← België

Beslissing over de bepaling van de overdrachtswaarde van de installaties die Rentel overdraagt aan Elia in kader van het Modular Offshore Grid en over

(B)1910 27 juni 2019 Beslissing over de bepaling van de overdrachtswaarde van de installaties die Rentel overdraagt aan Elia in kader van het Modular Offshore Grid en over de herziening van de kabelsubsidie en de kabeltoeslag van Rentel Artikel 7, § 3 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2015 waarbij aan de nv Rentel de toestemming wordt verleend om niet aan te sluiten op een installatie noodzakelijk voor de transmissie van elektriciteit in de zeegebieden, bedoeld in artikel 13/1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt Niet-vertrouwelijke versie CREG – Nijverheidsstraat 26-38, 1040 Brussel, België T +32 2 289 76 11 – F + 32 2 289 76 09 – info@creg.be – www.creg.be INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE.................................................................................................................................... 2 1. INLEIDING ........................................................................................................................................ 3 2. WETTELIJK KADER ............................................................................................................................ 3 3. ANTECEDENTEN ............................................................................................................................... 8 4. 5. 6. 7. 8. 3.1. Algemeen................................................................................................................................. 8 3.2. Raadpleging ........................................................................................................................... 10 3.2.1. Elia .................................................................................................................................. 11 3.2.2. Rentel ............................................................................................................................. 13 BESCHRIJVING VAN DE ASSETS DIE WORDEN OVERGEDRAGEN ................................................... 17 4.1. Technical Due dilligence uitgevoerd door Elia....................................................................... 17 4.2. Vaststellingen van de CREG ................................................................................................... 17 4.3. Conclusie ............................................................................................................................... 18 BEPALING VAN DE OVERDRACHTSWAARDE.................................................................................. 19 5.1. De door Elia en Rentel gerapporteerde overdrachtswaarde ................................................ 19 5.2. Aankoopkosten...................................................................................................................... 19 5.3. Bijkomende kosten ................................................................................................................ 20 5.3.1. Additional costs – external ............................................................................................. 20 5.3.2. Additional costs – internal .............................................................................................. 21 5.3.3. Additional costs – financing ........................................................................................... 22 5.4. Transactiekosten ................................................................................................................... 23 5.5. Bepaling van de overdrachtswaarde ..................................................................................... 23 AANPASSING VAN DE FINANCIERING VAN DE KABEL EN VAN DE VERHOGING VAN DE MINIMUMPRIJS ............................................................................................................................. 23 6.1. Aanpassing van de steun ....................................................................................................... 23 6.2. Terugvordering ...................................................................................................................... 24 MODALITEITEN VAN DE OVERDACHT ............................................................................................ 25 7.1. Contracten die de overdracht regelen .................................................................................. 25 7.2. Gereguleerde Elia contracten................................................................................................ 26 7.2.1. Het contract voor het aankopen van groenestroomcertificaten ................................... 26 7.2.2. Het contract houdende financiering van de onderzeese kabel alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van de offshore productie-installaties ..................................................................................................... 26 7.2.3. Het aansluitingscontract ................................................................................................ 27 CONCLUSIE..................................................................................................................................... 29 BIJLAGE 1 ............................................................................................................................................... 31 BIJLAGE 2 ............................................................................................................................................... 31 Niet-vertrouwelijke versie 2/31 1. INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) bepaalt hierna1 de waarde van de installatie en de modaliteiten voor de overdracht tussen Rentel en de netbeheerder Elia in kader van het Modular Offshore Grid. Daarnaast beslist de CREG over de aanpassing van de kabelsubsidie van 25 miljoen € en de verhoging van de minimumprijs met 12 €/MWh. Het dossier in kwestie werd ingediend als gemeenschappelijk voorstel door Rentel nv en Elia nv. Deze beslissing werd door het directiecomité van de CREG goedgekeurd tijdens zijn vergadering van 27 juni 2019. 2. WETTELIJK KADER 1. Artikel 7,§ 3, van de elektriciteitswet luidt als volgt “De netbeheerder bouwt en exploiteert het Modular Offshore Grid. In afwijking van het eerste lid mag elke persoon die over de nodige administratieve vergunningen beschikt die hij voor de inwerkingtreding van de wet van 13 juli 2017 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, met het oog op het instellen van een wettelijk kader voor het Modular Offshore Grid heeft verkregen, mits voorafgaand akkoord van de netbeheerder en de commissie, een van de installaties bouwen die deel uitmaken van het Modular Offshore Grid op voorwaarde dat deze installatie, zolang ze niet geïntegreerd is in de andere elementen van het Modular Offshore Grid, de kenmerken heeft van een aansluiting op het elektriciteitstransmissienet op het vasteland. Deze vergunning is onderworpen aan de formele verbintenis van de betrokken persoon om de principes toe te passen voor de valorisatie van de installatie die de commissie heeft vastgelegd met het oog op de overdracht ervan naar de netbeheerder volgens de modaliteiten in het derde lid. De netbeheerder wordt de eigenaar van een installatie aangelegd met toepassing van het tweede lid vooraleer deze in het Modular Offshore Grid wordt geïntegreerd; deze integratie moet gebeuren ten laatste twaalf maanden na de indienststelling van het betrokken park. De eigendomsoverdracht kan pas gebeuren als aan de netbeheerder een domeinconcessie voor deze installatie werd toegekend met toepassing van artikel 13/1. De commissie bepaalt de waarde van de installatie en de modaliteiten voor de overdracht aan de netbeheerder op gemeenschappelijk voorstel van zijn eigenaar en de netbeheerder dat aan de commissie werd overgemaakt ten laatste negen maanden na de indienststelling van de installatie. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk voorstel legt de commissie de waarde van de installatie op eigen gezag vast na raadpleging van de partijen. De commissie neemt haar beslissing ten laatste op de laatste werkdag van de elfde maand na de indienststelling van het betrokken park. De effectieve overdracht van de eigendom van de installatie mag niet gebeuren voor de betaling van de door de commissie vastgelegde prijs.” 1 Op basis van artikel 7, § 3 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna: de elektriciteitswet) en artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2015 waarbij aan de nv Rentel de toestemming wordt verleend om niet aan te sluiten op een installatie noodzakelijk boor de transmissie van elektriciteit in de zeegebieden, bedoeld in artikel 13/1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt Niet-vertrouwelijke versie 3/31 2. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2015 waarbij aan de nv Rentel de toestemming wordt verleend om niet aan te sluiten op een installatie noodzakelijk voor de transmissie van elektriciteit in de zeegebieden, bedoeld in artikel 13/1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna: het koninklijk besluit van 5 juli 2015) vermeldt: “Indien de NV Rentel de onderzeese kabel, alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van de productie-installaties waarvoor zij ondersteuning bekomt met toepassing van artikel 7§2, tweede lid van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, geheel of gedeeltelijk aan de netbeheerder zou overdragen, kan de minister, op voorstel van de commissie, de ondersteuning voor de aankoop, de levering en de plaatsing ervan geheel of gedeeltelijk terugvorderen via alle rechtsmiddelen en/of bijgevolg de ondersteuning voor de geproduceerde windenergie aanpassen.” 3. In beslissing (B)16952 over de principes van de valorisatie van de installaties die overgedragen worden aan de netbeheerder in kader van het Modular Offshore Grid legt de CREG de principes van de valorisatie van de installaties die overgedragen worden aan de netbeheerder in kader van het Modular Offshore Grid. 4. In hun gemeenschappelijk voorstel zetten Rentel en Elia verschillende standpunten uiteen over de wettelijke basis van de beslissing die ze van de CREG vragen: Rentel is van mening dat artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet in casu niet van toepassing is, terwijl Elia - impliciet - erkent dat deze beslissing in dit geval van toepassing is. De CREG merkt echter op dat de twee partijen van het ontwerp van overdracht, ondanks het voorbehoud van Rentel, zijn overeengekomen om samen, met overeenstemming van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet, een voorstel te doen (hierna het “gemeenschappelijke voorstel”) met het oog op de bepaling, door de CREG, van de waarde van de installatie en de modaliteiten voor de overdracht van deze installaties. Bijgevolg vragen de partijen aan de CREG een beslissing op basis van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet. De CREG merkt bovendien op dat het gemeenschappelijke voorstel binnen de wettelijke termijn werd ingediend en dat de partijen van de overwogen overdracht, waaronder Rentel, bijgevolg de principes “voor de valorisatie van de installatie” die de CREG heeft aangenomen, met toepassing van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet, willen toepassen (en er zich op willen beroepen). Onafhankelijk van de standpunten over de toepasbaarheid van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet op de overwogen overdracht die waren ingenomen vóór deze beslissing, leidt het feit dat de partijen ervoor gekozen hebben om een gemeenschappelijk voorstel bij de CREG in te dienen ertoe dat ze allebei vinden dat de voormelde bepaling in casu van toepassing is. Door de beslissing te nemen die de partijen hebben gevraagd, aanvaardt de CREG dit standpunt. Deze beslissing kan dus geen andere wettelijke basis hebben dan artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet. 5. Ter herinnering, de voormelde bepaling belast de CREG om “de waarde van de [over te dragen] installatie en de modaliteiten voor de overdracht aan de netbeheerder te bepalen”. We kunnen ervan uitgaan dat de aanpassing van de subsidie voor de onderzeese kabel en van de verhoging van de minimumprijs voor de aankoop van groenestroomcertificaten “modaliteiten voor de overdracht” in de zin van artikel 7, § 3 zijn die de CREG dan ook moet goedkeuren. Bij de vaststelling van dergelijke modaliteiten zou de CREG toch niet kunnen ingaan tegen toepasselijke wettelijke (of reglementaire) bepalingen. 2 Beslissing (B)171221-CDC-1695 over de principes van de valorisatie van de installaties die overgedragen worden aan de netbeheerder in kader van het Modular Offshore Grid Niet-vertrouwelijke versie 4/31 6. In dit opzicht bepaalt artikel 7, § 2, 2de lid van de elektriciteitswet het volgende: “Indien de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, toestemming verleent om niet aan te sluiten [op een installatie noodzakelijk voor de transmissie van elektriciteit in de zeegebieden waarin België rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht], staat de netbeheerder in voor één derde van de kostprijs van de onderzeese kabel met een maximumbedrag van 25 miljoen euro volgens de modaliteiten bepaald in deze paragraaf en wordt de minimumprijs voor de geproduceerde windenergie, zoals vastgelegd voor installaties waarvan de financial close plaatsvindt na 1 mei 2014 overeenkomstig het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, verhoogd met 12 euro/MWh.” Deze bepaling werd aangevuld door de wet van 21 juli 2016 die de volgende zin aan het tweede lid heeft toegevoegd: “Wanneer het installaties betreft waarvan de financial close plaatsgrijpt na 1 mei 2016, dan wordt de minimumprijs zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen verhoogd met een bedrag ter dekking van en dat bijgevolg overeenstemt met de totale kosten van de financiering van de onderzeese kabel die resulteren uit de offerte of offertes die de titularis van de domeinconcessie, bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt in toepassing van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. Dit bedrag wordt bepaald door de commissie na verificatie van de in aanmerking genomen offerte of offertes." De wet van 21 juli 2016 bevatte echter de volgende overgangsbepaling (art. 4): “Artikel 7, § 2, tweede lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, zoals dat van kracht is voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op de installaties die het voorwerp uitmaken van een in artikel 6 van de voornoemde wet van 29 april 1999 bedoelde domeinconcessie, waarvan de financial close tussen 1 mei 2016 en 31 december 2016 plaatsvindt, indien de houder van de domeinconcessie reeds, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, de controle heeft aangevraagd bij de commissie van de totaal in aanmerking te nemen kosten voor de aankoop, de levering en de plaatsing van de onderzeese kabel alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van productieinstallaties en in dat verband de in aanmerking te nemen offerte of offertes met toepassing van artikel 7, § 2, eerste lid, van de voornoemde wet van 29 april 1999 heeft voorgelegd.” Deze overgangsbepaling is onder andere van toepassing op Rentel. 