Niet-vertrouwelijk Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel Tel.: +32 2 289 76 11 Fax: +32 2 289 76 09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS EINDBESLISSING (B)150717-CDC-1423 over “de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2016” genomen met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe 17 juli 2015 INHOUDSOPGAVE INLEIDING ............................................................................................................................ 3 I. WETTELIJK KADER .................................................................................................... 5 II. RAADPLEGING ........................................................................................................... 6 III. ANALYSE VAN HET VOORSTEL ................................................................................ 8 III.1 Wijzigingen ten opzichte van het vorige voorstel ...................................................... 9 III.2 Primair reservevermogen (R1) ................................................................................10 III.2.1 Methode ter bepaling van het primair reservevermogen .....................................10 III.2.2 Bepaling van het primair reservevermogen ........................................................11 III.3 Secundair (R2) en tertiair (R3) reservevermogen....................................................13 III.3.1 Methode ter bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen .................13 III.3.2 Bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen ....................................20 III.3.3 Bepaling van het secundair reservevermogen ....................................................23 III.3.4 Bepaling van het tertiair reservevermogen .........................................................24 III.4 Aanvullende overwegingen van de CREG ..............................................................25 IV. BESLISSING ...............................................................................................................29 Raadpleging .........................................................................................................................31 Niet-vertrouwelijk 2/31 INLEIDING Met toepassing van artikel 233 van het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe (hierna: het technisch reglement), onderzoekt de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG) in deze eindbeslissing het voorstel van de N.V. ELIA SYSTEM OPERATOR (hierna: ELIA) betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2016 dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone. Op 29 mei 2015 ontving de CREG ter goedkeuring het voorstel van ELIA betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2016 (hierna: het voorstel van ELIA). Het voorstel van ELIA bestaat uit een begeleidend schrijven en twee hoofddocumenten in bijlage, namelijk een document over de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2016 en de versie van dit document dat de wijzigingen aangeeft ten opzichte van het voorstel van ELIA voor
- Op 3 juni 2015 ontving de CREG van ELIA een nieuwe versie van het document met vermelding van de wijzigingen ten opzichte van het voorstel van ELIA voor
- In het begeleidend schrijven legt ELIA uit dat dit document werd verkregen door het bundelen van de twee documenten van voorstel van de reservevermogens voor 2015, en het doorvoeren van de inhoudelijke wijzigingen in deze versie om tot het bijgevoegde document te komen. Op 12 juni 2015 ontving de CREG van ELIA een schrijven waarin ELIA de motieven uiteenzet voor het doorvoeren van bepaalde weglatingen in het voorstel ten opzichte van het voorstel van 2014 voor 2015, en haar intenties verduidelijkt ten aanzien van de weerslag van dergelijke weglatingen. De huidige eindbeslissing bevat vier delen. Het eerste deel bespreekt het wettelijk kader. Het tweede deel behandelt de resultaten van de raadpleging en het derder deel analyseert het voorstel van de evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor
- Het vierde deel bevat de eigenlijke beslissing. Het schrijven van ELIA van 29 mei 2015 met zijn twee bijlagen, het schrijven van 3 juni en zijn bijlage evenals het schrijven van 12 juni zijn als bijlage bij deze eindbeslissing gevoegd. Niet-vertrouwelijk 3/31 Onderhavige eindbeslissing werd door het Directiecomité van de CREG goedgekeurd op zijn vergadering van 17 juli
- Ze spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten met betrekking tot deze materie. Deze punten zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tarifaire beslissing van de CREG. Niet-vertrouwelijk 4/31 I. WETTELIJK KADER
- Overeenkomstig artikel 233 van het technisch reglement evalueert en bepaalt de netbeheerder het primair, secundair en tertiair reservevermogen dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het net in de regelzone. Hij deelt zijn evaluatiemethode en het resultaat ervan mee aan de CREG ter goedkeuring. Artikel 231, §2, van het technisch reglement voorziet dat de netbeheerder de primaire, secundaire en tertiaire reserves bepaalt rekening houdend met het hulpvermogen voor de installaties van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling van minder dan 20 MW aangesloten op het transmissienet, het lokaal transmissienet of het distributienet. Artikel 231, §3, van het technisch reglement bepaalt dat de netbeheerder gehouden is de ondersteunende diensten, die de primaire regeling van de frequentie, de secundaire regeling van het evenwicht in de Belgische regelzone, de tertiaire reserve, de regeling van de spanning en van het reactief vermogen, het congestiebeheer en de black-start dienst omvatten, in te richten volgens de bepalingen van artikelen 231 tot en met 266 van het technisch reglement. Het technisch reglement bepaalt met name, in zijn artikel 232 dat de netbeheerder toeziet op de beschikbaarheid van en, in voorkomend geval, op de inwerkingstelling van de ondersteunende diensten, volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures, die berusten op de marktregels, en overeenkomstig de operationele regels voorzien in het technisch reglement. Artikel 235, §1, van het technisch reglement legt ten andere aan de netbeheerder op de effectieve terbeschikkingstelling van de primaire, secundaire en tertiaire reserves te controleren volgens modaliteiten die hij bepaalt en aan de CREG ter kennis geeft. Tot slot, is overeenkomstig artikels 236, 244 en 250 van het technisch reglement de netbeheerder gehouden tot het bepalen van de technische specificaties betreffende de beschikbaarheid en de levering van het actieve vermogen voor de primaire regeling van de frequentie evenals van het secundair en tertiair reservevermogen, rekening houdend met de aanbevelingen en regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen. Niet-vertrouwelijk 5/31 II. RAADPLEGING
- Deze beslissing werd tijdens de vergadering van het Directiecomité van de CREG van 18 juni 2015 genomen in de vorm van een ontwerp. Conform haar huishoudelijk reglement heeft de CREG de ontwerpbeslissing met alle nuttige documenten aan een openbare raadpleging onderworpen die liep van 19 juni tot 6 juli
- De CREG heeft op 6 juli 2015 twee reacties ontvangen: een van FEBEG en een van [***Vertrouwelijk***], die met redenen omkleed om vertrouwelijke behandeling van de reactie heeft verzocht. De CREG wil benadrukken dat er op de webpagina toegewijd aan de raadpleging expliciet verzocht wordt, overeenkomstig wettelijke vereisten, de reacties in het Frans of in het Nederlands te ontvangen. Het door de FEBEG bij het antwoord gevoegde Engelstalige document kan daarom als zodanig niet in behandeling worden genomen. De CREG neemt echter wel nota van het bestaan van dit document en zal ervan gebruik maken bij haar reflectie betreffende het design van de markt, met name in het kader van een verdergaande integratie van vraagrespons.
- FEBEG pleit in haar reactie voor een vermindering van het aantal producten voor het primaire en tertiaire reservevermogen om op deze manier de fragmentering van de markten betreffende deze reserves te verkleinen.
- Wat betreft het primaire reservevermogen stelt de CREG vast dat het aantal offertes niet door ELIA gelimiteerd wordt en dat daardoor elke deelnemer zoveel offertes kan indienen als wenselijk is. Dit leidt derhalve niet tot fragmentering aangezien de indiener de mogelijkheid heeft te specificeren dat bepaalde offertes elkaar wederzijds uitsluiten. Dit vermijdt marktfragmentering en laat ELIA de ruimte om de meest optimale oplossing te kiezen. Wat betreft het tertiaire reservevermogen begrijpt de CREG niet waarom FEBEG beweert dat er geen concurrentie heerst tussen de verschillende producten. Er bestaan wel degelijk verschillen in de reservatieprijzen van de verschillende producten en de prijzen van de offertes kunnen vaak worden gehergroepeerd in verschillende categorieën per product. Maar gezien het feit dat sommige volumebeperkingen zijn opgeheven en dat de "verschuiving" van de volumes tussen de producten altijd mogelijk is, kunnen door deze manier van handelen offertes worden afgewezen van een product waarvan de offerteprijs voor de reservatie hoger Niet-vertrouwelijk 6/31 is dan de offerteprijs van andere producten, omdat zij onderaan de oproeplijst van offertes van hun product worden geplaatst. Het is een manier om offertes onderaan de lijst van de R3 ICH waarvan de reservatieprijs niet competitief is in verhouding tot de niet geselecteerde offertes van de R3 DP, en de offertes onderaan de lijst van de R3 DP waarvan de reservatieprijs niet competitief is vergeleken met de R3-productie niet te accepteren. De CREG is derhalve niet van mening dat het argument van FEBEG tot een aanpassing van het design van de producten zal leiden, noch tot eeb verandering van de manier waarop de veilingen zijn georganiseerd. Bovendien is aankoop van reserves bij buitenlandse leveranciers momenteel al mogelijk voor R1 symmetrisch 200 mHz, via netting van de onevenwichten in het kader van de IGCC en door de inter-TNB-hulpcontracten voor tertiair reservevermogen. De uitbreiding naar andere typen reservevermogen of naar andere procedures is afhankelijk van de inwerkingtreding van de "Network Code Balancing" en van de evolutie van de internationale projecten betreffende de uitwisseling van de reserves en de geactiveerde energie over de grenzen heen.
