Commission de Régulation de l‟Electricité et du Gaz rue de l‟Industrie 26-38 1040 Bruxelles Tél. : 02/289.76.11 Fax : 02/289.76.09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS BESLISSING (B)111027-CDC-1120 over „de aanvraag tot goedkeuring van het Standaard Opslagcontract, het Toegangsreglement voor Opslag en het Opslagprogramma van de N.V. Fluxys‟ genomen met toepassing van artikel 15/14, § 2, 6°, van de wet van 12 april 1965, betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen 27 oktober 2011 INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) onderzoekt hierna, op grond van artikel 15/14, § 2, 6°, van de wet van 12 april 1965, betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (hierna : gaswet), de belangrijkste voorwaarden voor de toegang tot het vervoersnet van de N.V. Fluxys in België. Voornoemde belangrijkste voorwaarden voor opslag werden door de N.V. Fluxys op 21 oktober 2011 bij de CREG per drager tegen ontvangstbewijs ingediend in de vorm van drie onderscheiden documenten, te weten : - de aanvraag tot goedkeuring door de CREG van het Standaard Opslagcontract ; - de aanvraag tot goedkeuring door de CREG van het Toegangsreglement voor Opslag; - de aanvraag tot goedkeuring door de CREG van het Opslagprogramma. De onderstaande beslissing is ingedeeld in vier delen. Het eerste deel gaat over het wettelijke kader. In het tweede deel worden de antecedenten van de onderhavige beslissing uiteengezet. In het derde deel wordt onderzocht of het voorstel de voorschriften van de Verordening (EG) 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van verordening (EG) 1775/2005, van artikel 15/11, van de gaswet en van de artikelen 169, 170 en 171 van het koninklijk besluit van 23 december 2010 betreffende de gedragscode van 23 december 2010 inzake de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 juni 2001 betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas (hierna: gedragscode) naleeft. Het vierde deel, tenslotte, bevat het besluit. Deze beslissing werd goedgekeurd door het Directiecomité van de CREG op zijn vergadering van 27 oktober 2011. 2/84 I. WETTELIJK KADER A. Derde Energiepakket: 1. Onderhavige beslissing houdt rekening met de nieuwe Europese wetgeving, het zogenaamde “derde energiepakket”, dat voor gas bestaat uit1: - richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG (hierna: de derde gasrichtlijn); - verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (hierna: ACER-verordening); - Verordening 715/2009/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang aardgastransmissienetten tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005 (hierna: Verordening 715/2009). 2. Deze nieuwe Europese regels van het « derde energiepakket » beogen met name: - de onafhankelijkheid en de bevoegdheden van de nationale energieregulators op elkaar af te stemmen en te versterken om een efficiëntere regulering van de markten te bevorderen; - een Europees agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators op te richten, met als doel hen bij te staan bij het op Gemeenschapsniveau uitoefenen van de in de lidstaten vervulde reguleringstaken, en zo nodig hun optreden te coördineren; - de in het bijzonder regionale samenwerking tussen de transmissiesysteembeheerders te bevorderen door twee Europese netwerken op te richten voor transmissiesysteembeheerders; - de activiteiten verbonden aan de productie en de levering van energie verder te scheiden van de distributienetactiviteiten (unbundling) om voor homogene mededingingsvoorwaarden te zorgen terwijl het risico op belangenconflicten en discriminerende praktijken bij de uitbating van de netten wordt vermeden, 1 De twee andere teksten van het « derde energiepakket » zijn: - Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (hierna: de nieuwe elektriciteitsrichtlijn); - Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1228/2003. 3/84 en investeringen in de infrastructuur van de netten worden gestimuleerd; - de transparantie van de markt te verbeteren inzake de net- en leveringsactiviteiten. Dit moet zorgen voor gelijkheid met betrekking tot toegang tot informatie, transparante prijzen, vertrouwen van de consumenten in de markt en het uitsluiten van marktmanipulatie; - de rechten van de consumenten te verstevigen door aan de lidstaten strenge verplichtingen op te leggen inzake de bescherming van kwetsbare consumenten; - de solidariteit tussen de lidstaten te bevorderen met betrekking tot bedreigingen voor de onderbreking van de voorziening. 3. Voor onderhavige beslissing zijn in het bijzonder van toepassing: Artikel 33.4, derde gasrichtlijn: Toegang tot opslag “Bij gereguleerde toegang nemen de regulerende instanties,indien de lidstaten hierin voorzien, of de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aardgasbedrijven en in aanmerking komende afnemers binnen en buiten het door het stelsel van systemen bestreken grondgebied een recht van toegang tot opslaginstallaties, leidingbuffer en andere ondersteunende diensten krijgen op basis van gepubliceerde tarieven of andere voorwaarden en verplichtingen voor het gebruik van die opslaginstallaties en leidingbuffer, wanneer dit technisch of economisch noodzakelijk is voor een efficiënte toegang tot het systeem, alsmede met het oog op de organisatie van de toegang tot andere ondersteunende diensten. De regulerende instanties, indien de lidstaten hierin voorzien, of de lidstaten raadplegen de systeem gebruikers bij het opstellen van de tarieven of de methodes voor de berekening hiervan. Dit recht van toegang voor in aanmerking komende afnemers kan worden verleend door hen in staat te stellenleveringscontracten te sluiten met andere concurrerende aardgasbedrijven dan de eigenaar en/of beheerder van het systeem of een verwant bedrijf.” Artikelen 15, Verordening 715/2009: Derdentoegangsdiensten bij opslag- en LNGinstallaties “2. Opslagsysteembeheerders
- a)bieden zowel vaste als afschakelbare derdentoegangsdiensten aan; de prijs van afschakelbare capaciteit is een afspiegeling van de waarschijnlijkheid van afschakeling;
- b)bieden opslaginstallatiegebruikers zowel lange- als kortetermijndiensten aan, en
- c)bieden opslaginstallatiegebruikers zowel gebundelde als ontvlochten diensten aan die verband houden met opslagruimte, injectiecapaciteit en levercapaciteit. 4/84 … 4. Zo nodig kunnen derdentoegangsdiensten afhankelijk worden gesteld van passende garanties van netgebruikers wat hun kredietwaardigheid betreft. Zulke garanties mogen als dusdanig geen oneerlijke marktbelemmering vormen en zijn niet-discriminerend, transparant en evenredig. 5. Contractuele grenzen met betrekking tot de vereiste minimumomvang van LNGinstallatiecapaciteit en opslagcapaciteit berusten op technische beperkingen en vormen voor kleinere Opslaggebruikers geen belemmering om toegang te verkrijgen tot opslagdiensten.” Artikel 17, Verordening 715/2009; Beginselen inzake mechanismen capaciteitsallocatieen procedures voor congestiebeheer bij opslag- voor en LNG- installaties: “1. Marktdeelnemers krijgen de beschikking over de maximale opslag- en LNGinstallatiecapaciteit, met inachtneming van systeemintegriteit en exploitatie. 2. LNG- en opslagsysteembeheerders implementeren en publiceren niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie welke: passende economische signalen geven voor een efficiënt en maximaal gebruik van de capaciteit en investeringen in nieuwe infrastructuur vergemakkelijken; zorgen voor compatibiliteit met het marktmechanisme, met inbegrip van spotmarkten en trading hubs, en tevens flexibel zijn en in staat zijn zich aan veranderende marktomstandigheden aan te passen, en compatibel zijn met de toegangssystemen van de netten die met de LNG-opslagsystemen verbonden zijn. 3. LNG- en opslaginstallatiecontracten bevatten mechanismen om het hamsteren van capaciteit te voorkomen, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende bij contractuele congestie geldende beginselen: de systeembeheerder moet ongebruikte LNG-installatie- en opslagcapaciteit zonder uitstel op de primaire markt aanbieden; dit geschiedt bij opslaginstallaties ten minste op „day-ahead”-basis en afschakelbaar; LNG- en opslaginstallatiegebruikers die hun gecontracteerde capaciteit op de secundaire markt willen wederverkopen, moeten daartoe het recht hebben.” Artikel 19, Verordening 715/2009: Transparantievereisten voor opslag- en LNGinstallaties “1. De LNG- en opslagsysteembeheerders publiceren gedetailleerde informatie over de diensten die zij aanbieden en de toegepaste relevante voorwaarden, alsook de technische informatie die nodig is opdat LNG- en opslaginstallatiegebruikers effectieve toegang tot deze installaties verkrijgen. 2. Met betrekking tot de aangeboden diensten publiceren de LNG- en opslagsysteembeheerders regelmatig, voortschrijdend en op een gebruikersvriendelijke 5/84 gestandaardiseerde wijze numerieke informatie over gecontracteerde en beschikbare opslag- enLNG-installatiecapaciteit. 3. LNG- en opslagsysteembeheerders publiceren de krachtens deze verordening vereiste informatie altijd op een zinvolle, duidelijk meetbare en goed toegankelijke manier en op nietdiscriminerende basis. 4. Alle LNG- en opslagsysteembeheerders publiceren de hoeveelheid gas in elke opslag- en LNG-installatie of — als dit overeenkomt met de manier waarop de gebruikers van het systeemtoegang wordt verleend — groep van opslaginstallaties, de in- en uitstroom en de beschikbare opslag- en LNG-installatiecapaciteit. Dit geldt ook voor de installaties die van derdentoegang vrijgesteld zijn. De informatie wordt ook verstrekt aan de transmissiesysteembeheerder, die deze in geaggregeerde vorm voor elk systeem of subsysteem op basis van de relevante punten publiceert. De informatie wordt ten minste dagelijks geactualiseerd. … Artikel 22, Verordening 715/2009: Verhandeling van capaciteitsrechten “Elke transmissie-, opslag- en LNG-systeembeheerder onderneemt redelijke stappen om mogelijk te maken en te bevorderen dat capaciteitsrechten vrij verhandelbaar zijn op een transparante en niet-discriminerende wijze. Ieder van deze beheerders werkt geharmoniseerde transport-, LNG-installatie- en opslagcontracten en -procedures op de primaire markt uit om de secundaire handel in capaciteit te bevorderen, en erkent de overdracht van primaire capaciteitsrechten voor zover daarvan door systeemgebruikers kennisgeving is gedaan. Van deze transport-, LNG-installatie- en opslagcontracten en- procedures wordt aan de regulerende instantie kennisgeving gedaan.” Artikel 24, Verordening 715/2009: Regulerende instanties “Bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden uit hoofde van deze verordening zorgen de regulerende instanties ervoor dat deze verordening …” 4. Verder is ook van belang de Verordening 994/2010/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende de intrekking van de richtlijn 2004/67/EG van de Raad (hierna: SOS-Verordening 994/2010). Het doel van de SOS-Verordening 994/2010 is de veiligstelling van de gaslevering te versterken, door maatregelen te introduceren om ervoor te zorgen dat alle lidstaten en 6/84 partijen op de gasmarkt van tevoren actie kunnen ondernemen om potentiële verstoringen van de gaslevering te voorkomen en mocht toch een verstoring optreden, de gevolgen daarvan zo goed mogelijk te ondervangen. Betere samenwerking en afstemming tussen de lidstaten speelt daarbij een belangrijke rol, naast het meer robuust maken van de nationale gassystemen voor het (tijdelijk) geheel of gedeeltelijk uitvallen van de gastoevoer. Uitgangspunt van de SOS-Verordening 994/2010 is dat eerst en vooral marktpartijen, waaronder de systeembeheerders aan zet zijn en hen de ruimte moet worden geboden om een verstoring in de gastoevoer te ondervangen. Met andere woorden, zelfs in noodsituaties moet, om de effecten van een verstoring van de levering te matigen, voorrang worden gegeven aan op de markt gebaseerde instrumenten. Pas als de markt hiertoe niet in staat blijkt te zijn, zijn de lidstaten op nationaal en regionaal niveau aan zet. Mocht ook nationale of regionale actie geen soelaas bieden, dan kan gebruik worden gemaakt van mechanismen op het niveau van de Europese Unie om tot een oplossing te komen. B. Belgisch intern recht: 5. Er geldt een basisprincipe waarbij het Unierecht voorrang geniet op bepalingen van nationaal recht wanneer zij hiermee strijdig zouden zijn ongeacht of de bepalingen van de richtlijn al dan niet rechtstreekse werking hebben. Voor overheidsinstanties en uiteraard in casu, ook voor de CREG als nationale regulerende instantie betekent dit dat in geval van niet tijdige of niet correcte omzetting van een richtlijn bepalingen van het nationaal recht buiten toepassing gelaten moeten worden2. Bovendien moeten alle overheidsinstanties binnen het kader van hun bevoegdheden alle algemene en bijzondere maatregelen treffen die nodig zijn om te verzekeren dat het door de richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt3. 6. Met ingang van 3 september 2009 is de derde gasrichtlijn en de Verordening 715/2009 van in werking getreden. De omzettingstermijn van de derde gasrichtlijn is verstreken op 3 maart 2011 en de Verordening 715/2009 vindt vanaf 3 september 2009 rechtstreekse toepassing in de Belgische rechtsorde, behoudens de artikelen 5 tot 11. 7. Overeenkomstig artikel 15/14, § 2, 6°, van de gaswet is de CREG bevoegd om de belangrijkste voorwaarden voor de toegang tot de vervoernetten goed te keuren, met uitzondering van de tarieven bedoeld in de artikelen 15/5 tot 15/5decies en de toepassing ervan door de systeembeheerder en in hun respectieve netten te controleren. 2 3 HvJ, 22 juni 1989, Fratelli Costanzo, 103/88, 33 HvJ, 24 oktober 1996, Kraaijeveld, C-72/95, 61 7/84 8. De belangrijkste voorwaarden worden in artikel 1, 51°, van de gaswet gedefinieerd als volgt: “het standaardcontract voor de toegang tot het vervoersnet en de daarmee verbonden operationele regels”. Het vervoersnet bestaat uit een geheel van vervoersinstallaties dat geëxploiteerd wordt door één van de beheerders of door eenzelfde systeembeheerder, met uitsluiting van de upstream-installaties en directe leidingen (artikel 2, 10°, gaswet). Onder vervoersinstallaties wordt verstaan: “alle leidingen, … en alle opslagmiddelen, …, gebouwen, machines en accessoire inrichtingen die bestemd zijn of gebruikt worden voor een van de in artikel 2, § 1, vermelde doeleinden” (artikel 1, 8°, gaswet). 9. Met toepassing van artikel 33.1, derde gasrichtlijn kunnen de lidstaten met het oog op de organisatie van de toegang tot opslaginstallaties en leidingbuffer de toegang hiertoe hetzij via onderhandelingen, hetzij gereguleerd organiseren. Voor beide procedures moeten objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria worden gehanteerd. 10. Sinds de liberalisering van de energiemarkt heeft België gekozen voor een gereguleerde toegang tot opslaginstallaties en werd de CREG aangeduid om hierover toezicht uit te oefenen alsmede de toegangsvoorwaarden ervan goed te keuren. Artikel 15/5, van de gaswet voorziet met name dat de toegang tot elk netwerk, waaronder ook de opslaginstallatie, geschiedt op basis van tarieven welke goedgekeurd zijn door de CREG en artikel 15/14, § 2, 6°, van de gaswet verleent aan de CREG een goedkeuringsbevoegdheid over de belangrijkste voorwaarden. 