← België

Beslissing over de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011

NIET- VERTROUWELIJKE VERSIE Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel Tel.:. 02/289.76.11 Fax: 02/289.76.09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS BESLISSING (B) 100826-CDC-982 over ‘de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011’ genomen met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe 26 augustus 2010 INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) onderzoekt hierna, met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe (hierna : het technisch reglement), het voorstel van de NV ELIA SYSTEM OPERATOR (hierna : ELIA) van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011, dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone. Op 30 juni 2010 ontving de CREG ter goedkeuring het voorstel van ELIA betreffende de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 (hierna : het voorstel van ELIA). Het voorstel van ELIA bestaat uit een begeleidend schrijven en twee hoofddocumenten in bijlage, namelijk de “Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011” en de “Bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011”. Bij het document dat de evaluatiemethode behandelt, voegde ELIA nog negen andere bijlagen. De eerste bijlage bevat de UCTE-regels betreffende de reserves, de tweede bijlage handelt over de bepaling van de secundaire regelband, de derde bijlage bevat de vierde versie

(2007)van de UCTE -nota met de beschrijving van de ontwikkelde UCTE kwaliteitsindicatoren inzake balancing en de doelwaarden ervan, de vierde bijlage bevat het door ELIA opgestelde risicomodel, de vijfde bijlage bevat de KULeuvenstudie over de raming van de productieschommelingen van de windturbines in België, de zesde bijlage bevat een document van ELIA over de behoeften aan primaire reserves in de UCTE, de zevende bijlage bevat een studie van de KULeuven over de impact van de windenergie op de secundaire en tertiaire reserves, de achtste bijlage bevat een studie van de KULeuven over de impact van de windenergie op de regelingsreserves in de Belgische controlezone en de negende NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 2/31 bijlage, ten slotte, bevat een beschrijving van een nieuwe methode voor de activering van regelingsmiddelen. De onderhavige beslissing bevat vier delen. Het eerste deel bespreekt het wettelijk kader. In het tweede deel maakt de CREG een voorafgaande opmerking. In het derde deel wordt het voorstel van de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 geanalyseerd. Het vierde deel bevat de eigenlijke beslissing. De begeleidende brief van ELIA van 30 juni 2010 en zijn bijlagen bevinden zich als bijlage bij deze beslissing. De onderhavige beslissing werd door het Directiecomité van de CREG goedgekeurd op zijn vergadering van 26 augustus
  1. De onderhavige beslissing spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten m.b.t. deze materie; deze zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tarifaire beslissing van de CREG.  NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 3/31 I. WETTELIJK KADER
  2. Overeenkomstig artikel 233 van het technisch reglement evalueert en bepaalt de netbeheerder het primair, secundair en tertiair reservevermogen dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het transmissienet in de regelzone, en deelt zijn evaluatiemethode en het resultaat aan de CREG mee ter goedkeuring. Artikel 231, §2, van het technisch reglement voorziet dat de netbeheerder de primaire, secundaire en tertiaire reserves bepaalt rekening houdend met het hulpvermogen voor de installaties van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling van minder dan 20 MW aangesloten op het transmissienet, het lokaal transmissienet of het distributienet. Artikel 231, §3, van het technisch reglement bepaalt dat de netbeheerder gehouden is de ondersteunende diensten, die de primaire regeling van de frequentie, de secundaire regeling van het evenwicht in de Belgische regelzone, de tertiaire reserve, de regeling van de spanning en van het reactief vermogen, het congestiebeheer en de black-start dienst omvatten, in te richten volgens de bepalingen van hoofdstuk XIII van het technisch reglement (artikelen 231 tot en met 266 van het technisch reglement). Het technisch reglement bepaalt met name in artikel 232 dat de netbeheerder toeziet op de beschikbaarheid van en, in voorkomend geval, op de inwerkingstelling van de ondersteunende diensten, volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures, die berusten op de marktregels, en overeenkomstig de operationele regels voorzien in het technisch reglement. Artikel 235, §1, van het technisch reglement legt ten andere aan de netbeheerder op de effectieve terbeschikkingstelling van de primaire, secundaire en tertiaire reserves te controleren volgens modaliteiten die hij bepaalt en aan de CREG ter kennis geeft. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 4/31 II. VOORAFGAANDE OPMERKING
  3. De CREG merkt op dat het ter goedkeuring voorgelegde dossier werd ontvangen op 30 juni
  4. Ze stelt vast dat dit schril afsteekt tegen de twee vorige jaren, toen ELIA zijn voorstel naar de CREG stuurde in de maand maart. De latere verzending houdt grotere beperkingen qua beschikbare tijd in en zou gevolgen kunnen hebben voor het verloop van het proces volgend op de beslissing van de CREG, waaronder het opstellen van het verslag over « de al dan niet klaarblijkelijke onredelijkheid van de aan ELIA voorgestelde prijzen voor de levering van ondersteunende diensten » en de aankoop van eventueel aanvullend reservevermogen dat zou noodzakelijk kunnen blijken. III. ANALYSE VAN HET VOORSTEL
  5. De analyse van het voorstel bevat drie delen. Het eerste deel behandelt de evaluatiemethodes voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen. In het tweede deel licht de CREG de toepassing van de methodes toe en worden de resultaten ervan beoordeeld. In het derde deel tenslotte maakt de CREG enerzijds haar beschouwingen met betrekking tot het huidige voorstel en vermeldt anderzijds haar aandachtspunten met het oog op het opstellen van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor de toekomstige jaren. III.
  6. Evaluatie van reservevermogens
  7. de voorgestelde methodes ter bepaling van de De voorgestelde evaluatiemethodes ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 worden door ELIA behandeld in het document “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011”. Dit document bevat acht hoofdstukken. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 5/31 De eerste twee hoofdstukken bevatten de uiteenzetting van het doel van het document, evenals de gebruikte afkortingen en terminologie. In het derde hoofdstuk wordt de organisatie van de evenwichtsbewaking van de regelzones door de transmissienetbeheerder en de evenwichtsverantwoordelijkheid van de toegangsverantwoordelijken toegelicht. Verder wordt in dit hoofdstuk ook verwezen naar het Belgisch wettelijk kader (artikel 3, §1, van het technisch reglement). In het vierde, vijfde en zesde hoofdstuk worden de evaluatiemethodes voor het bepalen van respectievelijk de primaire, secundaire en tertiaire reservevermogens behandeld. De laatste twee hoofdstukken bevatten de lijst van de bijlagen en van de referenties. III.1.
  8. Methode ter bepaling van het primair reservevermogen
  9. De primaire regeling van de frequentie wordt in artikelen 236 tot 242 van het technisch reglement behandeld. Artikel 236, §2, van het technisch reglement preciseert dat de netbeheerder voor het bepalen van de technische specificaties betreffende de beschikbaarheid en de levering van het primair reservevermogen voor de primaire regeling van de frequentie, rekening dient te houden met de aanbevelingen en regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen.
