NIET VERTROUWELIJK Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel Tel.:. 02/289.76.11 Fax: 02/289.76.09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS BESLISSING (B)101223-CDC-1027 over ‘de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011’ Aanvullende beslissing bij beslissing (B)100826-CDC-982 genomen met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe 23 december 2010 INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) onderzoekt hierna, met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe (hierna : het technisch reglement), het voorstel van de NV ELIA SYSTEM OPERATOR (hierna : ELIA) van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011, dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone. Op 30 juni 2010 ontving de CREG ter goedkeuring het voorstel van ELIA betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 (hierna : het voorstel van ELIA). Op 26 augustus 2010 keurde het Directiecomité van de CREG beslissing (B)100826CDC-982 over de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 (hierna : de beslissing van augustus 2010) goed. Door deze beslissing keurde het Directiecomité de evaluatiemethode voor het primair reservevermogen en haar toepassing voor 2011 goed. Daarentegen keurde het de evaluatiemethode voor het secundair en tertiair reservevermogen en haar toepassing voor 2011 niet goed. Bijgevolg verzocht het ELIA een nieuw voorstel in te dienen dat aan de in huidige beslissing geopperde bezwaren voldoet, binnen een termijn die verenigbaar is met de procedure die moet leiden tot het ter beschikking stellen van de door de CREG goedgekeurde reservevermogens vanaf 1 januari
- Op 23 november 2010 ontving de CREG een postzending van ELIA, gedateerd op 22 november 2010 (hierna : de postzending van 22 november 2010), waarin Elia een verduidelijking en aanvullende informatie bij zijn voorstel van juni 2010 verstrekt. De postzending van ELIA bestaat uit een brief en vier bijlagen. De brief bevat bovendien vier delen die respectievelijk handelen over de algemene bepaling van de secundaire en tertiaire reserves, de bepaling van de secundaire reserve, de bepaling van de NIET VERTROUWELIJK 2/29 tertiaire reserve en de verslechtering van de Area Control Error (hierna : de ACE). De eerste bijlage behandelt de veiligheid van het net, de tweede betreft de bepaling van de R2 band, de derde is een document van UCTE van 22 februari 2007 met als titel « Balancing of the UCTE control blocks – Explanatory Note on the implemented Quality Indicators (BQI : Balancing Quality Indicators) » en de vierde bijlage een document van de Subgroup "TSO-Forum" van UCTE : « Minimal values of the "Primary Control Reserve Ppi" and of the "Kri Factor" to be adopted for the Year 2009 ». In zijn brief schrijft ELIA dat het hoopt dat deze brief en zijn bijlagen een antwoord zullen verschaffen op de voornaamste bezwaren die aanleiding gaven tot de beslissing van niet-goedkeuring van de CREG en tot een heroverweging hiervan zullen leiden. Als gevolg van een contact met ELIA ontving de CREG op 6 december 2010 een postzending van ELIA, gedateerd 3 december 2010 (hierna : de postzending van 3 december 2010), waarin deze de verduidelijking gegeven in haar postzending van 23 november 2010 nog aanvult door er een bijlage aan toe te voegen met een update van de vergelijkende analyse van de waarden van de BQI indicator1 van de Belgische regelzone met deze van de andere landen van ENTSO-E, die in haar postzending van 23 november 2010 ontbrak. De huidige beslissing bevat vier delen. Het eerste deel bespreekt het wettelijk kader. In het tweede deel maakt de CREG een voorafgaande opmerking. In het derde deel wordt het voorstel van de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 geanalyseerd. Het vierde deel bevat de eigenlijke beslissing. De postzendingen van 22 november en 3 december 2010 worden als bijlage aan de huidige beslissing toegevoegd. 1 Als men het over « de BQI indicator » heeft, veeleer dan over « BQI indicatoren », wordt het kwadratisch gemiddelde van de ACE bedoeld. NIET VERTROUWELIJK 3/29 De huidige beslissing werd door het Directiecomité van de CREG goedgekeurd op zijn vergadering van 23 december
- NIET VERTROUWELIJK 4/29 I. WETTELIJK KADER
- Overeenkomstig artikel 233 van het technisch reglement evalueert en bepaalt de netbeheerder het primair, secundair en tertiair reservevermogen dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het transmissienet in de regelzone, en deelt zijn evaluatiemethode en het resultaat aan de CREG mee ter goedkeuring. Artikel 231, §2, van het technisch reglement voorziet dat de netbeheerder de primaire, secundaire en tertiaire reserves bepaalt rekening houdend met het hulpvermogen voor de installaties van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling van minder dan 20 MW aangesloten op het transmissienet, het lokaal transmissienet of het distributienet. Artikel 231, §3, van het technisch reglement bepaalt dat de netbeheerder gehouden is de ondersteunende diensten, die de primaire regeling van de frequentie, de secundaire regeling van het evenwicht in de Belgische regelzone, de tertiaire reserve, de regeling van de spanning en van het reactief vermogen, het congestiebeheer en de black-start dienst omvatten, in te richten volgens de bepalingen van hoofdstuk XIII van het technisch reglement (artikelen 231 tot en met 266 van het technisch reglement). Het technisch reglement bepaalt met name in artikel 232 dat de netbeheerder toeziet op de beschikbaarheid van en, in voorkomend geval, op de inwerkingstelling van de ondersteunende diensten, volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures, die berusten op de marktregels, en overeenkomstig de operationele regels voorzien in het technisch reglement. Artikel 235, §1, van het technisch reglement legt ten andere aan de netbeheerder op de effectieve terbeschikkingstelling van de primaire, secundaire en tertiaire reserves te controleren volgens modaliteiten die hij bepaalt en aan de CREG ter kennis geeft. NIET VERTROUWELIJK 5/29 II. VOORAFGAANDE OPMERKING
- Zoals vermeld in de inleiding ontving de CREG op 30 juni 2010 het voorstel van ELIA betreffende de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor
- De beslissing van augustus 2010 keurde de evaluatiemethode voor het primair reservevermogen en haar toepassing voor 2011 goed. Bijgevolg onderzoekt de huidige beslissing deze elementen niet meer. Dat doet echter niets af aan sommige commentaren en opmerkingen van de CREG in verband met de primaire reserve, die de CREG hier ter gelegenheid van de huidige beslissing meent te mogen geven. Het Directiecomité keurde echter de evaluatiemethode voor het secundair en tertiair reservevermogen en haar toepassing voor 2011 niet goed. Bovendien opperde het een aantal bezwaren met betrekking tot het voorstel van ELIA. Wat het bepalen van de omvang van de secundaire reserve betreft, hadden de bezwaren hoofdzakelijk betrekking op de zorgwekkende afwijking van de waarden van de UCTE-indicatoren die de kwaliteit van de regeling van de zone weergeven, op het ontbreken van een internationale vergelijking van de waarden van deze indicatoren en op het gebrek aan een methode waarmee het benodigde secundair reservevermogen kan bepaald worden als de analyse van de waarden van de UCTEindicatoren niet tot het besluit leidt dat het reservevermogen van het voorgaande jaar blijft volstaan. Het gebrek aan een dergelijke methode was des te meer opmerkelijk daar de analyse van de door ELIA voor de Belgische zone aangegeven waarden van de UCTE-indicatoren tot het besluit leidde dat het voor 2009 en 2010 aanvaarde secundaire reservevermogen niet meer zou volstaan voor
- Wat het tertiair reservevermogen betreft, hadden de voornaamste bezwaren vooral betrekking op het gebrek aan duidelijkheid over de manier waarop de methode werd beschreven, met als gevolg een gebrek aan samenhang tussen de methode beschreven in het hoofddocument van het ELIA en zijn bijlagen, evenals een gebrek aan samenhang tussen de gegevens van de verschillende gemaakte studies. NIET VERTROUWELIJK 6/29 Vandaar het verzoek van de CREG aan Elia om binnen een redelijke termijn een nieuw voorstel in te dienen.
