(B)2066 2 april 2020 Beslissing tot wijziging van beslissing (B)1964 bevattende de methodologie voor de vaststelling van de vaste en variabele kosten voor de centrales onderworpen aan de repartitiebijdrage (Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3) voor de periode 2020 tot 2026 Artikel 28 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt juncto artikel 14, § 8, 24e lid van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales Niet-vertrouwelijk CREG - Nijverheidsstraat 26-38, 1040 Brussel, België T +32 2 289 76 11 - F + 32 2 289 76 09 - www.creg.be INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE.................................................................................................................................... 2 INLEIDING ................................................................................................................................................ 3
- WETTELIJK KADER ............................................................................................................................ 3
- ANTECEDENTEN............................................................................................................................... 5
- 2.
- ALGEMEEN............................................................................................................................... 5 2.
- RAADPLEGING ......................................................................................................................... 5 ANALYSE .......................................................................................................................................... 6 3.
- UITEENZETTING VAN DE ARGUMENTATIE VAN ELECTRABEL ................................................. 6 3.
- ONDERZOEK............................................................................................................................. 7 3.2.
- OVER DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT ............................................................... 7 3.2.
- OVER DE GROND VAN DE KLACHT................................................................................... 7 3.
- BEOORDELING VAN DE ANTWOORDEN OP DE OPENBARE RAADPLEGING .......................... 10 CONCLUSIE .................................................................................................................................... 11 BIJLAGE 1 ............................................................................................................................................... 14 Niet-vertrouwelijk 2/14 INLEIDING Op 30 januari 2020 heeft het directiecomité van de CREG beslissing (B)1964 bevattende de methodologie voor de vaststelling van de vaste en variabele kosten voor de centrales onderworpen aan de repartitiebijdrage (Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3) voor de periode 2020 tot 2026 aangenomen. Op 14 februari 2020 heeft Electrabel tegen deze beslissing een klacht met het oog op een nieuw onderzoek ingediend, met toepassing van artikel 28 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna de “elektriciteitswet”). Omwille van de redenen vermeld in onderhavige beslissing, de nieuwe door Electrabel aangevoerde elementen en de beoordelingsmarge waarover de CREG ter zake beschikt, vond de CREG het gerechtvaardigd een wijziging van beslissing 1964, over het specifieke door Electrabel aangehaalde punt, voor te stellen en werd dit voorstel onderworpen aan een openbare raadpleging. Onderhavige beslissing bevat, naast de inleiding, vier hoofdstukken: het eerste hoofdstuk bevat het wettelijk kader; het tweede hoofdstuk vermeldt de antecedenten en de openbare raadpleging, het derde hoofdstuk bevat de argumenten van Electrabel voor haar klacht met het oog op een nieuw onderzoek; het onderzoek van de klacht met het oog op een nieuw onderzoek, en de beoordeling van de antwoorden op de openbare raadpleging; het vierde hoofdstuk omvat de eigenlijke beslissing. Deze beslissing werd goedgekeurd door het directiecomité van de CREG op zijn vergadering van 2 april
- WETTELIJK KADER
- Artikel 14, § 8, leden 22 tot 26 van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales (hierna: de wet van 11 april 2003) bepaalt het volgende1: “[22] Onverminderd de haar door de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt toevertrouwde opdrachten, is de CREG belast met een bijzondere jaarlijkse opdracht tot berekening van de opbrengsten, kosten en de winstmarge bedoeld in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet en met een bijzondere driejaarlijkse opdracht, in 2020, 2023 en 2026, op basis van de parameters vastgelegd in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, tot vaststelling van de vaste en variabele kosten bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet en tot berekening van het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage voor de jaren 2020 tot 2022, de jaren 2023 tot 2025 en het jaar
