Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel Tel.: 02/289.76.11 Fax: 02/289.76.09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS BESLISSING (B)110519-CDC-1056 over „de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012‟ genomen met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe 19 mei 2011 INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) onderzoekt hierna, met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe (hierna: het technisch reglement), het voorstel van de N.V. ELIA SYSTEM OPERATOR (hierna : ELIA) van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012, dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone. Op 30 maart 2011 ontving de CREG ter goedkeuring het voorstel van ELIA betreffende de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012 (hierna: het voorstel van ELIA). Het voorstel van ELIA bestaat uit een begeleidend schrijven en twee hoofddocumenten in bijlage, namelijk de “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen” en de “Bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012”. ELIA voegde nog drie andere gemeenschappelijke bijlagen aan deze twee documenten toe. De eerste bijlage bevat de ENTSO-E-regels betreffende de reserves, de tweede bijlage bevat de vierde versie
(2007)van de UCTE-nota met de beschrijving van de ontwikkelde UCTE-kwaliteitsindicatoren inzake balancing en de doelwaarden ervan en de derde bijlage bevat een document van ELIA over de kwaliteit van de ACE
- De onderhavige beslissing bevat drie delen. Het eerste deel bespreekt het wettelijk kader. In het tweede deel wordt het voorstel van de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012 geanalyseerd. Het derde deel bevat de eigenlijke beslissing. 1 Area Control Error; het gaat hier om het verschil tussen de voorziene waarden van de energieuitwisselingen met de naburige regelzones en de waarden van deze in reële tijd gedane uitwisselingen, gecorrigeerd door de afwijking van de systeemfrequentie. 2/27 Het begeleidend schrijven van ELIA van 30 maart 2011 en zijn bijlagen zijn als bijlage bij deze beslissing gevoegd. De onderhavige beslissing werd door het Directiecomité van de CREG goedgekeurd op zijn vergadering van 19 mei
- De onderhavige beslissing spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten m.b.t. deze materie; die zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tarifaire beslissing van de CREG. 3/27 I. WETTELIJK KADER
- Overeenkomstig artikel 233 van het technisch reglement evalueert en bepaalt de netbeheerder het primair, secundair en tertiair reservevermogen dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone, en deelt zijn evaluatiemethode en het resultaat aan de CREG mee ter goedkeuring. Artikel 231, §2, van het technisch reglement voorziet dat de netbeheerder de primaire, secundaire en tertiaire reserves bepaalt rekening houdend met het hulpvermogen voor de installaties van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling van minder dan 20 MW aangesloten op het transmissienet, het lokaal transmissienet of het distributienet. Artikel 231, §3, van het technisch reglement bepaalt dat de netbeheerder gehouden is de ondersteunende diensten, die de primaire regeling van de frequentie, de secundaire regeling van het evenwicht in de Belgische regelzone, de tertiaire reserve, de regeling van de spanning en van het reactief vermogen, het congestiebeheer en de black-start dienst omvatten, in te richten volgens de bepalingen van hoofdstuk XIII van het technisch reglement (artikelen 231 tot en met 266 van het technisch reglement). Het technisch reglement bepaalt met name in artikel 232 dat de netbeheerder toeziet op de beschikbaarheid van en, in voorkomend geval, op de inwerkingstelling van de ondersteunende diensten, volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures, die berusten op de marktregels, en overeenkomstig de operationele regels voorzien in het technisch reglement. Artikel 235, §1, van het technisch reglement legt ten andere aan de netbeheerder op de effectieve terbeschikkingstelling van de primaire, secundaire en tertiaire reserves te controleren volgens modaliteiten die hij bepaalt en aan de CREG ter kennis geeft. 4/27 II. ANALYSE VAN HET VOORSTEL
- De analyse van het voorstel bevat drie delen. Het eerste deel behandelt de evaluatiemethodes voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen. In het tweede deel licht de CREG de toepassing van de methodes toe en worden de resultaten ervan beoordeeld. In het derde deel ten slotte maakt de CREG enerzijds haar beschouwingen met betrekking tot het huidige voorstel en vermeldt anderzijds haar aandachtspunten met het oog op het opstellen van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor de toekomstige jaren. II.
- Evaluatie van reservevermogens
- de voorgestelde methodes ter bepaling van de De uitgewerkte evaluatiemethodes ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012 worden door ELIA behandeld in het document “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen”. Dit document bevat zes hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt het doel van het document uiteengezet. In het tweede hoofdstuk worden de organisatie van de evenwichtsbewaking van de regelzones door de transmissienetbeheerder en de evenwichtsverantwoordelijkheid van de toegangsverantwoordelijken toegelicht. Verder wordt in dit hoofdstuk ook verwezen naar het Belgisch wettelijk kader (artikel 3, §1, van het technisch reglement). In het derde en vierde hoofdstuk worden de evaluatiemethodes voor het bepalen van enerzijds de primaire en anderzijds de secundaire en tertiaire reservevermogens behandeld. De laatste twee hoofdstukken bevatten de gebruikte afkortingen en de lijst van de bijlagen. 5/27 II.1.
- Methode ter bepaling van het primair reservevermogen
- De primaire regeling van de frequentie wordt in artikelen 236 tot 242 van het technisch reglement behandeld. Artikel 236, §2, van het technisch reglement preciseert dat de netbeheerder voor het bepalen van de technische specificaties betreffende de beschikbaarheid en de levering van het primair reservevermogen voor de primaire regeling van de frequentie, rekening dient te houden met de aanbevelingen en regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen.
- Op het niveau van ENTSO-E werden de regels gedefinieerd voor de bepaling en de levering van het nodige primair reservevermogen. De toepassing door ENTSO-E van deze regels leidt tot een benodigd primair reservevermogen van 3000 MW voor heel het ENTSO-E-net. Elke regelzone dient, volgens deze regels, in de mate van haar aandeel in de totale elektriciteitsproductie binnen het ENTSO-E-net bij te dragen tot dit primair reservevermogen. In de loop van een jaar wordt de bijdrage voor het volgende jaar bepaald op basis van de energie die respectievelijk door elke regelzone werd geproduceerd tijdens het voorgaande jaar. ELIA stelt voor deze regels ter bepaling van het primair reservevermogen voor de Belgische regelzone te volgen.
