(B)2449 27 oktober 2022 Beslissing met betrekking tot de beoordeling van de kost van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar 2023 Artikel 7, §§ 1 en 2 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt Niet-vertrouwelijke versie CREG - Nijverheidsstraat 26-38, 1040 Brussel, België T +32 2 289 76 11 - www.creg.be INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE.................................................................................................................................... 2 INLEIDING ................................................................................................................................................ 3
- WETTELIJK KADER ............................................................................................................................ 3
- ANTECEDENTEN............................................................................................................................... 6
- 2.
- Algemeen................................................................................................................................. 6 2.
- Raadpleging ............................................................................................................................. 6 RAMING VAN DE KOST .................................................................................................................... 7 3.
- Algemeen................................................................................................................................. 7 3.
- De beoordeling van de kost voor 2023 ................................................................................... 7 3.2.
- Aan- en verkopen van groenestroomcertificaten (At en Bt) ........................................... 7 3.2.
- Financiële lasten .............................................................................................................. 8 3.2.
- Administratieve kosten ................................................................................................... 9 3.2.
- Raming van de kost voor 2023 ........................................................................................ 9 3.2.
- De uitsplitsing van de kosten per maand ........................................................................ 9
- ALGEMEEN VOORBEHOUD ............................................................................................................ 10
- BESLUIT .......................................................................................................................................... 10 Niet-vertrouwelijke versie 2/10 INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) bepaalt hierna de raming van de kost van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar 2023 op basis van artikel 7, §§ 1 en 2 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. Deze beslissing werd goedgekeurd door het directiecomité van de CREG tijdens zijn vergadering van 27 oktober
- WETTELIJK KADER
- Artikel 7, § 1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna : de elektriciteitswet), zoals gewijzigd door artikel 80 van de programmawet van 27 december 2021 bepaalt het volgende : « §
- Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, kan de Koning maatregelen van marktorganisatie vaststellen, waaronder de instelling van een door de commissie beheerd systeem voor de toekenning van garanties van oorsprong en van groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd overeenkomstig artikel 6, evenals het opleggen van een verplichting aan de netbeheerder om groenestroomcertificaten afgeleverd door de commissie en de gewestelijke overheden en regulatoren aan te kopen tegen een minimumprijs en te verkopen, teneinde de afzet op de markt te verzekeren, tegen een minimumprijs, van elektriciteit geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen. De opdracht waarmee de netbeheerder krachtens het eerste lid belast wordt, maakt een openbare dienstverplichting uit waarvan de nettolasten gefinancierd worden overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 21quinquies. De Koning kan bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, bekrachtigd bij artikel 427 van de programmawet(I) van 24 december 2002 en door artikel 28 van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake energie, en door artikel 2 van de wet van 12 juni 2015 tot bekrachtiging van bepaalde artikelen van het koninklijk besluit van 4 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en door artikel 11 van de wet van 12 mei 2019 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt met het oog op het invoeren van een concurrerende inschrijvingsprocedure voor de bouw en exploitatie van productie-installaties in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 11 februari 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, wijzigen, vervangen en opheffen zonder daarbij een nieuwe toeslag of heffing in te voeren bestemd om de maatregelen, bedoeld in het eerste lid te financieren. Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, bepaalt de Koning de berekeningsmethode van de kost voortvloeiend uit de maatregelen, Niet-vertrouwelijke versie 3/10 bedoeld in het eerste lid, voor ieder exploitatiejaar. Voornoemde kost wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende procedure: 1° uiterlijk op 1 november van ieder jaar verricht de commissie een raming van de kost per maand van de maatregelen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot het volgende exploitatiejaar. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 31 augustus; 2° uiterlijk op 15 april van ieder jaar stelt de commissie een bedrag van regularisatie met betrekking tot het voorgaande exploitatiejaar op grond van de werkelijke kost die tijdens dat voorgaande exploitatiejaar is voortgevloeid uit de maatregelen, bedoeld in het eerste lid vast. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 15 februari. Indien er een saldo wordt vastgesteld, dan wordt de regularisatie met de Federale Staat uitgevoerd uiterlijk op 1 juli van het jaar waarin de regularisatie werd bepaald; 3° de commissie houdt een inventaris bij met een overzicht per jaar van de geraamde en de werkelijke kost van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid. De Federale Staat, de netbeheerder en de commissie sluiten een protocol teneinde de nadere regels vast te leggen van de maandelijkse ter beschikkingstelling van de middelen, bedoeld in het tweede lid, met het oog op de voldoening van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van de contractpartijen nader te bepalen. De financieringsregels beschreven in voornoemde protocol stellen de netbeheerder in staat om tijdig over de bij deze wet bepaalde noodzakelijke middelen te beschikken, met als doel de nettokost voortvloeiend uit de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, tijdig te betalen en voorfinanciering van deze nettokost in hoofde van de netbeheerder te vermijden.”
