Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel Tel.: 02/289.76.11 Fax: 02/289.76.09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS EINDBESLISSING (B)140626-CDC-1328 over “de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2015” genomen met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe 26 juni 2014 INHOUDSOPGAVE EXECUTIVE SUMMARY ....................................................................................................... 3 INLEIDING ............................................................................................................................ 4 I. WETTELIJK KADER .................................................................................................... 5 II. RAADPLEGING ........................................................................................................... 6 III. ANALYSE VAN HET VOORSTEL ...............................................................................13 III.1 Evaluatie van de voorgestelde methodes ter bepaling van de reservevermogens ..13 III.1.1 Methode ter bepaling van het primair reservevermogen .....................................14 III.1.2 Methode ter bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen .................14 III.1.3 Conclusie met betrekking tot de methodes ter bepaling van de reservevermogens ...........................................................................................................................20 III.2 Evaluatie van de toepassing van de methodes op het Belgische systeem ..............20 III.2.1 Bepaling van het primair reservevermogen ........................................................20 III.2.2 Bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen ....................................23 III.2.3 Bepaling van het secundair reservevermogen ....................................................24 III.2.4 Bepaling van het tertiair reservevermogen .........................................................26 III.3 Overwegingen van de CREG ..................................................................................28 IV. BESLISSING ...............................................................................................................31 Niet-vertrouwelijk 2/33 EXECUTIVE SUMMARY Overeenkomstig artikel 233 van het technisch reglement elektriciteit dient ELIA een evaluatiemethode voor het primaire, secundaire en tertiaire regelvermogen en het resultaat ervan aan de CREG ter goedkeuring mee te delen. Voor 2015 stelt ELIA evaluatiemethodes voor de regelvermogens voor die in de lijn liggen van de methodes die voor 2014 werden voorgesteld. Naar aanleiding van de resultaten van deze evaluatie stelt ELIA voor 2015 94 MW primair reservevermogen, 140 MW secundair reservermogen en 400 MW tertiair reservevermogen voor dat verdeeld moet worden tussen de tertiaire reserve op de productie-eenheden en de tertiaire reserve dynamisch profiel ("R3 DP", maximum 100 MW), en 261 MW tertiaire reserve op de onderbreekbare afnames. De CREG heeft een raadpleging van de marktspelers georganiseerd. De CREG heeft drie antwoorden op de raadpleging ontvangen, ze is van mening dat ze haar ontwerpbeslissing hierdoor niet moet aanpassen. De CREG keurt het voorstel van ELIA goed. Ze koppelt haar beslissing aan beschouwingen die onder meer betrekking hebben op de informatie die ELIA ter beschikking stelt van de markt, de voorafgaande kennis van de beschikbaarheid en de prijzen van de inter-TNB reserve, de deelname van de vraag aan de verschillende reservetypes en de noodzaak om de kerneenheden te laten deelnemen aan de regelingen. . Niet-vertrouwelijk 3/33 INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) onderzoekt, met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe (hierna: het technisch reglement), het voorstel van de N.V. ELIA SYSTEM OPERATOR (hierna: ELIA) over de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2015 dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone. Op 22 april 2014 ontving de CREG ter goedkeuring het voorstel van ELIA betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2015 (hierna: het voorstel van ELIA). Het voorstel van ELIA bestaat uit een begeleidend schrijven en twee hoofddocumenten in bijlage, namelijk een document over de evaluatiemethode van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2015 en een document over de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor
- Een derde document over de reporting van de reserves 2013 dat als bijlage bij dit schrijven is gevoegd, maakt geen deel uit van de beslissing van ELIA. De onderhavige beslissing bestaat uit vier delen. Het eerste deel bespreekt het wettelijk kader. Het tweede deel behandelt de resultaten van de raadpleging en in het derde deel wordt het voorstel van de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2015 geanalyseerd. Het vierde deel bevat de eigenlijke beslissing. Het schrijven van ELIA van 22 april 2014 alsook de twee eerste bijlagen, zijn als bijlage bij deze beslissing gevoegd. Onderhavige beslissing werd door het Directiecomité van de CREG goedgekeurd op zijn vergadering van 26 juni
- Ze spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten met betrekking tot deze materie. Die zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tarifaire beslissing van de CREG. Niet-vertrouwelijk 4/33 I. WETTELIJK KADER
- Overeenkomstig artikel 233 van het technisch reglement evalueert en bepaalt de netbeheerder het primair, secundair en tertiair reservevermogen dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone en deelt zijn evaluatiemethode en het resultaat aan de CREG mee ter goedkeuring. Artikel 231, §2, van het technisch reglement voorziet dat de netbeheerder de primaire, secundaire en tertiaire reserves bepaalt rekening houdend met het hulpvermogen voor de installaties van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling van minder dan 20 MW aangesloten op het transmissienet, het lokaal transmissienet of het distributienet. Artikel 231, §3, van het technisch reglement bepaalt dat de netbeheerder gehouden is de ondersteunende diensten, die de primaire regeling van de frequentie, de secundaire regeling van het evenwicht in de Belgische regelzone, de tertiaire reserve, de regeling van de spanning en van het reactief vermogen, het congestiebeheer en de black-start dienst omvatten, in te richten volgens de bepalingen van hoofdstuk XIII van het technisch reglement (artikelen 231 tot en met 266 van het technisch reglement). Het technisch reglement bepaalt met name in artikel 232 dat de netbeheerder toeziet op de beschikbaarheid van en, in voorkomend geval, op de inwerkingstelling van de ondersteunende diensten, volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures, die berusten op de marktregels, en overeenkomstig de operationele regels voorzien in het technisch reglement. Artikel 235, §1, van het technisch reglement legt ten andere aan de netbeheerder op de effectieve terbeschikkingstelling van de primaire, secundaire en tertiaire reserves te controleren volgens modaliteiten die hij bepaalt en aan de CREG ter kennis geeft. Niet-vertrouwelijk 5/33 II. RAADPLEGING
- Tijdens de vergadering van het directiecomité van de CREG van 22 mei 2014 heeft de CREG deze beslissing goedgekeurd als een ontwerpbeslissing. Conform haar huishoudelijk reglement heeft de CREG de ontwerpbeslissing met alle nodige documenten aan een openbare raadpleging onderworpen die liep van 26 mei tot 16 juni
- De CREG heeft drie reacties ontvangen: een reactie van Eandis, een reactie van FEBEG en een reactie van een auteur, [***Vertrouwelijk***], die anoniem wenste te blijven. De drie reacties werden op 16 juni 2014 verstuurd.