- De postzendingen van ELIA van 22 november en 3 december 2010 verschaffen gegevens als basis voor een antwoord op de meeste bezwaren die de CREG in haar beslissing van augustus 2010 opperde. Wat de secundaire reserve betreft, herberekende ELIA de UCTE-indicatoren op een wijze conform het document dat als bijlage 3 van zijn postzending van 22 november 2010 werd bezorgd en werkte het de maximumwaarden van de indicatoren bij op basis van de meest recente formules en waarden. Het maakte tevens een vergelijkende analyse van de waarden van de BQI-indicator voor de Belgische regelzone t.o.v. deze van de overige landen van ENTSO-E. Wat de tertiaire reserve betreft, heeft ELIA zijn methode verduidelijkt door de gebruikte redenering naar voor te brengen en een onderscheid te maken tussen wat deel uitmaakt van de nu voorgestelde methode en wat deel uitmaakt van de nog in het ontwikkelingsstadium verkerende methodes die in de toekomst zullen gebruikt worden en die slechts als aanvullende informatie vermeld worden.
- De CREG is dus van mening dat de postzendingen van ELIA van 22 november en 3 december een beduidend aantal verduidelijkingen en nieuwe elementen met betrekking tot het voorstel verschaffen. Bijgevolg is de CREG in de huidige beslissing van oordeel dat het voorstel van ELIA, zoals aangevuld door zijn postzendingen van 23 november en 6 december 2010, een nieuw voorstel vormt (hierna : het nieuwe voorstel van ELIA) voor wat betreft de evaluatiemethode en de bepaling van de secundaire en tertiaire reserve voor
- NIET VERTROUWELIJK 7/29 III. ANALYSE VAN HET NIEUWE VOORSTEL
- De analyse van het nieuwe voorstel bevat drie delen. Het eerste deel behandelt de evaluatiemethodes voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen. In het tweede deel licht de CREG de toepassing van de methodes toe en worden de resultaten ervan beoordeeld. In het derde deel tenslotte maakt de CREG haar beschouwingen met betrekking tot het huidige voorstel bekend en vestigt ze de aandacht op verschillende punten in het raam van de uitwerking van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor de komende jaren. III.
- Evaluatie van reservevermogens
- de voorgestelde methodes ter bepaling van de De voorgestelde evaluatiemethodes ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 worden door ELIA behandeld in het document “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011”. Dit document bevat acht hoofdstukken. De eerste twee hoofdstukken bevatten de uiteenzetting van het doel van het document, evenals de gebruikte afkortingen en terminologie. In het derde hoofdstuk wordt de organisatie van de evenwichtscontrole van de regelzones door de transmissienetbeheerder en de evenwichtsverantwoordelijkheid van de toegangsverantwoordelijken toegelicht. Verder wordt in dit hoofdstuk ook verwezen naar het Belgisch wettelijk kader (artikel 3, §1, van het technisch reglement). In het vierde, vijfde en zesde hoofdstuk worden de evaluatiemethodes voor het bepalen van respectievelijk de primaire, secundaire en tertiaire reservevermogens behandeld. De laatste twee hoofdstukken bevatten de lijst van de bijlagen en van de referenties. NIET VERTROUWELIJK 8/29 De postzendingen van ELIA van 22 november en 3 december 2010 vervolledigen en verduidelijken de beschrijving van de methode. III.1.
- Methode ter bepaling van het secundair reservevermogen
- De secundaire regeling wordt in artikelen 243 tot 247 van het technisch reglement behandeld. Het door ENTSO-E aanbevolen secundaire regelvermogen in elke regelzone hangt af van de piekbelasting in kwestie. ELIA past de door ENTSO-E aanbevolen methode niet toe.
- ENTSO-E heeft vijf indicatoren opgesteld die de kwaliteit van de regelzone beschrijven met betrekking tot onder meer de secundaire regeling
- De ENTSO-E stelt dat deze indicatoren toelaten de kwaliteit van de evenwichtsregeling van de regelzone te monitoren. ELIA stelt dat als elke netbeheerder ervoor zorgt dat de indicatoren binnen zijn regelzone onder de maximale waarde, bepaald door de ENTSO-E, blijven3, hij inherent bijdraagt tot het waarborgen van de netveiligheid op Europees niveau. De regelzone doet dan immers geen overmatig beroep op de primaire reserves die door alle regelzones gemeenschappelijk ter beschikking gesteld worden aan het ENTSO-E-systeem, zodat voldoende primaire reserve beschikbaar blijft voor het opvangen van de uitschakeling in dit ENTSO-E-systeem van twee grote eenheden van 1400 MW.
- Voor twee van deze vijf indicatoren heeft ENTSO-E geen maximale waarde opgesteld, namelijk voor de gemiddelde waarde van de ACE4 en voor de relatieve bijdrage tot de hoogste frequentieafwijkingen. De drie overblijvende indicatoren waarvoor ENTSO-E wel een maximale waarde opgesteld heeft zijn de standaardafwijking van de ACE, het aantal waarden van de ACE boven een maximale waarde en de zogenaamde ENTSO-E-“trompetcurve”. Met de 2 Zie bijlage 3 bij het document “Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011”. 3 Voor de indicatoren met een door ENTSO-E bepaalde maximale waarde, zie paragraaf
- 4 Area Control Error. Een « Balance Quality Indicator »-norm (BQI) van ENTSO-E. NIET VERTROUWELIJK 9/29 "trompetcurves" kan men nagaan hoe snel de frequentie terugkomt op haar stelwaarde binnen het kwartier na een groot onevenwicht en deze indicator is minder geschikt voor de bepaling van de regelkwaliteit van enkel en alleen het secundair regelvermogen. Het doel van de indicator die het aantal waarden van de ACE boven een maximale waarde beschouwt is volgens ELIA eerder een triggerfunctie dan wel een absolute indicator ter evaluatie van de kwaliteit van de secundaire regeling. ELIA heeft de opvolging om het gedrag van deze indicator te verbeteren geïmplementeerd op haar controlecentrum in december
- De mogelijke oorzaken van het overschrijden van de maximale waarde van deze indicator zijn volgens ELIA ook geheel onafhankelijk van de gecontracteerde bandbreedte. Het heeft volgens ELIA dan ook geen zin om meer volume te contracteren op dezelfde eenheden aangezien de tijd nodig om tot "full deployment" van de bandbreedte te komen hierdoor ongewijzigd blijft. Enkel het inschakelen van meer eenheden kan soelaas bieden om dergelijke onevenwichten sneller te compenseren maar dit is gezien de samenstelling van het Belgische productiepark niet evident.