  10. Op het niveau van ENTSO-E1 werden de regels gedefinieerd voor de bepaling en de levering van het nodige primair reservevermogen. De toepassing door ENTSO-E van deze regels leidt tot een benodigd primair reservevermogen van 3000 MW voor gans het ENTSO-E-net. Elke regelzone dient, volgens deze regels, in de mate van zijn aandeel in de totale elektriciteitsproductie binnen het ENTSO-E-net, bij te dragen tot dit primair reservevermogen. 1 Voorheen « UCTE » NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 6/31 ELIA stelt voor om deze regels ter bepaling van het primair reservevermogen voor de Belgische regelzone te volgen.
  11. De CREG stelt vast dat ELIA voldoet aan artikel 236, §2, van het technisch reglement, gezien de voorgestelde methode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen, en met name de spelregels die door ENTSO-E werden gedefinieerd. III.1.
  12. Methode ter bepaling van het secundair reservevermogen
  13. De secundaire regeling wordt in artikelen 243 tot 247 van het technisch reglement behandeld. Het door ENTSO-E aanbevolen secundair regelvermogen in elke regelzone is functie van de piekbelasting in de desbetreffende regelzone. ELIA volgt de door ENTSO-E aanbevolen methode niet.
  14. ENTSO-E heeft vijf indicatoren opgesteld die de kwaliteit van de regelzone beschrijven met betrekking tot onder meer de secundaire regeling
  15. De ENTSO-E stelt dat deze indicatoren toelaten de kwaliteit van de evenwichtsregeling van de regelzone te monitoren. ELIA stelt dat als elke netbeheerder ervoor zorgt dat de indicatoren binnen zijn regelzone onder de maximale waarde, bepaald door de ENTSO-E, blijven3, hij inherent bijdraagt tot het waarborgen van de netveiligheid op Europees niveau. De regelzone doet dan immers geen overmatig beroep op de primaire reserves die door alle regelzones gemeenschappelijk ter beschikking gesteld worden aan het ENTSO-E-systeem, zodat voldoende primaire reserve beschikbaar blijft voor het opvangen van de uitschakeling in dit ENTSO-E-systeem van twee grote eenheden van 1400 MW. 2 Zie bijlage 3 bij het document “Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011”. 3 Voor de indicatoren met een door ENTSO-E bepaalde maximale waarde, zie paragraaf
  16. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 7/31
  17. Voor twee van deze vijf indicatoren heeft ENTSO-E geen maximale waarde opgesteld, namelijk voor de gemiddelde waarde van de ACE4 en voor de relatieve bijdrage tot de hoogste frequentieafwijkingen. De drie overblijvende indicatoren waarvoor ENTSO-E wel een maximale waarde opgesteld heeft zijn de standaardafwijking van de ACE, het aantal waarden van de ACE boven een maximale waarde en de zogenaamde ENTSO-E-“trompetcurve”. Met de "trompetcurves" kan men nagaan hoe snel de frequentie terugkomt op haar stelwaarde binnen het kwartier na een groot onevenwicht en deze indicator is minder geschikt voor de bepaling van de regelkwaliteit van enkel en alleen het secundair regelvermogen. Het doel van de indicator die het aantal waarden van de ACE boven een maximale waarde beschouwt is volgens ELIA eerder een triggerfunctie dan wel een absolute indicator ter evaluatie van de kwaliteit van de secundaire regeling. ELIA heeft de opvolging om het gedrag van deze indicator te verbeteren geïmplementeerd op haar controlecentrum in december
  18. De mogelijke oorzaken van het overschrijden van de maximale waarde van deze indicator zijn volgens ELIA ook geheel onafhankelijk van de gecontracteerde bandbreedte. Het heeft volgens ELIA dan ook geen zin om meer volume te contracteren op dezelfde eenheden aangezien de tijd nodig om tot "full deployment" van de bandbreedte te komen hierdoor ongewijzigd blijft. Enkel het inschakelen van meer eenheden kan soelaas bieden om dergelijke onevenwichten sneller te compenseren maar dit is gezien de samenstelling van het Belgische productiepark niet evident.
  19. De door ELIA gebruikte methode bestaat erin te verifiëren of het huidige volume aan secundair regelvermogen voldoende blijft voor de verwachte dienstlevering. Deze verificatie berust op een analyse van de kwaliteit van de regeling van het evenwicht van de Belgische regelzone, meerbepaald over de aanwending van twee criteria : enerzijds een vergelijking voor de Belgische regelzone tussen de door ENTSO-E bepaalde indicatoren en hun maximumwaarde, waar ENTSO-E die bepaald heeft, en anderzijds een vergelijking tussen de Belgische regelzone en de 4 Area Control Error. Een « Balance Quality Indicator »-norm (BQI) van ENTSO-E. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 8/31 andere regelzones van ENTSO-E, van de relatieve waarde van de standaardafwijking van de ACE. Voor het eerste criterium maakt ELIA gebruik van de waarden van de indicatoren van ENTSO-E voor de Belgische zone in
  20. Het stelt vast dat het jaargemiddelde van de ACE dicht bij de waarde nul blijft en dat de jaargemiddelden van de standaardafwijking van de ACE en van de indicator Sigma90 lager liggen dan de maximumwaarden bepaald door ENTSO-E. De CREG had in haar beslissing over de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 20105 (hierna : beslissing van 2009 voor 2010) vastgesteld dat de waarde voor de Belgische regelzone van de door ENTSO-E bepaalde indicatoren met betrekking tot de ACE een stijgende tendens vertoonde. De CREG had ELIA verzocht de nodige maatregelen te treffen om de kwaliteit van de regeling tot een aanvaardbaar peil te brengen ingeval de waarde van de ENTSO-E indicatoren systematisch boven de door ENTSO-E bepaalde waarden zou komen te liggen. De CREG wijst er echter op dat de ENTSO-E indicator waarop ELIA zijn methode om het secundaire regelvolume te bepalen hoofdzakelijk baseert, namelijk de standaardafwijking van de ACE, tijdens de periode van midden 2006 tot het vierde kwartaal van 2008 geleidelijk aan verslechtert. Na een verbetering vanaf begin 2009, die overeenstemde met de economische crisis, kunnen vanaf november 2009 waarden vastgesteld worden die systematisch boven de maximumwaarde liggen. Op basis van de door ELIA in de maandelijkse verslagen over de monitoring van het compensatiemechanisme van de kwartuuronevenwichten meegedeelde waarden noteert de CREG dat deze tendens aanhoudt tijdens de eerste maanden van