7. De koning heeft Rentel toegelaten om, met toepassing van artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet, bij besluit van 5 juli 2015, zich niet aan te sluiten opeen installatie voor de transmissie van offshore elektriciteit. Door deze toelating kan Rentel dus genieten van steunmechanismen voorzien in artikel 7, § 2, namelijk: - de tenlasteneming door de netbeheerder van één derde van de kostprijs van de onderzeese kabel met een maximumbedrag van 25 miljoen €; - de forfaitaire verhoging van de minimumprijs groenestroomcertificaten met 12 €/MWh. Niet-vertrouwelijke versie voor de aankoop van 5/31 Artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2015 bepaalt echter het volgende: “Indien de NV Rentel de onderzeese kabel, alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van de productie-installaties waarvoor zij ondersteuning bekomt met toepassing van artikel 7, § 2, tweede lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, geheel of gedeeltelijk aan de netbeheerder zou overdragen, kan de minister, op voorstel van de commissie, de ondersteuning voor de aankoop, de levering en de plaatsing ervan geheel of gedeeltelijk terugvorderen via alle rechtsmiddelen en/of bijgevolg de ondersteuning voor de geproduceerde windenergie aanpassen”. 8. Uit het koninklijk besluit van 5 juli 2015 kan worden afgeleid dat het recht op subsidies voor de kabel en het recht om de minimumprijs voor de aankoop van de groenestroomcertificaten te verhogen, als Elia de aansluitingsinstallaties overkoopt, worden behouden, maar dat de bedragen in voorkomend geval moeten worden aangepast in functie van de overwogen overdracht en rekening houdend met deze overdracht. Dit geldt des te meer omdat de overdracht van de installaties van het Modular Offshore Grid aan Elia, krachtens artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet, verplicht is voor de persoon die de genoemde installaties heeft gebouwd. Indien een dergelijke verplichte overdracht automatisch tot een verlies van het recht op de voormelde subsidies zou leiden, zou dit afbreuk doen aan de verkregen rechten waar de houder van de domeinconcessie zich op kan beroepen. De CREG interpreteert artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet dan ook in het licht van het koninklijk besluit van 5 juli 2015 en is van mening dat de aan Elia overwogen overdracht van de aansluitingsinstallaties niet ipso facto leidt tot de afschaffing van de door deze bepaling voorziene steunmechanismen. De steunmechanismen moeten echter worden aangepast. Eerst is een dergelijke aanpassing uitdrukkelijk vereist door artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2015. Vervolgens kan uit de beslissing van 8 december 2016 van de Europese Commissie, die het mechanisme van offshore groenestroomcertificaten en de steun die in het bijzonder in dit kader werd toegekend aan Rentel, worden afgeleid dat het steunmechanisme via de groenestroomcertificaten onevenredig zou zijn als het, samen met de steun voor de aansluiting op het net, zou leiden tot een steunniveau dat hoger is dan de door de concessiehouder gedragen kosten. In deze omstandigheden zal het steunniveau voor de aansluiting, in geval van overdracht van een deel van de aansluitingsinstallaties, moeten worden herzien om zich ervan te vergewissen dat het steunmechanisme, in zijn geheel, niet onevenredig wordt. Er dient nog vermeld te worden dat de CREG dit standpunt vroeger al duidelijk heeft ingenomen. Zo vermeldde beslissing (B)1528 waarin de CREG de kost van de onderzeese kabel heeft vastgelegd het volgende: “Indien na deze beslissing zou blijken dat bepaalde assets worden doorverkocht aan de netbeheerder in kader van het Modular Offshore Grid, wordt de financiering van 25.000.000,00 EUR en de verhoging van de minimumprijs met 12,00 EUR/MWh door de CREG herzien op basis van de verkoopprijs” (§ 44). Dit werd herhaald in de reeds geciteerde beslissing (B)1695 die de principes van de valorisatie van de installaties die overgedragen worden aan de netbeheerder in kader van het Modular Offshore Grid vastlegt: "46. Voor de kabelsubsidie zal de CREG op basis van de kostprijs van de aansluitingsinstallaties die niet overgedragen worden aan de netbeheerder het nieuwe bedrag bepalen. Conform artikel 7, §2 is dit nieuwe bedrag gelijk aan één derde van de kostprijs van de aansluitingsinstallaties met een maximum van 25 miljoen €. Niet-vertrouwelijke versie 6/31 47. Daarnaast dient ook het bedrag waarmee de minimumprijs, voor de aankoop van de groenestroomcertificaten, wordt verhoogd te worden aangepast, in voorkomend geval conform artikel 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 5 juli 2015. De CREG zal dit bedrag herrekenen op basis van de ratio van de assets dewelke eigendom blijven van de concessiehouder ten opzichte van de totale aansluitingsassets.” 9. De tekst van artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet gaat trouwens in de richting van een aanpassing van het steunniveau voor de investering voor de onderzeese kabel, aangezien hij vermeldt dat de netbeheerder instaat voor “één derde van de kostprijs van de onderzeese kabel met een maximumbedrag van 25 miljoen euro”. Met andere woorden, als het bedrag dat de concessiehouder moet dragen zou verminderen als gevolg van de overdracht van een deel van de installatie voor de aansluiting aan de netbeheerder, is het logisch dat het bedrag voor de steun ten laste van de netbeheerder opnieuw berekend wordt. Wat Rentel betreft, voorziet de wet daarentegen zoals hiervoor vermeld de toepassing van een forfaitaire verhoging van de minimumprijs voor de aankoop van groenestroomcertificaten van 12 €/MWh, d.w.z. een bedrag dat niet noodzakelijk is bepaald op basis van de kosten van de concessiehouder. In principe zou men zich niet kunnen voorstellen dat de CREG dit bedrag vermindert aangezien het rechtstreeks door de wet werd vastgelegd. 10. In het gemeenschappelijk voorstel, dat ingediend werd op 8 februari 2019 door Rentel en Elia, merkt de CREG echter op dat Rentel bereid is te verzaken aan de winst van het deel van de verhoging van de minimumaankoopprijs, van meer dan 4,82 €/MWh. Ze vraagt de CREG dan ook om vast te stellen dat de stijging van de minimumaankoopprijs 4,82 €/MWh zal bedragen. Er dient echter te worden nagegaan of de CREG, met toepassing van artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet, een stijging mag vastleggen die lager is dan wat wettelijk bepaald is. De CREG stelt hierbij vast dat Rentel verzaakt aan haar rechten en dat deze verzaking alle verbruikers ten goede komt aangezien het deze verbruikers zijn die de last van de aankoop door de netbeheerder van de groenestroomcertificaten toegekend aan de producenten van offshore elektriciteit in fine dragen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie3 is een verzaking geldig als ze niet in strijd is met de openbare orde. Dat is in casu het geval: op zich verbiedt niets de begunstigde van een steunmaatregel om te verzaken aan een deel van de wettelijk voorziene steun. De CREG neemt dan ook akte van en aanvaardt de verzaking van Rentel om de minimumprijs voor de geproduceerde windenergie, zoals vastgelegd door artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet in samenhang met artikel 4 van de wet van 21 juli 2016, te verhogen met meer dan 4,82 €/MWh. 11. Tot slot dient er te worden benadrukt dat de aanpassing van de subsidieniveaus wel degelijk de bevoegdheid van de CREG is. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2015 belast de minister van Energie om, op voorstel van de CREG, bij Rentel de ondersteuning voor de aankoop, de levering en de plaatsing van de kabel terug te vorderen via alle rechtsmiddelen en/of bijgevolg de ondersteuning voor de geproduceerde windenergie aan te passen. Deze bepaling moet echter gelezen worden in het licht van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet die in deze wet werd ingevoegd na de datum van afkondiging van het voormelde koninklijk besluit die de CREG belast om de overdrachtsmodaliteiten vast te leggen zonder tussenkomst van de minister van Energie. 12. Tot besluit blijkt uit hetgeen voorafgaat dat (

  1. i)de wettelijke basis van deze beslissing artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet is, (
  2. ii)artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet niet kan geïnterpreteerd worden als een artikel tegen de herziening, in dit kader, van het bedrag van de financiering van de onderzeese 3 Cass., 21 januari 2000, Pas., I, 56. Niet-vertrouwelijke versie 7/31 kabel en de verhoging van de minimumprijs voor de aankoop van groenestroomcertificaten - die overdrachtsmodaliteiten in de zin van artikel 7, § 3 zijn - en (iii) het de CREG toekomt om de subsidieniveaus bijgevolg aan te passen, met toepassing van artikel 7, § 3 in fine van de elektriciteitswet. 3. ANTECEDENTEN 3.1. ALGEMEEN 13. Bij de aanstelling van de nieuwe federale regering in oktober 2014, werd in het regeerakkoord4 eveneens de bouw van een stopcontact-op-zee opgenomen. Elia en de sector (meer bepaald de individuele exploitanten van de nog te bouwen offshore windparken) dienden dit uit te werken op een kostenefficiënte wijze. 14. Vanaf oktober 2014 hebben vertegenwoordigers van Elia en de offshore windparken samengezeten om de aansluitingsproblematiek op te lossen. Hierbij werd gezocht naar een alternatief voor BOG die zowel voldoet aan de wensen van Elia (de bouw van een centrale offshore hub) als van de parken (het tijdig realiseren van hun offshore windpark). De verschillende opties werden vanuit een technisch, milieu en financieel oogpunt onderzocht. Het Modular Offshore Grid (hierna: MOG) waarbij de infrastructuur modulair wordt opgebouwd werd als oplossing uitgewerkt. Figuur 1: MOG Bron: Elia 4 Regeerakkoord van 9 oktober 2014, p. 97. http://www.premier.be/sites/default/files/articles/Accord_de_Gouvernement_-_Regeerakkoord.pdf Niet-vertrouwelijke versie 8/31 15. Gelet op het feit dat de ontwikkeling van het Rentel offshore windmolenpark reeds ver gevorderd was, deed Rentel een aanvraag voor een individuele aansluiting op 9 maart 2015, overeenkomstig artikel 7, § 2, tweede lid van de Elektriciteitswet. Teneinde de compatibiliteit van deze aanvraag met de uitbouw van een offshore grid te behouden, werd de mogelijkheid voorzien voor de integratie van de individuele aansluiting van Rentel in het MOG. 16. Het koninklijke besluit van 5 juli 2015 geeft de goedkeuring voor de individuele aansluiting van Rentel5 en voorziet de mogelijkheid om het geheel of een gedeelte van de installatie over te dragen aan de netbeheerder in kader van de uitbouw van een offshore grid in artikel 2: “Indien de NV Rentel de onderzeese kabel, alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van de productie-installaties waarvoor zij ondersteuning bekomt met toepassing van artikel 7, § 2, tweede lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, geheel of gedeeltelijk aan de netbeheerder zou overdragen, kan de minister, op voorstel van de commissie, de ondersteuning voor de aankoop, de levering en de plaatsing ervan geheel of gedeeltelijk terugvorderen via alle rechtsmiddelen en/of bijgevolg de ondersteuning voor de geproduceerde windenergie aanpassen.” 17. Op basis van de individuele aansluiting heeft Rentel het recht verworven op financiering van de onderzeese kabel (overeenkomstig artikel 7, § 2 van de Elektriciteitswet en goedgekeurd door de CREG in beslissing (B)160630-CDC-15286) en de verhoging van de LCOE met 12 €/MWh (overeenkomstig artikel 7, § 2 van de Elektriciteitswet en goedgekeurd door de CREG in beslissing (B)160719-CDC15417). In eindbeslissing (B)160630-CDC-1528 vermeldt de CREG: “Indien na deze beslissing zou blijken dat bepaalde assets worden doorverkocht aan de netbeheerder in kader van het Modular Offshore Grid, wordt de financiering van 25.000.000,00 EUR en de verhoging van de minimumprijs met 12,00 EUR/MWh door de CREG herzien op basis van de verkoopprijs.” 18. Rentel heeft financial close bereikt op 3 oktober 2016. 19. De wet van 13 juli 2017 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, met het oog op het instellen van een wettelijk kader voor het Modular Offshore Grid, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 19 juli 2017. 20. Beslissing (B)1695 over de principes van de valorisatie van de installaties die overgedragen worden aan de netbeheerder in kader van het Modular Offshore Grid werd goedgekeurd door de CREG tijdens het directiecomité van 21 december 2017. 21. Sinds 4 september 2018 is het offshore park van Rentel volledig operationeel. 22. Op 8 februari 2019 dienden Rentel en Elia een gemeenschappelijk voorstel in voor de bepaling van de overdrachtswaarde en de overdrachtsmodaliteiten voor de installaties van het MOG die gebouwd werden door Rentel en overgedragen worden aan Elia. Op 8 februari 2019 heeft de CREG 5 Koninklijk besluit van 5 juli 2015 waarbij aan de nv Rentel de toestemming wordt verleend om niet aan te sluiten op een installatie noodzakelijk voor de transmissie van elektriciteit in de zeegebieden, bedoeld in artikel 13/1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. 6 Beslissing (B)160630-CDC-1528 betreffende “de controle van de door de netbeheerder voor de financiering in aanmerking te nemen totale kosten voor de aankoop, de levering en de plaatsing van de onderzeese kabel alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van de productie-installaties van het offshore windturbinepark Rentel”. 7 Beslissing (B)160719-CDC-1541 over “het vastleggen van de elementen ter bepaling van de minimumprijs voor de groenestroomcertificaten uitgereikt voor de elektriciteit geproduceerd door de installaties in de domeinconcessie van Rentel”. Niet-vertrouwelijke versie 9/31 eveneens van Elia een technische en juridische due diligence ontvangen die de netbeheerder heeft gerealiseerd met betrekking tot de geplande overdracht. 23. Op 14 februari 2019 heeft de CREG per e-mail bijkomende inlichtingen bij het aanvraagdossier aan Rentel gevraagd. De gevraagde informatie werd toegelicht tijdens de vergadering van 26 februari 2019 en per e-mail opgeleverd op 26 februari en 1 maart 2019. 24. Op 20 maart 2019 heeft de CREG aan Elia per e-mail een inschatting gevraagd van de financiële waardering van de risico’s vermeld in de technical due diligence. 