11. Anderzijds, voorzag artikel 15/11, §2, van de gaswet dat de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas de capaciteiten van de bestaande opslaginstallaties bij voorrang toewijst aan de houders van een leveringsvergunning die de gasdistributieinstallaties bevoorraden. Recentelijk werd artikel 15/11, §§2 en 3, van de gaswet gewijzigd bij wet van 11 juni 2011 4. Voortaan wordt de toegang tot de opslaginstallaties en leidingbuffer georganiseerd als volgt: " § 2. De beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas wijst de capaciteiten van deze opslaginstallatie toe aan de hand van transparante en niet-discriminerende criteria toe, en op basis van door de commissie goedgekeurde toewijzingsregels en gereguleerde tarieven. Deze criteria houden rekening met de bepalingen van de gedragscode aanvaard in uitvoering van artikel 15/5undecies, en die van toepassing zijn voor de toewijzing op korte, middellange en lange termijn van de opslagcapaciteiten. Het 4 opgezette tariefmechanisme moet elke vorm van speculatie voorkomen. B.S.: 1 juli 2011 8/84 De derdetoegangsdiensten worden door de beheerder van de opslaginstallatie aan de Opslaggebruiker aangeboden overeenkomstig artikel 15 van de Verordening (EG) nr. 715/2009. De beheerder van de opslaginstallatie respecteert eveneens de transparantievereisten zoals bepaald in artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 715/2009. De mechanismen inzake capaciteitsallocatie en de procedures inzake congestiebeheer geschieden in respect van artikel 17 van de Verordening (EG) nr. 715/2009. De commissie keurt de toegangsvoorwaarden voor opslag goed en houdt toezicht op de toepassing ervan. § 3. In uitvoering van artikel 8 van Verordening (EU) nr. 994/2010, kan de Bevoegde Instantie in uitvoering van dit reglement de gasondernemingen die beschermde klanten in de zin van deze Verordening (EU) nr. 994/2010 bevoorraden, de verplichting opleggen om aan te tonen dat zij over voldoende en snel beschikbare volumes aardgas, waaronder aardgas opgeslagen in opslaginstallaties, beschikken om bovenvermelde klanten te bevoorraden "; § 4. De gebruiker van een opslaginstallatie, die opslagcapaciteit gereserveerd heeft, dient capaciteiten en opgeslagen gasvolumes onmiddellijk en tijdelijk ter beschikking te stellen van de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas, in geval van onderbreking of verslechtering van de aardgaslevering op de Belgische markt hetgeen overeenkomt met een noodsituatie in de zin van artikel 10.3, c), van de Verordening (EU) nr. 994/2010 voor beschermde klanten in de zin van Verordening (EU) 994/2010. In dergelijke noodsituaties, zijn de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas evenals de beheerder van het aardgasvervoersnet gehouden tot de openbare dienstverplichting om bij voorrang dit gas toe te wijzen aan de bevoorrading van de beschermde klanten, in de zin van de Verordening (EU) nr. 994/2010. De beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas vergoedt de betrokken gebruikers van de opslaginstallatie voor de gebruikte hoeveelheid gas of geeft aan deze gebruikers een hoeveelheid gas terug die overeenkomt met de hoeveelheid die is gebruikt in de noodsituatie. " Artikel 15/11, §§2, 3 en 4, van de gaswet is in werking getreden op 11 juli 2011, hetgeen betekent dat voor het komende opslagseizoen april 2012 – april 2013 de prioriteitsregel, zijnde door de beheerder van de opslaginstallatie de capaciteiten van de bestaande opslaginstallaties bij voorrang toegewezen worden aan de houders van een leveringsvergunning die distributieondernemingen bevoorraden, niet langer meer bestaat. 12. Deze recente wetswijziging ligt volledig in lijn met de procedure voorzien in artikel 33.4, derde gasrichtlijn: “Bij gereguleerde toegang nemen de regulerende instanties, indien de lidstaten hierin voorzien, of de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aardgasbedrijven en in aanmerking komende afnemers binnen en buiten het door het stelsel 9/84 van systemen bestreken grondgebied een recht van toegang tot opslaginstallaties, leidingbuffer en andere ondersteunende diensten krijgen op basis van gepubliceerde tarieven of andere voorwaarden en verplichtingen voor het gebruik van die opslaginstallaties en leidingbuffer, wanneer dit technisch of economisch noodzakelijk is voor een efficiënte toegang tot het systeem, alsmede met het oog op de organisatie van de toegang tot andere ondersteunende diensten….” 13. Uit wat voorafgaat mag besloten worden dat de CREG aldus over de bevoegdheid geniet om de belangrijkste voorwaarden voor opslag goed te keuren. 14. In uitvoering van artikel 15/5undecies, § 1, gaswet werd op voorstel van de CREG door de Koning op 4 april 20035 een gedragscode vastgesteld met betrekking tot de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie. Het Koninklijk Besluit van 4 april 2003 werd recentelijk op voorstel van de CREG6 gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 23 december 20107, betreffende de gedragscode inzake de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 juni 2001 betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgasmet (hierna: de gedragscode). 15. Gelet op het derde energiepakket dat sinds 3 september 2009 in werking is getreden en ingevolge waarvan aan de nationale regulerende instanties een uitgebreider takenpakket werd toegekend, waaronder ook het vaststellen en/of goedkeuren van de voorwaarden voor aansluiting en toegang tot de nationale netten, formuleert de CREG voorbehoud aangaande de formele rechtsgeldigheid van de gedragscode. Deze gedragscode, weliswaar tot stand gekomen op voorstel van de CREG, werd geformaliseerd bij Koninklijk Besluit op 23 december 2010, zijnde meer dan één jaar na de inwerkingtreding van het derde energiepakket. C. Goedkeuren van Belangrijkste voorwaarden 16. Artikel 77, §1, van de gedragscode bepaalt dat de beheerders voor hun respectieve activiteiten van aardgasvervoer, opslag en LNG een standaardcontract opstellen dat, evenals de eventuele wijzigingen ervan, onderworpen is aan de goedkeuring van de CREG met toepassing van artikel 15/14, § 2, tweede lid, 6°, van de gaswet. Deze standaardcontracten worden ontworpen op een wijze dat ze de handel in aardgas niet 5 B.S.: 2 mei 2003 6 Voorstel ©090716-CDC-882 7 B.S.: 05.01.2011: 10/84 belemmeren en de handel van de vervoersdiensten bevorderen. Artikel 77, §2, van de gedragscode vervolgt dat het standaard aardgasvervoers-, opslag- en LNG-contract in elk geval respectievelijk de elementen bedoeld in de artikelen 109, 169 en 201, van de gedragscode bevatten. In artikel 79, van de gedragscode wordt ook bepaald dat een afzonderlijk dienstenformulier door partijen wordt ondertekend per onderschrijving van een vervoersdienst. De vervoersdiensten die de gebruiker onderschrijft, kunnen de einddatum van het met de beheerder afgesloten standaard aardgasvervoers-, opslag- en LNG-contract niet overschrijden. 17. In artikel 29, § 1, van de gedragscode wordt bepaald dat de beheerders voor hun respectieve activiteiten van aardgasvervoer, opslag en LNG een toegangsreglement opstellen dat, evenals de eventuele wijzigingen ervan, onderworpen is aan de goedkeuring door de CREG met toepassing van artikel 15/14, § 2, tweede lid, 6°, van de gaswet. Artikel 29, § 3, van de gedragscode vervolgt dat het voorstel van toegangsreglement alsook de voorstellen tot wijziging ervan door de respectieve beheerders worden opgesteld na raadpleging door deze laatsten van de netgebruikers in het kader van de overlegstructuur bedoeld in artikel 108, van de gedragscode. Tot slot, wordt in artikel 29, § 4, van de gedragscode gesteld dat de beheerders de goedgekeurde toegangsreglementen en de goedgekeurde wijzigingen ervan bekend maken overeenkomstig artikel 107, van de gedragscode en delen deze volledigheidshalve mee aan de partijen met wie zij een vervoerscontract hebben afgesloten. De goedgekeurde toegangsreglementen en de goedgekeurde wijzigingen hebben slechts uitwerking op de datum van inwerkingtreding ervan bepaald door de CREG met toepassing van artikel 107, van de gedragscode. 18. Tot slot, moet de beheerder overeenkomstig de artikelen 81 en 82, van de gedragscode hun dienstenprogramma opstellen voor de regulatoire periode en wordt dit eveneens ter goedkeuring voorgelegd aan de CREG. 19. Nergens wordt in de gedragscode uitdrukkelijk bepaald hoe de CREG de belangrijkste voorwaarden voor opslag dient goed te keuren, dan wel af te keuren. 20. De goedkeuring houdt een verklaring in van een administratieve overheid dat de akte onderworpen aan deze goedkeuring, haar effecten kan wegdragen vermits wordt vastgesteld dat deze akte geen enkele rechtsregel schendt en niet indruist tegen het algemeen belang. 11/84 Wanneer door een wetgevende bepaling aan een administratieve overheid de bevoegdheid wordt toevertrouwd een akte goed te keuren, dan beschikt deze overheid niet enkel over de mogelijkheid om dit te doen, maar is zij daartoe verplicht, zoniet maakt deze administratieve overheid zich schuldig aan rechtsweigering. Hieruit volgt ook dat de akte onderworpen aan een goedkeuring van een administratieve overheid, tot stand is gekomen onder de opschortende voorwaarde van deze goedkeuring. Dit betekent concreet dat zolang deze akte geen goedkeuring geniet van de administratieve overheid deze akte ook geen rechtsgevolgen kent en niet ten uitvoer kan worden gebracht, laat staan tegenstelbaar is ten aanzien van derden. Hieruit mag evenwel niet besloten worden dat van zodra de akte door de administratieve overheid goedgekeurd wordt de goedkeuringsbeslissing integraal deel uit zou maken van de goedgekeurde akte. Beide akten blijven onderscheiden en fusioneren niet met elkaar of anders gezegd versmelten niet. Een goedkeuringsbeslissing heeft ook een terugwerkende werking. Dit wil zeggen dat de goedkeuring van de akte geldt vanaf de datum waarop de akte werd uitgegeven en dus niet vanaf de datum van de goedkeuringsbeslissing. Het feit dat de gedragscode uitdrukkelijk voorziet dat zowel het standaard opslagcontract, het toegangsreglement voor opslag als het opslagprogramma door de Beheerder van de opslaginstallatie wordt opgesteld en ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de CREG, betekent ook dat bij het afkeuren van de belangrijkste voorwaarden voor opslag de CREG zich niet in de plaats kan stellen van de Beheerder van de opslaginstallatie en voorwaarden kan gaan opleggen. Met andere woorden, de CREG kan slechts goedkeuren of afkeuren. Het is bijgevolg de CREG verboden de belangrijkste voorwaarden voor opslag goed te keuren in een door haar voorgestelde gewijzigde vorm. De goedkeuring of het afkeuren van de belangrijkste voorwaarden voor opsalg kan de CREG ook slechts wettelijk verantwoorden door zich te baseren op een wettelijke bepaling en het principe van het algemeen belang8. D. Recht van toegang tot de vervoersnetten 21. De CREG is de mening toegedaan dat het recht van toegang tot de vervoersnetten, bedoeld in de artikelen 15/5, 15/6 en 15/7, van de gaswet van openbare orde is. Het recht van toegang tot de vervoersnetten is immers één van de noodzakelijke basispijlers 8 Les actes de la tutelle administrative en droit belge, Jacques Dembour, Larcier, 1955 12/84 van de liberalisering van de aardgasmarkt9. Opdat er concurrentie op de aardgasmarkt zou komen en de eindafnemers daadwerkelijk hun leverancier van aardgas zouden kunnen kiezen, is het essentieel dat de eindafnemers en hun leveranciers gegarandeerd toegang tot de vervoersnetten hebben en dat zij van dit recht kunnen genieten op een nietdiscriminatoire wijze. Het is immers via de vervoersnetten dat nagenoeg elke ingevoerde en verbruikte of opnieuw uitgevoerde aardgasmolecule passeert. Een leverancier kan maar het door hem verkochte aardgas effectief aan zijn klant leveren indien hij en zijn klant elk toegang hebben tot de vervoersnetten. Hierbij komt dat, enkele zeer lokale uitzonderingen daargelaten, de vervoersnetten een natuurlijk monopolie zijn, gelet op het feit dat de investeringen erin hoge sunk costs zijn: de investeringen vertegenwoordigen hoge bedragen en zijn moeilijk aanwendbaar voor een ander gebruik dan het vervoer van aardgas. Daarbij komt dat de bouw van vervoersinfrastructuur op groot verzet van de bevolking stuit waardoor het de facto uitgesloten is om de nodige bouw- en andere vergunningen te verkrijgen voor de aanleg van concurrerende vervoersnetten naast de bestaande. Het is dan ook niet realistisch te veronderstellen dat naast de bestaande vervoersnetten één of zelfs meerdere nieuwe vervoersnetten zullen worden gebouwd. Dit verklaart dan ook waarom het beheer van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie sedert de wet van 1 juni 2005 tot wijziging van de gaswet (B.S., 14 juni 2005) wordt verzekerd respectievelijk en alleen door de transmissiesysteembeheerder, de opslagsysteembeheerder en de LNG systeembeheerder, dewelke elk de functie van gecombineerd systeembeheerder kunnen vervullen. 22. Dat het recht van toegang tot de vervoersnetten een noodzakelijke basispijler van de liberalisering van de aardgasmarkt is, blijkt ook uit de analyse van de juridische situatie vóór de inwerkingtreding van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten (B.S., 11 mei 1999). Op het vlak van het vervoer van aardgas bestond er immers geen wetgeving die enig monopolie toekende aan de historische vervoersonderneming die ook actief was in de markt voor de levering van aardgas. Nochtans had alleen deze onderneming de facto als enige leverancier toegang tot de vervoersnetten. Dat derden geen toegang tot de vervoersnetten hadden, volgde gewoon uit het feit dat deze vervoersonderneming de eigenaar was van nagenoeg alle vervoersinfrastructuur van aardgas in België. Het was precies omwille van dit eigendomsrecht van deze vervoersonderneming dat derden, met uitzondering van de 9 Zie ook considerans 7 van de tweede gasrichtlijn waarin ook uitdrukkelijk gesteld wordt dat het voor een goed werkende concurrentie is vereist dat de toegang tot het netwerk niet-discriminerend en transparant is en tegen redelijke prijzen kan geschieden en considerans 4 van de derde gasrichtlijn waarin gesteld wordt dat er nog steeds geen sprake is van een niet-discriminerende nettoegang. 