- De eerste respondent, Eandis, heeft een aantal opmerkingen geformuleerd over de erkenning van de rol en de verantwoordelijkheden van de DNB's over de exploitatieveiligheid en het beheer van gegevens evenals de sterkere concurrentie tussen mogelijke flexibiliteitsgebruikers wat de toegang tot flexibiliteitsmiddelen betreft. De CREG neemt goede nota van deze opmerkingen die de schriftelijke weergave zijn van bedenkingen die de DNB's al mondeling hebben kunnen uiten tijdens de verschillende overlegvergaderingen, hetzij binnen de ad hoc werkgroep "balancing" van de Users’ Group van ELIA, de Expert WG "ancillary services by DER" van diezelfde werkgroep of van andere overlegplatformen zoals die binnen Atrias. Eandis vraagt bovendien dat de CREG bij haar toekomstige beslissingen over de flexibiliteitsvolumes die ELIA kan verwerven bij de gebruikers aangesloten op de netten van de DNB's rekening zal houden met de resultaten van het overleg tussen ELIA en de DNB's. De CREG is zich ervan bewust dat dit overleg bestaat en wil het bevorderen. Ze kan er enkel op aandringen dat dit overleg in de lijn ligt van de uitwerking van titel VI van het technisch reglement die gewijd is aan de specifieke modaliteiten tussen de transmissienetbeheerder en de beheerders van het distributienet en het lokaal transmissienet van de regelzone. Ze is bovendien van mening dat elke DNB met de prekwalificatieprocedure, momenteel over een krachtig middel beschikt om de maximale reservevolumes te beperken die door ELIA zouden kunnen worden gecontracteerd bij de eindgebruikers die op zijn net zijn aangesloten, wanneer de exploitatieveiligheid dit vereist. Ze benadrukt bovendien dat de gedeeltelijke of volledige afwijzing van specifieke EAN-punten tijdens de prekwalificatieprocedure zich zo vlug mogelijk dient te beperken tot enkel de momenten waarop de veilige exploitatie van het Niet-vertrouwelijk 6/33 distributienet is bedreigd en waarop acties met betrekking tot minder prioritaire middelen al werden toegepast. Ze is eveneens van mening dat het op punt stellen van innoverende producten, en in het bijzonder die die de deelname van de vraag aan de flexibiliteit mogelijk maken, een ontwikkelingsproces is waarvoor na 2015 nog bijsturingen nodig zullen zijn. In het kader van deze beslissing over de reservevolumes kan de CREG echter geen rekening houden met de andere opmerkingen van Eandis, omdat die gaan over het design en de werkingsregels van de markt voor de compensatie van de kwartieronevenwichten (balancing) en niet over de methoden voor de bepaling van de volumes en de toepassing ervan, onderwerpen van deze beslissing.
- Het antwoord van FEBEG, de tweede respondent, bestaat uit twee luiken. In het eerste luik drukt FEBEG haar tevredenheid uit over de evolutie van de procedure voor de aankoop van de primaire en secundaire reserves. De CREG neemt goede nota van de tevredenheid van FEBEG over de overgang naar 100% kortetermijnveilingen van de procedures voor de aankoop van primaire en secundaire reserves. Het tweede luik, met betrekking tot de producten, bevat drie delen. In het eerste deel betreurt FEBEG dat de markt van de ondersteunende diensten, die in België al klein is, door het grote aantal producten wordt gefragmenteerd. Ze pleit voor een vermindering van het aantal standaardproducten en voor het verruimen van de markt door de samenwerking met andere landen voor de aankoop van ondersteunende diensten te bevorderen. Ongeacht of het nu gaat over de primaire reserve of de tertiaire reserve, kan de CREG niet akkoord gaan met de vaststelling van FEBEG over de fragmentering van de markt. Ze is immers van mening dat de bedoelde markten gefragmenteerd zouden zijn indien dezelfde bronnen systematisch zouden kunnen worden aangeboden voor dezelfde dienst via verschillende producten tijdens veilingen gespreid in de tijd. Dit zal in 2015 niet het geval zijn. Voor de primaire reserve zullen de maandelijkse veilingen voor alle R1- en R2-producten gelijktijdig gebeuren en zullen de kandidaat-leveranciers exclusiviteitsclausules voor de offertes kunnen specificeren. Op die manier zullen ze enerzijds gecombineerde offertes Niet-vertrouwelijk 7/33 kunnen indienen die economisch rendabel zijn voor de R1 en de R2 en anderzijds zullen ze offertes kunnen indienen voor eenzelfde productie-eenheid terwijl ze zeker zijn dat deze offertes niet tegelijkertijd door ELIA zullen kunnen worden geselecteerd indien ze technisch niet kunnen worden gecombineerd. Bovendien wordt door de overschakeling in 2015 naar 100% kortetermijnveilingen, de splitsing van de R1- en R2-markten vermeden, zoals het geval is tijdens het jaar 2014, een testjaar voor de kortetermijnveilingen waar het door ELIA te contracteren volume, werd verdeeld in een volume verworven tijdens een jaarlijkse veiling en een volume te verwerven tijdens een maandelijkse veiling. Voor de tertiaire reserve kan eenzelfde bron niet worden aangeboden voor twee verschillende producten, op die manier wordt marktfragmentering vermeden. De CREG meent dat de voorgestelde producten op die manier niet leiden tot een marktfragmentering, maar eerder de mededinging van verschillende bronnen bevorderen waardoor de TNB kan streven naar de economisch meest optimale oplossing. In het tweede deel pleit FEBEG voor een sterkere standaardisering van de vier producten in het voorstel voor 2015 bestemd om de primaire reservebehoeften van ELIA te dekken. De CREG is van mening dat de nodige volumes voor ELIA door deze suggestie van FEBEG niet zouden dalen. Het feit dat er verschillende producten bestaan voor de primaire reserve op de Belgische productie-eenheden (drie van de vier producten) leidt niet tot marktfragmentering aangezien verschillende offertes kunnen worden ingediend voor verschillende producten op eenzelfde productie-eenheid specificerend dat deze offertes elkaar wederzijds uitsluiten. Doordat ELIA zoekt naar de meest gunstige oplossing op economisch vlak op basis van de offertes die werden ingediend voor de vier productietypes kan er concurrentie tussen de producten mogelijk worden en kan de laagste kostprijs voor ELIA worden bekomen. In het derde deel, met betrekking tot de tertiaire reserve, stelt FEBEG vast dat het maximumvolume tertiaire reserve dynamisch profiel (R3 DP) van 50 MW in 2014 stijgt naar 100 MW in 2015 en deelt ze mee dat ze vindt dat het design van dit product de volgende tekortkomingen heeft. Ten eerste gebeurt de activering van dit product door ELIA in de modus alles of niks, wat zou kunnen leiden tot een overactivering; er ontbreekt een economisch activeringscriterium, Niet-vertrouwelijk 8/33 bijvoorbeeld een activeringsprijs waardoor ELIA een keuze zou kunnen maken tussen de verschillende aangeboden loten. Vervolgens wordt het product ook uitsluitend vergoed via de reserveringsprijs: een activering aan nulprijs verplicht ELIA om de R3 DP op een overeengekomen plaats in de oproeplijst van de tertiaire reserve te plaatsen. Hierdoor kan er voor dit deel van de oproeplijst geen progressieve prijs worden toegepast en deze suboptimale aanpak leidt niet tot de meest kostenefficiënte oplossing. Tot slot is er geen echte concurrentie tussen de R3 DP en de R3 productie aangezien er voor de R3 DP geen activeringsprijs is. Als gevolg van de stijging tussen 2014 en 2015 van het maximumvolume van dit product dat door ELIA kon worden gecontracteerd, dringt FEBEG erop aan om een grondige discussie te houden over het design van het product. Ze pleit bovendien voor een harmonisering van de activeringsregels van alle tertiaire reserveproducten zodat deze producten zoveel mogelijk kunnen worden geïntegreerd in één cluster. De CREG is van mening dat er zoveel mogelijk moet worden gestreefd naar een standaardisering van de producten. Ze is echter van mening dat bij deze standaardisering rekening moet worden gehouden met de bezorgdheid van ELIA om de flexibiliteit van het systeem te gaan zoeken daar waar ze zich bevindt in de Belgische regelzone. Ze vindt dat ELIA voorzichtig moet blijven en moet vermijden om standaardiseringsregels vast te leggen die de industriële verbruikers impliciet zouden verhinderen om deel te nemen aan de reservemarkten en de compensatie van de kwartieronevenwichten door hen niet toe te laten om de beperkingen eigen aan hun proces en hun industriële doelstellingen na te leven. Wat de evolutie van de R3 DP betreft, was het standpunt van de CREG van bij het begin duidelijk. In paragraaf 52 van beslissing 130704-CDC-1252 van 4 juli 2013 over het voorstel van de NV ELIA SYSTEM OPERATOR betreffende de werkingsregels van de markt voor de compensatie van de kwartieronevenwichten – Gedeeltelijke inwerkingtreding op 1 oktober 2013 en volledige inwerkingtreding op 1 januari 2014, verklaarde de CREG dat ze de voorkeur geeft aan een beperking van de periode van invoering van een dergelijk product tot de jaren 2014 en
- In haar beslissing 140515-CDC-1331 van 15 mei 2014 over het voorstel van de NV ELIA SYSTEM OPERATOR betreffende de werkingsregels van de markt voor de compensatie van de kwartieronevenwichten – Inwerkingtreding op 1 januari 2015, heeft ze de aanpassingen aan het product R3 DP die ELIA had voorgesteld aanvaard, want Niet-vertrouwelijk 9/33 ze oordeelde dat door de uitbreiding van de concurrentie die zij invoert, de combinatie van deze twee voorgestelde aanpassingen bevorderlijk is voor het zoeken en het bekomen van een economisch optimale oplossing voor het reserveren van de tertiaire reservemiddelen, wat globaal gunstig is voor de markt. De CREG is dan ook van mening dat het design van het product R3 DP in de toekomst nog zou moeten evolueren. Deze evolutie zal het gevolg zijn van het overleg dat ELIA met de marktspelers zal moeten voeren in het kader van specifieke ontmoetingen en vergaderingen van werkgroepen en betrokken task forces van de Users’ Group van ELIA. Het is onder andere in het licht van de resultaten van dit overleg dat de CREG het voorstel van ELIA over de evolutie van het product R3 DP en de voortzetting ervan na 2015 zal evalueren.
