← België

Eindbeslissing over het vastleggen van de elementen ter bepaling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten uitgereikt voor de elektriciteit

Niet-vertrouwelijk Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel Tel.: 02/289.76.11 Fax: 02/289.76.09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS EINDBESLISSING (B)160901-CDC-1550 over “het vastleggen van de elementen ter bepaling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten uitgereikt voor de elektriciteit geproduceerd door de installaties in de domeinconcessie van Norther ” genomen met toepassing van artikel 14, §1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen 1 september 2016 INHOUDSOPGAVE I. INLEIDING ................................................................................................................... 3 II. WETTELIJK KADER .................................................................................................... 4 II.1 Nationale wetgeving ................................................................................................ 4 II.2 Europese regelgeving .............................................................................................. 7 III. ANTECEDENTEN ........................................................................................................ 8 IV. RAADPLEGING ..........................................................................................................11 V. DE WERKELIJKE EXPLOITATIEKOST ......................................................................14 V.1 Onderzoek van de werkelijke exploitatiekost...........................................................14 V.2 Bepaling van de LCOE die van toepassing is op Norther ........................................17 VI. BEPALING VAN DE CORRECTIEFACTOR ................................................................20 VI.1 Toepassing van het wettelijk kader .........................................................................20 VI.2 Contract voor de aankoop van elektriciteit ..............................................................21 VI.3 Bepalen correctiefactor ...........................................................................................25 VII. OPSCHORTENDE VOORWAARDE ...........................................................................26 VIII. CONCLUSIE ...............................................................................................................28 Niet-vertrouwelijk 2/29 I. INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) onderzoekt hierna de door Norther voorgelegde raming van de exploitatiekosten op basis van artikel 14, §1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen (hierna: het koninklijk besluit van 16 juli 2002). Daarnaast onderzoekt de CREG, op basis van artikel 14, §1ter, van het koninklijk besluit van 14 juli 2002 of er een verschil is tussen de gecontracteerde verkoopprijs voor elektriciteit en een gemiddelde nominale prijs gelijk aan 90% van de elektriciteitsreferentieprijs. Op basis van haar onderzoek bepaalt de CREG de LCOE en de correctiefactor die van toepassing zijn voor de bepaling van de minimumprijs van de groenestroomcertificaten voor de elektriciteit geproduceerd door de offshore windmolens gelegen in de domeinconcessie van Norther. Deze eindbeslissing werd door het Directiecomité van de CREG tijdens zijn vergadering 1 september 2016 goedgekeurd. Niet-vertrouwelijk 3/29 II. WETTELIJK KADER II.1 Nationale wetgeving

  1. Artikel 7, §1, 1e lid van de elektriciteitswet bepaalt het volgende: “Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, kan de Koning : 1° maatregelen van marktorganisatie vaststellen, waaronder de instelling van een door de commissie beheerd systeem voor de toekenning van certificaten van oorsprongsgarantie en van groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd overeenkomstig artikel 6, evenals het opleggen van een verplichting aan de netbeheerder om groenestroomcertificaten afgeleverd door de federale en gewestelijke overheden aan te kopen tegen een minimumprijs en te verkopen, teneinde de afzet op de markt te verzekeren, tegen een minimumprijs, van een minimumvolume elektriciteit geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen. […]"
  2. Artikel 7, §1 van de elektriciteitswet werd uitgevoerd door het koninklijk besluit van 16 juli
  3. Dit koninklijk besluit werd laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 4 april
  4. Artikel 14, §1, 2de lid, 1°bis van koninklijk besluit van 16 juli 2002 luidt als volgt: “Voor offshore windenergie geproduceerd door installaties die het voorwerp uitmaken van een in artikel 6 van de wet bedoelde domeinconcessie, waarvan de financial close na 1 mei 2014 plaatsvindt, een minimumprijs vastgelegd aan de hand van de volgende formule: Minimumprijs = LCOE – [elektriciteitsreferentieprijs – correctiefactor] waarin:
  5. - de LCOE gelijk is aan 138,00 EUR/MWh; - de correctiefactor is gelijk aan 10 % van de elektriciteitsreferentieprijs.” Artikel 14, §1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 legt volgende procedure vast voor de aanpassing van de elementen die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de minimumprijs per domeinconcessie: “De waarden van de elementen die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de minimumprijs vastgelegd conform §1, tweede lid, 1°bis, worden voor elke domeinconcessie door de commissie gewijzigd conform de bepalingen van deze paragraaf zonder terugwerkende kracht. De wijziging kan betrekking hebben op: 1° het bedrag van de LCOE, in voorkomend geval verhoogd met toepassing van §1quater, zodat deze de werkelijke exploitatiekost weerspiegelt, 2° de correctiefactor Niet-vertrouwelijk 4/29 De houder van de domeinconcessie maakt op volgende tijdstippen: 1° de eerste maal ten laatste vier maanden voor de voorziene datum van financial close; 2° later, ten laatste vier maanden voor het einde van elke periode van 3 jaar die ingaat op de datum van de financial close, alle informatie over aan de commissie, per drager met ontvangstbevestiging en elektronisch, met betrekking tot het geheel van werkelijke kosten en inkomsten waaronder de volgende elementen: 1° de gecontracteerde kosten voor de exploitatie van het windmolenpark; 2° de gecontracteerde verkoop van de door de installaties opgewekte elektriciteit. Binnen één maand na de ontvangst van de gegevens, bevestigt de commissie aan de domeinconcessiehouder de volledigheid van de gegevens of bezorgt zij hem een lijst van bijkomende inlichtingen die hij moet verstrekken. De commissie onderzoekt binnen de 2 maanden na de bevestiging van de volledigheid van de gegevens of er een verschil is tussen: - de gecontracteerde exploitatiekosten en een referentie-exploitatiekost van 30,00 EUR/MWh; - de gecontracteerde verkoopprijs voor elektriciteit en een gemiddelde nominale prijs gelijk aan 90% van de elektriciteitsreferentieprijs. Indien de commissie een verschil vaststelt past de commissie binnen de 10 werkdagen de minimumprijs, voor de aankoop van groenestroomcertificaten, vastgelegd conform §1, tweede lid, 1°bis aan.”
  6. Artikel 14, §1quater luidt als volgt: “§1quater. Wanneer de installaties het voorwerp uitmaken van een in artikel 6 van de in de wet bedoelde domeinconcessie, waarvan de financial close plaatsvindt na 1 mei 2014, en genieten van de tenlastenneming van een deel van de kost van de onderzeese kabel overeenkomstig artikel 7, §2, tweede lid van de wet, dan wordt het bedrag van de LCOE vastgelegd in § 1, tweede lid, 1°bis, vermeerderd met 12 euro."