- FEBEG voorziet tevens in een aantal opmerkingen en suggesties betreffende het product R3 DP, met name omtrent de afwezigheid van een acitveringsvergoeding en de impact ervan op de activeringsregels en indirect op het onevenwichtstarief, de behoefte aan het eerder informeren van de ARP's waarvan het evenwicht van de portefeuille werd beïnvloed ten tijde van de activatie van de R3 DP, alsook de toekomstige evoluties van het product en het marktmodel.
- De CREG is van mening dat het grootste deel van deze suggesties geen betrekking hebben op de methodes ter bepaling van de reservevermogens en tevens niet op de toepassing ervan in
- Ze hebben daarentegen eerder betrekking op het design van het product en de markt, en een aantal kunnen alleen worden behandeld in het kader van de problematiek omtrent de “overdracht van energie”.
- De CREG is echter wel van mening dat het belangrijk is dat de ARP zo snel mogelijk wordt geïnformeerd wanneer sprake is van een activering van R3 DP-bronnen die tot zijn portefeuille behoren. Bovendien heeft het (quasi) real time informeren van de ARP een veel grotere reikwijdte dan alleen het product R3 DP. De CREG is tevens van mening dat de problematiek rondom het zo dicht mogelijk bij real-time informeren van de ARP betreffende zijn eigen evenwicht moet worden onderzocht en toegepast door ELIA.
- [***Vertrouwelijk***] Niet-vertrouwelijk 7/31 [***Vertrouwelijk***] III. ANALYSE VAN HET VOORSTEL
- De analyse van het voorstel bevat vier delen. Het eerste deel doorloopt de wijzigingen ten opzichte van het laatste voorstel van ELIA betreffende de reserves voor 2015, dat heeft geleid tot de beslissing (B)150212-CDC-1402 van 12 februari 2015 van de CREG. Het tweede deel behandelt de primaire reserve, en het derde deel de secundaire en tertiaire reserve. In het vierde deel ten slotte maakt de CREG enerzijds haar beschouwingen met betrekking tot het huidige voorstel over en uit anderzijds bijkomende overwegingen aangaande verschillende punten in het kader van het uitwerken van de evaluatiemethode Niet-vertrouwelijk 8/31 voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor de toekomstige jaren. III.1 Wijzigingen ten opzichte van het vorige voorstel
- Een lijst met de belangrijkste wijzigingen is verstrekt in hoofdstuk 3 van het voorstel van ELIA. Deze wijzigingen betreffen: - het bundelen in een enkel document van de twee documenten die het voorstel van ELIA tot in 2014 samenstelden voor de reserves van 2015; - de invoering van een onderscheid tussen « reserve-behoeften » en « reservevolumes » voor de secundaire en tertiaire reserves; - de evolutie van de methode om beter de onevenwichtigheden veroorzaakt door het uitvallen van offshore windturbines op te vangen.
- Voor de reserves van 2015 heeft ELIA tot in 2014 haar voorstel voorgesteld onder de vorm van twee documenten, het eerste met betrekking tot de evaluatiemethode, en het tweede met betrekking tot het resultaat van de toepassing van de methode ter bepaling van de vermogens. Vanaf het huidige voorstel voor de reserves van 2016, heeft ELIA beide documenten samengevoegd om haar voorstel voor te stellen onder de vorm van een enkel document dat zowel de beschrijving van de evaluatiemethode als de bepaling van de vermogens bevat. De eerste twee hoofdstukken bevatten respectievelijk een lijst met tabellen en een lijst met figuren. In het derde hoofdstuk wordt het doel van het document uiteengezet. Het vierde hoofdstuk verstrekt een samenvatting. In het vijfde hoofdstuk wordt de organisatie van de evenwichtsbewaking van de regelzones in Europa en België toegelicht. Verder wordt in dit hoofdstuk ook verwezen naar het Belgisch wettelijk kader (artikel 3, §1, van het technisch reglement). De zesde en zevende hoofdstukken behandelen respectievelijk het primair, secundair en tertiair reservevermogen, zowel wat de evaluatiemethode als de bepaling van de vermogens betreft. Het document eindigt met een lijst van afkortingen en een lijst van referenties.
- De CREG stelt vast dat het bundelen van de twee documenten waaruit de vorige voorstellen bestonden in één enkel document bijdraagt tot het verbeteren van de leesbaarheid van het voorstel en herhalingen vermijdt. Het draagt ook bij tot het verduidelijken van de onderliggende logica van het voorstel, in die zin dat wat betrekking heeft op een type reserve in een enkel hoofdstuk van een enkel document is vervat, en dat Niet-vertrouwelijk 9/31 de methodologische beschrijving en de resultaten van de toepassing van de evaluatiemethode in volgorde in dit document geplaatstzijn.
- De twee overige hierboven genoemde wijzigingen zullen worden beschreven in het deel gewijd aan het secundair en tertiair reservevermogen.
- De CREG stelt vast dat andere wijzigingen niet werden hernomen in de lijst van de belangrijkste wijzigingen aan het voorstel van ELIA.
- Hieronder is er minstens één die niet vermeld is, noch in de documenten voorgelegd tijdens de vergaderingen van de « task force balancing » van de ELIA Users Group in 2015, noch in de notulen van de vergadering van deze bijeenkomsten: het betreft de schrapping van de maximale activeringstermijn van 3 minuten van de R3 ICH, wat effectief als gevolg heeft dat deze gelijkgesteld wordt met de activeringstermijn van 15 minuten toepasselijk op de R3 productie en de R3 DP. De CREG stelt vast dat door deze schrapping, het behoud van deze eis in de R3 ICH contracten op geen enkel document meer steunt. De CREG heeft dus ELIA over haar intenties ondervraagd. In haar brief van 12 juni 2015 verduidelijkt ELIA haar intenties. Dit schrijven vermeldt inderdaad wat volgt: « Meer bepaald werden de zinnen met betrekking tot de uitvoeringsduur van de ICH activering (3 minuten) geschrapt. Dit werd gedaan om redenen van samenhang van het document betreffende de methodologie en de bepaling van de reservevermogens, en niet betreffende de technische specificaties van het product. De bedoeling is echter geenszins deze vereiste uit de ICH contracten te schrappen, en dit, op zijn minst, zeker niet zonder voorafgaand overleg met alle marktpartijen. » III.2 Primair reservevermogen (R1) III.2.1 Methode ter bepaling van het primair reservevermogen
- De primaire regeling van de frequentie wordt in artikelen 236 tot 242 van het technisch reglement behandeld. Artikel 236, §2, van het technisch reglement preciseert dat de netbeheerder voor het bepalen van de technische specificaties betreffende de beschikbaarheid en de levering van het primair reservevermogen voor de primaire regeling Niet-vertrouwelijk 10/31 van de frequentie, rekening dient te houden met de aanbevelingen en regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen.
