardige methode voor de volgende jaren. 18/19

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.