← België

Eindbeslissing over de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2

Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel Tel. 02/289.76.11 Fax 02/289.76.09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS EINDBESLISSING (B)130626-CDC-1248 over 'de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014' genomen met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe 26 juni 2013 INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) onderzoekt, met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe (hierna: het technisch reglement), het voorstel van de N.V. ELIA SYSTEM OPERATOR (hierna: ELIA) over de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014 dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone. Op 18 april 2013 ontving de CREG ter goedkeuring het voorstel van ELIA betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014 (hierna: het voorstel van ELIA). Het voorstel van hoofddocumenten ELIA in bestaat bijlage, uit een opgesteld in begeleidend het schrijven Nederlands, en twee namelijk de “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014” en de “Bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014”. Op 24 mei 2013 ontving de CREG een schrijven van ELIA met de vertaling naar het Frans van de documenten in de bijlage aan de brief van ELIA van 18 april 2013, evenals een document waarin bepaalde aspecten van het dossier worden verduidelijkt. Dit schrijven en de bijlagen worden als een integraal deel van het voorstel van ELIA beschouwd. De verzending van de Franse versie van het voorstel van ELIA geeft gevolg aan een suggestie van de CREG om zo snel mogelijk de raadpleging te kunnen opstarten om zo mogelijk vóór de verzending door ELIA van haar verslag over de resultaten van de offerteaanvraag voor de reservevolumes van 2014, een beslissing van de CREG te krijgen. 2/30 De onderhavige beslissing bestaat uit drie delen. Het eerste deel bespreekt het wettelijk kader. In het tweede deel wordt het voorstel van de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014 geanalyseerd. Het derde deel bevat de eigenlijke beslissing. Het schrijven van ELIA van 18 april 2013 en de bijlagen, evenals de brief van ELIA van 24 mei 2013 en de bijlagen ervan zijn als bijlage bij deze beslissing gevoegd. Onderhavige beslissing werd door het Directiecomité van de CREG goedgekeurd op zijn vergadering van 26 juni

  1. Ze spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten m.b.t. deze materie. Die zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tarifaire beslissing van de CREG.  3/30 I. WETTELIJK KADER
  2. Overeenkomstig artikel 233 van het technisch reglement evalueert en bepaalt de netbeheerder het primair, secundair en tertiair reservevermogen dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone en deelt zijn evaluatiemethode en het resultaat aan de CREG mee ter goedkeuring. Artikel 231, §2, van het technisch reglement voorziet dat de netbeheerder de primaire, secundaire en tertiaire reserves bepaalt rekening houdend met het hulpvermogen voor de installaties van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling van minder dan 20 MW aangesloten op het transmissienet, het lokaal transmissienet of het distributienet. Artikel 231, §3, van het technisch reglement bepaalt dat de netbeheerder gehouden is de ondersteunende diensten, die de primaire regeling van de frequentie, de secundaire regeling van het evenwicht in de Belgische regelzone, de tertiaire reserve, de regeling van de spanning en van het reactief vermogen, het congestiebeheer en de black-start dienst omvatten, in te richten volgens de bepalingen van hoofdstuk XIII van het technisch reglement (artikelen 231 tot en met 266 van het technisch reglement). Het technisch reglement bepaalt met name in artikel 232 dat de netbeheerder toeziet op de beschikbaarheid van en, in voorkomend geval, op de inwerkingstelling van de ondersteunende diensten, volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures, die berusten op de marktregels, en overeenkomstig de operationele regels voorzien in het technisch reglement. Artikel 235, §1 van het technisch reglement legt ten andere aan de netbeheerder op de effectieve terbeschikkingstelling van de primaire, secundaire en tertiaire reserves te controleren volgens modaliteiten die hij bepaalt en aan de CREG ter kennis geeft. 4/30 Rekening houdende met richtlijn 2009/72 die op 3 september 2009 in werking is getreden en de versterkte bevoegdheden die ze toekent aan de nationale regelgevende instanties waaronder de vaststelling en/of de goedkeuring van de voorwaarden voor aansluiting op en toegang tot de nationale netten, maakt de CREG voorbehoud bij de formele juridische geldigheid van het technisch reglement dat werd aangenomen na advies van de CREG. 5/30 II. RAADPLEGING
  3. Krachtens artikel 8, § 1, van het huishoudelijk reglement van de CREG “zorgt het directiecomité ervoor dat vooraleer een beslissing wordt aangenomen alle betrokken elektriciteits- en/of aardgasondernemingen de mogelijkheid hebben hun opmerkingen mee te delen”. Deze verplichting “wordt nageleefd door de betrokken ondernemingen te raadplegen over het ontwerp van beslissing overwogen door het directiecomité”.
  4. Conform deze bepaling heeft de CREG tussen vrijdag 31 mei 2013 en vrijdag 14 juni 2013 via haar website een openbare raadpleging over deze beslissing georganiseerd en daarbij alle nodige informatie ter beschikking gesteld.
  5. Binnen de termijn van de raadpleging heeft de CREG geen antwoord op de raadpleging ontvangen. Na de termijn heeft de CREG twee antwoorden ontvangen – van Febeg, op 15 juni om 15h35 en van ODE bio-energieplatform op 17 juni om 2h
  6. Aangezien de CREG deze antwoorden te laat heeft ontvangen, kan ze er geen rekening mee houden. III ANALYSE VAN HET VOORSTEL
  7. De analyse van het voorstel bevat drie delen. Het eerste deel behandelt de evaluatiemethodes voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen. In het tweede deel licht de CREG de toepassing van de methodes toe en worden de resultaten ervan beoordeeld. In het derde deel ten slotte maakt de CREG enerzijds haar beschouwingen met betrekking tot het huidige voorstel en vermeldt anderzijds haar aandachtspunten met het oog op het opstellen van de 6/30 evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor de toekomstige jaren. III.
  8. Evaluatie van de voorgestelde methodes ter bepaling van de reservevermogens
  9. De uitgewerkte evaluatiemethodes ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014 worden door ELIA behandeld in het document “Evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014”. Dit document bevat zes hoofdstukken. De eerste twee hoofdstukken bevatten respectievelijk een lijst met tabellen en een lijst met figuren. In het derde hoofdstuk wordt het doel van het document uiteengezet. In het vierde hoofdstuk wordt de organisatie van de evenwichtsbewaking van de regelzones in Europa en België toegelicht. Verder wordt in dit hoofdstuk ook verwezen naar het Belgisch wettelijk kader (artikel 3, §1, van het technisch reglement). In het vijfde en zesde hoofdstuk worden de evaluatiemethodes voor het bepalen van enerzijds de primaire en anderzijds de secundaire en tertiaire reservevermogens behandeld. Het document eindigt met een glossarium. III.1.