- Op het niveau van ENTSO-E werden de regels gedefinieerd voor de bepaling en de levering van het nodige primair reservevermogen. De toepassing door ENTSO-E van deze regels leidt tot een benodigd primair reservevermogen van 3.000 MW voor heel het ENTSOE-net, dat in staat is om een onevenwicht van 3.000 MW te compenseren. Elke regelzone dient, volgens deze regels, in de mate van haar aandeel in de totale elektriciteitsproductie binnen het ENTSO-E-net bij te dragen tot dit primair reservevermogen. In de loop van een jaar wordt de bijdrage voor het volgende jaar bepaald op basis van de netto-energie die respectievelijk door elke regelzone werd geproduceerd tijdens het voorgaande jaar. ELIA stelt voor deze regels ter bepaling van het primair reservevermogen voor de Belgische regelzone te volgen.
- De CREG stelt vast dat ELIA voldoet aan artikel 236, §2, van het technisch reglement, gezien de voorgestelde methode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de Europese verbindingsnetten regelen en met name de spelregels die door ENTSO-E werden opgesteld. Ze keurt deze methode dus goed. III.2.2 Bepaling van het primair reservevermogen
- Het aandeel van de Belgische regelzone in de totale primaire regeling voor 2016 binnen de ENTSO-E-zone wordt pas later in 2015 door ENTSO-E bepaald. Dit getal kan lichtjes verschillen van dat van 2015 (83 MW), maar zonder op heden te weten in welke mate. Daarom stelt ELIA voor om de door de ENTSO-E voor 2015 bepaalde waarde, van zodra deze gekend is, toe te passen.
- De CREG oordeelt dat deze handelswijze conform is aan de hierboven voorgestelde methode. Bovendien is het kennen in oktober-november 2015 van de weerhouden waarde geen probleem in die mate dat deze datum vroeger is dan de datum van de eerste maandelijkse veiling (in de loop van december 2015) tijdens dewelke het primair regelvermogen voor januari 2016 zal worden toegewezen.
- Om de flexibiliteit van het systeem ten volle te benutten, kan het voor België bepaalde primair regelvermogen (R1) bij drie verschillende bronnen worden gecontracteerd: bij productie-eenheden van het Belgische park zonder volumebeperking, bij de vraag (industrieklanten en aggregatoren) en bij buitenlandse leveranciers. Niet-vertrouwelijk 11/31 In het voorstel is het product, dat specifiek werd ontwikkeld voor de deelname van de vraag, asymmetrisch (in de zin van een vraagvermindering). Om de activering van de vraag voor de primaire regeling te beperken, is er een aanpassing van de technische voorwaarden voor deelname vereist, namelijk een activering voor een frequentie-afwijking van meer dan 100 mHz (dode band van 100 mHz) en een volledige deelname voor een frequentie-afwijking van 200 mHz. Dit type deelname moet worden vervolledigd door de asymmetrische deelname van andere bronnen voor een gelijkwaardig volume, in de zin van een productievermindering, en onder dezelfde technische activeringsvoorwaarden (band van 100 tot 200 mHz). Om een correcte respons te behouden van de regelzone in primaire regeling, moeten deze twee types van bronnen bovendien ook door een derde type bron worden aangevuld, met een symmetrische activering en zonder dode band, die haar deelname volledig ontwikkelt voor een frequentie-afwijking van 100 mHz. Op die manier dekt de zone afwijkingen tussen 0 en 200 mHz met een totaal volume van tweemaal het volume dat voor de deelname van de vraag is voorbehouden. Om die reden is de deelname van de vraag aan de asymmetrische primaire regeling in de zin van een daling van de vraag in de band van 100 tot 200 mHz beperkt tot 50% van het totale gecontracteerde primaire reservevolume. De rest van het primaire reservevermogen, met symmetrische activering binnen een band van 0-200 mHz, zal dan verworven worden via de Belgische bronnen of bronnen uit het buitenland, in de bovenvermelde maximale verhoudingen. Wanneer de primaire reserve geleverd wordt door bronnen in het buitenland, bepaalt Beleid 1 van het bedrijfshandboek van ENTSO-E dat de beperking van het volume dat door deze bronnen wordt geleverd, de verantwoordelijkheid is van de TNB op het net waaraan de bronnen die de buitenlandse leverancier gebruikt, zijn aangesloten.
- De CREG beseft dat door deze manier van werken, de R1 productiemiddelen in twee delen kunnen gesplitst worden, respectievelijk de middelen die geactiveerd kunnen worden binnen een marge van 0 tot 100 mHz en van 0 tot 200 mHz. Toch kon sinds 2013, dankzij de deelname van de vraag (en het complement momenteel geleverd door de nucleaire eenheden om een symmetrisch product te reconstrueren) en de middelen ingevoerd vanuit het buitenland, het volume waaraan moest voldaan worden door de symmetrische middelen in de Belgische regelzone worden beperkt en bijgevolg de liquiditeit van de markt van de R1-productie worden verhoogd, in een voorts ongewijzigde situatie. De impact op de globale prijs van de reservatie van de R1-reserve was beduidend gunstig. Niet-vertrouwelijk 12/31 III.3 Secundair (R2) en tertiair (R3) reservevermogen III.3.1 Methode ter bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen
- De secundaire regeling wordt behandeld in artikelen 243 tot 247 van het technisch reglement, en de tertiaire regeling in artikelen 249 tot 260 van datzelfde document.
- In bedrijf moet het systeem het hoofd bieden aan storingen met verschillende draagwijdte. Elk daarvan wordt opgevangen door een ander type van reserve. ELIA stelt dat het geheel van de secundaire en tertiaire reserves (R2+R3) wordt gebruikt om het hoofd te bieden aan veiligheidsproblemen. In deze optiek is de secundaire reserve (R2), die automatisch wordt geactiveerd, gebaseerd op een proportionele integrerende regelaar (PI) en wordt die gebruikt om de problemen in verband met de ACE binnen het kwartier te regelen. De tertiaire reserve (R3), die manueel wordt geactiveerd, vult de R2 dan aan van zodra het volume hiervan niet toereikend is. Ze bestaat uit incrementele en decrementele vrije biedingen bepaald in het CIPU-contract (ID bids), de op de productie-eenheden gecontracteerde reserve R3 (contracten R3-productie), de onderbreekbare afnames (contracten R3 ICH), op de geaggregeerde afnames en productie-eenheden aangesloten op de distributienetten (‘R3 dynamisch profiel’-contracten) en de tertiaire reserve alsbijstand tussen TNB’s (contracten voor R3-reserve inter-TNB). Wanneer een eenheid uitvalt, neemt de R2 deel aan de compensatie, zonder de totaliteit ervan alleen te verzekeren. In deze omstandigheden wordt ze aangevuld door de reserve R
- Het is dus het geheel van R2+R3 dat het onevenwicht als gevolg van het uitvallen van de eenheid compenseert. De reserve “R3 dynamisch profiel” (R3 DP) is een product ontwikkeld door ELIA, dat vanaf januari 2014 werd ingevoerd. Het is bedoeld om de flexibiliteit van het systeem te gaan zoeken daar waar het zich bevindt, en meer bepaald via aggregatoren, op het niveau van de “kleine” productie en van de vraag, aangesloten op de distributienetten. Het product staat ook open voor andere aanbieders die over de middelen beschikken die aan de kenmerken van het product beantwoorden. Om de deelname van de vraag aan het evenwicht van het systeem te bevorderen, zal dit product de concurrentie aangaan (op het niveau van de reservatie) met de R3 productie en de R3 op onderbreekbare afnames (R3 ICH). De beschrijving van het product en de kenmerken ervan vallen onder het voorstel over de werkingsregels van de markt in verband met de compensatie van de kwartieronevenwichten. De R2-reserve moet volledig kunnen “vrijgemaakt” worden (van 0 MW tot het maximum) in 7 en een half minuten, zodat ELIA binnen een kwartier kan overgaan van een activering van Niet-vertrouwelijk 13/31 het hele vermogen downward naar een activering van het hele vermogen upward, of omgekeerd. De R3-reserves moeten binnen het kwartier volledig kunnen worden "vrijgemaakt", behalve de R3 ICH die in 3 minuten moet kunnen worden vrijgemaakt.