- De door ELIA gebruikte methode bestaat erin te verifiëren of het huidige volume aan secundair regelvermogen voldoende blijft voor de verwachte dienstlevering. Deze verificatie berust op een analyse van de kwaliteit van de regeling van het evenwicht van de Belgische regelzone, meer bepaald over de aanwending van twee criteria : enerzijds een vergelijking voor de Belgische regelzone tussen de door ENTSO-E bepaalde indicatoren en hun maximumwaarde, waar ENTSO-E die bepaald heeft, en anderzijds een vergelijking tussen de Belgische regelzone en de andere regelzones van ENTSO-E, van de relatieve waarde van de standaardafwijking van de ACE. Voor het eerste criterium had de CREG in haar beslissing van augustus 2010 een geleidelijke verslechtering vastgesteld van een van de indicatoren, namelijk de standaardafwijking van de ACE, in de loop van de periode van midden 2006 tot het vierde kwartaal van
- Na een verbetering vanaf begin 2009, die overeenstemde met de economische crisis, konden vanaf november 2009 waarden vastgesteld worden die systematisch boven de maximumwaarde lagen. Op basis van de door NIET VERTROUWELIJK 10/29 ELIA in de maandelijkse verslagen over de monitoring van het compensatiemechanisme van de kwartuuronevenwichten meegedeelde waarden noteerde de CREG dat deze tendens aanhield tijdens de eerste maanden van
- Daarbij kwam een verhoging van het geïnstalleerde vermogen bestaande uit windturbines, dat van nature uit onvoorspelbaar is. De CREG had daarop de indicatoren van ENTSO-E en andere indicatoren die afgeleid werden uit de gegevens met betrekking tot het onevenwicht van de Belgische zone met elkaar in perspectief geplaatst. Deze aanvullende analyses gaven een bevestiging van de tendens tot verslechtering van de waarde van de indicatoren in de loop van de tijd, zoals hierboven werd aangegeven voor de indicatoren van ENTSO-E. Voor het tweede evaluatiecriterium van de kwaliteit van de regeling (vergelijking van de relatieve waarde van de indicatoren tussen België en de andere landen van ENTSO-E), had ELIA de analyse hernomen op basis van de gegevens 2007-2008 die het vorige jaar gebruikt werden. Bijgevolg had de CREG de voorgestelde methode niet goedgekeurd, enerzijds omdat de analyse van ELIA haar er niet van kon overtuigen dat het secundaire regelvermogen goedgekeurd voor 2009 en 2010 toereikend zou blijven voor 2011 en anderzijds omdat ELIA geen enkele methode voorstelde die toelaat het nodige secundaire reservevermogen te bepalen als niet aan de criteria voldaan wordt.
- In zijn postzending van 23 november 2010 heeft ELIA de volgende verduidelijkingen en aanpassingen t.o.v. zijn basisdocument verschaft met betrekking tot de berekening van de indicatoren van ENTSO-E en hun grenswaarden (eerste criterium). Eerst en vooral stelde hij vast dat het om de indicatoren van ENTSO-E te berekenen niet precies de methode toepaste die beschreven wordt in het UCTE/ENTSO-E document dat als bijlage 3 aan de postzending van 23 november 2010 werd toegevoegd. Vervolgens merkte hij op dat de berekening van de grenswaarden van de indicatoren van ENTSO-E, die sterk geëvolueerd was in de zin van een verhoging van de NIET VERTROUWELIJK 11/29 grenzen die door alle UCTE-landen tussen 2008 en 2009 erkend werden, nog niet aangepast was in de procedures van ELIA. Ten slotte stelde hij vast dat zijn voorstel de indicatoren van ENTSO-E had berekend op basis van de uurwaarden van de ACE en niet zoals de voorgaande jaren op basis van de kwartierwaarden. Op grond van deze vaststellingen herberekende ELIA de waarden van de indicatoren van ENTSO-E en hun grenswaarden door gebruik te maken van de kwartierwaarden van de ACE en van de meest recente methodes bepaald door UCTE/ENTSO-E. Omwille van de transparantie bezorgde hij de CREG eveneens de ACE-gegevens die het gebruikte om zijn berekeningen te maken. De CREG stelt vast dat de nieuwe waarden die ELIA berekende voor de standaardafwijking van de ACE en het « 90 » criterium in 2009 en tijdens de eerste tien maanden van 2010 duidelijk lager zijn dan de nieuwe grenswaarden. De nieuwe waarden die ELIA berekende voor het « 99 » criterium tijdens dezelfde periode zijn soms hoger dan de nieuwe grenswaarden. Dit weerspiegelt de manier waarop de regelzone de grote waarden van de ACE compenseert en de vergelijking met de prestaties van de andere regelzones van ENTSO-E5 laat niet vermoeden dat de Belgische regelzone daarop een uitzondering vormt. Toch spoort de CREG ELIA aan de nodige maatregelen te treffen om een frequente of systematische overschrijding van de grenswaarde van deze indicator te vermijden. De CREG is dan ook van mening dat aan het eerste criterium voldaan wordt. De CREG verheugt zich over het streven naar transparantie van ELIA en spoort aan om de CREG bij het proces vóór het eindstadium van de beslissing te blijven betrekken.