- [***Vertrouwelijk***] Niet-vertrouwelijk 10/33 [***Vertrouwelijk***] Niet-vertrouwelijk 11/33 [***Vertrouwelijk***] Niet-vertrouwelijk 12/33 [***Vertrouwelijk***] III. ANALYSE VAN HET VOORSTEL
- De analyse van het voorstel bevat drie delen. Het eerste deel behandelt de evaluatiemethodes voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen. In het tweede deel licht de CREG de toepassing van de methodes toe en worden de resultaten ervan beoordeeld. In het derde deel ten slotte maakt de CREG enerzijds haar beschouwingen met betrekking tot het huidige voorstel en vermeldt anderzijds haar aandachtspunten met het oog op het opstellen van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor de toekomstige jaren. III.1 Evaluatie van de voorgestelde methodes ter bepaling van de reservevermogens
- De uitgewerkte evaluatiemethodes ter bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2015 worden door ELIA behandeld in het document over de methode voor de evaluatie van het primaire, secundaire en tertiaire reservevermogen voor
- Dit document bevat zes hoofdstukken. De eerste twee hoofdstukken bevatten respectievelijk een lijst met tabellen en een lijst met figuren. In het derde hoofdstuk wordt het doel van het document uiteengezet. In het vierde hoofdstuk wordt de organisatie van de evenwichtsbewaking van de regelzones in Europa en België toegelicht. Verder wordt in dit hoofdstuk ook verwezen naar het Belgisch wettelijk kader (artikel 3, §1, van het technisch reglement). Niet-vertrouwelijk 13/33 In het vijfde en zesde hoofdstuk worden de evaluatiemethodes voor het bepalen van enerzijds de primaire en anderzijds de secundaire en tertiaire reservevermogens behandeld. Het document eindigt met afkortingen. III.1.1 Methode ter bepaling van het primair reservevermogen
- De primaire regeling van de frequentie wordt in artikelen 236 tot 242 van het technisch reglement behandeld. Artikel 236, §2, van het technisch reglement preciseert dat de netbeheerder voor het bepalen van de technische specificaties betreffende de beschikbaarheid en de levering van het primair reservevermogen voor de primaire regeling van de frequentie, rekening dient te houden met de aanbevelingen en regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen.
- Op het niveau van ENTSO-E werden de regels gedefinieerd voor de bepaling en de levering van het nodige primair reservevermogen. De toepassing door ENTSO-E van deze regels leidt tot een benodigd primair reservevermogen van 3.000 MW voor heel het ENTSOE-net, dat in staat is om een onevenwicht van 3.000 MW te compenseren. Elke regelzone dient, volgens deze regels, in de mate van haar aandeel in de totale elektriciteitsproductie binnen het ENTSO-E-net bij te dragen tot dit primair reservevermogen. In de loop van een jaar wordt de bijdrage voor het volgende jaar bepaald op basis van de netto-energie die respectievelijk door elke regelzone werd geproduceerd tijdens het voorgaande jaar. ELIA stelt voor deze regels ter bepaling van het primair reservevermogen voor de Belgische regelzone te volgen.
- De CREG stelt vast dat ELIA voldoet aan artikel 236, §2, van het technisch reglement, gezien de voorgestelde methode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen en met name de spelregels die door ENTSO-E werden opgesteld. III.1.2 Methode ter bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen
- De secundaire regeling wordt behandeld in artikelen 243 tot 247 van het technisch reglement, de tertiaire regeling in artikelen 249 tot 260 van datzelfde document.
- In bedrijf moet het systeem het hoofd bieden aan storingen met verschillende draagwijdte. Elk daarvan wordt opgevangen door een ander type van reserve. Niet-vertrouwelijk 14/33 ELIA stelt dat het geheel van de secundaire en tertiaire reserves (R2+R3) wordt gebruikt om het hoofd te bieden aan veiligheidsproblemen. In deze optiek is de secundaire reserve (R2), die automatisch wordt geactiveerd, gebaseerd op een PI-regelaar en wordt die gebruikt om de problemen in verband met de ACE binnen het kwartier te regelen. De tertiaire reserve (R3), die manueel wordt geactiveerd, komt de R2 dan aanvullen als het volume hiervan niet volstaat. Ze bestaat uit incrementele en decrementele vrije biedingen bepaald in het CIPUcontract (ID bids), de gecontracteerde reserve R3 op productie-eenheden (contracten R3productie), de onderbreekbare afnames (contracten R3 ICH), op de geaggregeerde afnames en productie-eenheden aangesloten op de distributienetten (‘R3 dynamisch profiel’contracten) en de tertiaire reserve ten gevolge van bijstand tussen TNB’s (contracten voor R3-reserve inter-TNB). Wanneer een eenheid uitvalt, neemt de R2 deel aan de compensatie, zonder de totaliteit ervan alleen te verzekeren. In deze omstandigheden wordt ze aangevuld door de reserve R
- Het is dus het geheel van R2+R3 dat het onevenwicht als gevolg van het uitvallen van de eenheid compenseert. De reserve “R3 dynamisch profiel” is een nieuw product ontwikkeld door ELIA, dat vanaf januari 2014 werd ingevoerd. Het is bedoeld om de flexibiliteit van het systeem te gaan zoeken daar waar het zich bevindt, en meer bepaald via aggregatoren, op het niveau van de “kleine” productie en van de vraag, aangesloten op de distributienetten. Het product staat ook open voor andere aanbieders die over de middelen beschikken die aan de kenmerken van het product beantwoorden. Om de deelname van de vraag aan het evenwicht van het systeem te bevorderen, zal dit product de concurrentie aangaan (op het niveau van de reservering) met de R3 productie. De beschrijving van het product en de kenmerken ervan vallen onder het voorstel over de werkingsregels van de markt in verband met de compensatie van de kwartieronevenwichten. De R2-reserve moet volledig kunnen “vrijgemaakt” worden (van 0 MW tot het maximum) in 7 en een half minuten, zodat ELIA binnen een kwartier kan overgaan van een activering van het hele vermogen downward naar een activering van het hele vermogen upward. De R3-reserves moeten binnen het kwartier volledig kunnen worden "vrijgemaakt", behalve de R3 ICH die in 3 minuten moet kunnen worden vrijgemaakt.