- De CREG stelt vast dat ELIA voldoet aan artikel 236, §2, van het technisch reglement, gezien de voorgestelde methode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen en met name de spelregels die door ENTSO-E werden opgesteld. II.1.
- Methode ter bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen
- De secundaire regeling wordt behandeld in artikelen 243 tot 247 van het technisch reglement, de tertiaire regeling in artikelen 249 tot 260 van dat zelfde document. 6/27
- In bedrijf moet het systeem het hoofd bieden aan storingen met verschillende draagwijdte. Elk daarvan wordt opgevangen door een ander type van reserve. ELIA stelt dat het geheel van de secundaire en tertiaire reserves (R2+R3) wordt gebruikt om het hoofd te bieden aan veiligheidsproblemen. In deze optiek wordt de secundaire reserve (R2) gebruikt om de problemen in verband met de ACE binnen het kwartier te regelen. De tertiaire reserve (R3) komt de R2 dan aanvullen als het volume hiervan niet volstaat. In het geval van het uitvallen van een eenheid neemt de R2 deel aan de compensatie, zonder de totaliteit ervan alleen te verzekeren. In deze omstandigheden moet ze ook niet volledig hersteld zijn binnen het kwartier, aangezien het geheel van R2+R3 het onevenwicht als gevolg van het uitvallen van de eenheid compenseert.
- « Policy 1 » van het bedrijfshandboek van ENTSO-E introduceert verschillende soorten methodes voor het dimensioneren van de secundaire en de tertiaire reserves: enerzijds een deterministische methode, bestemd om de controle te behouden bij het verlies van de grootste productie-eenheid, en bijgevolg gebaseerd op het criterium « N - 1 », anderzijds een probabilistische methode die steunt op een probabilistische evaluatie van het risico om reserve tekort te komen. De deterministische methode is wijdverspreid en vormde de grondslag van de methode die ELIA totnogtoe gebruikte voor het bepalen van het volume aan tertiaire reserve. Ze zou echter al vlug haar grenzen kunnen bereiken als het erom gaat rekening te houden met de almaar complexere problemen waarmee men te maken krijgt bij het bepalen van het secundaire en tertiaire reservevermogen. ELIA heeft bijgevolg een nieuwe probabilistische methode voor het bepalen van het secundaire en tertiaire reservevermogen ontwikkeld. Ze had in 2010 al de premissen van deze methode aangehaald in de bijlage van haar voorstel over de primaire, secundaire en tertiaire reserves voor 2011, ter illustratie van de op dat ogenblik al gedane inspanningen op het vlak van methodologische ontwikkeling. 7/27 ELIA is van oordeel dat vanaf dit jaar deze methode volop gebruikt mag worden om het secundaire en tertiaire reservevermogen van 2012 te bepalen, zonder de tot in 2010 gebruikte methode nog toe te passen.
- Om het risico op tekort aan reserve te evalueren convolueert2 de probabilistische methode de verdelingen van de kansdichtheid van de oorzaken van onevenwicht. De vergelijking van de resulterende kromme en van een aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve maakt het mogelijk het vereiste reservevolume te bepalen. Naargelang het type van reserve waarvan ze het volume wil bepalen, gebruikt ELIA de probabilistische methode met verschillende waarden voor de parameters: het type van oorzaak van onevenwicht, dat meerbepaald wordt aangepast aan het beschouwde type van variatie, intra kwartuur of tussen kwartuur, de voorspellingshorizon, met andere woorden de tijd die is verlopen tussen het ogenblik waarop de analyse wordt gemaakt en het begin van de onderzochte periode, de beschouwde periode, m.a.w. het aantal uren gedurende dewelke de methode de onevenwichten toepast, de oorzaken van onevenwicht « activeert » en nagaat of de reserve volstaat om de ACE tot een waarde nul te herleiden en daar te houden, de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve. Typisch kan de voorspellingshorizon kort zijn, enkele uren of dagen vooraf – om de reserves te ramen die de komende uren of dagen zullen nodig zijn – of lang, verscheidene maanden vooraf, zoals het geval is voor het huidige voorstel van ELIA. De voor de andere parameters aangenomen waarden worden hierna opgegeven, bij de toepassing van de methode op elk type van reserve. 2 Convolutie is een wiskundige techniek die het mogelijk maakt de kansdichtheid te berekenen van een som van onafhankelijke toevalsvariabelen waarvan de individuele kansdichtheid gekend is. In het geval dat ons bezighoudt worden de oorzaken van onevenwicht weergegeven door toevalsvariabelen. 8/27
- De door ELIA uitgewerkte methode splitst zich op in verschillende stappen: het bepalen van de nodige vermogens van R2+R3 voor het globale systeem, het bepalen van de nodige vermogens van R2+R3 voor het standaardsysteem, het bepalen van het vermogen van R2, het bepalen van het vermogen van R
- ELIA voert een verschil tussen R2+R3 voor het globale systeem en het standaardsysteem in. Het globale systeem is het systeem in zijn geheel en de in deze context bepaalde reserve R2+R3 is die welke het systeem in zijn geheel nodig heeft. In het CIPU-contract wordt echter gespecificeerd dat de ARP die in hun portefeuille eenheden hebben met een vermogen dat groter is dan het vermogen van een eenheid die als standaard wordt genomen (« standaardvermogen » genoemd) hun eigen reserve moeten verzekeren voor het vermogen dat dit standaardvermogen overtreft. Dat is vastgesteld op 500 MW en ELIA koopt R2+R3 reserve aan en stelt ze ter beschikking van de ARP om het verlies van een standaardeenheid te compenseren. Voor het bepalen van de reservevermogens R2+R3 maakt ELIA gebruik van beide benaderingen, de deterministische en de probabilistische, waarbij ze vanuit een conservatief standpunt het hoogste resultaat van beide benaderingen als te reserveren volume neemt. Om het volume van R2 te bepalen, maakt ELIA enkel gebruik van de probabilistische benadering, omdat de deterministische benadering in dit geval minder geschikt is.