- "Beleid 1" van het bedrijfshandboek van ENTSO-E introduceert verschillende soorten methodes voor het dimensioneren van de secundaire en de tertiaire reserves: - enerzijds een deterministische methode, bestemd om de controle te behouden bij het verlies van de grootste productie-eenheid, en bijgevolg gebaseerd op het criterium "N - 1", - anderzijds een probabilistische methode die steunt op een probabilistische evaluatie van het risico op een tekort aan reserves. De deterministische methode is wijdverspreid en vormde de grondslag van de methode die ELIA tot in 2010 gebruikte voor
- Deze methode leidt voor 2016 tot een te voorzien volume R2+R3 dat gelijk is aan de grootte van de grootste eenheid, hetzij momenteel 1.076 MW. De methode stuit echter op haar limieten wanneer men rekening moet houden met de almaar complexere problemen waarmee men te maken krijgt bij het bepalen van de secundaire en tertiaire reservevermogens. ELIA heeft bijgevolg in 2011 een nieuwe (voornamelijk) probabilistische methode ontwikkeld voor het bepalen van het secundair en tertiair reservevermogen in
- Conform de vraag van de CREG1 heeft ELIA in 2012 de methode van 2011 voor de bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen in 2013 vervolledigd door de probabilistische aanpak te finaliseren. Om de secundaire en tertiaire reserve-vermogens tot in 2015 te bepalen, heeft ELIA dezelfde methode gebruikt. Voor 2016 heeft ELIA enkele evoluties aan de methode aangebracht, in hoofdzaak op basis van de evolutie van het geïnstalleerde vermogen van de offshore windturbines. De grondslag van de methode bestaat dus in het bepalen van de reserves die toelaten het risico op een tekort aan reserve2 te beperken tot een vooraf bepaalde waarde (Pdef). Om het 1 Beslissing (B)110519-CDC-1056 betreffende de vraag tot goedkeuring van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2012, §
- 2 Met andere woorden, de probabiliteit dat de reserves onvoldoende zouden zijn om de beschouwde onevenwichten te dekken. Niet-vertrouwelijk 14/31 risico op een dergelijk tekort te evalueren convolueert3 de probabilistische methode de waarschijnlijkheidsverdeling van de oorzaken van het onevenwicht. De vergelijking van de resulterende curve en van een aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel Pdef laat toe het vereiste reservevolume te bepalen.
- Daar waar de R2 dient om ongewilde onevenwichten in een normale situatie te compenseren en om de grote onevenwichten in de zone gedeeltelijk te compenseren, laat de R3 enerzijds toe de R2 te desatureren tijdens langdurige activeringen, en anderzijds de R2 aan te vullen om het hoofd te bieden aan belangrijke onevenwichten in de zone. Doordat ze automatisch geactiveerd wordt en gebruikt wordt om ongewilde onevenwichten in een normale situatie te compenseren, streeft de R2 ernaar om een goede kwaliteit voor de regeling van de zone (ACE) binnen het kwartier te behouden. Het geheel R2+R3 wordt, met het oog op de compensatie van grote onevenwichten van lange duur, meer in het bijzonder rechtstreeks gekoppeld aan het behoud van de veiligheid van de zone. Om daarmee rekening te houden, bepaalt ELIA de behoeften aan R2+R3 op basis van de kwartieronevenwichten, terwijl ze de behoeften aan R2 bepaalt door zich te baseren op de volatiliteit van de kwartieronevenwichten, bepaald als de variatie van het kwartieronevenwicht tussen opeenvolgende kwartieren. De onevenwichten worden enerzijds veroorzaakt door onvoorziene gebeurtenissen en anderzijds door voorspellingsfouten. Afhankelijk van de beschouwde onevenwichtsbron, wordt de waarschijnlijkheidsverdeling bepaald aan de hand van hetzij tijdreeksen, hetzij gekende verdelingen afkomstig van probabilistische modellen. Het gebruik van tijdreeksen, als ze gekend zijn, heeft twee voordelen: de variatie tussen opeenvolgende kwartieren kan worden berekend en het laat toe om, door sommering, de correlatie tussen onevenwichtsbronnen in rekening te brengen. Naargelang het type van reserve waarvan ze het volume wil bepalen, gebruikt ELIA de probabilistische methode met verschillende waarden voor de parameters: - de voorspellingshorizon: de tijd die is verlopen tussen het ogenblik waarop de analyse wordt gemaakt en het begin van de onderzochte periode, 3 De convolutie is een wiskundige techniek voor de berekening van de kansdichtheid van een som van willekeurige onafhankelijke variabelen waarvan de individuele kansdichtheden bekend zijn. In het onderhavige geval, worden de onevenwichtsbronnen voorgesteld als willekeurige variabelen. Niet-vertrouwelijk 15/31 - de beschouwde periode: het aantal uren gedurende dewelke de methode de kans op pannes toepast, zodanig dat alle mogelijke combinaties van pannes van productie-eenheden in deze periode in rekening worden gebracht, - de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve (Pdef). Typisch kan de voorspellingshorizon kort zijn, enkele uren of dagen vooraf – om de reserves te ramen die de komende uren of dagen zullen nodig zijn – of lang - verscheidene maanden vooraf - zoals het geval is voor het huidige voorstel van ELIA. De voor de andere parameters aangenomen waarden worden verderop bij de toepassing van de methode op elk type van reserve, toegelicht.
- De door ELIA uitgewerkte methode bestaat uit verschillende stappen: - het bepalen van de nodige vermogens van R2+R3 voor het globale systeem, - het bepalen van de nodige vermogens van R2+R3 voor het standaardsysteem, - het bepalen van het vermogen van R2, - het bepalen van het vermogen van R
- ELIA voert een verschil in tussen R2+R3 voor het globale systeem en R2+R3 voor het standaardsysteem. De logica achter het onderscheid tussen globaal systeem en standaardsysteem steunt op de volgende vaststelling. Wanneer men de bron van onevenwichten beschouwt, ontstaat een belangrijk en zeer typisch deel ervan door de plotse onbeschikbaarheid van op het ELIAnetwerk aangesloten productie-eenheden. De structuur van het Belgisch productiepark laat toe een drempel van geïnstalleerd vermogen van productie-eenheden derwijze te bepalen dat alle geïnstalleerde vermogens die lager of gelijk aan deze drempel zijn zich bevinden in de portefeuille van meerdere ARP's, terwijl alle geïnstalleerde vermogens die deze drempel overschrijden deel uitmaken van de portefeuille van een enkele ARP. Dit heeft ertoe geleid te overwegen dat het risico verbonden aan de plotse onbeschikbaarheid van vermogens lager dan deze drempel, veroorzaakt door vermogens die deel uitmaken van portefeuilles van meerdere ARP's, op gesocialiseerde wijze moeten worden gedekt via door ELIA aangekochte reserves, terwijl het restrisico te wijten aan geïnstalleerd vermogen hoger dan deze drempel moet worden gedekt door reservevermogen ter beschikking gesteld door een enkele ARP die deze vermogens in portefeuille heeft. Niet-vertrouwelijk 16/31 Het begrip van globaal systeem is dus ingevoerd om de reserves te kunnen begroten die toelaten het geheel van de onevenwichts-risico's van het systeem te dekken. De in deze context bepaalde R2+R3 reserve is die welke het systeem in zijn geheel nodig heeft. De productie-eenheden worden er beschouwd met hun nominaal geïnstalleerd vermogen. Het begrip van standaardsysteem laat toe om voor de productie-eenheden enkel rekening te houden met het te mutualiseren deel van het te dekken risico, met andere woorden, dat voortvloeit uit het deel van het geïnstalleerd vermogen van productie-eenheden dat lager of gelijk is aan de hierboven bepaalde drempel, « grootte van de standaardeenheid » genoemd. Bij het bepalen van de reserves van het standaardsysteem wordt de grootte van de productie-eenheden beperkt tot deze van de standaardeenheid. De evolutie van het geïnstalleerd vermogen van de offshore windturbines en de correlatie tussen hun werkingen hebben ELIA ertoe geleid het offshore windenergie-vermogen als een enkele productie-eenheid te beschouwen bij het bepalen van de grootte van de standaardeenheid. Dit punt zal worden ontwikkeld in het hieronder volgende deel gewijd aan het bepalen van de reservevermogens. Voor het bepalen van de reservevermogens R2+R3 maakt ELIA gebruik van beide benaderingen, de deterministische en de probabilistische, waarbij het vanuit een conservatief standpunt het hoogste resultaat van beide benaderingen als te reserveren volume neemt. Om het volume van R2 te bepalen, maakt ELIA enkel gebruik van de probabilistische benadering, omdat de deterministische benadering in dit geval minder geschikt is. ELIA ontwikkelt bovendien in de probabilistische methode een dubbele verwoording om de reservevermogens te beschrijven: de reserve-behoeften en reserve-volumes. De reserve-behoeften zijn derwijze gedimensioneerd om in staat te zijn de onevenwichten van het systeem te kunnen dekken met een aangenomen waarschijnlijkheid van tekort, zonder onderscheid van de productkenmerken bepaald om deze te dekken noch van de beschikbaarheid van de vermogens die met dat doel zullen worden aangekocht. De reserve-volumes begroten op niveau van elk product de te contracteren reservevermogens om te voldoen aan de dimensioneringscriteria, rekening houdend met de productkenmerken en de beschikbaarheid van de gecontracteerde vermogens.