  21. Tevens wijst de CREG erop dat het geïnstalleerde vermogen aan windenergie in de ELIA-zone voortdurend toeneemt, zoals blijkt uit de tabel op pagina 6 van bijlage 4 bij het voorstel van ELIA (van 495 M in 2009, 767 MW in 2010 tot 1038 MW voorzien voor 2011, waarvan 195 MW offshore windcapaciteit). Dus enerzijds overschrijdt de 5 Beslissing (B)090528-CDC-867 over de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2010, 28 mei
  22. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 9/31 ENTSO-E indicator met betrekking tot de standaardafwijking de maximumwaarde elke maand van oktober 2008 tot februari 2009 en begint hij opnieuw deze maximumwaarde te overschrijden na de economische crisis vanaf einde 2009 en anderzijds verhoogt het geïnstalleerde vermogen van de installaties waarvan de productie van nature uit meer onvoorspelbaar is. De CREG stelt dus vast dat de stijgende tendens van de waarden van de ENTSO-E indicatoren voor de Belgische regelzone aanhoudt. Deze tendens wordt geïllustreerd door de standaardafwijking van de ACE in Tabel
  23. Jaar Standaardafwijking van de ACE [MW] Standaardafwijking van de ACE [% van de maximumwaarde van ENTSO-E] 2007 2008 2009 2010 71 75 73 81 92 95 94 105 Tabel 1 – Evolutie van de standaardafwijking van de ACE voor de eerste vijf maanden van het jaar, van 2007 tot 2010 De CREG ziet drie mogelijke oorzaken voor deze hoge waarden : Een toename van het te regelen onevenwicht van de regelzone als gevolg van een toename van de individuele onevenwichten van de toegangs- verantwoordelijken, Een ontoereikendheid van de reservevolumes, Een verbeterbaar beheer van de activering van de reserves. Wat de evolutie van de individuele onevenwichten van de toegangs- verantwoordelijken betreft, blijkt uit de eerste analyses die de CREG uitvoerde op basis van de door ELIA in het kader van de driemaandelijkse monitoring van het compensatiemechanisme van de kwartuuronevenwichten verstrekte gegevens een evolutie van het totaal van de individuele onevenwichten, m.a.w. het onevenwicht van de zone vóór tussenkomst van de secundaire en tertiaire regelingen, te compenseren door de door ELIA aangeschafte regelmiddelen. Tabel 2 toont, voor elk jaar van 2006 tot 2009, diverse indicatoren berekend aan de hand van de NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 10/31 kwartuuronevenwichten van de regelzone ( P, zonder frequentiecorrectie) : de som van de negatieve onevenwichten (« negatief volume »), de som van de positieve onevenwichten (« positief volume »), het « totaal volume », dat de som is van de absolute waarden van de kwartuuronevenwichten, het « netto volume », dat de som is van de kwartuuronevenwichten, alsook de standaardafwijking van de kwartuuronevenwichten. De eerste vier waarden worden uitgedrukt in GWh en de standaardafwijking in MW. Men kan een belangrijke evolutie van de waarden vaststellen, met name wat het totaal volume en de standaardafwijking betreft, zowel tussen 2006 en 2009 als tussen 2008 en
  24. Jaar 2006 2007 2008 2009 Negatief Positief Totaal Netto Standaard- volume volume volume volume afwijking [GWh] [GWh] [GWh] [GWh] [MW] -329 -406 -360 -494 397 427 498 458 727 833 859 952 68 20 138 -35 108 124 125 142 Tabel 2 – Indicatoren m.b.t. de onevenwichten van de Belgische regelzone vóór tussenkomst van de secundaire en tertiaire regelingen De waarden van het totaal volume en van de standaardafwijking worden weergegeven in Figuur 1 hierna. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 11/31 (GWh) 1.000 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0 200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 2006 2007 Totaal volume (GWh) 2008 (MW) 2009 Standaardafwijking (MW) Figuur 1 – Totaal volume van het onevenwicht en standaardafwijking van het kwartuuronevenwicht van de zone De waarden van deze beide indicatoren stijgen met ongeveer 30% tussen 2006 en 2009 en met ongeveer 12% tussen 2008 en
  25. Dit komt tot uiting in een geleidelijk bredere verdeling van de kwartuuronevenwichten tussen 2006 en
  26. Zoals blijkt uit Figuur 2, duidt dit op een geleidelijke toename van het aantal extreme waarden van de verdelingen, m.a.w. van een toename van het aantal grote onevenwichten, hetzij positief, hetzij negatief, te compenseren door de door ELIA aangeschafte regelmiddelen. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 12/31 14000 12000 Aantal kwarturen 10000 8000 6000 4000 2000 0 0 900 800 700 600 500 400 300 200 100 - - - - - - - - - 100 200 300 400 1000 500 600 700 800 900 1000 - Kwartuuronevenwicht (MW) 2006 2007 2008 2009 Figuur 2 – Verdeling van de kwartuuronevenwichten van de regelzone vóór tussenkomst van de secundaire en tertiaire regelingen Deze eerste analyses moeten nog uitgediept worden en er zouden ook andere analyses moeten gemaakt worden, die het mogelijk zouden maken de eerste vaststellingen te bevestigen of te nuanceren. Niettemin werpen ze al enig licht op de mogelijke oorzaken van de geleidelijke stijging van de waarde van de indicatoren van ENTSO-E voor de Belgische regelzone. De CREG verzoekt ELIA in die zin verder te gaan en het denkwerk te verdiepen, voor zover dat al niet bezig is, en de CREG op de hoogte te houden van de vaststellingen en conclusies die hieruit voortvloeien. Voor het tweede evaluatiecriterium van de kwaliteit van de regeling (vergelijking van de relatieve waarde van de indicatoren tussen België en de andere landen van ENTSO-E), heeft ELIA de analyse hernomen op basis van de gegevens 2007-2008 die het vorig jaar gebruikt werden, waarbij het gebrek aan updating wordt geweten NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 13/31 aan « gebrek aan tijd en resources »
  27. De CREG vraagt zich af of een dergelijke rechtvaardiging wel gegrond is voor een onderwerp dat met name de veiligheid van het systeem betreft.7
  28. Op basis van zijn analyse van de kwaliteit van de regeling van het evenwicht van de Belgische regelzone in 2009 en zijn ervaring met de exploitatie, bevestigt ELIA dat het secundaire regelvermogen dat de CREG in 2009 goedkeurde voor 2010 een aanvaardbare waarde blijft voor 2011, aangezien het niet verwacht in 2011 nieuwe elementen te zien opduiken die de manier om de onevenwichten weg te werken zullen beïnvloeden, zowel wat de kortstondige schommelingen van de ACE als wat de langdurigere afwijkingen betreft.