- [23] In het bijzonder controleert de CREG, op driejaarlijkse basis, in 2020, 2023 en 2026, de vaste en variabele kosten, bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, in het kader van een analyse van de kosten door hen gedragen gedurende de drie jaren voorafgaand aan de herziening. Deze kosten hernemen noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, geen enkele kost die verband houdt met de nucleaire voorzieningen en met hun herziening, waaronder de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, met uitzondering van de oorspronkelijke voorziening voor de 1 Om de lezing te vergemakkelijken werd het nummer van de leden vermeld tussen haakjes. Niet-vertrouwelijk 3/14 splijtstof die als variabele kost wordt opgenomen voor de verbruikte splijtstof gedurende deze periode. Na deze controle voert de CREG, in 2020, 2023 en 2026 de driejaarlijkse herziening door van de vaste en variabele kosten, bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, voor respectievelijk de jaren 2020 tot 2022, de jaren 2023 tot 2025 en het jaar
- [24] Binnen het kader van haar opdracht zoals beschreven in het vorige lid, bepaalt de CREG ten laatste op 30 september 2019 de modaliteiten van de vaststelling van de vaste en variabele kosten in een methodologie die zij vastlegt voor de jaren 2020 tot 2026 op voorstel van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en van de vennootschappen bedoeld in artikel 24, §
- Hiertoe communiceren de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, aan de CREG ten laatste op 31 december 2018 een voorstel van methodologie. Bij gebrek aan voorstel van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en van de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, ten laatste op 31 december 2018, bepaalt de CREG op eigen initiatief de methodologie die de modaliteiten vastlegt voor de bepaling van de vaste en variabele kosten. De methodologie wordt bepaald met inachtneming van de volgende richtlijnen : 1° de CREG neemt de elementen bepaald in bijlage van deze wet in acht; 2° de CREG definieert de te gebruiken rapporteringsmodellen, welke de elementen bevatten die verplicht moeten worden opgenomen in het voorstel betreffende de kosten van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, §
- Deze modellen moeten exhaustief zijn teneinde de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, toe te laten hun voorstel met betrekking tot de kosten (referentie BGAAP) op te stellen enkel op deze basis; 3° de kosten moeten voldoende aangetoond worden; 4° de kosten zijn niet discriminerend en evenredig; 5° de eventuele criteria voor de verwerping van bepaalde kosten zijn niet discriminerend en transparant. In ieder geval beschikt de CREG over een beoordelingsbevoegdheid en kan zij manifest onredelijke kosten verwerpen; 6° de CREG vraagt aan de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, alle bijkomende informatie welke zij nodig heeft voor deze controle, op eenvoudig verzoek en kosteloos, en verzamelt hun opmerkingen. [25] Elke drie jaar, in 2020, 2023 en 2026 communiceert de CREG: - te laatste op 30 juni haar beslissing over de vastlegging van de vaste en variabele kosten, bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, toe te passen voor de jaren 2020/2021/2022, de jaren 2023/2024/2025 et het jaar 2026 aan de minister bevoegd voor Energie en aan de Algemene Directie Energie, zoals bedoeld in artikel 2, 28°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt; en - te laatste op 31 juli haar advies over de bepaling van het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage, van toepassing voor een periode van drie jaar, zijnde de jaren 2020/2021/2022, de jaren 2023/2024/2025 en het jaar 2026, aan de Algemene Directie Energie, zoals bedoeld in artikel 2, 28°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, en aan de minister bevoegd voor Energie. [26] Elk jaar maakt de CREG uiterlijk op 30 juni haar advies betreffende de winstmarge van de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, met inbegrip van de berekening van de inkomsten van het jaar N-1 en de kosten van het jaar N-1 door toepassing van de formule opgenomen in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet over aan de minister bevoegd voor Energie, aan de Algemene Directie Energie bedoeld in artikel 2, 28°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en aan Niet-vertrouwelijk 4/14 de kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en aan de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, ieder wat hen betreft.”
- Artikel 28 van de elektriciteitswet bepaalt het volgende: “Elke belanghebbende partij die zich geschaad acht naar aanleiding van een door de commissie genomen beslissing mag, binnen een termijn van vijftien dagen na de bekendmaking of de kennisgeving van deze beslissing een klacht indienen bij de commissie teneinde de zaak opnieuw te laten onderzoeken. Deze klacht heeft geen schorsende werking en sluit de indiening van een beroep voor het Marktenhof met toepassing van artikel 29bis niet uit, noch vormt zij een voorafgaande voorwaarde hiertoe. De klacht met het oog op een nieuw onderzoek wordt via aangetekend schrijven of mits neerlegging met ontvangstbewijs tot de zetel van de commissie gericht. Zij bevat een afschrift van de bestreden beslissing evenals de redenen die een herziening verantwoorden. De commissie neemt haar beslissing met betrekking tot de klacht binnen een termijn van twee maanden vanaf de neerlegging van de klacht met het oog op een nieuw onderzoek.”