- "Beleid 1" van het bedrijfshandboek van ENTSO-E introduceert verschillende soorten methodes voor het dimensioneren van de secundaire en de tertiaire reserves: - enerzijds een deterministische methode, bestemd om de controle te behouden bij het verlies van de grootste productie-eenheid, en bijgevolg gebaseerd op het criterium "N - 1", Niet-vertrouwelijk 15/33 - anderzijds een probabilistische methode die steunt op een probabilistische evaluatie van het risico om reserve tekort te komen. De deterministische methode is wijdverspreid en vormde de grondslag van de methode die ELIA tot in 2010 gebruikte voor
- Deze methode leidt voor 2015 tot een te voorzien volume R2-R3 dat gelijk is aan de grootte van de grootste eenheid, hetzij momenteel 1076 MW. De methode stuit echter op haar limieten wanneer men rekening moet houden met de almaar complexere problemen waarmee men te maken krijgt bij het bepalen van de secundaire en tertiaire reservevermogens. ELIA heeft bijgevolg in 2011 een nieuwe (voornamelijk) probabilistische methode ontwikkeld voor het bepalen van het secundair en tertiair reservevermogen in
- Conform de vraag van de CREG1 heeft ELIA in 2012 de methode van 2011 voor de bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen in 2013 vervolledigd door de probabilistische aanpak te finaliseren. Om de secundaire en tertiaire reserve-vermogens voor 2015 te bepalen, heeft ELIA dezelfde methode gebruikt.
- Om het risico op tekort aan reserve te evalueren convolueert 2 de probabilistische methode de verdelingen van de kansdichtheid van de oorzaken van onevenwicht. De vergelijking van de resulterende kromme en van een aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve (Pdef) maakt het mogelijk het vereiste reservevolume te bepalen.
- Terwijl de R2 dient om ongewilde onevenwichten in een normale situatie te compenseren en om de grote onevenwichten van de zone gedeeltelijk te compenseren, laat de R3 toe om enerzijds de R2 te ontlasten bij activeringen van lange duur en om anderzijds de R2 aan te vullen om het hoofd te bieden aan de grote onevenwichten van de zone. Doordat ze automatisch geactiveerd wordt en gebruikt wordt om ongewilde onevenwichten in een normale situatie te compenseren, streeft de R2 ernaar om een goede kwaliteit voor de regeling van de zone (ACE) binnen het kwartier te behouden. Het geheel R2+R3 wordt, met het oog op de compensatie van grote onevenwichten van lange duur, meer in het bijzonder rechtstreeks gekoppeld aan het behoud van de veiligheid van de zone. 1 Beslissing (B)110519-CDC-1056 over de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012, §
- 2 Convolutie is een wiskundige techniek die het mogelijk maakt de kansdichtheid te berekenen van een som van onafhankelijke toevalsvariabelen waarvan de individuele kansdichtheid gekend is. In het geval dat ons bezighoudt, worden de oorzaken van onevenwicht weergegeven door toevalsvariabelen. Niet-vertrouwelijk 16/33 Om daarmee rekening te houden, bepaalt ELIA de behoeften aan R2+R3 op basis van de kwartieronevenwichten, terwijl ze de behoeften aan R2 bepaalt door zich te baseren op de volatiliteit van de kwartieronevenwichten, bepaald als de variatie van het kwartieronevenwicht tussen opeenvolgende kwartieren. Op basis van de grafieken van ELIA kan men vaststellen dat de frequentie van de grote onevenwichten van jaar tot jaar eerder toeneemt (hoofdzakelijk voor de positieve onevenwichten), terwijl de volatiliteit van de onevenwichten weinig schommelingen vertoont. De onevenwichten worden enerzijds veroorzaakt door onvoorziene gebeurtenissen en anderzijds door voorspellingsfouten. Afhankelijk van de beschouwde onevenwichtsbron, wordt de verdeling van kansdichtheid bepaald aan de hand van hetzij tijdreeksen, hetzij gekende verdelingen afkomstig van probabilistische modellen. Het gebruik van tijdreeksen, als ze gekend zijn, heeft twee voordelen: de variatie tussen opeenvolgende kwartieren kan worden berekend en het laat toe om, door sommering, de correlatie tussen onevenwichtsbronnen in rekening te brengen. Naargelang het type van reserve waarvan ze het volume wil bepalen, gebruikt ELIA de probabilistische methode met verschillende waarden voor de parameters: - de voorspellingshorizon, met andere woorden de tijd die is verlopen tussen het ogenblik waarop de analyse wordt gemaakt en het begin van de onderzochte periode, - de beschouwde periode, m.a.w. het aantal uren gedurende dewelke de methode de kans op pannes gebruikt, zodanig dat alle mogelijke combinaties van pannes van productie-eenheden in deze periode in rekening worden gebracht, - de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve (Pdef). De voorspellingshorizon kan kort zijn, enkele uren of dagen vooraf – om de reserves te ramen die de komende uren of dagen zullen nodig zijn – of lang, verscheidene maanden vooraf, zoals het geval is voor het huidige voorstel van ELIA. De voor de andere parameters aangenomen waarden worden verderop bij de toepassing van de methode op elk type van reserve, toegelicht.
- De door ELIA uitgewerkte methode bestaat uit verschillende stappen: - het bepalen van de nodige vermogens van R2+R3 voor het globale systeem, - het bepalen van de nodige vermogens van R2+R3 voor het standaard-systeem, - het bepalen van het vermogen van R2, Niet-vertrouwelijk 17/33 - het bepalen van het vermogen van R
- ELIA voert een verschil in tussen R2+R3 voor het globale systeem en R2+R3 voor het standaardsysteem. Het globale systeem is het systeem in zijn geheel en de in deze context bepaalde reserve R2+R3 is die welke het systeem in zijn geheel nodig heeft. In het CIPUcontract wordt echter gespecificeerd dat de ARP die in hun portefeuille eenheden hebben met een vermogen dat groter is dan het vermogen van een eenheid die als standaard wordt genomen ("standaardvermogen" genoemd) hun eigen reserve moeten verzekeren voor het vermogen dat dit standaardvermogen overtreft. Dat is vastgesteld op 500 MW en ELIA koopt reserve R2+R3 aan en stelt ze ter beschikking van de ARP om het verlies van een standaardeenheid te compenseren. De definitie van het standaardsysteem houdt rekening met dit element. Voor het bepalen van de reservevermogens R2+R3 maakt ELIA gebruik van beide benaderingen, de deterministische en de probabilistische, waarbij het vanuit een conservatief standpunt het hoogste resultaat van beide benaderingen als te reserveren volume neemt. Om het volume van R2 te bepalen, maakt ELIA enkel gebruik van de probabilistische benadering, omdat de deterministische benadering in dit geval minder geschikt is.
- De beschouwde oorzaken van onevenwicht voor de dimensionering van het geheel R2+R3 zijn die waarvan het effect langer duurt dan een kwartier: - uitvallen van productie-eenheden, - fout op de vooruitzichten inzake wind- en zonne-energieproductie, - de andere onevenwichten veroorzaakt door: o de fout op het afnamevooruitzicht, voor het deel dat niet gecompenseerd wordt door de ARP in intraday, o onvolkomenheden van de afnameopvolging door de productie, te wijten aan de tijdsintervallen van de beschikbare producten op de markt, o uitvallen op het niveau van de vraag, o grote schommelingen in de uitwisselingsprogramma’s met de naburige regelzones, o andere niet-identificeerbare onevenwichten veroorzaakt door de ARP’s, o het verschil tussen de compensatie van de verliezen en het verliesniveau op dat ogenblik. Niet-vertrouwelijk 18/33 Als ze het vermogen R2+R3 voor het globale systeem beschouwt, houdt ELIA rekening met alle productie-eenheden. Beschouwt men het standaardsysteem, dan wordt rekening gehouden met de grote productie-eenheden voor een vermogen dat beperkt is tot de grootte van de standaardeenheid, namelijk 500 MW.