  29. De CREG heeft door analyse nagegaan of voldaan wordt aan de twee criteria die het voorstel van ELIA over de secundaire regelband moeten motiveren. De resultaten van deze analyse overtuigen haar er niet van dat het secundaire regelvermogen goedgekeurd in 2009 voor 2010 toereikend blijft voor 2011 : enerzijds vertonen de ENTSO-E indicatoren voor België een stijgende tendens en overschrijden de laatste waarden de maximumwaarden, anderzijds werd de vergelijkende analyse van de waarden van de indicatoren voor de Belgische zone ten opzichte van de andere landen van ENTSO-E niet gemaakt op basis van de meest recente beschikbare gegevens, zodat ze niet toelaat een redelijke conclusie voor 2011 te trekken. Bovendien stelt ELIA geen enkele methode voor die toelaat het nodige secundaire reservevermogen te bepalen als niet aan de criteria voldaan wordt. Bijgevolg is de CREG van mening dat ze niet over de nodige elementen beschikt om de methode voor het bepalen van het secundaire reservevermogen goed te keuren. 6 Zie bijlage 2 van het document “Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011” 7 Zie brief van 10 augustus 2010 « Développement du réseau belge de transport d’électricité » NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 14/31 III.1.
  30. Methode ter bepaling van het tertiaire reservevermogen
  31. De tertiaire regeling wordt in artikelen 249 tot 260 van het technisch reglement behandeld.
  32. Om onder meer de invloed van een toekomstige toename van de capaciteit aan windmolens in het Belgische systeem op de mogelijke evenwichtsverstoringen in te schatten8, ontwikkelt ELIA sinds 2005 een risicomodel ter bepaling van de behoefte aan tertiaire reserves. Dit model bevindt zich nog steeds in een pilootfase en de voorlopige resultaten ervan dienen, zoals ELIA opmerkt, met het nodige voorbehoud te worden geïnterpreteerd. Het risicomodel houdt rekening met het gehele Belgische windmolenpark dat samen met de overige eenheden van het Belgische productiepark in het model geïntegreerd wordt. Het risicomodel evalueert de impact op de reserves van 1038 MW en 1323 MW aan geïnstalleerd windvermogen, de geschatte vermogens voor respectievelijk 2011 en
  33. Het model voorziet dat de stijging in de waarschijnlijkheid van ontoereikendheid van reserves tengevolge van deze toenames aan geïnstalleerd windvermogen.verwaarloosbaar is.
  34. In 2009 werd een studie gemaakt over de windenergie en haar invloed op de behoefte aan reserves.9 De CREG stelt vast dat deze studie zich baseert op de windsnelheidgegevens van 2005 tot 2008 en niet op metingen van de productie van de windturbines, die overigens in 2009 al voorhanden zijn. De CREG stelt tevens een gebrek aan samenhang vast tussen de gegevens van de studie en bijlage 4 van het document « Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 ». In verband met de spreiding van de verkeerde windenergievoorspelling, verwijst ELIA in bijlage 4 immers naar statistische gegevens met betrekking tot 2009 en een windenergiecapaciteit in 2011 van 1038 MW, wat merkelijk lager is dan de capaciteit vermeld in de studie van KULeuven. 8 Cf. bijlage 4 van het document « Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 ». 9 Cf. bijlage 8 van het document « Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 ». NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 15/31
  35. Voor de bepaling van het tertiaire reservevermogen dat door ELIA dient te worden gecontracteerd heeft ELIA rekening gehouden met volgende factoren: een vastgesteld importniveau; het gebruik van het “N-1 criterium”; de karakteristieken van het Belgische productiepark en de duur van de ongeplande stilstanden in de voorbije jaren, waarbij ELIA wijst op het beperkt aantal pannes van de kerneenheden; de mechanismen om onevenwichten te beletten door de toegangsverantwoordelijken via onevenwichtstarieven te stimuleren hun evenwicht te behouden en om onevenwichten weg te werken door de mogelijkheid te bieden intraday-transacties op de Belgische hub uit te voeren; in geval van een onevenwicht van de Belgische regelzone, zal ELIA in eerste instantie de “Incremental/Decremental-Bids” activeren alvorens de door haar gecontracteerde reserves aan te spreken; mechanismen die de ARP in staat stellen beter gebruik te maken van hun productiemiddelen, zoals de « intraday production » en de « intraday markt » op Belpex ; de mogelijkheid om contracten af te sluiten met afschakelbare klanten; de programma-uitwisselingen tussen TNB’s voor onderlinge hulp.
  36. ELIA verwijst in zijn voorstel naar drie studies van de KULeuven over de impact van de windenergie op de reserves
  37. Het risicomodel ontwikkeld in bijlage 411 en de studies zouden soms kunnen leiden tot schijnbaar tegenstrijdige conclusies. In haar beslissing van 2009 voor 2010 had de CREG ELIA verzocht zonodig de methodes te consolideren om hun conclusies inzake de tertiaire reserve gelijk te schakelen en tot een samenhangende conclusie in haar voorstel over de reserves voor 2011 te komen. In haar beslissing van 2009 voor 2010 was de CREG van mening dat de niet voorspelbare schommelingen van het door het windenergiepark opgewekte vermogen niet dezelfde spreiding in de tijd hebben als de pannes van de thermische 10 Opgenomen in bijlagen 5, 7 en 8 van het document “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011”. 11 “Uitbreiding van de methode voor bepaling van de reserves door Elia : Ontwikkeling en evolutie van het risicomodel” NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 16/31 productie-eenheden. Het criterium N-1, waarmee rekening wordt gehouden in het evaluatiemodel van de reserves, wordt aanvankelijk toegepast op het thermische productiepark en de toepassingsvoorwaarden ervan zijn afhankelijk van de statistische kenmerken inzake frequentie en duur van de pannes van de thermische eenheden. De CREG deed opmerken dat het niet zeker is of het wel verstandig is dit criterium op dezelfde wijze toe te passen op het windenergiepark, waarvan de schommelingen op het vlak van beschikbaarheid vaker zouden kunnen voorkomen dan bij het thermische energiepark. De CREG had de aandacht van ELIA gevestigd op de noodzaak om rekening te houden met dit verschil wanneer men de effecten van deze twee bronnen van afwijkingen combineert om onder meer de behoeften aan secundair en tertiair reservevermogen te berekenen. Ze had ELIA verzocht dit punt te analyseren en de resultaten ervan zonodig op te nemen in haar voorstel over de reserves voor
  38. De CREG stelde in haar beslissing van 2009 voor 2010 vast dat de studie van KULeuven in bijlage 7 bijkomende behoeften aan secundaire en tertiaire reserves berekende als gevolg van de elektriciteitsopwekking door windturbines. De CREG had ELIA verzocht kwantitatieve criteria op te stellen waarmee kon bepaald worden hoe de resultaten van de studie van bijlage 7 in de methodologie konden verwerkt worden en daarmee rekening te houden in haar voorstel over de reserves voor
