← België

Eindbeslissing over het vastleggen van de elementen ter bepaling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten uitgereikt voor de elektriciteit

Niet-vertrouwelijk Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel Tel.: 02/289.76.11 Fax: 02/289.76.09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS EINDBESLISSING (B)160719-CDC-1541 over “het vastleggen van de elementen ter bepaling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten uitgereikt voor de elektriciteit geproduceerd door de installaties in de domeinconcessie van Rentel ” genomen met toepassing van artikel 14, §1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen 19 juli 2016 INHOUDSOPGAVE I. INLEIDING ................................................................................................................... 3 II. WETTELIJK KADER .................................................................................................... 4 II.1 Nationale wetgeving ................................................................................................ 4 II.2 Europese regelgeving .............................................................................................. 7 III. ANTECEDENTEN ........................................................................................................ 8 IV. RAADPLEGING ..........................................................................................................11 V. DE WERKELIJKE EXPLOITATIEKOST ......................................................................15 V.1 Onderzoek van de werkelijke exploitatiekost...........................................................15 V.2 Bepaling van de LCOE die van toepassing is op Rentel .........................................16 VI. BEPALING VAN DE CORRECTIEFACTOR ................................................................20 VI.1 Toepassing van het wettelijk kader .........................................................................20 VI.2 Contract voor de aankoop van elektriciteit ..............................................................21 VI.3 Bepalen correctiefactor ...........................................................................................27 VII. OPSCHORTENDE VOORWAARDE ...........................................................................29 VIII. CONCLUSIE ...............................................................................................................31 Niet-vertrouwelijk 2/32 I. INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) onderzoekt hierna de door Rentel NV voorgelegde raming van de exploitatiekosten op basis van artikel 14, §1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen (hierna: het koninklijk besluit van 16 juli 2002). Daarnaast onderzoekt de CREG, op basis van artikel 14, §1ter, van het koninklijk besluit van 14 juli 2002 of er een verschil is tussen de gecontracteerde verkoopprijs voor elektriciteit en een gemiddelde nominale prijs gelijk aan 90% van de elektriciteitsreferentieprijs. Op basis van haar onderzoek bepaalt de CREG de LCOE en de correctiefactor die van toepassing zijn voor de bepaling van de minimumprijs van de groenestroomcertificaten voor de elektriciteit geproduceerd door de offshore windmolens gelegen in de domeinconcessie van Rentel. Deze eindbeslissing werd door het Directiecomité van de CREG tijdens zijn vergadering van 19 juli 2016 goedgekeurd. Niet-vertrouwelijk 3/32 II. WETTELIJK KADER II.1 Nationale wetgeving

  1. Artikel 7, § 1, 1e lid van de elektriciteitswet bepaalt het volgende: “Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, kan de Koning : 1° maatregelen van marktorganisatie vaststellen, waaronder de instelling van een door de commissie beheerd systeem voor de toekenning van certificaten van oorsprongsgarantie en van groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd overeenkomstig artikel 6, evenals het opleggen van een verplichting aan de netbeheerder om groenestroomcertificaten afgeleverd door de federale en gewestelijke overheden aan te kopen tegen een minimumprijs en te verkopen, teneinde de afzet op de markt te verzekeren, tegen een minimumprijs, van een minimumvolume elektriciteit geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen. […]"
  2. Artikel 7, §1 van de elektriciteitswet werd uitgevoerd door het koninklijk besluit van 16 juli
  3. Dit koninklijk besluit werd laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 4 april
  4. Artikel 14, §1, 2de lid, 1°bis van koninklijk besluit van 16 juli 2002 luidt als volgt: “Voor offshore windenergie geproduceerd door installaties die het voorwerp uitmaken van een in artikel 6 van de wet bedoelde domeinconcessie, waarvan de financial close na 1 mei 2014 plaatsvindt, een minimumprijs vastgelegd aan de hand van de volgende formule: Minimumprijs = LCOE – [elektriciteitsreferentieprijs – correctiefactor] waarin:
  5. - de LCOE gelijk is aan 138,00 EUR/MWh; - de correctiefactor is gelijk aan 10 % van de elektriciteitsreferentieprijs.” Artikel 14, §1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 legt volgende procedure vast voor de aanpassing van de elementen die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de minimumprijs per domeinconcessie: “De waarden van de elementen die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de minimumprijs vastgelegd conform §1, tweede lid, 1°bis, worden voor elke domeinconcessie door de commissie gewijzigd conform de bepalingen van deze paragraaf zonder terugwerkende kracht. De wijziging kan betrekking hebben op: 1° het bedrag van de LCOE, in voorkomend geval verhoogd met toepassing van §1quater, zodat deze de werkelijke exploitatiekost weerspiegelt, 2° de correctiefactor Niet-vertrouwelijk 4/32 De houder van de domeinconcessie maakt op volgende tijdstippen: 1° de eerste maal ten laatste vier maanden voor de voorziene datum van financial close; 2° later, ten laatste vier maanden voor het einde van elke periode van 3 jaar die ingaat op de datum van de financial close, alle informatie over aan de commissie, per drager met ontvangstbevestiging en elektronisch, met betrekking tot het geheel van werkelijke kosten en inkomsten waaronder de volgende elementen: 1° de gecontracteerde kosten voor de exploitatie van het windmolenpark; 2° de gecontracteerde verkoop van de door de installaties opgewekte elektriciteit. Binnen één maand na de ontvangst van de gegevens, bevestigt de commissie aan de domeinconcessiehouder de volledigheid van de gegevens of bezorgt zij hem een lijst van bijkomende inlichtingen die hij moet verstrekken. De commissie onderzoekt binnen de 2 maanden na de bevestiging van de volledigheid van de gegevens of er een verschil is tussen: - de gecontracteerde exploitatiekosten en een referentie-exploitatiekost van 30,00 EUR/MWh; - de gecontracteerde verkoopprijs voor elektriciteit en een gemiddelde nominale prijs gelijk aan 90% van de elektriciteitsreferentieprijs. Indien de commissie een verschil vaststelt past de commissie binnen de 10 werkdagen de minimumprijs, voor de aankoop van groenestroomcertificaten, vastgelegd conform §1, tweede lid, 1°bis aan.”
  6. Artikel 14, §1quater luidt als volgt: “§1quater. Wanneer de installaties het voorwerp uitmaken van een in artikel 6 van de in de wet bedoelde domeinconcessie, waarvan de financial close plaatsvindt na 1 mei 2014, dan wordt de minimumprijs vastgelegd conform § 1, tweede lid, 1°bis, vermeerderd met een door de commissie vastgelegd bedrag bestemd voor de dekking van alle kosten van de onderzeese kabel, alsook de aansluitingsinstallaties, op basis van de offerte of de offertes die de domeinconcessiehouder in aanmerking neemt conform de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006."
  7. Tot slot bepaalt artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet het volgende: "§
  8. Voor de installaties bedoeld in § 2 [i.e. “nieuwe installaties voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht] wordt voor elke tijdseenheid de productieafwijking bepaald (in kW). De commissie legt, op voorstel van de netbeheerder, de berekeningsmodaliteiten van de productieafwijking vast met inbegrip van de wijze waarop de meerkost in de tarieven van de netbeheerder wordt geïntegreerd en op voorstel van de commissie met inbegrip van de wijze waarop de meerkost in de tarieven van de netbeheerder wordt geïntegreerd, rekening houdend met volgende bepalingen : 1° de hoeveelheid energie die overeenkomt met een positieve procentuele productieafwijking lager dan of gelijk aan 30 % wordt door de netbeheerder aangekocht aan de marktreferentieprijs, verminderd met 10 % [1 wanneer de Niet-vertrouwelijk 5/32 marktreferentieprijs positief is of is toegenomen met 10 % wanneer de referentieprijs van de markt negatief is]; 2° de hoeveelheid energie die overeenkomt met een negatieve procentuele productieafwijking waarvan de absolute waarde lager is dan of gelijk is aan 30 % wordt door de netbeheerder bijgeleverd aan de concessionaris aan de marktreferentieprijs, verhoogd met 10 % [1 wanneer de marktreferentieprijs positief is of is verminderd met 10 % wanneer de referentieprijs van de markt negatief is]; 3° de hoeveelheid energie die overeenkomt met de procentuele productieafwijking waarvan de absolute waarde 30 % overschrijdt wordt verrekend op basis van het tarief van de netbeheerder voor de compensatie van de onevenwichten, of, in voorkomend geval, overeenkomstig de marktvoorwaarden voor onbalansenergie."