- ANTECEDENTEN 2.
- ALGEMEEN
- Bij beslissing van 30 januari 2020 heeft de CREG de methodologie bedoeld in het 24 e lid van artikel 14, § 8 van de wet van 11 april 2003 goedgekeurd. Deze beslissing werd op 31 januari 2020 meegedeeld aan de exploitanten van de kerncentrales bedoeld in artikel 2, 5° en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1 van de wet van 11 april 2003 (hierna samen aangeduid als “kernexploitanten”) en werd op 24 februari 2020 op de website van de CREG gepubliceerd.
- Op 14 februari 2020 heeft Electrabel bij de CREG een “klacht met het oog op een nieuw onderzoek”, met toepassing van artikel 28 van de elektriciteitswet, ingediend.
- Op 6 maart 2020 heeft Electrabel de CREG een brief gestuurd om de draagwijdte van haar klacht te verduidelijken.
- Op 12 maart 2020 werd een publiek raadplegingsdocument2 gepubliceerd op de website van de CREG. 2.
- RAADPLEGING
- Het directiecomité van de CREG besliste, op grond van artikel 23, § 1, van zijn huishoudelijk reglement, om een openbare raadpleging te organiseren op de website van de CREG van 12 tot 25 maart 2020 over zijn ontwerpbeslissing (B)2066 van 11 maart 2020 tot wijziging van beslissing (B)1964 van 30 januari 2020 bevattende de methodologie voor de vaststelling van de vaste en variabele kosten 2 Publiek raadplegingsdocument (PRD) 2066 te weten : Ontwerpbeslissing tot wijziging van beslissing (B)1964 bevattende de methodologie voor de vaststelling van de vaste en variabele kosten voor de centrales onderworpen aan de repartitiebijdrage (Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3) voor de periode 2020 tot 2026 Niet-vertrouwelijk 5/14 voor de centrales onderworpen aan de repartitiebijdrage (Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3) voor de periode 2020 tot 2026, met toepassing van artikel 33, § 1 van zijn huishoudelijk reglement.
- De openbare raadpleging is geëindigd op 25 maart 2020 om 23u
- Electrabel, Luminus en Febeliec hebben hun schriftelijke opmerkingen overgemaakt. (zie infra)
- ANALYSE 3.
- UITEENZETTING VAN DE ARGUMENTATIE VAN ELECTRABEL
- In haar klacht geeft Electrabel aan dat ze een nieuw punctueel onderzoek van een gerichte vraag vraagt, namelijk de behandeling voor brandstofkosten voor de bovenfase van de cyclus en de fabricage.
- Electrabel geeft vooreerst aan dat haar klacht op nieuwe elementen gebaseerd is. Enerzijds voegt Electrabel als bijlage een studie van KPMG van 17 januari 2020 toe - een studie die aan de CREG was overgemaakt, maar die de CREG niet in aanmerking had genomen, aangezien ze was overgemaakt buiten de consultatietermijn over de op 25 oktober 2019 goedgekeurde ontwerpbeslissing -. Anderzijds stelt Electrabel vast dat de beslissing van 30 januari 2020 tot gevolg heeft dat er een methodologie wordt ingevoerd die geen coherentie meer verzekert tussen de behandeling van brandstofkosten voor de bovenfase (en de fabricagekosten) en voor de benedenfase: voor de benedenfase neemt de methodologie het laatste jaar van de referentieperiode in aanmerking, terwijl er voor de bovenfase rekening gehouden wordt met het gemiddelde van de drie jaar van de referentieperiode.