- Daarnaast bevat artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet, zoals eveneens gewijzigd door de programmawet van 27 december 2021, met name de volgende bepalingen : “Installaties, voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, die het voorwerp uitmaken van een in artikel 6 bedoelde domeinconcessie, verleend na 1 juli 2007 en waarvan de financial close heeft plaatsgegrepen tussen 2 mei 2014 tot en met 31 december 2016, kunnen de minister verzoeken om niet aan te sluiten op een installatie noodzakelijk voor de transmissie van elektriciteit in de zeegebieden waarin België rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, bedoeld in artikel 13/
- Indien de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, toestemming verleent om niet aan te sluiten, staat de netbeheerder in voor één derde van de kostprijs van de onderzeese kabel met een maximumbedrag van 25 miljoen euro volgens de modaliteiten bepaald in deze paragraaf en wordt de minimumprijs voor de geproduceerde windenergie, zoals vastgelegd voor installaties waarvan de financial close plaatsvindt na 1 mei 2014 overeenkomstig het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, verhoogd met 12 euro/MWh. Wanneer het installaties betreft waarvan de financial close plaatsgrijpt na 1 mei 2016, dan wordt de minimumprijs zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen verhoogd met een bedrag ter dekking van en dat bijgevolg overeenstemt met de totale kosten van de financiering van de onderzeese kabel die resulteren uit de offerte of offertes die de titularis van de domeinconcessie, bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt in toepassing van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. Dit bedrag wordt bepaald door de commissie na verificatie van de in aanmerking genomen offerte of offertes. Installaties, voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, die het voorwerp Niet-vertrouwelijke versie 4/10 uitmaken van een in artikel 6 bedoelde domeinconcessie, verleend na 1 juli 2007, en waarvan de financial close heeft plaatsgegrepen na 31 december 2016, worden aangesloten op het Modular Offshore Grid. Voor de installaties voor de productie van elektriciteit bedoeld in het derde lid, wordt de minimumprijs voor de geproduceerde windenergie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen verhoogd met een bedrag ter dekking van en dat bijgevolg overeenstemt met de totale kosten van de financiering van de onderzeese kabel die resulteren uit de offerte of offertes die de titularis van de domeinconcessie, bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt in toepassing van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. Dit bedrag wordt bepaald door de commissie na verificatie van de in aanmerking genomen offerte of offertes. In geval van absolute en aangetoonde onmogelijkheid om de bouw van het Modular Offshore Grid aan te vatten of te beëindigen, vastgesteld door de minister, kunnen de voormelde installaties voor de productie van elektriciteit rechtstreeks aangesloten worden op de bestaande installaties voor het transport van elektriciteit. De netbeheerder financiert voor één derde de kost van de onderzeese kabel, en dit voor een maximum bedrag van 25 miljoen euro volgens de modaliteiten gedefinieerd in het eerste lid en de minimumprijs voor geproduceerde windenergie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, wordt verhoogd met een bedrag dat de totale kosten dekt die in aanmerking komen voor de financiering van de kost van de onderzeese kabel zoals ze voortvloeien uit de offerte of de offertes die de titularis van de domeinconcessie, bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt in toepassing van de geldende wetgeving inzake overheidsopdrachten. Dit bedrag wordt bepaald door de commissie na verificatie van de offerte of de offertes die in aanmerking genomen werden. […] De verhoging van de minimumprijs bedoeld in het tweede, het vierde en het vijfde lid, wordt gefinancierd overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 21quinquies. De vaststelling voor ieder exploitatiejaar van de kost voortvloeiend uit de maatregelen bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, gebeurt overeenkomstig de berekeningsmethode en de procedure bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. De Federale Staat, de netbeheerder en de commissie sluiten een protocol teneinde de modaliteiten vast te leggen van de maandelijkse ter beschikkingstelling van de middelen, bedoeld in het elfde lid, met het oog op de voldoening van de verplichting bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van de contractpartijen nader te bepalen. De financieringsregels beschreven in het voornoemde protocol stellen de netbeheerder in staat om tijdig over de bij deze wet bepaalde noodzakelijke middelen te beschikken, met als doel de nettokost, voortvloeiend uit de maatregelen bedoeld, in het eerste lid, tijdig te betalen en voorfinanciering van deze nettokost in hoofde van de netbeheerder te vermijden.”