- De beschouwde oorzaken van onevenwicht voor de dimensionering van het geheel R2+R3 zijn die waarvan het effect langer duurt dan een kwartier: Niet-vertrouwelijk 17/31 - uitvallen van productie-eenheden, - de onbeschikbaarheden van het offshore windturbinepark bij stormweer, - de fout op de vooruitzichten inzake wind- en zonne-energieproductie, - de andere onevenwichten veroorzaakt door: o de fout op het afnamevooruitzicht, voor het deel dat niet gecompenseerd wordt door de ARP in intraday, o onvolkomenheden van de afnameopvolging door de productie, te wijten aan de uurlijkse tijdsintervallen van de beschikbare producten op de markt, o uitvallen op het niveau van de vraag, o grote schommelingen in de uitwisselingsprogramma’s met de naburige regelzones, o andere niet-identificeerbare onevenwichten veroorzaakt door de ARP’s, o het verschil tussen de compensatie van de verliezen en het verliesniveau op dat ogenblik. Als ze het vermogen R2+R3 voor het globale systeem beschouwt, houdt ELIA rekening met alle productie-eenheden. Beschouwt men het standaardsysteem, dan wordt rekening gehouden met de grote productie-eenheden voor een vermogen dat beperkt is tot de grootte van de standaardeenheid.
- Andere beschouwde oorzaken van onevenwicht voor de dimensionering van R2 zijn die waarvan het effect zich in de variatie tussen opeenvolgende kwartieren laat gevoelen: - de volatiliteit van de voorspellingsfout van wind- en zonne-energieproductie, - de volatiliteit van de andere onevenwichten veroorzaakt door: o de fout op het afnamevooruitzicht, voor het deel dat niet gecompenseerd wordt door de ARP in intraday, o onvolkomenheden van de afnameopvolging door de productie, te wijten aan de uurlijkse tijdsintervallen van de beschikbare producten op de markt, o uitvallen op het niveau van de vraag, o grote plotse schommelingen in de uitwisselingsprogramma’s met de naburige regelzones, o andere niet-identificeerbare onevenwichten veroorzaakt door de ARP’s, Niet-vertrouwelijk 18/31 o het verschil tussen de compensatie van de verliezen en het verliesniveau op dat ogenblik.
- De reserve R3 die ELIA moet verwerven om ze ter beschikking van de ARP’s te stellen wordt berekend als de nodige aanvulling bij R2 om de reserve R2+R3 van het standaardsysteem te bekomen.
- Wat de berekening van de reserve R2+R3 betreft, stelt de CREG vast dat ELIA, vanuit een conservatief standpunt, om alleen de R3 te bepalen, het gebruik van de probabilistische methode aanvult met dat van de klassieke deterministische methode "N-1". De CREG is van mening dat deze praktijk tegemoetkomt aan de bekommernis om de nodige reserve R3 niet te onderschatten, zolang de wind- en zonne-energiecapaciteiten geen doorslaggevende rol spelen in de dimensionering van deze reserves.
- Algemeen genomen stelt de CREG vast dat ELIA een methodologie heeft uitgewerkt die in de lijn ligt van die welke bedoeld wordt in "Beleid 1" van het bedrijfshandboek van ENTSO-E voor wat de secundaire en tertiaire reserve betreft. In dat opzicht voldoen de door ELIA voorgestelde methodes aan artikelen 244, § 2, en 250, § 2 van het technisch reglement. Bovendien laten ze toe rekening te houden met de doelstelling van de aan ELIA toevertrouwde opdrachten krachtens artikel 233 van het technisch reglement. Bovendien, zoals eerder vermeld in paragraaf 6 van eindbeslissing (B)140628-CDC-1328, is de CREG van mening dat de redenering dat de dekking van het risico dat voortkomt uit het verschil in het standaardsysteem en het globale systeem geheel voor rekening is van de ARP waarvan de portefeuille de bronnen bevat die hiervan oorzaak kunnen zijn, gerechtvaardigd is. De CREG is van mening dat de door ELIA voorgestelde methodes een dimensionering van het automatische secundaire regelvermogen en van het tertiaire regelvermogen mogelijk maken. Bijgevolg is de CREG van mening dat de door ELIA voorgestelde evaluatiemethodes aanvaardbaar zijn en keurt deze goed. De CREG herhaalt echter dat ze zich in de huidige beslissing niet over enig onevenwichtstarief uitspreekt. Niet-vertrouwelijk 19/31 III.3.2 Bepaling van het secundair en tertiair reservevermogen
- ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het secundair en tertiair reservevermogen R2+R
- De voornaamste parameters van het probabilistische model worden bepaald op basis van de volgende gegevens, waarover ELIA beschikte in januari
- - Voor 2016 stijgt het voorziene geïnstalleerde windenergievermogen van 698 MW in januari (206 MW offshore) tot 538 MW in december (120 MW offshore) ten opzichte van diezelfde maanden van 2014, die in de methode als referentie worden genomen (totale voorziene geïnstalleerde windenergie-vermogen in december 2016: 2.687 MW, waarvan 1.854 MW onshore en 833 MW offshore). - Voor 2016 stijgt het voorziene geïnstalleerde zonne-energievermogen van 557 MW in januari tot 530 MW in december ten opzichte van diezelfde maanden van 2014, die in de methode als referentie worden genomen (totale voorziene geïnstalleerde zonne-energievermogen in december 2016: 3.517 MW). - De voorspellingen gaan tot één jaar. - De beschouwde periode bedraagt 8 uur. - De waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel (Pdef) voor het tekort aan reserve is gebaseerd op het voorstel van ENTSO-E, namelijk 0,1%. Deze evaluatie ligt eveneens in de lijn van het doorgaans aanvaarde risico voor de bevoorrading van de TNB’s inzake reserve. De evaluatie van de oorzaken van onevenwicht is gesteund op volgende overwegingen: - Het percentage aan uitvallen van eenheden werd overgenomen uit een synthese, per type van centrale, van de informatie vervat in de logboeken van het nationale controlecentrum. - Het uitvallen van de offshore windenergie-productie bij stormweer wordt los van de pannes van andere productie-eenheden beschouwd. Gezien de geografische nabijheid van offshore windparken, bestaat er een grote gemeenschappelijke wijze van functioneren, wat, vanuit het standpunt van de willekeurige onderbrekingen, verantwoordt deze als een enkele bron te aanzien. De uitvalwaarden van de offshore windenergie-productie bij stormweer worden verkregen door convolutie van de kansverdelingen voor verschillende windsterkten. Hoewel vanuit het systeemstandpunt het uitvallen van de offshore Niet-vertrouwelijk 20/31 windenergie-productie als eenzelfde bron wordt beschouwd, wordt toch een onderscheid gemaakt tussen de verschillende uitvalsnelheden. - Voor het bijkomende geïnstalleerde vermogen ten opzichte van 2014 worden de voorspellingsfouten met betrekking tot de productie van windenergie en van zonne-energie afzonderlijk gemodelleerd, op basis van statistieken van voorspellingsfouten in day ahead en intraday voor elk type van bronnen. - Alle andere oorzaken van onevenwicht worden samen beoordeeld, op basis van de gegevens over residueel onevenwicht van het systeem in 2014 vastgesteld buiten de uren van uitvallen van bovenvermelde productie-eenheden; deze oorzaken van onevenwicht omvatten dus de voorspellingsfouten betreffende de vraag alsook betreffende de reeds in 2013 geïnstalleerde wind- en zonneenergieproductie. In 2012 heeft ELIA een gemiddeld residueel onevenwicht van het systeem vastgesteld gelijk aan 64 MW. In 2013 bedroeg dit gemiddeld residueel onevenwicht 41 MW, en 2,5 MW in