  39. De CREG stelt veranderingen vast in het risicomodel dat de behoeften aan reservevermogen evalueert
  40. Voor een goed begrip van het model en zijn resultaten zou een meer diepgaande en coherente beschrijving nodig zijn. Wat het model zelf betreft, stelt de CREG vragen bij de manier waarop het waarschijnlijkheidskarakter van het model past in de door ELIA aangekondigde N-1 logica. De CREG stelt eveneens vragen bij de draagwijdte van het risicomodel. Het model is opgenomen in de paragraaf met betrekking tot de tertiaire reserve en wordt nu voorgesteld als een pilootmodel voor de tertiaire reserve. Het in de modelbeschrijving 12 Cf. bijlage 4 van het document « Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 » NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 17/31 als referentie beschouwde reservevermogen bedraagt echter 1050 MW, wat overeenstemt met een « N-1 » logica. De CREG vraagt zich bovendien af of het model het risico uitsluitend voor de tertiaire reserve analyseert of dat het tevens de secundaire reserve omvat. De CREG stelt vast dat de opname van het intermitterende windenergievermogen in het model verschilt van het in aanmerking nemen ervan in het vorige model. Met name verwijzend naar haar verzoek tot harmonisering van de conclusies in haar beslissing van 2009 voor 2010, ziet de CREG echter moeilijk in hoe de verschillende studies van de KULeuven en van andere gegevensbronnen in het model verwerkt worden. Dat zou moeten uitgeklaard worden. De CREG stelt tevens vast dat de parameters van de modellen aangepast werden. Het gaat bijvoorbeeld om de duur van de onderbreking en het aantal pannes van sommige thermische eenheden in het systeem (bijv. de deling door twee van het aantal pannes voor thermische eenheden anders dan kerncentrales, STEG-centrales of gasturbines). Bij gebrek aan een nadere beschrijving van de oorsprong en de motivatie van de aanpassing van de parameters, kan de CREG de impact van deze parameterwijzigingen op de resultaten van het model niet beoordelen. Ten slotte stelt de CREG vast dat de kwantitatieve resultaten van het model verschillen van de resultaten van vorig jaar
  41. Bovendien is de CREG van mening dat de toepassing op 2011 van het model beschreven in de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2010 zou geleid hebben tot bijkomende vereisten aan reserves voor
  42. De CREG vraagt dus een analyse en een duidelijke verklaring van de evolutie van de resultaten als gevolg van de aanpassingen van het model en zijn parameters.
  43. ELIA stelt dat er in 2010 geen elementen zijn die laten verwachten dat de weg te regelen onevenwichten voor 2011 substantieel verschillend zouden zijn van die van de voorbije jaren. Daarom stelt ELIA voor om de portefeuille voor het tertiaire 13 Zie bijlage 4 van het document “Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2010” NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 18/31 reservevermogen op dezelfde manier samen te stellen als voor
  44. Dit betekent een zelfde volume aan productiereserve en afschakelbare afnamen. ELIA bevestigt dat het feit dat de productiemiddelen die voor de tertiaire reserves gebruikt worden een beschikbaarheid van minder dan 100% hebben geen hoger risico meebrengt, omdat de verschillende middelen die gebruikt worden voor de tertiaire regeling beschouwd worden als een portefeuille waarvan de elementen elkaar onderling compenseren qua onbeschikbaarheid. Uit het document van ELIA leidt de CREG af dat ELIA voorstelt de volgende evaluatiemethode voor het tertiaire reservevermogen voor 2011 toe te passen : hetzelfde totale tertiaire reservevermogen te contracteren als voor 2010; zoveel mogelijk afschakelbare afnamen te contracteren; de lagere beschikbaarheid van de afschakelbare afnamen en van het productiereservevermogen te compenseren door een gedeelte van de interTSO contracten ; aanvullen met incrementale en decrementale aanbiedingen van de productieeenheden. ELIA stelt dat, zolang het onevenwichtstarief de toegangsverantwoordelijken voldoende aanzet om hun evenwicht te bewaren, het gezamenlijke tertiaire reservevermogen, zijnde de eigen reserves van de toegangsverantwoordelijken vermeerderd met de door ELIA gecontracteerde reserves, binnen de regelzone zal voldoen aan het N-1 criterium. De door ELIA voorgestelde methode voorziet geen bijkomend tertiair reservevermogen ten behoeve van het dekken van het hulpvermogen voor de installaties van kwalitatieve warmtekrachtkoppelingeenheden van minder dan 20 MW, zoals bepaald in artikel 231, §2, van het technisch reglement en de productieafwijkingen van de offshore windparken, zoals bepaald in artikel 7, §3, van de elektriciteitswet en haar uitvoeringsbesluit
  45. ELIA verwacht dat de invloed van 14 Koninklijk besluit van 30 maart 2009 betreffende productieafwijkingen op installaties voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden, Belgisch Staatsblad, 31 maart
  46. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 19/31 een aanpassing van de tolerantiemarges voor onevenwichten van de kleine warmtekrachtkoppelingseenheden evenals die van het geïnstalleerde vermogen van de offshore windturbines voldoende klein zullen zijn voor
  47. Om het risico dat er onvoldoende reservevermogen binnen de regelzone beschikbaar zou zijn in het oog te houden, voert ELIA ex ante beschikbaarheidcontroles op alle regelmiddelen binnen de regelzone uit. De beschikbaarheid van het tertiaire reservevermogen wordt door ELIA gecontroleerd op verschillende tijdshorizonten gaande van 1 jaar op voorhand tot een day ahead controle. Op een tijdshorizon van een jaar tot enkele maanden op voorhand verscherpt ELIA zijn waakzaamheid indien het voorspelde beschikbaar reservevermogen minder dan een bepaalde waakzaamheidsdrempel zou bedragen voor het uur van piekbelasting van elke week. Op een tijdshorizon van een maand tot 2 dagen op voorhand waakt ELIA over de beschikbaarheid van een reservevermogen ter grootte van de grootste productie-eenheid binnen de regelzone tijdens de piekuren per week. Bij de day ahead controle controleert ELIA of op elk uur van de volgende dag het uitvallen van de grootste eenheid kan worden gecompenseerd tot het einde van de betrokken dag. In het raam van de marktevolutie en om de « vlucht van de reserves » te voorkomen, heeft ELIA bovendien een instrument ontwikkeld dat het mogelijk maakt de beschikbaarheid van de reserves in real time na te gaan (zie tevens paragraaf 42 hierna). De CREG vraagt om een beschrijving van dit instrument te krijgen.
