← België

Beslissing inzake de formele en materiële vereisten waaraan een verzoek om afwijking van de intermediaire maximumprijs moet voldoen

Beslissing (B)2749 29 maart 2024 Beslissing inzake de formele en materiële vereisten waaraan een verzoek om afwijking van de intermediaire maximumprijs moet voldoen Artikel 22, § 2, 2de lid van het koninklijk besluit van 28 april 2021 tot vaststelling van de parameters waarmee het volume aan te kopen capaciteit wordt bepaald, inclusief hun berekeningsmethode, en van de andere parameters die nodig zijn voor de organisatie van de veilingen, alsook de methode en voorwaarden tot het verkrijgen van individuele uitzonderingen op de toepassing van de intermediaire prijslimiet(

  1. en)in het kader van het capaciteitsvergoedingsmechanisme Niet-vertrouwelijk CREG – Nijverheidsstraat 26-38, 1040 Brussel, België T +32 2 289 76 11 - www.creg.be INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE.................................................................................................................................... 2 INLEIDING ................................................................................................................................................ 3 1. WETTELIJK KADER ............................................................................................................................ 3 2. ANTECEDENTEN ............................................................................................................................... 8 3. RAADPLEGING VAN DE MARKTSPELERS .......................................................................................... 9 3.1. Uiterste datum voor het indienen van een verzoek om afwijking .......................................... 9 3.2. Berekening van de « missing-money ».................................................................................... 9 3.3. In aanmerking komende kosten in de derogatie-aanvraag .................................................. 10 3.4. Te leveren gegegevens in het kader van het het verzoek om afwijking van de ipc .............. 12 3.5. Overige commentaren .......................................................................................................... 12 4. WIJZIGINGEN AANGEBRACHT AAN DE FORMELE EN MATERIËLE VEREISTEN VOOR EEN VERZOEK OM AFWIJKING VAN DE INTERMEDIAIRE MAXIMUMPRIJS ........................................................... 13 5. FORMELE EN MATERIËLE VEREISTEN VOOR EEN VERZOEK OM AFWIJKING................................. 16 BIJLAGE 1 ............................................................................................................................................... 17 BIJLAGE 2 ............................................................................................................................................... 18 BIJLAGE 3 ............................................................................................................................................... 19 Niet-vertrouwelijk 2/19 INLEIDING In toepassing van artikel 22, § 2, 2de lid, van het koninklijk besluit van 28 april 2021 tot vaststelling van de paramaters waarmee het volume aan te kopen capaciteit wordt bepaald, inclusief hun berekeningsmethode, en van de andere parameters die nodig zijn voor de organisatie van de veilingen, alsook de methode en voorwaarden tot het verkrijgen van individuele uitzonderingen op de toepassing van de intermediaire prijslimiet(
  2. en)in het kader van het capaciteitsvergoedingsmechanisme (hierna: “het koninklijk besluit Methodologie), wordt met deze beslissing beoogd de formele en materiële vereisten vast te stellen waaraan een verzoek om afwijking van de intermediaire maximumprijs moet voldoen opdat dit verzoek in aanmerking genomen kan worden in het kader van de veilingen van 2024. Deze beslissing werd opgemaakt in overeenstemming met het voorstel tot wijziging van het koninklijk besluit Methodologie waarover tussen 5 februari en 23 februari 2024 een openbare raadpleging is gehouden en waarvan de publicatie in het Belgisch Staatsblad wordt verwacht in mei 2024 (hierna: het “voorstel van wijziging van het koninklijk besluit Methodologie”). Deze beslissing bestaat uit vijf delen. In het eerste deel wordt het juridisch kader beschreven. Het tweede deel beschrijft de antecedenten. Het derde deel beantwoordt de opmerkingen ontvangen tijdens de openbare raadpleging. In het vierde deel zet de CREG de aanpassingen uiteen die werden aangebracht aan de formele en materiële vereisten voor een verzoek om afwijking van de intermediaire maximumprijs. Het vijfde deel bevat de formele en materiële vereisten voor een verzoek om afwijking. De huidige beslissing werd door het directiecomité van de CREG goedgekeurd via schriftelijke procedure op 29 maart 2024. 1. WETTELIJK KADER 1. In overeenstemming met artikel 22, § 2, 2de lid van het koninklijk besluit Methodologie, is het aan de CREG om de formele en materiële vereisten te bepalen van een verzoek om afwijking van de intermediaire maximumprijs (hierna : de “IPC”). 2. Dit artikel geeft het volgende overzicht van de elementen die dit verzoek op zijn minst moet bevatten: « 1° identificatie van de eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, zoals bepaald in de werkingsregels, en de veiling waarop de aanvraag van toepassing is; 2° een nauwkeurige inschatting en beschrijving, of beschrijving van de desgevallende afwezigheid, van volgende kostencomponenten met betrekking tot de eenheid in de capaciteitsmarkt, of de eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, voor de periode van capaciteitslevering waarop de aanvraag van toepassing is :
  3. a)opgesplitst in voorkomend geval per leveringspunt, jaarlijkse vaste operationele en onderhoudskosten (in €/jaar) maar exclusief de onder