25. Op 21 maart 2019 heeft de CREG aan Rentel een aantal bijkomende inlichtingen gevraagd, die gerelateerd waren aan de opmerkingen vermeld in de technical due diligence van Elia. 26. Op 2 april 2019 vond er een meeting plaats tussen Elia en de CREG over de technical due diligence. Op 9 april 2019 heeft de CREG een verslag van de meeting van 2 april 2019 ter aanvulling en correctie aan Elia overgemaakt samen met een vragenlijst. 27. Op 29 april 2019 ontving de CREG van Elia een antwoord op haar e-mail van 9 april 2019. Dit antwoord bestond uit aanpassingen aan het verslag van de meeting van 2 april 2019 en antwoorden op de vragenlijst van de CREG. 28. Op 7 mei 2019 werd de ontwerpbeslissing (B)1910 over “de bepaling van de overdrachtswaarde van de installaties die Rentel overdraagt aan Elia in kader van het Modular Offshore Grid en over de herziening van de kabelsubsidie en de kabeltoeslag van Rentel” door het directiecomité van de CREG goedgekeurd. 29. Op 25 juni heeft Elia een brief aan de CREG gestuurd waarin zij zich ertoe verbindt haar tariefvoorstel aan te passen om in haar tarieflijst uitdrukkelijk te vermelden dat het initiële aansluitingstarief gehandhaafd blijft voor de netgebruikers die, overeenkomstig artikel 7, §3, van de elektriciteitswet, hun aansluitingsinstallaties aan Elia hebben overgedragen met het oog op de integratie ervan in het MOG. 3.2. RAADPLEGING 30. Artikel 40, 1ste lid van het huishoudelijk reglement van de CREG bepaalt dat het directiecomité van de CREG geen openbare raadpleging zal organiseren, meer bepaald indien het ontwerp van beslissing "in die mate vertrouwelijke informatie bevat dat een openbare raadpleging over de resterende elementen onmogelijk of nutteloos voorkomt". In dat geval (artikel 40, 2de lid) kan het directiecomité nog wel beslissen tot een niet-openbare raadpleging, in het bijzonder van diegene van wie het voorstel ter goedkeuring door het directiecomité uitgaat. Het directiecomité zal daartoe overgaan indien de betrokken persoon of personen nog niet de mogelijkheid heeft/hebben gehad zijn/hun opmerkingen te laten gelden in het kader van de voorgenomen beslissing. Het directiecomité kon in casu enkel vaststellen dat de ontwerpbeslissing voornamelijk was gebaseerd op gegevens die betrekking hebben op facturen en contracten van Rentel dat deze gegevens commercieel gevoelig en bijgevolg vertrouwelijk waren. 31. Een openbare raadpleging over een niet-vertrouwelijke versie van de ontwerpbeslissing zou de marktspelers niet toelaten om zich op nuttige wijze uit te spreken over het ontwerp rekening houdend met de grote hoeveelheid informatie die in de niet-vertrouwelijke versie zou moeten verborgen worden. Niet-vertrouwelijke versie 10/31 Bijgevolg was een openbare raadpleging, conform artikel 40, 1ste lid, 1° in casu niet nuttig. Het directiecomité van de CREG besliste, krachtens artikel 40, 2de lid van haar huishoudelijk reglement om van 8 mei 2019 tot en met 28 mei 2019 een niet-openbare raadpleging over de ontwerpbeslissing te organiseren voor Rentel en Elia. Beide partijen hebben een reactie overgemaakt. 3.2.1. Elia 3.2.1.1. Reactie Elia 32. De CREG heeft op 28 mei 2019 de reactie van Elia ontvangen. In haar reactie (zie bijlage 1) formuleert Elia enkele opmerkingen met betrekking tot de paragrafen 33 - 41 van de ontwerpbeslissing (paragrafen 55 - 63 van deze beslissing) waarin de CREG enkele vaststellingen formuleert over de technische kwaliteit van de over te dragen assets. In ontwerpbeslissing (B)1910 stelde de CREG vast dat er geen duidelijke voorafgaande bindende afspraken werden gemaakt tussen Elia en Rentel aangaande de technische karakteristieken van de over te dragen Rentel assets. In het kader van de overdracht van de assets voerde Elia onder meer een technical due diligence uit, waarbij een aantal gebreken en tekortkomingen werden vastgesteld aan de Rentel assets die mogelijke risico’s inhouden bij de integratie van deze assets in het MOG-concept. Het mitigeren van deze risico’s of het nemen van herstelmaatregelen indien deze risico’s zich realiseren, kan een financiële impact hebben op de operationele kosten tijdens de uitbating van deze assets door Elia. Gezien het feit dat de netgebruikers, via de tarieven, de prijs van de assets zullen moeten dragen, leek het de CREG niet aangewezen om de netgebruikers daarnaast ook nog de eventuele directe of indirecte kosten te laten dragen die gerelateerd zijn aan gebreken of tekortkomingen vastgesteld vóór de overdracht van de assets. Daarom besloot de CREG dat de eventuele directe of indirecte kosten die gerelateerd zijn aan de vaststellingen vermeld in de technical due dilligence bijgevolg als onredelijk zullen worden bestempeld in toekomstige beslissingen in het kader van tarifaire rapporteringen. Volgens Elia zijn deze vaststellingen niet gerechtvaardigd en ontoereikend, aangezien: - ze gebaseerd zijn op foutieve of benaderende elementen; - de juridische of regulatoire basis waarop deze gebaseerd zijn, zijn onbekend of onjuist; - algemeen, de technische karakteristieken van de kabel zijn het gevolg van keuzes van Rentel waarbij Elia nooit in de positie was eisen te stellen; - daarom is het onaanvaardbaar voor Elia dat zij het economisch risico moet dragen van deze technische keuzes, hoewel deze nooit meegenomen zijn in de overdrachtswaarde. 33. In haar reactie bevestigt Elia inderdaad dat zij op de hoogte was van de kabeltest die door Rentel als positief werd beoordeeld, hoewel volgens Elia, het aangewezen was om deze testen te hernemen. Elia heeft (volgens haar) geen onregelmatigheid begaan: zij had geen enkel recht om de kabeltesten te betwisten aangezien er geen contractuele relatie was met Rentel. Daarnaast stelt Elia vast dat zij pas in 2019 op de hoogte was van eventuele problemen van opwarming van kabels of defecte optische vezelkabels, lang na vastlegging van de principes van de valorisatie door de CREG in 2017 waarin bepaald wordt dat de overdracht gebeurd op basis van het “as is/where is” principe. 34. Voor Elia is het onduidelijk op basis van welke redelijkheidscriteria van de Tariefmethodologie de CREG in de toekomst eventuele kosten zal verwerpen. Daarnaast begrijpt zij niet waarom de aandeelhouders van Elia gepenaliseerd moeten worden voor eventuele technische gebreken ten gevolge van keuzes gemaakt door Rentel die bovendien niet in rekening worden genomen door de CREG bij het bepalen van de overdrachtswaarde. Daarnaast stelt Elia vast dat artikel 6/2, 2de lid van de Niet-vertrouwelijke versie 11/31 Elektriciteitswet betrekking heeft op vergoedingen voor onbeschikbaarheid en niet op de operationele kosten om eventuele fouten te voorkomen of te herstellen. Bovendien kan dit artikel pas ingeroepen worden als Elia een zware of intentionele fout heeft gemaakt. Volgens Elia wordt dit niet ondersteund door de (door de CREG) aangehaalde elementen. 35. Tenslotte laat Elia weten dat de een van de drie risico’s die vastgesteld zijn in de technical due diligence en die het meest kans had zich voor te doen (namelijk het ontstaan van eventuele hot spots die de veroudering van de kabel kunnen versnellen of operationele beperkingen kunnen noodzaken) volgens een nieuwe analyse van de kabelleverancier (NKT), opgelost is. 3.2.1.2. Standpunt CREG 36. De CREG neemt akte van de opmerkingen van Elia. Elia bevestigt in haar antwoord dat Rentel zelfstandig de bestelling van de kabel en, bij uitbreiding, van de realisatie van alle infrastructuurwerken afsloot, zonder dat Elia een recht kreeg om de technische karakteristieken/uitvoering te kunnen controleren met het oog op de integratie van deze assets in het MOG. De CREG meent dat Elia op dit moment reeds een mogelijk risico had kunnen detecteren van een uitvoering die niet zou voldoen aan de normen toegepast door Elia. Op dit moment had Elia dit mogelijke risico aan de CREG kunnen melden. Dit is echter niet gebeurd. 37. In een later stadium (april 2017) werd Elia door Rentel op de hoogte gebracht van de “type test proeven” op de kabel, die door Elia terecht als niet geslaagd kunnen worden beschouwd. Elia heeft hier volgens de CREG een correct advies gegeven aan Rentel om een gedeelte van deze typeproeven te laten overdoen, waarbij Elia geen contractueel recht had om dit te eisen. Toen het voor Elia duidelijk was dat Rentel het advies aangaande het overdoen van bepaalde typeproeven niet zou volgen, en dat Elia dus met zekerheid wist dat de kabel niet zou voldoen aan de Elia-procedures inzake de opleveringsproeven voor de kabel en mogelijks in de toekomst tot kosten kunnen leiden, had Elia ook best de CREG hiervan op de hoogte gesteld. Dit is echter niet gebeurd. 38. In het kader van het opstellen van haar beslissing over de principes voor de valorisatie van de over te dragen assets, wordt Elia, geraadpleegd maar laat Elia na om de CREG op de hoogte te stellen van de vastgestelde problemen alsook van de mogelijke toekomstige risico’s omwille van de onmogelijkheid van een effectieve controle door Elia op de over te dragen assets die gerealiseerd worden door Rentel. De CREG heeft haar beslissing (B)1695 dan ook genomen in de veronderstelling dat de over te dragen assets van Rentel zouden voldoen aan de standaarden die door Elia gehanteerd worden. Bovendien vraagt Rentel op basis van elementen, die helemaal niet laten vermoeden dat er mogelijke risico’s zijn met de betrokken assets, om het as-is, where-is principe toe te voegen. De CREG kan enkel benadrukken dat indien zij door Elia correct en volledig geïnformeerd was geweest, de valorisatieprincipes in de beslissing (B)1695 zouden zijn bijgestuurd. 39. De CREG stelt verder vast dat Elia pas in 2019, bij het uitvoeren van de technical due dilligence kennis nam van bepaalde andere problemen met betrekking tot de over te nemen assets, dus na vastlegging van de principes van de valorisatie door de CREG in 2017. In haar reactie van 28 mei 2019 heeft Elia eveneens een nieuw verslag van NKT, de leverancier van de kabel toegevoegd. NKT komt nu tot de conclusie dat vroegere risico’s niet langer aanwezig zijn en dat de kabel geen warme punten meer vertoont die boven de 90°C zouden uitkomen bij een overbelasting van 155 % gedurende 111 minuten na een cyclus van vollast (100 % belasting). 40. Op basis van bovenstaande elementen besluit de CREG dan ook dat enkel de risico’s die volgen uit de vaststellingen die door Elia gekend waren vóór de vastlegging van de principes voor de bepaling van de overdrachtswaarde ten laste te leggen van Elia. Niet-vertrouwelijke versie 12/31 41. Elia stelt de wettelijke basis voor het verwerpen van kosten in vraag. Op basis van artikel 33,
  3. b)en
  4. h)van de Tariefmethodologie zal de CREG de eventuele directe of indirecte kosten die gerelateerd zijn aan de vaststellingen vermeld in de technical due dilligence en die gekend waren door Elia vóór de vastlegging van de principes van de valorisatie door de CREG in 2017 (in het bijzonder het risico van het bestaan van eventuele hot spots die de veroudering van de kabel kunnen versnellen of operationele beperkingen kunnen veroorzaken), verwerpen in beslissingen in kader van tarifaire rapporteringen. Deze artikels vermelde immers dat kosten die het gevolg zijn van een laattijdig ingrijpen van de netbeheerder of onredelijk handelen als onredelijk worden verworpen. Het niet tijdig op de hoogte brengen van de regulator van de bestaande gekende risico’s valt onder bovenstaande artikelen. 42. Wat betreft de toepassing van artikel 6/2, § 2 van de Elektriciteitswet, stelt de CREG dat, in tegenstelling tot wat Elia beweert, de vastgestelde gebreken in de technical due diligence niet alleen kunnen leiden tot operationele kosten voor Elia, maar ook tot indirecte kosten, meer bepaald kosten die verband houden met de onbeschikbaarheid van het MOG. In dit geval is artikel 6/2, § 2 van de elektriciteitswet van toepassing. Deze bepaling beschrijft immers in welke gevallen en onder welke voorwaarden de vergoeding die Elia aan de offshore concessiehouders betaalt ten laste komt van de netbeheerder. 43. Op basis van bovenstaande vaststellingen past de CREG in de eindbeslissing de conclusie in hoofdstuk 5.3 als volgt aan: de eventuele directe of indirecte kosten die gerelateerd zijn aan de vaststellingen vermeld in de technical due dilligence en die gekend waren door Elia vóór de vastlegging van de principes van de valorisatie door de CREG in 2017 blijven ten laste van Elia. 3.2.2. Rentel 3.2.2.1. Reactie Rentel 44. Op 28 mei 2019 heeft de CREG de reactie van Rentel op Ontwerpbeslissing (B)1910 ontvangen. In haar reactie (zie bijlage 2) formuleert Rentel vier opmerkingen. 45. De eerste reactie heeft betrekking op het toepassingsgebied van artikel 7, § 3 van de Elektriciteitswet. In ontwerpbeslissing (B)1910 stelt de CREG vast dat dit artikel de basis is voor de overdracht en de bepaling van de overdrachtswaarde. Bovendien stelt de CREG vast dat Rentel verzaakt aan een deel van de verhoging van de minimumprijs. In haar reactie maakt Rentel een expliciet voorbehoud hierbij en verwijst ze naar haar redenen geformuleerd in het ingediend dossier waarom zij de toepasselijkheid van dit artikel betwisten. 46. De ontwerpbeslissing analyseert en bepaalt de overdrachtswaarde van de assets. Rentel kan de aanpassingen ten opzichte van het gemeenschappelijke ingediende dossier aanvaarden op basis van het (door de CREG aanvaarde en bevestigde) as is/where is principe. In haar tweede opmerking verwijst Rentel naar het gemeenschappelijk voorstel waarin vermeld wordt dat de overdrachtswaarde nog onderhevig is aan gebeurtenissen na de cut-off datum van 31 december 2018. In het geval dergelijke events zich zouden manifesteren (quod non, op heden) wordt het prijsrevisiemechanisme van de Overeenkomst van Overdracht ingeroepen. Rentel zal de CREG hiervan (indien nodig) zo spoedig mogelijk op de hoogte brengen om de billijkheid van de kosten te beoordelen. 