  48. De CREG stelt vast dat de door ELIA voorgestelde evaluatiemethode ter bepaling van de tertiaire reservevermogens voor 2011 gebaseerd is op diens ervaring met de uitbating van het Belgische systeem. Deze methode is gebaseerd op een gebruik van de afschakelbare afnamen en neemt de inter-TSO reserves in rekening. De methode laat echter toe om nog steeds minstens de uitval van de grootste niet-kerneenheid te compenseren. De CREG is van mening dat het gebruik van het N-1 criterium om het tertiaire reservevermogen te bepalen, een zeer gangbare praktijk is. Rekening houdend met de karakteristieken van het Belgische systeem en de voorziene procedures voor de ex ante controles op de beschikbaarheid van de reserves, is de CREG van mening dat het contracteren door NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 20/31 ELIA van een tertiaire reserve, bestaande uit een productiereserve, uit afschakelbare afnamen en uit een gedeelte van de inter-TSO reserves, gerechtvaardigd is. Ze is echter van oordeel dat de aanwending van een ander criterium dan N-1 of van een andere methode, met inbegrip van een waarschijnlijkheidsmethode, niet als gevolg mag hebben dat men zou « dalen tot onder de vereisten van het criterium N-1 », dat sterk verbonden is aan de veiligheid van het systeem, maar dat veeleer de mogelijkheid zou geboden worden om het nodige aanvullend reservevermogen te evalueren dat men met het criterium N-1 niet tot uiting kan brengen, met name tegenover de intermitterende toename van de productiecapaciteiten. Ze blijft echter openstaan voor discussie over dit onderwerp, met name in het raam van een nieuw voorstel van ELIA.
  49. De CREG is van mening dat de methode voor het bepalen van het tertiaire reservevermogen niet op volledige en coherente wijze tussen het hoofddocument en zijn bijlagen wordt beschreven. Bijgevolg is de CREG van oordeel dat ze de door ELIA voorgestelde evaluatiemethode niet kan aanvaarden. III.1.
  50. Conclusie met betrekking tot de methodes ter bepaling van de reservevermogens
  51. Rekening houdend met de hierboven aangehaalde elementen verleent de CREG haar goedkeuring aan ELIA met betrekking tot de voorgestelde evaluatiemethode voor de bepaling van het primair reservevermogen. De CREG keurt echter de voorgestelde evaluatiemethodes om het secundair en tertiair reservevermogen te bepalen niet goed, omdat ze die onduidelijk, onvolledig en deels ongegrond acht. III.
  52. Evaluatie van de toepassing van de methodes op het Belgische systeem NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 21/31
  53. De bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 door toepassing van de voorgestelde methodes worden door ELIA in een afzonderlijk document behandeld dat zich in bijlage aan het begeleidend schrijven bevindt. III.2.
  54. Bepaling van het primaire reservevermogen
  55. Het aandeel van de Belgische regelzone in de totale primaire regeling voor 2011 binnen de ENTSO-E-zone wordt pas later in 2010 door ENTSO- bepaald. ELIA is van mening dat dit aandeel voor 2011 weinig zal verschillen van de waarde in 2010, namelijk 3,08% van 3000 MW (3,25% in 2009). ELIA stelt daarom voor om bij de bepaling van het primair reservevermogen voor 2011 rekening te houden met de waarde van 92 MW voor het jaar 2010 (92 MW in 2009). Gezien dit volume als richtwaarde geldt, voorziet ELIA clausules in de aanbestedingsprocedure die toelaten het gecontracteerde volume aan primair reservevermogen te kunnen aanpassen in functie van het aandeel van de Belgische regelzone voor 2011 dat door ENTSO-E zal worden bepaald. Op basis van de goedgekeurde evaluatiemethode stelt ELIA voor om een gemiddeld primair regelvermogen van 92 MW te contracteren, met de mogelijkheid dat het primair regelvermogen lager mag zijn dan de voorziene waarde indien één van de eenheden welke in dag D-1 voorzien waren om deel uit te maken van het primair reservevermogen voor dag D ongepland onbeschikbaar valt tussen het moment waarop de D-1 reserve genomineerd werd en de dag D zelf. In dit geval zal het verlies aan primair reservevermogen bovendien beperkt zijn tot de primaire bijdrage van de eenheid in kwestie. Onafhankelijk van het tijdstip waarop een panne zich voordoet, stelt ELIA eveneens dat het totaal primair reservevolume opnieuw in zijn geheel beschikbaar moet zijn na verloop van maximaal 1 uur. ELIA stelt dat hierdoor geen afbreuk gedaan wordt aan de criteria van ENTSO-E, noch aan de systeemveiligheid. Rekening houdend met de clausules die ELIA toelaten de te contracteren volumes aan primair regelvermogen aan de eisen van ENTSO-E aan te passen en rekening houdend met de voorwaarden van de vorige alinea, verleent de CREG haar goedkeuring voor het contracteren van een primair reservevermogen van 92 MW NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 22/31 voor de Belgische regelzone voor
  56. Het effectief gecontracteerde primaire reservevermogen mag echter niet uitstijgen boven de waarde die ENTSO-E voor 2011 zal bepalen. III.2.
  57. Bepaling van het secundaire reservevermogen
  58. Op basis van de toepassing van de evaluatiemethode ter bepaling van het benodigd secundair reservevermogen, stelt ELIA voor een reservevermogen van gemiddeld 137 MW met een minimaal beschikbaar vermogen van 100 MW voor de automatische secundaire regeling te contracteren voor de Belgische regelzone voor
  59. Aangezien de CREG de methode voor het bepalen van het secundaire reservevermogen niet goedkeurt (zie III.1.2), kan ze zich niet uitspreken over de bepaling van het secundaire reservevermogen. Bijgevolg keurt de CREG de door ELIA voor 2011 voorgestelde hoeveelheid secundair reservevermogen niet goed. III.2.
  60. Bepaling van het tertiaire reservevermogen
  61. Het criterium voor de toepassing van de evaluatiemethode voor tertiaire reserves voorziet dat ELIA hetzelfde totale tertiaire vermogen als voor 2010 contracteert, namelijk 661 MW. Aangezien de CREG de methode voor het bepalen van het tertiaire reservevermogen niet goedkeurt (zie III.1.3), kan ze zich niet uitspreken over de bepaling van het tertiaire reservevermogen. Bijgevolg keurt de CREG de door ELIA voorgestelde hoeveelheden voor het tertiaire reservevermogen in 2011 niet goed. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 23/31 III.
  62. Overwegingen van de CREG
  63. De CREG wenst, rekening houdend met het belang van de bepaling van de reservevermogens voor de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het transmissienet in de regelzone, in de huidige beslissing een aantal beschouwingen te maken met het oog op het opstellen van een evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen in de toekomst.