  7. Tot slot bepaalt artikel 7, §3 van de elektriciteitswet het volgende: "§
  8. Voor de installaties bedoeld in § 2 [i.e. “nieuwe installaties voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht] wordt voor elke tijdseenheid de productieafwijking bepaald (in kW). De commissie legt, op voorstel van de netbeheerder, de berekeningsmodaliteiten van de productieafwijking vast met inbegrip van de wijze waarop de meerkost in de tarieven van de netbeheerder wordt geïntegreerd, rekening houdend met volgende bepalingen : 1° de hoeveelheid energie die overeenkomt met een positieve procentuele productieafwijking lager dan of gelijk aan 30 % wordt door de netbeheerder aangekocht aan de marktreferentieprijs, verminderd met 10 % [1 wanneer de marktreferentieprijs positief is of is toegenomen met 10 % wanneer de referentieprijs van de markt negatief is]; 2° de hoeveelheid energie die overeenkomt met een negatieve procentuele productieafwijking waarvan de absolute waarde lager is dan of gelijk is aan 30 % wordt door de netbeheerder bijgeleverd aan de concessionaris aan de Niet-vertrouwelijk 5/29 marktreferentieprijs, verhoogd met 10 % [1 wanneer de marktreferentieprijs positief is of is verminderd met 10 % wanneer de referentieprijs van de markt negatief is]; 3° de hoeveelheid energie die overeenkomt met de procentuele productieafwijking waarvan de absolute waarde 30 % overschrijdt wordt verrekend op basis van het tarief van de netbeheerder voor de compensatie van de onevenwichten, of, in voorkomend geval, overeenkomstig de marktvoorwaarden voor onbalansenergie."
  9. Via het koninklijk besluit van 30 maart 2009 betreffende productieafwijkingen op installaties voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden werd uitvoering gegeven aan deze bepaling, voor de wijziging van de wet van 8 oktober
  10. Sinds de inwerkingtreding van de wet op 8 januari 2012 is de CREG bevoegd voor de vastlegging van de berekeningsmodaliteiten van de productieafwijking in de zin van artikel 7, §3 van de elektriciteitswet; ze heeft daarover wel geen beslissing genomen en het koninklijk besluit van 30 maart 2009 werd evenmin opgeheven.
  11. In de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd een wetsontwerp1 tot wijziging van de elektriciteitswet goedgekeurd op 14 juli 2016, waarbij onder andere het voormelde artikel 7, §3 van de elektriciteitswet werd opgeheven. De inhoud van dit ontwerp, waaronder de opheffing van artikel 7, §3 van de elektriciteitswet, maakte voorwerp uit van de notificatie aan de Europese Commissie zoals bedoeld in nr. 17 van onderhavige beslissing. 1 Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt wat betreft de wijziging van het systeem voor de toekenning van groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd overeenkomstig artikel 6, de financiering van de onderzeese kabel en de productieafwijking, Parl. Doc., Kamer, zit. 2015-2016, nr 54 1911/
  12. Niet-vertrouwelijk 6/29 II.2 Europese regelgeving
  13. Artikel 107, §1 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna "het VWEU”) bepaalt het volgende: "Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt." Artikel 108, §3 van het VWEU bepaalt dan weer het volgende: "De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk voornemen volgens artikel 107 onverenigbaar is met de interne markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid." Deze bepaling bevat de regel die meestal de standstill verplichting wordt genoemd. Onder "inwerkingtreding" moet niet enkel de effectieve betaling van de steun worden verstaan, maar ook het moment waarop het recht op de steun wordt toegekend krachtens de nationale wetgeving. Als de lidstaat deze verplichting niet nakomt, zal de toegekende steun - namelijk de beslissing om steun toe te kennen - als onwettig worden beschouwd. Elke overheid van de lidstaat dient deze verplichting na te leven. De CREG dient als administratieve overheid – ook al is ze onafhankelijk – de standstill regel na te leven. Niet-vertrouwelijk 7/29 III. ANTECEDENTEN
  14. Het koninklijk besluit van 16 juli 2002 werd aangepast door het koninklijk besluit van 4 april 2014 houdende de wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, waarbij een variabel ondersteuningsmechanisme op basis van de LCOE werd ingevoerd voor nieuwe offshore windmolenparken.
  15. De Ministerraad heeft op 20 november 2015 een beslissing genomen ter herziening van het mechanisme voor de ondersteuning van de offshore elektriciteitsproductie. De wettelijke en reglementaire wijzigingen ten gevolge van deze beslissing zijn tot op heden niet doorgevoerd, van kracht noch uitgevoerd.
  16. Op 4 maart 2016 werd de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, §3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie door de Belgische Staat, onder de vorm van een voorafgaande kennisgeving, ingelicht over de aanpassing van het ondersteuningsmechanisme evenals van de toepassing van dit mechanisme, met name op het toekomstige offshore park van Norther.
  17. Op 29 april 2016 heeft Norther een aanvraagdossier ingediend bij de CREG om de waarden vast te leggen die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de minimumprijs per groenestroomcertificaat, overeenkomstig de bepalingen in artikel 14, §1ter van het koninklijk besluit van 16 juli
  18. Het aanvraagdossier bestaat uit enerzijds een dossier m.b.t. de exploitatiekosten en anderzijds een dossier m.b.t. het contract voor de verkoop van de geproduceerde elektriciteit en de bijhorende correctiefactor.
  19. Op 26 mei 2016 heeft de CREG aan Norther bijkomende informatie opgevraagd.
  20. Op 16 juni 2016 ontving de CREG van Norther bijkomende informatie in antwoord op haar vraag van 26 mei
  21. De Ministerraad heeft op 9 juni 2016 opnieuw een beslissing genomen ter herziening van het mechanisme voor de ondersteuning van de offshore elektriciteitsproductie. De wettelijke en reglementaire wijzigingen ten gevolge van deze beslissing zijn tot op heden niet doorgevoerd, van kracht noch uitgevoerd.
  22. Op 16 juni 2016 heeft de Belgische Staat het nieuwe ondersteuningsmechanisme zoals beslist door de Ministerraad van 9 juni 2016 evenals de toepassing van dit mechanisme, met name op het toekomstige offshore park van Norther, overeenkomstig artikel 108, §3, van Niet-vertrouwelijk 8/29 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aangemeld bij de Europese Commissie.
  23. Op 23 en 28 juni 2016 heeft Norther bijkomende informatie opgeleverd.
  24. Op 4 juli heeft de CREG verdere verduidelijkingen gevraagd aan Norther aangaande het ingediende dossier. Op 5 juli heeft Norther hierop geantwoord.