- ELIA heeft de oorzaken van dit residueel onevenwicht bestudeerd en benadrukt hoe moeilijk het voor de ARP’s is om het deel "afname" van hun portefeuille correct te analyseren. Door de verbetering van de incentives en de informatie die aan de leveranciers wordt overgemaakt, zou het onevenwicht van de portefeuille van de ARP’s moeten verminderen. ELIA heeft dus voor de dimensionering van de reserves het gemiddelde onevenwicht van het systeem in 2014 gecorrigeerd en teruggebracht tot een waarde van 0 MW. Tot op heden liet een grootte van standaardeenheid van 500 MW toe gestalte te geven aan het te socialiseren risico volgens sectie III.3.1 van het huidige document ontwikkelde methode. Deze grootte van 500 MW dekte het geheel van de eenheden van het productiepark vervat in de portefeuilles van meerdere ARP's, met inbegrip van de grootste STEG's en de eerste 500 MW van de grote nucleaire eenheden, wat ertoe leidde het overeenstemmende risico te socialiseren en het dekken van het risico veroorzaakt door het deel van het vermogen van elke kerneenheid boven 500 MW ten laste te leggen van de enkele ARP die de nucleaire eenheden in portefeuille heeft. Sindsdien heeft een analyse van het gedrag van offshore windparken toegelaten het bestaan aan te tonen van een belangrijke gemeenschappelijke productiemodus van verschillende offshore windparken, wat ertoe heeft geleid deze parken als eenzelfde productie-eenheid te beschouwen, en zo ook het uitvallen van de windparkproductie als het uitvallen van een enkele fictieve productie-eenheid te aanzien. Deze fictieve productie-eenheid bevindt zich Niet-vertrouwelijk 21/31 weliswaar in de portefeuille van verschillende ARP's, maar de redenering is hoofdzakelijk gebaseerd op het feit deze als een enkele eenheid te beschouwen op het vlak van ongeplande onbeschikbaarheden. Het geïnstalleerd vermogen dat tegen eind 2016 zal worden bereikt voor het geheel van de offshore windenergie-productie wordt thans geraamd op 833 MW. Dus bedraagt het niveau van geïnstalleerd vermogen dat in aanmerking moet worden genomen voor het mutualiseren van het risico dat kan ontstaan door het uitvallen van bronnen uit de portefeuille van verschillende ARP's, met inbegrip van de fictieve offshore windenergieproductie-eenheid, 833 MW, want dit niveau komt overeen met de kerneenheden en met de fictieve offshore windenergieproductie-eenheid vervat in de portefeuilles van verschillende ARP's. Het is dus die waarde van 833 MW die werd weerhouden als grootte van de standaardeenheid. Het risico waarvan het dekken ten laste wordt gelegd van de enkele ARP die de kerneenheden in portefeuille heeft is dus hetgene dat voortvloeit uit het deel van het vermogen van elke kerneenheid boven 833 MW.
- Door het toepassen van de goedgekeurde methode met de waarden van de parameters bepaald volgens de hierboven uiteengezette principes, komt ELIA tot een waarde van 1.203 MW secundair en tertiair reservevermogen (R2+R3) voor de behoeften van het globale systeem en 1.031 MW voor deze van het standaardsysteem. Daarbij dient genoteerd dat de volgens de probabilistische methode geschatte waarde van 1.203 MW voor het globale systeem groter is dan de schatting bekomen volgens de deterministische methode N-1, namelijk het nominale vermogen van de grootste machine: 1.076 MW. Het is dus het resultaat van de probabilistische methode dat als referentie zal genomen worden. De te mutualiseren waarde is die van het standaardsysteem, namelijk 1.031 MW. De rest van de behoeften, hetzij 172 MW beschikbaar aan 100%, moet worden gedekt door de ARP verantwoordelijk voor de injectie van de eenheden met een vermogen groter dan het vermogen van de standaardeenheid, thans de kerneenheden.
- De CREG hecht haar goedkeuring aan het door ELIA voor 2016 bepaalde secundair en tertiair reservevermogen, namelijk 1.031 MW met een beschikbaarheid van 100%. ELIA dient zeker te stellen dat de volumes die toelaten behoeften van 172 MW ten laste van de genoemde ARP wel degelijk permanent ter beschikking zijn in de portefeuille van de ARP verantwoordelijk voor de injectie van de eenheden met een vermogen groter dan het vermogen van de standaardeenheid. Niet-vertrouwelijk 22/31 III.3.3 Bepaling van het secundair reservevermogen
- ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van het secundair reservevermogen R2 voor
- De voornaamste parameters van het probabilistische model worden bepaald op basis van de volgende principes. - De beschouwde periode bedraagt 8 uur. - De aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve (Pdef) is gebaseerd op de in 2014 vastgestelde Pdef, hetzij 21%; deze waarde is aanzienlijk lager dan deze vastgesteld in de jaren voor 2014, daar deze rond 27% lag in de jaren 2010 tot 2013; dit is het gevolg van een aanzienlijke kwaliteitsverbetering van de regeling van de ACE; in het systeem van ENTSO-E wordt de kwaliteit van de regeling van de ACE gemeten door middel van indicatoren; de belangrijkste indicator waarop de evaluatie van de kwaliteit van de regeling steunt, is de standaardafwijking van de ACE (ACE), waarvan de waarde regelmatig en op gevoelige wijze is verminderd tussen 2011 en
- Deze verbeteringen vinden hun oorsprong in verschillende factoren; waaronder de vermindering van de onevenwichten van de ARP's als gevolg van de door ELIA getroffen maatregelen, en aan de invoering van een nieuwe tarifering van de onevenwichten, evenals aan het toenemende belang van de compensatie van de onevenwichten tussen regelzones binnen de IGCC. Voor 2016, hanteert ELIA voorzichtigheidshalve de Pdef waarde van de aanvaarde waarschijnlijkheidsdrempel voor het tekort aan reserve gelijk aan de in 2014 vastgestelde waarde (21%), volgens de overweging dat het niet zeker is dat de verbetering van de volatiliteit van de onevenwichten van het systeem (ACE) een structurele tendens weergeeft. - De intrakwartiervolatiliteit van de residuele fout van de relatieve voorspellingen, bij de productie van de geïnstalleerde wind- en zonne-energievermogens na 2014, wordt berekend op basis van het verschil van de residuele fouten van de voorspellingen inzake wind- en zonne-energieproductie tussen opeenvolgende kwartieren in de tijdreeksen gebruikt bij de dimensionering van de behoeften aan R2 + R3, met uitsluiting van het uitvallen van de offshore windenergie-productie bij storm. - De intrakwartiervolatiliteit van het residuele onevenwicht van het systeem wordt berekend op basis van het verschil van de residuele onevenwichten van het systeem tussen opeenvolgende kwartieren in de tijdreeksen gebruikt bij de Niet-vertrouwelijk 23/31 dimensionering van de behoeften aan R2 + R3, behalve het uitvallen van de productie-eenheden en dat van de offshore windenergie-productie bij stormweer.