- Electrabel baseert zich bovendien op de studie van KPMG die, volgens haar, aantoont dat, volgens de boekhoudkundige verplichtingen, de brandstofkosten voor de bovenfase van de cyclus en de fabricage vanaf het jaar waarin de brandstof wordt geladen moeten gedragen worden, hetzij door volledig gedragen te worden tijdens het jaar van laden, hetzij door verdeeld te worden over de jaren waarin de brandstof zal kunnen worden gebruikt. Gezien de definitieve stillegging van de kerncentrales en rekening houdend met de verplichting, ondanks dit besluit, om een volledige lading van de brandstof te behouden omwille van functionerings- en veiligheidsredenen, zullen de brandstofkosten, bovendien, mechanisch stijgen tot de definitieve stillegging van de centrales. Electrabel vraagt bijgevolg dat op de volgende periode niet het gemiddelde van de kosten van de vorige periode van 3 jaar (referentieperiode) wordt toegepast, maar wel de kosten uit de laatste update van de tarieven voor de bovenfase en fabricage die in de loop van deze periode worden toegepast.
- Volgens Electrabel heeft, enkel rekening houden met het gemiddelde van de kosten van de referentieperiode een aanzienlijke impact op het bedrag van de repartitiebijdrage en moet dat dus als onevenredig worden beschouwd.
- Electrabel verbindt zich er voor het overige toe dat de juiste verwerking van de brandstofkosten voor de bovenfase en fabricage geen dubbeltelling creëert. Niet-vertrouwelijk 6/14 3.
- ONDERZOEK 3.2.
- Over de ontvankelijkheid van de klacht
- Uit artikel 28 van de elektriciteitswet blijkt dat de klacht moet ingediend worden door een “belanghebbende partij” via aangetekend schrijven of mits neerlegging met ontvangstbewijs binnen een termijn van vijftien dagen na de bekendmaking of de kennisgeving van de beslissing en een afschrift moet bevatten van de bestreden beslissing evenals de redenen die een herziening verantwoorden.
- Deze vormvoorwaarden zijn in casu vervuld. 3.2.
- Over de grond van de klacht
- Electrabel had de problematiek van de “laatste kern” in haar voorstel van methodologie voor de vaststelling van de kosten voorgesteld als volgt (vrije vertaling): Alvorens over te gaan tot de eigenlijke methodologische beschrijving, zou er een specifiek kenmerk moeten beschreven worden van de brandstofkost voor de eenheden die progressief aan het einde van hun exploitatieperiode komen. Dit specifieke kenmerk houdt in dat de kosten van het verleden op zich niet beschouwd kunnen worden als kosten die representatief zijn voor de toekomst en bijgevolg niet beschouwd kunnen worden als recurrente kosten in de driejaarlijkse herziening. Daarom dient er een methodologie vastgesteld te worden om de representatieve kosten van de komende jaren in het kader van de driejaarlijkse herziening van de variabele kosten te bepalen. […] De kern van een reactor met de brandstof wordt herladen volgens cycli van twaalf maanden (voor Doel 3) of achttien maanden (voor Tihange 2 & 3 en Doel 4). Bij elke herlading wordt enkel een deel van de brandstof verwisseld. Deze progressieve verwisseling van de brandstofelementen, gecombineerd met een herschikking van de elementen van de kern, garandeert een homogene “reactie” en een constant nominaal vermogen van de eenheid. […] Bij de definitieve buitendienststelling van de exploitatie van een nucleaire eenheid zal er dus een gedeelte van de kernbrandstof zijn die niet zijn volledige potentieel heeft kunnen produceren omdat ze haar vier of vijf cycli niet helemaal heeft kunnen produceren. Aangezien de brandstofelementen specifiek voor een kerneenheid zijn, is het bovendien onmogelijk om deze verloren brandstof te revaloriseren in een andere eenheid. […] Aangezien een gedeelte van de laatste kern niet volgens het volledige potentieel ervan zal kunnen worden geëxploiteerd, zal de verwachte productie voor de splijtstofelementen van de laatste kern lager zijn dan de normale verwachte productie. Dit heeft tot gevolg dat de variabele kosten van de laatste ladingen (de 3 laatste ladingen in een eenheid van 4 cycli en de 2 laatste ladingen in het geval van een eenheid van 3 cycli) hoger zullen zijn. […]”3 3 Voorstel van methodologie van Electrabel voor de vaststelling van de vaste en variabele kosten 2020-2026 (bijlage 1 van beslissing 1964), p. 42-43; zie eveneens de studie van KPMG van 17 januari 2020, p.