47. Verder stelt Rentel vast dat de CREG akte neemt van de Overeenkomst van Overdracht en de Overeenkomst van toegangs- en gebruiksrechten en de modaliteiten voor de overdracht aan de netbeheerder (zoals geformuleerd in deze contracten) integraal bevestigd. Niet-vertrouwelijke versie 13/31 48. Tenslotte neemt Rentel akte van het voorbehoud van de CREG met betrekking tot de toepassing van de onshore aansluitingstarieven in het hernieuwde aansluitingscontract tussen Rentel en Elia. Rentel verwijst naar één van de schortende voorwaardes geformuleerd in de Overeenkomst van Overdracht. Om afstand te kunnen doen van deze schortende voorwaarde, dient Rentel zicht te hebben op de mogelijke toepassing van de offshore aansluitingstarieven. Het neutraliteitsprincipe vormt immers de basis voor de voorgestelde transactie, zoals voordien overigens bevestigd door de CREG in beslissing (B)1695. In de eerste plaats begrijpt Rentel niet waarom de onshore aansluitingstarieven niet blijvend toegepast kunnen worden. Dergelijke toepassing zou in lijn zijn met de interpretatie van de CREG van artikel 7, §2 van de Elektriciteitswet in het licht van het koninklijk besluit van 5 juli 2015. Aan Rentel is immers de toestemming verleend om niet aan te sluiten op het MOG. De voorgestelde overdracht leidt niet tot de afschaffing van het door artikel 7, § 2 van de Elektriciteitswet voorziene steunmechanisme, maar brengt enkel mee dat het steunniveau wordt aangepast. Daarom is er volgens Rentel dan ook geen bezwaar om de huidige toepassing van de onshore tarieven te handhaven op het moment dat de overdracht zich zou realiseren. Daarnaast stelt Rentel vast dat volgens de CREG artikel 32 punt 3.5 van de tariefmethodologie 20202023 in casu niet van toepassing is. Rentel is echter wel van mening dat dit artikel een juridische basis biedt om het neutraliteitsprincipe te garanderen door de blijvende toepassing van de onshore aansluitingstarieven. Allereerst is Rentel van mening dat de verplaatsing van het aansluitingspunt wel degelijk op eenzijdig verzoek van de netbeheerder en om technische-economische redenen gebeurt. Zoals opgemerkt in de ontwerpbeslissing voorziet artikel 32 punt 3.5 in een éénmalige compensatie. Het gemeenschappelijk voorstel van Rentel en Elia wijkt hier inderdaad van af aangezien dergelijke éénmalige compensatie onmogelijk te berekenen is op het moment van de overdracht. De blijvende toepassing van de onshore tarieven (indien Elia ervoor kiest om in de toekomst een differentiatie te maken tussen onshore en offshore tarieven, is volgens Rentel de enige manier om de neutraliteit van de transactie en de non-discriminatie die op het moment van hun financial close een onshore aansluiting hadden te garanderen. Rentel neemt akte van het standpunt van de CREG dat de tarifaire behandeling van de aansluiting van Rentel zal bevestigd worden in het tariefvoorstel van de netbeheerder dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de CREG. Rentel vraagt echter dat de CREG in haar definitieve beslissing reeds principieel een standpunt inneemt omtrent de behandeling van dergelijke aanvraag van de netbeheerder op basis van het neutraliteitsprincipe, het non-discriminatie principe en artikel 32 punt 3.5 van de tariefmethodologie. Dit zou Rentel het nodige comfort geven om afstand te doen van de opschortende voorwaarde zodat dit de realisatie van het MOG niet langer in de weg staat. 3.2.2.2. Standpunt CREG 49. Ten eerste neemt de CREG akte van de reserves die Rentel heeft geformuleerd over de toepassing van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet over de overwogen overdracht van goederen en het feit dat ze wil afzien van een deel van de opbrengst van de verhoging van de minimumaankoopprijs voorzien door artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet. De CREG kan echter alleen maar herhalen dat Rentel door de in artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet voorziene procedure toe te passen - en in het bijzonder door een gemeenschappelijk voorstel met de netbeheerder binnen de voorziene termijnen in te dienen - vrijwillig heeft aanvaard om deze bepaling na te leven. De CREG herinnert in dit opzicht dat artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet geenszins verplicht dat de betrokkene en de netbeheerder een gemeenschappelijk voorstel indienen dat de waarde van de overgedragen installaties en de overdrachtsmodaliteiten vastlegt. Als Rentel de toepassing van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet betwistte, dan kon ze eenvoudigweg afzien van Niet-vertrouwelijke versie 14/31 de indiening van een dergelijk gemeenschappelijk voorstel. Aangezien ze dat voorstel ingediend heeft, kan ze moeilijk betwisten dat deze bepaling in casu van toepassing is. Wat de verzaking van een deel van de opbrengst van de stijging van de minimumprijs voor de aankoop van groenestroomcertificaten betreft, kan de CREG het voorbehoud van Rentel moeilijk begrijpen, aangezien, impliciet maar zeker, uit het gemeenschappelijk voorstel blijkt dat Rentel een dergelijke verzaking aanvaardt. 50. Wat de opmerkingen van Rentel betreffende het toepasselijke aansluitingstarief betreft, kan de CREG haar argumentatie niet volgen. De CREG stelt ten eerste vast dat beslissing (B)1695 van 21 december 2017 het absolute principe van neutraliteit van de transactie geenszins heeft bevestigd, en in het bijzonder niet wat het tariefluik betreft. Op de opmerking van Rentel over de ontwerpbeslissing (B)1695 waarin ze vraagt dat de tarieven die erop van toepassing zijn niet stijgen omwille van het veranderende aansluitingspunt als gevolg van de overname van de installaties door Elia heeft de CREG het volgende geantwoord: “Het bepalen van de injectietarieven is een exclusieve bevoegdheid van de CREG. De CREG kan zich niet uitspreken of verbinden over toekomstige evoluties van dit tarief. Zoals blijkt uit de goedgekeurde tarieven voor transport 2016-2019, is het injectietarief een uniform tarief dat niet varieert in functie van het infrastructuurniveau: voor alle spanningsniveaus is het tarief uniform.” (§ 28) In haar antwoord heeft de CREG zich niet verbonden over de evolutie van de tarieven na de regulatoire periode 2016-2019. 51. Als gevolg van de overname van de installaties van Rentel door Elia zal het aansluitingspunt wettelijk worden verplaatst. Volgens artikel 2, § 1, 37° van het koninklijk besluit van 22 april 2019 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe is een aansluitingspunt “het punt waar een elektriciteitsproductie-eenheid, een asynchroon opslagpark, een verbruiksinstallatie, een publiek distributienet, een lokaal transmissienet, een gesloten industrieel net, een gesloten distributienet, of een HVDC-systeem, met inbegrip, in voorkomend geval, van hun aansluitingsinstallaties, op het transmissienet op een gesloten industrieel net, of op een HVDC-systeem zijn aangesloten”. Aangezien de installaties van Rentel als gevolg van de transactie deel zullen uitmaken van het transmissienet zal het aansluitingspunt van de installaties van Rentel moeten evolueren en zal het dus niet meer beschouwd kunnen worden als een onshore aansluiting. Als het aansluitingspunt van Rentel, als gevolg van de overname van de installaties door Elia, een offshore aansluiting wordt, dient in principe het offshore aansluitingstarief te worden toegepast als de toepasselijke tarieven een onderscheid maken tussen de offshore en onshore aansluitingen. Zoals hiervoor aangegeven maken de tarieven die momenteel van toepassing zijn (d.w.z. voor de regulatoire periode 2016-2019) geen dergelijk onderscheid. Uit de tariefmethodologie 2020-2023 blijkt echter dat de netbeheerder de mogelijkheid krijgt om een onderscheid tussen het onshore aansluitingstarief en het offshore aansluitingstarief in te voeren. In het tariefvoorstel dat ze aan de CREG heeft overgemaakt op 10 mei 2019 heeft Elia inderdaad een specifiek tarief voor de offshore aansluitingen opgenomen. De CREG heeft hierover nog geen beslissing genomen. De CREG kan niet akkoord gaan met Rentel als Rentel vindt dat het onshore aansluitingstarief op Rentel zou moeten toegepast blijven ondanks de aanpassing van het aansluitingspunt, als gevolg van de overname van de installaties door Elia. In dit opzicht moet dezelfde redenering niet worden gevolgd die, in het licht van het koninklijk besluit van 5 juli 2015, de CREG ertoe aanzet om ervan uit te gaan dat het steunmechanisme voorzien door artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet ten voordele van Rentel Niet-vertrouwelijke versie 15/31 moest behouden blijven, ondanks de aansluiting aan het MOG. De tarifaire materie valt onder specifieke bepalingen en volgt haar eigen logica die fundamenteel verschillend is van de logica die het meest wordt toegepast voor subsidies. Het koninklijk besluit van 5 juli 2015 kan niet als basis dienen voor een afwijking op deze regels aangezien de CREG exclusief bevoegd is voor deze materie, zodat de regels die de CREG op tarifair vlak heeft aangenomen niet moeten worden geïnterpreteerd in het licht van een koninklijk besluit, zoals het koninklijk besluit van 5 juli 2015. In deze omstandigheden moet de aanpassing van het aansluitingspunt van Rentel in principe leiden tot een wijziging van het aansluitingstarief, indien het onderscheid tussen de door Elia voorgestelde offshore en onshore aansluitingstarieven door de CREG wordt goedgekeurd. Dit kan enkel indien Elia, in het kader van de goedkeuringsprocedure van haar tariefvoorstel, een specifieke bepaling zou invoeren met betrekking tot de overdracht van aansluitingsinstallaties overeenkomstig artikel 7, § 3, van de elektriciteitswet, die het mogelijk maakt om het initiële aansluitingstarief ten voordele van Rentel te handhaven, met inachtneming van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, waartoe zij zich in haar brief van 25 juni heeft verbonden. 52. Ten slotte bevestigt de CREG dat wat Rentel en Elia in het gemeenschappelijke voorstel vragen - namelijk het behoud van het onshore aansluitingstarief ondanks de verplaatsing van het aansluitingspunt - niet gebaseerd kan zijn op artikel 32, punt 3.5 van de tariefmethodologie 2020-2023. In tegenstelling tot het standpunt dat in de ontwerpbeslissing wordt ingenomen, kan er inderdaad van worden uitgegaan dat de wijziging van de aansluiting plaatsvindt, zoals bepaald in punt 3.5 hierboven, om “technisch-economische optimalisering” redenen, en zoals uiteengezet in de voorbereidende werkzaamheden voor de wet van 13 juli 2017 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, met het oog op de vaststelling van een juridisch kader voor het Modular Offshore Grid. De CREG merkt echter op dat: - - - Artikel 32, punt 3.5 van de tariefmethodologie kadert in eenzijdig door de netbeheerder besloten netaanpassingen. In dit geval wordt de netaanpassing niet eenzijdig door de netbeheerder beslist, maar rechtstreeks voorzien door artikel 7, § 3, van de Elektriciteitswet, en ondersteund door de twee partijen die een gemeenschappelijk voorstel in die zin hebben ingediend met betrekking tot de waarde van de installatie en de voorwaarden van de overdracht. De CREG merkt in dit verband op dat, hoewel Rentel niet om een wijziging van zijn aansluitingspunt verzoekt, deze wijziging niet aan Elia toe te schrijven is, maar automatisch gebeurt, wegens de overdracht van de installaties; Artikel 32, punt 3.5, van de tariefmethodologie voorziet in één enkele compensatie in het geval van een netaanpassing, terwijl het gemeenschappelijke voorstel voorziet in de handhaving van het “initiële” aansluitingstarief, dat jaarlijks wordt betaald; Artikel 32, punt 3.5, van de tariefmethodologie bepaalt dat bij de compensatie rekening moet worden gehouden met de op een periode van tien jaar geraamde tarifaire delta's, terwijl het gemeenschappelijke voorstel voorziet in de toepassing van het “initiële” aansluitingstarief voor de rest van de concessieperiode. Artikel 32, punt 3.5 van de tariefmethodologie kan derhalve niet worden gebruikt als basis voor de handhaving van het onshore tarief ten voordele van Rentel. Als administratieve overheid kan de CREG niet afwijken van de algemene bepalingen die zij heeft aangenomen, noch kan de CREG zich beroepen op artikel 7, §3, van de Elektriciteitswet, dat de CREG belast de “modaliteiten voor de overdracht” van installaties te bepalen, om af te wijken van de reglementaire bepalingen die zij zelf heeft uitgevaardigd. De CREG erkent dat de strikte toepassing van artikel 32, punt 3.5 van de tariefmethodologie in het gemeenschappelijke voorstel in dit geval bemoeilijkt wordt door het feit dat op het ogenblik van de opstelling van het gemeenschappelijke voorstel het offshore aansluitingstarief nog niet bekend was. Deze moeilijkheid alleen kan echter geen voldoende reden zijn om een andere berekeningsmethode voor te stellen, die onverenigbaar is met de voornoemde bepaling. Niet-vertrouwelijke versie 16/31 4. BESCHRIJVING VAN DE ASSETS DIE WORDEN OVERGEDRAGEN 53. De netbeheerder bouwt en exploiteert het MOG. Afwijkend hiervan kan echter elke persoon die over de nodige administratieve vergunningen beschikt8, één van de installaties bouwen die deel uitmaken van het MOG op voorwaarde dat deze installatie, zolang ze niet geïntegreerd is in de andere elementen van het MOG, de kenmerken heeft van een aansluiting op het onshore elektriciteitstransmissienet. Rentel heeft haar individuele aansluiting gerealiseerd. In kader van het Modular Offshore Grid, draagt ze een gedeelte van haar aansluiting over aan Elia zodat deze assets mee geïntegreerd worden in het MOG. Volgende assets draagt Rentel over aan de netbeheerder (hierna: MOG assets): - de onderzeese stroomexportkabel (inclusief accessoires en reserve-onderdelen) tussen het onshore aanknopingspunt aan de mofput op het strand van Zeebrugge en het OSS in de domeinconcessie van Rentel; - het gas geïsoleerd schakelmateriaal (inclusief accessoires en reserve-onderdelen). 4.1. TECHNICAL DUE DILLIGENCE UITGEVOERD DOOR ELIA 54. In het kader van de overname van de assets die door Rentel werden gerealiseerd heeft Elia een technical due diligence uitgevoerd betreffende de over te nemen assets. De due diligence is gebaseerd op de documenten die Rentel ter beschikking heeft gesteld via een dataroom (Allen & Overy Collaborate). 4.2. VASTSTELLINGEN VAN DE CREG 55. De CREG stelt vast dat er geen duidelijke voorafgaande bindende afspraken werden gemaakt tussen Elia en Rentel aangaande de technische karakteristieken van de over te dragen Rentel assets. Uit de beperkte briefwisseling die de CREG ontving van Elia, blijkt dat in de tweede helft van 2015 Rentel de door Elia minimum gevraagde transportcapaciteit van de aansluitingskabel (vereiste transportcapaciteit door Elia : 390 MVA) niet wilde garanderen. De CREG begrijpt niet waarom zij hiervan niet op de hoogte werd gesteld door Elia. 56. Op basis van een beperkte overgedragen hoeveelheid briefwisseling tussen Elia en Rentel blijkt het volgende : - Rentel hield Elia (zeker in het beginstadium van het project) op de hoogte van de evolutie van de realisatie van de Rentel assets en van mogelijke afwijkingen. - Elia heeft haar bezorgdheid geuit aan Rentel over bepaalde keuzes die Rentel maakte of wenste te maken bij de realisatie van de Rentel assets. In bepaalde gevallen heeft Elia aan Rentel advies gegeven over de te nemen acties. - Rentel heeft in april 2017 duidelijk te kennen gegeven aan Elia dat zij gegevens aan Elia enkel ter informatieve titel verstrekt, dat de eventuele toekomstige overdracht van Rentel 8 Die verkregen zijn voor de inwerkingtreding van de wet van 13 juli 2017 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, met het oog op het instellen van een wettelijk kader voor het MOG. Niet-vertrouwelijke versie 17/31 assets enkel op “as built”-basis zal gebeuren. Verder stelde Rentel geen enkele verantwoordelijkheid of schadeklacht te zullen aanvaarden voor afwijkende interpretaties over informatie die aan Elia verstrekt wordt met betrekking tot de over te dragen assets die in het MOG geïntegreerd worden. De CREG heeft pas naar aanleiding van het onderzoek van het voorliggende dossier en na het opvragen van bijkomende informatie, kennis genomen van deze discussies tussen Elia en Rentel. Ook hier begrijpt de CREG niet waarom zij niet eerder op de hoogte werd gesteld. 