- ELIA past de goedgekeurde methode toe met de waarden van de parameters bepaald volgens de hierboven uiteengezette principes. ELIA houdt eveneens rekening met de nieuwe oprichting van een secundaire day-ahead markt voor de R2, waardoor contractuele verplichtingen voor R2 kunnen worden overgedragen in day-ahead tussen diensten-leveranciers, zowel omwille van de onbeschikbaarheid van middelen als omwille van economische redenen. Het door ELIA bepaalde sanctioneringssysteem zet de ARP ook aan om de secundaire markt te gebruiken in geval van onbeschikbaarheid. ELIA neemt voor het R2-volume een waarde gelijk aan de R2-behoeften. Rekening houdend met deze elementen legt ELIA het volume secundair reservevermogen R2 dat nodig is om een hierboven aangenomen waarde van 21% te respecteren voor Pdef, vast op 140 MW.
- De CREG hecht haar goedkeuring aan de door ELIA bepaalde hoeveelheid secundair reservevermogen voor 2016, namelijk 140 MW aan 100% beschikbaarheid. III.3.4 Bepaling van het tertiair reservevermogen
- ELIA past de hierboven voorgestelde en goedgekeurde methode toe voor het bepalen van de behoefte aan tertiair reservevermogen R
- Zodoende berekent ze de behoefte aan tertiair reservevermogen R3 als het complement dat aan het hierboven bepaalde secundair reservevermogen R2 moet worden toegevoegd om het nodige reservevermogen R2+R3 te verkrijgen. Voor het door ELIA te reserveren gesocialiseerde deel dient het standaardsysteem en niet het globale systeem als referentie. Aldus, op basis van de behoefte aan 1.031 MW aan R2+R3 en 140 MW aan R2, bedraagt de behoefte aan R3 1.031-140 = 891 MW.
- Om de behoefte aan R2+R3 te bepalen, doet ELIA een beroep op een R3- portefeuille die bestaat uit de gecontracteerde vermogens in R3-productie, de R3 ICH, de R3 DP, en de R3 van de hulpcontracten tussen TNB's (hierna "inter-TNB" contracten). Noch de vrije biedingen (ID-bids van het CIPU-contract), noch de complementaire biedingen van de niet-contractuele R3 worden in aanmerking genomen, gezien de hoge onzekerheid van hun beschikbaarheid. Niet-vertrouwelijk 24/31 ELIA stelt voor om 770 MW R3-producten te contracteren voor 2016, verdeeld met beschouwing van de volgende vereisten: - minimum 300 MW R3-productie met een continue beschikbaarheid; - minimum 470 MW R3-productie en R3 DP met een continue beschikbaarheid; dit volume stemt overeen met maximaal 300 MW R3 ICH. Bovendien, gezien de goede beschikbaarheid van de inter-TNB contracten in 2014 (99,85% voor elk van beide contracten), kan ELIA tevens in uitzonderlijke omstandigheden beroep doen op 250 MW aan inter-TNB R
- Met de hierboven vermelde middelen voor de R2, R3 productie, de R3 DP en R3 ICH (en dus zonder de R3 inter-TNB), gekoppeld aan een realistische beschikbaarheid, kan niet worden voldaan aan de gekozen grenswaarde van Pdef van 0,1% voor de bepaling van het volume R2+R3 voor het standaardsysteem; ze komen in feite overeen met een Pdef waarde van 0,307%. Als men naast de bovengenoemde bronnen ook de inter-TNB reserve van 250 MW in rekening brengt, kan met het R2+R3 volume deze grenswaarde van Pdef worden gerespecteerd: dit stemt overeen met een Pdef waarde van 0,096%. De Pdef waarde van 0,1% wordt gehaald indien men de activering van de inter-TNB reserve beperkt tot 18 uur per jaar, wat ELIA als aanvaardbaar beschouwt, gezien bepaalde bronnen, zoals de vrije biedingen van het CIPU-contract, nog aan de bovengenoemde bronnen kunnen worden toegevoegd. ELIA verklaart dat de aldus voorgestelde volumes toereikend zijn voor
- De CREG keurt het voor 2016 te contracteren tertiair reservevermogen van 770 MW goed, met een minimum van 300 MW R3-productie met een beschikbaarheid van 100%, en een minimum van 470 MW met een beschikbaarheid van 100% te verdelen tussen R3productie en R3 DP, en hetgeen overblijft aan R3 ICH met een beschikbaarheid gelijk aan de in 2014 vastgestelde beschikbaarheid van de ICH. III.4 Aanvullende overwegingen van de CREG
- De CREG wenst, rekening houdend met het belang van de bepaling van de reservevermogens voor de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het transmissienet in de regelzone, in de huidige beslissing een aantal beschouwingen te maken Niet-vertrouwelijk 25/31 met het oog op het opstellen van een evaluatiemethode en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen in de toekomst.
- De CREG wenst dat ELIA haar in de toekomst blijft informeren door middel van een jaarlijks verslag over de beschikbaarheid en het gebruik van de reserve-vermogens, afschakelbare afnamen en inter-TNB reserves inbegrepen, ten behoeve van de Belgische regelzone. Ter illustratie van de vergelijkende analyse van de kwaliteit van de regeling in de verschillende regelzones in Europa, verzoekt de CREG ELIA nadrukkelijk er systematisch een kopie bij te voegen van de laatste vier kwartaalverslagen van de UCTE over het prestatievermogen van de primaire regeling en van de vermogensfrequentieregeling, of van elk officieel document dat dit verslag zou vervangen.
- Gezien ENTSO-E het door ENTSO-E voor de Belgische regelzone bepaald primair regelvermogen voor 2016 nog niet heeft berekend, verzoekt de CREG eveneens aan ELIA om deze waarde op haar website te publiceren van zodra ze er door ENTSO-E in kennis van zal worden gesteld.
- De CREG waardeert de recente verbeteringen die ELIA heeft doorgevoerd bij de terbeschikkingstelling van informatie waardoor de marktspelers beter kennis kunnen nemen van wat er gebeurt op systeemniveau en waardoor de ARP’s in het bijzonder hun eigen onevenwicht beter kennen. De CREG dringt bij ELIA erop aan om de informatie die beschikbaar is op haar website te blijven verbeteren, zowel wat de kwantiteit als de kwaliteit betreft.
- Aangezien de inter-TNB reserve een expliciet deel van de tertiaire reserve is, is het volgens de CREG belangrijk een goed zicht te hebben op de beschikbaarheid van deze reserve. De CREG blijft ELIA verzoeken om met de naburige TNB’s RTE en TenneT de uitwisseling van gegevens over de beschikbaarheid qua volume en de eraan verbonden prijzen van de inter-TNB reserves te formaliseren. De CREG wenst om de drie maanden door ELIA op de hoogte gebracht te worden van de gerealiseerde vorderingen ter zake, vooral van het contract met TenneT waarvoor ELIA momenteel niet systematisch over gedetailleerde beschikbaarheidsgegevens beschikt.
- De CREG stelt met tevredenheid de verhoging van de mogelijke deelname van de afnemers aan de reserves vast. Gezien de aangekondigde schaarsheid van de reservevermogens in België, moedigt de CREG ELIA aan om het verhogen van de deelname van de vraag aan de primaire, secundaire en tertiaire regeling verder te onderzoeken. Niet-vertrouwelijk 26/31 Inzake "vrije" (niet op jaarbasis gecontracteerde) biedingen op de afnames, vraagt de CREG ELIA ook om door te zetten, zelfs al is het aantal klanten dat aanvankelijk geïnteresseerd is in deze nieuwe dienst zeer beperkt.
- In de mate waarin het nodig is om flexibiliteit te zoeken waar ze zich bevindt, onder meer in het verbruik van kleinere afnemers die minder grote volumes verbruiken dan de grote industriële klanten, moedigt de CREG ELIA aan om te blijven samenwerken met de aggregatoren en de distributienetbeheerders bij het op punt stellen van nieuwe producten waardoor kleine afnemers en kleine producenten (inclusief zij aangesloten op de netwerken van de DNB’s) zo vlug mogelijk kunnen deelnemen aan de primaire, secundaire en tertiaire reserves, met name door het gebruik van secundaire meters (submetering) en dit volgens hun technische mogelijkheden.