  4. c)bedoelde vaste kosten die reeds zijn opgenomen in een eerder aanvaarde derogatieaanvraag, inclusief verdere specificatie van vaste nettarieven en de activatiekosten voor de beschikbaarheidstests gevraagd door Elia zoals bepaald in de werkingsregels indien deze relevant geacht worden, aangevuld met, indien van toepassing, de hypothesen met betrekking tot minstens het aantal uren tijdens dewelke de eenheid (eenheden) geactiveerd is (zijn) en het aantal starts of activaties waarop Niet-vertrouwelijk 3/19 deze inschattingen gebaseerd zijn, alsook de relatie tussen de vaste kosten en enerzijds het aantal activaties en anderzijds het aantal draaiuren;
  5. b)vaste kosten gerelateerd aan het portfoliobeheer zodat de betrokken eenheid in de capaciteitsmarkt op de energiemarkt kan opereren (in €/jaar), tijdens de periode van capaciteitslevering waarop de aanvraag van toepassing is;
  6. c)opgesplitst in voorkomend geval per leveringspunt, recurrente investeringskosten op jaarbasis gebruik makend van de gewogen gemiddelde kost van kapitaal die specifiek is voor de technologie zoals bedoeld in artikel 19 bis, § 3, en de economische levensduur van elke investering die niet rechtstreeks verband houden met een verlenging van de technische levensduur van de installatie of met een verhoging van het nominaal referentievermogen, in voorkomend geval met inbegrip van de investeringsuitgaven voor grote onderhoudswerken aan installaties die niet noodzakelijk elk jaar gebeuren maar exclusief de onder
  7. a)bedoelde vaste kosten die reeds zijn opgenomen in een eerder aanvaarde derogatieaanvraag of in de derogatieaanvraag voor de betrokken veiling (in €/jaar), aangevuld met, indien van toepassing, de hypothesen met betrekking tot minstens: i. het aantal uren in elk jaar gedurende welke de eenheid (eenheden) is (zijn) geactiveerd sinds de laatste investering die gelijkwaardig is aan de investering in de derogatieaanvraag; ii. het aantal uren in elk jaar gedurende welke de eenheid (eenheden) zal (zullen) worden geactiveerd tot de uitvoering van de investering waarop de derogatieaanvraag betrekking heeft; iii. het aantal uren in elk jaar waarin de eenheid (eenheden) zal (zullen) worden geactiveerd tot de uitvoering van de volgende gelijkwaardige investering; iv. en het aantal starts of activeringen waarop deze ramingen zijn gebaseerd, alsmede, met het oog op de raming van de economische levensduur van de investering, het verband tussen de technische levensduur van de investering en, enerzijds, het aantal activeringen en, anderzijds, het aantal bedrijfsuren, alsmede elk ander element dat de economische levensduur van de investering zou beperken;
  8. d)opgesplitst in voorkomend geval per leveringspunt, geannualiseerde niet-recurrente op basis van de gewogen gemiddelde kost van kapitaal die specifiek is voor de technologie zoals gedefinieerd in artikel 19 bis, § 3 en de economische levensduur van elke investering, investeringskosten relevant voor het leveren van de dienst met de betrokken eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, tijdens de periode van capaciteitslevering waarop de aanvraag van toepassing is exclusief de onder
  9. a)bedoelde vaste kosten die reeds zijn opgenomen in een eerder aanvaarde derogatieaanvraag of in de derogatieaanvraag van de betrokken veiling (in €/jaar), in voorkomend geval aangevuld met de aannames betreffende ten minste : i. het aantal uren in elk jaar gedurende welke de eenheid (eenheden) is (zijn) geactiveerd sinds de laatste investering die gelijkwaardig is aan de investering in de derogatieaanvraag; ii. het aantal uren in elk jaar gedurende welke de eenheid (eenheden) zal (zullen) worden geactiveerd tot de uitvoering van de investering die in de derogatieaanvraag is opgenomen; iii. het aantal uren in elk jaar gedurende welke de eenheid (eenheden) zal (zullen) worden geactiveerd totdat de volgende gelijkwaardige investering is uitgevoerd; iv. en het aantal starts of activeringen waarop deze ramingen gebaseerd zijn, alsmede, met het oog op de raming van de economische levensduur van de investering, het verband tussen de technische levensduur van de investering en, enerzijds, het aantal activeringen en, anderzijds, het aantal bedrijfsuren, alsmede elk ander element dat de economische levensduur van de investering zou beperken;
  10. e)variabele kosten voor het aanbieden van energie (in €/MWh), inclusief verdere specificatie van, indien van toepassing, ten minste volgende elementen die in deze variabele Niet-vertrouwelijk 4/19 kosten inbegrepen zijn : variabele operationele en onderhoudskosten inclusief variabele nettarieven indien deze relevant geacht worden, efficiëntiefactor of in geval van opslagsystemen, round trip efficiëntie;
  11. f)Voor een geaggregeerde offerte, het verschil tussen de aangeboden capaciteit en de som van de geïnstalleerde capaciteit van de verschillende leveringspunten;
  12. g)Opstartkosten of vaste activatiekosten door specificatie van de kost per start of activatie exclusief kosten gerelateerd aan de louter voor de opstart noodzakelijke brandstof (in €/start of €/activatie) , hiertoe wordt een onderscheid gemaakt tussen voorzieningen voor de vergoeding van kapitaaluitgaven en vaste exploitatie- en onderhoudskosten enerzijds en specifieke kosten per start of activering anderzijds, aangevuld met, indien van toepassing, indicatie van het type en de hoeveelheid louter voor de opstart noodzakelijke brandstof (in GJ/start). Voor elke investering dienen minstens de volgende gegevens te worden aangeleverd : totale investeringskost, financieringskost inclusief gewogen gemiddelde kapitaalskost, economische levensduur van de investering, motivatie m.b.t. de relevantie voor het leveren van de dienst, realisatiejaar van de investering en geannualiseerde kost die daaruit voortvloeit. De in aanmerking komende niet-recurrente investeringskosten voor het berekenen van de `missing-money' van de eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, zijn de initiële en niet terugkerende investeringsuitgaven die worden besteld vanaf de eerste beslissing in toepassing van artikel 7undecies, § 6 van de Elektriciteitswet en die ten laatste de dag voorafgaand aan de eerste dag van de periode van capaciteitslevering worden uitgevoerd. 