57. De CREG heeft in haar beslissing (B)1695 van 21 december 2017 de regels bepaald inzake de waardering van de installaties die worden overgedragen aan de netbeheerder in het kader van het MOG. Deze beslissing werd genomen na een aftoetsing van de ontwerpbeslissing met Elia en Rentel en na een publieke raadpleging over deze ontwerpbeslissing, waarop Elia niet gereageerd heeft. Gezien het belang van de kwaliteit van de over te dragen assets met het oog op de integratie in het MOG en gezien Elia eind december 2017 al op de hoogte was van bepaalde gebreken met betrekking tot de Rentel assets, begrijpt de CREG niet waarom Elia haar kennis van deze gebreken niet aan de CREG heeft kenbaar gemaakt teneinde potentiële waardeverminderingen te integreren in haar beslissing (B)1695. 58. In het kader van de overdracht van de assets voerde Elia onder meer een technical due diligence uit, waarbij een aantal gebreken en tekortkomingen werden vastgesteld aan de Rentel assets die mogelijke risico’s inhouden bij de integratie van deze assets in het MOG-concept. De risico’s vormen zich volgens Elia hoofdzakelijk bij uitval van één van de Elia-kabels, waardoor het N-1 criterium in gevaar kan komen. Het mitigeren van deze risico’s of het nemen van herstelmaatregelen indien deze risico’s zich realiseren, kan een financiële impact hebben op de operationele kosten tijdens de uitbating van deze assets door Elia. 59. In de meeting van 2 april 2019 gaf Elia te kennen dat ze de risico’s verbonden met de gebreken en tekortkomingen van de over te dragen assets niet erg hoog inschatten. De aankoop en overdracht van de Rentel assets wordt, ondanks het feit dat ze niet voldoen aan de Elia specificaties, door Elia als niet onredelijk beschouwd. 60. In haar antwoord van 26 april 2019 verwijst Elia naar een presentatie van de kabelleverancier (NKT) waarin bepaalde marges en aannames minder conservatief kunnen worden aangenomen volgens Elia. 61. De CREG heeft aan Elia gevraagd om de vastgestelde risico’s te evalueren alsook een inschatting te maken van de mitigerende maatregelen. Elia stelt in de onmogelijkheid te verkeren om deze risico’s in te schatten en herhaalt dat de geïdentificeerde risico’s niet van aard zijn om de aankoop als onredelijk te beschouwen. 62. Verder heeft de CREG aan Elia gevraagd wat de kosten en termijnen zouden zijn voor de levering en plaatsing van een derde Elia-kabel. Elia antwoordt hierop dat een derde kabel momenteel totaal niet aan de orde is en geeft verder geen precies antwoord op de vraag. 4.3. CONCLUSIE 63. Elia heeft ten aanzien van Rentel duidelijk een aantal bezorgdheden en bekommernissen laten blijken inzake de over te dragen assets, maar heeft nagelaten om deze problemen (waarvan de CREG geen kennis had voor de indiening van het dossier en die een impact zouden moeten hebben op de overdrachtswaarde of minstens op de overdrachtsmodaliteiten) aan de CREG te melden. De CREG heeft bijgevolg deze problemen niet meegenomen in het kader van de opstelling van haar beslissing over de waardering van de over te dragen assets, waardoor de eventuele financiële risico’s gelinkt aan de gebreken van deze assets niet in rekening kunnen worden gebracht bij de bepaling van de Niet-vertrouwelijke versie 18/31 overdrachtswaarde. Gezien het feit dat de netgebruikers, via de tarieven, de prijs van de assets, die behoren te voldoen aan alle nodige technische criteria, zullen moeten dragen, lijkt het de CREG niet aangewezen om de netgebruikers daarnaast ook nog de eventuele directe of indirecte kosten te laten dragen die gerelateerd zijn aan gebreken of tekortkomingen vastgesteld vóór de vastlegging van de principes van de valorisatie door de CREG in 2017. In tegenstelling tot wat Elia beweert, bestaat er volgens de CREG geen reden om de uitzonderlijke risico’s verbonden met deze assets door de netgebruikers te laten dragen. Het principe “as is/ where is” in de beslissing (B)1695 bepaalt deze risicoallocatie geenszins. De eventuele directe of indirecte kosten die gerelateerd zijn aan de vaststellingen vermeld in de technical due dilligence (en die gekend waren door Elia vóór de vastlegging van de principes van de valorisatie door de CREG in 2017) zullen bijgevolg door de CREG als onredelijk worden bestempeld in toekomstige beslissingen in het kader van tarifaire rapporteringen met toepassing van de tariefmethodologie. De eventuele onbeschikbaarheid van het MOG ten gevolge van effecten die voortvloeien uit de vaststellingen vermeld in de technical due dilligence (en die gekend waren door Elia voor de vastlegging van de principes van de valorisatie door de CREG in 2017) zal niet als force majeur bestempeld worden in het kader van de berekening9 van de stimulans ter bevordering van de continuïteit van de bevoorrading (bedoeld in artikel 28 van de tariefmethodologie). 5. BEPALING VAN DE OVERDRACHTSWAARDE 5.1. DE DOOR ELIA OVERDRACHTSWAARDE EN RENTEL GERAPPORTEERDE 64. De CREG heeft de principes voor de valorisatie van deze assets vastgelegd in beslissing (B)1695 en zal de voorgestelde overdrachtswaarde controleren op basis van deze principes. 65. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de overdrachtswaarde zoals voorgesteld door Rentel en Elia in het indiende dossier. Tabel 1: Overzicht de ingediende overdrachtswaarde [VERTROUWELIJK] 66. De CREG onderzoekt hierna per kostenpost of de kosten redelijk zijn met als doel de overdrachtswaarde te bepalen. 5.2. AANKOOPKOSTEN 67. Rentel heeft de exportkabel tussen haar domeinconcessie en de kabelaanlanding op het strand van Zeebrugge geplaatst en draagt deze nu over aan Elia samen met het GIS station op haar offshore platform. Beide assets maken deel uit van de perimeter van het MOG, zoals vastgelegd in de Elektriciteitswet in artikel 2, 7°ter. 9 Zoals bepaald in hoofdstuk 4.4 van beslissing (B)658E/55 van 25 april 2019 over de modaliteiten voor het bepalen van de stimulansen om de prestaties van de beheerder van het transmissienet in de loop van de regulatoire periode 2020-2023 te verbeteren. Niet-vertrouwelijke versie 19/31 68. Conform beslissing (B)1695 maakt de aankoopprijs deel uit van de overdrachtswaarde. De aankoopprijs van beide assets omvat de aanrekening conform de aanbesteding en de eventuele meerof minkosten. De exportkabel wordt volledig aan Elia overgedragen en de aankoopkost ervan wordt bijgevolg volledig in rekening gebracht. Wat het offshore substation betreft, wordt [VERTROUWELIJK] % van de aankoopkost in rekening gebracht voor de bepaling van de overdrachtswaarde. Dit percentage komt overeen met de relatieve kost van het hoogspanningsschakelmaterieel ten opzichte van de totale investeringskost van het offshore substation. De CREG heeft de aankoopprijs van [VERTROUWELIJK] € gereconcilieerd met de aankoopfacturen en creditnota’s en aanvaardt dus het volledige bedrag in de overdrachtswaarde. 5.3. BIJKOMENDE KOSTEN 69. De voorgestelde overdrachtswaarde bevat ook bijkomende kosten die gegroepeerd zijn in 3 categorieën: additional costs external, additional costs internal en additional costs financing. 5.3.1. Additional costs – external 70. Kosten van diensten en diverse goederen die bij externen worden aangekocht, worden gerapporteerd in deze categorie. Deze kosten hebben betrekking op verzekeringen, due diligence costs, site investigation, elektrische design, permitting, … . Rentel maakt deze kosten voor de bouw van haar volledige offshore park en rekent deze gedeeltelijk (of soms volledig10) door aan de MOG assets die zij overdraagt aan Elia. Tabel 2 geeft een overzicht van deze kosten. Tabel 2: Overzicht de ingediende overdrachtswaarde [VERTROUWELIJK] 71. Om de redelijkheid van deze bedragen te checken heeft de CREG gecontroleerd of de uitgaven overeenkomen met de facturen. Daarnaast heeft zij de toewijzing van de kosten aan de MOG assets gecontroleerd. Volgende vaststellingen heeft de CREG gedaan voor de toewijzing van de kosten aan de MOG assets: - Voor de bouw van haar volledige offshore park rapporteert Rentel [VERTROUWELIJK] € verzekeringskosten. [VERTROUWELIJK] % van deze kosten ([VERTROUWELIJK] €) hebben, volgens het ingediend dossier, betrekking op de assets die overgedragen worden aan Elia. De totale kosten zijn verantwoord op basis van de opgeleverde stavingsdocumenten. De CREG is het echter niet eens met de toewijzing van [VERTROUWELIJK] %, op basis van cijfers van de andere Belgische offshore parken. Aangezien Rentel [VERTROUWELIJK] % van de aansluitingsinfrastructuur behoudt, is een allocatiecijfer van [VERTROUWELIJK] % van de totale verzekeringspremie aan Elia te hoog. De CREG past daarom de allocatiesleutel aan naar [VERTROUWELIJK] % en verwerpt dus [VERTROUWELIJK] € aan kosten. - Voor de financiering en de ontwikkeling van het volledige project heeft Rentel verschillende uitgaven gedaan zoals due diligence costs, construction monitoring, vessel marine coordinator, BMM monitoring costs, HSE-equipment and training, permitting costs en financing related fees. In het ingediende dossier wordt een algemene allocatiesleutel van [VERTROUWELIJK] % voorgesteld voor de toewijzing van de algemene kosten aan de MOG assets. Dit percentage is de verhouding tussen de kosten van de MOG assets ten 10 Uitgaven die specifiek gedaan werden voor de MOG assets worden voor 100 % doorgerekend in de overdrachtswaarde. Dit zijn de kosten voor de site investigation en de reserve-onderdelen van de exportkabel. Niet-vertrouwelijke versie 20/31 opzichte van de totale Rentel project kosten. De CREG stelt vast dat in de MOG assets een vergoeding voor het eigen vermogen is opgenomen, in tegenstelling tot de in totale Rentel project kosten. Voor de berekening van het allocatiecijfer moeten dezelfde kostenposten worden meegenomen in de teller en de noemer. Het algemeen allocatiecijfer wordt daarom gecorrigeerd naar [VERTROUWELIJK] %. 72. Op basis van bovenstaande vaststellingen verwerpt de CREG dus een deel van de kosten, zoals weergegeven in Tabel 3. Tabel 3: Overzicht de ingediende overdrachtswaarde [VERTROUWELIJK] 5.3.2. Additional costs – internal 73. Naaste externe kosten, heeft Rentel ook kosten van eigen diensten en personeel voor de plaatsing van de MOG assets. Tabel 4 geeft een overzicht van deze kosten die doorgerekend worden in de overdrachtswaarde aan Elia. Tabel 4: Overzicht additional costs - internal [VERTROUWELIJK] 5.3.2.1. LOT 3 dedicated staff 74. Tijdens de development en constructie van het Rentel project zijn er enkele FTE’s die gedeeltelijk/volledig betrokken zijn bij de ontwikkeling van de MOG assets: high voltage expert, senior contract manager EXC & OSS, package manager EXC, project engineer EXC, package manager OSS, project engineer OSS, marine installation manager en deputy marine installation manager. Deze kosten worden dus doorgerekend in de overdrachtswaarde voor [VERTROUWELIJK] €. De CREG heeft de assumpties die aan de basis van dit bedrag (doorgerekend bedrag = working days * KVIV rate * allocatie %) liggen geanalyseerd en stelt het volgende vast. 75. De doorgerekende loonkost is gebaseerd op KVIV barema’s en is conform beslissing (B)1695. De CREG heeft ook vastgesteld dat de gebruikte allocatiecijfers correct zijn berekend. Bijvoorbeeld de package manager EXC en de engineer EXC worden doorgerekend voor 100 % aangezien de exportkabel volledig wordt overgedragen aan Elia. De project engineer en de package manager voor de OSS worden slechts voor [VERTROUWELIJK] % doorgerekend aan Elia aangezien enkel de GIS wordt overgedragen. De CREG heeft dus geen opmerkingen bij deze parameters. 76. De CREG stelt echter vast dat het aantal working days die doorgerekend worden zeer hoog is, tussen [VERTROUWELIJK] en [VERTROUWELIJK] afhankelijk van het profiel. De CREG is het niet eens dat de personeelskosten van de personen die betrokken zijn met de ontwikkeling en de bouw worden aangerekend tot en met september 2019. De aansluitingsinfrastructuur van Rentel is operationeel sinds april 2018. Nadien is gestart met de bouw van de turbines en sinds 4 september 2018 is het volledige park operationeel. Dit betekent dat Rentel na september 2018 over is gegaan van de ontwikkelingsfase naar de operationele fase. Na overleg met Rentel blijkt dat bovenstaande profielen na september 2018 nog steeds (gedeeltelijk) betrokken zijn door het opvolgen van de aflevering en de controle van de as-built documentatie. Daarnaast vraagt de voorbereiding en de integratie van de geplande kabel tussen de Offshore Switch Yard van het MOG en het offshore platform van Rentel veel werk voor de dedicated staff door ondermeer het nazien van de method statements, het bijwonen van de offshore werken van Elia in de nabijheid van de Rentel assets en enkele aanpassingen aan de OSS voor het intrekken van die kabel. Niet-vertrouwelijke versie 21/31 De CREG past daarom niet het aantal working days aan en laat de einddatum op 30 september 2019 staan, maar past de allocatiefactor aan voor de toewijzing van de kosten tussen 30 september 2018 en 30 september 2019. Tabel 5 geeft het overzicht van de gebruikte allocatie percentages weer. Tabel 5: Overzicht additional costs – internal: gebruikte allocatiepercentages [VERTROUWELIJK] Hierdoor daalt het bedrag van [VERTROUWELIJK] € naar [VERTROUWELIJK] €. 5.3.2.2. General management en overhead 77. Zoals reeds vermeld in paragraaf 32 heeft Rentel geen eigen personeel. Otary ontwikkelt en realiseert het project, van het design en de ontwikkelingsfase tot en met de operationele fase. Naast Rentel ontwikkelt Otary ook de projecten Mermaid en Seastar. In de berekening worden de algemene management en ondersteunende functieprofielen11 van Otary voor [VERTROUWELIJK] % toegekend op het Rentel tot en met 30 september 2019. Op de volledige loonkost (working days * KVIV rate) wordt vervolgens het algemeen allocatiecijfer van [VERTROUWELIJK]% toegepast voor de toewijzing van de General management en overhead kosten aan de MOG assets. De CREG heeft volgende opmerkingen bij de toewijzing van de kosten van General management en overhead: - Het algemeen allocatiecijfer van [VERTROUWELIJK] % voor de toewijzing van algemene projectkosten aan de MOG assets is te hoog. Zoals vermeld in paragraaf 71 past de CREG dit cijfer aan naar [VERTROUWELIJK] %. - De CREG is het niet eens dat de algemene management en ondersteunende functieprofielen van Otary voor [VERTROUWELIJK] % worden toegewezen aan Rentel tot en met september 2019. Zoals hoger vermeld staat Otary ook in voor het design en de ontwikkeling van de parken Seastar en Mermaid, dat reeds gestart is in 2016. Na overleg met Rentel is er per functieprofiel en per jaar een toewijzing van de Otary kosten aan Rentel gebeurd. Op basis van bovenstaande bevindingen verwerpt de CREG [VERTROUWELIJK] € van [VERTROUWELIJK] € en houdt dus rekening met een bedrag van [VERTROUWELIJK] € in de overdrachtswaarde. 