  10. Methode ter bepaling van het primair reservevermogen
  11. De primaire regeling van de frequentie wordt in artikelen 236 tot 242 van het technisch reglement behandeld. Artikel 236, §2, van het technisch reglement preciseert dat de netbeheerder voor het bepalen van de technische specificaties betreffende de beschikbaarheid en de levering van het primair reservevermogen voor de primaire regeling van de frequentie, rekening dient te houden met de 7/30 aanbevelingen en regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen.
  12. Op het niveau van ENTSO-E werden de regels gedefinieerd voor de bepaling en de levering van het nodige primair reservevermogen. De toepassing door ENTSO-E van deze regels leidt tot een benodigd primair reservevermogen van 3.000 MW voor heel het ENTSO-E-net, dat in staat is om een onevenwicht van 3.000 MW te compenseren. Elke regelzone dient, volgens deze regels, in de mate van haar aandeel in de totale elektriciteitsproductie binnen het ENTSO-E-net bij te dragen tot dit primair reservevermogen. In de loop van een jaar wordt de bijdrage voor het volgende jaar bepaald op basis van de netto-energie die respectievelijk door elke regelzone werd geproduceerd tijdens het voorgaande jaar. ELIA stelt voor deze regels ter bepaling van het primair reservevermogen voor de Belgische regelzone te volgen.
  13. De CREG stelt vast dat ELIA voldoet aan artikel 236, §2, van het technisch reglement, gezien de voorgestelde methode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen en met name de spelregels die door ENTSO-E werden opgesteld. III.1.
  14. Methode ter bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen
  15. De secundaire regeling wordt behandeld in artikelen 243 tot 247 van het technisch reglement, de tertiaire regeling in artikelen 249 tot 260 van datzelfde document.
  16. In bedrijf moet het systeem het hoofd bieden aan storingen met verschillende draagwijdte. Elk daarvan wordt opgevangen door een ander type van reserve. ELIA stelt dat het geheel van de secundaire en tertiaire reserves (R2+R3) wordt gebruikt om het hoofd te bieden aan veiligheidsproblemen. In deze optiek is de 8/30 secundaire reserve (R2), die automatisch wordt geactiveerd, gebaseerd op een PIregelaar en wordt die gebruikt om de problemen in verband met de ACE binnen het kwartier te regelen. De tertiaire reserve (R3), die manueel wordt geactiveerd, komt de R2 dan aanvullen als het volume hiervan niet volstaat. Ze bestaat uit incrementele en decrementele vrije biedingen bepaald in het CIPU-contract (ID bids), de gecontracteerde reserve R3 op productie-eenheden (contracten R3-productie), de onderbreekbare afnames (contracten R3 ICH), op de geaggregeerde afnames en productie-eenheden aangesloten op de distributienetten (‘R3 dynamisch profiel’contracten) en de tertiaire reserve ten gevolge van bijstand tussen TNB’s (contracten voor R3-reserve inter-TNB). Wanneer een eenheid uitvalt, neemt de R2 deel aan de compensatie, zonder de totaliteit ervan alleen te verzekeren. In deze omstandigheden wordt ze aangevuld door de reserve R
  17. Het is dus het geheel van R2+R3 dat het onevenwicht als gevolg van het uitvallen van de eenheid compenseert. De reserve “R3 dynamisch profiel” is een nieuw product ontwikkeld door Elia, dat vanaf 2014 zal worden ingevoerd. Het is bedoeld om de flexibiliteit van het systeem te gaan zoeken daar waar het zich bevindt, en meer bepaald via aggregatoren, op het niveau van de productie en van de vraag, aangesloten op de distributienetten. Het product staat ook open voor andere aanbieders die over de middelen beschikken die aan de kenmerken van het product beantwoorden. Om de deelname van de vraag aan het evenwicht van het systeem te bevorderen, zal dit product de concurrentie aangaan (op het niveau van de reservering) met de R3 productie. De beschrijving van het product en de kenmerken ervan vallen onder het voorstel over de werkingsregels van de markt in verband met de compensatie van de kwartieronevenwichten. De R2-reserve moet volledig kunnen “vrijgemaakt” worden (van 0 MW tot het maximum) in 7 en een half minuten, zodat Elia binnen een kwartier kan overgaan van een activering van het hele vermogen downward naar een activering van het hele vermogen upward. De R3-reserves moeten binnen het kwartier volledig kunnen worden "vrijgemaakt", behalve de R3 ICH die in 3 minuten moet kunnen worden vrijgemaakt. 9/30
  18. "Beleid 1" van het bedrijfshandboek van ENTSO-E introduceert verschillende soorten methodes voor het dimensioneren van de secundaire en de tertiaire reserves:  enerzijds een deterministische methode, bestemd om de controle te behouden bij het verlies van de grootste productie-eenheid, en bijgevolg gebaseerd op het criterium "N - 1",  anderzijds een probabilistische methode die steunt op een probabilistische evaluatie van het risico om reserve tekort te komen. De deterministische methode is wijdverspreid en vormde de grondslag van de methode die ELIA tot in 2010 gebruikte voor
  19. Deze methode leidt voor 2014 tot een te voorzien volume R2-R3 dat gelijk is aan de grootte van de grootste eenheid, hetzij momenteel 1076 MW. De methode stuit echter op haar limieten wanneer men rekening moet houden met de almaar complexere problemen waarmee men te maken krijgt bij het bepalen van de secundaire en tertiaire reservevermogens. ELIA heeft bijgevolg in 2011 een nieuwe (voornamelijk) probabilistische methode ontwikkeld voor het bepalen van het secundair en tertiair reservevermogen in
  20. Conform de vraag van de CREG1 heeft ELIA in 2012 de methode van 2011 voor de bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen in 2013 vervolledigd door de probabilistische aanpak te finaliseren. Om de secundaire en tertiaire reservevermogens voor 2014 te bepalen, heeft Elia dezelfde methode gebruikt.