- Andere beschouwde oorzaken van onevenwicht voor de dimensionering van R2 zijn die waarvan het effect zich in de variatie tussen opeenvolgende kwartieren laat gevoelen: - de volatiliteit van de fout op de vooruitzichten inzake de wind- en zonneenergieproductie, - de volatiliteit van de andere onevenwichten veroorzaakt door: o de fout op het afnamevooruitzicht, voor het deel dat niet gecompenseerd wordt door de ARP in intraday, o onvolkomenheden van de afnameopvolging door de productie, te wijten aan de tijdsintervallen van de beschikbare producten op de markt, o uitvallen op het niveau van de vraag, o grote plotse schommelingen in de uitwisselingsprogramma’s met de naburige regelzones, o andere niet-identificeerbare onevenwichten veroorzaakt door de ARP’s, o het verschil tussen de compensatie van de verliezen en het verliesniveau op dat ogenblik.
- De reserve R3 die ELIA moet verwerven om ze ter beschikking van de ARP’s te stellen wordt berekend als de nodige aanvulling bij R2 om de reserve R2+R3 van het standaardsysteem te bekomen.
- Wat de berekening van de reserve R2+R3 betreft, stelt de CREG vast dat ELIA vanuit een conservatief standpunt, om alleen de R3 te bepalen, het gebruik van de probabilistische methode aanvult met dat van de klassieke deterministische methode "N-1". De CREG is van mening dat deze praktijk tegemoetkomt aan de bekommernis om de nodige reserve R3 niet te onderschatten, zolang de wind- en zonne-energiecapaciteiten geen doorslaggevende rol spelen in de dimensionering van deze reserves.
- Algemeen genomen stelt de CREG vast dat ELIA een methodologie heeft uitgewerkt die in de lijn ligt van die welke bedoeld wordt in "Beleid 1" van het bedrijfshandboek van ENTSO-E voor wat de secundaire en tertiaire reserve betreft. In dat opzicht voldoen de door ELIA voorgestelde methodes aan artikelen 244, § 2, en 250, § 2, Niet-vertrouwelijk 19/33 van het technisch reglement. Bovendien laten ze toe rekening te houden met de doelstelling van de opdrachten die ELIA worden toevertrouwd krachtens artikel 233 van het technisch reglement. De CREG is van mening dat de door ELIA voorgestelde methodes een dimensionering van het automatische secundaire regelvermogen en van het tertiaire regelvermogen mogelijk maken. Bijgevolg is de CREG van mening dat de door ELIA voorgestelde evaluatiemethodes aanvaardbaar zijn. De CREG herhaalt evenwel dat ze zich in de huidige beslissing niet over enig onevenwichtstarief uitspreekt. III.1.3 Conclusie met betrekking tot de methodes ter bepaling van de reservevermogens
- Rekening houdend met de hierboven aangehaalde elementen verleent de CREG haar goedkeuring aan ELIA met betrekking tot de voorgestelde evaluatiemethodes voor de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen. III.2 Evaluatie van de toepassing van de methodes op het Belgische systeem
- De bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2015 door toepassing van de voorgestelde methodes wordt door ELIA behandeld in een afzonderlijk document. Dit document telt vijf hoofdstukken. De eerste twee hoofdstukken bevatten respectievelijk een lijst met tabellen en een lijst met figuren. In het derde hoofdstuk wordt het doel van het document uiteengezet en het vierde hoofdstuk vormt een samenvatting van de in het document bepaalde volumes. De toepassing van de methodes voor het jaar 2015 wordt in het vijfde hoofdstuk beschreven. Het document eindigt met een lijst van referenties. III.2.1 Bepaling van het primair reservevermogen
- Het aandeel van de Belgische regelzone in de totale primaire regeling voor 2015 binnen de ENTSO-E-zone wordt pas later in 2014 door ENTSO-E bepaald. Dit getal kan lichtjes verschillen van dat van 2013, maar we weten nu nog niet in welke mate. ELIA stelt daarom voor om bij de bepaling van het primair reservevermogen (hierna “R1”) voor 2015 Niet-vertrouwelijk 20/33 rekening te houden met de gemiddelde waarde van de laatste vier jaar, namelijk 94 MW. Gezien dit volume als richtwaarde geldt, voorziet ELIA om het aan te passen aan de door de ENTSO-E voor 2015 bepaalde waarde, zodra deze gekend is. Op basis van de goedgekeurde evaluatiemethode stelt ELIA voor om een gemiddeld primair regelvermogen van 94 MW te contracteren. Om de flexibiliteit van het systeem ten volle te benutten, kan dit volume bij drie verschillende bronnen worden gecontracteerd: bij productieeenheden van het Belgische park zonder volumebeperking, bij de vraag (industrieklanten en aggregatoren) en bij buitenlandse leveranciers, indien de offerteaanvraag die werd georganiseerd bij deze leveranciers om in 2015 deel te nemen aan de Belgische primaire reserve een succes wordt. In het voorstel is de deelname van de vraag asymmetrisch (in de zin van een vraagvermindering). Om de activering van de vraag voor de primaire regeling te beperken, is er een aanpassing van de technische voorwaarden voor deelname vereist, namelijk een activering voor een frequentie-afwijking van meer dan 100 mHz (dode band van 100 mHz) en een volledige deelname voor een frequentie-afwijking van 200 mHz. Dit type deelname moet worden vervolledigd door de asymmetrische deelname van andere bronnen voor een gelijkwaardig volume, in de zin van een productievermindering, en onder dezelfde technische activeringsvoorwaarden (bereik van 100 tot 200 mHz). Om een correcte respons te behouden van de regelzone in primaire regeling, moeten deze twee types van bronnen bovendien ook door een derde type bron worden aangevuld, met een symmetrische activering en zonder dode band, die haar deelname volledig ontwikkelt voor een frequentieafwijking van 100 mHz. Op die manier dekt de zone afwijkingen tussen 0 en 200 mHz met een totaal volume van tweemaal het volume dat voor de deelname van de vraag is voorbehouden. Om die reden is de deelname van de vraag aan de asymmetrische primaire regeling in de zin van een daling van de vraag in de band van 100 tot 200 mHz beperkt tot 50% van het totale gecontracteerde primaire reservevolume. De rest van het primaire reservevermogen, met symmetrische activering binnen een marge van 0-200 mHz, zal dan verworven worden via de Belgische bronnen of bronnen uit het buitenland, in de bovenvermelde maximale verhoudingen. Wanneer de primaire reserve geleverd wordt door bronnen in het buitenland, bepaalt Beleid 1 van het bedrijfshandboek van ENTSO-E dat de beperking van het volume dat door deze bronnen wordt geleverd, de verantwoordelijkheid is van de TNB op het net waaraan de bronnen die de buitenlandse leverancier gebruikt, zijn aangesloten. Niet-vertrouwelijk 21/33
- ELIA heeft een sanctiesysteem op punt gesteld op basis van de day-ahead nominaties waardoor de producenten aangemoedigd worden het verlies van primaire reserve als gevolg van de onbeschikbaarheid op dag D van een eenheid die de dag voordien werd genomineerd op een andere eenheid van hun park te vervangen. ELIA voert eveneens een secundaire markt van de primaire reserve op de productie-eenheden in day-ahead in, waardoor de contractuele verantwoordelijkheden van een marktspeler inzake primaire reserve kunnen worden overgenomen door een andere marktspeler, voor het hele gecontracteerde volume of een deel ervan. ELIA legt eveneens een sanctiesysteem vast op basis van de niet-conforme activeringen van primaire reserve. Om het risico op verlies van R1 te beperken, beperkt ELIA bovendien het aangeboden volume op één enkele productie-eenheid tot 50 MW, indien de leverancier niet de mogelijkheid heeft om dit over te dragen op andere eenheden in geval van uitvallen, en tot 25 MW voor het volume aangeboden op een industriële site.