5.3.3. Additional costs – financing 78. Tenslotte worden in de bijkomende kosten de financieringskosten doorgerekend. Dit is de vergoeding van het ter beschikking stellen van het kapitaal of eigen vermogen en de kosten van het vreemd vermogen. De CREG stelt vast dat de berekeningsmethode voor de kosten voor het eigen en vreemd vermogen correct is en conform de principes van beslissing (B)1695. Bovendien worden de financieringskosten met betrekking tot de MOG assets bevestigd door KBC. Aangezien de CREG enkele kosten verworpen heeft in de bijkomende kosten, heeft dit ook een impact op de financieringskosten. 11 Dit gaat van functies zoals CEO, CFO, COO, risk and interface management, design and certification manager, legal manager tot project controller, document control-manager, management & corporate assistant, project assistant en HR officer. Niet-vertrouwelijke versie 22/31 5.4. TRANSACTIEKOSTEN 79. Naast de aankoopprijs en de bijkomende kosten worden ook de transactiekosten, gerelateerd aan de overdracht van de installaties, vergoed. Dit omvat externe kosten zoals legaal advies alsook de kosten voor het intern transaction team. De CREG heeft enerzijds de kosten van het legaal advies aangesloten met de boekhoudkundige stukken. Daarnaast heeft de CREG de kosten voor het intern transaction team gecontroleerd door de allocatiefactor te challengen. De CREG heeft geen onregelmatigheden vastgesteld en aanvaardt alle kosten voor de overdrachtswaarde. 5.5. BEPALING VAN DE OVERDRACHTSWAARDE 80. Rentel en Elia hebben in hun gemeenschappelijk voorstel de overdrachtswaarde van [VERTROUWELIJK] € voorgesteld. De CREG heeft deze waarde gecontroleerd op basis van de boekhoudkundige bewijsstukken en achterliggende documenten. Op basis van de vaststellingen vermeld in de paragrafen 67-79 verwerpt de CREG een gedeelte van de kosten en legt de overdrachtswaarde vast op [VERTROUWELIJK] €. Tabel 6: Overzicht verworpen kosten in de overdrachtswaarde [VERTROUWELIJK] 6. AANPASSING VAN DE FINANCIERING VAN DE KABEL EN VAN DE VERHOGING VAN DE MINIMUMPRIJS 6.1. AANPASSING VAN DE STEUN 81. Voor de bepaling van het door de netbeheerder in aanmerking te nemen bedrag voor de financiering van de onderzeese kabel worden alle kosten voor “de aankoop, de levering en de plaatsing van de onderzeese kabel alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van voormelde productie-installaties” mee in rekening genomen. Voor de overdracht aan Elia, is de waarde van de aansluitingsinstallaties gelijk aan [VERTROUWELIJK] miljoen €. In beslissing (B)1541 heeft de CREG dan ook de kabelsubsidie vastgelegd op het maximum, namelijk 25 miljoen €. De kabelsubsidie wordt uitbetaald in vijf schijven van 5 miljoen € vanaf de maand volgend op de aanvang van de eerste werken, en elk volgend jaar op dezelfde datum. De uitbetaling van drie schijven is reeds goedgekeurd door de CREG en heeft plaatsgevonden in maart 2017, maart 2018 en maart 2019. 82. Beslissing (B)1541 vermeldde echter ook: “Indien na deze beslissing zou blijken dat bepaalde assets worden doorverkocht aan de netbeheerder in kader van het Modular Offshore Grid, wordt de financiering van 25.000.000,00 EUR en de verhoging van de minimumprijs met 12,00 EUR/MWh door de CREG herzien op basis van de verkoopprijs.” Dit wordt ook aangehaald in beslissing (B)1695 (paragraaf 45) als volgt: Domeinconcessiehouders waarvan de financial close heeft plaatsgegrepen tussen 2 mei 2014 tot en met 31 december 2016 en die overeenkomstig artikel 7, § 2, tweede lid van de Niet-vertrouwelijke versie 23/31 Elektriciteitswet het recht op een individuele aansluiting hebben verworven, hebben op basis van hetzelfde artikel het recht verworven op financiële steun voor de onderzeese kabel in de vorm van één derde van de kostprijs van de onderzeese kabel met een maximumbedrag van 25 miljoen en een verhoging van de minimumprijs voor de geproduceerde winenergie met 12 €/MWh. Indien deze domeinconcessiehouders deze assets, geheel of gedeeltelijk, overdragen aan de netbeheerder, zullen zij een nieuw dossier met betrekking tot de financiële steun voor de kabel moeten indienen bij de CREG. Het zou onaanvaardbaar zijn dat de domeinconcessiehouder het initiële steunniveau behoudt indien blijkt dat, gezien de verkoop van de assets aan de netbeheerder, hij minder kosten draagt dan deze die in aanmerking werden genomen bij de berekening van de initiële ondersteuning. Hierbij is het belangrijk om op te merken dat de Europese Commissie in zijn besluit van 8 december 2016 over het Belgische federale regime voor hernieuwbare energiecertificaten rekening heeft gehouden met de steun die aan de domeinconcessiehouders wordt verleend voor de aansluitingskosten op het transmissienetwerk. Het steunmechanisme werd door de Europese Commissie goedgekeurd aangezien het ondersteuningsniveau onder de totale investeringskosten bleef. Als de aanschafkosten worden verminderd als gevolg van de overdracht van eigendom van het actief aan de netbeheerder, is een herziening van het ondersteuningsniveau dan ook noodzakelijk. De CREG zal hierna de financiering van de kabel en de verhoging van de minimumprijs aanpassen conform de principes vastgelegd in beslissing (B)1695. 83. Na de overdracht van de MOG assets aan Elia, is de waarde van de aansluitingsinstallaties van Rentel gelijk aan [VERTROUWELIJK] €. De kabelsubsidie is gelijk aan één derde van de kostprijs met een maximum van 25 miljoen €. De “nieuwe” kabelsubsidie is dus gelijk aan 17.596.863 €. Aangezien er al drie schijven van 5 miljoen € uitbetaald zijn, heeft Rentel dus al 15 miljoen € ontvangen. De laatste betaling van 2.596.863 € dient te gebeuren in maart 2020. 84. Daarnaast dient ook het bedrag waarmee de minimumprijs voor de aankoop van de groenestroomcertificaten wordt verhoogd te worden aangepast. De verhoging is voor de overdracht van de assets 12 €/MWh. Conform beslissing (B)1695 wordt dit bedrag herrekend op basis van de ratio van de assets dewelke eigendom blijven van Rentel ten opzichte van de totale aansluitingsassets. De verhoging van de minimumprijs is dus, na overdracht van de assets, gelijk aan 4,82 €/MWh: [VERTROUWELIJK] De nieuwe verhoging van de minimumprijs, die ingaat op de dag van de overdracht van de MOG assets aan Elia, is retroactief van toepassing op de geproduceerde groenestroomcertificaten sinds de indienstname van het park van Rentel. 6.2. TERUGVORDERING 85. Conform beslissing (B)1695 en artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2015 waarbij aan de nv Rentel de toestemming wordt verleend om niet aan te sluiten op een installatie noodzakelijk voor de transmissie van elektriciteit in de zeegebieden, bedoeld in artikel 13/1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt geldt het volgende: “Indien de NV Rentel de onderzeese kabel, alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van de productie-installaties waarvoor zij ondersteuning bekomt met toepassing van artikel 7 §2, tweede lid van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, geheel of gedeeltelijk aan de netbeheerder zou overdragen, kan de minister, op voorstel van de commissie, de ondersteuning voor de aankoop, de levering en de plaatsing ervan geheel of gedeeltelijk terugvorderen via alle rechtsmiddelen en/of bijgevolg de ondersteuning voor de geproduceerde windenergie aanpassen”. Niet-vertrouwelijke versie 24/31 In het ingediend dossier hebben Rentel en Elia een “avenant bij het Contract voor het aankopen van groenestroomcertificaten” toegevoegd. Dit dient door de CREG te worden goedgekeurd. In artikel wordt dit principe van terugvordering ook vermeld: Rentel verbindt er zich toe om het saldo tussen de 12 EUR/MWh en het herziene bedrag in de CREG beslissing van xx/xx/xxxx, dat ze heeft ontvangen via de groenestroomcertificaten, integraal terug te betalen aan Elia. Elia zal hiervoor na [30/09/2019] een creditnota zenden naar Rentel 86. Rentel heeft sinds de indienststelling van haar park een verhoging van de minimumprijs gekregen van 12 €/MWh. Dit bedrag is een vergoeding voor de aankoop en alle bijkomende kosten (inclusief financiering van het eigen en vreemd vermogen) voor de totale aansluitingskosten van haar individuele aansluiting. Aangezien Rentel een deel van deze assets overdraagt aan Elia en hiervoor volledig vergoed wordt (inclusief vergoeding voor het ter beschikking stellen van het kapitaal), dient Rentel een deel van de verhoging van 12 €/MWh terug te geven aangezien ze anders twee maal vergoed wordt voor dezelfde assets. Rentel ontvangt deze 12 €/MWh voor de geproduceerde certificaten tot de overdracht van de MOG assets aan Elia. Nadien is de verhoging van de LCOE gelijk aan 4.82 €/MWh. De overdracht van de assets aan Elia is momenteel gepland op 30 september 2019. 87. De aldus te restitueren steun is gelijk aan: (12 €/MWh – 4,82 €/MWh) * ontvangen certificaten voor de periode mei 2018- de dag van de overdracht van de assets Voor de productie in 2018 heeft Rentel [VERTROUWELIJK] certificaten gekregen met een waarde verschillend van 0. Voor de periode 2018 dient Rentel dan ook [VERTROUWELIJK] € te restitueren. De te restitueren steun voor de periode tussen 1 januari 2019 en de dag van de overdracht van de assets kan pas berekend worden na de overdracht. De CREG zal het definitieve bedrag dat teruggevorderd dient te worden bepalen na de overdracht en bevestigen via een brief aan alle betrokken partijen. 7. MODALITEITEN VAN DE OVERDACHT 88. Artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet vermeldt dat de CREG naast de overdrachtswaarde ook de modaliteiten van de transfer van de assets goedkeurt. Rentel en Elia hebben in hun gemeenschappelijk voorstel alle contracten, die opgesteld of aangepast worden door de overdracht van de MOG assets, overgemaakt. 7.1. CONTRACTEN DIE DE OVERDRACHT REGELEN 89. Twee contracten worden opgesteld tussen Elia en Rentel die de overdracht regelen. De CREG heeft akte genomen van beide contracten en heeft geen opmerkingen bij deze contracten. In “Overeenkomst van overdracht” wordt de naast de definiëring van de assets van de overdracht, de opschortende voorwaarden, ook de verplichtingen in verband met de overdracht van de vergunningen en verschillende voorwaarden (zoals het Opstalrecht) vermeld. In “Overeenkomst van toegangs- en gebruiksrecht” wordt het toegangsrecht en het Gebruiksrecht gedefinieerd. Het Toegangs- en het gebruiksrecht worden aan Elia of haar (onder)aannemers toegekend om haar toe te laten (
  5. i)toegang te hebben tot elementen van het MOG gelegen binnen het Rentel Gebied teneinde deze te opereren, onderhouden, herstellen en ontmantelen en (
  6. ii)de Rentel Niet-vertrouwelijke versie 25/31 Goederen te gebruiken, telkens zoals noodzakelijk voor het opereren, onderhouden, herstellen en ontmantelen van de elementen van het MOG. In het contract worden verder de toegangs- en gebruiksvoorwaarden gespecifieerd, alsook de principes van monitoring, onderhoud en herstelling en de communicatieprocedures bij werken en urgentie. Daarnaast wordt ook de prijs vastgelegd die Elia aan Rentel verschuldigd is voor het Toegangs- en Gebruiksrecht. 7.2. GEREGULEERDE ELIA CONTRACTEN 7.2.1. Het contract voor het aankopen van groenestroomcertificaten 90. De CREG onderzoekt hierna het voorstel van aanpassingen aan het contract voor het aankopen van groenestroomcertificaten tussen de netbeheerder, de nv Elia System Operator (hierna “Elia”), en de nv Rentel (hierna “Rentel”). Dit contract, met uitzondering van bijlagen 2 en 3, werd op 16 september 2016 door de CREG reeds goedgekeurd. De aanleiding van de voorgestelde wijziging is de voorziene verkoop van bepaalde assets van Rentel aan Elia, die door Elia geïntegreerd worden in het MOG. Hierdoor zal de verhoging van de minimumprijs aangepast worden, van 12 €/MWh naar 4,82 €/MWh en zal Elia de op dat ogenblik te restitueren steun terugvorderen. Met toepassing van artikel 14, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 maakt “de aankoopverplichting van groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd via windenergie, zoals omschreven onder 1° (van artikel 14, § 1), op voorstel van de netbeheerder, het voorwerp uit van een contract tussen de domeinconcessiehouder en de netbeheerder, dat ter goedkeuring voorgelegd wordt” aan de CREG. Met toepassing van artikel 14, § 2, in fine, van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 controleert de CREG de verplichtingen van de netbeheerder die uit dit besluit voortvloeien. 91. Het avenant bij het contract bestaat uit 4 artikelen. Het eerste artikel bepaalt dat de aangepaste waarde van de groenestroomcertificaten van toepassing zal zijn vanaf de dag na de datum van de transfer van de assets van Rentel naar Elia. In artikel 2 verbindt Rentel er zich toe om het saldo tussen de 12 €/MWh en het herziene bedrag, dat ze heeft ontvangen via de groenestroomcertificaten integraal terug te betalen aan Elia. Artikel 3 bepaalt dat het contract, de Bijlagen en zijn Avenant dd. 30 april 2018 volledig en onverminderd van toepassing blijven. In het laatste artikel tenslotte wordt opgenomen dat het voorliggende avenant is onderworpen aan de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie van de gereduceerde subsidies voor Rentel. 92. Na analyse van het avenant stelt de CREG geen problemen vast en keurt bijgevolg het avenant goed. 7.2.2. Het contract houdende financiering van de onderzeese kabel alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van de offshore productie-installaties 93. Op 2 september 2016 hebben Rentel en Elia een contract afgesloten om de voorwaarden van de financiering van de kabel (hierna; het contract van 2 september 2016) vast te leggen. Artikel 5.4 van het Contract van 2 september 2016 voorziet in een aanpassing van deze financiering indien Rentel assets overdraagt aan Elia die geïntegreerd worden in het MOG. Met voorliggend contract wordt hier uitvoering aangegeven. Dit nieuwe contract vervangt integraal en vanaf de datum van inwerkingtreding het contract van 2 september 2016. Maar alle betalingen die reeds in het verleden plaatsvonden worden integraal meegerekend in het nieuwe contract. Niet-vertrouwelijke versie 26/31 94. Afgezien van de overdracht en haar modaliteiten zelf, dient de CREG dit contract niet formeel goed te keuren, maar stelt zij vast dat het contract correct de situatie van de transfer van de assets weergeeft alsook rekening houdt met de reeds betaalde bedragen in kader van het contract van 6 september 2016. De CREG merkt enkel op dat het bedrag van de financiering in het contract dient exact overeen te stemmen met deze beslissing. 