- In zijn postzending van 23 november 2010 kondigde ELIA de update aan van de vergelijkende analyse van de waarden van de BQI-indicator van de Belgische 5 Zie de kwartaalverslagen van ENTSO-E over de prestaties van de primaire en de secundaire frequentievermogenregeling. NIET VERTROUWELIJK 12/29 regelzone t.o.v. deze van de overige landen van ENTSO-E (tweede criterium). Deze update werd bezorgd als bijlage bij de postzending van 6 december
- De CREG verbaasde zich erover dat de kwartaalwaarden die in de tabel worden aangegeven voor België hoger zijn dan de waarden berekend aan de hand van de ACE-gegevens die ELIA gebruikte om haar berekeningen te herdoen en die aan de CREG6 overgemaakt werden. Bij gebrek aan nadere uitleg van ELIA heeft de CREG de berekeningen overgedaan op basis van de door ELIA overgemaakte ACE-gegevens en stelde ze vast dat de methode die gebruikt werd om de overgedragen waarden in de tabel en de grafiek als bijlage bij de postzending van 6 december 2010 te berekenen niet degene was die beschreven wordt in het document van UCTE dat als bijlage 3 bij de postzending van 23 november 2010 gevoegd was, maar wel degene die gebruikt werd om de bij het voorstel van juni gevoegde waarden te berekenen. De CREG betreurt dat ELIA niet zelf deze inconsequentie aan het licht bracht, terwijl het toch de juiste methode had gebruikt om de nieuwe kwartierwaarden van dit indexcijfer te berekenen voor bijlage 2 van de postzending van 23 november
- Bovenop de redenering die de basis vormt voor de overstap van de kwartiergrenswaarden naar de uurgrenswaarden van de ACE, waarvoor de verantwoording gegeven in het document van UCTE dat als bijlage 3 bij de postzending van 23 november 2010 gevoegd was nog moet gevalideerd worden, stelt de CREG vast dat de internationale vergelijking België op het niveau van een land als Duitsland plaatst. De CREG is dan ook van mening dat aan het tweede criterium voldaan wordt.
- De CREG stelt vast dat aan de twee criteria die het voorstel van ELIA over de secundaire regelband moeten motiveren voldaan wordt. 6 Zie punt 11 hierboven. NIET VERTROUWELIJK 13/29 Dit houdt in dat er geen methode nodig is voor 2011 die toelaat het benodigde secundaire reservevermogen te bepalen als niet aan de criteria voldaan zou zijn. Om te voorkomen dat men in een situatie zou belanden waarbij aan één van de criteria niet meer zou voldaan worden en ELIA niet zou beschikken over een methode waarmee het benodigde volume aan secundaire reserve cijfermatig bepaald kan worden zonder verlenging van het volume van het voorgaande jaar, verzoekt de CREG ELIA een dergelijke methode uit te werken, om een toekomstige situatie te vermijden waarbij de CREG zijn voorstel niet zou kunnen aanvaarden.
- Ten slotte verklaart ELIA in bijlage 2 van zijn postzending van 23 november 2010 dat « ni la sécurité du réseau européen, ni la sécurité du réseau belge n’est affectée par ce dimensionnement ».
- De CREG stelt vast dat de door ELIA voorgestelde methode erin bestaat het secundaire reservevermogen te bepalen waarmee aan de UCTE/ENSTO-E-norm kan voldaan worden en zo rekening te houden met het doel van de taken die het krachtens artikel 233 van het technisch reglement worden opgelegd.
- De CREG is van oordeel dat de door ELIA voorgestelde methode een bepaling van het automatische secundaire regelvermogen mogelijk maakt. III.1.
- Methode ter bepaling van het tertiaire reservevermogen
- De tertiaire regeling wordt in artikelen 249 tot 260 van het technisch reglement behandeld.
- In haar beslissing van augustus 2010 had de CREG een aantal punten in het voorstel van ELIA aangehaald die een probleem vormden en die haar ertoe brachten de door ELIA voorgestelde methode niet goed te keuren. De postzending van ELIA van 23 november 2010 maakt het mogelijk de situatie op te helderen en leidt tot een methode op twee niveaus : eerst een algemene bepaling NIET VERTROUWELIJK 14/29 van de secundaire en tertiaire reserves en vervolgens een « specifieke » bepaling van de tertiaire reserve.
- Voor de globale bepaling van de secundaire en tertiaire reserves baseert ELIA zijn methode op het criterium N-
- De impact van de geïnstalleerde windenergiecapaciteit (on shore en off shore) is zeer beperkt zolang deze geïnstalleerde capaciteit lager blijft dan de capaciteit van de grootste productie-eenheid van het park, waarvan de inwerkingstelling wordt gedekt in het raam van het criterium N-
- Dat is het geval in 2011 met een geïnstalleerde windenergiecapaciteit die tegen het einde van het jaar op 1038 MW wordt geraamd. ELIA bevestigt tevens dat zijn nieuw risicomodel op basis van een probabilistische benadering zich nog in een tussenstadium bevindt. Het werd in het voorstel van juni 2010 aangeboden als antwoord op een verzoek van de CREG. De resultaten ervan zijn nog indicatief en werden niet op een beslissende wijze gebruikt om de reservevolumes voor 2011 te bepalen. In het totaal en op basis van dezelfde methode heeft ELIA in 2010 de beschikking over de secundaire reserves (137 MW), de tertiaire productiereserves (400 MW) en de tertiaire reserves met afschakelbare afname (261 MW), evenals de tertiaire interTSO reserves met RTE en TenneT (2x250 MW).
- Voor de specifieke bepaling van de tertiaire reserve baseert ELIA zijn methode eveneens op het criterium N-1, aangevuld met andere elementen: de karakteristieken van het Belgische productiepark en meer bepaald de kans op pannes van haar eenheden, het bestaan van mechanismen die de ARP ertoe aanzetten het evenwicht van hun portefeuille te verzekeren, het bestaan van een door Belpex georganiseerde intraday markt, het ter beschikking stellen door ELIA van procedures die een beter gebruik van de productiehulpmiddelen door de ARP mogelijk maken, zoals de intraday hub en de intraday nominatie. NIET VERTROUWELIJK 15/29 ELIA legt de nadruk op de middelen waarover het beschikt om de bevoorradingszekerheid van het Belgische net te verzekeren. Behalve de secundaire en tertiaire reserves dragen ook nog andere elementen bij tot de bevoorradingszekerheid van het Belgische (en het Europese) net. Daaronder vermeldt ELIA de versterking van de interconnectiecapaciteit van België met de buurlanden sinds enige jaren, een betere controle van de internationale uitwisselingen dank zij de dwarsregeltransformatoren die op de elektriciteitsgrenzen van België (Noordgrens en Monceau) geplaatst werden en door ELIA bestuurd worden, de verbetering van de gegevensuitwisseling tussen Europese netbeheerders en de toename van de internationale coördinatie via de door Coreso ontwikkelde expertise.