  9. Via het koninklijk besluit van 30 maart 2009 betreffende productieafwijkingen op installaties voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden werd uitvoering gegeven aan deze bepaling, voor de wijziging van de wet van 8 oktober
  10. Sinds de inwerkingtreding van de wet op 8 januari 2012 is de CREG bevoegd voor de vastlegging van de berekeningsmodaliteiten van de productieafwijking in de zin van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet; ze heeft daarover wel geen beslissing genomen en het koninklijk besluit van 30 maart 2009 werd evenmin opgeheven.
  11. In de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd een wetsontwerp1 tot wijziging van de elektriciteitswet goedgekeurd op 14 juli 2016, waarbij onder andere het voormelde artikel 7, §3 van de elektriciteitswet werd opgeheven. De inhoud van dit ontwerp, waaronder de opheffing van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet, maakte voorwerp uit van de notificatie aan de Europese Commissie zoals bedoeld in randnummer 20 van onderhavige beslissing. 1 Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt wat betreft de wijziging van het systeem voor de toekenning van groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd overeenkomstig artikel 6 van de elektriciteitswet, de financiering van de onderzeese kabel en de productieafwijking, Parl. Doc., Kamer, zit. 2015-2016, nr 54 1911/
  12. Niet-vertrouwelijk 6/32 II.2 Europese regelgeving
  13. Artikel 107, § 1 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna "het VWEU”) bepaalt het volgende: "Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt." Artikel 108, § 3 van het VWEU bepaalt dan weer het volgende: "De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk voornemen volgens artikel 107 onverenigbaar is met de interne markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid." Deze bepaling bevat de regel die meestal de standstill verplichting wordt genoemd. Onder "inwerkingtreding" moet niet enkel de effectieve betaling van de steun worden verstaan, maar ook het moment waarop het recht op de steun wordt toegekend krachtens de nationale wetgeving. Als de lidstaat deze verplichting niet nakomt, zal de toegekende steun - namelijk de beslissing om steun toe te kennen - als onwettig worden beschouwd. Elke overheid van de lidstaat dient deze verplichting na te leven. De CREG dient als administratieve overheid – ook al is ze onafhankelijk – de standstill regel na te leven. Niet-vertrouwelijk 7/32 III. ANTECEDENTEN
  14. Het koninklijk besluit van 16 juli 2002 werd aangepast door het koninklijk besluit van 4 april 2014 houdende de wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, waarbij een variabel ondersteuningsmechanisme op basis van de LCOE werd ingevoerd voor nieuwe offshore windmolenparken.
  15. De Ministerraad heeft op 20 november 2015 een beslissing genomen ter herziening van het mechanisme voor de ondersteuning van de offshore elektriciteitsproductie. De wettelijke en reglementaire wijzigingen ten gevolge van deze beslissing zijn tot op heden niet doorgevoerd, van kracht noch uitgevoerd.
  16. Op 4 maart 2016 werd de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, § 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) door de Belgische Staat, onder de vorm van een voorafgaande kennisgeving, ingelicht over de aanpassing van het ondersteuningsmechanisme evenals van de toepassing van dit mechanisme, met name op het toekomstige offshore park van Rentel.
  17. Op 15 april 2016 heeft Rentel een aanvraagdossier, dd. 14 april 2016, ingediend bij de CREG om de waarden vast te leggen die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de minimumprijs per groenestroomcertificaat, overeenkomstig de bepalingen in artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli
  18. Het aanvraagdossier bestaat uit enerzijds een dossier m.b.t. de exploitatiekosten en anderzijds een dossier m.b.t. het contract voor de verkoop van de geproduceerde elektriciteit en de bijhorende correctiefactor.
  19. Op 28 april 2016 ontving de CREG per e-mail de elektronische versie van het aanvraagdossier dat Rentel op 15 april 2016 bij de CREG indiende.
  20. Op 12 mei 2016 heeft de CREG aan Rentel bijkomende informatie opgevraagd.
  21. Op 19 mei 2016 ontving de CREG van Rentel bijkomende informatie in antwoord op haar vraag van 12 mei
  22. Op 26 mei 2016 maakte Rentel op eigen initiatief aanvullende documenten met betrekking tot het aanvraagdossier over aan de CREG.
  23. Op 9 juni 2016 heeft de CREG via een schrijven aan Rentel laten weten dat het aanvraagdossier volledig is. Niet-vertrouwelijk 8/32
  24. De Ministerraad heeft op 9 juni 2016 opnieuw een beslissing genomen ter herziening van het mechanisme voor de ondersteuning van de offshore elektriciteitsproductie. De wettelijke en reglementaire wijzigingen ten gevolge van deze beslissing zijn tot op heden niet doorgevoerd, van kracht noch uitgevoerd.
  25. Op 16 juni 2016 heeft de Belgische Staat het nieuwe ondersteuningsmechanisme zoals beslist door de Ministerraad van 9 juni 2016 evenals de toepassing van dit mechanisme, met name op het toekomstige offshore park van Rentel, overeenkomstig artikel 108, § 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) aangemeld bij de Europese Commissie.
  26. Op 27 en 28 juni 2016 heeft de CREG verdere verduidelijkingen gevraagd aan Rentel aangaande het ingediende dossier.
  27. Op 28 juni 2016 heeft de CREG een schrijven van Rentel ontvangen waarin zij afstand doet van bepaalde rechten die zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 16 juli
  28. In haar schrijven stelt Rentel het volgende: “Dit betekent dus concreet dat Rentel met betrekking tot de dossiers ingediend bij de CREG op 15 april 2016 en aangevuld op 19 en 26 mei 2016 verzaakt aan: Enig LCOE bedrag boven het bevestigde bedrag van 129,80 EUR/MWh (berekend over een periode van 20 jaar) (zonder afbreuk te doen aan het bedrag van 12,00 EUR/MWh voor het variabel gedeelte van de steun voor de onderzeese kabel, en zonder afbreuk te doen aan het mechanisme van de herziening –zie verder); De aankoopverplichting van groenestroomcertificaten tijdens het twintigste jaar (met andere woorden: de aankoopverplichting geldt voor 19 jaar); De driejaarlijkse herziening van de LCOE in functie van de werkelijke exploitatiekost (OPEX), en dat Rentel de jaarlijkse herziening van de correctiefactor (in plaats van de driejaarlijkse herziening) aanvaardt.”
  29. Op 28 en 29 juni 2016 heeft Rentel geantwoord op de vraag naar verduidelijkingen die de CREG stelde op 27 en 28 juni
  30. Ontwerpbeslissing (B)160630-CDC-1541 over “het vastleggen van de elementen ter bepaling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten uitgereikt voor de elektriciteit geproduceerd door de installaties in de domeinconcessie van Rentel” werd goedgekeurd door de CREG tijdens het directiecomité van 30 juni
  31. Niet-vertrouwelijk 9/32
  32. Het directiecomité van de CREG besliste, op grond van artikel 23, § 1, van zijn huishoudelijk reglement, in het kader van de eindbeslissing over dit dossier, om met toepassing van artikel 40, eerste lid, 1°, en tweede lid, van zijn huishoudelijk reglement, geen openbare raadpleging over deze ontwerpbeslissing te organiseren gelet op de hoeveelheid vertrouwelijke informatie die het dossier en de ontwerpbeslissing bevatten, doch wel een nietopenbare raadpleging van Rentel vanaf 1 juli 2016 (middernacht) tot en met 8 juli 2016 (middernacht).