13/84 eindafnemers die bevoorraad werden door deze vervoersonderneming, geen toegang tot de vervoersnetten hadden. Om de concurrentie in de gasmarkt te introduceren, heeft de gaswet ervoor geopteerd om elke in aanmerking komende afnemer alsook de leveranciers van aardgas, voor zover deze laatste leveren aan in aanmerking komende afnemers, een recht van toegang te verlenen tot de vervoersnetten. Het is dan ook duidelijk dat een miskenning van dit essentiële recht van toegang tot de vervoersnetten de liberalisering van de gasmarkt op de helling zet. 23. Uit artikel 15/5, van de gaswet blijkt dat de daadwerkelijke garantie van het recht van toegang tot de vervoersnetten onlosmakelijk gekoppeld is aan de gedragscode en de regulering van de vervoersnettarieven bedoeld in de artikelen 15/5bis-duodecies, van de gaswet. De gedragscode en de regulering van de vervoersnettarieven beogen het recht van toegang tot de vervoersnetten in de feiten te realiseren. Overeenkomstig artikel 15/5undecies, van de gaswet regelt de gedragscode de toegang tot de vervoersnetten. Met de gedragscode beoogt de wetgever te voorkomen dat er enige discriminatie zou ontstaan tussen netgebruikers op basis van allerhande technische, nietpertinente redenen die door de netgebruikers zelf moeilijk of zelfs onmogelijk weerlegbaar zijn wegens hun gebrek aan de nodige gespecialiseerde kennis inzake het beheer van de vervoersnetten, alsook het juiste evenwicht te vinden tussen de netgebruikers enerzijds en de beheerders anderzijds. De belangen van de netgebruikers en de beheerders zijn immers niet altijd gelijklopend. Aldus bestaat het risico dat de beheerders de toegang tot hun vervoersnet weigeren om technische redenen die niet pertinent zijn. Anders dan een gewone privé-onderneming hoeft de beheerder immers niet te streven naar een zo groot mogelijk aantal klanten om zijn kosten te dekken en een zo hoog mogelijke winst te maken. De regulering van de tarieven voor de toegang tot en het gebruik van de vervoersnetten en de ondersteunende diensten krachtens artikelen 15/5bis en ter, van de gaswet impliceert immers dat het totaal inkomen (en dus ook de tarieven) precies in elk geval het geheel van al zijn reële kosten en een billijke winstmarge dekken, ongeacht de gebruiksintensiteit van de vervoersnetten. Door deze garantie dat al haar kosten, samen met een billijke winstmarge, gedekt zijn, ontstaat immers het gevaar dat de beheerder netgebruikers aan wie de dienstverlening ingewikkelder is of die meer technische of financiële risico‟s stellen zal trachten te weigeren en haar weigering zal trachten te motiveren met complexe, maar nietpertinente argumenten. Doordat de gedragscode de verplichtingen van de beheerders en de netgebruikers verduidelijkt, is het derhalve de technische vertaling van het recht van toegang tot de vervoersnetten en derhalve eveneens van openbare orde. 14/84 24. De complexiteit van het beheer van het vervoersnet heeft ook een weerslag op de tarifering van de dienstverlening die de beheerders aanbieden. Het is voor een netgebruiker onmogelijk uit te maken of de prijzen die de beheerder autonoom zou bepalen, effectief correcte prijzen zijn. Hij kan dit niet uitmaken omdat hij zelf niet over de vereiste technische specialisatie noch over de nodige informatie beschikt. Bovendien kan hij de prijzen van de beheerder doorgaans niet met deze van andere netbeheerders vergelijken omdat de beheerder van het vervoersnet van een natuurlijk en wettelijk monopolie geniet en de diverse nationale vervoersnetten onderling sterk kunnen verschillen. Zonder regulering van de vervoersnettarieven wordt immers het recht van toegang tot het vervoersnet niet daadwerkelijk verzekerd. Het hoeft geen betoog dat discriminatoire of te hoge vervoersnettarieven het recht van toegang tot de vervoersnetten de facto uithollen. De regulering van de vervoersnettarieven is dan ook van openbare orde. 25. Het recht van toegang wordt vertaald via de belangrijkste voorwaarden die bestaan uit enerzijds standaardcontracten voor de toegang tot het vervoersnet en anderzijds de daarmee verbonden operationele regels waarvan de gedetailleerde beschrijving ervan is opgenomen in een toegangsreglement. Deze voorwaarden, die essentieel zijn voor een efficiënte en transparante marktwerking, regelen het recht van toegang tot de vervoersnetten en zijn, omwille van het feit dat het recht van toegang van openbare orde is, ook van openbare orde. De goedkeuring van de belangrijkste voorwaarden door de CREG wijzigt de aard van de belangrijkste voorwaarden niet. In tegendeel, het belang van de belangrijkste voorwaarden wordt immers bevestigd door het feit dat een netgebruiker slechts toegang kan verkrijgen tot het vervoersnet van de beheerder indien hij zich heeft laten registreren als netgebruiker, hetgeen de ondertekening van een standaardcontract impliceert. Het standaardcontract mag dan wel van contractuele aard zijn, niettemin dienen deze contracten om ervoor te zorgen dat alle netgebruikers gelijk behandeld worden en aan dezelfde voorwaarden toegang hebben tot de vervoersnetten en gebruik kunnen maken van de vervoersdiensten. Het toegangsreglement bevat in detail de operationele regels voor toegang, de toewijzing van de diensten, congestiebeheer, secundaire markt en incidentenbeheer, welke op voorstel van de beheerder en na overleg met de netgebruikers door de CREG goedgekeurd worden. Ook deze goedkeuring doet geen afbreuk aan het reglementaire karakter van het toegangsreglement. Het dienstenprogramma, dat in grote mate het indicatief vervoersprogramma van de gedragscode 2003 vervangt is een soort van catalogus van vervoersdiensten die de 15/84 beheerder aanbiedt met een overzicht wat deze diensten precies behelzen. Dit sluit nauw aan bij de transparantie-eisen van artikel 19, Verordening 715/2009. Voor opslag betekent dit dat het opslagprogramma het opslagmodel en de opslagdiensten gebruiksvriendelijk beschrijven waardoor de netgebruiker een beter beeld krijgt over het aanbod. E. De goedkeuringscriteria van de belangrijkste voorwaarden voor opslag 26. Overeenkomstig artikel 15/14, §2, tweede lid, 6°, van de gaswet moet de CREG de belangrijkste voorwaarden voor de toegang tot de vervoernetten goedkeuren. Zoals hoger gemeld bestaan de belangrijkste voorwaarden voor opslag uit een (standaard opslagcontract), een toegangsreglement voor opslag en een opslagprogramma. 27. Overeenkomstig artikel 169, §1, gedragscode wordt in het standaard opslagcontract inhoudelijk op een gedetailleerde wijze opgenomen: 1° de definities van de in het standaard opslagcontract gebruikte terminologie; 2° het voorwerp van het standaard opslagcontract; 3° de voorwaarden waaraan de opslagdiensten door de beheerder geleverd worden; 4° de rechten en plichten verbonden aan de geleverde opslagdiensten; 5° de facturatie en betalingsmodaliteiten; 6° in voorkomend geval, de financiële garanties en andere waarborgen; 7° de bepalingen inzake de aansprakelijkheid van de beheerder en de Opslaggebruikers; 8° de bepalingen inzake meten en testen; 9° de operationele verplichtingen van de partijen en de aardgaskwaliteitsspecificaties; 10° de rechten en verplichtingen inzake het operationele beheer en het onderhoud van de installaties; 11° de impact van noodsituaties en situaties van overmacht op de rechten en verplichtingen van partijen; 12° de impact van de regels inzake congestiebeheer op de rechten en plichten van partijen; 13° de bepalingen in verband met de verhandelbaarheid en overdracht van opslagdiensten; 14° de duur van het standaard opslagcontract; 15° de bepalingen inzake opschorting, opzeg/beëindiging van het opslagcontract of toegewezen opslagdiensten, onverminderd artikel 80, 4°; 16° aanvaarde vormen inzake kennisgeving tussen partijen; 17° de bepalingen die van toepassing zijn wanneer de opslaggebruiker foutieve of onvolledige informatie geeft aan de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas; 16/84 18° de geschillenregeling; 19° het toepasselijke recht. Het toegangsreglement voor opslag bevat, onverminderd artikel 29, van de gedragscode overeenkomstig artikel 170, van de gedragscode: 1° het type-dienstenformulier; 2° de operationele regels en procedures voor het gebruik van de toegewezen opslagdiensten; 3° de procedure van nominatie voor injectie en uitzending; 4° de procedure voor reducties en onderbrekingen van opslagdiensten; 5° de specificaties inzake aardgaskwaliteit en drukeisen; 6° de regels inzake de overschrijding van toegewezen capaciteiten; 7° de procedures bij injectie of uitzending van aardgas dat niet beantwoordt aan de specificaties inzake aardgaskwaliteit; 8° de procedures in geval van onderhoud van opslaginstallaties; 9° de operationele procedures voor het testen en meten, met vermelding van de gemeten parameters en de nauwkeurigheidsgraad; 10° de procedure voor uitzend- en injectietesten; 11° de procedure voor de omschakeling van de operationele modus van de opslaginstallatie voor aardgas. Tot slot, stelt artikel 171, §1, van de gedragscode dat in het opslaprogramma opgenomen moet worden: 1° een uitvoerige beschrijving van het gehanteerde opslagmodel; 2° de gereguleerde (verbonden) opslagdiensten die aangeboden worden; 3° voor wat betreft de onderbreekbare opslagdiensten de kans op onderbreking en, in uitvoering van artikel 4, 3°, de voorwaarden die vervuld moeten zijn om tot onderbreking van voorwaardelijke opslagdiensten over te gaan en de daarbij gehanteerde criteria; 4° de verschillende soorten duurtijd waarvoor de opslagdiensten onderschreven kunnen worden; 5° een gebruiksvriendelijke beschrijving van :
- i)de toewijzingsregels voor de verschillende opslagdiensten op basis van de capaciteitstoewijzingsregels bedoeld in het toegangsreglement voor opslag;
- ii)de regels, voorwaarden en procedures voor het onderschrijven van opslagdiensten op de primaire markt, met inbegrip van de procedure voor het elektronisch onderschrijven van opslagdiensten, bedoeld in het toegangsreglement voor opslag. 17/84 iii) de regels inzake de organisatie en werking van de secundaire markt bedoeld in het toegangsreglement voor opslag;
- iv)de principes voor de berekening van het aardgas op voorraad (in energie en volume) en het aardgas eigen gebruik van de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas bedoeld in het toegangsreglement voor opslag. 28. Het is duidelijk dat de CREG haar goedkeuring moet weigeren aan onvolledige en/of met de wet strijdige belangrijkste voorwaarden. Dit zijn voorwaarden die slechts ten dele of niet de toegang tot het vervoersnet uitwerken en bijgevolg de doelstellingen van het derde energiepakket met inbegrip van de Sos-Verordening 994/2010 niet verwezenlijken. 29. Nochtans is de bevoegdheid van de CREG hiertoe niet beperkt. Als administratieve overheid heeft de CREG ook tot taak om het algemeen belang te behartigen. Het algemeen belang is een essentieel toetsingscriterium voor de CREG om te bepalen of de voorgestelde belangrijkste voorwaarden voor opslag al dan niet haar goedkeuring kunnen wegdragen. 30. Het algemeen belang is een ruim begrip. Voor de toepassing hiervan interpreteert de CREG dit begrip als verwijzend naar ten minste alle rechtsregels die van openbare orde zijn, waaronder in ieder geval de sectorspecifieke wetgeving en het mededingingsrecht. Daarnaast moeten ook deze regels die louter contractueel van aard zijn in overeenstemming zijn met het algemeen belang door een juist evenwicht te vinden tussen de opslagsysteembeheerder en de opslaggebruiker in hun contractuele relatie. Deze contractuele relatie is immers geen resultaat van een onderhandeling, maar betreft voor de opslaggebruiker een toetredingscontract. De sectorspecifieke wetgeving 31. De sectorspecifieke wetgeving die de CREG begrijpt onder het begrip “algemeen belang” omvat alle regels van openbare orde. Het betreft bijgevolg het recht van toegang tot de vervoersnetten en de regulering van de vervoerstarieven (zie hierboven). 32. Onverminderd het openbare orde karakter van de regulering van de tarieven met betrekking tot de vervoersnetten en de gedragscode, dient er ook op gewezen te worden dat het tot de algemene taak van de CREG behoort om toezicht en controle uit te oefenen op de toepassing van de wetten en reglementen die de sectorspecifieke regelgeving inzake aardgas betreffen (artikel 15/14, §2, van de gaswet). Deze controletaak kent als sanctie die de CREG eventueel kan opleggen, (enkel) het opleggen van administratieve geldboetes 18/84 nadat de CREG een overtreding van de sectorspecifieke rechtsregels heeft vastgesteld (artikel 20/2 van de gaswet). Dankzij artikel 15/14, §2, tweede lid, 6°, van de gaswet hoeft de CREG niet onmiddellijk artikel 20/2 van de gaswet in werking te stellen, maar kan zij, indien dit nodig blijkt, eerst de onwettige voorwaarden van de contracten weren en de beheerder uitnodigen de nodige aanpassingen te doen. 33. Verder, stelt artikel 15, van de Verordening 715/2009 dat opslagsysteembeheerders:
(1)op niet-discriminerende basis aan alle netgebruikers diensten aanbieden die aan de marktbehoefte voldoen. Met name, wanneer een opslagsysteembeheerder dezelfde dienst aan meerdere afnemers aanbiedt, geschiedt dit onder gelijkwaardige contractuele voorwaarden;
(2)diensten aanbieden die aansluiten bij het gebruik van het stelsel van onderling verbonden gastransportsystemen en de toegang vergemakkelijken door samenwerking met de transmissiesysteembeheerder, en
(3)relevante informatie publiceren, met name gegevens over het gebruik en de beschikbaarheid van diensten, binnen een tijdskader dat verenigbaar is met de redelijke commerciële behoeften van gebruikers van opslaginstallaties en onder toezicht van de nationale regulerende instantie. Tot slot, bieden opslagsysteembeheerders
(1)zowel vaste als afschakelbare derdentoegangsdiensten
(2)zowel lange- als kortetermijndiensten aan, en
(3)zowel gebundelde als ontvlochten diensten aan die verband houden met opslagruimte, injectiecapaciteit en levercapaciteit. Deze toegangsregels vinden rechtstreeks toepassing op het Belgisch intern recht en reguleren de toegang tot de opslaginstallatie, waardoor deze regels ook van openbare orde zijn. Hetzelfde geldt voor de beginselen inzake mechanismen voor capaciteitsallocatie en procedures voor congestiebeheer bij opslag voorzien in artikel 17, van de Verordening 715/2009, alsmede de transparantievereisten voorzien in artikel 19, van de Verordening 715/2009 en de verhandeling van capaciteitsrechten bedoeld in artikel 22, van de Verordening 715/2009. 19/84 Het mededingingsrecht 34. In het kader van de liberalisering van de gasmarkt houdt het nastreven van het algemeen belang onder meer het creëren van een effectieve vrije mededinging en het waken over het goed functioneren van de markt in (dit in het uiteindelijke belang van de particuliere consument en van de diverse concurrenten op de markt). Daarbij dient erover gewaakt te worden dat een onderneming die een economische machtspositie bekleedt, geen inbreuk maakt op het algemeen belang door het opleggen van onredelijke, onbillijke, onevenwichtige of disproportionele voorwaarden aan zijn medecontractanten die de normale werking van de mededinging verhinderen of beperken. Het creëren van en waken over een effectieve vrije mededinging in het algemeen belang strekt verder dan enkel het verzekeren van de vrije toegang tot de vervoersnetten. De vrije toegang tot de vervoersnetten is weliswaar een essentiële maar op zich geen voldoende voorwaarde voor het verzekeren van een daadwerkelijke mededinging op de gasmarkt. Er dient dan ook over gewaakt te worden dat geen enkele van de algemene voorwaarden die de systeembeheerder voorstelt, de normale werking van de mededinging zou verhinderen of beperken. Voorts moet erop gewezen worden dat het tot stand brengen van een dergelijke effectieve mededinging niet beperkt is tot de markt voor de levering van aardgas aan klanten, maar alle markten van de gassector betreft (zoals bijvoorbeeld ook de markt voor de trading van aardgas). Er kan dan ook evenmin toegelaten worden dat de systeembeheerder onredelijke, onbillijke, onevenwichtige of disproportionele algemene voorwaarden zou toepassen die de normale werking van de mededinging op een verbonden of naburige markt zou verhinderen of beperken. 35. De CREG heeft zich bij het onderzoek van het voorstel van de belangrijkste voorwaarden voor opslag dan ook geïnspireerd op het mededingingsrecht, in het bijzonder op artikel 3, tweede lid, 1°, van de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 15 september 2006, en artikel 82, tweede lid,