- Verder vergelijkt ELIA de « enkele MW » aan onvrijwillige uitwisselingen, waarvan het kwartaalgemiddelde lager dan 10 MW ligt, met de loop flows die tot 1200 MW kunnen bedragen. De CREG kan niet borg staan voor deze vergelijking, aangezien een kwartaalgemiddelde van tweerichtingsuitwisselingen niet kan vergeleken worden met een momentwaarde van de loop flows. De CREG merkt trouwens op dat de ACE van de Belgische regelzone sinds 2007 voor sommige kwartieren tot 780 MW bedroeg. Bovendien vormt het feit dat, zoals ELIA onderstreept, de verrekeningen van ENTSO-E slechts voorzien in een compensatie van de afwijkingen binnen een zekere « tariefperiode »7 en niet op kwartier- of uurschaal, geen goed argument omdat het hier over zekerheid gaat, zonder dewelke de aan de Belgische ARP’s opgelegde eis van evenwicht geen bestaansrecht zou hebben. Ter herinnering : ENTSO-E brengt kwartaalverslagen over de kwaliteit van de zoneregeling door de TSO’s uit, waarbij het zich baseert op de waarden van de ACE van de zones, die voor heel wat kortere periodes dan de voornoemde « tariefperiodes » bepaald worden. 7 Het gaat hier om een periode van enkele opeenvolgende uren waarin de tariefvoorwaarden constant zijn (piek, buiten piek, …) en niet om een tariefperiode van vier jaar in de zin van de jaartarieven. NIET VERTROUWELIJK 16/29 Niettemin, ook al dringt de CREG erop aan dat ELIA de impact van de ACE op de zekerheid van het net niet zou onderschatten, denkt ze niet dat de aangehaalde redeneringsfouten van aard zijn om de methode van ELIA in de huidige context ongeldig te verklaren.
- ELIA ziet geen elementen die van aard zijn om de methodologie voor het bepalen van de tertiaire reserve, zoals die door de CREG voor 2010 werd goedgekeurd, opnieuw ter discussie te stellen. Bovendien vereist de geïnstalleerde windenergiecapaciteit voorzien voor einde 2011 geen heroverweging van de bepaling van de huidige tertiaire reserve. Bijgevolg stelt hij voor 2011 een tertiaire reserve voor die is opgesplitst in een deel verbonden aan de productie-eenheden, een deel gecontracteerd bij afschakelbare klanten en een deel gecontracteerd bij naburige TSO’s in contracten voor inter-TSO reserves. Deze reserves worden aangevuld met de specifieke reserves waarin de ARP voorzien hebben met het oog op het behoud van het evenwicht van hun portefeuille. Wat de kwestie van de te voorziene minimumdrempel betreft, bevestigt ELIA dat, gezien de overvloed aan uiteenlopende soorten hulpmiddelen, elk met zijn eigen beschikbaarheid, die het mogelijk maken de onbeschikbaarheid van de ene te compenseren met de beschikbaarheid van de andere, Elia zich niet voorneemt in 2011 een minimum beschikbaarheidsdrempel op te leggen. De contracten bestaan al en aan sommige loten is een beschikbaarheid van 100% verbonden, hetgeen de facto een minimumdrempel vormt.
- De CREG stelt vast dat de door ELIA voorgestelde evaluatiemethode ter bepaling van de tertiaire reservevermogens voor 2011 gebaseerd is op diens ervaring met de uitbating van het Belgische systeem. Deze methode is gebaseerd op het uitgebreide gebruik van de onderbreekbaarheid van consumptie en neemt de inter-TSO reserves deels in rekening. De methode laat echter toe om nog steeds minstens de uitval van de grootste niet-kerneenheid te compenseren. De CREG is van mening dat het gebruik van het N-1 criterium door Elia op basis van het gehele Belgische productiepark om het tertiaire reservevermogen te bepalen, een zeer gangbare praktijk is. Bovendien is de CREG van mening dat het contracteren door NIET VERTROUWELIJK 17/29 ELIA van een tertiaire reserve, bestaande uit een productiereserve, uit afnamen en uit een gedeelte van de inter-TSO reserves, gerechtvaardigd is. Bijgevolg is de CREG van oordeel dat de door ELIA voorgestelde evaluatiemethode aanvaardbaar is. Toch doet de CREG opmerken dat ze zich in de huidige beslissing niet over enig onevenwichttarief uitspreekt. III.1.
- Conclusie met betrekking tot de methodes ter bepaling van de reservevermogens
- Rekening houdend met de hierboven aangehaalde elementen verleent de CREG haar goedkeuring aan ELIA met betrekking tot de voorgestelde evaluatiemethodes voor de bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen. III.
- Evaluatie van de toepassing van de methodes op het Belgische systeem
- De bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 met toepassing van de voorgestelde methodes wordt door ELIA behandeld in een afzonderlijk document dat als bijlage is toegevoegd aan de begeleidende brief bij het voorstel van ELIA van juni
- III.2.
- Bepaling van het secundair reservevermogen
- Op basis van de toepassing van de uitgewerkte evaluatiemethode om het benodigde secundair reservevermogen te bepalen, stelt ELIA voor een reservevermogen van gemiddeld 137 MW met een beschikbaar minimumvermogen van 100 MW voor de automatische secundaire regeling te contracteren voor de Belgische regelzone voor
- ELIA legt uit dat de gemiddelde bandbreedte van 137 MW moet gezien worden samen met de vereiste van een minimale bandbreedte van 100 MW, waaraan de bijkomende vereiste van een N-1 criterium moet gekoppeld worden, in die zin dat de NIET VERTROUWELIJK 18/29 uitval of onbeschikbaarheid van een gecontracteerde eenheid nooit tot gevolg mag hebben dat een volume kleiner dan 100 MW zou beschikbaar zijn. Dit betekent dat er meestal meer dan 100 MW of zelfs meer dan 137 MW zal beschikbaar zijn, aangezien het om een gemiddelde gaat. ELIA stelt verder dat een waarde van het secundair regelend vermogen kleiner dan 137 MW slechts aanvaardbaar is indien één van de eenheden welke in dag D-1 voorzien waren om deel te nemen aan deze secundaire regeling van 137 MW uitvalt tussen het tijdstip waarop de reserve in D-1 wordt genomineerd en dag D zelf. In dat geval zal het verlies aan secundair reservevermogen overigens beperkt blijven tot de bijdrage van de eenheid aan het secundair regelend vermogen. Onafhankelijk van het tijdstip waarop een panne zich voordoet, stelt ELIA eveneens dat het voor dag D genomineerde secundaire reservevolume opnieuw in zijn geheel beschikbaar moet zijn na verloop van maximaal 3 uur. ELIA stelt dat de voorgestelde bandbreedte van de secundaire regeling a priori toelaat om aan de UCTE-kwaliteitseisen te voldoen en dat de veiligheid van het Belgische net daardoor niet negatief beïnvloed wordt. De CREG verleent haar goedkeuring aan de door ELIA bepaalde hoeveelheid secundair reservevermogen voor 2011, namelijk gemiddeld 137 MW met een minimaal beschikbaar vermogen van 100 MW, in de voornoemde omstandigheden en onder de voornoemde voorwaarden. III.2.