  21. Om het risico op tekort aan reserve te evalueren convolueert2 de probabilistische methode de verdelingen van de kansdichtheid van de oorzaken van onevenwicht. De vergelijking van de resulterende kromme en van een aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve (Pdef) maakt het mogelijk het vereiste reservevolume te bepalen. 1 Beslissing (B)110519-CDC-1056 over de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012, §
  22. 2 Convolutie is een wiskundige techniek die het mogelijk maakt de kansdichtheid te berekenen van een som van onafhankelijke toevalsvariabelen waarvan de individuele kansdichtheid gekend is. In het geval dat ons bezighoudt, worden de oorzaken van onevenwicht weergegeven door toevalsvariabelen. 10/30
  23. Terwijl de R2 dient om ongewilde onevenwichten in een normale situatie te compenseren en om de grote onevenwichten van de zone gedeeltelijk te compenseren, laat de R3 toe om enerzijds de R2 te ontlasten bij activeringen van lange duur en om anderzijds de R2 aan te vullen om het hoofd te bieden aan de grote onevenwichten van de zone. Doordat ze automatisch geactiveerd wordt en gebruikt wordt om ongewilde onevenwichten in een normale situatie te compenseren, streeft de R2 ernaar om een goede kwaliteit voor de regeling van de zone (ACE) binnen het kwartier te behouden. Het geheel R2+R3 wordt, met het oog op de compensatie van grote onevenwichten van lange duur, meer in het bijzonder rechtstreeks gekoppeld aan het behoud van de veiligheid van de zone. Om daarmee rekening te houden, bepaalt Elia de behoeften aan R2+R3 op basis van de kwartieronevenwichten, terwijl ze de behoeften aan R2 bepaalt door zich te baseren op de volatiliteit van de kwartieronevenwichten, bepaald als de variatie van het kwartieronevenwicht tussen opeenvolgende kwartieren. Op basis van de grafieken van Elia kan men vaststellen dat de frequentie van de grote onevenwichten van jaar tot jaar eerder toeneemt (hoofdzakelijk voor de positieve onevenwichten), terwijl de volatiliteit van de onevenwichten weinig schommelingen vertoont. De onevenwichten worden enerzijds veroorzaakt door onvoorziene gebeurtenissen en anderzijds door voorspellingsfouten. Afhankelijk van de beschouwde onevenwichtsbron, wordt de verdeling van kansdichtheid bepaald aan de hand van hetzij tijdreeksen, hetzij gekende verdelingen afkomstig van probabilistische modellen. Het gebruik van tijdreeksen, als ze gekend zijn, heeft twee voordelen: de variatie tussen opeenvolgende kwartieren kan worden berekend en het laat toe om, door sommering, de correlatie tussen onevenwichtsbronnen in rekening te brengen. Naargelang het type van reserve waarvan ze het volume wil bepalen, gebruikt ELIA de probabilistische methode met verschillende waarden voor de parameters: 11/30  de voorspellingshorizon, met andere woorden de tijd die is verlopen tussen het ogenblik waarop de analyse wordt gemaakt en het begin van de onderzochte periode,  de beschouwde periode, m.a.w. het aantal uren gedurende dewelke de methode de kans op pannes gebruikt, zodanig dat alle mogelijke combinaties van pannes van productie-eenheden in deze periode in rekening worden gebracht,  de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve (Pdef). De voorspellingshorizon kan kort zijn, enkele uren of dagen vooraf – om de reserves te ramen die de komende uren of dagen zullen nodig zijn – of lang, verscheidene maanden vooraf, zoals het geval is voor het huidige voorstel van ELIA. De voor de andere parameters aangenomen waarden worden verderop bij de toepassing van de methode op elk type van reserve, toegelicht.
  24. De door ELIA uitgewerkte methode bestaat uit verschillende stappen:  het bepalen van de nodige vermogens van R2+R3 voor het globale systeem,  het bepalen van de nodige vermogens van R2+R3 voor het standaardsysteem,  het bepalen van het vermogen van R2,  het bepalen van het vermogen van R
  25. ELIA voert een verschil in tussen R2+R3 voor het globale systeem en R2+R3 voor het standaardsysteem. Het globale systeem is het systeem in zijn geheel en de in deze context bepaalde reserve R2+R3 is die welke het systeem in zijn geheel nodig heeft. In het CIPU-contract wordt echter gespecificeerd dat de ARP die in hun portefeuille eenheden hebben met een vermogen dat groter is dan het vermogen van een eenheid die als standaard wordt genomen ("standaardvermogen" genoemd) hun eigen reserve moeten verzekeren voor het vermogen dat dit standaardvermogen overtreft. Dat is vastgesteld op 500 MW en ELIA koopt reserve R2+R3 aan en stelt 12/30 ze ter beschikking van de ARP om het verlies van een standaardeenheid te compenseren. De definitie van het standaardsysteem houdt rekening met dit element. Voor het bepalen van de reservevermogens R2+R3 maakt ELIA gebruik van beide benaderingen, de deterministische en de probabilistische, waarbij het vanuit een conservatief standpunt het hoogste resultaat van beide benaderingen als te reserveren volume neemt. Om het volume van R2 te bepalen, maakt ELIA enkel gebruik van de probabilistische benadering, omdat de deterministische benadering in dit geval minder geschikt is.
  26. De beschouwde oorzaken van onevenwicht voor de dimensionering van het geheel R2+R3 zijn die waarvan het effect langer duurt dan een kwartier:  uitvallen van productie-eenheden,  fout op de vooruitzichten inzake wind- en zonne-energieproductie,  de andere onevenwichten veroorzaakt door: o de fout op het afnamevooruitzicht, voor het deel dat niet gecompenseerd wordt door de ARP in intraday, o onvolkomenheden van de afnameopvolging door de productie, te wijten aan de tijdsintervallen van de beschikbare producten op de markt, o uitvallen op het niveau van de vraag, o grote schommelingen in de uitwisselingsprogramma’s met de naburige regelzones, o andere niet-identificeerbare onevenwichten veroorzaakt door de ARP’s, o het verschil tussen de compensatie van de verliezen en het verliesniveau op dat ogenblik. Als ze het vermogen R2+R3 voor het globale systeem beschouwt, houdt ELIA rekening met alle productie-eenheden. Beschouwt men het standaardsysteem, dan wordt rekening gehouden met de grote productie-eenheden voor een vermogen dat beperkt is tot de grootte van de standaardeenheid, namelijk 500 MW. 13/30
  27. Andere beschouwde oorzaken van onevenwicht voor de dimensionering van R2 zijn die waarvan het effect zich in de variatie tussen opeenvolgende kwartieren laat gevoelen:  de volatiliteit van de fout op de vooruitzichten inzake de wind- en zonneenergieproductie,  de volatiliteit van de andere onevenwichten veroorzaakt door: o de fout op het afnamevooruitzicht, voor het deel dat niet gecompenseerd wordt door de ARP in intraday, o onvolkomenheden van de afnameopvolging door de productie, te wijten aan de tijdsintervallen van de beschikbare producten op de markt, o uitvallen op het niveau van de vraag, o grote plotse schommelingen in de uitwisselingsprogramma’s met de naburige regelzones, o andere niet-identificeerbare onevenwichten veroorzaakt door de ARP’s, o het verschil tussen de compensatie van de verliezen en het verliesniveau op dat ogenblik.