  25. Op 6 juli 2016 heeft de CREG een schrijven van Norther (dd. 4 juli 2016) ontvangen waarin zij afstand doet van bepaalde rechten die zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 16 juli
  26. In haar schrijven stelt Norther het volgende: Teneinde de CREG desalniettemin in staat te stellen spoedig een besluit te nemen zodat Norther haar vooropgestelde financial close kan bereiken, gaat Norther akkoord met de inhoud van de communicatie van 9 juni 2016 betreffende het ondersteuningssysteem voor Norther. Met betrekking tot de aanvraagdossiers die op 29 april 2016 en 21 juni 2016 bij de CREG werden ingediend,: verklaart Norther dat zij zich, in afwijking van artikel 14§1, 1bis van het KB van 16 juli 2002 akkoord verklaart met een vaste LCOE van 124,00 EUR/MWh zoals bepaald in bovenvermelde communicatie van 9 juni 2016 en verzaakt Norther aan enig LCOE bedrag boven 124,00 EUR/MWh (berekend over een periode van 20 jaar) zoals bepaald in de communicatie van 9 juni 2016 (zonder afbreuk te doen aan de kabelsubsidie en –toeslag zie verder); verzaakt Norther aan de aankoopverplichting van groenestroomcertificaten tijdens het twintigste jaar (met andere woorden : de aankoopverplichting geldt voor 19 jaar); verzaakt Norther aan de driejaarlijkse herziening van de LCOE in functie van de werkelijke exploitatiekost (OPEX); verklaart Norther dat zij zich, in afwijking van artikel 7§2 van de elektriciteitswet van 29 april 1999, akkoord verklaart met een bedrag van 8,2 EUR/MWh voor de kabeltoeslag en verzaakt Norther aan enige kabeltoeslag boven de 8,2 EUR/MWh (zonder afbreuk te doen aan de rechten op basis van de elektriciteitswet op de kabelsubsidie van 25 miljoen EUR); verzaakt Norther aan de driejaarlijkse herziening van de correctiefactor en aanvaardt zij de jaarlijkse herziening van de correctiefactor. Wat betreft de correctiefactor vraagt Norther aan de CREG om voor het eerste jaar na de financial close een correctiefactor van 16,15% (9,7% + 6,45% voor profile cost) goed te keuren.
  27. Op 11 en 12 juli 2016 heeft de CREG verdere verduidelijkingen gevraagd aan Norther aangaande het ingediende dossier.
  28. Op 12 en 13 juli 2016 heeft Norther geantwoord op de vraag naar verduidelijkingen die de CREG stelde op 11 en 12 juli
  29. Niet-vertrouwelijk 9/29
  30. Ontwerpbeslissing (B)160720-CDC-1550 over “het vastleggen van de elementen ter bepaling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten uitgereikt voor de elektriciteit geproduceerd door de installaties in de domeinconcessie van Norther” werd goedgekeurd door de CREG tijdens het directiecomité van 20 juli
  31. Het Directiecomité van de CREG besliste, op grond van artikel 23, §1, van zijn huishoudelijk reglement, in het kader van de eindbeslissing over dit dossier, om met toepassing van artikel 40, eerste lid, 1°, en tweede lid, van zijn huishoudelijk reglement, geen openbare raadpleging over deze ontwerpbeslissing te organiseren gelet op de hoeveelheid vertrouwelijke informatie die het dossier en de ontwerpbeslissing bevatten, doch wel een nietopenbare raadpleging van Norther vanaf 25 juli 2016 (middernacht) tot en met 22 augustus 2016 (middernacht).
  32. De CREG heeft op 19 augustus 2016 per e-mail en op 22 augustus 2016 per aangetekend schrijven de opmerkingen over de ontwerpbeslissing van Norther ontvangen. Niet-vertrouwelijk 10/29 IV. RAADPLEGING
  33. Artikel 40, 1ste lid van het huishoudelijk reglement van de CREG bepaalt dat het directiecomité van de CREG geen openbare raadpleging zal organiseren, meer bepaald indien het ontwerp van beslissing "in die mate vertrouwelijke informatie bevat dat een openbare raadpleging over de resterende elementen onmogelijk of nutteloos voorkomt". In dat geval (art. 40, 2e lid) "kan het directiecomité nog wel beslissen tot een niet-openbare raadpleging, in het bijzonder van diegene van wie het voorstel ter goedkeuring door het directiecomité uitgaat. Het directiecomité zal daartoe overgaan indien de betrokken persoon of personen nog niet de mogelijkheid heeft/hebben gehad zijn/hun opmerkingen te laten gelden in het kader van de voorgenomen beslissing".
  34. Het Directiecomité kon in casu enkel vaststellen dat de ontwerpbeslissing voornamelijk was gebaseerd op gegevens die betrekking hebben op offertes die Norther heeft ontvangen en dat deze gegevens commercieel gevoelig en bijgevolg vertrouwelijk waren. Een openbare raadpleging over een niet-vertrouwelijke versie van de ontwerpbeslissing zou de marktspelers niet toegelaten hebben om zich op nuttige wijze uit te spreken over het ontwerp rekening houdend met de grote hoeveelheid informatie die in de niet-vertrouwelijke versie had moeten verborgen worden. Bijgevolg kon een openbare raadpleging, conform artikel 40, 1e lid, 1° in casu niet worden overwogen.
  35. Het Directiecomité moest eveneens vaststellen dat het bedrag van de LCOE, dat in de ontwerpbeslissing was opgenomen en het gevolg was van de verzaking die Norther aan de CREG had meegedeeld. Deze verzaking volgde uit een akkoord tussen de vertegenwoordigers van de federale regering en Norther, zoals beslist op de Ministerraad van 9 juni
  36. Over dit bedrag wenste de CREG geen openbare raadpleging te houden. Bij een (al dan niet openbare) raadpleging wordt immers verondersteld dat de geraadpleegde personen hun advies over het ontwerp kunnen geven en dat ze ook een wijziging van het ontwerp kunnen voorstellen en in voorkomend geval ook kunnen verkrijgen. In casu moest het Directiecomité het volgende vaststellen. Niet-vertrouwelijk 11/29 Enerzijds kon de wijziging van de LCOE als gevolg van het voormelde akkoord niet worden overwogen en zou deze wijziging in elk geval niet vallen binnen de bevoegdheden van de CREG, maar wel binnen de bevoegdheden van de bevoegde ministers die met het akkoord van Norther handelen. Anderzijds was het niet de taak van de CREG om een openbare raadpleging te organiseren over de beslissingen van de federale regering.
  37. Het Directiecomité van de CREG besliste, op grond van artikel 23, §1, van zijn huishoudelijk reglement, in het kader van de eindbeslissing over dit dossier, om met toepassing van artikel 40, eerste lid, 1°, en tweede lid, van zijn huishoudelijk reglement, geen openbare raadpleging over deze ontwerpbeslissing te organiseren gelet op de hoeveelheid vertrouwelijke informatie die het dossier en de ontwerpbeslissing bevatten, doch wel een nietopenbare raadpleging van Norther vanaf 25 juli 2016 (middernacht) tot en met 22 augustus 2016 (middernacht).
  38. De CREG heeft op 19 augustus 2016 de opmerkingen van Norther ontvangen. In haar reactie formuleert Norther 7 opmerkingen bij de ontwerpbeslissing.
  39. De eerste opmerking heeft betrekking op het citaat in randnummer
  40. Volgens Norther omvat het citaat niet exact de tekst van artikel 14, §1quater van het koninklijk besluit van 16 juli
  41. De CREG zal de geciteerde passage in randnummer 5 van de ontwerpbeslissing nakijken en corrigeren in de eindbeslissing.
  42. Norther merkt op dat de eerste alinea van het citaat in randnummer 6 niet overeenstemt met de Elektriciteitswet. In de eerste alinea van randnummer 6 heeft de CREG tussen haakjes gedefinieerd welke installaties bedoeld worden in artikel 7, §2 van de Elektriciteitswet. Deze toevoeging draagt bij tot meer verduidelijking. Daarom weerhoudt de CREG deze opmerking van Norther niet.