- Niet-vertrouwelijk 7/14 Electrabel stelde bijgevolg voor om voor de vastgestelde kosten voor de referentieperiode (in het bijzonder) een correctiefactor toe te passen om rekening te houden met de “laatste kern”.
- In haar beslissing 1964 heeft de CREG dit voorstel verworpen. Ze heeft immers vastgesteld dat het voorstel van Electrabel erin bestond, in het bijzonder wat dit punt betreft, af te wijken van de kosten van het verleden (d.w.z. de referentieperiode) door een “correctie” toe te passen door “de positie in de cycli van de kosten van het verleden en de kosten van de volgende periode te vergelijken”
- Er werd geoordeeld dat dit standpunt in strijd is met de wet van 11 april 2003 die voorziet dat de CREG de kosten die de bijdrageplichtigen hebben gedragen in de drie voorgaande jaren moet controleren en, na deze controle, een driejaarlijkse herziening van de kosten moet uitvoeren.5 Met andere woorden, de driejaarlijkse herziening van de kosten moet alleen gebeuren door rekening te houden met de kosten van de driejaarlijkse periode voorafgaand aan die herziening zoals gecontroleerd en desgevallend aangepast door de CREG
- Volgens de methodologie moet er dus - net zoals voor de andere kosten - rekening gehouden worden met het jaarlijkse gemiddelde van de tijdens de referentieperiode (namelijk de drie jaren voorafgaand aan de herziening) vastgestelde brandstofkosten voor de bovenfase en de fabricage.
- In haar beslissing 1964 vermeldde de CREG echter twee uitzonderingen op het principe van het in aanmerking nemen van het jaarlijkse gemiddelde van de kosten vastgesteld tijdens de referentieperiode: enerzijds voor de brandstofkosten “benedenfase” en anderzijds voor de afschrijvingskosten.
- Voor de brandstofkosten “benedenfase” heeft de CREG immers het volgende vastgesteld: Specifiek voor de brandstofkost voor de benedencyclus merkt de CREG op dat deze kost afhankelijk is van de beslissing van de Commissie voor nucleaire voorzieningen, die om de drie jaar wordt geactualiseerd. Gezien de aanzienlijke impact van dit element op de berekening van de repartitiebijdrage, houdt de CREG rekening met de laatste door de Commissie voor nucleaire voorzieningen uitgevoerde actualisering zoals die van kracht is en wordt toegepast in de loop van de referentieperiode. De CREG merkt op dat, hoewel de wet van 11 april 2003 weliswaar voorziet dat de driejaarlijkse herziening van de kosten uitsluitend moet worden gebaseerd op de kosten gedragen door de bijdrageplichtigen gedurende de periode voorafgaand aan de herziening, het niet vereist is dat alleen het gemiddelde van deze kosten wordt toegepast. Aangaande de brandstofkost voor de benedenfase, merkt de CREG op dat, specifiek voor dit soort van kosten, de driejaarlijkse herziening uitvoeren op basis van het gemiddelde van de gedragen kosten gedurende de referentieperiode, onevenredig zou zijn, omdat deze methode onvoldoende rekening zou houden met de laatste driejaarlijkse herziening van deze kosten door de Commissie voor nucleaire voorzieningen toegepast tijdens de referentieperiode. Rekening houdend met de beoordelingsbevoegdheid, die haar overeenkomstig lid 24 van artikel 14, § 8, uitdrukkelijk is toegekend, is de CREG van mening dat de hierboven voorgestelde oplossing redelijk is.” 7 (onderlijnd door de CREG.) De brandstofkosten voor de benedenfase worden dus anders verwerkt dan de brandstofkosten voor de bovenfase en de fabricage.
- De CREG is voor de afschrijvingskosten ook afgeweken van de voormelde algemene regel. Beslissing 1964 vermeldt hierover dat “de driejaarlijkse herziening uitvoeren op basis van het gemiddelde van de gedragen kosten gedurende de referentieperiode, onevenredig zou zijn, om reden 4 Opmerkingen over de ontwerpbeslissing (RD)1964 (bijlage 3 van beslissing 1964), bijlage 1, p. 3 (vrije vertaling) Beslissing 1964, p. 13, nr.