  28. De reserve R3 die ELIA moet verwerven om ze ter beschikking van de ARP’s te stellen wordt berekend als de nodige aanvulling bij R2 om de reserve R2+R3 van het standaardsysteem te bekomen.
  29. Wat de berekening van de reserve R2+R3 betreft, stelt de CREG vast dat ELIA vanuit een conservatief standpunt, om alleen de R3 te bepalen, het gebruik van de probabilistische methode aanvult met dat van de klassieke deterministische methode "N-1". De CREG is van mening dat deze praktijk tegemoetkomt aan de bekommernis om de nodige reserve R3 niet te onderschatten, zolang de wind- en zonne-energiecapaciteiten geen doorslaggevende rol spelen in de dimensionering van deze reserves.
  30. Algemeen genomen stelt de CREG vast dat ELIA een methodologie heeft uitgewerkt die in de lijn ligt van die welke bedoeld wordt in "Beleid 1" van het bedrijfshandboek van ENTSO-E voor wat de secundaire en tertiaire reserve betreft. In dat opzicht voldoen de door ELIA voorgestelde methodes aan artikelen 244, § 2, 14/30 en 250, § 2, van het technisch reglement. Bovendien laten ze toe rekening te houden met de doelstelling van de opdrachten die ELIA worden toevertrouwd krachtens artikel 233 van het technisch reglement. De CREG is van mening dat de door ELIA voorgestelde methodes een dimensionering van het automatische secundaire regelvermogen en van het tertiaire regelvermogen mogelijk maken. Bijgevolg is de CREG van mening dat de door ELIA voorgestelde evaluatiemethodes aanvaardbaar zijn. De CREG herhaalt evenwel dat ze zich in de huidige beslissing niet over enig onevenwichtstarief uitspreekt. III.1.
  31. Conclusie met betrekking tot de methodes ter bepaling van de reservevermogens
  32. Rekening houdend met de hierboven aangehaalde elementen verleent de CREG haar goedkeuring aan ELIA met betrekking tot de voorgestelde evaluatiemethodes voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen. III.
  33. Evaluatie van de toepassing van de methodes op het Belgische systeem
  34. De bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014 door toepassing van de voorgestelde methodes wordt door ELIA behandeld in een afzonderlijk document "Bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014". Dit document telt vijf hoofdstukken. 15/30 De eerste twee hoofdstukken bevatten respectievelijk een lijst met tabellen en een lijst met figuren. In het derde hoofdstuk wordt het doel van het document uiteengezet en het vierde hoofdstuk vormt een samenvatting van de in het document bepaalde volumes. De toepassing van de methodes voor het jaar 2014 wordt in het vijfde hoofdstuk beschreven. Het document eindigt met een lijst van referenties. III.2.
  35. Bepaling van het primair reservevermogen
  36. Het aandeel van de Belgische regelzone in de totale primaire regeling voor 2014 binnen de ENTSO-E-zone wordt pas later in 2013 door ENTSO-E bepaald. Dit getal kan lichtjes verschillen van dat van 2013, maar we weten nu nog niet in welke mate. ELIA stelt daarom voor om bij de bepaling van het primair reservevermogen (hierna “R1”) voor 2014 rekening te houden met de gemiddelde waarde van de laatste vier jaar, namelijk 96 MW. Gezien dit volume als richtwaarde geldt, voorziet ELIA om het aan te passen aan de door de ENTSO-E voor 2014 bepaalde waarde, zodra deze gekend is. Op basis van de goedgekeurde evaluatiemethode stelt ELIA voor om een gemiddeld primair regelvermogen van 96 MW te contracteren. Om de flexibiliteit van het systeem ten volle te benutten, kan dit volume bij drie verschillende bronnen worden gecontracteerd: bij productie-eenheden van het Belgische park zonder volumebeperking, bij de vraag (industrieklanten en aggregatoren) voor een maximumvolume van 50% van het totale gecontracteerde volume, en voor een maximumvolume van 30 MW bij Franse producenten, indien de offerteaanvraag die werd georganiseerd bij deze producenten om in 2014 deel te nemen aan de Belgische primaire reserve een succes wordt. In het voorstel is de deelname van de vraag asymmetrisch (in de zin van een vraagvermindering). Om de activering van de vraag voor de primaire regeling te beperken, is er een aanpassing van de technische voorwaarden voor deelname vereist, namelijk een activering voor een frequentie-afwijking van meer dan 100 mHz (dode band van 100 mHz) en een volledige deelname voor een frequentie-afwijking van 200 mHz. Dit type deelname moet worden vervolledigd door de asymmetrische deelname van andere bronnen voor een gelijkwaardig volume, in de zin van een 16/30 productievermindering, en onder dezelfde technische activeringsvoorwaarden (bereik van 100 tot 200 mHz). Om een correcte respons te behouden van de regelzone in primaire regeling, moeten deze twee types van bronnen bovendien ook door een derde type bron worden aangevuld, met een symmetrische activering en zonder dode band, die haar deelname volledig ontwikkelt voor een frequentie-afwijking van 100 mHz. Op die manier dekt de zone afwijkingen tussen 0 en 200 mHz met een totaal volume van tweemaal het volume dat voor de deelname van de vraag is voorbehouden. De rest van het primaire reservevermogen, met symmetrische activering binnen een marge van 0-200 mHz, zal dan verworven worden via de Belgische of Franse productie-eenheden, in de bovenvermelde maximale verhoudingen.