- Om de ACE van de regelzone te compenseren splitst ELIA de variatie van dit onevenwicht op in een variatie van de kwartuurwaarden van kwartuur tot kwartuur en een variatie binnen het kwartuur, intrakwartuur variatie genaamd. ELIA gaat er bovendien van uit dat de compensatie van de variatie binnen het kwartuur tot het gebied van de R2 behoort, terwijl de variatie tussen kwarturen moeten gecompenseerd worden door het geheel van R2+R
- 9/27
- Zo zijn de beschouwde oorzaken van onevenwicht voor de dimensionering van het geheel R2+R3 die waarvan het effect langer duurt dan een kwartuur: uitvallen van productie-eenheden, fout3 op de windvoorspellingen, onevenwicht van de globale ARP (regelzone) zonder uitvallen van thermische eenheden (afnamevooruitzichten en uitwisselingsprogramma‟s), Als het vermogen R2+R3 voor het globale systeem beschouwt, houdt ELIA rekening met alle productie-eenheden. Beschouwt men het standaardsysteem, dan wordt rekening gehouden met de grote productie-eenheden voor een vermogen dat beperkt is tot de grootte van de standaardeenheid, namelijk 500 MW. De foutmarge op de netverliesvoorspellingen wordt genegeerd.
- Andere beschouwde oorzaken van onevenwicht voor de dimensionering van R2 zijn die waarvan het effect zich binnen het kwartuur laat gevoelen: de intrakwartuur variabiliteit van het onevenwicht van de globale ARP, de intrakwartuur variabiliteit van de fout op de windvoorspellingen, de intrakwartuur variabiliteit van de fout op de voorspellingen inzake netverliezen.
- De reserve R3 die ELIA moet verwerven om ze ter beschikking van de ARP‟s te stellen wordt berekend als de aanvulling die bij R2 moet gevoegd worden om de reserve R2+R3 van het standaardsysteem te bekomen. In haar huidige voorstel maakt ELIA deze berekening door een eenvoudige rekenkundige aftrekking, namelijk R3 = (R2+R3) – R
- De CREG is verheugd over de ontwikkeling van een probabilistische methode door ELIA, waarmee de methodologische beperkingen die de methoden voor de 3 In dit geval verstaat men onder « fout » de voorspellingsfout waar de intrakwartuur variabiliteit werd uitgehaald. 10/27 secundaire reserve vertonen die totnogtoe door ELIA werden toegepaste, worden aangepakt. Deze beperkingen werden door de CREG al aangestipt in punt 13 van haar beslissing (B)100826-CDC-982 van 26 augustus
- Wat de berekening van de reserve R2+R3 betreft, stelt de CREG vast dat ELIA vanuit een conservatief standpunt het gebruik van de probabilistische methode aanvult met dat van de klassieke deterministische methode « N-1 ». De CREG is van mening dat deze praktijk tegemoetkomt aan de bekommernis om de reserve R2+R3 niet te onderschatten die nodig is zolang het windenergievermogen geen doorslaggevende rol speelt in de dimensionering van deze reserves.
- Algemeen genomen stelt de CREG vast dat ELIA een methodologie heeft uitgewerkt die in de lijn ligt van die welke bedoeld wordt in « Policy 1 » van het bedrijfshandboek van ENTSO-E voor wat de secundaire en tertiaire reserve betreft. In dat opzicht voldoen de door ELIA voorgestelde methodes aan artikelen 244, § 2, en 250, § 2, van het technisch reglement. Bovendien laten ze toe rekening te houden met de doelstelling van de opdrachten die ELIA worden toevertrouwd krachtens artikel 233 van het technisch reglement. De CREG is van mening dat de door ELIA voorgestelde methodes een dimensionering van het automatische secundaire regelvermogen en van het tertiaire regelvermogen mogelijk maken. Bijgevolg is de CREG van mening dat de door ELIA voorgestelde evaluatiemethodes aanvaardbaar zijn. De CREG merkt evenwel op dat ze zich in de huidige beslissing niet over enig onevenwichtstarief uitspreekt. De probabilistische methode moet echter nog verfijnd worden en de toepassing ervan op de dimensionering van het volume van R2 moet nog enkele aanpassingen ondergaan, zoals wordt besproken in de hierna volgende paragrafen 32 en
- 11/27 II.1.
- Conclusie met betrekking tot de methodes ter bepaling van de reservevermogens
- Rekening houdend met de hierboven aangehaalde elementen verleent de CREG haar goedkeuring aan ELIA met betrekking tot de voorgestelde evaluatiemethodes voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen. II.
- Evaluatie van de toepassing van de methodes op het Belgische systeem
- De bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012 door toepassing van de voorgestelde methodes wordt door ELIA behandeld in een afzonderlijk document « Bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012 » dat als bijlage bij het begeleidend schrijven is gevoegd. Dit document telt vijf hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt het doel van het document uiteengezet en het tweede hoofdstuk vormt een samenvatting van de in het document bepaalde volumes. De toepassing van de methodes voor het jaar 2012 wordt in het derde hoofdstuk beschreven. Dit hoofdstuk verwijst tevens naar het Belgisch wettelijk kader (artikel 3, § 1, van het technisch reglement). De laatste twee hoofdstukken bevatten de lijst van referenties en de lijst van de bijlagen. II.2.