3° indien van toepassing, een nauwkeurige inschatting en beschrijving van de inkomsten (in €/jaar) met betrekking tot de eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, voor de periode van capaciteitslevering waarop de aanvraag van toepassing is, andere dan jaarlijkse inframarginale inkomsten en netto opbrengsten van de levering van balanceringsdiensten bedoeld in paragraaf 8, 3° en 4°, zoals bijvoorbeeld maar zonder daarbij noodzakelijk beperkt te zijn, de tot stoom en/of warmte-gerelateerde inkomsten of de inkomsten in verband met het verlenen van de hersteldienst; 4° indien van toepassing, een nauwkeurige inschatting van de operationele beperkingen gelinkt aan de uitbating die een invloed hebben op het leveren van de dienst met de betrokken eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, en een beschrijving van de impact van die beperkingen op de inkomsten, tijdens de periode van capaciteitslevering waarop de aanvraag van toepassing is, zoals bijvoorbeeld en maar niet noodzakelijk beperkt tot : energiebeperkingen, activatiebeperkingen, geplande onderhoudsmomenten, must run beperkingen; 5° een raming van de jaarlijkse inframarginale inkomsten ; 6° een raming van de netto-inkomsten uit de levering van balanceringsdiensten; 7° een raming en een nauwkeurige berekening van het "missing money" (in €/MW/jaar) van de betrokken eenheid of eenheden van de capaciteitsmarkt in het geval van gebonden capaciteiten, voor de periode van capaciteitslevering waarop het verzoek betrekking heeft; De meegedeelde elementen door de derogatieaanvrager bedoeld in het tweede lid, 2° tot 6°, ter ondersteuning van zijn aanvraag zijn specifiek aan de betrokken eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft. Indien de aanvrager deze voor de betrokken capaciteitseenheid niet kan verstrekken, verstrekt hij de commissie alle informatie die de commissie in staat stelt de juistheid van zijn ramingen te beoordelen. Niet-vertrouwelijk 5/19 De in het tweede lid, 2° tot en met 6°, bedoelde elementen worden door de derogatieaanvrager verantwoord overeenkomstig de formele en materiële voorwaarden die de commissie overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, heeft vastgesteld. Een historiek van de elementen bedoeld in het tweede lid, 2° tot en met 6°, wordt door de aanvrager verstrekt overeenkomstig de hierboven vermelde formele en materiële voorwaarden. De elementen bedoeld in het tweede lid, 2° tot en met 6°, worden uitgedrukt in euro van het referentiejaar dat in artikel 20 in aanmerking wordt genomen voor de schatting van de inkomsten. De raming, bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 7°, wordt gecorrigeerd met de verwachte evolutie van de consumentenprijsindex tussen enerzijds het referentiejaar dat werd gebruikt voor de raming van de opbrengsten en kosten en anderzijds de periode van capaciteitsvoorziening waarvoor het "missing-money" wordt berekend, op basis van de gegevens van het Federaal Planbureau.» 3. Als het voorstel tot wijziging van het koninklijk besluit Methodologie wordt aangenomen, zou de lijst van minimale elementen die het verzoek om afwijking moet bevatten, als volgt worden vastgesteld: “1° identificatie van de eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, zoals bepaald in de werkingsregels, en de veiling waarop de aanvraag van toepassing is; 2° een nauwkeurige inschatting en beschrijving, of beschrijving van de desgevallende afwezigheid, van volgende kostencomponenten met betrekking tot de eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, voor de periode van capaciteitslevering waarop de aanvraag van toepassing is, voor zover deze kosten niet worden gemaakt door de capaciteitshouder van de eenheid voor de capaciteitsmarkt, of de eenheden in het geval van gekoppelde capaciteit :
  13. a)opgesplitst in voorkomend geval per leveringspunt, de categorieën van kosten bepaald in artikel 18, §2, 1° tot en met 9°(in €/jaar), maar exclusief de vaste kosten reeds opgenomen in een eerder goedgekeurde aanvraag tot derogatie;
  14. b)opgesplitst in voorkomend geval per leveringspunt, niet-recurrente investeringskosten, relevant voor het leveren van de dienst met de betrokken eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, tijdens de periode van capaciteitslevering waarop de aanvraag van toepassing is, exclusief de onder
  15. a)bedoelde vaste kosten die reeds zijn opgenomen in een eerder goedgekeurde aanvraag tot derogatie of in de aanvraag tot derogatie voor de veiling in kwestie (in €/jaar);
  16. c)opgesplitst in voorkomend geval per leveringspunt, de kosten van het verhuren van de locatie aan een derde partij (in €/jaar);
  17. d)Voor een geaggregeerde offerte, het verschil tussen de aangeboden capaciteit en de som van de geïnstalleerde capaciteit van de verschillende leveringspunten;
  18. e)De efficiëntiefactor of, in het geval van een energieopslagfaciliteit, de "round-trip efficiency";