- Het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en de vergoeding van de houders van een offshore domeinconcessie in geval van onbeschikbaarheid van het Modular Offshore Grid (hierna: het koninklijk besluit van 2002) heeft een reeks maatregelen ingevoerd met toepassing van voormeld artikel 7, §§ 1er en 2 van de elektriciteitswet. Ten gevolge van de hervorming van het financieringsmechanisme van de openbare dienstverplichtingen ten laste van de netbeheerder werd het koninklijk besluit van 16 juli 2002 gewijzigd door een koninklijk besluit van 20 juli 2022, om enerzijds de berekeningsmodaliteiten van de Niet-vertrouwelijke versie 5/10 kost van de openbare dienstverplichting in te voeren en anderzijds de procedure-elementen bijkomend aan de elementen voorzien in artikel 7, § 1 van de elektriciteitswet.
- ANTECEDENTEN 2.
- Algemeen
- Op 31 december 2021 werd de programmawet van 27 december 2021 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
- Met toepassing van deze programmawet hebben de Belgische Staat, Elia en de CREG een protocolakkoord afgesloten met het oog op de bepaling van de modaliteiten voor het maandelijks ter beschikking stellen van de middelen die het voor Elia mogelijk maken om te voldoen aan de openbare dienstverplichtingen bedoeld in artikel 7, §§ 1 en 2, 2de, 4de, 5de lid, artikel 7octies, 1ste lid en artikel 7undecies, § 14, 1ste lid van de elektriciteitswet (hierna: het Protocol ODV).
- Het koninklijk besluit van 20 juli 2022 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 werd op 22 augustus 2022 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
- Op 31 augustus 2022 heeft de CREG van Elia per e-mail een ex ante rapporteringsmodel ontvangen met betrekking tot de geraamde kosten van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten, de strategische reserve en het capaciteitsvergoedingsmechanisme voor het jaar
- Ontwerpbeslissing (B)2449 met betrekking tot de beoordeling van de kost van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar 2023 werd goedgekeurd door de CREG tijdens het directiecomité van 29 september
- 2.
- Raadpleging
- Artikel 14ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 bepaalt dat de CREG de ontwerpbeslissing voorlegt aan de netbeheerder, die beschikt over veertien werkdagen om haar opmerkingen over te maken. Daarentegen was de CREG van mening dat terzake geen publieke raadpleging moest worden georganiseerd. Dat stemt bovendien overeen met de praktijk die werd gevolgd – en in het huishoudelijk reglement van de CREG1 werd vastgelegd – wanneer de kost van de openbare dienstverplichting ten laste van Elia via de tarieven werd doorgerekend.