  43. Betreffende de verzakingsbrief die vermeld wordt in randnummer 20 merkt Norther op: - dat in het eerste gedachtestreepje van het citaat dient de volgende zinssnede geschrapt te worden omdat deze niet voorkomt in de verzakingsbrief: “en zonder afbreuk te doen aan het mechanisme van de herziening” Niet-vertrouwelijk 12/29 - om de volgende paragraaf toe te voegen aan het citaat gezien dit relevant is in de beslissing: “Wat betreft de correctiefactor vraagt Norther aan de CREG om voor het eerste jaar na de financial close een correctiefactor van 16,15% (9,7% + 6,45% voor de profile cost) goed te keuren.” De CREG weerhoudt deze opmerkingen en zal deze aanpassingen verwerken in de eindbeslissing.
  44. Verder stelt Norther voor om na randnummer 22 een nieuwe paragraaf toe te voegen met de verwijzing naar de ontwerpbeslissing van de kabelsubsidie: “Tijdens het directiecomité van 7 juli 2016 werd de ontwerpbeslissing (B)160707CDC-1544 betreffende “de controle van de door de netbeheerder voor de financiering in aanmerking te nemen totale kosten voor de aankoop, de levering en de plaatsing van de onderzeese kabel alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van de productie-installaties van het offshore windturbinepark” goedgekeurd door de CREG.” In de antecedenten wordt een overzicht van de gebeurtenissen gegeven die geleid hebben tot het nemen van deze beslissing. De door Norther voorgestelde paragraaf weerhoudt de CREG niet aangezien ze geen bijkomende toegevoegde waarde heeft.
  45. Norther stelt ook voor om in randnummer 38 [randnummer 49 van de eindbeslissing] in de zinssnede die begint met “Als uit het onderzoek van de CREG …” het woord “als” te vervangen door “aangezien”. De CREG zal deze materiële fout aanpassen in de eindbeslissing.
  46. In de ontwerpbeslissing is randnummer 70 [randnummer 81 van de eindbeslissing] vertrouwelijk. Norther vermoedt dat dit een vergissing is en vraagt inzage in deze paragraaf om hier alsnog op te reageren. Randnummer 70 is inderdaad vertrouwelijk. In deze paragraaf maakt de CREG een vergelijking met een andere domeinconcessie. Daardoor is deze paragraaf ook vertrouwelijk voor Norther en werd deze niet voorgelegd ter consultatie.
  47. Tenslotte merkt Norther op dat randnummer 72 [randnummer 83 van de eindbeslissing] verwijst naar de brief waarin Norther inderdaad een correctiefactor heeft aangevraagd conform het gestelde. Norther wil echter opmerken dat deze vraag ervan uitgaat dat Norther haar financial close bereikt in
  48. Daarom stelt Norther voor dat er specifiek wordt verwezen naar het jaar 2017 voor toepassing van de betreffende correctiefactor van 16,15% eerder dan te verwijzen naar het “jaar na financial close”. Niet-vertrouwelijk 13/29 De CREG wenst op te merken dat zij enkel een beslissing kan nemen op basis van het ingediende dossier en de daarin vermelde assumpties, zoals de datum van financial close. De CREG kan in deze beslissing niet anticiperen op een mogelijke verschuiving van de datum van financial close die een effect zou kunnen hebben op de correctiefactor en kan enkel haar beslissing baseren op het ingediende dossier. Bijgevolg weerhoudt de CREG de opmerking niet. V. DE WERKELIJKE EXPLOITATIEKOST
  49. Conform het koninklijk besluit van 16 juli 2002 wordt de waarde van de LCOE van Norther aangepast zodat de LCOE de werkelijke exploitatiekost weerspiegelt. Hierna onderzoekt de CREG de door Norther voorgelegde exploitatiekosten voor de eerste periode van drie jaar. Op basis van deze analyse bevestigt of past de CREG de LCOE, die van toepassing is op Norther, aan. V.1 Onderzoek van de werkelijke exploitatiekost
  50. Op basis van het initiële aanvraagdossier en de bijkomende informatie stelt de CREG vast dat de ingediende exploitatiekosten bestaan uit de volgende zes componenten: 1) “Onderhoudskosten turbines”: deze component bevat de kosten die verbonden zijn aan het [vertrouwelijk]; 2) “Balance of plant” (hierna “BOP”) omvat de kosten voor het onderhoud, en de inspectie van de funderingen, bekabeling en elektrische infrastructuur tot aan de beach pit en connectie met Elia; 3) “Owner’s operational cost”: deze opex-cost omvat zaken die voor het beheer van het windmolenpark noodzakelijk zijn en die buiten de scope van het onderhoud aan de windturbines en BOP vallen; 4) “Verzekeringen”: de kosten voor de verzekeringen bestaan uit de premies voor Property damage, Third party Liability en Business interruption; 5) “Transmissienetkosten” bevat alle kosten die Elia jaarlijks zal aanrekenen voor de toegang tot het net en de injectie van de geproduceerde energie; Niet-vertrouwelijk 14/29 6) “Vergunningen en monitoring” bevat de kosten voor monitoring en compensatie voor eventuele milieuschade die wettelijk vastgelegd zijn zoals bijvoorbeeld de monitoring door het BMM; 7) “Financiële verplichtingen kredietovereenkomst” bevat de kosten voor de technische monitoring die gevraagd wordt door de financierende banken; 8) “Andere kosten” omvat een provisie van [vertrouwelijk] op de reeds gebudgetteerde opex kosten. Norther acht het noodzakelijk om dergelijke post op te nemen in haar budget aangezien verschillende contracten nog niet finaal zijn afgesloten, de afgesloten contracten mogelijks niet 100% van de risico’s afdekken en er onverwachte kosten zijn.
  51. Tabel 1 geeft een overzicht weer van alle kosten per component. De CREG stelt vast dat de OPEX kosten stijgen in de loop der jaren. Dit wordt veroorzaakt door de indexatieparameters in de verschillende contracten.