  19. f)Voor elke investering dienen minstens de volgende gegevens te worden aangeleverd: totale investeringskost, gewogen gemiddelde kapitaalskost zoals bedoeld in paragraaf 7/1, tweede lid, 4°,de rechtvaardiging voor elk element dat de economische levensduur van de investering zou beperken, motivatie m.b.t. de relevantie voor het leveren van de dienst, realisatiejaar van de investering. De in aanmerking komende investeringskosten voor het berekenen van de ‘missing-money’ van de eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, investeringsuitgaven die worden besteld vanaf de eerste beslissing in toepassing van artikel 7undecies, § 6 van de Elektriciteitswet en die ten laatste de dag voorafgaand aan de eerste dag van de periode van capaciteitslevering worden uitgevoerd. Niet-vertrouwelijk 6/19 3° indien van toepassing, een nauwkeurige inschatting en beschrijving van de inkomsten (in €/jaar) met betrekking tot de eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, voor de periode van capaciteitslevering waarop de aanvraag van toepassing is, andere dan jaarlijkse inframarginale inkomsten en netto opbrengsten van de levering van balanceringsdiensten, zoals bijvoorbeeld maar zonder daarbij noodzakelijk beperkt te zijn, de tot stoom en/of warmte-gerelateerde inkomsten of de inkomsten in verband met het verlenen van de hersteldienst; 4° indien van toepassing, een nauwkeurige inschatting van de operationele beperkingen gelinkt aan de uitbating die een invloed hebben op het leveren van de dienst met de betrokken eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, en een beschrijving van de impact van die beperkingen op de inkomsten, tijdens de periode van capaciteitslevering waarop de aanvraag van toepassing is, zoals bijvoorbeeld en maar niet noodzakelijk beperkt tot : energiebeperkingen, activatiebeperkingen, geplande onderhoudsmomenten, must run beperkingen; 5° een raming van de jaarlijkse inframarginale inkomsten, met uitzondering van inkomsten op termijn, intraday en balancering; 6° een raming van de netto-inkomsten uit de levering van balanceringsdiensten; 7° een raming en een nauwkeurige berekening van het "missing money" (in €/MW/jaar) van de betrokken eenheid of eenheden van de capaciteitsmarkt in het geval van gebonden capaciteiten, voor de periode van capaciteitslevering waarop het verzoek betrekking heeft; De meegedeelde elementen door de derogatieaanvrager bedoeld in het tweede lid, 2° tot 6°, ter ondersteuning van zijn aanvraag zijn specifiek aan de betrokken eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft. Indien de aanvrager deze voor de betrokken capaciteitseenheid niet kan verstrekken, verstrekt hij de commissie alle informatie die de commissie in staat stelt de juistheid van zijn ramingen te beoordelen. De in het tweede lid, 2° tot en met 6°, bedoelde elementen worden door de derogatieaanvrager verantwoord overeenkomstig de formele en materiële voorwaarden die de commissie overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, heeft vastgesteld. Een historiek van de elementen bedoeld in het tweede lid, 2° tot en met 6°, wordt door de aanvrager verstrekt overeenkomstig de hierboven vermelde formele en materiële voorwaarden. De elementen bedoeld in het tweede lid, 2° tot en met 6°, worden uitgedrukt in euro van het referentiejaar dat in artikel 20 in aanmerking wordt genomen voor de schatting van de inkomsten. De raming, bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 7°, wordt gecorrigeerd met de verwachte evolutie van de consumentenprijsindex tussen enerzijds het referentiejaar dat werd gebruikt voor de raming van de opbrengsten en kosten en anderzijds de periode van capaciteitsvoorziening waarvoor het "missing-money" wordt berekend, op basis van de gegevens van het Federaal Planbureau. De in aanmerking komende investeringskosten voor het berekenen van de `missing-money' van de eenheid in de capaciteitsmarkt, of de eenheden indien het gekoppelde capaciteiten betreft, zijn de investeringsuitgaven die worden besteld vanaf de eerste beslissing in toepassing van artikel 7undecies, § 6 van de Elektriciteitswet en die ten laatste de dag voorafgaand aan de eerste dag van de periode van capaciteitslevering worden uitgevoerd.” 4. Anderzijds moet worden opgemerkt dat de ontwerpwijziging van het koninklijk besluit Methodologie een bepaling bevat waarbij : « In afwijking op artikel 22, §2, tweede lid, van hetzelfde besluit, publiceert de commissie uiterlijk 1 juni 2024 de formele en materiële voorwaarden bedoeld in artikel 22, §2, tweede lid, van hetzelfde besluit met betrekking tot de veilingen die op basis van de instructie bedoeld in artikel 7undecies, §6, eerst lid van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, in 2024 worden georganiseerd. Niet-vertrouwelijk 7/19 In afwijking op artikel 22, §2, eerste lid, van hetzelfde besluit, dient de derogatieaanvrager uiterlijk 15 juni 2024 een derogatieaanvraag in overeenkomstig artikel 22, van hetzelfde besluit met betrekking tot de veilingen die op basis van de instructie bedoeld in artikel 7undecies, §6, eerst lid van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, in 2024 worden georganiseerd.» 5. De CREG is van oordeel dat, ondanks het feit dat het voorstel van wijziging van het koninklijk besluit Methodologie nog niet is goedgekeurd op het ogenblik dat deze beslissing werd genomen, het, gelet op de doelstelling van de Federale Regering om de wijzigingen die het bevat, toe te passen op de veilingen die in 2024 worden georganiseerd, passend is om formele en materiële regels vast te stellen die in overeenstemming zijn met voorstel van wijziging van het koninklijk besluit Methodologie. In geval het voorstel van wijziging van het koninklijk besluit Methodologie niet in werking is getreden uiterlijk op 1 juni 2024, komt het de CREG toe om te beoordelen of het noodzakelijk is onderhavige beslissing in te trekken en een nieuwe beslissing te nemen die in overeenstemming zal zijn met de wettelijke bepalingen die van kracht zijn. 2. ANTECEDENTEN 6. In haar beslissing (B)2237 heeft de CREG eerder de formele en materiële vereisten vastgelegd voor een verzoek om afwijking van de IPC die in aanmerking moet worden genomen in de veiling van 2021 en deze op 12 mei 2021 op haar website gepubliceerd. 