  33. De CREG heeft op 4 juli 2016 per e-mail en op 5 juli 2016 per drager de opmerkingen over de ontwerpbeslissing van Rentel ontvangen.
  34. Op 5 juli 2016 heeft de CREG per e-mail aan Rentel verduidelijkingen gevraagd over de reactie van Rentel op de ontwerpbeslissing van de CREG.
  35. Op 6 juli 2016 ontving de CREG van Rentel een reactie op haar vraag naar verduidelijkingen.
  36. Op 15 juli 2016 heeft de CREG aan Rentel gevraagd om haar een bewijs over te maken waaruit de goedkeuring van de Raad van Bestuur blijkt met betrekking tot de verzakingsbrief van 28 juni
  37. Op 18 juli 2016 ontving de CREG van Rentel een uittreksel uit de notulen van de Raad van Bestuur, waarin deze het mandaat verleent aan de CEO van Rentel om de verzakingsbrief over te maken aan de CREG. Niet-vertrouwelijk 10/32 IV. RAADPLEGING
  38. Artikel 40, 1ste lid van het huishoudelijk reglement van de CREG bepaalt dat het directiecomité van de CREG geen openbare raadpleging zal organiseren, meer bepaald indien het ontwerp van beslissing "in die mate vertrouwelijke informatie bevat dat een openbare raadpleging over de resterende elementen onmogelijk of nutteloos voorkomt". In dat geval (art. 40, 2e lid) "kan het directiecomité nog wel beslissen tot een niet-openbare raadpleging, in het bijzonder van diegene van wie het voorstel ter goedkeuring door het directiecomité uitgaat. Het directiecomité zal daartoe overgaan indien de betrokken persoon of personen nog niet de mogelijkheid heeft/hebben gehad zijn/hun opmerkingen te laten gelden in het kader van de voorgenomen beslissing".
  39. Het Directiecomité kon in casu enkel vaststellen dat de ontwerpbeslissing voornamelijk was gebaseerd op gegevens die betrekking hebben op offertes die Rentel heeft ontvangen en dat deze gegevens commercieel gevoelig en bijgevolg vertrouwelijk waren. Een openbare raadpleging over een niet-vertrouwelijke versie van de ontwerpbeslissing zou de marktspelers niet toegelaten hebben om zich op nuttige wijze uit te spreken over het ontwerp rekening houdend met de grote hoeveelheid informatie die in de niet-vertrouwelijke versie had moeten verborgen worden. Bijgevolg kon een openbare raadpleging, conform artikel 40, 1e lid, 1° in casu niet worden overwogen.
  40. Het Directiecomité moest eveneens vaststellen dat het bedrag van de LCOE, dat in de ontwerpbeslissing was opgenomen en het gevolg was van de verzaking die Rentel aan de CREG had meegedeeld, het resultaat was van een akkoord tussen de vertegenwoordigers van de federale regering en Rentel, zoals het gevolg was van de beslissing van de ministerraad van 9 juni
  41. Over dit bedrag wenste de CREG geen openbare raadpleging te houden. Bij een (al dan niet openbare) raadpleging wordt immers verondersteld dat de geraadpleegde personen hun advies over het ontwerp kunnen geven en dat ze ook een wijziging van het ontwerp kunnen voorstellen en in voorkomend geval ook kunnen verkrijgen. In casu moest het Directiecomité het volgende vaststellen. Niet-vertrouwelijk 11/32 Enerzijds kon de wijziging van de LCOE als gevolg van het voormelde akkoord niet worden overwogen en zou deze wijziging in elk geval niet vallen binnen de bevoegdheden van de CREG, maar wel binnen de bevoegdheden van de bevoegde ministers die met het akkoord van Rentel handelen. Anderzijds was het niet de taak van de CREG om een openbare raadpleging te organiseren over de beslissingen van de federale regering.
  42. Het directiecomité van de CREG besliste, op grond van artikel 23, §1, van zijn huishoudelijk reglement, in het kader van de eindbeslissing over dit dossier, om met toepassing van artikel 40, eerste lid, 1°, en tweede lid, van zijn huishoudelijk reglement, geen openbare raadpleging over deze ontwerpbeslissing te organiseren gelet op de hoeveelheid vertrouwelijke informatie die het dossier en de ontwerpbeslissing bevatten, doch wel een nietopenbare raadpleging van Rentel vanaf 1 juli 2016 (middernacht) tot en met 8 juli 2016 (middernacht).
  43. De CREG heeft op 4 juli 2016 de reactie van Rentel ontvangen. In haar reactie formuleert Rentel opmerkingen bij 6 randnummers.
  44. De eerste opmerking heeft betrekking op de verwijzing naar de [vertrouwelijk] in de randnummers 50 en 62 van de ontwerpbeslissing [randnummers 64 en 76 van deze eindbeslissing]. Volgens Rentel is deze informatie strikt confidentieel en stelt dan ook voor randnummer 50 te schrappen en randnummer 62 te herformuleren. De betrokken randnummers geven op een correcte manier weer hoe een gedeelte van het aanbestedingsproces voor de verkoop van elektriciteit verlopen is. Het schrappen of een inhoudelijke aanpassing van deze randnummers ten behoeve van het vrijwaren van de vertrouwelijkheid kan de CREG niet aanvaarden. In het kader van elke publicatie ziet het Directiecomité van de CREG erop toe dat geen vertrouwelijke informatie wordt verspreid. Het Directiecomité van de CREG zal Rentel, met het oog op de publicatie van de eindbeslissing, de mogelijkheid geven om in een schriftelijke verklaring nauwkeurig en ondubbelzinnig aan te geven of de eindbeslissing vertrouwelijke informatie bevat en over welke informatie het gaat. Bijgevolg weerhoudt de CREG deze opmerking niet.
  45. Bij randnummer 55 van de ontwerpbeslissing [randnummer 69 van deze eindbeslissing] merkt Rentel op dat [vertrouwelijk]. Rentel stelt daarom voor om de formulering in randnummer 55 licht aan te passen als volgt: Niet-vertrouwelijk 12/32 [vertrouwelijk] heeft een offerte ingediend op basis van Belpex en was voor de einddatum voor de indiening van een bindende offerte niet bereid hiervan af te wijken. De CREG merkt op dat deze informatie niet vervat zat in het ingediende dossier of de bijkomende informatie. Ze kan echter akkoord gaan met de vooropgestelde formulering en past de formulering van deze paragraaf in de eindbeslissing dan ook aan.
  46. Rentel merkt bij randnummer 59 van de ontwerpbeslissing [randnummer 73 van deze eindbeslissing] op dat de formule voor de bepaling van de correctiefactor niet rechtstreeks is opgenomen in de ontwerpbeslissing. De formule opgenomen in randnummer 59 verwijst enkel naar de prijsformule van de bindende bieding van [vertrouwelijk]. Rentel stelt voor dat de beslissing van de CREG ook expliciet de [vertrouwelijk] bevestigt doordat ze niet één op één gelijk is aan [vertrouwelijk]. De CREG weerhoudt deze opmerking slechts ten dele. Conform artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 keurt de CREG enkel de correctiefactor goed en niet de formule. Wel zal de CREG de bepaling van de profiling cost bij de offerte van Statkraft toelichten op basis van de informatie die zij op 6 juli 2016 van Rentel ontving.