- De CREG heeft op 19 oktober 2022 een brief van Elia ontvangen waarin ze één opmerking formuleert bij paragraaf 12 van de ontwerpbeslissing (= paragraaf 14 van voorliggende beslissing), namelijk de vermelde elektriciteitsreferentieprijs is niet dezelfde als deze in het, door Elia, ingediende dossier. In het ingediende dossier heeft Elia de elektriciteitsreferentieprijs berekend op basis van werkelijke noteringen van 1 januari tot en met 22 augustus 2022 voor de Endex Cal+1 en de laatst gekende notering (van 22 augustus) gebruikt als waarde voor de rest van het jaar. Hierdoor komt ze op een resultaat van € 307,20/MWh. In deze beslissing baseert de CREG, net zoals de vorige jaren, zich enkel op werkelijke noteringen van de Endex Cal+1 voor de bepaling van de 1 Cfr. art. 40, 1ste lid, 3°. Niet-vertrouwelijke versie 6/10 elektriciteitsreferentieprijs. Bij de opmaak van de ontwerpbeslissing is het gemiddelde van de noteringen van 1 januari tot 23 september 2022 € 231,14/MWh. De opmerking is echter zonder voorwerp (zoals ook door Elia aangehaald in haar brief) aangezien het resultaat dezelfde is: de minimumprijs is negatief en de kost van de aankoop van groenestroomcertificaten, net zoals de kost van de voorschotten van NW2, Seastar en Mermaid bedragen €
- Paragraaf 14 wijzigt daarom niet.
- RAMING VAN DE KOST 3.
- Algemeen
- De artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 20 juli 2022 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 bepalen de berekeningswijze van de kost die verband houdt met de verplichting tot aankoop van groenestroomcertificaten volgens de volgende formule : At + Bt + Ct + Dt De term At geeft de raming weer van de kosten in verband met de aankoop en verkoop van groenestroomcertificaten uitgegeven op basis van Elektriciteitsdecreten en -ordonnanties tijdens het jaar t. De term Bt geeft de raming weer van de kosten, in dit geval via een voorschot en bijkomend voorschot betaald in overeenstemming met artikel 14, § 1ersepties, in verband met de aankoop en verkoop van groenestroomcertificaten uitgegeven op basis van artikel 7, § 1er van de elektriciteitswet of het equivalent in geproduceerde energie waarmee rekening wordt gehouden bij de bepaling van het voorschot voorzien in artikel 14, § 1septies van de elektriciteitswet in het jaar t. De term Ct vertegenwoordigt de raming van de kosten van de financiële lasten gedragen door de netbeheerder gedurende het jaar t in verhouding tot het saldo van de aankoop- en verkooptransacties van groenestroomcertificaten en tot het saldo van de voorschotten voorzien in artikel 14, § 1septies. De term Dt vertegenwoordigt de kost van de administratieve lasten gedragen door de netbeheerder die wordt berekend door de som van de factoren At en Bt te vermenigvuldigen met een coëfficiënt van 0,3 %. Het bedrag van deze meerkost Dt is geplafonneerd op € 100.000,00 per toegekende domeinconcessie krachtens artikel 6, § 1 van de wet vanaf het jaar waarin de concessiehouder elektriciteit in het net injecteert. 3.
- De beoordeling van de kost voor 2023 3.2.
- Aan- en verkopen van groenestroomcertificaten (At en Bt)
- De aankopen betreffen voornamelijk offshore groenestroomcertificaten. Een (zeer kleine) minderheid van de aankopen betreft groenestroomcertificaten van Waalse fotovoltaïsche installaties. In Wallonië gaat het over installaties die voor 1 augustus 2012 in dienst werden gesteld en waarvoor het aantal toegekende groenestroomcertificaten lager ligt dan 2,3 GSC/geproduceerde MWh. Niet-vertrouwelijke versie 7/10 Bovendien loopt de productieperiode die in aanmerking komt voor ondersteuning over 10 jaar. Niettemin is er geen bindende termijn voor het indienen van een aanvraag door de producent voor toekenning van overeenstemmende GSC. Elia verwacht zich dan ook aan de verderzetting van doorverkopen van GSC gedurende verschillende maanden in
- De producenten van offshore windenergie krijgen een groenestroomcertificaat per geproduceerde MWh. In het kader van zijn openbare dienstverplichting is de netbeheerder verplicht de groenestroomcertificaten bij de producent van groene stroom die hiervoor een verzoek indient aan te kopen tegen een minimumprijs vastgelegd bij koninklijk besluit van 16 juli
- Voor C-Power, Belwind, Northwind en Nobelwind wordt het bedrag van de vermoedelijke aankoop van groenestroomcertificaten geraamd op basis van de historische productiecijfers en van de minimumprijs.