- De CREG waardeert de inspanningen van ELIA, de grote industriële klanten en de andere spelers op de markt waardoor het mogelijk is een deelname van de vraag aan de primaire regeldienst vanaf 2015 te overwegen. De CREG beseft dat door deze manier van werken de R1-productiemiddelen in twee delen kunnen gesplitst worden, respectievelijk de middelen die geactiveerd kunnen worden binnen een marge van 0 tot 100 mHz en van 0 tot 200 mHz. Toch kon sinds 2013, dankzij de deelname van de vraag (en het complement op de kerneenheden om een symmetrisch product te reconstrueren) en de middelen ingevoerd vanuit het buitenland, het volume waaraan moest voldaan worden door de symmetrische middelen in de Belgische regelzone worden beperkt en bijgevolg de liquiditeit van de markt van de R1-productie worden verhoogd. De impact op de globale prijs van de reservatie van de R1-reserve was beduidend gunstig. Wat de toepassing voor 2015 van de hierboven goedgekeurde methode ter bepaling van het primair reservevermogen betreft, keurt de CREG het volume van 94 MW aan primair reservevermogen voor de Belgische regelzone goed, gepaard gaand met de door ELIA bepaalde voorwaarden. Niet-vertrouwelijk 22/33 III.2.2 Bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen
- ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het secundair en tertiair reservevermogen R2+R
- De voornaamste parameters van het probabilistische model worden bepaald op basis van de volgende gegevens. - Voor 2015 stijgt het voorziene geïnstalleerde windenergievermogen van 749 MW in januari (333 MW offshore) tot 695 MW in december (177 MW offshore) ten opzichte van diezelfde maanden van 2013, die in de methode als referentie worden genomen (totale voorziene geïnstalleerde windenergie-vermogen in december 2015: 2.371 MW, waarvan 1.628 MW onshore en 743 MW offshore). - Voor 2015 stijgt het voorziene geïnstalleerde zonne-energievermogen van 434 MW in januari tot 398 MW in december ten opzichte van diezelfde maanden van 2013, die in de methode als referentie worden genomen (totale voorziene geïnstalleerde zonne-energievermogen in december 2015: 3.181 MW). o De voorspellingen gaan tot één jaar. o De beschouwde periode bedraagt 8 uur. o De waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel (Pdef) voor het tekort aan reserve is gebaseerd op het voorstel van ENTSO-E, namelijk 0,1%. Deze evaluatie ligt eveneens in de lijn van het doorgaans aanvaarde risico voor de bevoorrading van de TNB's inzake reserve. De evaluatie van de oorzaken van onevenwicht is gesteund op volgende overwegingen: - Het percentage aan uitvallen van eenheden werd overgenomen uit een synthese, per type van centrale, van de informatie vervat in de logbooks van de nationale dispatching. - Voor het bijkomende geïnstalleerde vermogen ten opzichte van 2013 worden de voorspellingsfouten met betrekking tot de productie van windenergie en van zonne-energie afzonderlijk geëvalueerd, op basis van statistieken van voorspellingsfouten in intraday voor elk type van bronnen. - Alle andere oorzaken van onevenwicht worden samen beoordeeld, op basis van de gegevens over residueel onevenwicht van het systeem in 2013 vastgesteld buiten de uren van uitvallen van bovenvermelde productie-eenheden; deze oorzaken van onevenwicht omvatten dus de voorspellingsfouten betreffende de vraag alsook betreffende de reeds in 2013 geïnstalleerde wind- en zonneenergieproductie. Niet-vertrouwelijk 23/33 In 2012 heeft ELIA een gemiddeld residueel onevenwicht van het systeem vastgesteld gelijk aan 64 MW. In 2013 bedroeg dit gemiddeld residueel onevenwicht 41 MW. ELIA heeft de oorzaken van dit residueel onevenwicht bestudeerd en benadrukt hoe moeilijk het voor de ARP's is om het deel "afname" van hun portefeuille correct te analyseren. Door de verbetering van de incentives en de informatie die aan de leveranciers wordt overgemaakt, zou het onevenwicht van de portefeuille van de ARP's moeten verminderen. ELIA heeft dus voor de dimensionering van de reserves het gemiddelde onevenwicht van het systeem in 2013 gecorrigeerd en teruggebracht tot een waarde van 0 MW.
- Door het toepassen van de goedgekeurde methode met de waarden van de parameters bepaald volgens de hierboven uiteengezette principes, komt ELIA tot een waarde van 1.240 MW aan secundair en tertiair reservevermogen (R2+R3) voor het globale systeem en 897 MW voor het standaardsysteem. Daarbij dient genoteerd dat de volgens de probabilistische methode geschatte waarde van 1.240 MW voor het globale systeem groter is dan de schatting bekomen volgens de deterministische methode N-1, namelijk het nominale vermogen van de grootste machine: 1.076 MW. Het is dus het resultaat van de probabilistische methode dat als referentie zal genomen worden. De te socialiseren en dus door ELIA te verwerven waarde is die van het standaardsysteem, namelijk 897 MW. De rest, hetzij 343 MW beschikbaar aan 100% is ten laste van de ARP's die verantwoordelijk zijn voor de injectie van de eenheden met een vermogen groter dan het vermogen van de standaardeenheid.
- De CREG hecht haar goedkeuring aan het door ELIA voor 2015 bepaalde secundair en tertiair reservevermogen, namelijk 897 MW met een beschikbaarheid van 100%. ELIA dient te verzekeren dat de 343 MW ten laste van de ARP's wel degelijk permanent beschikbaar is in de portefeuille van de ARP's die verantwoordelijk zijn voor de injectie van de eenheden met een vermogen groter dan het vermogen van een standaardeenheid. III.2.3 Bepaling van het secundair reservevermogen
- ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het secundair reservevermogen R
- De voornaamste parameters van het probabilistische model worden bepaald op basis van de volgende principes. - De beschouwde periode bedraagt 8 uur. - De waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het reserve-tekort (Pdef) is gebaseerd op de volgende overwegingen: de secundaire regeling wordt onder meer gebruikt om de problemen in verband met de ACE binnen het Niet-vertrouwelijk 24/33 kwartier te regelen; in het systeem van ENTSO-E wordt de kwaliteit van de regeling van de ACE gemeten door middel van indicatoren. ELIA stelt dat, in 2010, 2012 en 2013, de secundaire reserve van 140 MW respectievelijk aanleiding gaf tot een reservetekort in 27,8 en 27,6% van de gevallen, met een gevoelige verbetering van de regeling in 2012 ten opzichte van 2010 en 2011, meer bepaald als gevolg van een evolutie van de procedures van ELIA voor de activering van de manuele reserves bij grote onevenwichten; voor 2015 legt ELIA de waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het reservetekort (Pdef) vast op 26,2%. Ze hanteert deze waarde uit voorzorg en merkt op dat de verbetering van de prestaties van de regeling in 2013 onder meer het gevolg is van de deelname aan de IGCC, wat geen gegarandeerd vermogen inhoudt en waarvan ELIA nog niet genoeg afstand heeft genomen. - De intrakwartiervolatiliteit van de residuele fout van de relatieve voorspellingen, bij de productie van de geïnstalleerde wind- en zonne-energievermogens na 2013, wordt berekend op basis van het verschil van de residuele fouten van de voorspellingen inzake wind- en zonne-energieproductie tussen opeenvolgende kwartieren in de tijdreeksen gebruikt bij de dimensionering van de behoeften aan R2 + R
- - De intrakwartiervolatiliteit van het residuele onevenwicht van het systeem wordt berekend op basis van het verschil van de residuele onevenwichten van het systeem tussen opeenvolgende kwartieren in de tijdreeksen gebruikt bij de dimensionering van de behoeften aan R2 + R3, behalve het uitvallen van de productie-eenheden.