  52. De opex kost stijgt van [vertrouwelijk] EUR/MWh tot [vertrouwelijk] EUR/MWh en is gemiddeld [vertrouwelijk] EUR/MWh over de volledige levensduur. De CREG stelt vast dat deze kostprijs in lijn ligt met de cijfers van andere Belgische offshore windparken zoals reeds aangetoond in studie (F)151015-CDC-1462 over “de analyse van ondersteuning van offshore windenergie met inbegrip van het jaarlijks verslag over de doeltreffendheid van de minimumprijs voor offshore windenergie”. Niet-vertrouwelijk 15/29 Tabel 1: Overzicht operationele kosten Norther2 Jaar Periode 1 31/10/2016 30/10/2017 2 31/10/2017 30/10/2018 3 31/10/2018 30/10/2019 4 31/10/2019 30/10/2020 5 31/10/2020 30/10/2021 6 31/10/2021 30/10/2022 7 31/10/2022 30/10/2023 8 31/10/2023 30/10/2024 9 31/10/2024 30/10/2025 10 31/10/2025 30/10/2026 11 31/10/2026 30/10/2027 12 31/10/2027 30/10/2028 13 31/10/2028 30/10/2029 14 31/10/2029 30/10/2030 15 31/10/2030 30/10/2031 16 31/10/2031 30/10/2032 17 31/10/2032 30/10/2033 18 31/10/2033 30/10/2034 19 31/10/2034 30/10/2035 20 31/10/2035 30/10/2036 21 31/10/2036 30/10/2037 22 31/10/2037 30/10/2038 23 31/10/2038 30/10/2039 TOTAL Onderhoudskosten Onderhoudskoste WTG kEUR n BOP kEUR [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] Financiële verplichting Onvoorzien Production OPEX/jaar OPEX/periode Totaal kEUR kredietovk. kEUR Green MWh EUR/MWh EUR/MWh kEUR [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] Owner’s operational cost kEUR Vergunningen Verzekeringen Transmissienet en monitoring kEUR kosten kEUR kEUR 2 Jaar 1 begint op de veronderstelde datum van financial close. Rekening houdende met een bouwperiode van 2 jaar begint de productie van de windenergie pas in Q3
  53. Niet-vertrouwelijk 16/29 V.2 Bepaling van de LCOE die van toepassing is op Norther
  54. Zoals bepaald in artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 past de CREG de LCOE aan op basis van de werkelijke exploitatiekosten. De CREG onderzoekt of er een verschil is tussen de gecontracteerde exploitatiekosten en een referentie-exploitatiekost van 30,00 EUR/MWh.
  55. Op basis van de cijfers in tabel 1, kan de CREG vaststellen dat de werkelijke exploitatiekosten lager zijn dan 30,00 EUR/MWh gedurende de eerste zes operationele jaren. Vanaf het zevende jaar stijgt de OPEX boven 30,00 EUR/MWh. Tabel 2: Aanpassing LCOE op basis van het verschil tussen werkelijke exploitatiekosten en een referentie-exploitatiekost van 30 EUR/MWh. Jaar OPEX periode Delta tov 30 EUR/MWh LCOE van toepassing 1-3 [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] 4-6 [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] 7-9 [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] 10-12 [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] 13-15 [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] 16-18 [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] 19-21 [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] 22-23 [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] Gemiddeld over de volledige levensduur [vertrouwelijk] [vertrouwelijk] [vertrouwelijk]
  56. Op basis van deze vaststellingen past de CREG de LCOE voor Norther aan. Zoals berekend in tabel 2 is de LCOE gelijk aan [vertrouwelijk] EUR/MWh voor de eerste periode van drie jaar die ingaat op de datum van financial close. Over de volledige operationele levensduur van Norther is een gemiddelde LCOE van [vertrouwelijk] EUR/MWh van toepassing op Norther.
  57. Artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 bepaalt dat de CREG de LCOE bepaald in artikel 14, § 1, 2e lid, 1°bis aanpast "zodat deze de werkelijke exploitatiekost weerspiegelt". Deze aanpassing gebeurt op basis van informatie over de door de concessiehouder overgemaakte contractuele exploitatiekosten. Als de CREG na onderzoek van deze informatie een verschil vaststelt tussen de werkelijke kosten en de referentieexploitatiekost vastgelegd door de bepaling in kwestie, dan past ze de minimumprijs voor de aankoop van groenestroomcertificaten aan. Niet-vertrouwelijk 17/29 Als gevolg hiervan heeft de CREG weinig manoeuvreerruimte: haar taak is voornamelijk informatie verzamelen over de werkelijke exploitatiekosten, deze kosten te vergelijken met een referentiekost en de LCOE, indien nodig, aan te passen op basis van deze vaststellingen en bijgevolg de minimumprijs voor de aankoop van groenestroomcertificaten te bepalen. Volgens het voormelde artikel 14, § 1ter, gebeurt deze aanpassing om de drie jaar.
  58. In dit geval heeft de CREG echter een brief van Norther ontvangen waarin Norther verzaakt aan het deel van de LCOE boven het bedrag van 124,00 EUR/MWh. Ze vraagt in die zin dat de CREG, op basis van voormeld artikel 14, § 1ter, een beslissing neemt waarin de aan Norther toegekende LCOE 124,00 EUR/MWh zou bedragen en dit tijdens de hele duur van de verplichting voor de transmissienetbeheerder om groenestroomcertificaten aan te kopen, namelijk 19 jaar - en geen 20 - op die manier verzaakt Norther aan de winst van het laatste jaar voor de aankoop van groenestroomcertificaten. Norther verzaakt eveneens aan de driejaarlijkse herziening van de LCOE in functie van de werkelijke exploitatiekost zoals voorzien in voormeld artikel 14, § 1ter. Er dient dan ook te worden onderzocht of de CREG, als ze artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 toepast, van haar vaststellingen mag afwijken en een LCOE mag vastleggen die lager is dan wat ze in principe volgens de vaststellingen zou moeten vastleggen.
  59. Hierbij moet ten eerste worden vastgesteld dat Norther verzaakt aan haar rechten en dat deze verzaking alle verbruikers ten goede komt, aangezien het deze verbruikers zijn die de kost van de aankoop door de netbeheerder van de groenestroomcertificaten, toegekend aan de producenten van offshore elektriciteit, in fine dragen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie3 is een verzaking geldig als ze niet in strijd is met de openbare orde. Dat is in casu het geval: op zich verbiedt niets de begunstigde van een steunmaatregel om te verzaken aan een deel van de wettelijk voorziene steun.
  60. Daarnaast moet er worden vastgesteld dat de verzaking van Norther het gevolg is van een akkoord tussen deze domeinconcessiehouder en de federale regering. Naar aanleiding van dit akkoord, heeft de Ministerraad van 9 juni 2016 de beslissing genomen die aan de Europese Commissie werd genotificeerd om de goedkeuring van de Commissie te krijgen met betrekking tot de nieuwe steunmaatregelen voor de productie van offshore elektriciteit. Voor de duidelijkheid, het bedrag van de LCOE dat Norther had gevraagd in het 3 Cass., 21 januari 2000, Pas., I, 56 Niet-vertrouwelijk 18/29 kader van deze beslissing stemt overeen met het bedrag van de steun die aan Norther werd toegekend en aan de Europese Commissie werd genotificeerd. Nu het steunmechanisme aan de Europese Commissie werd genotificeerd, moet het standstillprincipe worden toegepast, in die zin dat steun voor de productie van offshore elektriciteit niet aan Norther kan worden toegekend zolang de Europese Commissie die niet heeft goedgekeurd, en er kan ook geen hoger bedrag worden toegekend dan wat werd genotificeerd met het oog op een toekomstige goedkeuring. Zoals blijkt uit de studie (F)151015-CDC-1462 van de CREG "over de analyse van ondersteuning van offshore windenergie met inbegrip van het jaarlijks verslag over de doeltreffendheid van de minimumprijs voor offshore windenergie” zou de loutere toepassing van het van kracht zijnde koninklijk besluit van 16 juli 2002 ertoe leiden dat er aan Norther te veel steun zou worden toegekend en dit zou niet beantwoorden aan de vereisten van de Richtsnoeren staatssteun van de Europese Commissie ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (hierna: de richtsnoeren van de Europese Commissie). De strikte toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 kan dus niet worden overwogen. Om nuttig gevolg te geven aan de opschortende voorwaarde in deze beslissing, dient het toegekende bedrag voor de LCOE hetzelfde te zijn als het bedrag dat aan de Europese Commissie werd genotificeerd zodat deze beslissing volledig van kracht wordt zodra het bedrag van de steun door de commissie wordt goedgekeurd. In die zin vereist het standstillprincipe uit artikel 108, § 3 van het VWEU de vastlegging van de LCOE op hetzelfde niveau als het niveau dat aan de Europese Commissie werd genotificeerd.