  47. Betreffende de verzaking aan het gunstregime van de productieafwijking wenst Rentel volgende elementen toe te voegen aan randnummer 68 van de ontwerpbeslissing [randnummer 82 van deze eindbeslissing]: - Statkraft heeft aan Elia een template van de productieafwijking gevraagd om een prijsvoorstel te kunnen doen rekening houdend met een behoud van de productieafwijking. Elia is hier niet op ingegaan en heeft verklaard dat zij sinds 2012 weigert om zulke contracten af te sluiten. - De stelling in randnummer 67 dat de afschaffing van de productieafwijking de verbruikers niet ten goede komt, suggereert een lineaire correlatie, terwijl de zaken allicht iets complexer liggen. De CREG weerhoudt deze opmerkingen niet om volgende redenen. Vooreerst kan de CREG een mededeling van elke derde partij niet opnemen in een beslissing tenzij deze schriftelijk bevestigd is. Daarnaast bevat de tweede opmerking geen inhoudelijke elementen die deze bewering staven. Niet-vertrouwelijk 13/32
  48. Bij de randnummers 71-72 van de ontwerpbeslissing [randnummers 85-86 van deze eindbeslissing] heeft Rentel volgende opmerkingen: - Volgens Rentel vermeldt randnummer 71 een correctiefactor van [vertrouwelijk] terwijl de CREG in randnummer 72 de correctiefactor vastlegt op 17,65%; - Rentel verzoekt de CREG de nodige rechtszekerheid te verschaffen in verband met de vaststelling van de correctiefactor voor 19 jaar en de consistente toepassing, naar de toekomst toe, van de formule in de PPA ter bepaling van de correctiefactor. [vertrouwelijk]. In randnummer 71 verwijst de CREG enkel naar het schrijven van Rentel van 26 mei 2016 waarin Rentel vraagt een correctiefactor van [vertrouwelijk] voor een periode van drie jaar te bevestigen. In randnummer 72 van de ontwerpbeslissing stelt de CREG de correctiefactor vast op basis van de meest recente elementen in het dossier (die dateren van na 26 mei 2016) en waaruit een correctiefactor van 17,65% valt af te leiden. De CREG weerhoudt de eerste opmerking van Rentel dus niet aangezien er geen contradictie is tussen randnummers 71 en 72 van de ontwerpbeslissing. Zoals eerder vermeld, keurt de CREG de correctiefactor goed en niet expliciet de formule. Bij onderzoek van het dossier heeft de CREG alle elementen van de formule, die aan de basis van de correctiefactor liggen, onderzocht en op basis van haar bevindingen de voorgestelde correctiefactor voor een periode van 1 jaar aanvaard. De CREG zal dergelijk onderzoek jaarlijks uitvoeren op basis van dezelfde consistente aanpak. Tenslotte wenst de CREG te melden dat zij enkel een beslissing kan nemen op basis van het ingediende dossier en de daarin vermelde assumpties zoals de datum van financial close. De CREG kan in deze beslissing niet anticiperen op een mogelijke verschuiving van de datum van financial close die een effect zou kunnen hebben op de correctiefactor en kan enkel haar beslissing baseren op het ingediende dossier. Na verdere toelichting van de mogelijke problemen door de CREG, heeft Rentel voorgesteld om de periode waarop de profiling cost betrekking heeft te vervroegen. Deze aanpassing werd geïntegreerd onder randnummer 76 van deze eindbeslissing.
  49. Rentel merkt tenslotte op dat randnummer 75 van de ontwerpbeslissing [randnummer 89 van deze eindbeslissing] verwijst naar de inwerkingtreding van de beslissing na goedkeuring van het aangemelde steunmechanisme door de Europese Commissie. Rentel vraagt zich af hoe deze inwerkingtreding zich verhoudt tot de beroepstermijn op de beslissing van de CREG. Niet-vertrouwelijk 14/32 Volgens artikel 29quater, § 2, van de elektriciteitswet begint de beroepstermijn van 30 dagen voor Rentel te lopen na ontvangst van de beslissing. Voor andere geïnteresseerden bevestigt de CREG hierbij dat de beroepstermijn begint te lopen na publicatie van de eindbeslissing op de website van de CREG. V. DE WERKELIJKE EXPLOITATIEKOST
  50. Conform het koninklijk besluit van 16 juli 2002 wordt de waarde van de LCOE van Rentel aangepast zodat de LCOE de werkelijke exploitatiekost weerspiegelt. Hierna onderzoekt de CREG de door Rentel voorgelegde exploitatiekosten voor de eerste periode van drie jaar. Op basis van deze analyse bevestigt of past de CREG de LCOE, die van toepassing is op Rentel, aan. V.1 Onderzoek van de werkelijke exploitatiekost
  51. Op basis van het initiële aanvraagdossier en de bijkomende informatie stelt de CREG vast dat de ingediende exploitatiekosten bestaan uit de volgende zes componenten: 1) “Operation and Maintenance of turbines”: deze component bevat de kosten die verbonden zijn aan het [vertrouwelijk] contract met Siemens. Dit contract voorziet het geplande en ongeplande onderhoud van alle turbines alsook het ter beschikking stellen van alle reserveonderdelen, workforce en vervoer (helikopter en vessel) voor de nodige herstellingen. [vertrouwelijk]; 2) “Balance of plant” (hierna “BOP”) omvat de kosten voor het onderhoud, en de inspectie van de funderingen, bekabeling en elektrische infrastructuur; 3) “Operational insurance”: de kosten voor de verzekeringen bestaan uit de premies voor Operation All risk, Third party Liability en Business interruption; 4) “Grid connection costs” bevat alle kosten die Elia jaarlijks zal aanrekenen voor de toegang tot het net en de injectie van de geproduceerde energie; 5) “Monitoring costs” bevat de kosten voor monitoring die wettelijk vastgelegd zijn zoals bijvoorbeeld de monitoring door het BMM; 6) “Project management” bevat alle kosten die noodzakelijk zijn voor het beheer van het offshore park en die buiten de scope van het onderhoud aan de turbines en BOP valt. Niet-vertrouwelijk 15/32
  52. Tabel 1 geeft een overzicht weer van alle kosten per component. De CREG stelt vast dat de OPEX kosten stijgen in de loop der jaren. Dit wordt veroorzaakt door de indexatieparameters in de verschillende contracten. [vertrouwelijk].
  53. De opex kost stijgt van [vertrouwelijk] EUR/MWh tot [vertrouwelijk] EUR/MWh en is gemiddeld [vertrouwelijk] EUR/MWh over de volledige levensduur. De CREG stelt vast dat deze kostprijs in lijn ligt met de cijfers van andere Belgische offshore windparken zoals reeds aangetoond in studie (F)151015-CDC-1462 over “de analyse van ondersteuning van offshore windenergie met inbegrip van het jaarlijks verslag over de doeltreffendheid van de minimumprijs voor offshore windenergie”. Tabel 1: Overzicht operationele kosten Rentel2 [vertrouwelijk] V.2 Bepaling van de LCOE die van toepassing is op Rentel
  54. Zoals bepaald in artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 past de CREG de LCOE aan op basis van de werkelijke exploitatiekosten. De CREG onderzoekt of er een verschil is tussen de gecontracteerde exploitatiekosten en een referentie-exploitatiekost van 30,00 EUR/MWh.
  55. Op basis van de cijfers in tabel 1, kan de CREG vaststellen dat de werkelijke exploitatiekosten lager zijn dan 30,00 EUR/MWh gedurende de eerste zes jaren na de financial close. Vanaf het zevende jaar stijgt de OPEX boven 30,00 EUR/MWh. Tabel 2: Aanpassing LCOE op basis van het verschil tussen werkelijke exploitatiekosten en een referentie-exploitatiekost van 30 EUR/MWh. [vertrouwelijk]
  56. Op basis van deze vaststellingen past de CREG de LCOE voor Rentel aan. Zoals berekend in tabel 2 is de LCOE gelijk aan [vertrouwelijk] EUR/MWh voor de eerste periode van drie jaar die ingaat op de datum van financial close. Over de volledige operationele levensduur van Rentel is een gemiddelde LCOE van [vertrouwelijk] EUR/MWh van toepassing op Rentel. 2 Jaar 1 begint op de veronderstelde datum van financial close. Rekening houdende met een bouwperiode van 2 jaar begint de productie van de windenergie pas in Q3
  57. Niet-vertrouwelijk 16/32
  58. Artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 bepaalt dat de CREG de LCOE bepaald in artikel 14, § 1, 2e lid, 1°bis aanpast "zodat deze de werkelijke exploitatiekost weerspiegelt". Deze aanpassing gebeurt op basis van informatie over de door de concessiehouder overgemaakte contractuele exploitatiekosten. Als de CREG na onderzoek van deze informatie een verschil vaststelt tussen de werkelijke kosten en de referentieexploitatiekost vastgelegd door de bepaling in kwestie, dan past ze de minimumprijs voor de aankoop van groenestroomcertificaten aan. Als gevolg hiervan heeft de CREG weinig manoeuvreerruimte: haar taak is voornamelijk informatie verzamelen over de werkelijke exploitatiekosten, deze kosten te vergelijken met een referentiekost en de LCOE, indien nodig, aan te passen op basis van deze vaststellingen en bijgevolg de minimumprijs voor de aankoop van groenestroomcertificaten te bepalen. Volgens het voormelde artikel 14, § 1ter, gebeurt deze aanpassing om de drie jaar.