- Bepaling van het primair reservevermogen
- Het aandeel van de Belgische regelzone in de totale primaire regeling voor 2012 binnen de ENTSO-E-zone wordt pas later in 2011 door ENTSO-E bepaald. ELIA is van mening dat dit aandeel voor 2012 niet zal toenemen ten opzichte van de waarde in 2011, namelijk 3,52% van 3000 MW. ELIA stelt daarom voor om bij de 12/27 bepaling van het primair reservevermogen voor 2012 rekening te houden met de waarde van 106 MW voor het jaar
- Gezien dit volume als richtwaarde geldt, voorziet ELIA om in de aanbestedingsprocedure clausules in te lassen die toelaten het gecontracteerde volume aan primair reservevermogen te kunnen aanpassen in functie van het aandeel van de Belgische regelzone voor 2012 dat door ENTSO-E zal worden bepaald. Op basis van de goedgekeurde evaluatiemethode stelt ELIA voor om een gemiddeld primair regelvermogen van 106 MW te contracteren, met de mogelijkheid een waarde van het primair regelvermogen toe te laten die lager is dan deze gemiddelde waarde, maar enkel indien één van de eenheden welke in dag D-1 voorzien waren om deel uit te maken van het primair reservevermogen voor dag D uitvalt tussen het moment waarop de D-1 reserve genomineerd werd en de dag D zelf. In dat geval zal het verlies aan primair reservevermogen bovendien beperkt zijn tot 30 MW, zoals bepaald door ENTSO-E. ELIA beklemtoont dat het begrip gemiddelde waarde impliceert dat het gedurende een beperkt aantal ogenblikken niet over de voorziene gemiddelde waarde zal beschikken. Dat heeft echter tot gevolg dat de kleine ARP die slechts over weinig eenheden beschikken waarop ze de gecontracteerde primaire reserve kunnen plaatsen toch aan de primaire regeling kunnen deelnemen zonder systematisch beboet te worden, aangezien ze dit tekort aan beschikbare reserve kunnen compenseren door een grotere nominatie van primaire reserve op andere ogenblikken waarop de eenheid beschikbaar is. ELIA beklemtoont dat dit de veiligheid van het systeem niet in gevaar brengt, omdat de ervaring leert dat ze in het verleden meestal over een primaire reserve beschikte die gelijk aan of groter dan de gecontracteerde reserve was en dat er geen reden is om te denken dat dit in de toekomst zal veranderen. Deze vaststelling geldt niet alleen op Belgisch vlak, maar ook op Europees vlak. Bij wijze van aansporing neemt ELIA zich trouwens voor een boetesysteem toe te passen als een ARP zijn gemiddeld maandelijks volume niet in acht neemt en/of als hij de vastgestelde minimumgrens niet in acht neemt. 13/27 Aangezien reserves in België almaar moeilijker te verkrijgen zijn, neemt ELIA zich voor oplossingen deels buiten de regelzone te blijven zoeken, zoals de ENTSO-Eregels het toelaten. Daarvoor is geen reservering van grensoverschrijdende capaciteit nodig, aangezien de TRM onder andere daarvoor bestemd is. ELIA wil dan ook in de loop van 2011 besprekingen aanvatten om na te gaan of er mogelijkheden bestaan bij in het buitenland gevestigde centrales. Wat betreft de toepassing voor 2012 van de hierboven goedgekeurde methode ter bepaling van het primair reservevermogen, keurt de CREG het volume van 106 MW aan primair reservevermogen voor de Belgische regelzone goed, onder de hierboven aangehaalde beschikbaarheidsvoorwaarden4, met dien verstande dat de CREG deze voorwaarden slechts goedkeurt voor zover de primaire reserve die werkelijk is toegewezen aan andere eenheden dan degene uitgevallen tussen de nominatie in D1 en real time, waarvoor een nominatie van primaire reserve in D-1 gebeurde, niet kleiner is dan de primaire reserve genomineerd op deze eenheden in D-
- Het uiteindelijk gecontracteerde primaire reservevermogen mag echter niet de waarde overschrijden die ENTSO-E voor 2012 zal bepalen. II.2.
- Bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen
- ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het secundair en tertiair reservevermogen R2+R
- De voornaamste parameters van het probabilistische model worden bepaald op basis van de volgende principes. Voor 2012 bedraagt het geïnstalleerde windenergievermogen 1.514 MW waarvan 495 MW offshore. De beschouwde periode bedraagt 8 uur. De waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve is gebaseerd op het voorstel van ENTSO-E, namelijk 0,1%. Deze evaluatie ligt eveneens in de lijn van het doorgaans aanvaarde risico voor de bevoorrading van de TSO inzake reserve. 4 Omstandigheden waarin wordt erkend dat Elia over minder dan 106 MW beschikt. 14/27 Het percentage aan uitvallen van eenheden werd overgenomen uit een synthese van de informatie vervat in de logbooks van de nationale dispatching. De restfout van de windvoorspelling geeft het verschil weer tussen de voorspelling en de verwezenlijking (effectieve productie), met andere woorden dat wat ELIA moet compenseren; om deze restfout te ramen baseert ELIA zich op de statistieken van de offshore windparken in 2010 in België en op die van de onshore windparken in 2009 in het 50Hertz net, rekening houdend met de invloed van de ervaring bij de voorspellingen over de juistheid van deze voorspellingen; verschillende schaalaanpassing- en convolutieverrichtingen, evenals correcties voor het omschakelen van day ahead voorspellingen naar intraday voorspellingen, om een schatting van de distributie van de voorspellingsfouten van de onshore en offshore windparken in intraday te maken; tot slot wordt een laatste correctie aangebracht om rekening te houden met een correlatie tussen onshore en offshore. De fout van de globale ARP omvat de oorzaken van onevenwicht van regelzone, buiten de wind en het uitvallen van productie-eenheden van het aan het ELIA-net gekoppelde park; er worden verbeteringen verwacht als gevolg van de invoering van nieuwe onevenwichtstarieven 5, de ontwikkeling van de intraday markt (onder andere grensoverschrijdende) en de verbetering van de voorspellingstechnieken; de verdeling ervan voor 2012 wordt echter als zijnde gelijk aan deze voor 2010 genomen.