  61. Om voormelde redenen neemt de CREG akte van de verzaking van Norther en aanvaardt ze op basis hiervan om de LCOE, die van toepassing is op deze concessiehouder, vast te leggen op 124,00 EUR/MWh. Aangezien uit het onderzoek van de CREG (cf. tabel 2) blijkt dat dit bedrag van 124,00 EUR/MWh altijd lager zal zijn dan de bedragen die van toepassing zouden moeten zijn op elke periode van drie jaar als er rekening zou moeten worden gehouden met de werkelijke exploitatiekosten, kan de CREG de LCOE van Norther nu al vastleggen op 124,00 EUR/MWh voor de hele duur van de periode voor de aankoop van groenestroomcertificaten. Dit bedrag doet natuurlijk geen afbreuk aan de aanpassingen van de correctiefactor, noch aan de verhoging van de LCOE waarop Norther aanspraak kan maken voor de onderzeese kabel, Niet-vertrouwelijk 19/29 met toepassing van artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet zoals de CREG heeft geïmplementeerd in haar eindbeslissing (B)160825-CDC-1544 betreffende “de controle van de door de netbeheerder voor de financiering in aanmerking te nemen totale kosten voor de aankoop, de levering en de plaatsing van de onderzeese kabel alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van de productieinstallaties van het offshore windturbinepark van Norther”. VI. BEPALING VAN DE CORRECTIEFACTOR
  62. De CREG onderzoekt hierna, op basis van artikel 14, § 1ter, van het koninklijk besluit van 16 juli 2002, of er een verschil is tussen de gecontracteerde verkoopprijs voor elektriciteit en een gemiddelde nominale prijs gelijk aan 90% van de elektriciteitsreferentieprijs. Het onderzoek van de CREG verloopt in 2 fases. In een eerste fase analyseert de CREG de totstandkoming van het contract voor de aankoop van de elektriciteit. In een tweede fase onderzoekt de CREG het verschil tussen de gecontracteerde verkoopprijs en 90% van de elektriciteitsreferentieprijs en bepaalt zij de correctiefactor. VI.1 Toepassing van het wettelijk kader
  63. Artikel 14, § 1ter, van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 bepaalt onder meer dat de CREG een eerste maal vóór financial close en vervolgens om de drie jaar onderzoekt of er een verschil is tussen de gecontracteerde verkoopprijs voor elektriciteit en een gemiddelde nominale prijs gelijk aan 90% van de elektriciteitsreferentieprijs. De periodiciteit van drie jaar komt overeen met de frequentie van de eventuele aanpassing van de LCOE om rekening te houden met de werkelijke exploitatiekosten.
  64. Uit de beslissing die de Ministerraad, in samenspraak met Norther, heeft genomen op 9 juni 2016 blijkt dat de correctiefactor in de toekomst jaarlijks en niet meer om de drie jaar zal worden aangepast. Deze wijziging maakt integraal deel uit van het nieuwe ondersteuningsmechanisme voor de productie van offshore elektriciteit dat op 16 juni 2016 aan de Europese Commissie werd genotificeerd. In haar brief van 4 juli 2016 verklaart Norther te verzaken aan een driejaarlijkse herziening van de correctiefactor en een jaarlijkse herziening ervan te aanvaarden. Niet-vertrouwelijk 20/29 Een jaarlijkse herziening van de correctiefactor levert minder risico op voor de koper van de elektriciteit dan een driejaarlijkse herziening, waardoor de aankoopprijs voor de elektriciteit iets hoger komt te liggen. Een jaarlijkse herziening van de correctiefactor heeft geen impact op de inkomsten van de domeinconcessiehouder wegens de gegarandeerde LCOE: een stijging van de inkomsten uit elektriciteit gaat gepaard met een daling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten. Deze jaarlijkse herziening leidt tot een daling van de kost voor de financiering van de aankoop van groenestroomcertificaten en dus tot een lagere toeslag ten laste van de elektriciteitsverbruiker. Om deze reden staat de CREG positief tegenover een jaarlijkse herziening van de correctiefactor.
  65. Bovendien is er momenteel een mechanisme ter compensatie van de productie- afwijkingen van toepassing. De afschaffing van dit mechanisme wordt momenteel voorzien in een wetsontwerp (goedgekeurd op 14 juli 2016) tot wijziging van de elektriciteitswet (zie randnummer 8) en maakt bovendien deel uit van het dossier dat aangemeld werd bij de Europese commissie in het kader van artikel 108, § 3, van het VWEU (zie randnummer 17). Uit de Richtsnoeren van de Europese Commissie blijkt immers dat de begunstigden van een steunmaatregel voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen aan standaardbalanceringstaken moeten zijn onderworpen
  66. Anticiperend op de toekomstige wetswijziging heeft Norther, in overeenstemming met het notificatiedossier aan de Europese Commissie over het nieuwe ondersteuningsmechanisme, een offerte weerhouden die geen rekening houdt met de productieafwijking uit artikel 7, §3 van de elektriciteitswet (zie hierna paragraaf 74).
  67. De bovenstaande elementen hebben een impact op de correctiefactor. VI.2 Contract voor de aankoop van elektriciteit
  68. Het op 29 april 2016 ingediende aanvraagdossier voor de validatie van de correctiefactor van Norther bevat een nota van toelichting waarin naast algemene informatie over het Norther-project en de uiteenzetting met betrekking tot de exploitatiekosten, ook een beschrijving van het proces dat geleid heeft tot de keuze van de tegenpartij voor de verkoop van de elektriciteit, die door het te realiseren offshore windmolenpark van Norther, zal worden geïnjecteerd in het Elia-net. Als bijlagen aan deze nota werden met betrekking tot het contract 4 Richtsnoeren, §
  69. Niet-vertrouwelijk 21/29 voor de aankoop van elektriciteit ondermeer de Invitation To Tender (hierna “ITT”), de PPA Term sheet, en een aantal weerhouden offertes toegevoegd.
  70. De CREG heeft op 26 mei 2016 naast een toelichting van het toekenningsproces van de PPA eveneens de ontvangen bindende en niet-bindende offertes bij Norther opgevraagd.