  59. In dit geval heeft de CREG echter een brief van Rentel ontvangen waarin Rentel verzaakt aan het deel van de LCOE boven het bedrag van 129,80 EUR/MWh. Ze vraagt in die zin dat de CREG, op basis van voormeld artikel 14, § 1ter, een beslissing neemt waarin de aan Rentel toegekende LCOE 129,80 EUR/MWh zou bedragen en dit tijdens de hele duur van de verplichting voor de transmissienetbeheerder om groenestroomcertificaten aan te kopen, namelijk 19 jaar - en geen 20 - op die manier verzaakt Rentel aan de winst van het laatste jaar voor de aankoop van groenestroomcertificaten. Rentel verzaakt eveneens aan de driejaarlijkse herziening van de LCOE in functie van de werkelijke exploitatiekost zoals voorzien in voormeld artikel 14, §1ter. Er dient dan ook te worden onderzocht of de CREG, als ze artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 toepast, van haar vaststellingen mag afwijken en een LCOE mag vastleggen die lager is dan wat ze in principe volgens de vaststellingen zou moeten vastleggen.
  60. Hierbij moet ten eerste worden vastgesteld dat Rentel verzaakt aan haar rechten en dat deze verzaking alle verbruikers ten goede komt, aangezien het deze verbruikers zijn die de kost van de aankoop door de netbeheerder van de groenestroomcertificaten, toegekend aan de producenten van offshore elektriciteit, in fine dragen. Niet-vertrouwelijk 17/32 Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie3 is een verzaking geldig als ze niet in strijd is met de openbare orde. Dat is in casu het geval: op zich verbiedt niets de begunstigde van een steunmaatregel om te verzaken aan een deel van de wettelijk voorziene steun.
  61. Daarnaast moet er worden vastgesteld dat de verzaking van Rentel het gevolg is van een akkoord tussen deze domeinconcessiehouder en de federale regering. Naar aanleiding van dit akkoord, heeft de ministerraad van 9 juni 2016 de beslissing genomen die aan de Europese Commissie werd genotificeerd om de goedkeuring van de Commissie te krijgen met betrekking tot de nieuwe steunmaatregelen voor de productie van offshore elektriciteit. Voor de duidelijkheid, het bedrag van de LCOE dat Rentel had gevraagd in het kader van deze beslissing stemt overeen met het bedrag van de steun die aan Rentel werd toegekend en aan de Europese Commissie werd genotificeerd. Nu het steunmechanisme aan de Europese Commissie werd genotificeerd, moet het standstillprincipe worden toegepast, in die zin dat steun voor de productie van offshore elektriciteit niet aan Rentel kan worden toegekend zolang de Europese Commissie die niet heeft goedgekeurd, en er kan ook geen hoger bedrag worden toegekend dan wat werd genotificeerd met het oog op een toekomstige goedkeuring. Zoals blijkt uit de studie (F)151015-CDC-1462 van de CREG "over de analyse van ondersteuning van offshore windenergie met inbegrip van het jaarlijks verslag over de doeltreffendheid van de minimumprijs voor offshore windenergie” zou de loutere toepassing van het van kracht zijnde koninklijk besluit van 16 juli 2002 ertoe leiden dat er aan Rentel te veel steun zou worden toegekend en dit zou niet beantwoorden aan de vereisten van de Richtsnoeren staatssteun van de Europese Commissie ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (hierna: de richtsnoeren van de Europese Commissie). De strikte toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 kan dus niet worden overwogen. Om nuttig gevolg te geven aan de opschortende voorwaarde in deze beslissing, dient het toegekende bedrag voor de LCOE hetzelfde te zijn als het bedrag dat aan de Europese Commissie werd genotificeerd zodat deze beslissing volledig van kracht wordt zodra het bedrag van de steun door de commissie wordt goedgekeurd. In die zin vereist het standstillprincipe uit artikel 108, §3 van het VWEU de vastlegging van de LCOE op hetzelfde niveau als het niveau dat aan de Europese Commissie werd genotificeerd. 3 Cass., 21 januari 2000, Pas., I, 56 Niet-vertrouwelijk 18/32
  62. Om voormelde redenen neemt de CREG akte van de verzaking van Rentel en aanvaardt ze op basis hiervan om de LCOE, die van toepassing is op deze concessiehouder, vast te leggen op 129,80 EUR/MWh. Als uit het onderzoek van de CREG (cf. tabel 2) blijkt dat dit bedrag van 129,80 EUR/MWh altijd lager zal zijn dan de bedragen die van toepassing zouden moeten zijn op elke periode van drie jaar als er rekening zou moeten worden gehouden met de werkelijke exploitatiekosten, kan de CREG de LCOE van Rentel nu al vastleggen op 129,80 EUR/MWh voor de hele duur van de periode voor de aankoop van groenestroomcertificaten. Dit bedrag doet natuurlijk geen afbreuk aan de aanpassingen van de correctiefactor, noch aan de verhoging van de LCOE waarop Rentel aanspraak kan maken voor de onderzeese kabel, met toepassing van artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet zoals de CREG heeft geïmplementeerd in haar beslissing (B)160630-CDC-1528 betreffende “de controle van de door de netbeheerder voor de financiering in aanmerking te nemen totale kosten voor de aankoop, de levering en de plaatsing van de onderzeese kabel alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van de productieinstallaties van het offshore windturbinepark van Rentel”. Niet-vertrouwelijk 19/32 VI. BEPALING VAN DE CORRECTIEFACTOR
  63. De CREG onderzoekt hierna, op basis van artikel 14, § 1ter, van het koninklijk besluit van 16 juli 2002, of er een verschil is tussen de gecontracteerde verkoopprijs voor elektriciteit en een gemiddelde nominale prijs gelijk aan 90% van de elektriciteitsreferentieprijs. Het onderzoek van de CREG verloopt in 2 fases. In een eerste fase analyseert de CREG de totstandkoming van het contract voor de aankoop van de elektriciteit. In een tweede fase onderzoekt de CREG het verschil tussen de gecontracteerde verkoopprijs en 90% van de elektriciteitsreferentieprijs en bepaalt zij de correctiefactor. VI.1 Toepassing van het wettelijk kader
  64. Artikel 14, § 1ter, van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 bepaalt onder meer dat de CREG een eerste maal vóór financial close en vervolgens om de drie jaar onderzoekt of er een verschil is tussen de gecontracteerde verkoopprijs voor elektriciteit en een gemiddelde nominale prijs gelijk aan 90% van de elektriciteitsreferentieprijs. De periodiciteit van drie jaar komt overeen met de frequentie van de eventuele aanpassing van de LCOE om rekening te houden met de werkelijke exploitatiekosten.