7.2.3. Het aansluitingscontract 95. Op 2 september 2016 heeft Rentel een aansluitingscontract ondertekend met Elia. Enkele bijlagen van dit contract worden geüpdatete om de aansluiting van Rentel op het MOG te beschrijven. In een eerste fase is Rentel aangesloten op het onderstation Stevin 220 kV. De tweede fase bestaat uit de integratie van een deel van het offshore platform (het GIS) en de onderzeese exportkabel van Rentel in het MOG. Om de neutraliteit bij het verplaatsen van het aansluitingspunt tussen de eerste en de tweede fase te kunnen garanderen voor Rentel, komen beide partijen overeen dat de onshore aansluitingstarieven van toepassing blijven tot de voorziene einddatum van de Rentel domeinconcessie. Tevens zal het gebruiksrecht, voorheen verleend door de netbeheerder aan Rentel met betrekking tot de shunt reactor, en andere onshore assets, worden tenietgedaan, in overeenstemming met de modaliteiten zoals voorzien in het overdrachtsdossier, inclusief de erin voorziene terugbetaling door Elia. Uit het aansluitingscontract dat de partijen gewijzigd hebben en dat aan het gemeenschappelijke voorstel werd toegevoegd, blijkt dat de partijen overeenkomen om het onshore tarief te blijven toepassen tot de momenteel voorziene einddatum van de domeinconcessie van Rentel en dit om de neutraliteit van de wijziging van het aansluitingspunt te kunnen garanderen. In het gemeenschappelijke voorstel leggen de partijen deze overeenkomst ter goedkeuring voor aan de CREG met als argument dat het gaat om een wijziging op verzoek van Elia; deze goedkeuring is een opschortende voorwaarde voor de overdracht van de installaties. 96. Volgens artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet dient de CREG “de waarde van de installatie en de modaliteiten voor de overdracht” te bepalen; de vaststelling van deze modaliteiten mag echter niet afwijken van de algemene bepalingen die de CREG, in het bijzonder op tarifair vlak, heeft vastgelegd. Met andere woorden: door haar bevoegdheid met toepassing van artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet uit te oefenen, mag de CREG niet afwijken van de tariefmethodologie. Noch de tariefmethodologie 2016-2019, noch de geldende tarieven voor deze periode maken een onderscheid tussen een onshore aansluiting en een offshore aansluiting waardoor de wijziging van de aansluiting in dit opzicht neutraal is. De tariefmethodologie 2020-2023 voorziet het volgende (Bijlage 2): “1.2 De aansluitingstarieven omvatten: 1° het eenmalige tarief voor de oriënterende studie met het oog op een nieuwe aansluiting of de aanpassing van een bestaande aansluiting; 2° het eenmalige tarief voor de gedetailleerde studie met het oog op nieuwe aansluitingsapparatuur of de aanpassing van bestaande aansluitingsapparatuur of, in voorkomend geval, het eenmalige tarief voor een aanvullende studie betreffende de power quality; 3° het tarief voor de éénmalige toepassing verbonden aan de studie naar een substantiële wijziging met het oog op de beoordeling van het substantieel karakter van de wijziging van de installaties aangesloten op het net; 4° het periodieke tarief voor de installatie of de substantiële aanpassing, met inbegrip van de ontmanteling en de vernieuwing, van een eerste aansluitingsveld; Niet-vertrouwelijke versie 27/31 5° het periodieke tarief voor het beheer, door de netbeheerder, van het eerste aansluitingsveld; 6° het periodieke of eenmalige tarief voor de installatie of de substantiële aanpassing, met inbegrip van de ontmanteling en de vernieuwing, van de andere aansluitingsinstallaties, met name: • een verbinding voor een aansluiting in de lucht of ondergronds aansluiting en de eventuele apparatuur die hiervoor vereist is; • de apparatuur die vereist is voor de transformatie, de compensatie van reactieve energie en voor de filtering van de spanningsgolf; • andere velden dan het eerste aansluitingsveld, aanvullende beveiligingsapparatuur, aanvullende apparatuur voor alarmsignalen, metingen en tellingen, aanvullende apparatuur voor telemetrie en/of gecentraliseerde afstandsbediening; • het periodieke tarief voor het beheer van de apparatuur bedoeld in punt 5°. 1.3 Het tarief bedoeld in 1.2.1° is afhankelijk van het nominale vermogen en/of van de bestemming (injectie of afname). Het tarief bedoeld in 1.2.2° voor de gedetailleerde studie en het tarief bedoeld in 1.2.3° kunnen afhankelijk van de nominale spanning, van de configuratie, van de bestemming (injectie of afname) en zijn van toepassing per gevraagde variant. De tarieven bedoeld in 1.2.4° en 5° kunnen afhankelijk zijn van de nominale spanning, van het nominaal vermogen, van het kortsluitvermogen, van het type onderstation, van de onshore of offshore lokalisatie en van de technologische parameters gedefinieerd in de technische reglementen. Bovendien kan het tarief variëren afhankelijk van het feit of het betrekking heeft op de aansluiting van de transmissienetbeheerders of van andere netgebruikers. Het tarief bedoeld in 1.2.6° kan afhankelijk zijn van de nominale spanning, van de lengte van de aansluiting, van het nominaal vermogen, van de onshore of offshore lokalisatie, van de technologische parameters gedefinieerd in de technische reglementen en, in voorkomend geval, van de datum van ingebruikname van de desbetreffende apparatuur. Bovendien kan een andere tariefbenadering worden toegepast afhankelijk van het feit of deze betrekking heeft op de aansluiting van de transmissienetbeheerders of van andere netgebruikers. […]" Bijgevolg laat de tariefmethodologie 2020-2023 de netbeheerder toe om, voor bepaalde elementen van het aansluitingstarief, een onderscheid te maken tussen een onshore aansluiting en een offshore aansluiting. In de commentaren voor de tariefmethodologie wordt in dit verband het volgende vermeld: De aansluitingstarieven werden op vier punten gewijzigd: […] Ten derde wordt voor de tarieven 1.2 4° tot 6° de mogelijkheid ingevoerd om de aansluitingstarieven te differentiëren naargelang het onshore of offshore installaties betreft. Desgevallend, in het geval dat de netbeheerder dit voorstelt, zal deze differentiëring het voorwerp uitmaken van een beslissing van de CREG. […]" 97. In het tariefvoorstel voor de periode 2020-2023 dat Elia op 10 mei 2019 bij de CREG heeft ingediend, maakt Elia een onderscheid tussen het tarief voor de onshore aansluiting en het tarief voor de offshore aansluiting. Aangezien de overname van de installaties zal leiden tot de verplaatsing van het aansluitingspunt van Rentel (van de Stevin-transformatorpost, zoals nu het geval is, naar de transformator in het “OSS”-station na de overname van de installaties), zal de operatie in principe leiden tot de toepassing van het offshore aansluitingstarief op Rentel. Niet-vertrouwelijke versie 28/31 98. In tegenstelling tot wat in het gemeenschappelijke voorstel is voorzien, kan de handhaving van het onshore aansluitingstarief ten voordele van Rentel, en dit voor de gehele resterende concessieperiode, niet gebaseerd zijn op artikel 32, punt 3.5, van de tariefmethodologie. Inderdaad: - artikel 32, punt 3.5 van de tariefmethodologie kadert in eenzijdig door de netbeheerder besloten netaanpassingen. In dit geval wordt de netaanpassing niet eenzijdig door de netbeheerder beslist, maar wordt dit rechtstreeks geregeld door artikel 7, § 3, van de Elektriciteitswet en gesteund door de twee partijen, die daartoe een gemeenschappelijk voorstel hebben ingediend met betrekking tot de waarde van de installatie en de modaliteiten van de overdracht; - artikel 32, punt 3.5, van de tariefmethodologie voorziet in één enkele compensatie in het geval van een netaanpassing, terwijl het gemeenschappelijke voorstel voorziet in de handhaving van het “initiële” aansluitingstarief, dat jaarlijks wordt betaald; - artikel 32, punt 3.5, van de tariefmethodologie bepaalt dat bij de compensatie rekening moet worden gehouden met de op een periode van tien jaar geraamde tarifaire delta's, terwijl het gemeenschappelijke voorstel voorziet in de toepassing van het “initiële” aansluitingstarief voor de rest van de concessieperiode. 99. De CREG heeft echter kennis genomen van de brief van Elia van 25 juni 2019 waarin zij voorstelt haar tariefvoorstel 2020-2023 aan te passen om in haar tarieflijst uitdrukkelijk te vermelden dat het initiële (onshore) aansluitingstarief gehandhaafd blijft voor de netgebruikers die, zoals Rentel, overeenkomstig artikel 7, § 3 van de elektriciteitswet, hun installaties aan Elia hebben overgedragen met het oog op de integratie ervan in het MOG. De CREG merkt op dat het behoud van het onshore aansluitingstarief op Rentel in overeenstemming is met het principe van neutraliteit van de overdrachtsoperatie, dat reeds - voor andere aspecten dan de tarieven - werd ingevoerd in beslissing 1695 van 21 december 2017 over de principes van de valorisatie van de installaties die overgedragen worden aan de netbeheerder in kader van het Modular Offshore Grid. De CREG merkt ook op dat artikel 32, punt 3.5 van de tariefmethodologie ook de intentie heeft om het principe van neutraliteit toe te passen op de netgebruiker in geval van een overname of verplaatsing van de aansluitingsinstallatie. De CREG begrijpt echter dat de partijen niet de mogelijkheid hebben gehad om deze bepaling in hun gemeenschappelijke voorstel toe te passen, aangezien op het ogenblik van de opstelling van dit voorstel het offshore aansluitingstarief nog niet was vastgesteld. De CREG is daarom van mening dat het behoud van het aansluitingstarief aanvaardbaar is. In het licht van de bovenvermelde verbintenis van Elia, die moet worden geformaliseerd in de beslissing over het tariefvoorstel 2020-2023, kan de CREG goedkeuren dat het onshore aansluitingstarief wordt toegepast op Rentel voor de resterende duur van de domeinconcessie, zoals voorgesteld door de partijen in het gemeenschappelijke voorstel. 8. CONCLUSIE Gelet op artikel 7, § 3, van de elektriciteitswet waarin bepaald wordt dat de commissie de waarde van de installatie en de modaliteiten voor de overdracht aan de netbeheerder bepaalt op gemeenschappelijk voorstel van zijn eigenaar en de netbeheerder dat aan de commissie werd overgemaakt; Niet-vertrouwelijke versie 29/31 Gelet artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2015 waarbij aan de nv Rentel de toestemming wordt verleend om niet aan te sluiten op een installatie noodzakelijk boor de transmissie van elektriciteit in de zeegebieden, bedoeld in artikel 13/1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt; Gelet op beslissing (B)171221-CDC-1695 over de principes van de valorisatie van de installaties die overgedragen worden aan de netbeheerder in kader van het Modular Offshore Grid; Gelet op aanvraagdossier van 8 februari 2019; Gelet op de technical due diligence die door Elia overgemaakt werd op 8 februari 2019, waarvan de CREG voordien geen kennis had; Gelet op de aanvullende informatie ontvangen op 26 februari en 1 maart 2019; Gelet op voorgaande analyse; Beslist de CREG dat: - de overdrachtswaarde van de MOG assets wordt vastgelegd op [VERTROUWELIJK] €; - Rentel recht heeft op een kabelsubsidie van 17.596.863 €. Aangezien Rentel al 15 miljoen € heeft ontvangen, wordt de laatste schijf van 2.596.863 € uitbetaald in maart 2020; - Rentel recht heeft op een verhoging van de minimumprijs met 4.82 €/MWh na overdracht van de MOG assets; - de CREG na overdracht van de MOG assets de teveel ontvangen steun bepaalt. Dit bedrag wordt teruggevorderd van Rentel; Gelet op artikel 14, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 2002; Gelet op het verzoek vanwege Elia en Rentel tot goedkeuring van het voorstel van avenant bij het contract voor het aankopen van groenestroomcertificaten Rentel; Gelet op de analyse door de CREG van het voorstel van avenant bij het contract; Beslist de CREG het Voorstel van avenant bij het contract voor het aankopen van groenestroomcertificaten tussen Elia en Rentel goed te keuren.  Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Laurent JACQUET Directeur Niet-vertrouwelijke versie Koen LOCQUET Wnd. Voorzitter van het Directiecomité 30/31 BIJLAGE 1 Reactie van Elia op ontwerpbeslissing (B)1910 BIJLAGE 2 Reactie van Rentel op ontwerpbeslissing (B)1910 Niet-vertrouwelijke versie 31/31 C^elia - Boulevard de l’Empereur 20 1000 Bruxelles - Belgique Keizerslaan 20 1000 Brussel - Belgie CREG Monsieur Laurent Jacauet Directeur du Controle des prix et des comptes Rue de I'lndustrie, 26-38 I 1040 Bruxelles 28.05 1 9 000138 P PAR PORTEUR, AVEC ACCUSE DE RECEPTION CREG . T +32 2 546 70 11 F + 32 2 546 70 10 www.elia.be yee o ! J Bruxelles, le 28 mai 2019 28.051 9 900441 N r6f: V.ref : 20190515/PRA/Y2.611/ JDA 2019/ P139/V 208-CDC05.0 ’ UA/ API/kfe Concerne: projet de decision (B) 1910 - reaction d'Elia ' v Monsieur le Directeur, Par courrier du 7 mai 2019, dont les references sont reprises supra, vous avez soumis a la consultation d'Elia System Operator (ci-apres « Elia ») un projet de decision (B) 1910, relatif a « la determination de la valeur de transfert des installations que RenteI transfert a Elia dans le cadre du Modular Offshore Grid et sur la revision du subside cable et de la surcharge cable de RenteI ». . Par la presente, Elia a le plaisir de vous adresser sa reaction, reprise en annexe Elia espere que la CREG pourra tenir compte des commentaires apportes par Elia pour revoir son projet de decision sur les points indiques dans notre contribution. Dans ce cadre, nous nous permettons egalement de vous faire parvenir un nouvel element que Rentel a mis a disposition d'Elia ce 27 mai 2019 au travers la data room mise en place par Rentel pour preparer ce transfert Ce nouvel element concerne une revision des analyses effectuees par NKT au sujet des risques de surchauffe du cable offshore en certains points. . Nous tenant a votre disposition pour toute question eventuelle, nous vous prions de croire, Monsieur le Directeur, a I'assurance de notre consideration distinguee . / * / Julien Damilot Manager Public & Regulatory Affairs Annexes : Markus Betjger , f(£.0. Infrastructure \s 2 Elia System Operator SA / NV TVA / BTW BE0476 388 378 - RPM Bruxelles/RPR Brussel - IBAN BE24 0013 6647 1938 - BIC/SWIFT GEBABEBB % VERTROUWELIJK / CONFIDENTIEL E 2019 05-15 - Issued for Approval OT LJ AB D 2019-04-29 Issued for Approval OT LJ AB C 2019-01-30 Issued for Approval OT LJ AB B 2018-09- 06 Issued for Approval OT LJ AB A 2018-09- 06 Issued for Approval OT LJ AB 2016-09-16 Issued for Review AT Rev. Made by Status Issued date CP RP Reviewed By Approved By Contractor: Company rentel Contractor Doc.No: OFFSHORE ENERGY 1JND16003D000384 Project title: Contract no: Rentel NV Windfarm - Rentel Project Lot3A Document type: RPT Rentel WBS: R-E-EXC-20 Document title: Rentel Overload Calculations Page: Rev.: Document no.: REN-ABB-ENG-RPT-00013 E 1 + 15 CREG : “ Projet de decision relative a la determination de la valeur de transfert des installations que Rentel transfert a Elia dans