- Norther, Rentel, Mermaid, Seastar en Northwester 2 zijn parken die genieten van een variabele ondersteuning waarvan de minimumprijs afhangt van de elektriciteitsreferentieprijs (hierna: de LCOEparken). De CREG heeft in haar studie (F)24422 genoteerd dat de uitzonderlijk hoge groothandelsprijzen voor elektriciteit behouden blijven omwille van de geopolitieke situatie. Het gemiddelde van de BE CAL+1 noteringen van 1 januari tot 23 september 2022 bedraagt € 231,14/MWh. De minimumprijs per park zal de volgende zijn: Park Rentel Norther Mermaid Seastar NW2 Ep 231.14 231.14 231.14 231.14 231.14 CF (Best estimate) 15.31% 16.84% 22.14% 20.66% 15.53% Indicatieve waarde GSC 2023 Netverliesfactor Gecorrigeerde Ep 1.21% 193.38 1.70% 188.95 0.95% 178.26 0.48% 182.51 1.24% 192.82 LCOE Minimumprijs 134.62 -58.76 132.20 -56.75 91.70 -86.56 89.54 -92.97 91.67 -101.15 Voor de eerste keer zal de minimumprijs negatief zijn, en dat geldt voor alle LCOE-parken. Het variabele ondersteuningsmechanisme, of het LCOE-systeem, zoals voorzien bij koninklijk besluit van 16 juli 2002 is een 1-sided contract-for-difference (hierna : 1-sided CfD). Bij een 1-sided CFD behoudt de producent een upside als de referentieprijs hoger is dan de LCOE. Op basis van de huidige regelgeving kan de CREG geen negatieve minimumprijs vastleggen en een terugvordering bij de offshore parken eisen. De CREG zal de minimumprijs dus vastleggen op € 0/MWh. Bijgevolg bedraagt de kost van de aankoop van groenestroomcertificaten voor Norther en Rentel € 0, net zoals de kost van de voorschotten van NW2, Seastar en Mermaid.
- Northwester 2, Mermaid en Seastar krijgen een bijkomend voorschot als de werkelijke jaarlijkse productie gedurende de vijf eerste uitbatingsjaren lager ligt dan de productie op basis van 4.100 vollasturen. In 2023 betaalt Elia het bijkomend voorschot voor de productie van 2022 op basis van de elektriciteitsreferentieprijs van 2022 (€ 86,6261/MWh). 3.2.
- Financiële lasten
- De kost van de financiële lasten wordt enerzijds beoordeeld door de som te bepalen van de maandelijkse verschillen tussen de vorderingen en de schulden uit de balans van de netbeheerder die verband houden met het verwerken van groenestroomcertificaten en anderzijds door te verwijzen naar een forfaitaire rentevoet gelijke aan de OLO-raming van het jaar t-2 vermeerderd met 70 basispunten. 2 Studie (F)2442 over de gevolgen van de aanhoudende hoge groothandelsmarktprijzen voor gas en elektriciteit. Niet-vertrouwelijke versie 8/10 De evolutie van de maandelijkse verschillen tussen de vorderingen en de schulden is moeilijk ex ante te bepalen. Bovendien wordt een controle van de financiële lasten ex post uitgevoerd, bij de berekening van het bedrag van de regularisatie. Het financiële bedrag geraamd voor de financiële lasten wordt dus vastgelegd op nul. 3.2.