- Door het toepassen van de goedgekeurde methode met de waarden van de parameters bepaald volgens de hierboven uiteengezette principes, komt ELIA tot een waarde van 1.183 MW aan secundair en tertiair reservevermogen (R2+R3) voor het globale systeem en van 790 MW voor het standaardsysteem, met een beschikbaarheid van 99,9%. Daarbij dient genoteerd dat de volgens de probabilistische methode geschatte waarde van 1.183 MW voor het globale systeem groter is dan de schatting bekomen volgens de deterministische methode N-1, namelijk het nominale vermogen van de grootste machine. Het is dus het resultaat van de probabilistische methode dat als referentie zal genomen worden. De te 5 Nota van de CREG: onder voorbehoud van goedkeuring door de CREG van een voorstel van ELIA inzake nieuwe tarieven voor het compenseren van de kwartuuronevenwichten. 15/27 socialiseren en dus door ELIA te verwerven waarde is die van het standaardsysteem, namelijk 790 MW.
- De CREG hecht haar goedkeuring aan het door ELIA voor 2012 bepaalde secundaire en tertiaire reservevermogen, namelijk 790 MW met een beschikbaarheid van 99,9%. II.2.
- Bepaling van het secundair reservevermogen
- ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het secundair reservevermogen R
- De voornaamste parameters van het probabilistische model worden bepaald op basis van de volgende principes. Voor 2012 bedraagt het geïnstalleerde windenergievermogen 1.514 MW waarvan 495 MW offshore. De beschouwde periode bedraagt 8 uur. De waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het reservetekort is gebaseerd op de volgende overwegingen: de secundaire regeling wordt gebruikt om de problemen in verband met de ACE binnen het kwartuurinterval te regelen (zie punt 8 hierboven); in het systeem van ENTSOE wordt de kwaliteit van de regeling van de ACE gemeten door middel van indicatoren6; ELIA stelt dat, in 2010, de secundaire reserve van 137 MW aanleiding gaf tot een reservetekort van meer dan 12%, ofschoon de waarden voldeden7 aan de ENTSO-E indicatoren, lagen ze dicht tegen de kwaliteitslimieten; door een veiligheidsmarge te nemen, bepaalt ELIA de waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het reservetekort op 11,5%. De intrakwartuur variabiliteit van het onevenwicht van de globale ARP wordt berekend op basis van het verschil van de onevenwichten van de globale ARP tussen opeenvolgende kwarturen. 6 Beschreven in het document « Explanatory Note on the Implemented Quality Indicators (BQI : Balancing Quality Indicators) », opgenomen als bijlage 3 bij het voorstel van ELIA. 7 Ten opzichte van de grenswaarden bepaald door ENTSO-E 16/27 De intrakwartuur variabiliteit van de residuele voorspellingsfout van de windvoorspelling wordt berekend op basis van het verschil van de residuele voorspellingsfouten van de windvoorspelling tussen opeenvolgende kwarturen. De intrakwartuur variabiliteit van de residuele voorspellingsfout van de netverliezen wordt berekend op basis van het verschil van de residuele voorspellingsfouten van de netverliezen tussen opeenvolgende kwarturen. Deze fout is gelijk aan het verschil tussen de voorspelling en de reële waarde van de netverliezen. Om de verdeling te ramen wordt gebruik gemaakt van de tijdreeksen van
- Door het toepassen van de goedgekeurde methode met de waarden van de parameters bepaald volgens de hierboven uiteengezette principes, komt ELIA tot een waarde van 140 MW aan secundair reservevermogen R
- ELIA stelt dus een gemiddelde bandbreedte voor van 140 MW, met een minimum van 100 MW beschikbaar gedurende 100% van de tijd. Ze vertaalt dit minimumvolume in een voorwaarde volgens dewelke het verlies van een individuele eenheid die deel uitmaakt van de evenwichtsregeling van de zone nooit mag leiden tot een beschikbaar volume dat kleiner is dan 100 MW.
- De CREG hecht haar goedkeuring aan de door ELIA bepaalde hoeveelheid secundair reservevermogen voor 2012, namelijk gemiddeld 140 MW met een minimum beschikbaar vermogen van 100 MW onder de voormelde omstandigheden en voorwaarden. Ze meent echter dat de berekeningswijze van de waarden van de parameters met betrekking tot de intrakwartuur variabiliteit van de oorzaken van onevenwicht dient verfijnd te worden voor het voorstel inzake de reserves voor
- Dit punt zal in de hierna volgende beschouwingen besproken worden. 17/27 II.2.