- Bepaling van het tertiair reservevermogen
- Het criterium voor de toepassing van de evaluatiemethode voor het tertiair reservevermogen bepaalt dat ELIA hetzelfde totale tertiair reservevermogen als voor 2010 contracteert, namelijk 661 MW. Voor de periode 2008-2011 werden al meerjarencontracten voor de levering van tertiair reservevermogen gesloten, waarin wordt bepaald dat de betrokken producenten vanaf 2009 een tertiair reservevermogen van 400 MW met een beschikbaarheid van 90% zullen leveren. Het resterende vermogen, namelijk 261 MW, zal gecontracteerd worden via onderbreekbare klanten met een gemiddelde beschikbaarheid van 80%. NIET VERTROUWELIJK 19/29 Volgens ELIA volstaan de inter-TSO reserves die voor tweemaal 250 MW gecontracteerd werden met RTE en TenneT om de geringere beschikbaarheid van de productiemiddelen en de afnamen te compenseren. De CREG keurt de door ELIA voorgestelde hoeveelheden voor het tertiair reservevermogen goed. III.3 Overwegingen van de CREG
- De CREG wenst, rekening houdend met het belang van de bepaling van de reservevermogens voor de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het transmissienet in de regelzone, in de huidige beslissing een aantal beschouwingen te maken met het oog op het opstellen van een evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen in de toekomst.
- Gezien het belang van windenergie voor de reservebehoeften, vestigt de CREG de aandacht van ELIA op paragraaf 15, 16, 18, 19 en 29 van haar beslissing van augustus
- Ze verzoekt ELIA op basis van recente en onderling verenigbare gegevens de verschillende studies over de invloed van windenergie zodanig bij te werken dat aan de hand van de resultaten van deze studies een coherente synthese kan gemaakt worden om aldus tot duidelijke en geharmoniseerde besluiten te komen die concreet gebruikt kunnen worden in het kader van zijn voorstel met betrekking tot de reserves voor
- ELIA verwijst eveneens naar een verbetering van de kwaliteit van de regeling door de invoering van een manuele activering van de « bids ».8 Deze nieuwe evaluatiemethode wordt geleidelijk in werking gesteld sinds november
- Voor zover de positieve bijdrage van deze methode wordt bevestigd, kan de CREG deze evolutie van de methode enkel steunen. 8 Zie ook bijlage 9 van het document « Evaluatiemethode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011 » NIET VERTROUWELIJK 20/29
- ELIA kondigt aan dat ze op zoek is naar het middel om deel te nemen aan het samenwerkingssysteem tussen de vier Duitse TSO’s met het oog op het optimaliseren van de activering van de secundaire reserve (de GCC, « Grid Control Cooperation »). De CREG heeft belangstelling voor dit initiatief en vraagt om beter op de hoogte gehouden te worden van en regelmatig geïnformeerd te worden over de vooruitgang van ELIA op dit vlak.
- In haar beslissing van augustus 2010 stelt de CREG vast dat ELIA niet voorstelt een expliciet minimumvermogen te bepalen voor de tertiaire reserve die geleverd wordt door productie-eenheden, zoals ze overigens wel doet voor de primaire en secundaire reserves. Gezien het belang van de tertiaire reserve die geleverd wordt door de productie-eenheden voor het wegwerken van de grote onevenwichten, verzoekt de CREG ELIA te verantwoorden waarom een dergelijke minimumwaarde niet noodzakelijk is of er anders een in haar volgende voorstel op te nemen. In zijn postzending van 23 november 2010 brengt ELIA in dit verband een argumentatie in drie luiken naar voor. Enerzijds bevestigt het dat het wel degelijk tertiaire reservevolumes contracteert waaraan lagere beschikbaarheden dan 100% zijn verbonden. Anderzijds doet het opmerken dat sommige onderdelen van de bestaande contracten gecontracteerd worden met een beschikbaarheid van 100%, wat de facto een minimum vormt. Ten slotte merkt hij op dat de op de productieeenheden gecontracteerde tertiaire reserve wordt aangevuld door de nietgecontracteerde tertiaire « CIPU » reserve, door de tertiaire reserve gecontracteerd via onderbreekbare klanten en door de inter-TSO contracten, waarbij de onbeschikbaarheid van de ene die van de andere compenseert. De CREG stelt vast dat de argumentatie van ELIA haar eigen waarnemingen bevestigt. Ze is echter van mening dat er omstandigheden zijn waarin een sterke mate van onbeschikbaarheid van de tertiaire reserve niet toevallig zou kunnen zijn, waardoor de compensatie tussen de verschillende vormen van tertiaire reserve onderling wordt verhinderd, bijvoorbeeld wanneer de marktprijzen voldoende aantrekkelijk zijn om de marktspelers ertoe te brengen de productie van eenheden die voor ELIA in reserve hadden moeten gehouden worden op de markt te verkopen. Deze omstandigheden kunnen leiden tot een tekort aan tertiaire productiereserves NIET VERTROUWELIJK 21/29 op grote schaal, die zich zowel kan voordoen op het vlak van de tertiaire reserve gecontracteerd op de productie-eenheden als op het vlak van de nietgecontracteerde tertiaire « CIPU » reserve en op dat van de inter-TSO contracten. De CREG verzoekt ELIA bijgevolg in haar volgende voorstel met betrekking tot de reserves van 2012 een voor 100% beschikbaar minimumvolume te bepalen waaronder het niet toelaat te zullen gaan. Zoals nu het geval is, zou dit minimumvolume kunnen verwezenlijkt worden onder de vorm van loten van tertiaire productiereserve, gecontracteerd met 100% beschikbaarheid. De CREG verzoekt ELIA tevens de waarde van dit minimumvolume te verantwoorden.
- De CREG stelt vast dat in 2008 en 2009 de maand december geringe beschikbaarheden vertoont met betrekking tot de onderbreekbare klanten. Indien dit een terugkerend probleem zou blijken, zou dit gebrek aan beschikbaarheid van tertiaire reserves via de onderbreekbare klanten moeten gecompenseerd worden door aankopen van andere tertiaire reservevermogens. De CREG dringt er bij ELIA op aan dat het noodzakelijk is om over het besliste reservevermogen te blijven beschikken, zowel in stijgende als in dalende zin. Zoals ze dat al in de beslissingen van de vorige jaren deed, herinnert de CREG ELIA eraan dat indien, om welke reden ook, deze laatste er niet in slaagt de voorziene onderbreekbare klanten (waarmee zij bij de bepaling van het tertiair reservevermogen rekening houdt) te contracteren, zij ertoe gehouden is om voor elke periode van 2011 waarin het geheel of een gedeelte van de onderbreekbare klanten niet gecontracteerd wordt of waarin ze niet de in het voorstel aangekondigde beschikbaarheid halen, andere middelen te voorzien die in een equivalent effect resulteren.
- De CREG stelt vast dat in 2008 en 2009 het jaareinde en in het bijzonder de maand december geringe beschikbaarheden vertonen wat de secundaire reserve betreft, ondanks een globale naleving door de betrokken producenten van de contractclausules met betrekking tot de beschikbaarheid. De CREG herinnert eraan dat ELIA aansprakelijk is voor het sluiten van contracten die hem van een beschikbaarheid van de reserves verzekeren in overeenstemming met de beslissingen van de CREG, waaronder de huidige beslissing. Ze herinnert met name aan de in de tijd beperkte aard van de beschikbaarheden kleiner dan 137 NIET VERTROUWELIJK 22/29 MW, waarvan punt 26 hierboven de synthese vormt voor wat betreft het secundaire reservevermogen in de huidige beslissing. Ze verzoekt ELIA zonodig zijn contracten met betrekking tot de secundaire reserve aan te passen voor wat betreft de beschikbaarheid van de reserve vanaf 2012, om het systematisch optreden van geringe beschikbaarheden, zoals bijvoorbeeld in december 2009, te voorkomen.