  71. Op 16 juni 2016 ontving de CREG de niet-bindende offertes. Op 23 juni 2016 ontving de CREG een toelichting van de evaluatie van de verschillende PPA-offertes. Op 28 juni 2016 ontving de CREG van Norther de bindende PPA-offerte van [vertrouwelijk].
  72. Het doel van het afsluiten van de PPA is de verkoop van de toekomstig geproduceerde elektriciteit aan een kredietwaardige tegenpartij aan competitieve voorwaarden veilig te stellen.
  73. De ITT vermeldt dat [vertrouwelijk]. Deze voorwaarde dient gezien te worden in het licht van het [vertrouwelijk].
  74. Verder vermeldt de ITT dat de toekenning zal gebeuren na aan de hand van een rangschikking op basis van de volgende criteria: kredietwaardigheid van de aanbieder, de competitiviteit van het bod, de ervaring van de aanbieder en de voorwaarden van het contract.
  75. De ITT bevat eveneens een planning van het aanbestedingsproces, lopende van de ITT op 2 december 2015 tot de geplande financial close op 14 oktober
  76. De ‘term sheet’ bepaalt de belangrijkste principes van de PPA. Het aanbestedingsproces
  77. Het aanbestedingsproces werd op 2 december 2015 gelanceerd met het uitsturen van de ITT naar 7 potentiële kandidaten, namelijk, [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk]. Van de zeven aangeschreven partijen bleken er drie geen interesse te hebben ([vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk]). Met de vier overgebleven partijen werd een NDA5 gesloten en deze ontvingen de “Term sheet”, die de basis vormt voor het afsluiten van een PPA.
  78. Op 9 december 2015 werd de Term sheet uitgestuurd naar [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk]. 5 NDA : Non Disclosure Agreement Niet-vertrouwelijk 22/29
  79. Overeenkomstig de ITT, dienden de kandidaten op 27 januari 2016 hun bindende offertes in te dienen.
  80. Na analyse van de ontvangen offertes werd een rangschikking van de 4 kandidaten opgemaakt, waarbij [vertrouwelijk] punten als beste kandidaat werd gerangschikt, gevolgd door [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk].
  81. Geen enkel van de biedingen was volledig in overeenstemming met de term sheet.
  82. Het bod van [vertrouwelijk] voldeed niet aan de bepalingen van de term sheet [vertrouwelijk].
  83. Het bod van [vertrouwelijk] voorzag [vertrouwelijk].
  84. [vertrouwelijk] diende op 27 januari 2016 een niet-bindend bod voor 100% van de elektriciteitsproductie (in plaats van 50%) in met de volgende prijsformule (gebaseerd op een driejaarlijkse herziening van de correctiefactor) : - Voor de eerste periode (3 jaar) van uitbating : [vertrouwelijk] Waarbij [vertrouwelijk] voor de periode van 12 maanden voorafgaand aan de vier maand waarbinnen de CREG de correctiefactor dient te bepalen voor de volgende periode (toegepast op het kalenderjaar 2015 komt de [vertrouwelijk] - Voor de volgende jaren : [vertrouwelijk] Waarbij [vertrouwelijk]
  85. De offerte van [vertrouwelijk] was eveneens gebaseerd op Endex met de volgende prijsformule : [vertrouwelijk] waarbij [vertrouwelijk] Voor de eerste drie jaar van uitbating is [vertrouwelijk]. [vertrouwelijk] hield in haar offerte rekening met een jaarlijkse herberekening van de [vertrouwelijk] vanaf het vierde jaar in plaats van een vaste waarde over 15 jaar zoals vereist in de term sheet.
  86. Norther heeft na een inhoudelijke en financiële evaluatie van de biedingen, de offerte van [vertrouwelijk] het hoogste gerangschikt. Alle verkregen offertes hielden rekening met het Niet-vertrouwelijk 23/29 wettelijk kader dat voorzag in een driejaarlijkse aanpassing van de correctiefactor en de toepassing van een onbalansregime zoals bepaald in artikel 7, §3, van de elektriciteitswet.
  87. Op 25 februari 2016 heeft Norther aan [vertrouwelijk] de vraag gesteld om een jaarlijkse herziening van de correctiefactor als optie mee te nemen in een bindende offerte. Op 11 maart 2016 heeft [vertrouwelijk] een bindende offerte overgemaakt aan Norther, waarbij de vaste factor daalt van [vertrouwelijk] ten gevolge van de overgang naar een jaarlijkse herziening van de correctiefactor.
  88. Op 18 april 2016 vroeg Norther aan [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] een update van hun offerte rekening houdend met een afschaffing van artikel 7, § 3, van de elektriciteitswet. Op 4 mei 2016 ontving Norther van [vertrouwelijk] op niet-bindende basis dat de afschaffing van artikel 7, §3, van de elektriciteitswet leidt tot een verhoging van de correctiefactor met [vertrouwelijk] (t.o.v. de bindende offerte die [vertrouwelijk] indiende op 11 maart 2016). Op 20 mei 2016 ontving Norther van [vertrouwelijk] het antwoord dat de impact van de afschaffing van artikel 7, § 3, van de elektriciteitswet op [vertrouwelijk] wordt geraamd, waardoor de [vertrouwelijk] in de offerte van Eneco stijgt [vertrouwelijk] voor de eerste periode van drie jaar.
  89. Na voormelde onderhandelingen diende Engie – Electrabel op 24 juni 2016 een Best and Final Offer (BAFO) dat dus rekening hield met : - een afschaffing van artikel 7, § 3, van de elektriciteitswet; - een jaarlijkse in plaats van driejaarlijkse herziening van de correctiefactor; - een mogelijke afname van slechts 50% van het totale productievolume De prijsformule in deze uiteindelijke offerte was de volgende : [vertrouwelijk] [vertrouwelijk]
  90. [vertrouwelijk]
  91. In de verzakingsbrief van 4 juli 2016 die Norther aan de CREG stuurde, vroeg Norther expliciet om een correctiefactor van 16,15% goed te keuren (9,70% + 6,45%). [vertrouwelijk]. Evaluatie van het aanbestedingsproces
  92. De CREG stelt vast dat ondanks een aanbestedingsproces dat, op basis van de elementen waarover de CREG beschikt, correct is verlopen en voldoende mogelijkheid bood Niet-vertrouwelijk 24/29 tot concurrentie tussen verschillende kandidaten, geen enkele partij een bieding deed dat volledig beantwoordde aan de wensen van Norther zoals vermeld in de term sheet. Dit is zeker deels te wijten aan de wil van Norther om vast te houden aan een prijsformule die nauw aansluit aan deze voor de bepaling van de minimumprijs van de groenestroomcertificaten (bepaald in het koninklijk besluit van 16 juli 2002). Deze houding is volgens de CREG te begrijpen vanuit het standpunt van een projectontwikkelaar wiens doel het realiseren van een offshore windmolenpark is, maar die verder geen enkel risico wenst te lopen bij het op de markt brengen van de geproduceerde elektriciteit.