7. Om de interpretatie ervan te vergemakkelijken, heeft de CREG vervolgens een aangepaste versie van deze formele en materiële vereisten gepubliceerd in haar beslissing (B)2237-2 van 17 juni 2021. De CREG heeft ook een Excel-versie van deze formele en materiële vereisten gepubliceerd om de invoer van gegevens door de derogatieaanvragers te vergemakkelijken. 8. In haar beslissing (B)2356, gepubliceerd op haar website op 31 maart 2022, legde de CREG de formele en materiële vereisten vast waaraan een verzoek om afwijking van de IPC moet voldoen om in aanmerking te worden genomen in het kader van de veiling van 2022. De aanpassingen van de formele en materiële vereisten voor de veiling van 2022 hadden voornamelijk tot doel de voorspelbaarheid voor de marktdeelnemers te vergroten wat betreft de behandeling van de verzoeken om afwijking van de IPC. Het doel van de CREG was ook de coherentie te verzekeren tussen de beoordeling van de IPC en de beoordeling van de gegrondheid van de verzoeken om afwijking van de IPC. De CREG heeft ook de Excel-versie van deze formele en materiële vereisten aangepast om de invoer van gegevens door de aanvragers van de afwijking te vergemakkelijken. 9. Beslissing (B)2356 maakt momenteel voorwerp uit van een beroep bij het Marktenhof. 10. De CREG heeft, in haar beslissing (B)2526, de formele en materiële vereisten vastgesteld waaraan een verzoek om afwijking van de IPC moet voldoen om in aanmerking te komen in het kader van de veiling van 2023, en heeft die op 30 maart 2023 op haar website gepubliceerd. De voornaamste doelstellingen van de aanpassingen van de formele en materiële vereisten voor de veiling van 2022 zijn rekening houden met de verwachte evolutie van de consumptieprijsindex voor de leveringsperiode november 2027 tot oktober 2028 en verduidelijken dat de kosten voor de aankoop van elektriciteit die mogen worden opgenomen in het verzoek om afwijking van de IPC zijn beperkt tot de elektriciteit die van het net wordt afgenomen wanneer de eenheid wordt stilgelegd (voor gepland onderhoud of als gevolg van een gedwongen stillegging). Om de coherentie te verzekeren tussen de beoordeling van de Niet-vertrouwelijk 8/19 IPC en de beoordeling van de gegrondheid van de verzoeken om afwijking van de IPC, is in de formele en materiële vereisten bepaald dat de kostencategorieën die in het verzoek om afwijking zijn opgenomen, moeten overeenstemmen met de categorieën uit de AFRY-studie "Update of Peer Review of Cost of Capacity for Calibration of Belgian CRM". 11. Beslissing (B)2526 maakt momenteel voorwerp uit van een beroep bij het Marktenhof. 12. Overeenkomstig artikel 23, § 1, van haar huishoudelijk reglement heeft het Directiecomité van de CREG beslist om op haar website een openbare raadpleging te organiseren over ontwerpbeslissing (B) 2749 over de formele en materiële vereisten waaraan een verzoek om afwijking van de intermediaire maximumprijs moet voldoen om in aanmerking te worden genomen in het kader van de veilingen van 2024. Deze openbare raadpleging liep van 29 februari 2024 tot 21 maart 2024. 3. RAADPLEGING VAN DE MARKTSPELERS 13. In het kader van de openbare raadpleging over haar ontwerpbeslissing (B) 2749 van 29 februari 2024, heeft de CREG twee reacties ontvangen van FEBEG en Engie. 14. De opmerkingen met betrekking tot het koninklijk besluit Methodologie, het voorstel van wijziging van het koninklijk besluit Methodologie en de ontwerpwijziging van het Koninklijk Besluit van 4 juni 2021 tot vaststelling van de investeringsdrempels, de criteria om in aanmerking te komen voor investeringskosten en de procedure voor de indeling van de capaciteiten in het kader van het capaciteitsvergoedingsmechanisme (hierna: “koninklijk besluit van 4 juni 2021”), vallen buiten het kader van de raadpleging over de formele en materiële vereisten waaraan een verzoek om afwijking van de intermediaire maximumprijs moet voldoen, en worden bijgevolg niet behandeld in het kader van deze beslissing. 3.1. UITERSTE DATUM VOOR HET INDIENEN VAN EEN VERZOEK OM AFWIJKING 15. Engie is van mening dat de deadline van 30 april voor het indienen van een verzoek om afwijking te vroeg is, aangezien de wetteksten en het Excel-formulier nog niet definitief zijn. Engie vraagt een verlenging tot 31 mei. Zoals hierboven vermeld, voorziet het voorstel van wijziging van het koninklijk besluit Methodologie in een uitzondering op artikel 22, § 2, eerste lid van het Koninklijk Besluit Methodologie, en bepaalt dat, voor de veilingen die in 2024 worden georganiseerd, de derogatieaanvrager uiterlijk op 15 juni 2024 een derogatieaanvraag moet indienen overeenkomstig artikel 22. De CREG past haar beslissing dienovereenkomstig aan. 3.2. BEREKENING VAN DE « MISSING-MONEY » 16. De FEBEG en Engie zijn van mening dat de formele en materiële vereisten aangepast zouden moeten zijn aan de meerjarencontracten, opdat de kosten en inkomsten opgenomen kunnen worden voor elk jaar van het contract en opdat de « missing-money » berekend zou zijn op de hele duur van het contract. Niet-vertrouwelijk 9/19 Het voorstel van wijziging van het koninklijk besluit Methodologie bepaalt dat een verzoek om afwijking van de IPC aangevraagd zal kunnen worden voor een “bestaande capaciteit” (in de zin van het koninklijk besluit van 4 juni 2021) die voor de betrokken veiling geklasseerd wordt door de CREG in een capaciteitscategorie verbonden aan een capaciteitscontract dat maximaal acht perioden van capaciteitslevering bestrijkt, in uitvoering van artikel 19/1, 1°, van voormeld koninklijk besluit van 4 juni 2021. Teneinde toegepast te worden, dient deze nieuwe bepaling in werking te treden. Het voorstel van wijziging van het koninklijk besluit Methodologie bepaalt hieromtrent