- ELIA past de goedgekeurde methode toe met de waarden van de parameters bepaald volgens de hierboven uiteengezette principes. ELIA houdt eveneens rekening met de nieuwe oprichting van een secundaire day-ahead markt voor R2 waardoor contractuele verplichtingen voor R2 day-ahead kunnen worden overgedragen tussen dienstenleveranciers, zowel omwille van de onbeschikbaarheid van middelen als omwille van economische redenen. Het door ELIA bepaalde sanctiesysteem zet de ARP ook aan om de secundaire markt te gebruiken in geval van onbeschikbaarheid. Voor de dimensionering van de R2 houdt ELIA echter rekening met het feit dat een deel van de R2 op sommige momenten onbeschikbaar zou kunnen zijn, ook al wordt er gestreefd naar een beschikbaarheid van 100%. ELIA raamt de kans op een onbeschikbaarheid van 80 MW van de R2 op 0,15% en de kans op onbeschikbaarheid van 40 MW van de R2 op 2%. Niet-vertrouwelijk 25/33 Rekening houdend met deze elementen legt ELIA het volume secundair reserververmogen R2 dat nodig is om een hierboven aangenomen waarde van 27,8% te respecteren voor Pdef, vast op 140 MW aan 100% beschikbaarheid.
- De CREG stelt vast dat ELIA niet nadrukkelijk rekening houdt met de impact van de deelname aan de IGCC bij de evaluatie van het nodige R2-reservevolume. Zoals reeds vermeld, geeft de deelname van ELIA aan het IGCC haar toegang tot middelen waarvan het volume niet gegarandeerd is, noch wat betreft het bestaan in de andere regelzones die deelnemen aan het IGCC van een onevenwicht waardoor de netting met het onevenwicht van de Belgische regelzone mogelijk is, noch wat de beschikbaarheid van voldoende commerciële capaciteit aan de betrokken grenzen betreft. Op die manier haalt de Belgische regelzone uit de netting van de onevenwichten in dit kader wel voordelen op een voldoende lange periode, zowel voor de activatiekost van de regeling voor ELIA als voor een veilige exploitatie van de Belgische regelzone. Toch zijn ze geenszins gegarandeerd op kwartierbasis. Bijgevolg is de CREG van mening dat het niet voorzichtig zou zijn om bij de bepaling van de nodige volumes momenteel rekening te houden met de deelname aan het IGCC.
- De CREG hecht haar goedkeuring aan de door ELIA bepaalde hoeveelheid secundair reservevermogen voor 2015, namelijk 140 MW aan 100% beschikbaarheid. III.2.4 Bepaling van het tertiair reservevermogen
- ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het tertiair reservevermogen R
- Zodoende berekent ze het tertiair reservevermogen R3 als het complement dat aan het hierboven bepaalde secundair reservevermogen R2 moet toegevoegd worden om het nodige reservevermogen R2+R3 te bekomen. Voor het door ELIA te reserveren gesocialiseerde deel dient het standaardsysteem en niet het globale systeem als referentie.
- Om de behoefte aan R2+R3 te bepalen, doet ELIA een beroep op het hierboven bepaalde volume R2, met de aangenomen beschikbaarheidsstatistieken en een R3portefeuille die bestaat uit de contractuele R3 op productie-eenheden (hierna "R3 productie), R3 op onderbreekbare afnames (hierna "ICH"), van R3 verbonden aan het nieuwe product “R3 dynamisch profiel” (hierna “R3 DP”) en de R3 van de hulpcontracten tussen TNB's (hierna "inter-TNB" contracten). Niet-vertrouwelijk 26/33 Noch de vrije biedingen (ID-bids van het CIPU-contract), noch de complementaire biedingen van de niet-contractuele R3 worden in rekening genomen, gezien de hoge onzekerheid van hun beschikbaarheid door de voorspellingshorizon van een jaar. De door ELIA voor 2015 voorgestelde bronnen zijn de volgende: - De secundaire reservemiddelen zoals hiervoor vermeld in paragraaf
- - 400 MW van contractuele R3 met een continue beschikbaarheid, te verdelen tussen maximaal 400 MW van R3 productie en maximaal 100 MW van R3 DP
- - 261 MW R3 ICH met de in 2013 waargenomen beschikbaarheid van dit soort reserves. - 250 MW R3 inter-TNB met RTE, met de in 2013 waargenomen beschikbaarheid van dit contract, hetzij 99,7%. Met de hierboven vermelde middelen voor de R2, R3 productie, de R3 DP en R3 ICH (en dus zonder de R3 inter-TNB met RTE) kan niet worden voldaan aan de gekozen grenswaarde van Pdef van 0,1% voor de bepaling van het volume R2+R3 voor het standaardsysteem; ze komen in feite overeen met een Pdef waarde van 0,27%. Als men de inter-TNB reserve met RTE in rekening brengt, dan kan met het volume van R2+R3 deze grenswaarde van Pdef worden gerespecteerd: ze stemt overeen met een Pdef waarde van 0,03%. De Pdef waarde van 0,1% wordt gehaald indien men de activering van de inter-TNB reserve beperkt tot 15 uur per jaar, dit is in lijn met de contractuele clausules van de inter-TNB reserve die ervoor zorgen dat deze reserve een laatste middel is om slechts uitzonderlijk te activeren. ELIA verklaart dat de op die manier voorgestelde volumes dus voldoende zijn voor 2015 en dat ten opzichte van 2014 geen enkel bijkomend volume nodig is.
- De CREG keurt de door ELIA voor 2015 bepaalde hoeveelheid tertiair reservevermogen goed, hetzij 400 MW beschikbaar aan 100% te verdelen tussen de R3 productie en de R3 DP (maximum 100 MW R3 DP) volgens de voorwaarden in de werkingsregels van de markt voor de compensatie van de kwartieronevenwichten, 261 MW R3 ICH met dezelfde beschikbaarheid als de beschikbaarheid van de ICH die in 2013 was vastgesteld en 250 MW inter-TNB bijstand. Bovendien vindt zij meer bepaald dat het in 3 De verdelingsvoorwaarden van de 400 MW tussen de R3 productie en de R3 DP worden opgegeven in het voorstel van ELIA over de werkingsregels van de markt met betrekking tot de compensatie van de kwartieronevenwichten. Niet-vertrouwelijk 27/33 concurrentie stellen van het product R3 DP met de R3 productie, de deelname van de vraag, inclusief de decentrale, aan de ondersteunende diensten bevordert. III.3 Overwegingen van de CREG
- De CREG wenst, rekening houdend met het belang van de bepaling van de reservevermogens voor de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het transmissienet in de regelzone, in de huidige beslissing een aantal beschouwingen te maken met het oog op het opstellen van een evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen in de toekomst.
- De CREG wenst dat ELIA haar in de toekomst blijft informeren door middel van een jaarlijks verslag over de beschikbaarheid en het gebruik van de reserve-vermogens, afschakelbare afnamen en inter-TNB reserves inbegrepen, ten behoeve van de Belgische regelzone. Ter illustratie van de vergelijkende analyse van de kwaliteit van de regeling in de verschillende regelzones in Europa, verzoekt de CREG ELIA nadrukkelijk er systematisch een kopie bij te voegen van de laatste vier kwartaalverslagen van de UCTE over het prestatievermogen van de primaire regeling en van de vermogensfrequentieregeling, of van elk officieel document dat dit verslag zou vervangen.