- Bepaling van het tertiair reservevermogen
- ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het tertiair reservevermogen R
- Zodoende berekent ze het tertiaire reservevermogen R3 als het verschil tussen het secundair en tertiair reservevermogen R2+R3 en het secundair reservevermogen R2 zoals die hierboven bepaald werden. Voor het door ELIA te reserveren gesocialiseerde deel dient het standaardsysteem en niet het globale systeem als referentie. Aangezien het secundair en tertiair reservevermogen R2+R3 geraamd wordt op 790 MW en het secundair reservevermogen R2 op 140 MW, wordt het tertiair reservevermogen R3 geraamd op 790-140 = 650 MW, met een beschikbaarheid van 99,9% zoals de reserve R2+R
- ELIA stelt dat ze niet verplicht is de beschikbaarheid van elke reservemiddel van R3 afzonderlijk te bepalen, maar dat het volume en de beschikbaarheid van de totale portefeuille aan reservemiddelen van R3 moet voldoen aan het bepaalde volume voor de bepaalde beschikbaarheid. Op grond van voorbije ervaringen neemt ELIA zich voor zijn portefeuille van R3 als volgt samen te stellen: 400 MW aan R3 op de productie-eenheden met een beschikbaarheid van 90%, minstens 261 MW aan R3 op de beschikbare afschakelbare cliënteel gedurende minstens 80% van de tijd (wat betekent dat een volume kleiner dan 261 MW hoogstens 20% van de tijd beschikbaar is), 2 inter-TSO contracten met RTE en TenneT, elk van 250 MW niet gewaarborgd, de andere ID-bids (incremental and decremental bids) op de productieeenheden. 18/27 ELIA zegt dat deze portefeuille het mogelijk maakt de reserve R3 te verzekeren die nodig is voor de veiligheid van het standaardsysteem, namelijk 650 MW beschikbaar voor 99,9%. Om haar portefeuille van reserves te evalueren heeft ELIA de convolutie van de van verschillende componenten van haar portefeuille van R2 en R3 uitgevoerd. De daarbij gebruikte verdelingen zijn de beschikbaarheid in 2010 van R2 en van R3 productie in D-1, de effectieve beschikbaarheid van R3 op de afschakelbaren en de beschikbaarheid van de inter-TSO reserve met RTE, toegepast op de twee contracten
- De andere incrementele bids werden niet in de convolutie inbegrepen. Deze convolutie leidt tot een reserve R2+R3 van 790 MW beschikbaar tegen ruim 99,9%. Noteer dat dit resultaat zeer gevoelig is voor de beschikbaarheid van de interTSO reserve. Tevens dient opgemerkt dat deze berekening wordt gemaakt in de veronderstelling dat er geen correlatie tussen de verschillende waarschijnlijkheidsverdelingen is. De beschikbaarheid van de reservemiddelen en de bepaling van de behoeften zijn het voorwerp van een follow-up van dag tot dag door ELIA in het kader van haar exploitatieprocedures, met een tijdshorizon van een jaar vooraf tot D-
- De CREG keurt de door ELIA voor 2012 bepaalde hoeveelheid tertiair reservevermogen goed, namelijk 650 MW beschikbaar voor 99,9% van de tijd. Ze is van mening dat de manier waarop ELIA haar portefeuille van tertiaire reservemiddelen wil samenstellen, namelijk 400 MW op de productie-eenheden met een gemiddelde beschikbaarheid van 90% en 261 MW op de beschikbare afschakelbare cliënteel gedurende minstens 80% van de tijd, aangevuld met twee inter-TSO contracten van 250 MW niet gewaarborgd, met een beschikbaarheid vergelijkbaar met deze van het inter-TSO contract met RTE in 2010, daadwerkelijk aan deze behoeften kan voldoen. 8 De beschikbaarheid van het contract met TenneT is niet zo nauwkeurig gekend als die van het contract met RTE. 19/27 II.3 Overwegingen van de CREG
- De CREG wenst, rekening houdend met het belang van de bepaling van de reservevermogens voor de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het transmissienet in de regelzone, in de huidige beslissing een aantal beschouwingen te maken met het oog op het opstellen van een evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen in de toekomst.
- De CREG wenst dat ELIA haar in de toekomst blijft informeren door middel van een jaarlijks verslag9 over de beschikbaarheid en het gebruik van de reservevermogens, afschakelbare afnamen en inter-TSO reserves inbegrepen, ten behoeve van de Belgische regelzone. Gezien het belang van de waarschijnlijkheidsverdelingen in de probabilistische methode voorgesteld door ELIA, vraagt de CREG dat, vanaf het verslag over het jaar 2011, ELIA dit laatste zou aanvullen met de verdelingen van de waarschijnlijkheidsdichtheid per onevenwichtsfactor die bij deze methode gebruikt worden, zowel voor R2 als voor R2+R
- Ze verzoekt ELIA tevens haar de getalswaarden van deze verdelingen op informaticadrager te bezorgen. Ter illustratie van de vergelijkende analyse van de kwaliteit van de regeling in de verschillende regelzones in Europa, verzoekt de CREG ELIA tevens er systematisch een kopie bij te voegen van de laatste vier kwartaalverslagen van de UCTE over het prestatievermogen van de primaire regeling en van de vermogensfrequentieregeling, of van elk officieel document dat dit verslag zou vervangen.
- Uit methodologisch oogpunt verheugt de CREG zich over de onbetwistbare vooruitgang die door de nieuwe probabilistische methode wordt geboden. Toch meent ze dat ELIA zijn methode nog moet verfijnen. De toepassing van een « aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve » op het resultaat van de convolutie van de verdelingen van de verschillende types van onevenwicht voor de bepaling van de vereiste reserve leidt immers tot het bepalen van een voor 100% beschikbaar reservevolume. De overgang naar een gegeven gemiddeld beschikbaar volume verbonden aan een minimumwaarde is, in 9 Document « Reporting reserves 2010 » 20/27 de toegepaste convolutiemethode, niet gelijk aan een voor 100% beschikbaar volume. In feite bestaat dit erin binnen de probabilistische benadering een sterk vereenvoudigde benadering te herintroduceren die dicht bij de deterministische benadering aanleunt. Bovendien is de door ELIA a posteriori uitgevoerde verificatie voor het volume aan secundaire en tertiaire reserve in punt 3.2.3.2.3 (« Portefeuille van tertiaire middelen voor 2012 ») van zijn document « Bepaling van primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012 » niet volledig geïntegreerd in de convolutiemethode en vormt ze een approximatie die niet echt de nauwkeurigheid van het aangekondigde resultaat garandeert. Er bestaan nochtans in de convolutiemethode geïntegreerde bewerkingen die het mogelijk maken rekening te houden met zowel een beschikbaarheid van de middelen verschillend van 100% als met gewaarborgde volumes. Bijgevolg verzoekt de CREG ELIA om zijn nieuwe methode in de hierboven aangegeven zin te vervolledigen tegen het volgende voorstel met betrekking tot de volumes na
- Bij de toepassing van haar probabilistische methode voor de bepaling van het volume van R2, gaat ELIA approximatief tewerk door als maat van de intrakwartuur variabiliteit het verschil tussen opeenvolgende kwarturen te nemen. Tegen het volgende voorstel m.b.t. tot de volumes na 2012 verzoekt de CREG ELIA de definitie van de variabiliteit die wordt gebruikt bij de bepaling van het volume van R2 te verfijnen en in haar voorstel de overeenkomstige gegevens te gebruiken.