  93. De aanpassing van het ondersteuningsmechanisme waarbij een LCOE werd ingevoerd, had tot doel om de waarde van de elektriciteit in rekening te brengen in de bepaling van de minimumprijs per groenestroomcertificaat. Dientengevolge meent de CREG dat de houding van Norther om te blijven vasthouden aan de prijsstructuur bepaald in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 en met name aan de relatie met Endex en de ex ante bepaling van de correctiefactor voor de betrokken periode aanvaardbaar is.
  94. De afwijkingen van de term sheet die door de bieders in hun niet-bindende offerte werden voorgesteld toont volgens de CREG aan dat het aankopen van de toekomstige productie van +/- 370 MW offshore windenergie over een periode van 15 jaar voor de meeste partijen als te risicovol wordt ervaren.
  95. [vertrouwelijk] VI.3 Bepalen correctiefactor
  96. Overeenkomstig artikel 14, § 1, 2de lid, 1°bis, bedraagt de correctiefactor in de formule voor de bepaling van de minimumprijs 10% van de elektriciteitsprijs.
  97. Norther vraagt in haar schrijven van 4 juni 2016 aan de CREG om “… voor het eerste jaar na de financial close een correctiefactor van 16,15% (9,7% + 6,45% voor de profile cost) goed te keuren”. Niet-vertrouwelijk 25/29
  98. Rekening houdend met de aanvaarding van de jaarlijkse herziening van de correctiefactor in diezelfde brief, meent de CREG dat, met het oog om de kosten voor de financiering van het ondersteuningsmechanisme zo veel mogelijk te beperken, het aangewezen is om de correctiefactor te bepalen op basis van de aangeboden contracten met een jaarlijkse herziening van de correctiefactor. De CREG stelt bijgevolg de correctiefactor vast op 16,15% van de elektriciteitsreferentieprijs voor de periode van één jaar vanaf de datum van financial close. De CREG wenst na financial close een kopie te ontvangen van de ondertekende PPA. VII. OPSCHORTENDE VOORWAARDE
  99. Op grond van artikel 108, § 3, van het VWEU kan een lidstaat van de Europese Unie de geplande steunmaatregelen niet tot uitvoering brengen alvorens de aanmeldingsprocedure tot een eindbeslissing van de Europese Commissie heeft geleid. Deze bepaling bevat de regel die doorgaans de standstill-verplichting wordt genoemd. Onder “tenuitvoerlegging” verstaat men niet alleen de feitelijke betaling van de steun, maar eerder het moment waarop het recht op steun wordt toegekend krachtens de nationale wetgeving
  100. Indien deze verplichting niet wordt nageleefd door de lidstaat, zal de toegekende steun – d.w.z. de beslissing tot verlening van de steun – als onwettig worden beschouwd. Elke instantie van de lidstaat is gebonden aan deze verplichting. De CREG moet, in haar hoedanigheid als administratieve, onafhankelijke autoriteit, ook de standstill-bepaling eerbiedigen.
  101. In principe geldt de standstill-bepaling pas na kennisgeving van het ondersteuningsmechanisme aan de Europese Commissie. De notificatie van het steunmechanisme waarvan Norther zal genieten, gebeurde op 16 juni
  102. In casu dient de CREG op basis van een aanpassing van de LCOE en de correctiefactor een beslissing te nemen voor de bepaling van de minimumprijs voor de aankoop van de groenestroomcertificaten. Met andere woorden, deze beslissing legt het niveau van de aan Norther toegekende steun vast, met toepassing van de geldende wetgeving 6 Zie o.a. HvJ-EU, Magdeburger Mühlenwerke, zaak C-129/12, van 21 maart 2013, §
  103. Niet-vertrouwelijk 26/29 en reglementering, op basis waarvan de aan Norther toegekende groenestroomcertificaten worden verkocht. In die zin concretiseert onderhavige beslissing het recht op steun.
  104. Uit het voorgaande blijkt dat de standstill-bepaling van toepassing is op deze beslissing. De CREG zou deze bepaling overtreden als zij aan de Norther onvoorwaardelijk het recht op de waarde van de elementen ter bepaling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten toekent. Daarentegen is er niets tegen het koppelen van de inwerkingtreding van deze beslissing aan een positieve beslissing van de Europese Commissie over het steunmechanisme waarop deze beslissing betrekking heeft. Deze beslissing treedt derhalve alleen in werking op de datum waarop de Europese Commissie een beslissing neemt waaruit blijkt dat het steunmechanisme waarop deze beslissing is gebaseerd en de individuele toepassing ervan ten aanzien van de Norther in deze beslissing, geen staatssteun of met de interne markt verenigbare staatssteun is, dan wel op de datum waarop de Europese Commissie geacht wordt zulk besluit te hebben genomen. Indien de beslissing van de Europese Commissie voorwaarden bevat die betrekking hebben op essentiële elementen waarop de huidige beslissing gebaseerd is, dan treedt de huidige beslissing van de CREG in werking op het moment dat deze voorwaarden vervuld zijn. Niet-vertrouwelijk 27/29 VIII. CONCLUSIE Gelet op artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 waarin de procedure wordt bepaald voor de aanpassing van de elementen die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de minimumprijs per domeinconcessie; Gelet op de rol van de CREG, zoals bepaald in artikel 14, § 1ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002, die de voorgelegde exploitatiekosten en of er een verschil is tussen de gecontracteerde verkoopprijs voor elektriciteit en een gemiddelde nominale prijs gelijk aan 90% van de elektriciteitsreferentieprijs onderzoekt; Gelet op het aanvraagdossier van 29 april 2016; Gelet op de aanvullende informatie ontvangen op 16, 23 en 28 juni en 5, 12 en 13 juli 2016; Gelet op het schrijven van 4 juli 2016 aan de CREG waarin Norther verzaakt aan enkele rechten zoals bepaald door het koninklijk besluit van 16 juli 2002; Gelet op de aanmelding van het steunmechanisme bij de Europese Commissie; Beslist de CREG dat de LCOE wordt vastgelegd op 124,00 EUR/MWh voor de volledige periode van de aankoopverplichting door de netbeheerder van de groenestroomcertificaten uitgereikt voor de elektriciteit geproduceerd door de installaties in de domeinconcessie van Norther; Beslist de CREG dat de correctiefactor wordt vastgelegd op 16,15% van de elektriciteitsreferentieprijs voor de periode van één jaar vanaf de datum van financial close. Niet-vertrouwelijk 28/29 Deze beslissing treedt derhalve alleen in werking op de datum waarop de Europese Commissie een besluit neemt waaruit blijkt dat het steunmechanisme waarop deze beslissing is gebaseerd en de individuele toepassing ervan ten aanzien van de Norther in deze beslissing, geen staatssteun of met de interne markt verenigbare staatssteun is, dan wel op de datum waarop de Europese Commissie geacht wordt zulk besluit te hebben genomen. Indien de beslissing van de Europese Commissie voorwaarden bevat die betrekking hebben op essentiële elementen waarop de huidige beslissing gebaseerd is, dan treedt de huidige beslissing van de CREG in werking op het moment dat deze voorwaarden vervuld zijn.  Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Laurent JACQUET Directeur Niet-vertrouwelijk Marie-Pierre FAUCONNIER Voorzitster van het Directiecomité 29/29

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.