- 6 Ibid., p. 16, nr.
- 7 Ibid., p. 20, nr.
- 5 Niet-vertrouwelijk 8/14 van de mechanische toename van de afschrijvingen gedurende de referentieperiode (ingevolge vereiste investeringen tijdens deze periode).”8 (onderlijnd door de CREG).
- Uit de bijlage bij de overeenkomst voor de terbeschikkingstelling van splijtstoffen die Electrabel en Synatom op 7 november 2019 hebben ondertekend blijkt dat er, met het oog op de definitieve stillegging van de kerneenheden, een vermenigvuldigingsfactor zal worden toegepast op de door Synatom toegepaste tarieven “voor de verdeling van de kost van de niet-gebruikte brandstof over de laatste cycli van de eenheden”
- Er dient te worden vastgesteld dat de problematiek van de verwerking van de brandstofkosten voor de bovenfase en de fabricage gelijkenissen vertoont met de verwerking van de brandstofkosten voor de benedenfase en van de afschrijvingen; enerzijds zijn deze kosten het onderwerp van een tarifaire update zoals de brandstofkosten voor de benedenfase - en, gezien de bijkomende uitleg en de nieuwe elementen die Electrabel in haar klacht heeft opgenomen, zou het coherent kunnen zijn om alle kosten voor de brandstof op dezelfde manier te behandelen; anderzijds vertonen de brandstofkosten, net zoals de kosten voor afschrijvingen, de mechanische tendens om te stijgen omwille van de toekomstige stillegging van de kerncentrales.
- Rekening houdend met haar discretionaire bevoegdheid ter zake, die uitdrukkelijk erkend is door de wet van 11 april 2003, en de niet-verwaarloosbare impact van dit kostenelement op de berekening van de repartitiebijdrage, vindt de CREG dat het gezien de bijkomende uitleg en de nieuwe elementen die Electrabel in haar klacht heeft opgenomen, inderdaad coherent is met de verwerking van de brandstofkosten voor de benedenfase en voor de afschrijvingen om, voor de brandstofkosten voor de bovenfase en de fabricage af te wijken van de regel voor het in aanmerking nemen van het jaarlijkse gemiddelde van de kosten vastgesteld in de loop van de drie jaar van de referentieperiode. Bijgevolg dient beslissing 1964 gewijzigd te worden.
- In dit opzicht vraagt de klacht met het oog op een nieuw onderzoek van 14 februari de wijziging van de beslissing om rekening te houden “met de laatste bijwerking van de in de loop van de referentieperiode geldende toegepaste tarieven voor de bovenfase en de fabricage (zonder regularisaties)” (vrije vertaling). Deze formulering is verschillend van de formulering uit bijlage 3 van de klacht waarmee Electrabel vraagt “om enkel met het laatste jaar van het verleden rekening te houden”. Na vragen over deze tegenstrijdigheid, heeft Electrabel haar verzoek tot wijziging van beslissing 1964 als volgt verduidelijkt (vrije vertaling): “Om rekening te houden met de laatste bijwerking van de geldende tarieven voor de bovenfase en de fabricage (zonder regularisaties) is de gevraagde pragmatische aanpak het in aanmerking nemen van de totaalkost voor het laatste jaar N-1 van de referentieperiode. […] Bijgevolg zal er: - voor de berekening van de basiskost van de bovenfase voor het brandstofgedeelte, rekening gehouden worden met: o 8 9 de kost zonder regularisatie van het einde van de cyclus, op basis van de facturatie door Synatom voor het hele jaar N-1, geproratiseerd voor de productie van dat jaar N-1; Ibid., p. 22, nr.
- Bijlage van 7 november 2019, p. 2 (vrije vertaling). Niet-vertrouwelijk 9/14 o - De regularisaties zullen verwerkt worden door de kost van de regularisaties van het einde van de cyclus in aanmerking te nemen, op basis van de facturatie van Synatom voor de hele periode, geproratiseerd over de productie van volledige cycli betreffende deze regularisaties. Voor de berekening van de fabricagekost van de brandstof zal er rekening gehouden worden met het totaal van de fabricagekosten van de splijtstofelementen in stock voor het hele jaar N-1 uitgedrukt in €/MWh.”