- a)van het verdrag tot oprichting van de Europese Unie, welke bepaalt dat het opleggen van onbillijke contractuele voorwaarden of prijzen door ondernemingen met een machtspositie een verboden misbruik van machtspositie kan uitmaken. Onbillijke contractsvoorwaarden zijn voorwaarden die de betrokken contractspartijen onder normale mededingingsvoorwaarden niet zouden aanvaarden. 20/84 De wettelijke monopoliepositie die de N.V. Fluxys heeft ingevolge de opdrachten die haar door de federale overheid toevertrouwd worden in het algemeen belang, samen met de bijzondere verantwoordelijkheid die overeenkomstig het mededingingsrecht rust op elke onderneming met een dominante of monopoliepositie, begrenzen de vrijheid van handel en nijverheid van de N.V. Fluxys. Dit is nog des te meer het geval wanneer men hierbij ook artikel 15/7, van de gaswet (weigeren van recht van toegang) en van artikel 15/14, §2, tweede lid, 6°, van de gaswet (goedkeuren belangrijkste voorwaarden en de toepassing ervan controleren) in rekening brengt. 36. De NV Fluxys heeft een wettelijk monopolie voor wat het beheer van de opslaginstallatie voor aardgas in België betreft. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is van oordeel dat een onderneming die een wettelijk monopolie heeft, kan worden beschouwd als zijnde een onderneming met een dominante positie10. De potentiële Opslaggebruikers van de N.V. Fluxys hebben geen ander alternatief dan zich tot de N.V. Fluxys te richten voor de opslag van hun aardgas in België. De N.V. Fluxys is bijgevolg een verplichte en onvermijdelijke medecontractant, waarmee zijn dominante positie op de Belgische markt wordt bevestigd. 37. Het opnemen van clausules in het voorstel van de belangrijkste voorwaarden voor opslag door de N.V. Fluxys kan worden beschouwd als zijnde onbillijk wanneer zou worden aangetoond dat de medecontractanten van de NV Fluxys een dergelijke clausule niet zouden aanvaarden of niet bereid zouden zijn te aanvaarden wanneer normale concurrerende voorwaarden zouden gelden. In dit geval kunnen deze clausules worden beschouwd als zijnde misbruik van een dominante positie in hoofde van de N.V. Fluxys en moeten deze ongeldig worden verklaard, en dit ten minste voor wat het deel betreft waarin de regels inzake de mededinging worden overtreden. Algemene verbintenisrechtelijke regels 38. Het openbare orde karakter van de hierna besproken algemene verbintenissenrechtelijke regels, zoals de gekwalificeerde benadeling, de bindende partijbeslissing, de geoorloofdheid van het voorwerp en de oorzaak van het contract en het 10 HvJEG., 23 april 1991, Zaak nr. C-41/90, Klaus Höfner en Fritz Eser c/ Macrotron GmbH, Rec., 1991, p. I01979. 21/84 voorkomen van interpretatieproblemen of het streven naar duidelijke en transparante contractsbepalingen, is algemeen aanvaard. De gekwalificeerde benadeling 39. De cumulatieve voorwaarden van de gekwalificeerde benadeling zijn: - er bestaat een groot (kennelijk) onevenwicht tussen de wederzijdse prestaties; - de ene partij maakt misbruik van de concrete omstandigheden waarin de medecontractant zich ten aanzien van haar bevond, om zich bij de contractssluiting een disproportioneel voordeel toe te eigenen. Dit kan ondermeer het geval zijn wanneer er sprake is van economische superioriteit van de misbruikplegende partij, bijvoorbeeld als gevolg van een monopoliepositie; - het contract dan wel een of meerdere clausules zouden ofwel niet, ofwel tegen voor de zwakkere partij minder ongunstige voorwaarden zijn gesloten, indien er niet van misbruik sprake zou zijn geweest. Aangezien de opslagsysteembeheerder van een wettelijk toegekende monopoliepositie geniet, dringt een toetsing aan het principe van de gekwalificeerde benadeling zich bijgevolg op. De taak van de CREG bestaat er hier in om preventief te werken, m.a.w. misbruiken te voorkomen. Zij beoogt hier niet het bewijs te leveren van een misbruik in een concreet geval: aangezien het hier om een voorstel van belangrijkste voorwaarden voor opslag gaat dat de N.V. Fluxys aan de Opslaggebruikers wenst aan te bieden, is het immers ook niet mogelijk dat er reeds een concreet misbruik heeft plaatsgevonden daar het Standaard opslagcontract nog niet afgesloten werd. Door een voorafgaande toetsing aan de desbetreffende verbintenisrechtelijke regel wordt vermeden dat achteraf inbreuken op deze verbintenisrechtelijke regel van openbare orde door de rechter zouden kunnen worden vastgesteld. De bindende partijbeslissing 40. Overeenkomstig artikel 1129 van het Burgerlijk Wetboek is één van de voorwaarden voor de geldigheid van een overeenkomst dat ze een bepaald of minstens bepaalbaar voorwerp heeft. Door aan overeenkomsten of beter aan de contractuele verbintenissen de 22/84 vereiste van een bepaalbaar voorwerp te stellen, heeft de wetgever geoordeeld aan overeenkomsten alleen binnen welbepaalde grenzen rechtsgevolgen te willen verlenen. De wilsovereenstemming volstaat niet omdat er ook nog een zekere maatschappelijke controle op de inhoud van de overeenkomst moet worden uitgeoefend. Het principe van de bindende partijbeslissing vereist ten minste dat de overeenkomst op zijn minst de nodige objectieve gegevens moet bevatten om het voorwerp te kunnen bepalen, zonder dat nog een nieuwe wilsuiting van één van hen vereist is. De inhoud van de rechten en verplichtingen uit een overeenkomst mag niet aan een geheel arbitraire beslissing van een van de contractspartijen worden overgelaten. Bepaald/bepaalbaar voorwerp 41. De wetgever heeft in artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek duidelijk gemaakt dat elke verbintenis bij haar totstandkoming een voorwerp moet hebben dat bovendien bepaald moet zijn. Het voorwerp van de verbintenis is het concrete doel, het concrete resultaat waartoe de aangegane verbintenis –bij volmaakte uitvoering- moet leiden. Het voorwerp zal de inzet worden van alle latere aansprakelijkheids- en uitvoeringsincidenten. Daarom is de rechtspraak terughoudend m.b.t. bedingen, waardoor het (bestaand) voorwerp naderhand in zekere zin kan worden geneutraliseerd. Dergelijke bedingen woorden soms nietig verklaard om aldus het voorwerp van de verbintenis te kunnen vrijwaren.11 De geoorloofdheid van het voorwerp en de oorzaak 42. Onder de miskenning van de algemeen verbintenissenrechtelijke regel van de geoorloofdheid van het voorwerp en de oorzaak van een overeenkomst verstaat de CREG ook de miskenning van een rechtsregel van openbare orde. Bijgevolg telkens de CREG van oordeel is dat het algemeen belang geschonden werd door een van de contractsvoorwaarden (die uiteraard het voorwerp of de oorzaak van dit contract betreffen), wordt het principe van de geoorloofdheid van het voorwerp en de oorzaak van contracten geschonden. Het voorkomen van interpretatieproblemen 11 CORNELIS, L., Algemene theorie van de verbintenis, Intersentia, Antwerpen-Groningen, 2000, p. 121 ev. 23/84 43. Onduidelijke contractsclausules leiden tot interpretatieproblemen en dienen daarom te worden geweerd. In de mate dat zij niet behept zijn met een schending van de algemene verbintenissenrechtelijke regel van de bindende partijbeslissing, zou kunnen beweerd worden dat zulke clausules geen rechtsregel van openbare orde schenden. Nochtans dient verwezen te worden naar de vereiste van een zo groot mogelijke transparantie welke noodzakelijk is om de vrije toegang tot het vervoersnet te garanderen en welke valt onder het toetsingscriterium betreffende het niet belemmeren van de toegang tot het vervoersnet en daarom alleen al van openbare orde is. In de mate dat onduidelijke contractsclausules toch niet strijdig zouden zijn met enige rechtsregels van openbare orde – iets wat volgens de CREG niet mogelijk is gezien het toetsingscriterium betreffende het niet belemmeren van de toegang tot het aardgasvervoersnet -, dan verhinderen zij in ieder geval dat de CREG haar taak naar behoren kan uitoefenen en is de beheerder in dat geval ten minste verplicht de nodige bijkomende toelichtingen te geven. 24/84 II. 44. ANTECEDENTEN Op 18 en 19 oktober 2010 werd tijdens een seminarie tussen de N.V. Fluxys en de CREG onder meer de toekomstige benuttiging van de ondergrondse opslaginstallatie voor aardgas te Loenhout onder de aandacht gebracht. De N.V. Fluxys heeft bij deze gelegenheid aan de CREG gemeld dat er contacten waren tussen Fluxys en de onderneming Gazprom Export LLC, filiaal van het Russische Gazprom in verband met mogelijke interesse van laatstgenoemde om actief te worden als gebruiker van de opslaginstallatie te Loenhout. 45. In haar brief van 25 november 2010 heeft de CREG aan de N.V. Fluxys gevraagd de stand van zaken mee te delen in verband met de contacten met Gazprom en of er engagementen waren aangegaan, hetzij als een intentieverklaring, hetzij als bindende contractuele afspraak. Aansluitend heeft de CREG aan de N.V. Fluxys gevraagd, indien zulks het geval was, een kopie van de betreffende documenten te mogen ontvangen, evenals een nauwkeurige toelichting dienaangaande. 46. Op 3 december 2010 heeft de CREG het antwoord van de N.V. Fluxys ontvangen samen met een kopie van het geparafeerde Memorandum Of Understanding (MOU) tussen Gazprom Export LLC en Fluxys betreffende langetermijnopslagdiensten in Loenhout (ten belope van 100 miljoen m³(
- n)voor 20 jaar). Tevens heeft de CREG via de persmededeling van 8 december 2010 vernomen dat voormeld MOU door Gazprom Export LLC en de N.V. Fluxys op dezelfde datum ondertekend werd. Het persbericht meldde dat gesprekken zouden opgestart worden met de CREG om te onderzoeken op welke wijze lange termijn capaciteit zou kunnen gereserveerd worden in het kader van een open en transparante procedure. 47. Op 16 december 2010 heeft de CREG per brief aan de N.V. Fluxys laten weten dat zij betreurde dat de bedoelde gesprekken niet opgestart waren vóór ondertekening van het genoemde MOU. De CREG heeft benadrukt dat opslag van aardgas in België een gereguleerd monopolie is, met gereguleerde toegang onder niet-discriminerende TPA. Elk bilateraal akkoord betreffende de toewijzing van capaciteit is derhalve bij voorbaat een inbreuk op het wettelijk kader. De CREG heeft erop gewezen dat onder het op dat ogenblik geldende wettelijk kader opslagcapaciteit voorbehouden was voor houders van een leveringsvergunning die gasdistributie-installaties bevoorraadden en dat Gazprom Export LLC tot op heden uitsluitend actief was geweest op het vlak van grens tot grens vervoer. De 25/84 CREG heeft er verder op gewezen dat elk akkoord ook rekening diende te houden met de wettelijke bepalingen vervat in de SoS-Verordening 994/2010,. Verder heeft de CREG benadrukt dat het Belgisch regulatoir kader inhoudt dat voor de opslag van aardgas gereguleerde tarieven van toepassing zijn en dat deze gereguleerde tarieven moeten worden goedgekeurd door de CREG conform de haar als NRA toekomende bevoegdheden op grond van Richtlijn 2009/73 en Verordening 715/2009 en zoals geïnterpreteerd door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 130/2010 van 18 november 2010. Tot slot heeft de CREG in haar brief aangedrongen op onverwijld overleg met de N.V. Fluxys om snel en adequaat uit te klaren hoe de genoemde MOU in overeenstemming kon gebracht worden met het op dat ogenblik bindend wettelijk en regulatoir kader op Belgisch en Europees vlak zonder discriminerend te zijn. Aansluitend heeft de CREG aan de N.V. Fluxys voorgesteld te onderzoeken hoe een marktbevraging kon georganiseerd worden in verband met lange termijn reservatie van opslagcapaciteit te Loenhout. Op 21 december 2010 heeft de N.V. Fluxys per brief bevestigd dat de MOU tussen Gazprom Export LLc en de N.V. Fluxys op 8 december 2010 ondertekend werd onder opschortende voorwaarde van een wijziging van de gaswet wat betreft de prioriteitsregel. Aansluitend heeft Fluxys gemeld dat de MOU bevestigde dat het aanbieden van ondergrondse opslagdiensten te Loenhout een gereguleerde activiteit is die onderworpen is aan Third Party Access en dat deze enkel kan gecommercialiseerd worden in het kader van een transparante en nietdiscriminerende Open Subscription procedure waarvan de modaliteiten door de CREG in ieder geval goedgekeurd dienen te worden. Daarnaast werd op 22 december 2010 een overleg voorzien tussen vertegenwoordigers van Fluxys en de CREG om de organisatie van de Open Subscription voor te bereiden. 48. In haar brief van 6 januari 2011 heeft de CREG haar steun bevestigd voor de verdere ontwikkeling van de site te Loenhout en van het daarbij horende dienstenaanbod en dit vanuit de behoeften van de markt. Daarom heeft de CREG aan de N.V. Fluxys gevraagd te onderzoeken welke de marktbehoeften waren en in welke mate de aankondiging in haar persmededeling van 8 december 2010 aan deze behoeften beantwoordde. In dit kader heeft de CREG gevraagd een uiteenzetting te krijgen van het nieuwe opslagmodel, inclusief de uitwerking van een nieuw dienstenaanbod, met zowel LT, KT en MT diensten, de wijze waarop deze diensten zouden aangeboden worden en de toewijzingsregels voor deze diensten. De CREG wenste ook te vernemen op welke wijze de opslaginstallatie van Loenhout geïntegreerd zou worden in het nieuwe Entry/Exit model voor het vervoersnet. Daarnaast heeft de CREG gewezen op de noodzaak om rekening te houden met de mogelijke impact van de SoS-Verordening 994/2010) op de aanwending van de 26/84 opslaginstallatie te Loenhout, zowel strategisch als operationeel. De CREG heeft eveneens haar steun bevestigd voor een wijziging van de toegangsregels, zoals bepaald in artikel 15/11 §2 van de gaswet, vóór de wetswijziging van 11 juni 2011, onder voorbehoud van het waarborgen van de gasleveringen aan beschermde afnemers zoals voorzien in de SoSVerordening 994/2010. De CREG heeft er verder op gewezen dat zij de bestaande prioriteitsregel niet behouden heeft in haar studie (F)101105-CDC-984 over de wijzigingen aan te brengen aan de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen voor het verbeteren van de werking en de opvolging van de aardgasmarkt en in overeenstemming met de Richtlijn 2009/73 van het Europees parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG. De CREG heeft laten weten dat zij graag actief betrokken zou worden bij de voorbereiding van de genoemde wetswijziging. Aansluitend heeft de CREG gewezen op de te verwachten publicatie van de nieuwe gedragscode (Koninklijk Besluit van 23 december 2010, gepubliceerd in BS op 5 januari 2011). In uitvoering van de bepalingen hiervan dient de beheerder van de opslaginstallatie namelijk volgende documenten ter goedkeuring voor te leggen aan de CREG: het standaard opslagcontract (artikel 169), het toegangsreglement voor opslag (artikel 170), het opslagprogramma (artikel 171). Zij heeft de N.V. Fluxys ook attent gemaakt op het feit dat, in uitvoering van artikel 108, van de gedragscode, alle standaardcontracten, toegangsreglementen en dienstenprogramma‟s ter raadpleging dienen voorgelegd te worden aan de betrokken netgebruikers en dat daartoe onder meer een overlegstructuur dient opgericht te worden. Eveneens heeft de CREG aangedrongen op een zo spoedig mogelijk overleg voor de organisatie van een marktbevraging betreffende de reservering van opslagcapaciteit te Loenhout voor alle mogelijke geïnteresseerde marktpartijen. Ten slotte heeft de CREG aan de N.V. Fluxys gevraagd haar uiterlijk op 21 januari 2011 een stappenplan te bezorgen met een timing voor de realisatie van de geplande vernieuwingen. 49. Tijdens een overlegmeeting heeft de N.V. Fluxys op 20 januari 2011 haar actieplan voor het nieuwe opslagmodel toegelicht, dat inhoudelijk volgende aandachtspunten omvat: 1° Onderzoek haalbaarheid LT commercialisatie opslag samen met betrokken marktpartijen en CREG. 2° samen met de CREG voorbereiden van een wetsaanpassing in verband met de afschaffing van de prioriteitsregel. 27/84 3° Voorbereiden van de documenten aangaande opslagcontract, toegangsreglement en opslagprogramma samen met het uitwerken en implementeren van de procedures (inclusief consultatieplatform) conform de nieuwe gedragscode. 4° Finaliseren documenten, ter goedkeuring voorleggen aan CREG. 5° Lanceren OSP (open subscription period) en toewijzen capaciteiten. 