dat deze bepaling pas in werking zal kunnen treden na (uitdrukkelijke dan wel impliciete) goedkeuring door de Europese Commissie. Het voorstel van wijziging van het koninklijk besluit Methodologie bepaalt overigens dat het verzoek om afwijking van de IPC specifiek betrekking heeft op de periode van capaciteitslevering voor dewelke de IPC in kwestie werd vastgesteld. Indien de voorgestelde bepaling niet in werking is getreden uiterlijk op 25 augustus 2024 (i.e. de datum waartegen de CREG geacht is haar beslissingen over de derogatieaanvragen aan te nemen), bijvoorbeeld in geval de Europese Commissie de bepaling verwerpt, zal de CREG de derogatieaanvragen voor deze type capaciteit verwerpen. Indien de voorgestelde bepaling tijdig in werking is getreden, en indien de derogatieaanvraag goedgekeurd is en betrekking heeft op een “bestaande capaciteit” in de zin van het koninklijk besluit van 4 juni 2021 die voor de betrokken veiling geklasseerd wordt door de CREG in een capaciteitscategorie verbonden aan een capaciteitscontract dat maximaal acht perioden van capaciteitslevering bestrijkt, zal de derogatie gelden voor het geheel van de perioden van capaciteitslevering die het capaciteitscontract bestrijkt. 3.3. IN AANMERKING KOMENDE KOSTEN IN DE DEROGATIEAANVRAAG 17. De FEBEG is van mening dat het model de mogelijkheid moet bevatten om kosten op te nemen die nog niet geïdentificeerd zijn. De FEBEG oordeelt dat het denkbaar is dat kosten die specifiek zijn voor een project of voor een ontwikkelaar alsook dat nieuwe kostencategorieën aan de orde zijn als gevolg van technische ontwikkelingen of marktontwikkelingen. Deze kosten zouden uiteraard op overtuigende wijzen aangetoond en gestaafd moeten worden. De CREG oordeelt dat de kostencategorieën opgesomd in het koninklijk besluit in voldoende algemene termen zijn verwoord om, indien nodig, nieuwe kostencategorieën in de toekomst toe te voegen. Het doel van deze limitatieve lijst is te vermijden dat kosten die geen rechtstreeks verband vertonen met de levering van capaciteit voor de betrokken periode opgenomen worden in de evaluatie van verzoeken om afwijking van de IPC. 18. Engie begrijpt dat kosten verbonden met categorie 1° Vaste kosten,
  20. c)elektriciteitskosten – stand-by kosten geëvalueerd moeten worden hetzij alsof de eenheid helemaal niet draaide en in standby was het hele jaar door, hetzij, voor OCGT’s, alsof ze 33% van het jaar in stand-by zijn en 67% in stilstand zonder enig verbruik van energie. Engie oordeelt dat OCGT’s geacht moeten worden in stilstand te zijn wanneer ze niet produceren. Engie steunt haar positie op de volgende argumenten: a. De meeste OCGT’s deelnemen aan de Day-aheadmarkt, de intradaymarkt of aan de onbalansmarkt en/of aan de systeemdiensten (mFRR), en moeten het hele jaar door dispatchable zijn; Niet-vertrouwelijk 10/19 b. OCGT’s die in het kader van het CRM gecontracteerd zijn moeten het hele jaar door beschikbaar zijn in geval van evenementen van quasi-schaarste of in geval van beschikbaarheidstests op vraag van Elia; c. de transformator en de hulpdiensten van de OCGT blijven het hele jaar door gekoppeld aan het net, zodat er steeds verliezen zijn vanuit de opvoertranformator waaraan het eigen verbruik voor de verwarming/verlichting/veiligheids- en controlesystemen wordt toegevoegd; d. Het is onmogelijk om de hele installatie stil te leggen (transformator en alle hulpdiensten) en 0 kW te bereiken, want anders zou de eenheid zonder energie zijn – wat onmogelijk is. In een dergelijke situatie zouden de back-up batterijen ontladen zijn, waardoor ze vervangen zouden moeten worden. Dit is bovendien onaanvaardbaar vanuit het perspectief van de veiligheid, omwille van het ontbreken van (nood)verlichting, van een systeem van opsporing van brand en gas, van het systeem voor controle op afstand. Kortom, het gaat om industriële installaties, waarvan de behoeftes verschillen van huishoudelijke installaties, zoals een geparkeerde wagen. Engie vraagt overigens om te verduidelijken of de historische gegevens (voor 2021-2023) de gerealiseerde gegevens moeten zijn (gebaseerd op het gerealiseerd verbruik doorheen deze jaren) dan wel of ze eveneens gerapporteerd moeten worden alsof de eenheid in stand-by was het hele jaar door. De CREG bevestigt dat de interpretatie van Engie van de formele en materiële vereisten correct is. De hypothese die ten grondslag ligt van de schatting van de stand-by kosten van OCGT’s is gebaseerd op de Entras-studie « Cost of Capacity for calibration of the Belgian CRM - List of technologies & FOM/VOM components and values ». Deze hypothese werd ook eveneens gebruikt voor de beoordeling van de IPC. De CREG herinnert eraan dat het verslag aan de Koning van het koninklijk besluit methodologie1 verduidelijkt uitdrukkelijk de link tussen de schatting van de kosten voor de vastlegging van de IPC door Elia en de beoordeling van de afwijkingen van de IPC door de CREG: Specifiek om bepaalde vereiste kostencomponenten te bepalen, vraagt Elia de hulp van een onafhankelijke expert. In dit verband zal de onafhankelijke expert in een studie, op een onderbouwde wijze, diverse gegevens met betrekking tot de kostenelementen die relevant zijn voor de bepaling van de intermediaire maximumprijs voor alle beschouwde bestaande technologieën op de energiemarkt voorstellen. Het wordt passend geacht dat de selectie van de onafhankelijke expert en de opvolging van deze studie indien mogelijk in overleg met de commissie plaatsvindt, aangezien er een verband bestaat tussen de kostenraming voor de bepaling van de netCONE parameter relevant voor de kalibratie van de vraagcurve uitgevoerd en de kosten voor de bepaling van de intermediaire maximumprijs en de beoordeling van de derogaties van de intermediaire maximumprijs door de commissie. Voor meer coherentie oordeelt de CREG dat de historische gegevens gerapporteerd worden alsof de eenheid het hele jaar door in stand-by is (33% van het jaar voor een OCGT). De correctie van de standby kosten in functie van de draaiuren geschiedt door middel van een reductie van de variabele kosten van de installatie en moet in rekening worden genomen op het niveau van de inkomsten. De CREG verduidelijkt dit punt in haar beslissing. 