  64. ELIA had in de loop van 2008 een studie laten maken om de invloed van een toename van het geïnstalleerde vermogen aan windenergie op de nodige volumes aan secundaire en tertiaire reserves te analyseren.15 De CREG stelde in haar beslissing van 2009 voor 2010 vast dat de resultaten van deze studie voorlopig waren, onder meer omwille van het gebrek aan gegevens waarop de analyse zich kon steunen. De CREG moedigt ELIA aan om verder te gaan met de studie van de impact van windenergie op de behoeften aan reserves, om aldus tot resultaten te komen die concreet gebruikt kunnen worden in het kader van zijn voorstel met betrekking tot de reserves voor
  65. ELIA verwijst eveneens naar een verbetering van de kwaliteit van de regeling door de invoering van een manuele activering van de « bids ».16 Deze nieuwe evaluatiemethode wordt geleidelijk in werking gesteld sinds november
  66. Voor zover de positieve bijdrage van deze methode wordt bevestigd, kan de CREG deze evolutie van de methode enkel steunen.
  67. ELIA kondigt aan dat ze op zoek is naar het middel om deel te nemen aan het samenwerkingssysteem tussen de vier Duitse TSO’s met het oog op het optimaliseren van de activering van de secundaire reserve (de GCC, « Grid Control Cooperation »). De CREG heeft belangstelling voor dit initiatief en vraagt om beter op de hoogte gehouden te worden van en regelmatig geïnformeerd te worden over de vooruitgang van ELIA op dit vlak. 15 Zie bijlage 7 van het document « Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 » 16 Zie ook bijlage 9 van het document « Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 » NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 24/31
  68. De CREG stelt vast dat ELIA niet voorstelt een expliciet minimumvermogen te bepalen voor de tertiaire reserve gesteld op de productie-eenheden, zoals ze overigens wel doet voor de primaire en secundaire reserves. Gezien het belang van de tertiaire reserve gesteld op de productie-eenheden voor het wegwerken van de grote onevenwichten, verzoekt de CREG ELIA te verantwoorden waarom een dergelijke minimumwaarde niet noodzakelijk is of er anders een in haar volgende voorstel op te nemen.
  69. De CREG stelt vast dat in 2008 en 2009 de maand december geringe beschikbaarheden vertoont met betrekking tot de afschakelbare afnemers. Indien dit een terugkerend probleem zou blijken, zou dit gebrek aan beschikbaarheid van tertiaire reserves op de afschakelbare afnamen moeten gecompenseerd worden door aankopen van andere tertiaire reservevermogens. De CREG dringt er bij ELIA op aan dat het noodzakelijk is om over het besliste reservevermogen te blijven beschikken, zowel in stijgende als in dalende zin. Zoals ze dat al in de beslissingen van de vorige jaren deed, herinnert de CREG ELIA eraan dat indien, om welke reden ook, deze laatste er niet in slaagt de voorziene afschakelbare afnamen (waarmee zij bij de bepaling van het tertiair reservevermogen rekening houdt) te contracteren, zij ertoe gehouden is om voor elke periode van 2011 waarin het geheel of een gedeelte van de afschakelbare afnamen niet gecontracteerd wordt of waarin ze niet de in het voorstel aangekondigde beschikbaarheid halen, andere middelen te voorzien die in een equivalent effect resulteren.
  70. De geleidelijke toename van het geïnstalleerde vermogen aan windenergie heeft tot gevolg dat het relatieve aandeel van de productie van intermitterende windturbines in het dekken van de vraag toeneemt. De CREG verzoekt ELIA om het relatieve aandeel van de windenergieproductie in het dekken van de vraag in het oog te houden, ten einde de nodige maatregelen te kunnen treffen, in het bijzonder in periodes met een geringe afname.
  71. In het raam van de monitoring van de reserves acht de CREG het belangrijk om over informatie te kunnen beschikken over elk type van reserve. Om de gegevens aan te vullen waarover ze in dit verband reeds beschikt, verzoekt de CREG ELIA haar voortaan de volgende informatie te verstrekken : NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 25/31 De kwartuurnominaties van primaire reserves per ARP en per productie-eenheid, De beschikbare volumes aan tertiaire reserve op de afschakelbare afnamen per kwartuur, per afnamepunt en per contractant (contracten onderbreekbaarheid) en de eraan verbonden prijzen, evenals de activeringen van deze reserves ; de gegevens in verband met de beschikbare volumes zouden ex ante moeten overgemaakt worden op basis van de nominaties en ex post op basis van het verbruik gemeten in real time. De CREG verzoekt ELIA haar deze gegevens tegelijk te bezorgen met de maandelijkse monitoringgegevens over het compensatiemechanisme van de kwartuuronevenwichten, te beginnen met de gegevens voor december 2010, en aan de gegevens voor december 2010 de gegevens voor de andere maanden van 2010 toe te voegen.
  72. Van zodra de inter-TSO reserve een expliciet deel van de tertiaire reserve wordt, acht de CREG het belangrijk een klare kijk op de beschikbaarheid van deze reserve te hebben. De CREG verzoekt ELIA dan ook contact op te nemen met de naburige TNB’s, RTE en TenneT, om de uitwisseling van gegevens over de beschikbaarheid qua volume en de eraan verbonden prijzen van de inter-TSO reserves te formaliseren. De CREG wil om de drie maanden door ELIA op de hoogte gehouden worden van de op dat vlak gemaakte vorderingen.
  73. De CREG wenst dat ELIA haar in de toekomst blijft informeren door middel van een jaarlijks verslag17 over de beschikbaarheid en het gebruik van de reservevermogens, afschakelbare afnamen en inter-TSO reserves inbegrepen, ten behoeve van de Belgische regelzone. Ter illustratie van de vergelijkende analyse van de kwaliteit van de regeling in de verschillende regelzones in Europa, verzoekt de CREG ELIA om er systematisch een kopie aan toe te voegen van de vier laatste kwartaalverslagen van de ENTSO-E over de prestaties van de primaire regeling en 17 Document « Reporting reserves 2008 » NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 26/31 de regeling van de vermogensfrequentie18, of van elk officieel document dat dit verslag zou komen te vervangen.
  74. Met betrekking tot het voorstel van ELIA om een beroep te doen op uitwisselingsprogramma’s tussen transmissienetbeheerders (inter-TSO reserves), benadrukt de CREG dat ELIA waakzaam dient te blijven ten aanzien van de kost van de aangenomen oplossing, terwijl het verder het risico op een aanvaardbaar niveau dient te houden.