50. Op 26 januari 2011 heeft de N.V. Fluxys schriftelijk bevestigd dat het de bedoeling was rekening te houden met de behoeften van de markt en dat de ontwikkeling van Loenhout ten goede moest komen aan de leveringszekerheid en dat zij de concurrentie en de liquiditeit van de Belgische aardgasmarkt moest verstevigen. De N.V. Fluxys heeft verder benadrukt dat er een marktvraag bestaat voor langetermijnopslagcapaciteit en zij heeft gemeld dat zij een Memorandum of Understanding had getekend met Statoil ASA om de onderschrijving van lagetermijnopslagcapaciteit in Loenhout te onderzoeken. Een kopie van deze MOU werd toegevoegd. Daarnaast heeft de N.V. Fluxys herhaald dat zij met de CREG overleg wou plegen over de organisatie van een marktbevraging. Tevens heeft de N.V. Fluxys voorgesteld om, rekening houdend met de in werking treding van de nieuwe gedragscode en in tegenstelling tot wat was voorzien in de MOU‟s, de organisatie van een onderschrijvingsvenster voor langetermijnopslagdiensten niet te laten doorgaan voor het opslagseizoen 2011 – 2012, maar uit te stellen tot 2012 – 2013. Aansluitend werd gemeld dat de commerciële en regulatoire aspecten zouden toegelicht worden tijdens de daaropvolgende overlegvergaderingen. 51. Op 5 en 6 april 2011 heeft de N.V. Fluxys informatie sessies georganiseerd waar, voor respectievelijk eindklanten en voor shippers, een eerste voorstel werd toegelicht met betrekking tot het standaard opslagcontract, het toegangsreglement voor opslag en het opslagprogramma. De toelichting vormde tevens het begin van de marktraadpleging aangaande de voorgelegde documenten en deze werd afgesloten op 6 mei 2011. In haar e-mail bericht van 13 april 2011 heeft de CREG aan de N.V. Fluxys haar opmerkingen meegedeeld aangaande de opbouw en de inhoud van de betreffende documenten. Dit gebeurde op overzichtelijke en concrete wijze aan de hand van bestaande modelteksten. Tevens werden de referenties vermeld van de onderliggende wettelijke bepalingen en voorschriften (Verordening 715/2009, GDCII, GGPSSO, …). Voor het standaard opslagcontract heeft de CREG verwezen naar haar e-mailberichten van 6 en 7 april 2011 en in het bijzonder naar de e-mail van 12 april 2011. Tijdens een werkvergadering op 6 mei 2011 heeft de CREG vastgesteld dat op inhoudelijk vlak nog geen invulling gegeven was aan haar voordtellen van 13 april 2011, noch dat er 28/84 nieuwe teksten beschikbaar waren voor bespreking. Door de N.V. Fluxys werd wel andermaal de intentie bevestigd om de voorziene documenten ter goedkeuring bij de CREG in te dienen tegen 30 juni 2011. In het licht van deze deadline heeft de CREG per brief haar bezorgdheid uitgedrukt over de inhoudelijke vorderingen en de haalbaarheid van de voorgestelde datum. In de genoemde brief heeft de CREG ook verwezen naar de brief van FEBEG van 22 april 2011 aangaande de door de N.V. Fluxys georganiseerde marktbevraging voor opslag. In deze brief werd door de elektriciteits- en gasbedrijven het door de N.V. Fluxys voorgestelde model kritisch geëvalueerd, meer zelfs, fundamenteel in vraag gesteld. Gevolggevend aan het afsluiten op 6 mei 2011 van de consultatie van de N.V. Fluxys over de nieuwe regulatoire documenten voor opslag, heeft de CREG aan de N.V. Fluxys gevraagd zo spoedig mogelijk een overzicht te maken van de reacties van de verschillende marktpartijen, de relevante elementen uit de reacties te bundelen en de CREG hierover te informeren. Tevens heeft de CREG gevraagd dat de N.V. Fluxys deze opmerkingen zou meenemen bij de uitwerking van het nieuwe opslagmodel en opslagprogramma en zoniet zou aangeven waarom de reacties niet meegenomen werden. Tenslotte heeft de CREG aan de N.V. Fluxys gevraagd het projectverloop te bespoedigen en om zo snel mogelijk over een nieuw voorstel voor opslagmodel te kunnen beschikken. Aansluitend heeft zij gevraagd een aantal data vast te leggen voor projectmeetings om op gerichte wijze inhoudelijk verder vorm te geven aan de betreffende documenten rekening houdend met de ter zake geldende wettelijke bepalingen, de opmerkingen van de CREG en de bekommernissen van de markt. 52. In haar brief van 24 mei 2011 heeft de N.V. Fluxys geantwoord dat een terugkoppeling naar de markt voorzien was op respectievelijk 25 en 26 mei 2011. De N.V. Fluxys heeft bovendien gemeld dat zij haar initieel voorstel zou bijsturen, zowel wat betreft de verdeling van de hoeveelheden over de lange, de middellange en de korte termijn, de grootte van de minimaal te onderschrijven hoeveelheden en de allocatieregels voor de korte termijn. 53. Op 31 mei 2011 heeft de CREG aan de N.V. Fluxys gemeld dat zij van oordeel was dat, wat betreft de fundamentele vragen aangaande de huidige en toekomstige aanwending van de ondergrondse opslagsite te Loenhout, nog steeds een voldragen en uitgerijpt kader ontbrak. De CREG heeft er eveneens op gewezen dat deze bedenking niet geïsoleerd stond, en zij heeft aan de N.V. Fluxys de uitgebreide lijst van brieven en e-mails die hierover tussen de betrokkenen reeds waren uitgewisseld, in herinnering gebracht. Tevens heeft de CREG herhaald dat zij voorbehoud maakte bij de wijze waarop de uitwerking van het nieuwe opslagmodel door de N.V. Fluxys werd voorbereid en dat op inhoudelijk vlak nog belangrijke 29/84 aanvullingen noodzakelijk waren. Bij deze gelegenheid heeft de CREG ook gemeld dat zij de betrokken marktactoren zou uitnodigen voor een rondetafelgesprek op 24 juni 2011. 54. Op basis van dit rondetafelgesprek en op basis van de opmerkingen van zowel opslaggebruikers als eindklanten, heeft de N.V. Fluxys het voorstel voor een nieuw opslagmodel met bijhorende opslagovereenkomst, toegangsreglement voor opslag en opslagprogramma aangepast. Deze aanpassingen hielden onder meer rekening met de mogelijkheid opslagcapaciteit voor korte termijn toe te wijzen op basis van een veilingmechanisme. Bij middel van werkvergaderingen tussen de N.V. Fluxys en de CREG werd het voorstel verder uitgewerkt in de tweede helft van augustus en de eerste week van september. 55. Op 5 september 2011 heeft de N.V. Fluxys de markt geïnformeerd over de stand van zaken van het project en over de wijzigingen van het oorspronkelijke voorstel. Tevens werd het model aangevuld met een voorstel voor congestiemanagement, waarvoor een marktraadpleging gelanceerd werd op 8 september 2011 met voorzien einde op 21 september 2011. 56. Op 6 september 2011 heeft de N.V. Fluxys per e-mail de CREG geïnformeerd aangaande de verdere planning van het project. Deze planning voorzag onder meer de formele indiening van het dossier bij de CREG op 26 september 2011, met de bedoeling om tegen eind oktober 2011 lange termijn capaciteit aan de markt te kunnen aanbieden en toe te wijzen. Voor de korte termijn diensten werden de veilingsregels ter raadpleging aan de markt voorgelegd vanaf 19 september 2011 met voorzien einde op 3 oktober 2011. De definitieve versie van de veilingregels zouden dan door de N.V. Fluxys als amendement bij het dossier ingediend worden na half oktober (indicatief). Aanvullend zouden ook de details van het veilingverloop aan de opslaggebruikers meegedeeld worden, evenals data voor informatiesessies aangaande het veilingproces en een trainingssessie. Dit alles om het effectieve veilingsproces voor korte termijn diensten effectief te kunnen organiseren vóór eind november 2011. 57. Op 14 september 2011 heeft de N.V. Fluxys tijdens een informatiesessie voor de geïnteresseerde marktpartijen uitleg gegeven aangaande haar voorstel voor de organisatie van veilingen voor de toewijzing van jaarlijkse opslagdiensten. 58. In haar brief van 23 september 2011 heeft de CREG de N.V. Fluxys erop gewezen dat de projectplanning zeer krap was en dat de tijd die nog beschikbaar was voor het 30/84 voorleggen van de finale documenten en voor de beoordeling en goedkeuring van het opslagmodel en de bijhorende documenten door de CREG nagenoeg onbestaande was. De CREG heeft er eveneens op gewezen dat bij de opslaggebruikers die korte termijn capaciteit wensen te onderschrijven eenzelfde bezorgdheid leefde en dat zij amper of niet de gelegenheid zouden krijgen om de definitieve, door de CREG goedgekeurde documenten te analyseren en om zich vertrouwd te maken met het nieuwe model teneinde dit in de praktijk toe te passen. Wat de opslaggebruikers betreft, werd deze analyse bevestigd door een schrijven dat de CREG dienaangaande ontvangen heeft van FEBEG op 22 september 2011. De CREG heeft de N.V. Fluxys gevraagd haar standpunt hierover te mogen kennen. Bovendien heeft de CREG erop gewezen dat haar vraag tijdens de werkbespreking van 15 september 2011, en herhaald bij de bespreking op 20 september 2011, om te kunnen beschikken over een gedetailleerde planning van de implementatiefase van het nieuwe opslagmodel, met inbegrip van de interne deadlines voor oplevering van de nodige modules, op 23 september 2011 nog steeds niet beantwoord was. De CREG heeft bovendien gemeld dat er, ondanks de aanzienlijke inspanningen die geleverd werden, belangrijke hiaten bleven wat betreft het geheel van de documenten die haar ter goedkeuring moeten worden voorgelegd in het kader van de invoering van het nieuwe opslagmodel. De CREG heeft gewezen op belangrijke tekorten in het toegangsreglement wat betreft de uitwerking van het congestiebeleid, de uitwerking van de secundaire markt en de beschrijving van incident management. De uitwerking van de genoemde documenten beantwoordde niet aan de bepalingen van de gaswet (artikel 15/11 §2-4, van de gaswet). Ook werd geen rekening gehouden met de bepalingen van de SOS-Verordening 994/2010. Verder heeft de CREG aangestipt dat de documenten aangaande auctioning nog in de consultatiefase waren, wat twijfels deed rijzen betreffende de tijdige beschikbaarheid van een definitieve versie ervan. Ook aangaande de implementatie van een kader om de veilingen te organiseren was er onduidelijkheid aangaande de beschikbaarheid van een adequaat en getest informaticaplatform en de mogelijkheid voor de gebruikers om het systeem tijdig te leren kennen en gebruiken. Tevens heeft de CREG vastgesteld dat een nadere analyse van het standaard opslagcontract waarvan verschillende versies werden meegedeeld per e-mail van 30 augustus2011, 6 en 20 september 2011 aangetoond heeft dat met het merendeel van de tijdens de werkvergaderingen gemaakte opmerkingen geen rekening werd gehouden. 59. In het licht van wat voorafgaat, heeft de CREG daarom ernstige twijfels geuit over het welslagen van het project voor de invoering van een nieuw opslagmodel, zowel wat betreft de uitwerking van het regulatoir kader met de bijhorende documenten, als wat betreft de beschikbaarheid van een operationeel framework teneinde te kunnen waarborgen dat het model zou kunnen geïmplementeerd worden voor het opslagseizoen 2012 -2013. De CREG 31/84 heeft daarom gemeld dat haar standpunt was dat uiterlijk op 3 oktober 2011 de definitieve versies van de vereiste documenten ter goedkeuring aan de CREG moesten worden voorgelegd. Tijdens een vergadering op 27 september 2011 heeft de CREG haar opmerkingen bij alle documenten die haar tot op heden bezorgd werden aan Fluxys overgemaakt. De CREG heeft herhaald dat zij zoals steeds, haar verantwoordelijkheid zou nemen en zij heeft zich ertoe geëngageerd om tegen eind oktober 2011 een beslissing ter zake te nemen. 60. Op 30 september 2011 heeft de N.V. Fluxys per drager met ontvangstbewijs een aanvraag tot goedkeuring van het standaard opslagcontract, het toegangsreglement voor opslag en het opslagprogramma bij de CREG binnengebracht. De aanvraag vestigt de aandacht op het feit dat, naar aanleiding van de introductie van een veilingsysteem voor de jaarlijkse opslagdiensten, een aantal wijzigingen aan het toegangsreglement ter goedkeuring zouden opgestuurd worden in de loop van de maand oktober, na afloop van de consultatie over dit onderwerp. 61. De CREG heeft het dossier van 30 september 2011 geanalyseerd en zij heeft geoordeeld dat, rekening houdend met het feit dat de consultatie aangaande de organisatie van veilingen nog niet afgerond was op het ogenblik van indienen van het dossier en er bijgevolg nog aanvullingen nodig waren, In dit kader heeft de CREG tijdens een werkoverleg op 17 oktober 2011 aan de N.V. Fluxys haar laatste commentaar aangaande het toegangsreglement en het opslagcontract bezorgd. 62. Op 21 oktober 2010 werd een definitieve versie van de aanvraag tot goedkeuring van het standaard opslagcontract, het toegangsreglement voor opslag en het opslagprogramma bij de CREG ingediend per drager met ontvangstbewijs. 32/84 III. ONDERZOEK VAN HET VOORSTEL Algemeen 63. Hierna wordt nagegaan of de belangrijkste voorwaarden voor opslag, onder de vorm van een standaard opslagcontract, toegangsreglement voor opslag en opslagprogramma die de N.V. Fluxys haar medecontractanten oplegt redelijk, billijk, evenwichtig en proportioneel zijn en dus overeenstemmen met het algemeen belang. 64. Tenzij anders vermeld, is de hiernavolgende analyse opgebouwd in overeenstemming met de opeenvolgende delen, bijlagen, hoofdstukken en titels van het voorstel. De hierna geformuleerde opmerkingen hebben betrekking op een bepaald voorbehoud of betreffen specifieke eisen met betrekking tot de toepassing van het toegangsreglement voor opslag van de N.V. Fluxys of van de versies die zullen ingediend worden voor latere periodes. Het ontbreken van opmerkingen over een bepaald punt van het voorstel betekent dat de CREG er zich vandaag niet tegen verzet, maar houdt geenszins een voorafgaande goedkeuring van dit punt in indien het opnieuw op identieke wijze wordt ingediend op een later tijdstip voor dezelfde activiteit. 65. Indien het geval zich voordoet dat verschillende elementen van het voorstel betrekking hebben op een overkoepelend onderwerp, dan behoudt de CREG zich het recht voor deze elementen gezamenlijk te bespreken, in plaats van punt per punt. Waar nodig houdt de CREG rekening met het bijzonder karakter van de voorgestelde wijzigingen en geeft zij puntsgewijze commentaar. 66. Telkens wanneer de CREG over een bepaling haar goedkeuring niet kan geven, suggereert zij hoe de betreffende bepaling beter geformuleerd kan worden opdat het nieuwe voorstel de goedkeuring van de CREG zou kunnen wegdragen. Het formuleren van zo‟n suggestie kan geenszins beschouwd worden als zijnde een belangrijkste voorwaarde die opgelegd wordt. Het staat de N.V. Fluxys vrij om een ander voorstel bij de CREG in te dienen voor goedkeuring ervan. 67. Als voorafgaande algemene opmerking moet worden vastgesteld dat de belangrijkste voorwaarden voor opslag geen gebruik maken van een correcte terminologie overeenkomstig de gaswet zoals deze vandaag van kracht is en overeenkomstig het derde 33/84 energiepakket. Het betreft onder meer volgende begrippen: - “Standaard Opslag Contract” te vervangen door “Standaard Opslagcontract”; - “Opslagoperator” te vervangen door “Beheerder van de Opslaginstallatie”. De CREG stelt voor dat de belangrijkste voorwaarden voor opslag hieraan aangepast worden. 