  37. ELIA heeft een sanctiesysteem op punt gesteld op basis van de day-ahead nominaties waardoor de producenten aangemoedigd worden het verlies van primaire reserve als gevolg van de onbeschikbaarheid op dag D van een eenheid die de dag voordien werd genomineerd op een andere eenheid van hun park te vervangen. ELIA voert eveneens een secundaire markt van de primaire reserve op de productieeenheden in day-ahead in, waardoor de contractuele verantwoordelijkheden van een marktspeler inzake primaire reserve kunnen worden overgenomen door een andere marktspeler, voor het hele gecontracteerde volume of een deel ervan. ELIA legt eveneens een sanctiesysteem vast op basis van de niet-conforme activeringen van primaire reserve. Om het risico op verlies van R1 te beperken, beperkt ELIA bovendien het aangeboden volume op één enkele productie-eenheid tot 50 MW, indien de leverancier niet de mogelijkheid heeft om dit over te dragen op andere eenheden in geval van uitvallen, en tot 25 MW voor het volume aangeboden op een industriële site.
  38. De CREG waardeert de inspanningen van ELIA, de grote industriële klanten en de andere spelers op de markt waardoor het mogelijk is een deelname van de vraag aan de primaire regeldienst vanaf 2014 te overwegen. 17/30 De CREG beseft dat door deze manier van werken de R1-productiemiddelen in twee delen kunnen gesplitst worden, respectievelijk de middelen die geactiveerd kunnen worden binnen een marge van 0 tot 100 mHz en van 0 tot 200 mHz. Toch kon in 2013, dankzij de deelname van de vraag (en het complement op de kerneenheden om een symmetrisch product te reconstrueren) en de middelen ingevoerd vanuit het buitenland, het volume waaraan moest voldaan worden door de symmetrische middelen in de Belgische regelzone worden beperkt en bijgevolg de liquiditeit van de markt van de R1-productie worden verhoogd. De impact op de globale prijs van de reservatie van de R2-reserve was beduidend gunstig. Wat de toepassing voor 2014 van de hierboven goedgekeurde methode ter bepaling van het primair reservevermogen betreft, keurt de CREG het volume van 96 MW aan primair reservevermogen voor de Belgische regelzone goed, gepaard gaand met de door ELIA bepaalde voorwaarden. III.2.
  39. Bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen
  40. ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het secundair en tertiair reservevermogen R2+R
  41. De voornaamste parameters van het probabilistische model worden bepaald op basis van de volgende gegevens.  Voor 2014 stijgt het voorziene geïnstalleerde windenergievermogen van 595 MW in januari (451 MW offshore) tot 747 MW in december (483 MW offshore) ten opzichte van diezelfde maanden van 2012, die in de methode als referentie worden genomen (totale voorziene geïnstalleerde windenergievermogen in december 2014: 2.128 MW, waarvan 1.266 MW onshore en 862 MW offshore).  Voor 2014 stijgt het voorziene geïnstalleerde zonne-energievermogen van 520 MW in januari tot 960 MW in december ten opzichte van diezelfde maanden van 2012, die in de methode als referentie worden genomen (totale 18/30 voorziene geïnstalleerde zonne-energievermogen in december 2014: 2.750 MW).  De voorspellingen gaan tot één jaar.  De beschouwde periode bedraagt 8 uur.  De waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel (P def) voor het tekort aan reserve is gebaseerd op het voorstel van ENTSO-E, namelijk 0,1%. Deze evaluatie ligt eveneens in de lijn van het doorgaans aanvaarde risico voor de bevoorrading van de TNB's inzake reserve. De evaluatie van de oorzaken van onevenwicht is gesteund op volgende overwegingen:  Het percentage aan uitvallen van eenheden werd overgenomen uit een synthese, per type van centrale, van de informatie vervat in de logbooks van de nationale dispatching.  Voor het bijkomende geïnstalleerde vermogen ten opzichte van 2012 worden de voorspellingsfouten met betrekking tot de productie van windenergie en van zonne-energie afzonderlijk geëvalueerd, op basis van statistieken van voorspellingsfouten in intraday voor elk type van bronnen.  Alle andere oorzaken van onevenwicht worden samen beoordeeld, op basis van de gegevens over residueel onevenwicht van het systeem in 2012 vastgesteld buiten de uren van uitvallen van bovenvermelde productieeenheden; deze oorzaken van onevenwicht omvatten dus de voorspellingsfouten betreffende de vraag alsook betreffende de reeds in 2012 geïnstalleerde wind- en zonne-energieproductie. In 2012 heeft Elia een gemiddeld residueel onevenwicht van het systeem vastgesteld gelijk aan 64 MW. Zij belooft om dit feit grondiger te bestuderen en maatregelen te nemen en/of voorstellen te doen aan de CREG om dergelijk gedrag van de markt te voorkomen. Elia heeft dus voor de dimensionering van de reserves het gemiddelde onevenwicht van het systeem in 2012 gecorrigeerd en teruggebracht tot een waarde van 0 MW. 19/30
  42. Door het toepassen van de goedgekeurde methode met de waarden van de parameters bepaald volgens de hierboven uiteengezette principes, komt ELIA tot een waarde van 1.241 MW aan secundair en tertiair reservevermogen (R2+R3) voor het globale systeem en 914 MW voor het standaardsysteem. Daarbij dient genoteerd dat de volgens de probabilistische methode geschatte waarde van 1.241 MW voor het globale systeem groter is dan de schatting bekomen volgens de deterministische methode N-1, namelijk het nominale vermogen van de grootste machine: 1.076 MW. Het is dus het resultaat van de probabilistische methode dat als referentie zal genomen worden. De te socialiseren en dus door ELIA te verwerven waarde is die van het standaardsysteem, namelijk 914 MW.
  43. De CREG hecht haar goedkeuring aan het door ELIA voor 2014 bepaalde secundair en tertiair reservevermogen, namelijk 914 MW met een beschikbaarheid van 100%. III.2.