- De CREG waardeert de recente verbeteringen die ELIA heeft doorgevoerd bij de terbeschikkingstelling van informatie waardoor de marktspelers beter kennis kunnen nemen van wat er gebeurt op systeemniveau en waardoor de ARP’s in het bijzonder hun eigen onevenwicht beter kennen. De CREG dringt bij ELIA erop aan om de informatie die beschikbaar is op haar website te blijven verbeteren, zowel wat de kwantiteit als de kwaliteit betreft.
- Aangezien de inter-TNB reserve een expliciet deel van de tertiaire reserve is, is het volgens de CREG belangrijk een goed zicht te hebben op de beschikbaarheid van deze reserve. De CREG blijft ELIA verzoeken om met de naburige TNB’s RTE en TenneT de uitwisseling van gegevens over de beschikbaarheid qua volume en de eraan verbonden prijzen van de inter-TNB reserves te formaliseren. De CREG wenst om de drie maanden door ELIA op de hoogte gebracht te worden van de vorderingen ter zake, vooral van het contract met TenneT waarvoor ELIA momenteel niet systematisch over gedetailleerde beschikbaarheidsgegevens beschikt.
- De CREG stelt met tevredenheid de verhoging van de mogelijke deelname van de afnemers aan de reserves vast. Gezien de aangekondigde schaarsheid van de Niet-vertrouwelijk 28/33 reservevermogens in België, moedigt de CREG ELIA aan om het verhogen van de deelname van de vraag aan de primaire, secundaire en tertiaire regeling verder te onderzoeken. Inzake "vrije" (niet op jaarbasis gecontracteerde) biedingen op de afnames van grote industriële klanten, vraagt de CREG ELIA ook om door te zetten, zelfs al is het aantal klanten dat aanvankelijk geïnteresseerd is in deze nieuwe dienst zeer beperkt. In de mate waarin het nodig is om flexibiliteit te zoeken waar ze zich bevindt, onder meer bij kleinere afnemers die minder grote volumes verbruiken dan de grote industriële klanten, moedigt de CREG ELIA aan om te blijven samenwerken met de aggregatoren en de distributienetbeheerders bij het op punt stellen van nieuwe producten waardoor kleine afnemers en kleine producenten (de kleine decentrale producenten en afnemers inbegrepen) zo vlug mogelijk kunnen deelnemen aan de primaire, secundaire en tertiaire reserves en dit volgens hun technische mogelijkheden.
- De afschakelbare afnamen blijken daadwerkelijk te zijn geactiveerd in
- De CREG steunt deze praktijk en blijft de mening toegedaan dat deze reserves toch minstens eenmaal per jaar moeten geactiveerd worden wanneer de activering van tertiaire reserves nodig is. Ze meent dat hierdoor hun werkelijke beschikbaarheid en reactiesnelheid getest wordt. Op deze manier groeit de ervaring van ELIA en de betrokken industriële afnemers met betrekking tot de activering van de onderbreekbare reserves. Om die reden vraagt de CREG dat elke onderbreekbare afname in 2015 minstens eenmaal zou geactiveerd worden. Dezelfde vraag is van toepassing op het product R3 DP in
- Het contracteren van primaire, secundaire en tertiaire reservevolumes door ELIA blijkt steeds moeilijker te worden. De aanwezigheid in het park van een groot volume aan nucleaire productie, dat weinig soepel is op het vlak van exploitatie, evenals de geleidelijke toename van de intermitterende productiebronnen, vergroten deze moeilijkheid nog. Zoals reeds vermeld in haar beslissingen (B)120621-CDC-1162 en (B)130626-CDC-12484, meent de CREG dat het nuttig zou zijn om voor sommige nucleaire eenheden de mogelijkheid te voorzien om deel te nemen aan de secundaire en/of tertiaire reserves. Het wordt immers steeds moeilijker om in een systeem waar zelfs de intermitterende productie aan de reserves begint deel te nemen, te aanvaarden dat een klasse eenheden dat het grootste deel van de energie vertegenwoordigt die in België wordt geproduceerd, terwijl technische oplossingen bestaan, kan ontsnappen aan een significante deelname aan de 4 Zie voormelde referenties. Niet-vertrouwelijk 29/33 reserve, meer bepaald secundaire en tertiaire, en op die manier andere eenheden verplicht deel te nemen, met de gekende gevolgen voor de reservatieprijs.
- Gezien het belang van het overleg met alle betrokken marktpartijen bij de evolutie van het design van de producten en de werkingsregels van de markt voor de reserves en voor de compensatie van de kwartieronevenwichten, moedigt de CREG ELIA aan om dit overleg zo vlug mogelijk voort te zetten, bijvoorbeeld vanaf het einde van de zomer van 2014, zodat er voldoende tijd is om het voorstel van ELIA voor de periode na 2015 en de bijhorende beslissing van de CREG in 2015 tijdig te voltooien. Dit betreft niet enkel het product R3 DP, maar eveneens de andere producten van ELIA evenals het platform bedoeld in artikel 8, §1, 3e lid, 2°, van de elektriciteitswet. Niet-vertrouwelijk 30/33 IV. BESLISSING Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende het technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe; Gelet op het voorstel betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2015, dat door ELIA op 22 april 2014 via een schrijven aan de CREG ter goedkeuring werd overgemaakt. Gelet op de resultaten van de raadpleging die de CREG vanaf 26 mei 2014 heeft georganiseerd over haar ontwerpbeslissing. Overwegende dat de NV ELIA SYSTEM OPERATOR haar voorstel heeft ingediend voor het jaar
- Overwegende de analyse van de antwoorden op de raadpleging die door de CREG werd georganiseerd, uitgevoerd onder deel II van onderhavige beslissing. Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op artikel 236, §2, van het technisch reglement en onder meer op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de gekoppelde Europese netten regelen; Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het secundair reservevermogen steunt op artikel 244, §2, van het technisch reglement en aanvaardbaar is op basis van de elementen aangehaald in paragrafen 21 en 22; Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het tertiair reservevermogen steunt op artikel 250, §2, van het technisch reglement en aanvaardbaar is op basis van de elementen aangehaald in paragrafen 21 en 22 Overwegende dat de voorgestelde evaluatiemethodes correct werden toegepast bij de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2015; Heeft de CREG besloten, in het raam van de opdracht die haar werd toevertrouwd door artikel 233 van het technisch reglement, de evaluatiemethode voor het primair, secundair en tertiair reservevermogen en haar toepassing voor 2015 goed te keuren. Niet-vertrouwelijk 31/33 De onderhavige beslissing spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten met betrekking tot deze materie. Deze punten zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tarifaire beslissing van de CREG. Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Andreas TIREZ Directeur Marie-Pierre FAUCONNIER Voorzitster van het Directiecomité Niet-vertrouwelijk 32/33 Raadpleging Overeenkomstig haar huishoudelijk reglement, heeft de CREG een raadpleging over een ontwerpbeslissing van de CREG georganiseerd met betrekking tot een voorstel van Elia. Deze ontwerpbeslissing betreft de vraag tot goedkeuring van de evaluatie-methode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor
- Teksten van de ontwerpbeslissing waarop de raadpleging betrekking had : - De ontwerpbeslissing Het voorstel van Elia waarop de ontwerpbeslissing betrekking had : - De brief van Elia - Evaluatiemethode (enkel in het Frans) - Bepaling regelvermogen (enkel in het Frans) Ontvangen antwoorden: - van Eandis - van FEBEG - het derde antwoord is vertrouwelijk. Niet-vertrouwelijk 33/33