- De geleidelijke toename van het geïnstalleerde vermogen aan windenergie heeft tot gevolg dat het relatieve aandeel van de productie van intermitterende windturbines in het dekken van de vraag toeneemt. De CREG verzoekt ELIA om het relatieve aandeel van de windenergieproductie ten opzichte van de vraag in het oog te houden, teneinde de nodige maatregelen te kunnen treffen, in het bijzonder in periodes met een geringe vraag.
- De CREG had ELIA in haar beslissing van 2009 voor 2010 gesuggereerd met de DNB’s te overleggen om van hen de nodige gegevens over de productieverwachtingen van de windturbines en hun reële productie te bekomen, in het raam van artikelen 372 en 373 van het federaal technisch reglement. In haar beslissing van augustus 2010 had de CREG ELIA verzocht haar uiterlijk tegen 15 oktober 2010 een stand van zaken over de gegevensvergaring (type, net, voorspelling, productie,…) te bezorgen. Vaststellend dat dit nog niet is gebeurd, verzoekt de CREG ELIA dit vóór 31 januari 2011 te doen.
- In het raam van de monitoring van de reserves acht de CREG het belangrijk om over informatie te kunnen beschikken over elk type van reserve. Om de gegevens aan te vullen waarover ze in dit verband reeds beschikt, verzoekt de CREG ELIA haar voortaan de volgende informatie te verstrekken : De kwartuurnominaties van primaire reserves per ARP en per productie-eenheid, De beschikbare volumes aan tertiaire reserve geleverd door de onderbreekbare klanten en dit per kwartier, per afnamepunt en per contractant (contracten onderbreekbaarheid) en de eraan verbonden prijzen, evenals de activeringen van deze reserves ; de gegevens in verband met de beschikbare volumes zouden ex ante moeten overgemaakt worden op basis van de nominaties en ex post op basis van het verbruik gemeten in real time. NIET VERTROUWELIJK 23/29 De CREG verzoekt ELIA haar deze gegevens tegelijk te bezorgen met de maandelijkse monitoringgegevens over het compensatiemechanisme van de kwartuuronevenwichten, te beginnen met de gegevens voor december 2010, en aan de gegevens voor december 2010 de gegevens voor de andere maanden van 2010 toe te voegen.
- Van zodra de inter-TSO reserve een expliciet deel van de tertiaire reserve wordt, acht de CREG het belangrijk een klare kijk op de beschikbaarheid van deze reserve te hebben. De CREG verzoekt ELIA dan ook contact op te nemen met de naburige TNB’s, RTE en TenneT, om de uitwisseling van gegevens over de beschikbaarheid qua volume en de eraan verbonden prijzen van de inter-TSO reserves te formaliseren. De CREG wil om de drie maanden door ELIA op de hoogte gehouden worden van de op dat vlak gemaakte vorderingen.
- De CREG wenst dat ELIA haar in de toekomst blijft informeren door middel van een jaarlijks verslag9 over de beschikbaarheid en het gebruik van de reservevermogens, onderbreekbare klanten en inter-TSO reserves inbegrepen, ten behoeve van de Belgische regelzone. Ter illustratie van de vergelijkende analyse van de kwaliteit van de regeling in de verschillende regelzones in Europa, verzoekt de CREG ELIA om er systematisch een kopie aan toe te voegen van de vier laatste kwartaalverslagen van de ENTSO-E over de prestaties van de primaire regeling en de regeling van de vermogensfrequentie10, of van elk officieel document dat dit verslag zou komen te vervangen.
- Met betrekking tot het voorstel van ELIA om een beroep te doen op uitwisselingsprogramma’s tussen transmissienetbeheerders (inter-TSO reserves), benadrukt de CREG dat ELIA waakzaam dient te blijven ten aanzien van de kost van de aangenomen oplossing, terwijl het verder het risico op een aanvaardbaar niveau dient te houden. 9 Document « Reporting reserves 2008 » Zoals die waarnaar wordt verwezen in de bespreking van de indicator Sigma99 in paragraaf 2.2 van bijlage 2 van het document “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2010”. 10 NIET VERTROUWELIJK 24/29
- In het huidige voorstel van ELIA is de deelneming aan de diensten voor secundaire regeling van het zone-evenwicht beperkt tot de producenten. ELIA schrijft dat een bevestiging door ENTSO-E noodzakelijk is om de deelneming van industriële verbruikers aan de secundaire regeling te evalueren. De CREG stelt vast dat ENTSO-E al in zijn « Policy 1 » de mogelijkheid voorziet om voor de secundaire reserves een beroep te doen op de vraagzijde. Zoals ze reeds in haar beslissing van 2009 voor 2010 deed, moedigt de CREG ELIA aan deze mogelijkheid actief te blijven onderzoeken in samenwerking met de industriële afnemers en haar de resultaten ervan te melden in zijn voorstel over de reserves voor
- Uit het rapport over het gebruik van de reserves in 2009 blijkt dat de onderbreekbare klantendaadwerkelijk werden geactiveerd in
- De CREG steunt deze praktijk en neemt nota van het voornemen van ELIA om er in 2011 mee door te gaan. De CREG steunt het voornemen van ELIA om deze reserves toch minstens eenmaal per jaar te activeren wanneer tertiaire reserves nodig zijn, ook als de afschakelbare reserves op dat moment niet de goedkoopst beschikbare tertiaire reserves zijn. Ze meent dat op deze manier de werkelijke beschikbaarheid en reactiesnelheid getest wordt. Op deze manier groeit de operationele ervaring van ELIA en de betrokken industriële afnemers met betrekking tot het gebruik van dit instrument. Om die reden vraagt de CREG dat elke onderbreekbare afname minstens eenmaal in 2011 zou geactiveerd worden.