68. De tekst van het voorstel gebruikt zowel de termen Regulator als de CREG als benaming voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas. De CREG stelt voor om uitsluitend de term CREG te gebruiken. Kruisverwijzingen 69. Conform de gedragscode worden de regels voor de toegang tot de opslaginstallatie voor aardgas bepaald in het standaard opslagcontract, het toegangsreglement voor opslag en het opslagprogramma. De genoemde documenten vormen als zodanig een geheel, waarbij de documenten ook op inhoudelijk vlak elkaar aanvullen. Als gevolg hiervan verwijzen de documenten naar elkaar voor bepaalde onderwerpen. De CREG merkt op dat de veelvuldige kruisverwijzingen de leesbaarheid van de documenten niet ten goede komt, en soms een goed begrip in de weg staat of het overzicht van het geheel verhindert. De CREG doet daarom een oproep aan de N.V. Fluxys om, bij de voorbereiding van latere versies, de structuur van de documenten aan een grondige evaluatie te onderwerpen en inhoudelijk te stroomlijnen. Taalkundige opmerkingen 70. De documenten die deel uitmaken van het voorstel werden oorspronkelijk opgesteld in het Engels met de bedoeling dat een zo groot mogelijk deel van de marktspelers kennis zouden kunnen nemen van de inhoud van deze documenten en een bijdrage zouden kunnen leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van de inhoud van deze documenten. Ten einde in overeenstemming te zijn met de Belgische taalwetgeving en de geldende voorschriften terzake heeft de N.V. Fluxys haar voorstel ingediend in het Nederlands. De CREG wijst erop dat, zeer algemeen gesteld, de formulering van de documenten op taalkundig vlak kwalitatief veel te wensen overlaat. De CREG bedoelt hiermee niet de letterkundige kwaliteit van de teksten, maar zij wijst erop dat de betekenis van de tekst soms onduidelijk of onvolledig is of dat de betekenis van bepaalde formuleringen onopgehelderd blijft. Tevens merkt de CREG 34/84 op dat het niet steeds duidelijk is of op inhoudelijk vlak de Nederlandse vertaling wel de correcte betekenis geeft van het Engelse origineel. De CREG heeft, in de gevallen waar zij van oordeel was dat het nodig was voor de verstaanbaarheid van de tekst en in de mate van het mogelijke, de onduidelijkheden en onzuiverheden mee opgenomen in de onderstaande bespreking. Nochtans onderlijnt de CREG dat zij geen enkele aanspraak maakt op volledigheid. De CREG dringt er bij de N.V. Fluxys op aan dat zij de documenten van het voorstel grondig zou nalezen voor publicatie en waar nodig aan te passen ten einde volledige klaarheid te verschaffen en misverstanden te vermijden. Artikelen die onvolledig, niet zijn uitgewerkt, verwarrend of onbegrijpelijk zijn waardoor dit aanleiding kan geven tot toepassings- of interpretatiemoeilijkheden, moeten ook aangepast, gewijzigd of verbeterd worden opdat het geheel de goedkeuring van de CREG kan wegdragen. 71. De CREG merkt op dat de gebrekkige kwaliteit van de tekst niet enkel een hinderpaal vormt voor een goed begrip van de documenten, maar dat zij niet toelaat de documenten binnen een aanvaardbaar tijdsbestek te beoordelen. Tijdens de verschillende werk- en overlegvergaderingen heeft de CREG de medewerkers van de Fluxys herhaaldelijk attent gemaakt op deze problematiek. Het feit dat de realisatie van het project onder grote tijdsdruk stond - en staat - kan volgens de CREG hiervoor niet als argument ingeroepen worden, rekening houdend met de herhaalde aanmaningen door de CREG aan het adres van Fluxys om de timing van het project bij te sturen. De CREG is van mening dat het voorleggen van afgewerkte en nagelezen documenten een minimale vereiste is in het kader van het verkrijgen van een goedkeuring. Bovendien is het in wezen niets meer dan een vorm van elementaire beleefdheid en een uiting van respect voor de bestemmeling. De CREG wenst dan ook uitdrukkelijk te stellen dat zij zich in de toekomst het recht voorbehoud documenten die haar aangeboden worden en waarvan na een elementaire controle blijkt dat ze kwalitatief niet voldoen aan minimale vereisten, onder meer op het vlak van leesbaarheid, te weigeren en per retour aan de afzender terug te bezorgen voor herwerking. III.
- b)Het voorstel van Standaard Opslagcontract 72. Het voorste voor Standaard Opslagcontract wordt in de tekst aangeduid met het Engelse letterwoord standaard opslagcontract (Standard Storage Agreement). Het standaard opslagcontract bestaat uit: de Main met drie bijlagen, zijnde bijlage 1 “Bevestiging Diensten”, bijlage 2 “algemene voorwaarden” en bijlage 3 “definities”. 35/84 Main 73. De CREG geeft volgende punctuele opmerkingen: Op blz 2 wordt best de taalkundige fout in B verbeterd als volgt: A. de Opslaggebruiker wenst dat er Aardgas wordt geïnjecteerd in, opgeslagen in en uitgezonden uit de Opslaginstallatie; 74. Aangaande punt 1.2.7 stelt de CREG zich de vraag welke aanpassing, vervanging van “index” bedoeld wordt. Dit is niet duidelijk en kan mogelijks interpretatieproblemen teweegbrengen met ondermeer de bepaling inzake opzeg van de Opslagdiensten, voorzien in artikel 16.3.2 (iii). De CREG kan deze bepaling dan ook niet aanvaarden zolang de N.V. Fluxys dit niet verduidelijkt. 75. Punten 3.3, 4 en 5 aangaande de hiërarchie van de documenten, aanvaardt de CREG niet dat in geval van inconsistentie, of tegenstrijdigheden of om welke redenen ook in het standaard opslagcontract, de voorwaarden van bijlage 1 “Bevestiging Diensten” voorrang zouden genieten op de “algemene voorwaarden” van bijlage 2. Evenmin aanvaardt de CREG een hiërarchie tussen het standaard opslagcontract, het toegangsreglement voor opslag en het opslagprogramma waarbij aan het toegangsreglement voor opslag voorrang wordt gegeven op de andere twee documenten. 76. Zoals hoger reeds gezegd is het recht van toegang en de gedragscode van openbare orde aangezien hierin de fundamentele regels met betrekking tot de organisatie van de gasmarkt zijn opgenomen. De gedragscode voorziet nergens een hiërarchie tussen de drie documenten die samen de belangrijkste voorwaarden voor opslag uitmaken. De belangrijkste voorwaarden voor opslag worden door de CREG goedgekeurd. Het standaard opslagcontract is een toetredingscontract dat beide partijen, Beheerder van de opslaginstallatie en Opslaggebruiker, met elkaar ondertekenen en zonder hetwelke de Opslaggebruiker geen toegang kan verkrijgen tot de opslaginstallatie en evenmin een “Bevestiging Diensten” kan onderschrijven. Het valt dan ook zeer moeilijk te begrijpen hoe vanuit juridisch oogpunt de door de N.V. Fluxys vooropgestelde hiërarchie weerhouden kan worden. Hiervoor kan ook verwezen worden naar artikel 77 en 79, van de gedragscode waaruit voortvloeit dat de standaard opslagcontract het toegangsticket is om een bevestiging dienst te kunnen onderschrijven. Tot slot, de drie documenten die samen de belangrijkste voorwaarden voor opslag uitmaken, hebben elk een verschillend voorwerp: 36/84 o het standaard opslagcontract bevat het geheel van rechten en plichten van de Beheerder van de opslaginstallatie en de Opslaggebruiker zodat de Opslaggebruiker geregistreerd kan worden om opslagdiensten te kunnen onderschrijven; o het toegangsreglement voor opslag beschrijft de operationele regels en procedures voor de toegang tot de opslaginstallatie; o Het opslagprogramma geeft een klantvriendelijke beschrijving van het opslagmodel en de aangeboden opslagdiensten. De CREG aanvaardt de bepalingen 3.3, 4 en 5 niet. 77. Punt 6 “Wijziging van de Documenten”: De leesbaarheid van deze clausule is niet al te duidelijk. Bovendien moet rekening gehouden worden met de artikelen 29 en 78, van de gedragscode. Om deze redenen stelt de CREG voor om deze clausule als volgt aan te passen: “Onverminderd artikelen 16 en 18 van bijlage 2 en in overeenstemming met de Gedragscode, kunnen het Standaard Opslagcontract, het Toegangsreglement voor Opslag en het Opslagprogramma van tijd tot tijd worden gewijzigd. Dergelijke wijzigingen, na raadpleging van de markt, zullen zowel voor bestaande als voor toekomstige installaties en uitbreidingen ervan van toepassing nadat zij zijn goedgekeurd door de CREG en op de datum van inwerkingtreding bepaald door de CREG. “ 78. De CREG stelt vast dat in de Main werd voldaan aan artikel 169, §1, 2°, gedragscode. Het voorwerp van de standaard opslagcontract werd in de Overweging A beschreven. Het zou de leesbaarheid van de Main ten goede komen, mocht de N.V. Fluxys een aparte rubriek voorzien met als titel: “Voorwerp van de overeenkomst”. Bijlage 2: algemene voorwaarden Exploitatie en onderhoud van het opslagsysteem (artikel 169, §1, 10°, gedragscode): 79. Inzake exploitatie en onderhoud van het opslagsysteem kan verwezen worden naar de artikelen 2, §1, 1°, gedragscode (de beheerders baten hun vervoerinstallaties uit en onderhouden deze met economisch verantwoorde systemen en procedures die een veilige, betrouwbare en efficiënte werking ervan garanderen), 174, gedragscode (§ 1. Bij de uitvoering van onderhoudswerken verstoort de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas zo weinig mogelijk de normale werking van de opslagdiensten. § 2. De geplande 37/84 niet-beschikbaarheid van de opslaginstallatie voor aardgas wordt zoveel mogelijk beperkt tot de periodes en uren die de Opslaggebruikers het minste ongemak bezorgen. Daartoe zal de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas : 1° een jaarlijks onderhouds- en testprogramma opstellen; Opslaggebruikers; 3° 2° de overleggen onderhoudswerken met de tijdig aankondigen Opslaggebruikers onderhoudswerken zoveel als redelijkerwijze mogelijk af teneinde aan de voor zijn te stemmen op de relevante onderhoudswerken bij de Opslaggebruikers; 4° overleggen met de andere beheerders teneinde voor zijn onderhoudswerken zoveel als redelijkerwijze mogelijk af te stemmen op de relevante onderhoudswerken bij de andere beheerders; 5° de mogelijke invloed van de onderhoudswerken op de opslagdiensten vooraf bepalen) en 186 gedragscode (§ 1. Elk jaar, uiterlijk op dertig september, maakt de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas op zijn website alle voor het komende opslagseizoen geplande onderhoudswerken bekend aan alle opslaginstallaties voor aardgas, hun duur en de mogelijke impact op de beschikbaarheid van de opslagdiensten. § 2. Tijdens de uitvoering van de geplande en aangekondigde onderhoudswerken, maakt de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas per opslaginstallatie voor aardgas een update van de in § 1 bedoelde informatie bekend op zijn website. § 3. De beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas verstrekt de nodige informatie aan de beheerder van het aardgasvervoersnet opdat het aardgasvervoer op een veilige en doelmatige wijze kan plaatsvinden.) 80. In artikel 2.1 is het aangewezen om in de eerste alinea het laatste gedeelte van de zin, te weten “in overeenstemming met de bepalingen van een Redelijke en Voorzichtige Operator” weggelaten en te vervangen door “overeenkomstig de bepalingen van de gaswet, de gedragscode en andere relevante nationale en Europese wetgeving.” 81. In de derde alinea van hetzelfde artikel stelt de CREG voor om tussen de woorden “de Opslaggebruiker” en “daarvan minstens 10” de woorden “en de CREG” in te voegen. Bijkomend moet de zin vervolledigd worden met “met mededeling van de vermoedelijke duur ervan.” 82. Verder merkt de CREG op dat voor de daarop volgende alinea startend met de bewoording “In geval van” en eindigend met “verplichtingen van openbare dienstverlening” verplaatst en verder uitgewerkt moeten worden in artikel 12 van de standaard opslagcontract betreffende “incidenten en noodsituaties” (zie hierna). 83. Hetzelfde geldt voor de laatste zin van de voorlaatste alinea van artikel 2.1, startend met de woorden “In geval van” en eindigend met de woorden “10 Werkdagen”. 38/84 Diensten (artikel 169, §1, 3°, gedragscode) 84. In artikel 3.2 moet ook verwezen worden naar C.2 van het toegangsregelement voor Opslag om volledig te zijn. 85. Vervolgens houden de artikelen 3.4 en 3.5 plichten van de Opslaggebruiker en de Beheerder van de opslaginstallatie in zodat deze artikelen verplaatst moeten worden naar artikel 10 van de standaard opslagcontract “Aansprakelijkheid”. Rechten verbonden aan diensten (artikel 169, §1, 4°, gedragscode) 86. In artikel 4.1 wordt het begrip “diensten” best geschreven met hoofdletter. Vergoeding voor Diensten (artikel 169, §1, 4°, gedragscode) In artikel 5.2 wordt verwezen naar artikel 5.3.1 terwijl het standaard opslagcontract geen artikel 5.3.1 bevat. De verwijzing moet dan ook weggelaten worden. Facturatie en betaling (artikel 169, §1, 5°, gedragscode) 87. Voor facturatie en betalingsmodaliteiten verwijst de CREG naar de artikelen 87 tot 89, van de gedragscode. 88. Er wordt in artikel 6.1 voorgesteld om de factuur aan de Opslaggebruiker over te maken op de tiende dag van de maand volgend op de maand waarin de dienst waarvoor gefactureerd wordt, werd gepresteerd. Betaling van deze factuur moet gebeuren door de Opslaggebruiker uiterlijk op de vervaldag die gelijk is aan de laatste werkdag van de maand waarin de factuur werd ontvangen. In concreto komt dit neer op een betalingstermijn van tien werkdagen, nu een maand gemiddeld 20 werkdagen telt. Of anders uitgedrukt: een betalingstermijn van maximaal vijftien kalenderdagen. Inderdaad, het is niet uitgesloten dat de tiende dag van de maand waarop de factuur wordt verstuurd, een zaterdag, een zondag of een feestdag is waardoor de verzending gebeurt op de eerstvolgende werkdag. Vervolgens, volgens de definitie “Vervaldag” wordt vastgesteld dat de factuur wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag na verzending. En tot slot, de laatste werkdag van een maand kan een vrijdag zijn waardoor twee kalenderdagen worden gemist. Uit dit alles blijkt dat de opgegeven betalingstermijn voor de Opslaggebruiker 39/84 onaanvaardbaar kort is. 89. Overeenkomstig artikel 4 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de strijd tegen de betaalachterstand bij commerciële transacties, moet elke betaling tot vereffening van een commerciële transactie, behoudens andersluidende bepalingen, worden uitgevoerd binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag die volgt op de datum van ontvangst van de factuur door de debiteur. De CREG is van oordeel dat aangezien het standaard opslagcontract een toetredingscontract is en er dus geen sprake is van enige onderhandelingsmarge tussen Beheerder van de opslaginstallatie en Opslaggebruiker de wettelijke termijn van 30 dagen weerhouden moet worden. 90. Het is beter het begrip “dag” te vervangen door “werkdag”, vermits geen facturen verzonden kunnen worden op een kalenderdag wanneer dit geen werkdag is. Hetzelfde geldt voor de dag waarop betaald moet worden. 91. Verder dient het laatste lid van artikel 6.1 aangevuld te worden met wat is voorzien in artikel 87, 3°, van de gedragscode en moeten een aantal preciseringen in de tekst doorgevoerd worden om tot een coherent geheel te komen. 92. De CREG suggereert om artikel 6.1 als volgt te verbeteren en aan te passen: “Vanaf de Startdatum en voor zover de Opslaggebruiker Opslagdiensten heeft onderschreven krachtens onderhavig Standaard Opslagcontract, verstuurt de Beheerder van de opslaginstallatie op de vijfde (5de) Werkdag van de Maand die volgt op te factureren Opslagdiensten een factuur op naar de Opslaggebruiker, omvattende: (
- i)de Maandelijkse Vergoeding voor Opslagdiensten, provisioneel berekend overeenkomstig artikel 5 van onderhavige bijlage en bijlage B van het Toegangsreglement voor Opslag, te betalen door de Opslaggebruiker voor de geleverde Opslagdiensten van de afgelopen Maand, en de Regelingsvergoeding; (
- ii)alle verbeteringen aan de Maandelijkse Vergoeding(
- en)voor Opslagdiensten en/of de Regelingsvergoeding(en), betaald door de Opslaggebruiker voor de voorafgaande drie
(3)Maanden; (iii) alle andere bedragen te betalen door de Opslaggebruiker voor de voorafgaande achttien
(18)Maanden. Alle facturen en/of hun bijlagen bevatten een gedetailleerde berekening van de Totale 40/84 Maandelijkse Vergoeding(en), met vermelding onder meer van de gepresteerde Opslagdiensten en de waarden van de desbetreffende parameters en indexcijfers indien van toepassing, de datum van facturatie, de bankrekeninggegevens, de betalingsvoorwaarden (met inbegrip de betalingstermijnen), de benuttingsgraad van de Opslagdiensten, de valuta en de interestvoet. Samen met de factuur wordt een gedetailleerd overzichtstabel per gepresteerde Opslagdienst, met inzonderheid de opgave van hernominaties en meetresultaten, meegedeeld.”