- De CREG vindt dat er gevolg moet gegeven worden aan het verzoek van Electrabel zoals geformuleerd in haar brief van 6 maart. Daardoor wordt er voor de berekening van de kost van de brandstof voor de bovenfase en van de brandstof voor de benedenfase rekening gehouden met de kosten (zonder regularisatie) van het jaar N-1 zoals gefactureerd door Synatom. In voorkomend geval worden de regularisaties van de kosten van de brandstof voor de bovenfase, berekend op basis van de productie van een volledige cyclus en gefactureerd door Synatom, toegevoegd aan de kosten van het jaar N-
- De brandstofkost voor de fabricage wordt eveneens berekend op basis van de kosten van het jaar N-1 zodat de brandstofkosten - bovenfase, fabricage en benedenfase van de cyclus - op een coherente manier, worden bepaald op basis van de kosten van het jaar N-
- 3.
- BEOORDELING VAN DE ANTWOORDEN OP DE OPENBARE RAADPLEGING
- De CREG heeft drie niet vertrouwelijke schriftelijke opmerkingen ontvangen, vanwege Electrabel op 19 maart 2020 en vanwege Luminus en Febeliec , beiden op 25 maart
- Deze antwoorden worden als bijlage bij onderhavige beslissing gevoegd.
- Electrabel heeft het volgende meegedeeld: “We zijn van mening dat de ontwerpbeslissing die voorwerp uitmaakt van deze raadpleging nr. 2066 voldoet aan de grieven die we in onze klacht hebben geformuleerd en hebben bijgevolg geen andere opmerkingen”.
- Luminus heeft geantwoord : “Luminus heeft kennis genomen van het voorstel tot wijziging van de beslissing (B)1964 en kan zich vinden in de voorgestelde wijzigingen. Luminus wenst dan ook geen verdere opmerkingen te formuleren.”
- Febeliec heft vermeld dat: “Belangrijke stukken cruciale informatie zijn ofwel vertrouwelijk ofwel niet beschikbaar voor de meeste stakeholders. Voor deze ontwerpbeslissing maakt de onbeschikbaarheid van de KMPG-studie waarop Electrabel haar klacht en wijzigingsvoorstel baseerde het voor Febeliec zeer moeilijk om een duidelijk standpunt in te nemen. Op basis van de beschikbare informatie heeft Febeliec geen argumenten om het niet eens te zijn met de voorgestelde gewijzigde beslissing.”
- De CREG stelt vast dat op basis van de antwoorden op de openbare raadpleging, geen wijzigingen aan de ontwerpbeslissing noodzakelijk zijn. Niet-vertrouwelijk 10/14
- CONCLUSIE Gelet op artikel 14, § 8, 24e lid van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales; Gelet op artikel 28 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt; Gelet op beslissing (B)1964 van 30 januari 2020 bevattende de methodologie voor de vaststelling van de vaste en variabele kosten voor de centrales onderworpen aan de repartitiebijdrage (Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3) voor de periode 2020 tot 2026; Gelet op de klacht met het oog op een nieuw onderzoek die Electrabel op 14 februari 2020 heeft ingediend tegen beslissing (B)1964 van 30 januari 2020 bevattende de methodologie voor de vaststelling van de vaste en variabele kosten voor de centrales onderworpen aan de repartitiebijdrage (Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3) voor de periode 2020 tot 2026; Gelet op de openbare raadpleging over de ontwerpbeslissing die gehouden werd van 12 tot 25 maart 2020, en de ontvangen antwoorden Overwegende dat er, voor de redenen opgenomen in deel 3 hierboven, gevolg moet gegeven worden aan deze klacht met het oog op een nieuw onderzoek; Beslist de CREG om de voormelde beslissing (B)1964 te wijzigen. Bijgevolg worden deel 5.3.1 en 5.3.2 van deze beslissing vervangen door wat volgt: “ “5.3.