le cadre du Modular Offshore Grid et a la revision du subside cable et de la surcharge cable de Renter - Consultation - Reactions d’Elia System Operator Bruxelles, le 28 mai 2019 1 Agenda 1. Projet de decision 2. Historique relatif a la realisation de la liaison en cable entre le poste de Stevin et la plateforme Rentel 3. Base pour le rejet de couts 4. Decision de rachat au regard des risques 5. Nouvel element a prendre en compte 6. Demande c ) Projet de decision : appreciation generate • Sans prejudice du point qui suit, Elia prend acte du projet de decision de la CREG par laquelle celle-ci entend fixer le prix de transfert des assets de Rentel faisant partie du MOG a un niveau de 102,1 million EUR et adapter en consequence les niveaux de soutien a accorder a ce pare. Elia constate toutefois que ce projet de decision contient egalement des passages (pt 33 a 41) par lesquels la CREG previent Elia qu’elle considerera comme deraisonnables les couts qui surviendraient en lien avec les constations faites dans le technical due dilligence (mettant en evidence certains risques sur la fiabilite de certains equipements en exploitation) • Elia estime que cet avertissement est injustice et inadequat , notamment car : - II est fonde sur des elements errones ou approximatifs; - Les bases regulators ou juridiques sur lesquelles il s’appuie sont inconnues ou incorrectes; - plus globalement, les caracteristiques techniques du cable sont la consequence des choix poses par la seule Rentel et Elia n’a jamais ete en position d’exiger quoi que ce soit en lien avec ces caracteristiques; ( ) - II n’est des lors pas acceptable qu'Elia doive supporter le risque economique de ces caracteristiques, alors meme que le prix de transfert ne les prend pas en compte. -C Ti a ^ Historique : commande du cable par Rentel (1/6) • Dans le cadre de la realisation du projet MOG, il etait necessaire que Rentel accepte de surdimensionner - au regard de ses propres besoins - les caracteristiques techniques de ses installations et de son cable pour que ces elements puissent apporter une contribution suffisante dans le cadre de I’exploitation du MOG • Mi-2015, Rentel a du commander ce cable. Elia, soutenue par la CREG ( *) , s’ est montree dispose© a prendre en charge les couts correspondants a ce surdimensionnement pour autant qu’Elia puisse disposer de droits quant a la determination des caracteristiques techniques du proiet. • Lors de sa decision de commande de cable, Rentel a decide, comme elle en avait parfaitement ie droit , d’ avancer seule et de supporter - a sa seule charge - les couts correspondants a ce surdimensionnement du cable. En consequence , la commande du cable - et plus largement la realisation de ces infrastructures - s' est effectuee sans qu’Elia ne dispose de droit/clause contractuelle pour la determination des caracteristiques techniques des elements pouvant integrer ulterieurement le MOG c ) La CREG a pu constater que les engagements proposes en 2015 par Elia a Rentel ( et soutenus par la CREG) ne se sont jamais materialises. /eiia O Cfr counters 26/06/15 d’Elia a la CREG et du 6/07/15 de la CREG a Elia. Historique : Tests Cable Rentel (2/6) » Malgre le choix de Rentel de realiser et financer seule ses installations "surdimensionnees", Rentel et Elia ont continue a s’informer episodiquement des evolutions dans la realisation de leurs projets offshore respectifs, et ce, sur base volontaire. • Dans ce contexte, le 12 avril 2017, un mail d’un coliaborateur de Rentel a informe Elia - sur base volontaire, done - du fait que Rentel allait considerer les resultats de tests « ABB Test Type » comme positifs. » Le 20 avril 2017, Elia a ecrit a Rentel pour lui indiquer que, selon notre opinion, tous les tests ne pouvaient pas etre consideres comme reussis ou conformes avec les standards applicables, des lors que les tests avaient ete realises sur un echantillon de cable endommage au depart et par apres en faisant le parallelisme avec d’autres tests reussites, mais qui avaient ete effectues sur un cable a section inferieur, ce qui est egalement non- conforme aux standards applicables. > Elia a recommande a Rentel de refaire (une partie
  7. de)ces tests, sans qu’ elle ne dispose d’aucun moyen pour I’exiger. II est a noter que realiser de nouveaux tests aurait eu une consequence sur le timing de realisation du projet. > Rentel a decide de ne pas realiser a nouveau ces tests. -Cilia Historique : Principes de valorisation et AR liabilities (3/6) Principe de valorisation : • Le 21 /10/17, la CREG a adopte une decision fixant les principes de valorisation des installations a transferer au GRT dans le cadre du MOG. • Reactions (informelles ) d'Elia : Au prealable , les services de la CREG ont adresse a Elia copie du projet de decision fixant ces principes ( mail du 5/10/ 17). La CREG y precisait deja explicitement son choix de recourir a une methode de valorisation basee sur les couts encourus par le pare concerns ( + ). Dans sa reaction ( efr mail du 17/10/17), Elia a notamment indique a la CREG ne pas lire dans le projet de decision la raison pour laquelle la CREG entendait suivre cette methode basee sur les couts plutot qu’une autre methode ( cette autre methode aurait pu prendre en compte les caracteristiques techniques reelles des assets au moment de leur transfert, par exemple). > La CREG n’a pas souhaite completer ( son projet
  8. de)decision des justifications sous-jacentes a son choix ; Elia en a pris acte • Reactions de Rentel : Rentel a reagi a la consultation publique. Rentel a notamment demande que les principes prevoient qu’un transfert d ’asset ne saurait se realiser que sur base d ’un « as is/where is » ( efr pt 25 de la decision) . La CREG s’est declaree d ’accord avec la demande de Rentel ( efr pt 25 de la decision) et a complete le pt 34 de sa decision comme suit: « en dat de overdragende partij geen verdere aansprakelijkheid kan dragen dan degene die zij rechstreeks kan overdragen vanuit hun contracten en dat de assets verkocht worden op een « as is/where is ». ) c > Elia a decouvert ces elements dans la decision finale du 21/10/17 et n ’ a des tors pas eu I’opportunite d’y reagir en temps opportun. > La CREG s’est declaree d ’ accord que Rentel ne subisse aucune responsabilite apres le transfert de propriete, sans que ceci ne soit prealablement soumis a une verification des caracteristiques techniques des installations transferees. 6 (*) Le choix de cette methode avail deja ete annonce des son courrier du 7 juillet 2015 : « Met dit schrijven wensl de CREG ook te benadrukken dat Rentel een overdracht van de assets aan de netbeheerder niet kan weigeren bij realisatie van het Modular Offshore Grid en dat de ovemameprijs zal belpaald worden op basis van onderliggende bewiistukken die de investerinosuitaaven van de assets staven » (nous soulignons) en ' Historique : Due dilligence prealable a une reprise d’asset ( 4/6) • Prealablement a toute acquisition d’infrastructures detenues par un tiers, Elia a pour politique d’effectuer un due diligence. • Dans le cadre de (’acquisition des installations de Rentel a integrer dans le MOG, Elia n’y a pas deroge. • Elia se permet d’insister sur le fait qu’en dehors de ce cadre propre a la reprise des assets de Rentel, Elia n’a pas dispose de movens de controle prealable sur I’accomplissement des travaux realises par Rentel. • Fin 2018, Elia a pu decouvrir dans la data room mise en place par Rentel differents elements portant sur les caracteristiques techniques des installations de Rentel • En particular , Elia a eu acces a : - Des rapports techniques concernant la production et essais en usine du cable (NKT) - Des rapports techniques sur ( 'installation et en partie situation "as-built" apres installation du cable - Un rapport technique demontrant un souci technique avec certaines fibres au niveau de la jonction sur la plage > La plupart de ces elements etaient inconnus d’Elia jusqu’alors. • Dans le cadre du dossier commun relatif au transfert d’asset de Rentel a Elia, transmis a la CREG, Elia a tenu a informer la CREG sur ces elements en prealable a sa decision sur la valorisation des assets, afin: - d’une part, que celle-ci puisse prendre sa decision en toute connaissance de cause et - d’autre part qu’elle ne soit pas surprise si des couts operationnels apparaissaient en lien avec la survenance des risques identifies dans le cadre du due diligence technique. a Historique : paiement des tranches pour le raccordement (5/6) • Dans le cadre de son obligation de service public visee par I’art 7, §2, de la Loi electricite, Elia doit financer un tiers du cout du cable sous-marin pour un montant max. de 25 M ( projet > 216 MW ), payable en 5 tranches annuelles. • Alors que le paiement de ces tranches est sujette a un controle par les autorites publiques relatif a la bonne realisation de ces infrastructures , Elia n’a jamais regu de signal de ces autorites laissant a penser que des defauts techniques existaient sur ces cables. > Elia a execute son obligation de paiement des qu’elle a regu les assurances que le paiement de ces tranches pouvait etre execute. ) ( eua Historique : conclusions (6/6) • Le raisonnement du projet de decision par lequel la CREG annonce le caractere deraisonnable des couts eventuels resultant de la survenance des risques identifies par la due dilligence technique repose sur des erreurs ou des approximations. • Certes, Elia a bien ete au courant d’un test considere comme positif par Rentel, alors que selon Elia, il eut ete plus adequat de recommencer tout ou partie de celui-ci. Toutefois, - Rentel n’ a commis aucune irregularite ; elle n’a pas respecte des standards qu’Elia applique. - Elia n’a pas non plus commis d’irregularite. Elle n’etait pas en droit de reclaimer quoi que ce soit, des lors qu’elle n’avait aucune relation contractuelle avec Rentel. • Par contre: la CREG etait bien au courant - directement ou indirectement - du fait que Rentel a fait le choix de realiser par elle-meme sa liaison, sans le concours de la garantie proposee par Elia, avec le soutien de la CREG. Elia a reagi - informellement - a la consultation que la CREG lui a adressee sur les principes de valorisation, en interrogeant notamment la CREG sur les raisons d’etre de sa methode de valorisation basee sur les couts. Elia a decouvert ex post que la decision finale a ete completee d’un principe assurant a Rentel qu’un transfert d’assets se ferait dans le respect de la regie « as is/where is ». Elia n ' a eu connaissance des problemes d’echauffement des cables ou de fibre optique

(2019)que bien apres la finalisation de ces principes de valorisation
(2017); on peut done difficilement lui en faire le grief; c ) Elia ne dispose pas des moyens de controle comparables a ceux dont la CREG dispose ; elle n’a de droit vis-a-vis de tiers que pour autant que ces tiers y ont prealablement consenti, ce qui n’etait pas le cas avec Rentel. A eux seuls, ces elements sont de nature a justifier une reevaluation du raisonnement tenu par la CREG. -d&Tia Base pour le rejet de couts Le dernier paragraphe du pt 41 du projet de decision est redige comme suit : « De eventuele directe of indirecte kosten die gerelateerd zijn aan de vaststellingen vermeld in de technical due dilligence zullen ( . . . ) door de CREG als onredelijk worden bestempeld in toekomstige beslissingen in het kader van de tarifaire rapporteringen, hetzij met toepassing van de tariefmethodologie, hetzij met toepassing van artikel 6 /2, §2. van de elektriciteitswet . De eventuele onbeschikbaarheid van het MOG ten gevolge de vastellingen vermeld in de technical due dilligence zal niet als force majeur bestempeld worden in het kader van de berekening van de stimulans ter bevordering van de continuiteit van de bevoorrading (bedoeld in artikel 28 van de tariefmethodologie)” . Pour ce qui a trait a la Methodologie tarifaire: > Elia ne pergoit pas quel critere elle n' a pas respecte lorsqu' elle a informe la CREG des resultats du due diligence technique qu elle a effectue prealablement a la reprise des assets faisant partie du MOG. > Elle ne comprend pas pourquoi ses actionnaires devraient etre penalises en raison des defauts techniques resultant des choix poses par RenteL qui ne sont d ' ailleurs pas mobilises par la CREG pour reduire la valeur des assets a transferer. Pour ce qui a trait aux dispositions du recours a Particle 6/ 2 , §2 , de la Loi Electricite : > Cet article concerne la repercussion dans les tarifs de transport des couts issus des indemnisations qui resulteraient d’une indisponibilite du MOG ; il ne concerne pas les couts operationnels pour reparer ou prevenir la survenance d’un defaut. outre, pour que cet article soit mobilise, il faudrait constater qu’Elia aurait commis une faute lourde ou intentionnelle ce qui ne ) > En peut pas etre soutenu au vu des elements avances par la CREG . , ( \ mm *' Jell a Decision de rachat au regard du risque • Si les paragraphes du projet de decision prealablement vises devaient etre confirmes en I’etat dans sa version finale, ceci creerait une situation particulierementfacheuse : - Pour Elia, ces dispositions constituent un risque economique nouveau, non pris en compte pour etablir le cadre regulatoire propre au MOG (et tout particulierement la prime de risque sp cifique au projet MOG). ^ - Ms sont inacceptables : pourquoi les actionnaires d’Elia devraient-ils supporter les consequences economiques des choix techniques poses par Rentel, alors que la valeur de transfert etablie par la CREG ne prendrait pas en compte les defauts techniques pourtant etablis dans le cadre du due dilligence? • Elia a du mal a anticiper les consequences de cette situation : - Reouverture des negociations avec Rentel? - Absence de transfert au 30/09/19? Et consequence en terme de dedommagement forfaitaire pour Rentel? - MOG non acheve, menant a des congestions regulieres impliquant dedommagement et limitation des volumes d' energie pouvant Stre vendus sur le marche ) C > Elia ne pergoit pas les avantages que la collectivite aurait dans ce scenario. -C^Tia Nouveaux elements relatifs a un des risques • Dans le cadre du due diligence, trois risques techniques ont emerge : - Un risque lie aux caracteristiques thermique/mecaniques du cable suivant la non-conformite des essais du cable en usine - Un risque lie a certaines fibres optiques potentiellement endommagees, ce qui limite I'utilisation du nombre de fibres disponibles. - Un risque lie a la survenance potentielle de hot spots, ce qui entraine un vieillissement accelere du cable et des restrictions operationnelles • Parmi ces 3 elements, Elia considerait que celui qui avait le plus d’occurrence de survenir etait le dernier ( vu les analyses transmises par le fabriquant NKT ). • Tout recemment, Elia a ete informee par Rentel que le fabriquant du cable (NKT ) avait reexamine

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.