- De CREG had ELIA in haar beslissing van 2009 voor 2010 gesuggereerd met de DNB‟s te overleggen om van hen de nodige gegevens over de productieverwachtingen van de windturbines en hun reële productie te bekomen, in het raam van artikelen 372 en 373 van het federaal technisch reglement. In haar beslissing van augustus 2010 had de CREG ELIA verzocht haar uiterlijk tegen 15 oktober 2010 een stand van zaken over de gegevensvergaring (type, net, voorspelling, productie,…) te bezorgen en toen ze in haar beslissing (B)101223CDC-1027 van 23 december 2010 vaststelde dat dit nog niet gebeurd was, had ze ELIA verzocht dit vóór 31 januari 2011 te doen. Tot op heden heeft de CREG nog 21/27 altijd niets ontvangen. Ze verzoekt ELIA met aandrang haar tegen 15 juli 2011 een schriftelijke stand van zaken te bezorgen.
- De geleidelijke maar gevoelige stijging van het geïnstalleerde vermogen aan wind- en zonne-energie heeft tot gevolg dat het relatieve aandeel van de intermitterende productie in het dekken van de vraag toeneemt. De CREG verzoekt ELIA om het relatieve aandeel van de intermitterende productie in het dekken van de vraag in het oog te houden, ten einde de nodige maatregelen te kunnen treffen. Voor zover de intermitterende productie van cyclische aard kan zijn (met bijvoorbeeld seizoen- of dagcyclussen), neemt de CREG nota van de bereidheid van ELIA om de reserveringen van reservecapaciteit op kortere termijn te beschouwen dan de huidige jaartermijn en om haar nieuw risicomodel te gebruiken om na te gaan of het verstandig is in deze zin verder te gaan. De CREG is van mening dat deze vorderingen de goede richting uitgaan omdat ze een zekere soepelheid in het systeem helpen invoeren. Ze dringt er echter bij ELIA op aan dat elke in die zin genomen maatregel ELIA in staat zou stellen om op ieder ogenblik over de nodige reservevolumes te blijven beschikken en niet de veiligheid van het net in gevaar zou brengen.
- ELIA meldt dat ze de mogelijkheid onderzoekt om deel te nemen aan het samenwerkingssysteem tussen de vier Duitse TSO‟s inzake netting van de activering van de secundaire reserve (GCC, « Grid Control Cooperation »). Een eerste informatievergadering had plaats begin mei 2011, tijdens dewelke ELIA de CREG inlichtte over de stand van het dossier. De CREG blijft belangstelling tonen voor dit initiatief en verzoekt ELIA haar regelmatig op de hoogte te houden van de vorderingen op dit vlak.
- Met betrekking tot het voorstel van ELIA om een beroep te doen op de uitwisselingsprogramma‟s tussen transmissienetbeheerders, benadrukt de CREG dat ELIA waakzaam moet blijven ten aanzien van de kosten van de aangenomen oplossing en tegelijk het risico op een aanvaardbaar peil moet houden. Daarenboven meent de CREG dat, van zodra de inter-TSO reserve een expliciet deel van de tertiaire reserve wordt, het belangrijk is een goed zicht te hebben op de 22/27 beschikbaarheid van deze reserve. Op dit ogenblik is slechts een raming van de beschikbaarheid van de inter-TSO reserve van het contract met RTE beschikbaar en « geregistreerd ». De CREG verzoekt ELIA dan ook om contact op te nemen met de naburige TSO‟s RTE en TenneT ten einde de uitwisseling van gegevens over de beschikbaarheid qua volume en de eraan verbonden prijzen van de inter-TSO reserves te formaliseren. De CREG wil om de drie maanden door ELIA op de hoogte gebracht worden van de vorderingen ter zake.
- Aangaande de deelneming van de afnemers aan de primaire en secundaire regeling, neemt de CREG nota van de door ELIA ondernomen acties en van de weinig bemoedigende resultaten die ze lijken te geven, zowel voor de primaire als voor de secundaire regeling. Nochtans zou qua beschikbaarheid een zekere veelheid aan middelen en soepelheid bij het bepalen van periodes waarin deze dienst geleverd wordt, het wellicht mogelijk maken bepaalde beperkingen te omzeilen. Gezien de aangekondigde schaarsheid van de reservevermogens in België, moedigt de CREG ELIA aan in deze richting te blijven zoeken. Inzake « vrije » (niet op jaarbasis gecontracteerde) aanbiedingen op afnamen van grote industriële klanten, vraagt de CREG ELIA ook om door te zetten, zelfs al is het aantal klanten dat aanvankelijk geïnteresseerd is in deze nieuwe dienst zeer beperkt.
- Uit het rapport over het gebruik van de reserves in 2010 blijkt dat de afschakelbare afnamen daadwerkelijk werden geactiveerd in
- De CREG steunt deze praktijk en blijft de mening toegedaan dat deze reserves toch minstens eenmaal per jaar moeten geactiveerd worden wanneer de activering van tertiaire reserves nodig is, ook al zijn de afschakelbare reserves op dat moment niet de goedkoopste. Ze meent dat op deze manier de werkelijke beschikbaarheid en reactiesnelheid getest wordt. Op deze manier groeit de ervaring van ELIA en de betrokken industriële afnemers met betrekking tot de activering van de afschakelbare reserves. Om die reden vraagt de CREG dat elke onderbreekbare afname minstens één maal in 2012 zou geactiveerd worden. Uit de reporting over de reserves 2010 van ELIA blijkt globaal genomen een uitstekende beschikbaarheid van de R3 op de afschakelbare afnamen. Toch is de 23/27 beschikbaarheid merkelijk lager dan verwacht gedurende de eerste dagen van januari en de tweede helft van december, wat zou kunnen te wijten zijn aan het vertragen van de bedrijvigheid van de betrokken industrieën rond de eindejaarsfeesten. Als dit recurrent zou blijken, verzoekt de CREG ELIA een oplossing uit te werken om gedurende deze periode over een reservevolume R2+R3 te beschikken dat conform de veiligheidsvereisten van het Belgische systeem is.