1 https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=2021042801&table_name=wet Niet-vertrouwelijk 11/19 3.4. TE LEVEREN GEGEGEVENS IN HET KADER VAN HET HET VERZOEK OM AFWIJKING VAN DE IPC 19. De FEBEG geeft aan bezorgd te zijn door de graad van details en de vereiste verantwoording voor het bekomen van een individuele afwijking van de IPC (onder andere de historische kosten en inkomsten, de opstartkosten, …). De FEBEG is van mening dat de te leveren gegevens voor een verzoek om afwijking van de IPC beperkt zouden zijn tot de gegevens die absoluut noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de missing money van het leveringsjaar waarop de veiling betrekking heeft. Volgens de FEBEG creëert deze complexiteit een obstakel voor bepaalde investeerders om deel te nemen aan het CRM. De CREG vraagt een historiek van alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van de “missing money”, teneinde de verantwoording van elke derogatieaanvraag te beoordelen. De CREG beoordeelt inderdaad de verantwoording van de geleverde gegevens voor het leveringsjaar van het CRM op basis van de geleverde rechtvaardiging om de historische gegevens te staven en om de verwachte evolutie van deze historische gegevens te motiveren. 3.5. OVERIGE COMMENTAREN 20. Engie wenst de aandacht te vestigen op nota 19, die verduidelijkt dat de schatting van de kosten behaald uit balanceringssysteemdiensten moet overeenkomen met de gemiddelde historische kosten van de reservering door de TSO van balanceringsdiensten op basis van de laatste 36 maanden en na aftrek van verbonden kosten. Engie is van mening dat de aanvrager zijn eigen voorspellingen mag opnemen in de derogatieaanvraag, specifiek voor de betrokken capaciteit en gebaseerd op zijn eigen visie van de systeemdienstenprijzen, van de mededinging en van de marktaandelen. Engie is van mening dat de methodologie in artikel 22, § 7, van het koninklijk besluit Methodologie enkel gebruikt dient te worden voor de schatting van de inkomsten door de TSO, die vervolgens door de CREG gebruikt worden door de CREG om de verwachte missing money te berekenen. De CREG is akkoord met de redenering van Engie en past nota 19 dienovereenkomstig aan. 21. Engie vraagt om te verduidelijken of de kosten en inkomsten van de historische gegevens (20212023 uitgedrukt dienen te worden in euro’s van het referentiejaar

(2022). De CREG bevestigt dat de kosten en inkomsten van de historische gegevens (2021-2023) uitgedrukt dienen te worden in euro’s van de betrokken historische jaren. De CREG verduidelijkt dit punt in haar beslissing. 22. Engie oordeelt dat de verwachte inflatie van personeelskosten die specifiek zijn aan de CRMActor in rekening dient te worden genomen. Engie oordeelt inderdaad dat deze kan verschillen van de algemene evolutie van de consumptieprijsindex omwille van verschillende redenen, die in voorkomend geval gerechtvaardigd wordt door de CRM-Actor in een aanvullende nota. De CREG verduidelijkt dat overeenkomstig artikel 22, § 2, van het koninklijk besluit Methodologie, de kosten uitgedrukt dienen te worden in euro’s van het referentiejaar
(2022). De personeelskosten zijn dus gebaseerd op de kost van een voltijds equivalent in euro’s
  1. Verder komt de evolutie van de consumptieprijsindex, overeenkomstig artikel 22, §§ 2 en 9, van het koninklijk besluit Methodologie enkel ter sprake komt voor de berekening van de missing money. Niet-vertrouwelijk 12/19
  2. Engie wenst de aandacht te vestigen op het feit dat in de sheet « Algemene informatie » en in de sheet « Aanvraag om afwijking van IPC » de formule in de rubriek “Totale inkomsten” niet volledig is : - "Inkomsten uit de levering van balanceringsdiensten" verschijnt niet in de formule van de sheet “Algemene Informatie”; - "Inkomsten die niet zijn verkregen als gevolg van operationele limieten" ontbreekt in de formule van de sheet "Aanvraag om afwijking van IPC". De CREG neemt nota van de eerste opmerking et heeft haar richtlijnen dienovereenkomstig aangepast. Wat de tweede opmerking betreft, bevestigt de CREG dat de rubriek “Inkomsten die niet zijn verkregen als gevolg van operationele limieten" niet toegevoegd moet worden aan de “Totale inkomsten”. Deze wel toevoegen zou de doelstelling van de reductie van de inkomsten als gevolg van operationele beperkingen in de weg staan. Niettemin werd de formule van de rubriek “Totale inkomsten” in de sheet “Algemene informatie” gecorrigeerd om deze rubriek te uitsluiten.
  3. Engie wenst de aandacht te vestigen op het feit dat de rubriek "Activeringskosten voor de door Elia gevraagde beschikbaarheidstests” opgenomen moet worden in de formule in de sheet « Aanvraag om afwijking van IPC », lijn
  4. De CREG heeft rekening gehouden met deze opmerking en heeft haar beslissing dienovereenkomstig aangepast, door deze kosten op te nemen in deze formule.
  5. WIJZIGINGEN AANGEBRACHT AAN DE FORMELE EN MATERIËLE VEREISTEN VOOR EEN VERZOEK OM AFWIJKING VAN DE INTERMEDIAIRE MAXIMUMPRIJS
  6. De voornaamste doelstelling van de aanpassingen van de formele en materiële vereisten voor de veilingen van 2024 is enerzijds rekening houden met de wijzigingen ingevoerd door het koninklijk besluit van 4 juli 2023 dat het koninklijk besluit Methodologie heeft gewijzigd, en anderzijds rekening houden met de ontwerpwijziging van het koninklijk besluit Methodologie, dat nog niet werd aangenomen.