- Artikel 6.2 dient vereenvoudigd te worden, nu het versturen van een telefax ook geldt als bewijs van verzending en bijgevolg een telefax niet bevestigd moet worden per brief. Uit vaststaande rechtspraak wordt aangenomen dat bewijsvoering van de verzending van een factuur eenvoudig kan gebeuren door als eisende partij spontaan, of op bevel van de rechtbank het uitgaande factuurboek voor te leggen. Verder kan de vraag gesteld worden wat bedoeld wordt met bijlagen. De laatste twee zinnen dienen dan ook geschrapt te worden.
- Artikel 6.3 voorziet twee mogelijkheden van betwisting:
(1)een betwisting om redenen van een berekeningsfout. In dat geval wordt enkel het niet betwiste gedeelte van de factuur betaald uiterlijk op de vervaldag. De CREG is van oordeel dat voor een berekeningsfout een factuur door de Opslaggebruiker moet worden betwist ten laatste op de vervaldatum en niet op de twintigste werkdag zoals voorgesteld door de N.V. Fluxys. Immers, gelet op de door de N.V. Fluxys voorgestelde betalingstermijn zou dit neerkomen op het feit dat, niettegenstaande de vervaldatum wordt voorgesteld als een vervaltermijn, er toch nadien betaald zou kunnen worden wat betreft het niet betwiste gedeelte. De CREG is van oordeel dat wanneer de Opslaggebruiker een factuur wil betwisten om redenen van een berekeningsfout, deze betwisting zo spoedig mogelijk moet gebeuren en dus tegen ten laatste op de dag waarop de factuur betaald moet worden, zoniet zou aan de Opslaggebruiker verweten kunnen worden zijn contractuele verplichting van betaling van facturen niet te hebben nageleefd wat aanleiding zou kunnen geven tot opschorting of ontbinding van het standaard opslagcontract of de Opslagdienst. De CREG acht het niet noodzakelijk om een onderscheidt te maken tussen een “manifeste” berekeningsfout en een “berekeningsfout”. Dit zal enkel en alleen maar aanleiding geven tot onnodige betwistingen, hetgeen vermeden moet worden. Trouwens, het is onduidelijk wie zal bepalen en op basis van welke maatstaf zal worden bepaald wanneer een berekeningsfout al dan niet manifest is. 41/84 De CREG is ook van oordeel dat naast het niet betwiste gedeelte van de factuur ook de daarop verschuldigde BTW betaald moet worden door de Opslaggebruiker.
(2)betwisting om andere redenen dan een berekeningsfout. In dat geval wordt de factuur betaald op een geblokkeerde rekening. De CREG kan zich akkoord verklaren met dit onderscheid, maar acht het noodzakelijk om artikel 6.3 leesbaarder te maken en te vervolledigen teneinde een goede uitvoering hieraan te geven. Dezelfde opmerking geldt ook hier wat betreft de termijn binnen dewelke een factuur door de Opslaggebruiker moet worden betwist. 95. De CREG suggereert om artikel 6.3 als volgt te verbeteren en aan te passen: “ 6.3 De bedragen van de facturen worden betaald ten laatste op de Vervaldag in euro. In geval van berekeningsfout(en), stelt de Opslaggebruiker de Beheerder van de opslaginstallatie hiervan in kennis ten laatste op de Vervaldag. In dergelijk geval wordt enkel het niet betwiste gedeelte van de factuur, inclusief BTW, betaald op de Vervaldag. De Beheerder van de opslaginstallatie behandelt de klacht binnen dertig
(30)Werkdagen na ontvangst van dergelijke kennisgeving. In geval partijen geen akkoord kunnen bereiken, kan de meest gerede partij beroep doen op artikel 19 of 20 van onderhavige bijlage. Indien de Opslaggebruiker de facturen om anderen redenen dan berekeningsfout(en), gedeeltelijk of geheel betwis,t stelt de Opslaggebruiker de Beheerder van de opslaginstallatie hiervan in kennis ten laatste op de Vervaldag en betaalt hij het niet betwiste gedeelte, inclusief BTW, ten laatste op de Vervaldag. De Beheerder van de opslaginstallatie behandelt de klacht binnen de dertig
(30)Werkdagen na ontvangst van dergelijke kennisgeving. In geval partijen geen akkoord kunnen bereiken, kan de meest gerede partij beroep doen op artikel 19 of 20 van onderhavige bijlage. De Opslaggebruiker betaalt binnen de twee
(2)Werkdagen het de betwiste gedeelte, inclusief BTW op een geblokkeerde rekening van de Beheerder van de opslaginstallatie. Artikel 6.7 is van toepassing.”
- De eerste zin van artikel 6.4 wordt best verduidelijkt en als volgt aangevuld: “Partijen verstrekken elkaar tijdig de gegevens noodzakelijk voor het opstellen en het betalen van de facturen.” 42/84
- De artikelen 6.6 en 6.7 kunnen beter vereenvoudigd worden om de leesbaarheid hiervan te verbeteren. De CREG stelt voor om dit als volgt te doen: “Indien de factuur niet is betaald op de Vervaldag of indien de Opslaggebruiker een onverschuldigde betaling overeenkomstig artikel 6.3 van onderhavige bijlage heeft uitgevoerd, is respectievelijk een nalatigheidsinterest verschuldigd door de Opslaggebruiker voor elke achterstallige Dag van betaling of een nalatigheidsinterest verschuldigd door de Beheerder van de opslaginstallatie voor elke achterstallige Dag van terugbetaling. Voormelde interest wordt berekend overeenkomstig het drie
(3)maands EURIBOR tarief dat van toepassing is op de Vervaldag, vermeerderd met tweehonderd
(200)basispunten.” Operationele voorwaarden en kwaliteitsspecificaties (artikel 169, §1, 9°, van de gedragscode) 98. Voor de CREG zijn de artikelen 8.3, 8.4 en 8.5 onaanvaardbaar. Het entry-punt van de opslaginstallatie Loenhout ligt niet op de landgrens. Met andere woorden, alvorens toegang te hebben tot de opslaginstallatie Loenhout is de bevrachter/Opslaggebruiker verplicht hetzij via de LNG-installatie, hetzij via de Interconnector I(UK), hetzij via een entrypunt op de landsgrens het aardgas fysisch binnen te brengen in het aardgasvervoersnet van de N.V. Fluxys om zich vervolgens toegang te kunnen verschaffen tot de opslaginstallatie Loenhout. De bevrachter die het aardgas op het Belgisch vervoersnet binnenbrengt, is niet noodzakelijk een Opslaggebruiker en niet al het aardgas dat op het Belgisch aardgasvervoersnet geïnjecteerd wordt, heeft als bestemming de opslaginstallatie Loenhout. Concreet betekent dit dat de bevrachter, ook wanneer hij Opslaggebruiker is, onmiddellijk na het aardgas on spec te hebben geïnjecteerd in het Belgisch aardgasvervoersnet, de controle verliest wat met de kwaliteit van zijn aardgas gebeurt. Alleen de transmissiesysteembeheerder en de opslagsysteembeheerder zijn in staat om met toepassing van allerlei mechanismen het aardgas on spec te injecteren in de opslaginstallatie Loenhout. Dit is ook de reden waarom de CREG van oordeel is dat deze afspraken verder uitgewerkt moeten worden in de interconnectieovereenkomst die beide beheerders met elkaar dienen te sluiten. De CREG suggereert dan ook om de artikelen 8.3 tot 8.5 als volgt te vervangen: “8.3 De regels inzake het nakomen van Kwaliteitsvereisten beschreven in bijlage D2 van het Toegangsreglement voor Opslag voor het Interconnectiepunt Loenhout 43/84 worden nader beschreven in de Interconnectieovereenkomst die afgesloten wordt tussen de Beheerder van de opslaginstallatie en de Beheerder van het Aardgasvervoersnet. In de Interconnectieovereenkomst maken de Beheerder van de opslaginstallatie en de Beheerder van het Aardgasvervoersnet afspraken omtrent alle redelijke middelen die zij zullen aanwenden voor geharmoniseerde Kwaliteitsvereisten teneinde schade, de veiligheid en de goede werking van de Opslaginstallatie en de Vervoersinstallatie te bewerkstelligen. 8.4 Injectie Aardgas op het Interconectiepunt Loenhout: Ingeval door de Beheerder van het Aardgasvervoersnet op het Interconnectiepunt Loenhout geen aardgas ter beschikking kan worden gesteld dat voldoet aan de Kwaliteitsvereisten injectie voor het Interconnectiepunt Loenhout zoals bepaald in bijlage D2 van het Toegangsreglement voor Opslag, zal de Beheerder van de opslaginstallatie het recht hebben om de Opslagdiensten van de Opslaggebruiker te beperken of te onderbreken zoals bepaald in bijlage D1 van het Toegangsreglement voor Opslag. De Beheerder van het Aardgasvervoersnet en de Beheerder van de opslaginstallatie stellen alle redelijke middelen in het werk om het Aardgas op het Interconnectiepunt Loenhout toch te aanvaarden. De Beheerder van de opslaginstallatie kan ten aanzien van de Opslaggebruiker niet aansprakelijk worden gesteld voor de schade (direct of indirect) voorkomend uit de beperking of onderbreking. Indien aansprakelijkheid inzake Kwaliteitsvereisten in hoofde van de Opslaggebruiker of de Beheerder van de opslaginstallatie bewezen is, geldt artikel 10 van onderhavige bijlage. 8.5 Uitzending Aardgas op het Interconnectiepunt Loenhout Ingeval door de Beheerder van de opslaginstallatie op het Interconnectiepunt Loenhout geen aardgas ter beschikking kan worden gesteld dat voldoet aan de Kwaliteitsvereisten uitzending voor het Interconnectiepunt Loenhout zoals bepaald in bijlage D2 van het Toegangsreglement voor Opslag, zal de Beheerder van het Aardgasvervoersnet het recht hebben om de Vervoersdiensten van de Opslaggebruiker te beperken of te onderbreken zoals bepaald in het standaard transport contract. 44/84 Indien aansprakelijkheid inzake Kwaliteitsvereisten in hoofde van de Opslaggebruiker of de Beheerder van de opslaginstallatie bewezen is, geldt artikel 10 van onderhavige bijlage. “ Garanties 99. De CREG merkt op dat in artikel 9.1 naast erfgenamen ook het begrip “rechtsopvolgers” moet worden opgenomen vermits erfgenamen enkel en alleen fysische personen zijn die bij het overlijden van een Partij optreden, terwijl niet uitgesloten is dat een Partij ook een rechtspersoon kan zijn. In dat geval spreekt men over rechtsopvolgers. 100. De CREG is van oordeel dat artikel 9.3 moet aangepast worden teneinde aan de ontvlechtingseisen van Ownership Unbundling zoals voorzien in het derde energiepakket en in het voorontwerp van gaswet te voldoen. De CREG suggereert om artikel 9.3,
- a)als volgt te wijzigen en aan te vullen: (
- a)hij eigenaar is van de Opslaginstallatie, alle vereiste licenties, vergunningen, toestemmingen en rechten heeft krachtens de toepasselijke wetgeving om de Opslaginstallatie uit te baten. Hij zal alle noodzakelijke stappen ondernemen om de eigendom, de vereiste licenties, vergunningen, toestemmingen en rechten behouden gedurende de volledige Contractuele Periode vanaf de Startdatum. In artikel 9.3,
- b)is het aangewezen om tussen de woorden “leveren” en “dat” het voegwoord “en” in te voegen en tussen de woorden “hij” en “redelijke” het woord “alle” in te voegen. Dit verhoogt de leesbaarheid van het artikel. Aansprakelijkheid (artikel 169, §1, 7°, van de gedragscode) 101. De CREG is van oordeel dat er naar een voldoende en redelijk evenwicht van aansprakelijkheid tussen partijen gestreefd moet worden. Tegenover de verplichtingen van de partijen moet een redelijk en voldoende aansprakelijkheid staan voor het geval van niet naleving van deze verplichtingen. Er dient daarnaast ook rekening te worden gehouden met de economische en financiële aspecten (met name de verzekerbaarheid en bijgevolg de betaalbaarheid van het netbeheer wat betreft de aansprakelijkheid van de beheerder). 45/84 102. De recente visie van het Hof van Cassatie12 op samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid bestaat erin dat de contractant slechts quasi-delictueel aansprakelijk kan worden gesteld wanneer de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt aan niet alleen de contractuele verbintenis maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsplicht. De fout hoeft dus niet langer totaal vreemd te zijn aan het contract. Zoals voorheen wordt wel nog steeds vereist dat de fout andere schade dan aan de slechte uitvoering van het contract te wijten schade, heeft veroorzaakt. Er is dus een versoepeling met betrekking tot het foutcriterium, maar niet met betrekking tot de causaliteit. 103. Bij coëxistentie en dus niet bij samenloop, wordt onderzocht of een partij die contractueel aansprakelijk is jegens de andere partij, daarnaast ook door een derde kan worden aangesproken op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid13. In casu heeft de N.V. Fluxys als Beheerder van de opslaginstallatie een elementaire zorgvuldigheidplicht ten opzichte van de netgebruikers die geen Opslaggebruiker zijn. Haar aansprakelijkheid beperken tot de maximale schadebedragen die gelden tussen partijen is geoorloofd. Indien het verhaalsrecht van de derde het maximale schadebedrag overtreft, dient de Opslaggebruiker de N.V. Fluxys als Beheerder van de opslaginstallatie hiervoor te vrijwaren. Het omgekeerde geldt evenzeer. Artikel 10.3.1 kan dus aanvaard worden voor zover partijen elkaar dienen te vrijwaren jegens alle aanspraken van derden van zodra de drempelwaarden van artikel 10.2.1 zijn overschreden. 104. Een exoneratiebeding is een contractueel beding waarbij een partij stipuleert geheel of gedeeltelijk bevrijd te zullen zijn indien zijn contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid in het gedrang komt. Op grond van de beginselen van wilsautonomie en contractsvrijheid is exoneratie principieel mogelijk zowel aangaande contractuele aansprakelijkheid als buitencontractuele aansprakelijkheid. Op de principiële geldigheid bestaan evenwel drie uitzonderingen:
(1)exoneratiebedingen die strijdig zijn met dwingend recht of recht dat raakt aan de openbare orde en de goede zeden
(2)exoneratiebedingen die de schuldenaar bevrijden van zijn aansprakelijkheid voor zijn eigen opzet en
(3)exoneratiebedingen die de overeenkomst uithollen. Exoneratiebedingen kunnen zowel betrekking hebben op persoonlijk, lichamelijke als op zaakschade. 12 Cass., 29 september 2006, NJW 153, 946, met noot en RABG, 2007/19, 1256 13 Hof Antwerpen, 16 oktober 2006, R.W., 2009-2010, 961 46/84 Exoneratie voor eigen opzet is niet mogelijk. Opzettelijke fout houdt elke vrijwillige wanprestatie in, ongeacht het oogmerk om te schaden. Bedrog houdt een wilsgebrek in, waarbij iemand tot een bepaalde rechtshandeling wordt bewogen –in casu het afsluiten van een standaard opslagcontract of het onderschrijven van een Bevestiging Diensten- door een opzettelijk onjuiste mededeling (iets belangrijks niet meedelen, wat men juist verplicht was mede te delen) of een andere kunstgreep (bijvoorbeeld het opgeven van een valse naam, het vervalsen van stukken). Bedrog heeft de nietigheid van het standaard opslagcontract of de Bevestiging Diensten voor gevolg, indien het bewezen is. Het begrip “bedrog” hoeft bijgevolg niet vermeld te worden in het exoneratiebeding aangaande aansprakelijkheid zoals dit nu gestipuleerd staat in het standaard opslagcontract . Alhoewel exoneratie voor eigen zware fout is toegelaten, valt dit in casu sociaal-econimisch niet te verantwoorden. Een zware fout wordt door het Hof van Cassatie gelijkgesteld met de verwaarlozing van de meest elementaire voorzichtigheidsregels
- Een dergelijk exoneratiebeding verzwakt de bindende kracht van de verbintenis en verplicht de debiteur niet eens tot het respecteren van een minimale aandacht en zorg. Dergelijk beding zou de verplichtingen van de N.V. Fluxys als Beheerder van de opslaginstallatie tot een minimum herleiden hetgeen niet aanvaard kan worden. Voor verlies van Gas op Voorraad (artikel 10.2.2, tweede lid) wordt enkel het begrip “fout” door de N.V. Fluxys voorgesteld, hetgeen geen beperking inhoudt over welke soort van fout het kan gaan. De CREG kan zich hiermee akkoord verklaren. Inzake niet geplande en niet op voorhand aangekondigde werken (artikel 10.2.3) die door de N.V. Fluxys moeten uitgevoerd worden om redenen dat deze werken een gevolg zijn van een fout in hoofde van de N.V. Fluxys, kan de CREG zich akkoord verklaren met het feit dat in dat geval de Opslaggebruiker recht heeft op een schadevergoeding beperkt tot de capaciteitskosten en de maximale bedragen uiteengezet in artikel 10.
- Ook hier gaat het om een fout in hoofde van de N.V. Fluxys conform het gemeen recht.
- De begrippen “directe” en “indirecte schade” naar Belgisch (privaat)recht zijn niet wettelijk noch jurisprudentieel gedefinieerd en dit zowel voor contractuele als voor buitencontractuele fout. Beide vormen van schade zijn in principe met toepassing van artikel 14 Cass., 24 september 1954, Arr.Cass., 1952,
- 47/84 1149 van het Burgerlijk Wetboek vergoedbaar. De omvang van de verschuldigde schade wordt weliswaar berekend op basis van de vergelijking van de situatie waarin de schuldeiser zich zou bevinden indien de overeenkomst naar behoren zou zijn uitgevoerd, met de situatie waarin hij zich nu bevindt ingevolge de niet-nakoming van de verbintenis. Zowel directe als indirecte schade moet in causaal verband staan met de wanprestatie. Indirecte schade situeert zich na directe schade die rechtstreeks in oorzakelijk verband staat met de wanprestatie. Indirecte schade kan zowel patrimoniaal (aantasting van het vermogen, bv vernieling apparatuur of verlies van inkomsten) als extra-patrimoniaal zijn (bv reputatieverlies). De beperking tot het vergoeden van enkel de directe materiële schade is aanvaardbaar voor de CREG. Immers, het instellen van financiële caps (uitgedrukt in de soort vergoedbare schade en/of uitgedrukt in euro) biedt het voordeel dat de risico‟s voor beide contractspartijen op voorhand geanalyseerd kunnen worden en beheersbaar blijven, hetgeen een invloed heeft op de tarieven. Daarnaast, blijkt uit het “Final report on liability of Electricity transmission system operatiors for supply failure”15 dat dergelijke financiële caps een positieve incentive inhouden voor de beheerder om te betalen in geval van schade dan eerder langdurige en dure gerechtelijke procedures te moeten ondergaan. Vlugge betaling komt ook ten gunste van de netgebruiker. Niettemin mogen de financiële caps niet te laag zijn opdat het uiteindelijke doel, zijnde kwaliteitsverbetering in hoofde van de beheerder bij het verstrekken van de diensten, niet ongedaan wordt gemaakt.
- De CREG acht artikel 10.3.2 onaanvaardbaar. Het is onaanvaardbaar dat wanneer een fout in hoofde van de Beheerder van de opslaginstallatie wordt vastgesteld die geen opzettelijke fout, zware fout of bedrog is, de Opslaggebruiker gehouden is om de schade die de eindafnemer en/of de upstream leverancier hierdoor lijdt en die voortvloeit uit de fout van de Beheerder van de opslaginstallatie, moet vergoeden.
- De CREG merkt op dat in artikel 10.4.1, behoudens in geval van opzettelijke fout, zware fout of bedrog een afstand van verhaal wordt bedongen tussen partijen onderling enerzijds en tussen partijen ten aanzien van derden anderzijds voor overlijden, lichamelijke letsel of ziektes opgelopen door hun werknemers of lasthebbers. 15 http://ec.europa.eu/energy/gas_electricity/studies/doc/electricity/2010_07_tso_liability.pdf 48/84 Deze clausule zou dus ingeroepen worden in geval overlijden of lichamelijk letsel of ziekte van het personeel van partijen of derden. Evenwel, zowel het personeel van partijen als van derden zijn derden ten aanzien van het standaard opslagcontract. Bijgevolg kunnen de Beheerder van de opslaginstallatie en de Opslaggebruiker hun eigen personeel en nog minder het personeel van derden het recht ontzeggen om zelf hun verhaalrecht uit te oefenen. Het is onmogelijk te bedingen dat het personeel van de N.V. Fluxys, van de Opslaggebruiker of van een derde partij in eigen naam en voor eigen rekening geen verhaalrecht zou mogen uitoefenen voor lichamelijke schade die hen werd toegebracht. Artikel 1119, van het Burgerlijk Wetboek stelt duidelijk dat niemand zich kan verbinden of iets bedingen in eigen naam dan voor zichzelf. De N.V. Fluxys en de Opslaggebruiker zijn onderscheiden rechtssubjecten van het personeel dat bij hen tewerk gesteld is en die het slachtoffer kunnen worden van overlijden, lichamelijke schade of ziekte. In principe moet een derde die het slachtoffer wordt van lichamelijke schade op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek zijn vordering kunnen instellen tegen die partij die een fout heeft begaan, zoniet zal zijn vordering niet gegrond worden verklaard. Alleen deze partij is gehouden tot betaling van enige schadevergoeding. Een vrijwaringsbeding zou betekenen dat bijvoorbeeld niet tegenstaande de fout in hoofde van de N.V. Fluxys bewezen is, de schadevergoeding door de Opslaggebruiker niettemin aan de derde partij betaald zou moeten worden. Het omgekeerde geldt ook. De CREG kan deze vrijwaring niet goedkeuren.
- Inzake afstand van verhaalsrecht door hun respectieve verzekeraars wat betreft de aansprakelijkheidsregeling van artikel 10, moet verwezen worden naar het feit dat afstand van subrogatierecht in sommige gevallen wettelijk uitgesloten is, met name : - de artikelen 41 en 49 van de wet van 25 juni 1992 van de landverzekeringsovereenkomst met betrekking tot uitkeringen gedaan door een schadeverzekeraar of door een sommenverzekeraar ; - de artikelen 52, §4 en 75 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomst ; - artikel 47 van de arbeidsongevallenwet ; - artikel 70, §2 van de wet op de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het voorstel gedaan door de N.V. Fluxys om krachtens artikel 10.4.2 te voorzien dat door partijen getracht zal worden dat in hun verzekeringspolissen afstand van verhaal bedoeld in artikel 10.4.1 en/of afstand te doen van alle rechten van verhaal of indeplaatstelling, zou worden opgenomen, is voor de CREG aanvaardbaar. Evenwel, zoals hoger gesteld, gaat het 49/84 hier om een derdenbeding waaraan geen contractuele gevolgen kunnen worden verbonden jegens partijen indien hun verzekeraar dit derdenbeding niet zou aanvaarden.
- Rekening houdende met wat voorafgaat, suggereert de CREG om artikel 10 als volgt te herformuleren: “10.1 Uitgezonderd voor zware fout of opzettelijke fout, vindt in geval van contractuele aansprakelijkheid of in geval van buitencontractuele aansprakelijkheid of in geval van samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid, artikel 10 toepassing op alle schadegevallen waarin een Partij en/of hun verbonden ondernemingen aansprakelijk wordt gesteld voor schade voortvloeiende uit onderhavig Standaard Opslagcontract. De schadevergoeding van de ene Partij jegens de andere Partij wordt beperkt tot Directe Materiële Schade die in oorzakelijk verband staat met de fout(en) en tot de bedragen bepaald in artikel 10.2 van onderhavige Bijlage. Elke andere schade, zoals het verlies van gebruiksgenot, het verlies van inkomsten, het verlies van productie, het verlies van opbrengsten of interest of elke indirecte materiële of immateriële schade, is uitdrukkelijk uitgesloten. 10.2 Onverminderd de eventueel verschuldigde tariefsupplementen, bedraagt de maximale vergoeding van de geleden schade door een Partij jegens de andere Partij per Contractueel Jaar vijf procent (5%) van de Vergoedingen voor de Opslagdiensten die werden onderschreven door de Opslaggebruiker gedurende de voorafgaande twaalf
(12)Maanden, zonder dat deze bovengrens lager ligt dan vijfentwintig duizend euro (25.000 EUR). 10.3 In geval van verlies van (een gedeelte van) het Gas op Voorraad van de Opslaggebruiker ingevolge een fout in hoofde van de Beheerder van de opslaginstallatie overeenkomstig het gemeen recht, zal de Beheerder van de opslaginstallatie aansprakelijk zijn jegens de Opslaggebruiker voor dergelijk verlies, waarvan de waarde zal worden bepaald op basis van de gemiddelde ZIG Day-Ahead prijs van Aardgas gedurende het Injectieseizoen. Deze aansprakelijkheid is per schadegeval beperkt tot een maximaal bedrag van: vijfentwintig miljoen euro (25.000.000 EUR); vermenigvuldigd met de hoeveelheid van Gas op Voorraad van de Opslaggebruiker op het ogenblik van het gasverlies; en, gedeeld door de totale hoeveelheid opgeslagen Aardgas in het Nuttig Volume op het ogenblik van het gasverlies. 50/84 10.4 In geval van onbeschikbaarheid van de Opslagdiensten ingevolge niet geplande werken die: (
- i)te wijten zijn aan een fout in hoofde van de Beheerder van de opslaginstallatie overeenkomstig het gemeen recht; (
- ii)en die niet op voorhand konden worden aangekondigd door de Beheerder van de opslaginstallatie middels een voorafgaande schriftelijke kennisgeving aan alle Opslaggebruikers, is de Beheerder van de opslaginstallatie aansprakelijk overeenkomstig artikel 10.2 van onderhavige bijlage, ten belope van de capaciteitkosten verbonden aan dergelijke gebeurtenis (capaciteitkosten voor Opslag en vervoer in België, i.e. het gedeelte van de kosten verbonden aan de ingang in/de uitgang uit de Opslaginstallatie), terwijl de Opslaggebruiker alle redelijke maatregelen dient te nemen om de kosten te minimaliseren. Evenwel, indien de onbeschikbaarheid van de Opslagdiensten, zoals hierboven besch