- Tijdens specifieke studies stelde de CREG vast dat het maximumvermogen van de productie-eenheden van de Belgische regelzone (Pmax) dat door de producent aan ELIA wordt overgemaakt niet altijd overeenstemde met de reële waarde die bij de eenheid hoort. Na contacten met ELIA en de producenten werd een definitie van de kwartuurwaarde van Pmax aangenomen. Ondanks dat deze oplossing al van verscheidene maanden terug dateert (oktober 2010), heeft ELIA het formaat voor de overdracht aan de CREG van deze Pmax-waarden, nog niet aangepast aan de nieuwe definitie. De CREG verzoekt ELIA met aandrang de gegevensformaten om de kwartuurwaarden van de Pmax over te maken, bij te werken. De CREG herinnert eraan dat dit dossier voor het eerst werd aangehaald in haar beslissing (B)090528CDC-867 van 28 mei 2009 over de volumes voor het jaar
- De CREG stelt vast dat de waarden voor de Belgische regelzone van de door ENTSO-E bepaalde indicatoren met betrekking tot de ACE, die verminderd waren als gevolg van de aanpassing van de berekeningsformule, opnieuw regelmatig aan het stijgen gingen tijdens de laatste maanden van 2010 en de eerste maanden van
- Deze tendens zou, als men niet oplet, tot een toestand kunnen leiden waarin de maximumwaarde van deze indicatoren systematisch overschreden wordt. Omdat de evaluatiemethode van het secundaire reservevolume hoofdzakelijk gebaseerd is op de kwaliteit van de zoneregeling, beschouwd volgens de waarde van de indicatoren van ENTSO-E, dringt de CREG er bij ELIA op aan dat het over de kwaliteit van de regeling van het zone-evenwicht zou waken. Uit dit oogpunt zijn de laatste door de CREG ontvangen waarden van de indicatoren, namelijk die met betrekking tot februari 2011, bemoedigend. Als de waarde van de indicatoren systematisch hoger zou komen te liggen dan de maximumwaarden bepaald door ENTSO-E, verzoekt de CREG ELIA de nodige maatregelen te treffen om de kwaliteit van de regeling opnieuw op een aanvaardbaar peil te brengen. Ingeval deze maatregelen een 24/27 aanpassing van de gecontracteerde volumes zouden inhouden, wordt ELIA verzocht bij de CREG een nieuw voorstel over de nodige volumes in te dienen.
- Het contracteren van primaire, secundaire en tertiaire reservevolumes door ELIA blijkt steeds moeilijker te worden. De aanwezigheid in het park van een groot volume aan nucleaire productie, dat weinig soepel is op het vlak van exploitatie, evenals de geleidelijke toename van de intermitterende productiebronnen, vergroten deze moeilijkheid nog. Het zou dan ook nuttig zijn om voor sommige nucleaire eenheden de mogelijkheid te voorzien om deel te nemen aan de secundaire en/of tertiaire reserves. Dat kan niet bij de huidige stand van de gebruikte technologie. Technologische aanpassingen om deze deelneming mogelijk te maken zijn echter volkomen denkbaar, zoals Frankrijk heeft gedaan door sommige van zijn nucleaire eenheden ex post uit te rusten met « grijze staven » die het mogelijk maken hun productie te moduleren en ze dus laten deel te nemen aan de secundaire en tertiaire reserves. De CREG is zich ervan bewust dat een dergelijke deelneming niet gratis is. Ze brengt bijkomende kosten mee, zowel wat investeringkosten als exploitatiekosten betreft. Als ze enkel bedoeld zijn om de deelneming aan de secundaire en tertiaire regeldiensten mogelijk te maken, zouden deze bijkomende kosten aan de verleende diensten toegewezen moeten worden. Minstens twee eenheden van de 1.000 MWklasse (Doel 3 en 4, Tihange 2 en 3) zouden moeten uitgerust worden om deze diensten te kunnen verlenen. Om de financiële last te kunnen ramen die in voorkomend geval zou moeten gedragen worden, verzoekt de CREG ELIA contact op te nemen met de kernproducenten om ze te vragen onder welke technische en financiële voorwaarden een dergelijke deelneming van de nucleaire eenheden aan de diensten op het vlak van secundaire en tertiaire reserve mogelijk is en haar uiterlijk tegen 30 november 2011 daarvan verslag uit te brengen. 25/27 III. BESLISSING Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende het technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe. Gelet op het voorstel betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012, dat door ELIA op 30 maart 2011 aan de CREG ter goedkeuring werd overgemaakt. Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op artikel 236, §2, van het technisch reglement en onder meer op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen; Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het secundair reservevermogen steunt op artikel 244, §2, van het technisch reglement en aanvaardbaar is op basis van de elementen aangehaald in paragrafen 16 en 17 ; Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het tertiair reservevermogen steunt op artikel 250, §2, van het technisch reglement en aanvaardbaar is op basis van de elementen aangehaald in paragrafen 16 en 17 ; Overwegende dat de voorgestelde evaluatiemethodes correct werden toegepast bij de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012; Heeft de CREG besloten, in het raam van de opdracht die haar werd toevertrouwd door artikel 233 van het technisch reglement, de evaluatiemethode voor het primair, secundair en tertiair reservevermogen en haar toepassing voor 2012 goed te keuren. In de mate dat de methode ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen nog dient te evolueren, onder meer om rekening te houden met de in onderhavige beslissing geformuleerde beschouwingen, vestigt de CREG de 26/27 aandacht van ELIA op het feit dat haar aanvaarding van de methode voor 2012 geen aanvaarding inhoudt van deze of een gelijkaardige methode voor de volgende jaren. De onderhavige beslissing spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten met betrekking tot deze materie; die zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tarifaire beslissing van de CREG. Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Dominique WOITRIN Directeur François POSSEMIERS Voorzitter van het Directiecomité 27/27