- Administratieve kosten
- De kost van de administratieve lasten gedragen door de netbeheerder wordt berekend door de som van de vermoedelijke aan- en verkopen van groenestroomcertificaten (At + Bt) te vermenigvuldigen met een coëfficiënt van 0,3 %. Het bedrag van deze meerkost is geplafonneerd op € 100.000 per domeinconcessie. C-Power, Belwind/Nobelwind en Northwind zullen voldoende groenestroomcertificaten produceren om aan Elia te verkopen om zo het plafond van € 100.000 te behalen, wat overeenstemt met een bedrag van € 300.000 aan administratieve kosten. Dit bedrag van € 300.000 wordt verhoogd met een administratieve kost geraamd op 0,3 % voor de Waalse GSC en voor de bijkomende voorschotten voor Seastar, Mermaid en Northwester
- 3.2.
- Raming van de kost voor 2023
- Op basis van de historische productie per park, de bepalingen voor de minimumprijs en de methode voor raming van de kosten van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 (zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 juli 2022) raamt de CREG de kost van de openbare dienstverplichting ter financiering van de aankoop van groenestroomcertificaten op € 349.854.228 voor
- 2023 Gewestelijke groenestroomcertificaten 131 761 Betaling van maandelijkse voorschotten in verband met de offshore 307 productie 476 658 C-Power [VERTROUWELIJK] Belwind [VERTROUWELIJK] Nobelwind [VERTROUWELIJK] Northwind [VERTROUWELIJK] Rentel 0 Norther 0 Betaling van maandelijkse voorschotten 0 NW2 0 Mermaid 0 Seastar 0 Betaling van aanvullende voorschotten 41 819 954 NW2 [VERTROUWELIJK] Mermaid [VERTROUWELIJK] Seastar [VERTROUWELIJK] Financiële lasten 0 Administratieve lasten 425 855 Totale kostprijs ODV aankoop GSC (EUR) 349 854 228 3.2.
- De uitsplitsing van de kosten per maand
- In overeenstemming met artikel 7, § 1 van de elektriciteitswet en het Protocol ODV bepaalt de CREG de maandelijkse kost. De betaling van deze kost door de Federale Overheidsdienst Financiën gebeurt aan het begin van de betreffende maand. Kost aankoop federale GSC Kost Elia EUR/maand Betaling door de Belgische Staat EUR/mois Niet-vertrouwelijke versie Jan-23 34 518 812 34 518 812 Feb-23 32 953 411 32 953 411 Mar-23 71 098 293 71 098 293 Apr-23 19 235 733 19 235 733 May-23 19 346 919 19 346 919 Jun-23 17 646 643 17 646 643 Jul-23 17 615 859 17 615 859 Aug-23 19 831 140 19 831 140 Sep-23 20 246 766 20 246 766 Oct-23 30 487 057 30 487 057 Nov-23 30 527 193 30 527 193 Dec-23 36 346 402 36 346 402 Total 349 854 228 349 854 228 9/10
- ALGEMEEN VOORBEHOUD
- In onderhavige beslissing heeft de CREG zich beperkt tot de analyse van de verantwoording en de draagwijdte van het ex ante verslag met betrekking tot de geraamde kosten voor de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar
- BESLUIT Gelet op de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, in het bijzonder artikel 7, §§ 1 en 2 ; Gelet op de artikelen 14bis en 14ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 ; Gelet op het Protocol ODV ; Bepaalt de CREG de maandelijkse kosten van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar 2023 als volgt: Kost aankoop federale GSC Kost Elia EUR/maand Betaling door de Belgische Staat EUR/mois Jan-23 34 518 812 34 518 812 Feb-23 32 953 411 32 953 411 Mar-23 71 098 293 71 098 293 Apr-23 19 235 733 19 235 733 May-23 19 346 919 19 346 919 Jun-23 17 646 643 17 646 643 Jul-23 17 615 859 17 615 859 Aug-23 19 831 140 19 831 140 Sep-23 20 246 766 20 246 766 Oct-23 30 487 057 30 487 057 Nov-23 30 527 193 30 527 193 Dec-23 36 346 402 36 346 402 Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Laurent JACQUET Directeur Niet-vertrouwelijke versie Koen LOCQUET Wnd. Voorzitter van het Directiecomité 10/10 Total 349 854 228 349 854 228