  75. In het huidige voorstel van ELIA is de deelneming aan de diensten voor secundaire regeling van het zone-evenwicht beperkt tot de producenten. ELIA schrijft dat een bevestiging door ENTSO-E noodzakelijk is om de deelneming van industriële verbruikers aan de secundaire regeling te evalueren. De CREG stelt vast dat ENTSO-E al in zijn « Policy 1 » de mogelijkheid voorziet om voor de secundaire reserves een beroep te doen op de aanbodzijde. Zoals ze reeds in haar beslissing van 2009 voor 2010 deed, moedigt de CREG ELIA aan deze mogelijkheid actief te blijven onderzoeken in samenwerking met de industriële afnemers en haar de resultaten ervan te melden in zijn voorstel over de reserves voor
  76. Uit het rapport over het gebruik van de reserves in 2009 blijkt dat de afschakelbare afnamen daadwerkelijk werden geactiveerd in
  77. De CREG steunt deze praktijk en neemt nota van het voornemen van ELIA om er in 2011 mee door te gaan. De CREG steunt het voornemen van ELIA om deze reserves toch minstens eenmaal per jaar te activeren wanneer tertiaire reserves nodig zijn, ook als de afschakelbare reserves op dat moment niet de goedkoopst beschikbare tertiaire reserves zijn. Ze meent dat op deze manier de werkelijke beschikbaarheid en reactiesnelheid getest wordt. Op deze manier groeit de operationele ervaring van ELIA en de betrokken industriële afnemers met betrekking tot het gebruik van dit instrument. Om die reden vraagt de CREG dat elke onderbreekbare afname minstens één maal in 2011 zou geactiveerd worden. 18 Zoals die waarnaar wordt verwezen in de bespreking van de indicator Sigma99 in paragraaf 2.2 van bijlage 2 van het document “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2010”. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 27/31
  78. In haar beslissing van 2009 voor 2010, schreef de CREG : «De CREG is van mening dat het niet bewezen is dat er geen correlatie bestaat tussen de beschikbaarheid van de verschillende middelen die aangewend worden voor de tertiaire reserve (tertiaire reserve op de productie-eenheden, tertiaire reserve op de afschakelbare afnemers, I/D-bids en inter-TSO reserve). Ze verzoekt ELIA dus een raming te maken van de correlaties tussen de beschikbaarheden van deze verschillende middelen, rekening houdend met de variatie van deze beschikbaarheden in de tijd (in functie van de uren van de dag, de dagen van de week, de seizoenen, de tariefperiodes, …). Deze analyse zou moeten gemaakt worden door deze middelen zowel twee per twee als voor de hele portefeuille in beschouwing te nemen, om zo tot een meer kwantitatief risicobeheer te komen. De CREG verzoekt ELIA tevens haar de resultaten van deze analyse mee te delen en er rekening mee te houden in zijn voorstel over de reserves voor
  79. » De CREG vindt in het voorstel van ELIA geen spoor van een dergelijke analyse terug. Paragraaf 6.2.6.2 « Exploitatieveiligheid » bevat wel een principeverklaring, maar die kan niet beschouwd worden als een meer kwantitatief gerichte analyse, zoals gevraagd in bovenstaande tekst. De CREG dringt er opnieuw op aan dat ELIA deze analyse zou uitvoeren, de resultaten ervan zou meedelen aan de CREG en ermee rekening zou houden in haar voorstel inzake de reserves van
  80. Ze doet bovendien opmerken dat cijfergegevens over de beschikbaarheid van de inter-TSO reserves, zoals aangehaald in punt 36 hierboven, zeer nuttig zijn voor een dergelijke analyse.
  81. Tijdens specifieke studies stelde de CREG vast dat het maximumvermogen van de productie-eenheden van de Belgische regelzone (Pmax) dat door de producent aan ELIA wordt overgemaakt niet altijd overeenstemde met de reële waarde verbonden aan de eenheid. Bovendien moet het huidige systeem, met een enkele mogelijke waarde van Pmax per dag, verbeterd worden. De CREG heeft dit al herhaaldelijk laten weten aan ELIA. Een verkeerde waarde van Pmax kan leiden tot een verkeerde raming van de beschikbare reserves, zowel voor de gecontracteerde reserves als voor de I/D-bids. Een verkeerde waarde van Pmax kan tevens het resultaat van de controles van de beschikbaarheid van de uiteenlopende types van reserve op het spel zetten, zowel voor de controles ex ante als voor diegene die worden NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 28/31 opgenomen in de jaarlijkse reporting van de reserves, die ELIA aan de CREG overmaakt, als voor die welke gedaan worden bij het naderen van de real time
  82. De CREG verzoekt ELIA met klem de elders aangekondigde oplossingen aan te wenden, in samenwerking met de producenten, om deze problemen met het overmaken van de correcte waarde van Pmax door de producenten op te lossen. De overgemaakte waarden zouden de impact moeten weergeven van zowel de gebeurtenissen die reeds gekend zijn tijdens de nominaties op J-1 (eerste set gegevens) als van die welke zouden voorvallen tussen de nominaties op J-1 en de real time (tweede set gegevens). De CREG vraagt om regelmatig op de hoogte gehouden te worden van de evolutie van dit dossier.
  83. De CREG had ELIA in haar beslissing van 2009 voor 2010 gesuggereerd met de DNB’s te overleggen om van hen de nodige gegevens over de productieverwachtingen van de windturbines en hun reële productie te bekomen, in het raam van artikelen 372 en 373 van het federaal technisch reglement. De CREG verzoekt ELIA haar uiterlijk tegen 15 oktober 2010 een stand van zaken over de gegevensvergaring (type, net, voorspelling, productie,…) te bezorgen. 19 Zie in dit verband ook punt 14 hierboven. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 29/31 IV. BESLISSING Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende het technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe. Gelet op het voorstel betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011, dat door ELIA op 30 juni 2010 aan de CREG ter goedkeuring werd overgemaakt. Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op artikel 236, §2, van het technisch reglement en met name op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen; Overwegende dat de voorgestelde evaluatiemethode voor de bepaling van het primair reservevermogen correct werd toegepast bij de bepaling van het primair reservevermogen voor 2011; Overwegend dat ze van mening is dat de voorgestelde evaluatiemethodes voor de bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen onduidelijk, onvolledig en deels ongegrond zijn; Overwegend dat ze bijgevolg niet in staat is zich uit te spreken over de bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 ; Beslist de CREG, in het raam van de opdracht die haar werd toevertrouwd door artikel 233 van het technisch reglement, de evaluatiemethode voor het primair reservevermogen en haar toepassing voor 2011 goed te keuren. Beslist de CREG, in het raam van de opdracht die haar werd toevertrouwd door artikel 233 van het technisch reglement, de evaluatiemethode voor het secundair en tertiair reservevermogen en haar toepassing voor 2011 niet goed te keuren. NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE 30/31 Bijgevolg verzoekt de CREG ELIA een nieuw voorstel in te dienen dat aan de in onderhavige beslissing geopperde bezwaren voldoet, binnen een termijn die verenigbaar is met de procedure die moet leiden tot het ter beschikking stellen van de door de CREG goedgekeurde reservevermogens vanaf 1 januari
  84. De onderhavige beslissing spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten met betrekking tot deze materie; deze zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tariefbeslissing van de CREG.  Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas : Dominique WOITRIN Directeur NIET-VERTROUWELIJKE VERSIE François POSSEMIERS Voorzitter van het Directiecomité 31/31

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.