  44. Bepaling van het secundair reservevermogen
  45. ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het secundair reservevermogen R
  46. De voornaamste parameters van het probabilistische model worden bepaald op basis van de volgende principes.  De beschouwde periode bedraagt 8 uur.  De waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het reservetekort (Pdef) is gebaseerd op de volgende overwegingen: de secundaire regeling wordt onder meer gebruikt om de problemen in verband met de ACE binnen het kwartier te regelen; in het systeem van ENTSO-E wordt de kwaliteit van de regeling van de ACE gemeten door middel van indicatoren. ELIA stelt dat, in 2010 en 2012, de secundaire reserve van 140 MW respectievelijk aanleiding gaf tot een reservetekort in 27,8 en 27,6% van de gevallen, met een gevoelige verbetering van de regeling in 2012 ten opzichte van 2010 en 2011, meer bepaald als gevolg van een evolutie van de procedures van ELIA voor de activering van de manuele reserves bij grote onevenwichten; voor 2014 legt ELIA de waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het reservetekort (Pdef) vast op 27,8%. 20/30  De intrakwartiervolatiliteit van de residuele fout van de relatieve voorspellingen, bij de productie van de geïnstalleerde wind- en zonneenergievermogens na 2012, wordt berekend op basis van het verschil van de residuele fouten van de voorspellingen inzake wind- en zonne- energieproductie tussen opeenvolgende kwartieren in de tijdreeksen gebruikt bij de dimensionering van de behoeften aan R2 + R
  47.  De intrakwartiervolatiliteit van het residuele onevenwicht van het systeem wordt berekend op basis van het verschil van de residuele onevenwichten van het systeem tussen opeenvolgende kwartieren in de tijdreeksen gebruikt bij de dimensionering van de behoeften aan R2 + R3, met inbegrip van het uitvallen van de productie-eenheden.
  48. ELIA past de goedgekeurde methode toe met de waarden van de parameters bepaald volgens de hierboven uiteengezette principes. ELIA houdt eveneens rekening met de nieuwe oprichting van een secundaire day-ahead markt voor R2 waardoor contractuele verplichtingen voor R2 day-ahead kunnen worden overgedragen tussen dienstenleveranciers, zowel omwille van de onbeschikbaarheid van middelen als omwille van economische redenen. Het door ELIA bepaalde sanctiesysteem zet de ARP ook aan om de secundaire markt te gebruiken in geval van onbeschikbaarheid. Voor de dimensionering van de R2 houdt ELIA echter rekening met het feit dat een deel van de R2 op sommige momenten onbeschikbaar zou kunnen zijn, ook al wordt er gestreefd naar een beschikbaarheid van 100%. ELIA raamt de kans op een onbeschikbaarheid van 80 MW van de R2 op 0,15% en de kans op onbeschikbaarheid van 40 MW van de R2 op 2%. Rekening houdend met deze elementen legt ELIA het volume secundair reserververmogen R2 dat nodig is om een hierboven aangenomen waarde van 27,8% te respecteren voor Pdef, vast op 140 MW.
  49. De CREG stelt vast dat ELIA geen rekening houdt met de impact van de deelname aan de IGCC bij de evaluatie van het nodige R2-reservevolume. 21/30 De deelname aan de IGCC zit nog in zijn testfase van een jaar die eind september 2013 afgelopen zal zijn. Daarnaast geeft de deelname van ELIA aan het IGCC haar toegang tot middelen waarvan het volume niet gegarandeerd is, noch wat betreft het bestaan in de andere regelzones die deelnemen aan het IGCC van een onevenwicht waardoor de netting met het onevenwicht van de Belgische regelzone mogelijk is, noch wat de beschikbaarheid van voldoende commerciële capaciteit aan de betrokken grenzen betreft. Op die manier haalt de Belgische regelzone uit de netting van de onevenwichten in dit kader wel voordelen op een voldoende lange periode, zowel voor de activatiekost van de regeling voor ELIA als voor een veilige exploitatie van de Belgische regelzone. Toch zijn ze geenszins gegarandeerd op kwartierbasis. Bijgevolg is de CREG van mening dat het niet voorzichtig zou zijn om bij de bepaling van de nodige volumes rekening te houden met de deelname aan het IGCC.
  50. De CREG hecht haar goedkeuring aan de door ELIA bepaalde hoeveelheid secundair reservevermogen voor 2014, onder de hierboven beschreven voorwaarden. III.2.
  51. Bepaling van het tertiair reservevermogen
  52. ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het tertiair reservevermogen R
  53. Zodoende berekent ze het tertiair reservevermogen R3 als het complement dat aan het hierboven bepaalde secundair reservevermogen R2 moet toegevoegd worden om het nodige reservevermogen R2+R3 te bekomen. Voor het door ELIA te reserveren gesocialiseerde deel dient het standaardsysteem en niet het globale systeem als referentie.
  54. Om de behoefte aan R2+R3 te bepalen, doet ELIA een beroep op het hierboven bepaalde volume R2, met de aangenomen beschikbaarheidsstatistieken en een R3portefeuille die bestaat uit de contractuele R3 op productie-eenheden (hierna "R3 productie), R3 op onderbreekbare afnames (hierna "ICH"), van R3 verbonden aan 22/30 het nieuwe product “R3 dynamisch profiel” (hierna “R3 DP”) en de R3 van de hulpcontracten tussen TNB's (hierna "inter-TNB" contracten)
  55. Noch de vrije biedingen (ID-bids van het CIPU-contract), noch de complementaire biedingen van de niet-contractuele R3 worden in rekening genomen, gezien de hoge onzekerheid van hun beschikbaarheid door de voorspellingshorizon van een jaar. De door ELIA voor 2014 voorgestelde bronnen zijn de volgende:  De secundaire reservemiddelen zoals hiervoor vermeld in paragraaf
  56.  400 MW van contractuele R3 met een continue beschikbaarheid, te verdelen tussen maximaal 400 MW van R3 productie en maximaal 50 MW van R3 DP
  57. Het volume van R3 DP wordt in 2014 beperkt tot 50 MW omdat dit het eerste jaar zal zijn dat dit product zal worden gebruikt en 2014 is dus een testperiode; Elia zal op basis van de lessen die hieruit worden getrokken, oordelen of het maximumvolume van R3 DP kan worden verhoogd ofwel dat het beter is om het te verlagen.  261 MW R3 ICH met de in 2011 waargenomen beschikbaarheid van dit soort reserves.  250 MW R3 inter-TNB met RTE, met de in 2011 waargenomen beschikbaarheid van dit contract, hetzij 99,2%. Met de hierboven vermelde middelen voor de R2, R3 productie, de R3 DP en R3 ICH (en dus zonder de R3 inter-TNB met RTE) kan niet worden voldaan aan de gekozen grenswaarde van Pdef van 0,1% voor de bepaling van het volume R2+R3 voor het standaardsysteem; ze komen in feite overeen met een Pdef waarde van 0,34%. Als men de inter-TNB reserve met RTE in rekening brengt, dan kan met het volume van R2+R3 deze grenswaarde van Pdef worden gerespecteerd: ze stemt overeen met een Pdef waarde van 0,04%. De Pdef waarde van 0,1% wordt gehaald indien men de activering van de inter-TNB reserve beperkt tot 21 uur per jaar, dit is in lijn met de 3 Vanaf 15 december 2012 vervangt een nieuw contract van 300 MW met TenneT het oude contract van 250 MW. Bij gebrek aan gegevens in verband met de beschikbaarheid van dit nieuwe contract, werd dit niet in de berekening opgenomen. 4 De verdelingsvoorwaarden van de 400 MW tussen de R3 productie en de R3 DP worden opgegeven in het voorstel van Elia over de werkingsregels van de markt met betrekking tot de compensatie van de kwartieronevenwichten. 23/30 contractuele clausules van de inter-TNB reserve die ervoor zorgen dat deze reserve een laatste middel is om slechts uitzonderlijk te activeren. ELIA verklaart dat de op die manier voorgestelde volumes dus voldoende zijn voor 2014 en dat ten opzichte van 2013 geen enkel bijkomend volume nodig is.