  65. Uit de beslissing die de Ministerraad, in samenspraak met Rentel, heeft genomen op 9 juni 2016 blijkt dat de correctiefactor in de toekomst jaarlijks en niet meer om de drie jaar zal worden aangepast. Deze wijziging maakt integraal deel uit van het nieuwe ondersteuningsmechanisme voor de productie van offshore elektriciteit dat op 16 juni 2016 aan de Europese Commissie werd genotificeerd. In haar brief van 28 juni 2016 verklaart Rentel de jaarlijkse herziening van de correctiefactor, in plaats van een herziening om de drie jaar, te accepteren. Een jaarlijkse herziening van de correctiefactor levert minder risico op voor de koper van de elektriciteit dan een driejaarlijkse herziening, waardoor de aankoopprijs voor de elektriciteit iets hoger komt te liggen. Een jaarlijkse herziening van de correctiefactor heeft geen impact op de inkomsten van de domeinconcessiehouder wegens de gegarandeerde LCOE: een stijging van de inkomsten uit elektriciteit gaat gepaard met een daling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten. Deze jaarlijkse herziening leidt tot een daling van de kost voor de financiering van de aankoop van groenestroomcertificaten en dus tot een lagere toeslag ten laste van de elektriciteitsverbruiker. Om deze reden staat de CREG positief tegenover een jaarlijkse herziening van de correctiefactor. Niet-vertrouwelijk 20/32
  66. Bovendien is er momenteel een mechanisme ter compensatie van de productie- afwijkingen van toepassing. De afschaffing van dit mechanisme wordt momenteel voorzien in een wetsontwerp tot wijziging van de elektriciteitswet en maakt bovendien deel uit van het dossier dat aangemeld werd bij de Europese commissie in het kader van artikel 108, § 3, van het VWEU (zie randnummer 20). Uit de Richtsnoeren van de Europese Commissie blijkt immers dat de begunstigden van een steunmaatregel voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen aan standaardbalanceringstaken moeten zijn onderworpen
  67. Anticiperend op de toekomstige wetswijziging heeft Rentel, in overeenstemming met het notificatiedossier aan de Europese Commissie over het nieuwe ondersteuningsmechanisme, een offerte weerhouden die geen rekening houdt met de productieafwijking uit artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet (zie hierna paragraaf 75).
  68. De bovenstaande elementen hebben een impact op de correctiefactor. VI.2 Contract voor de aankoop van elektriciteit
  69. Het op 15 april 2016 ingediende aanvraagdossier voor de validatie van de correctiefactor van Rentel bevat een nota met algemene informatie over het Rentel-project en een beschrijving van het proces dat geleid heeft tot de keuze van de tegenpartij voor de verkoop van de elektriciteit, die door het te realiseren offshore windmolenpark van Rentel, zal worden geïnjecteerd in het Elia-net. Als bijlagen aan deze nota wordt de “Instructions To Tender” (hierna “ITT”), Term sheet en een draft van het aankoopcontract voor de elektriciteit (of “Power Purchase Agreement”, hierna “PPA”) toegevoegd.
  70. De CREG heeft op 12 mei 2016 volgende bijkomende informatie gevraagd aan Rentel: - een kopie van de ontvangen offertes opgevraagd (zowel de niet bindende offertes als bindende offertes); - een geparafeerde en gedateerde versie van de “final draft PPA”; - een verduidelijking waarom de partijen die een niet bindende offerte indienden vervolgens [vertrouwelijk] indienden.
  71. Op 19 mei 2016 ontving de CREG deels de gevraagde bijkomende informatie. De “final draft PPA” kon nog niet overgemaakt worden. 4 Richtsnoeren, §
  72. Niet-vertrouwelijk 21/32
  73. Het doel van het afsluiten van de PPA is de verkoop van de toekomstig geproduceerde elektriciteit aan een kredietwaardige tegenpartij aan competitieve voorwaarden veilig te stellen.
  74. De criteria om in aanmerking te komen werden gespecifieerd in de ITT, en hadden onder meer betrekking op : - de looptijd van het aankoopcontract (tussen 15 en 20 jaar); - een minimum af te nemen volume (25% van de totale productie); - de prijsformule (die compatibel moest zijn met de toe te passen formule voor de bepaling van de minimumprijs voor de aankoop van groenestroomcertificaten zoals bepaald in art. 14, § 1 van het koninklijk besluit van 16 juli 2002). Op basis van de financiële sterkte en van de lokale aanwezigheid (de afname zou niet meer dan 25% van het verkoopvolume op de Belgische markt mogen uitmaken), heeft Rentel samen met haar financieel adviseur een selectie gemaakt van acht mogelijke tegenpartijen ([vertrouwelijk], ([vertrouwelijk], ([vertrouwelijk], ([vertrouwelijk], ([vertrouwelijk], ([vertrouwelijk], ([vertrouwelijk], ([vertrouwelijk]). De ITT specifieert de evaluatiecriteria van de niet-bindende offertes: de financiële sterkte, de ervaring in België, de correctiefactor en de contractuele bepalingen (afwijkingen ten opzichte van de Draft Term Sheet).
  75. [vertrouwelijk]
  76. Het aanbestedingsproces
  77. Het aanbestedingsproces werd op 23 oktober 2015 gelanceerd met het uitsturen van de ITT. Van de acht aangeschreven partijen bleken er drie geen interesse te hebben ([vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk]). Met de vijf overgebleven partijen werd op 30 oktober 2016 een NDA6 gesloten en deze ontvingen de [vertrouwelijk] (“Term sheet”), die de basis vormt voor het afsluiten van een PPA.
  78. 20 november 2015 was de geplande deadline in de ITT voor het indienen van een niet-bindende offerte (hierna “NBO”). Van deze 5 partijen werd [vertrouwelijk] een BAFO ingediend. 5 BAFO : Best and Final Offer 6 NDA : Non Disclosure Agreement Niet-vertrouwelijk 22/32
  79. Met uitzondering van [vertrouwelijk] voldeed [vertrouwelijk] NBO aan de bepalingen van de ITT en de draft term sheet (die weliswaar niet bindend was).
  80. [vertrouwelijk] diende op 20 november 2015 bij Rentel een niet-bindende bieding in voor 25% van het volume met een vaste correctiefactor van [vertrouwelijk]. [vertrouwelijk] heeft uiteindelijk verkozen om zich terug te trekken uit het aanbestedingsproces en geen BAFO in te dienen [vertrouwelijk].
  81. [vertrouwelijk] heeft een offerte ingediend op basis van Belpex en was voor de einddatum voor de indiening van een bindende offerte niet bereid hiervan af te wijken. [vertrouwelijk] geeft in een e-mailcommunicatie met RENTEL aan dat “er slechts een minimale correlatie bestaat tussen de door u gevraagde prijsstructuur (gebaseerd op een lagging op Endex) en de daadwerkelijke fysieke dah (sic) en onbalansmarkt”.
  82. [vertrouwelijk] heeft een offerte ingediend gebaseerd op Endex, maar met een correctiefactor die ex-post berekend wordt. Op basis van het in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 opgenomen beslissingsproces waarbij de CREG de correctiefactor ex-ante bepaalt voor een bepaalde periode, heeft Rentel tevergeefs aangedrongen bij [vertrouwelijk] om af te stappen van de ex-post berekening van de correctiefactor. [vertrouwelijk] heeft vervolgens gekozen om geen bindende offerte in te dienen.
  83. [vertrouwelijk] had initieel een offerte ingediend op basis van een geïndexeerde correctiefactor. Na overleg tussen Rentel en [vertrouwelijk], diende [vertrouwelijk] op 18 december 2015 een nieuwe niet-bindende offerte in met een per periode vaste correctiefactor. 18 december was evenwel de einddatum voor indiening van een bindende offerte. De niet-bindende bieding van [vertrouwelijk] bevatte de volgende prijsformule : [vertrouwelijk] [vertrouwelijk]: Tabel 3: [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] Niet-vertrouwelijk 23/32 Verder bleek [vertrouwelijk] evenwel niet de door Rentel gevraagde bankgaranties te kunnen stellen.
  84. [vertrouwelijk] diende een niet-bindende offerte in die gebaseerd was op een afrekening ex-post van de profielkost en de balancingkost. [vertrouwelijk] gaf evenwel aan Rentel te kennen dat zij verder wou onderhandelen met Rentel om tot een prijsformule te komen die nauw aansloot met de bepalingen in het koninklijk besluit van 16 juli
  85. Verder gaf [vertrouwelijk] aan Rentel te kennen dat de mogelijkheid bestond om de correctiefactor te verlagen indien de herziening van de correctiefactor op jaarbasis gebeurt in plaats van op driejaarlijkse basis. Op 18 december 2015 diende [vertrouwelijk] een BAFO in voor zowel een jaarlijkse als een driejaarlijkse herziening van de correctiefactor.