- De CREG waardeert ook de flexibiliteit van de door ELIA ontwikkelde methode, die het mogelijk maakt rekening te houden met de weerslag van de ontwikkelingen van het Belgische elektriciteitssysteem, zoals de aanzienlijke stijging van de geïnstalleerde capaciteit van de offshore windenergie-productie. Het beschouwt echter dat de methode op enkele punten nog moet worden verbeterd. Een eerste punt betreft de methode ter bepaling van het secundair reservevermogen. Voor het geheel van R2+R3, heeft de Pdef tot op heden een onveranderlijke waarde, op conventionele manier vastgelegd om de veiligheidsvereisten van het systeem te voldoen. Voor de R2 alleen, is het verband tussen de kwaliteit van de gewenste regeling, de waarde van de indicatoren die toelaten deze te bepalen en de Pdef waarde niet zo sterk. Men stelt inderdaad vast dat sinds 2012 de volatiliteit van de ACE lager is dan de door ENTSO-E bepaalde drempelwaarde, en constant blijft dalen. Zo ook wat betreft de indicatoren 90 sinds 2012 en 99 sinds 2013, die toelaten de verdeling van de onevenwichten van de regelzone te kenmerken. Als men begrip kan tonen voor de voorzichtigheid gelet op het a priori niet structurele karakter van de verbetering van deze indicatoren, begint hun aanhoudende verbetering over meerdere jaren het teken te worden van een tendens waarmee voortaan rekening zou moeten worden gehouden. De CREG vraagt dus aan ELIA om op eenduidige wijze het verband te bepalen tussen de Pdef waarde, de waarde van de ENTSO-E indicatoren en de regelkwaliteit in het volgende voorstel betreffende de reserves voor 2017, om er zodoende rekening mee te kunnen houden bij de toepassing van de methode op een even strikte manier als voor het bepalen van de R2+R3 vermogens. Niet-vertrouwelijk 27/31 Een tweede punt betreft het in aanmerking nemen van de R2 onbeschikbaarheden in de methode ter bepaling van het secundair regelvermogen. De CREG vraagt eveneens aan ELIA om op dit vlak verbeteringen aan te brengen in het volgende voorstel betreffende de reserves voor
- Een derde punt betreft het aantal activeringsuren van de R3 DP en R3 ICH producten. Bij de huidige toepassing van de methode ter bepaling van de R3 volumes, wordt het aantal uren waarbij er beroep gedaan wordt op inter-TNB contracten beoordeeld ex post om na te gaan of dit voor ELIA aanvaardbaar blijft. De CREG vraagt aan ELIA om op dezelfde wijze te handelen voor de activering van R3 DP en R3 ICH producten in het volgende voorstel betreffende de reserves voor 2017, om na te gaan of deze producten gemiddeld niet meer zijn ingeroepen dan hun contractueel maximum aantal activeringsuren het toelaat, en zo nodig de maatregelen te treffen om dergelijke situaties te vermijden. Een vierde zorgpunt betreft de invloed van het plots optreden van grote voorspellingsfouten van zonne-energieproductie op de reservebehoefte en de beschrijving van het systeem en de standaardeenheden. De CREG vraagt ELIA deze invloed te onderzoeken en indien nodig de methode voor het bepalen van de reservevermogens en de toepassing ervan voor 2017 aan te passen, zoals ook is gebeurd voor de offshore windenergie-productie in het kader van de reserves voor
- De afschakelbare afnamen blijken daadwerkelijk te zijn geactiveerd in
- De CREG steunt deze praktijk. De CREG blijft de mening toegedaan dat deze reserves toch minstens eenmaal per jaar moeten geactiveerd worden wanneer de activering van tertiaire reserves nodig is. Ze meent dat hierdoor hun werkelijke beschikbaarheid en reactiesnelheid getest wordt. Op deze manier groeit de ervaring van ELIA en de betrokken industriële afnemers met betrekking tot de activering van de onderbreekbare reserves. Om die reden vraagt de CREG dat elke onderbreekbare afname in 2015 minstens eenmaal zou geactiveerd worden. Dezelfde vraag is van toepassing op het product R3 DP in
- Gezien het belang van het overleg met alle betrokken marktpartijen bij de evolutie van het design van de producten en de werkingsregels van de markt voor de reserves en voor de compensatie van de kwartieronevenwichten, moedigt de CREG ELIA aan om dit overleg zo vlug mogelijk te hervatten, bijvoorbeeld vanaf het einde van de zomer van 2015, om ervoor te zorgen dat er voldoende tijd voor dit overleg wordt uitgetrokken, zodat het voorstel van ELIA voor de periode na 2016 tijdig kan worden afgerond. Niet-vertrouwelijk 28/31 IV. BESLISSING Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende het technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe. Gelet op het voorstel betreffende de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2016, dat door ELIA op 29 mei 2015 via de brieven van 29 mei 2015 en 3 juni 2015 aan de CREG ter goedkeuring werd overgemaakt. Gelet op de resultaten van de raadpleging die de CREG vanaf 19 juni 2015 heeft georganiseerd over haar ontwerpbeslissing. Overwegende dat de NV ELIA SYSTEM OPERATOR haar voorstel heeft ingediend voor het jaar
- Overwegende de analyse van de reacties op de raadpleging die door de CREG werd georganiseerd, uitgevoerd onder deel II van onderhavige beslissing. Overwegende dat de evaluatiemethode voor de bepaling van het primair reservevermogen steunt op artikel 236, §2, van het technisch reglement en onder meer op de toepassing van regels die de interoperabiliteit van de gekoppelde Europese netten regelen; Overwegende dat de evaluatiemethode ontwikkeld voor de bepaling van het secundair reservevermogen steunt op artikel 244, §2, van het technisch reglement en aanvaardbaar is op basis van de elementen aangehaald in paragraaf 33; Overwegende dat de evaluatiemethode ontwikkeld voor de bepaling van het tertiair reservevermogen steunt op artikel 250, §2, van het technisch reglement en aanvaardbaar is op basis van de elementen aangehaald in paragraaf 33; Overwegende dat de voorgestelde evaluatiemethodes correct werden toegepast bij de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor 2016; Heeft de CREG besloten, in het raam van de opdracht die haar werd toevertrouwd door artikel 233 van het technisch reglement, de evaluatiemethode voor het primair, secundair en tertiair reservevermogen en haar toepassing voor 2016 goed te keuren. Ze vestigt echter de aandacht van ELIA op de « bijkomende overwegingen » vermeld onder titel III.4 van de huidige beslissing. Niet-vertrouwelijk 29/31 De huidige beslissing spreekt zich niet uit over de prijzen, noch over de tarifaire aspecten met betrekking tot deze materie. Deze punten zullen het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tarifaire beslissing van de CREG. Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Andreas TIREZ Directeur Marie-Pierre FAUCONNIER Voorzitster van het Directiecomité Niet-vertrouwelijk 30/31 Raadpleging Overeenkomstig haar huishoudelijk reglement, heeft de CREG een raadpleging over een ontwerpbeslissing van de CREG georganiseerd met betrekking tot een voorstel van Elia. Deze ontwerpbeslissing betreft de vraag tot goedkeuring van het voorstel van de evaluatiemethode voor en de bepaling van het primair, secundair en tertiair reservevermogen voor
- Teksten van de ontwerpbeslissing waarop de raadpleging betrekking had : - De ontwerpbeslissing Het voorstel van Elia waarop de ontwerpbeslissing betrekking had : - De brief van Elia van 29 mei 2015 - De brief van Elia van 3 juni 2015 - De brief van Elia van 12 juni 2015 (enkel in het Frans) - Voorstel van Elia in normale versie (enkel in het Frans) Bijgevoegde documenten ter informatie: - Voorstel van Elia in track changes versie (enkel in het Frans) Ontvangen antwoord: - van FEBEG. Niet-vertrouwelijk 31/31