  58. De CREG keurt de door ELIA voor 2014 bepaalde hoeveelheid tertiair reservevermogen goed, met de hierboven beschreven verdeling en beschikbaarheidsvoorwaarden voor de verschillende types R3 van haar portefeuille. Zij vindt meer bepaald dat als het door Elia nieuw ingevoerde product R3 DP de concurrentie aangaat met de R3 productie, dit ten goede zal komen van de deelname van de vraag, inclusief de gedecentraliseerde, aan de ondersteunende diensten. III.3 Overwegingen van de CREG
  59. De CREG wenst, rekening houdend met het belang van de bepaling van de reservevermogens voor de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het transmissienet in de regelzone, in de huidige beslissing een aantal beschouwingen te maken met het oog op het opstellen van een evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen in de toekomst.
  60. De CREG wenst dat ELIA haar in de toekomst blijft informeren door middel van een jaarlijks verslag5 over de beschikbaarheid en het gebruik van de reservevermogens, afschakelbare afnamen en inter-TNB reserves inbegrepen, ten behoeve van de Belgische regelzone. Gezien het belang van de waarschijnlijkheidsverdelingen in de probabilistische methode voorgesteld door ELIA, vraagt de CREG dat, net zoals in 2012, ELIA dit laatste zou aanvullen met de verdelingen van de kansdichtheid of, in voorkomend geval, de tijdreeksen per onevenwichtsfactor die bij deze methode gebruikt worden, zowel voor de R2 als voor de R2+R
  61. Ze verzoekt ELIA tevens haar de getalswaarden van deze verdelingen en tijdreeksen op informaticadrager te bezorgen. Ter illustratie van de vergelijkende analyse van de kwaliteit van de regeling in de verschillende regelzones in Europa, verzoekt de 5 Document "Reporting reserves 2011" 24/30 CREG ELIA tevens er systematisch een kopie bij te voegen van de laatste vier kwartaalverslagen van de UCTE over het prestatievermogen van de primaire regeling en van de vermogensfrequentieregeling, of van elk officieel document dat dit verslag zou vervangen.
  62. De CREG stelt het op prijs dat ELIA sinds maart 2013 op haar site een historiek en een voorspelling van de zonne-energieproductie ter beschikking stelt. De CREG dringt bij ELIA echter ook aan om de kwaliteit van de voorspelling en het dekkingspercentage van zijn tools voor de historiek en de voorspelling van de windenergieproductie en de zonne-energieproductie, alsook van het interval dat twee opeenvolgende updates scheidt van de geïnstalleerde capaciteiten waar rekening mee wordt gehouden door elk van deze tools, te blijven verbeteren.
  63. Aangezien de inter-TNB reserve een expliciet deel van de tertiaire reserve is, is het volgens de CREG belangrijk een goed zicht te hebben op de beschikbaarheid van deze reserve. Op dit ogenblik is slechts een raming van de beschikbaarheid van de inter-TNB reserve van het contract met RTE beschikbaar en "geregistreerd"; het contract met TenneT is nog te recent om al een historiek van beschikbaarheidsgegevens te hebben. De CREG blijft ELIA verzoeken om met de naburige TNB’s RTE en TenneT de uitwisseling van gegevens over de beschikbaarheid qua volume en de eraan verbonden prijzen van de inter-TNB reserves te formaliseren. De CREG wenst om de drie maanden door ELIA op de hoogte gebracht te worden van de vorderingen ter zake, vooral van het contract met TenneT waarvoor ELIA momenteel niet systematisch over beschikbaarheidsgegevens beschikt.
  64. De CREG stelt met tevredenheid de aankondiging van de mogelijke deelname van de afnemers aan de primaire regeling vast. Gezien de aangekondigde schaarsheid van de reservevermogens in België, moedigt de CREG ELIA aan om het verhogen van de deelname van de vraag aan de primaire en secundaire regeling verder te onderzoeken. Inzake "vrije" (niet op jaarbasis gecontracteerde) biedingen op de afnames van grote industriële klanten, vraagt de CREG ELIA ook om door te zetten, zelfs al is het aantal klanten dat aanvankelijk geïnteresseerd is in deze nieuwe dienst zeer beperkt. 25/30 In de mate waarin het nodig is om flexibiliteit te zoeken waar ze zich bevindt, onder meer bij kleinere afnemers die minder grote volumes verbruiken dan de grote industriële klanten, moedigt de CREG ELIA aan om te blijven samenwerken met de aggregatoren en de distributienetbeheerders bij het op punt stellen van nieuwe producten waardoor kleine afnemers en kleine producenten (de kleine decentrale producenten en afnemers inbegrepen) zo vlug mogelijk kunnen deelnemen aan de primaire, secundaire en tertiaire reserves en dit volgens hun technische mogelijkheden.