  86. De bindende bieding van [vertrouwelijk] bevatte, na discussie tussen beide partijen, de volgende prijsformule : - Bij een driejaarlijkse herziening van de correctiefactor : o Voor jaar 1 van uitbating : P = Endex * [1 – [vertrouwelijk]] o Voor de volgende jaren : P = Endex * [1 - [vertrouwelijk]] - Bij een jaarlijkse herziening van de correctiefactor : o Voor jaar 1 van uitbating : nog te onderhandelen o Voor de volgende jaren : P = Endex * [1 – [vertrouwelijk]] Hierbij is de [vertrouwelijk] voor de periode tussen [vertrouwelijk].
  87. Op 14 april 2016 werd een quasi finale versie van het PPA-contract opgesteld tussen Rentel en [vertrouwelijk] die als bijlage gevoegd werd in het ingediende dossier van 15 april
  88. Deze PPA was gebaseerd op een driejaarlijkse herziening van de correctiefactor. De variante met de jaarlijkse herziening van de correctiefactor [vertrouwelijk].
  89. Anticiperend op de wijzigende wetgeving, meer bepaald op de opheffing van de bepalingen van artikel 7, § 3, van de elektriciteitswet, heeft Rentel aan [vertrouwelijk] gevraagd om een offerte in te dienen die rekening houdt met de afschaffing van het mechanisme voor productieafwijkingen. Op 11 mei 2016 ontving Rentel van [vertrouwelijk] een voorstel tot aanpassing van het contract die rekening hield met de afschaffing van het mechanisme van kwartuuronevenwichten. Deze offerte van [vertrouwelijk] hield echter rekening met een koppeling tussen de afschaffing van het mechanisme voor de kwartuuronevenwichten en de aanpassing van de periodiciteit voor de herziening van de correctiefactor (van 3 naar 1 jaar). Uiteindelijk heeft [vertrouwelijk] op 12 mei 2016 in een schrijven aan Rentel de impact van een Niet-vertrouwelijk 24/32 driejaarlijkse herziening indicatief ingeschat op [vertrouwelijk]. [vertrouwelijk] weigerde om het intern goedkeuringsproces te doorlopen zonder duidelijkheid over het toekomstige regelgevend kader. De biedingen van [vertrouwelijk] worden in de volgende tabel weergegeven : Tabel 4: Biedingen [vertrouwelijk] periodiciteit Periode mechanisme 30% validatie CREG tot 3 j na FC niet afgeschaft driejaarlijks tot 3 j na FC afgeschaft jaarlijks tot 3 j na FC afgeschaft driejaarlijks vanaf 3 j na FC niet afgeschaft driejaarlijks vanaf 3 j na FC afgeschaft jaarlijks vanaf 3 j na FC afgeschaft driejaarlijks Correctiefactor [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] Correctiefactor eerste periode [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] n/a n/a n/a [vertrouwelijk]
  90. [vertrouwelijk]. De offerte van [vertrouwelijk] houdt rekening met de afschaffing van het mechanisme voor de kwartuuronevenwichten en is voor de verschillende scenario’s gunstiger dan de biedingen van [vertrouwelijk]. De profiling cost PCy-1 wordt voor de eerste periode op dezelfde manier berekend als bij de offertes van [vertrouwelijk], namelijk van 1 maart 2015 tot en met 29 februari
  91. Voor de daaropvolgende periodes stelt Rentel, na overleg met [vertrouwelijk] op 6 juli 2016, voor om de profiling cost te berekenen voor het jaar lopende tot de datum 5 (in plaats van 4) maanden vóór de verjaardag van de financial close. Tabel 5: Vergelijking biedingen [vertrouwelijk] periodiciteit Periode mechanisme 30% validatie CREG tot 3 j na FC niet afgeschaft driejaarlijks tot 3 j na FC afgeschaft driejaarlijks tot 3 j na FC afgeschaft jaarlijks Vanaf 3 j na FC niet afgeschaft driejaarlijks Vanaf 3 j na FC afgeschaft driejaarlijks Vanaf 3 j na FC afgeschaft jaarlijks [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] Correctiefactor Correctiefactor eerste periode Correctiefactor eerste periode verschil Correctiefactor [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] na [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] na na [vertrouwelijk] na [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] na [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] Evaluatie van het aanbestedingsproces
  92. De CREG stelt vast dat ondanks een aanbestedingsproces dat, op basis van de elementen waarover de CREG beschikt, correct is verlopen en voldoende mogelijkheid bood tot concurrentie tussen verschillende kandidaten, er slechts met [vertrouwelijk], namelijk Niet-vertrouwelijk 25/32 [vertrouwelijk], verder kon worden onderhandeld. Dit is zeker deels te wijten aan de wil van Rentel om vast te houden aan een prijsformule die nauw aansluit aan deze voor de bepaling van de minimumprijs van de groenestroomcertificaten (bepaald in het koninklijk besluit van 16 juli 2002). Deze houding is volgens de CREG te begrijpen vanuit het standpunt van een projectontwikkelaar wiens doel het realiseren van een offshore windmolenpark is, maar die verder geen enkel risico wenst te lopen bij het op de markt brengen van de geproduceerde elektriciteit.
  93. De aanpassing van het ondersteuningsmechanisme waarbij een LCOE werd ingevoerd, had tot doel om de waarde van de elektriciteit in rekening te brengen in de bepaling van de minimumprijs per groenestroomcertificaat. Dientengevolge meent de CREG dat de houding van Rentel om te blijven vasthouden aan de prijsstructuur bepaald in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 en met name aan de relatie met Endex en de ex-ante bepaling van de correctiefactor voor de betrokken periode aanvaardbaar is.
  94. Het feit dat enkel [vertrouwelijk] overbleef voor de verdere onderhandelingen toont volgens de CREG aan dat het aankopen van de toekomstige productie van +/- 300 MW offshore windenergie over een periode van 15 jaar voor de meeste partijen als te risicovol wordt ervaren. De CREG stelt vast dat de biedingen van [vertrouwelijk] voor de verschillende scenario’s aanzienlijk beter zijn dan de biedingen van [vertrouwelijk], waarbij het verschil in de correctiefactor varieert tussen [vertrouwelijk].
  95. [vertrouwelijk]
  96. De CREG heeft hierboven ook opgemerkt dat er in de weerhouden offerte, op vraag van Rentel, geen rekening gehouden wordt met het mechanisme voor de productieafwijking zoals bepaald in artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet. Deze bepaling voorziet een voordelig mechanisme inzake productieafwijking voor elektriciteit opgewekt door installaties voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht. In principe verhindert niets de begunstigde van een mechanisme om aan dit mechanisme te verzaken. Dit is wat Rentel heeft gedaan door te vragen om in bepaalde offertes geen rekening te houden met het mechanisme voorzien door artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet. De CREG moet wel vaststellen dat de verzaking aan dit mechanisme een wijziging van de correctiefactor, bedoeld in artikel 14, § 1, 2e lid, 1°bis van het koninklijk besluit van 16 juli 2002, tot gevolg heeft die de verbruikers niet ten goede komt. Uit de biedingen die [vertrouwelijk] Niet-vertrouwelijk 26/32 indiende blijkt immers dat de afschaffing van het mechanisme voor de kwartuuronevenwichten aanleiding geeft tot een verhoging van de correctiefactor met [vertrouwelijk] bij de driejaarlijkse herziening van de correctiefactor. ([vertrouwelijk] bij jaarlijkse herziening van de correctiefactor). De CREG kan de keuze van Rentel a priori dan ook niet aanvaarden.