- In haar beslissing van 2009 voor 2010, schreef de CREG : «De CREG is van mening dat het niet bewezen is dat er geen correlatie bestaat tussen de beschikbaarheid van de verschillende middelen die aangewend worden voor de tertiaire reserve (tertiaire reserve op de productie-eenheden, tertiaire reserve op de afschakelbare afnemers, I/D-bids en inter-TSO reserve). Ze verzoekt ELIA dus een raming te maken van de correlaties tussen de beschikbaarheden van deze verschillende middelen, rekening houdend met de variatie van deze beschikbaarheden in de tijd (in functie van de uren van de dag, de dagen van de week, de seizoenen, de tariefperiodes, …). Deze analyse zou moeten gemaakt worden door deze middelen zowel twee per twee als voor de hele portefeuille in beschouwing te nemen, om zo tot een meer kwantitatief risicobeheer te komen. De NIET VERTROUWELIJK 25/29 CREG verzoekt ELIA tevens haar de resultaten van deze analyse mee te delen en er rekening mee te houden in zijn voorstel over de reserves voor
- » De CREG vindt in het voorstel van ELIA geen spoor van een dergelijke analyse terug. Paragraaf 6.2.6.2 « Exploitatieveiligheid » bevat wel een principeverklaring, maar die kan niet beschouwd worden als een meer kwantitatief gerichte analyse, zoals gevraagd in bovenstaande tekst. De CREG dringt er opnieuw op aan dat ELIA deze analyse zou uitvoeren, de resultaten ervan zou meedelen aan de CREG en ermee rekening zou houden in haar voorstel inzake de reserves van
- Ze doet bovendien opmerken dat cijfergegevens over de beschikbaarheid van de inter-TSO reserves, zoals aangehaald in punt 36 hierboven, zeer nuttig zijn voor een dergelijke analyse.
- Tijdens specifieke studies stelde de CREG vast dat het maximumvermogen van de productie-eenheden van de Belgische regelzone (Pmax) dat door de producent aan ELIA wordt overgemaakt niet altijd overeenstemde met de reële waarde verbonden aan de eenheid. Bovendien moet het huidige systeem, met een enkele mogelijke waarde van Pmax per dag, verbeterd worden. De CREG heeft dit al herhaaldelijk laten weten aan ELIA. Een verkeerde waarde van Pmax kan leiden tot een verkeerde raming van de beschikbare reserves, zowel voor de gecontracteerde reserves als voor de I/D-bids. Een verkeerde waarde van Pmax kan tevens het resultaat van de controles van de beschikbaarheid van de uiteenlopende types van reserve op het spel zetten, zowel voor de controles ex ante als voor diegene die worden opgenomen in de jaarlijkse reporting van de reserves, die ELIA aan de CREG overmaakt, als voor die welke gedaan worden bij het naderen van de real time
- De CREG verzoekt ELIA met klem de elders aangekondigde oplossingen aan te wenden, in samenwerking met de producenten, om deze problemen met het overmaken van de correcte waarde van Pmax door de producenten op te lossen. De overgemaakte waarden zouden de impact moeten weergeven van zowel de gebeurtenissen die reeds gekend zijn tijdens de nominaties op D-1 (eerste set gegevens) als van die welke zouden voorvallen tussen de nominaties op D-1 en de reële tijd (tweede set gegevens). De CREG vraagt om regelmatig op de hoogte gehouden te worden van de evolutie van dit dossier. 11 Zie in dit verband ook punt 37 hierboven. NIET VERTROUWELIJK 26/29
- De CREG stelt vast dat het voorstel van jaar tot jaar nu eens kleinere, dan weer belangrijke evoluties gekend heeft. De lezing ervan wordt daardoor niet vergemakkelijkt. Het gebeurt wel eens dat hetzelfde element in de verschillende documenten voorkomt, soms met tegenstrijdige details of vereenvoudigingen die dubbelzinnigheid in de hand werken. Verder is de grens tussen de beschrijving van de methodes en hun toepassing langzamerhand vervaagd, waardoor al van bij de beschrijving van de methodes cijfergegevens worden gebruikt die pas in het gedeelte gewijd aan hun toepassing een plaats zouden moeten krijgen. De CREG verzoekt ELIA, in het voorstel betreffende de reserves van 2012, de verschillende teksten zodanig te herwerken dat bepaalde dubbelzinnigheden worden verholpen en de lezing ervan wordt vergemakkelijkt. NIET VERTROUWELIJK 27/29 IV. BESLISSING Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende het technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe. Gelet op het voorstel betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2011, dat door ELIA op 30 juni 2010 aan de CREG ter goedkeuring werd overgemaakt. Gelet op de beslissing van het directiecomité van de CREG (B)100826-CDC-982 van 26 augustus 2010, waarbij de CREG (i) de voorgestelde evaluatiemethode om het primair reservevermogen te bepalen goedkeurde, maar (ii) weigerde de evaluatiemethode voor het secundair en tertiair reservevermogen en haar toepassing voor 2011 goed te keuren ; Gelet op de postzending die ELIA naar de CREG verstuurde op 22 november 2010, waarbij hij laatstgenoemde oproept haar beslissing tot weigering van goedkeuring voor de secundaire en tertiaire reserves te heroverwegen, rekening houdend met de in deze postzending verschafte verduidelijkingen en aanvullende informatie ; Gelet op de postzending verstuurd door Elia naar de CREG op 3 december 2010 ; Overwegend dat de huidige beslissing geen betrekking heeft op de evaluatiemethode voor het primaire reservevermogen, aangezien die al werd goedgekeurd door de beslissing (B)100826-CDC-982 van 26 augustus 2010 ; Overwegend dat, in de voornoemde beslissing van 26 augustus 2010, de voorgestelde evaluatiemethodes voor de bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen « onduidelijk, onvolledig en deels ongegrond » geacht werden ; Overwegend dat de CREG bijgevolg ELIA verzocht « een nieuw voorstel in te dienen dat aan de geopperde bezwaren voldoet » ; NIET VERTROUWELIJK 28/29 Overwegend dat het verzoek tot heroverweging van de beslissing van 26 augustus 2010, opgenomen in de postzending van ELIA van 22 november 2010, in het licht van de verschafte aanvullende informatie als een nieuw voorstel kan beschouwd worden ; Overwegend dat in het licht van deze informatie blijkt dat de uitgewerkte evaluatiemethode voor het bepalen van het secundair reservevermogen berust op een analyse van ELIA die het mogelijk maakt het secundair reservevermogen te bepalen met als doel de door UCTE – ENTSO-E vastgelegde doelstellingen te respecteren ; Overwegend dat de uitgewerkte evaluatiemethode voor het bepalen van het tertiair reservevermogen aanvaardbaar is op basis van de in paragraaf 23 aangevoerde elementen ; Beslist de CREG, in het raam van de opdracht die haar werd toevertrouwd door artikel 233 van het technisch reglement : beslissing (B)100826-CDC-982 van 26 augustus 2010 in te trekken voor zover ze specifiek betrekking heeft op de evaluatiemethode voor het secundair en tertiair reservevermogen evenals de toepassing ervan voor 2011 ; de evaluatiemethode voor het primair, secundair en tertiair reservevermogen evenals de toepassing ervan voor 2011 goed te keuren. De onderhavige beslissing spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten met betrekking tot deze materie; deze zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tariefbeslissing van de CREG. Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas : Dominique Woitrin Directeur NIET VERTROUWELIJK François Possemiers Voorzitter van het directiecomité 29/29