  65. De afschakelbare afnamen blijken daadwerkelijk te zijn geactiveerd in
  66. De CREG steunt deze praktijk en blijft de mening toegedaan dat deze reserves toch minstens eenmaal per jaar moeten geactiveerd worden wanneer de activering van tertiaire reserves nodig is. Ze meent dat hierdoor hun werkelijke beschikbaarheid en reactiesnelheid getest wordt. Op deze manier groeit de ervaring van ELIA en de betrokken industriële afnemers met betrekking tot de activering van de onderbreekbare reserves. Om die reden vraagt de CREG dat elke onderbreekbare afname in 2014 minstens eenmaal zou geactiveerd worden. Dezelfde vraag is van toepassing op het nieuwe product R3 DP in
  67. In haar voorstel kondigt ELIA aan dat zij de evolutie naar een structureel lange positie van ARP’s in 2011 en 2012 grondiger zal bestuderen, dat zij gepaste maatregelen zal nemen en/of aan de CREG zal voorstellen om een dergelijk gedrag te voorkomen. De CREG vraagt aan ELIA om haar zo snel mogelijk en in elk geval vóór het einde van 2013 een verslag over deze studie af te leveren, waarin naast de analyse van het gedrag van de ARP’s met een toelichting van de vermelde evolutie, ook aanbevelingen zullen worden gegeven over de stimuli die de ARP’s tot een structureel evenwichtige positie zouden kunnen brengen.
  68. In haar beslissing (B)120621-CDC-11626 vroeg de CREG aan ELIA om een studie te maken over de behoefte aan regelmiddelen binnen een termijn van vijf jaar (einde 2017 - begin 2018) en over de bepaling, voor elk type reserve, van het volume 6 Beslissing (B)120621-CDC-1162 over de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor
  69. 26/30 van de middelen dat we vanaf nu redelijkerwijze als beschikbaar kunnen voorzien binnen die termijn om de behoeften van de Belgische zone te dekken. De CREG vroeg ELIA eveneens om op haar site de resultaten van deze studie te publiceren. De CREG stelde met tevredenheid vast dat deze studie werd uitgevoerd en onlangs op de website van Elia werd gepubliceerd.
  70. Het contracteren van primaire, secundaire en tertiaire reservevolumes door ELIA blijkt steeds moeilijker te worden. De aanwezigheid in het park van een groot volume aan nucleaire productie, dat weinig soepel is op het vlak van exploitatie, evenals de geleidelijke toename van de intermitterende productiebronnen, vergroten deze moeilijkheid nog. Zoals reeds vermeld in haar beslissing (B)120621-CDC-11627, meent de CREG dat het nuttig zou zijn om voor sommige nucleaire eenheden de mogelijkheid te voorzien om deel te nemen aan de secundaire en/of tertiaire reserves. Dat kan niet bij de huidige stand van de gebruikte technologie. Technologische aanpassingen om deze deelneming mogelijk te maken zijn echter volkomen denkbaar, zoals Frankrijk heeft gedaan door sommige van zijn nucleaire eenheden ex post uit te rusten met "grijze staven" die het mogelijk maken hun productie te moduleren en ze dus te laten deelnemen aan de secundaire en tertiaire reserves. Minstens twee eenheden van de 1.000 MW-klasse (Doel 3 en 4, Tihange 2 en 3) zouden moeten uitgerust worden om deze diensten te kunnen verlenen. In haar beslissing 1056 over de reservevolumes voor 20128, heeft de CREG aan ELIA gevraagd contact op te nemen met de kernproducenten om ze te vragen onder welke technische en financiële voorwaarden een dergelijke deelneming van de nucleaire eenheden aan de diensten op het vlak van secundaire en tertiaire reserve mogelijk is en haar uiterlijk tegen 30 november 2011 daarvan verslag uit te brengen. Gezien de moeilijkheid om rechtstreeks in te grijpen op dit vlak, en na verschillende gesprekken met de CREG, gaf ELIA de voorkeur aan een indirecte aanpak door een 7 Zie voormelde referentie. Beslissing (B)110519-CDC-1056 over de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor
  71. 8 27/30 het invoeren van een adequaat operationeel en financieel kader voor te stellen om de exploitanten van bronnen die als ‘incompressible’ gekend staan, waaronder de kerneenheden, er toe aan te zetten de exploitatie van hun productie-eenheden te versoepelen in extreme exploitatieomstandigheden van het systeem, wanneer onder meer de veiligheid van het systeem in het gedrang komt. Dit onderwerp kwam in het kader van de marktregels voor het compenseren van kwartieronevenwichten van ARPs, meer in detail aan bod. Zoals reeds vermeld in haar beslissing (B)120621-CDC-11629, blijft de CREG ELIA aanmoedigen om waakzaam te blijven met betrekking tot de effecten in het huidige kader, door de resultaten ervan te bewaken en haar inspanningen in dit verband voort te zetten, onder meer om Electrabel aan te sporen om minstens twee van haar kerneenheden van de 1000 MW-klasse aan te passen om hun productie te kunnen moduleren zonder te stoten op de huidige exploitatielimieten en zodoende te kunnen deelnemen aan de primaire, secundaire en tertiaire reserves. 9 Zie voormelde referentie. 28/30 IV. BESLISSING Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende het technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe; Gelet op het voorstel betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014, dat door ELIA op 18 april 2013 en op 24 mei 2013 via een schrijven aan de CREG ter goedkeuring werd overgemaakt. Gelet op de resultaten van de raadpleging die de CREG vanaf 31 mei 2013 heeft georganiseerd over haar ontwerpbeslissing. Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op artikel 236, §2, van het technisch reglement en onder meer op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de gekoppelde Europese netten regelen; Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het secundair reservevermogen steunt op artikel 244, §2, van het technisch reglement en aanvaardbaar is op basis van de elementen aangehaald in paragrafen 16 en 20; Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het tertiair reservevermogen steunt op artikel 250, §2, van het technisch reglement en aanvaardbaar is op basis van de elementen aangehaald in paragrafen 16 en 20; Overwegende dat de voorgestelde evaluatiemethodes correct werden toegepast bij de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2014; Overwegende dat de CREG binnen de termijn van de raadpleging geen enkel antwoord op de consultatie heeft ontvangen; 29/30 Heeft de CREG besloten, in het raam van de opdracht die haar werd toevertrouwd door artikel 233 van het technisch reglement, de evaluatiemethode voor het primair, secundair en tertiair reservevermogen en haar toepassing voor 2014 goed te keuren. De onderhavige beslissing spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten m.b.t. deze materie. Deze punten zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tarifaire beslissing van de CREG.  Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Dominique WOITRIN Directeur François POSSEMIERS Voorzitter van het Directiecomité 30/30

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.