  97. De CREG dient in het kader van de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid echter rekening te houden met twee fundamentele elementen. Terwijl onderhavige eindbeslissing werd aangenomen, heeft de commissie Economie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers enerzijds een wetsontwerp tot opheffing van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet goedgekeurd. Anderzijds is de schrapping van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet één van de maatregelen die zijn opgenomen in het notificatiedossier aan de Europese Commissie aangezien de Richtsnoeren van de Europese Commissie ter zake opleggen dat de producenten van hernieuwbare energie aan standaardbalanceringstaken moeten zijn onderworpen. Hoewel de CREG, op eigen initiatief, niet kan verhinderen dat artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet wordt toegepast omdat het in strijd is met de voormelde Richtsnoeren, kan ze, in het kader van deze beslissing, toch aanvaarden dat de offerte die Rentel heeft weerhouden geen rekening houdt met het mechanisme voor de productieafwijking uit artikel 7, § 3 (i) doordat het in strijd is met de Richtsnoeren van de Europese Commissie, (ii) door de indiening van een notificatiedossier met de opheffing van deze maatregel en (iii) door de effectieve en imminente opheffing van deze bepaling door de wetgever.
  98. A contrario, als ze de keuze van Rentel in dit opzicht zou verwerpen, zou ze een beslissing nemen die in strijd is met het standstill-principe. VI.3 Bepalen correctiefactor
  99. Overeenkomstig artikel 14, § 1, 2de lid, 1°bis, bedraagt de correctiefactor in de formule voor de bepaling van de minimumprijs 10% van de elektriciteitsprijs.
  100. Rentel vraagt in haar schrijven van 26 mei 2016 aan de CREG het volgende : “te bevestigen dat: (i) Niet-vertrouwelijk Dat de PPA marktconform is en dat als gevolg de CREG de correctiefactor zoals bepaald onder de PPA zal overnemen voor de bepaling van de 27/32 minimumprijs van de groenestroomcertificaten over de gehele looptijd van het contract; en (ii)
  101. De gecontracteerde correctiefactor van [vertrouwelijk] zal worden overgenomen voor de bepaling van de minimumprijs van de minimumprijs van de groenestroomcertificaten voor een periode van drie jaar vanaf de financial close (gepland op 30 juni 2016).” Overeenkomstig artikel 14, § 1ter, van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 dient de CREG enkel de correctiefactor te bepalen voor de volgende periode volgend op de financial close. Rekening houdend met de brief van Rentel van 28 juni 2016, waarin Rentel de jaarlijkse herziening van de correctiefactor aanvaardt, meent de CREG dat, met het oog om de kosten voor de financiering van het ondersteuningsmechanisme zo veel mogelijk te beperken, het aangewezen is om de correctiefactor te bepalen op basis van de aangeboden contracten met een jaarlijkse herziening van de correctiefactor. De CREG stelt bijgevolg de correctiefactor vast op 17,65% van de elektriciteitsreferentieprijs voor de periode van één jaar vanaf de datum van financial close. De CREG wenst na financial close een kopie te ontvangen van de ondertekende PPA. Niet-vertrouwelijk 28/32 VII. OPSCHORTENDE VOORWAARDE
  102. Op grond van artikel 108, § 3, van het VWEU kan een lidstaat van de Europese Unie de geplande steunmaatregelen niet tot uitvoering brengen alvorens de aanmeldingsprocedure tot een eindbeslissing van de Europese Commissie heeft geleid. Deze bepaling bevat de regel die doorgaans de standstill-verplichting wordt genoemd. Onder “tenuitvoerlegging” verstaat men niet alleen de feitelijke betaling van de steun, maar eerder het moment waarop het recht op steun wordt toegekend krachtens de nationale wetgeving
  103. Indien deze verplichting niet wordt nageleefd door de lidstaat, zal de toegekende steun – d.w.z. de beslissing tot verlening van de steun – als onwettig worden beschouwd. Elke instantie van de lidstaat is gebonden aan deze verplichting. De CREG moet, in haar hoedanigheid als administratieve, onafhankelijke autoriteit, ook de standstill-bepaling eerbiedigen.
  104. In principe geldt de standstill-bepaling pas na kennisgeving van het ondersteuningsmechanisme aan de Europese Commissie. De notificatie van het steunmechanisme waarvan Rentel zal genieten, gebeurde op 16 juni
  105. In casu dient de CREG op basis van een aanpassing van de LCOE en de correctiefactor een beslissing te nemen voor de bepaling van de minimumprijs voor de aankoop van de groenestroomcertificaten. Met andere woorden, deze beslissing legt het niveau van de aan Rentel toegekende steun vast, met toepassing van de geldende wetgeving en reglementering, op basis waarvan de aan Rentel toegekende groenestroomcertificaten worden verkocht. In die zin concretiseert onderhavige beslissing het recht op steun.
  106. Uit het voorgaande blijkt dat de standstill-bepaling van toepassing is op deze beslissing. De CREG zou deze bepaling overtreden als zij aan de N.V. Rentel onvoorwaardelijk het recht op de waarde van de elementen ter bepaling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten toekent. Daarentegen is er niets tegen het koppelen van de inwerkingtreding van deze beslissing aan een positieve beslissing van de Europese Commissie over het steunmechanisme waarop deze beslissing betrekking heeft. 7 Zie o.a. HvJ-EU, Magdeburger Mühlenwerke, zaak C-129/12, van 21 maart 2013, §
  107. Niet-vertrouwelijk 29/32 Deze beslissing treedt derhalve alleen in werking op de datum waarop de Europese Commissie een beslissing neemt waaruit blijkt dat het steunmechanisme waarop deze beslissing is gebaseerd en de individuele toepassing ervan ten aanzien van de N.V. Rentel in deze beslissing, geen staatssteun of met de interne markt verenigbare staatssteun is, dan wel op de datum waarop de Europese Commissie geacht wordt zulk besluit te hebben genomen. Indien de beslissing van de Europese Commissie voorwaarden bevat die betrekking hebben op essentiële elementen waarop de huidige beslissing gebaseerd is, dan treedt de huidige beslissing van de CREG in werking op het moment dat deze voorwaarden vervuld zijn. Niet-vertrouwelijk 30/32 VIII. CONCLUSIE Gelet op artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 waarin de procedure wordt bepaald voor de aanpassing van de elementen die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de minimumprijs per domeinconcessie; Gelet op de rol van de CREG, zoals bepaald in artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002, die de voorgelegde exploitatiekosten en of er een verschil is tussen de gecontracteerde verkoopprijs voor elektriciteit en een gemiddelde nominale prijs gelijk aan 90% van de elektriciteitsreferentieprijs onderzoekt; Gelet op het aanvraagdossier van 15 april 2016; Gelet op de aanvullende informatie ontvangen op 19, 26, 28 en 29 mei 2016; Gelet op het schrijven van 28 juni 2016 aan de CREG waarin Rentel verzaakt aan enkele rechten zoals bepaald door het koninklijk besluit van 16 juli 2002; Gelet op de aanmelding van het steunmechanisme bij de Europese Commissie; Beslist de CREG dat de LCOE wordt vastgelegd op 129,80 EUR/MWh voor de volledige periode van de aankoopverplichting door de netbeheerder van de groenestroomcertificaten uitgereikt voor de elektriciteit geproduceerd door de installaties in de domeinconcessie van Rentel; Beslist de CREG dat de correctiefactor wordt vastgelegd op 17,65% van de elektriciteitsreferentieprijs voor de periode van één jaar vanaf de datum van financial close. Niet-vertrouwelijk 31/32 Deze beslissing treedt derhalve alleen in werking op de datum waarop de Europese Commissie een besluit neemt waaruit blijkt dat het steunmechanisme waarop deze beslissing is gebaseerd en de individuele toepassing ervan ten aanzien van de N.V. Rentel in deze beslissing, geen staatssteun of met de interne markt verenigbare staatssteun is, dan wel op de datum waarop de Europese Commissie geacht wordt zulk besluit te hebben genomen. Indien de beslissing van de Europese Commissie voorwaarden bevat die betrekking hebben op essentiële elementen waarop de huidige beslissing gebaseerd is, dan treedt de huidige beslissing van de CREG in werking op het moment dat deze voorwaarden vervuld zijn.  Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Laurent JACQUET Directeur Niet-vertrouwelijk Marie-Pierre FAUCONNIER Voorzitster van het Directiecomité 32/32

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.