- Brandstof: bovenfase van de cyclus
- In de jaarlijkse rapportering wordt een overzicht gegeven van de jaarlijkse afrekening van de kosten door Synatom. Bij de driejaarlijkse herziening van de brandstofkost wordt de invloed van regularisaties bij het einde van een cyclus in rekening gebracht om de gemiddelde brandstofkost van het laatste jaar van de driejaarlijkse periode te berekenen. De facturatie van Synatom voor de bovenfase maakt een onderscheid tussen het brandstofgedeelte en de algemene administratieve kosten zodat hiermee rekening wordt gehouden voor de berekening van de gemiddelde brandstofkost. 5.3.1.
- Berekening van de basiskost
- De berekening van de basiskost per MWh voor het jaar N-1 van een eenheid i wordt als volgt berekend: De kost van de bovenfase (brandstofgedeelte) (𝐶𝑎𝑖 ) wordt in €/MWh berekend en bestaat uit twee elementen: a) de kost zonder regularisaties van het einde van de cyclus geproratiseerd voor de productie van het jaar N-1; b) de regularisatiekosten van het einde van de cyclus gefactureerd in het jaar N-1, geproratiseerd voor de productie van cycli betreffende deze regularisaties geproduceerd tijdens de periode van drie jaar. Niet-vertrouwelijk 11/14 De twee componenten worden vervolgens samengeteld. De kost van de bovenfase (gedeelte financiële kosten en administratieve kosten Synatom) (𝐶𝑓𝑖, ) wordt berekend in €/MWh op basis van de totale kosten van het jaar N-1, geproratiseerd voor de productie van het jaar N-1). De basiskost Cb bestaat uit de kost van de bovenfase (brandstofgedeelte) + de kost van de bovenfase (gedeelte financiële kosten en administratieve kosten Synatom): 𝐶𝑏,𝑖 = 𝐶𝑎𝑖 + 𝐶𝑓𝑖 5.3.1.
- Berekening van de herziene kost
- Om rekening te houden met het feit dat de centrales een verschillend maximaal vermogen hebben, wordt de basiskost per centrale gewogen door de geïnstalleerde capaciteit CAPi voor het jaar N-
- ∑4𝑖=1(𝐶𝑏,𝑖 ∗ 𝐶𝐴𝑃𝑖,𝑁−1 ) 𝐶𝑟 = 𝐶𝐴𝑃𝑁−1 5.3.2 Brandstof: fabricage 5.3.2.
- Berekening van de basiskost
- Het totaal van de fabricagekosten CN-1,prelim van de splijtstofelementen in stock voor de periode bestaat grotendeels uit facturen van Areva voor de fabricage van de splijtstofelementen en een portagekost. Deze kost CN-1,prelim wordt herleid naar de productie van deze splijtstofelementen op basis van de (geraamde) productie van deze splijtstofelementen en vertegenwoordigt de kost Cb,i die in €/MWh wordt uitgedrukt. 𝐶𝑁−1,𝑝𝑟𝑒𝑙𝑖𝑚 𝐶𝑏,𝑖 = 𝑝𝑟𝑜𝑑𝑢𝑐𝑡𝑖𝑒 𝑢𝑖𝑡 𝑑𝑒𝑧𝑒 𝑠𝑝𝑙𝑖𝑗𝑡𝑠𝑡𝑜𝑓𝑒𝑙𝑒𝑚𝑒𝑛𝑡𝑒𝑛 5.3.2.
- Berekening van de herziene kost
- Om rekening te houden met het feit dat de centrales een verschillend maximaal vermogen hebben wordt de basiskost per centrale gewogen door de geïnstalleerde capaciteit voor het jaar N-
- 𝐶𝑟 = ∑4𝑖=1(𝐶𝑏,𝑖 ∗𝐶𝐴𝑃𝑖,𝑁−1 ) 𝐶𝐴𝑃𝑁−1 . ”. Niet-vertrouwelijk 12/14 Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Laurent JACQUET Directeur Niet-vertrouwelijk Andreas TIREZ Directeur Koen LOCQUET Wnd. Voorzitter van het Directiecomité 13/14 BIJLAGE 1 Reacties van de respondenten Niet-vertrouwelijk 14/14