  7. Aangezien 2024 het eerste jaar is waarin er een T-1-veiling zal worden georganiseerd, bieden de formele en materiële vereisten de aanvrager de mogelijkheid om te verduidelijken of zijn aanvraag betrekking heeft op de T-1- of T-4-veiling.
  8. Om rekening te houden met de wijzigingen die werden ingevoerd door het koninklijk besluit van 4 juli 2023 dat het koninklijk besluit Methodologie heeft gewijzigd, werden de volgende wijzigingen aangebracht aan de formele en materiële vereisten voor de veilingen van 2024: a. In overeenstemming met artikel 22, § 2 van het koninklijk besluit Methodologie is de uiterste indieningsdatum van verzoeken om afwijking van de IPC vervroegd tot 30 april 2024, en moeten die aanvragen voortaan worden ingediend bij de CREG. Zoals hierboven vermeld voorziet het voorstel van wijziging van het koninklijk besluit Methodologie een uitzondering op artikel 22, § 2, eerste lid van het koninklijk besluit Niet-vertrouwelijk 13/19 Methodologie. Deze bepaalt dat, voor de veilingen georganiseerd in 2024, de derogatieaanvrager een verzoek indient, overeenkomstig artikel 22, uiterlijk op 15 juni 2024; b. In overeenstemming met artikel 22, § 8 van het Koninklijk Besluit Methodologie wordt elke investering geannualiseerd op basis van de gewogen gemiddelde kost van kapitaal; c. In overeenstemming met artikel 22, § 9 van het koninklijk besluit Methodologie wordt er geen rekening meer gehouden met de gewogen gemiddelde kost bij de berekening van de “missing money”; d. In overeenstemming met artikel 22, § 2 van het koninklijk besluit Methodologie wordt er voor de opstartkosten een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de voorzieningen om de terugbetaling van de investeringsuitgaven en de vaste exploitatie- en onderhoudskosten te verzekeren en, anderzijds, de specifieke kosten per opstart of activering, e. In overeenstemming met artikel 22, § 2 van het Koninklijk Besluit Methodologie worden alle kosten en inkomsten in euro geraamd van het referentiejaar dat gebruikt werd om de inkomsten in artikel 20 te ramen, en wordt de raming van de "missing money" gecorrigeerd door de verwachte evolutie van de consumptieprijsindex tussen, enerzijds, het referentiejaar dat werd gebruikt om de inkomsten en de kosten te evalueren, en anderzijds de periode van capaciteitslevering waarvoor de “missing money” wordt berekend.
  9. Om rekening te houden met de ontwerpwijziging van het koninklijk besluit Methodologie, werden aan de formele en materiële vereisten voor de veilingen van 2024 de volgende wijzigingen aangebracht: a. In overeenstemming met de ontwerpwijziging van artikel 22, §2, 2° van het koninklijk besluit Methodologie worden, om de coherentie tussen de procedure voor het verzoek om afwijking van de IPC en de IPC-beoordeling te verduidelijken, de verzoeken om afwijking van de IPC gebaseerd op de uitputtende lijst van kostencategorieën die voor de vaststelling van de IPC worden opgenomen. Deze lijst wordt aangevuld met extra kostencategorieën die specifiek zijn voor de afwijkingsprocedure. Het gaat om niet-recurrente investeringskosten en de kost voor het verhuren van de locatie aan een derde partij; b. In overeenstemming met de ontwerpwijziging van artikel 18, § 2, 1° van het koninklijk besluit Methodologie werden de volgende categorieën van vaste kosten toegevoegd: i. Lokale belastingkosten; ii. Kosten van intradayflexibiliteit, exclusief balanceringskosten betreffende. het gasnet; iii. “Stand-by” kosten voor elektriciteit; iv. Jaarlijkse algemene vaste kosten geschat op 25 % van de personeelskosten ter plaatse; c. In overeenstemming met de ontwerpwijziging van artikel 18, § 2, 1° van het koninklijk besluit Methodologie werd de volgende variabele kostencategorie toegevoegd: vermindering van de "stand-by" kost wanneer de installatie produceert; Niet-vertrouwelijk 14/19 d. In overeenstemming met de ontwerpwijziging van artikel 18, § 2, 1° van het koninklijk besluit Methodologie worden de vaste personeelskosten verbonden aan het beheer van een portefeuille van leveringspunten verduidelijkt; e. In overeenstemming met de ontwerpwijziging van artikel 22, § 2, 5° van het koninklijk besluit Methodologie gebeurt de raming van de jaarlijkse inframarginale inkomsten met uitzondering van inkomsten op termijn, intraday en balancering; f. In overeenstemming met de ontwerpwijziging van artikel 22, § 8 van het koninklijk besluit Methodologie wordt de economische levensduur van elke investering vastgesteld op 5 jaar. De CREG heeft echter de mogelijkheid om deze periode naar beneden bij te stellen op basis van elke externe factor, zoals een beperking van de CO2-uitstoot, ingeroepen door de aanvrager en die de economische levensduur van de investering zou beperken. g. De technologie-specifieke risicopremies zijn aangepast overeenkomstig het voorstel van wijziging van Bijlage
  10. De aanvrager vermeldt de bruto-inkomsten uit spanningsregeling en hersteldiensten en vermeldt dus geen compensatie meer voor leveringsgerelateerde kosten.
  11. Het voorstel van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 juni 2021 tot vaststelling van de investeringsdrempels, de criteria voor het in aanmerking komen van investeringskosten, en de procedure van klassering van de capaciteiten in het kader van het capaciteitsvergoedingsmechanisme, voert de mogelijkheid voor een bestaande capaciteit om een meerjarencontract te verzoeken in. Overeenkomstig artikel 22, § 11 van het koninklijk besluit Méthodologie, verwerpt de CREG een derogatieaanvraag indien deze betrekking heeft op een eenheid in de capaciteitsmarkt, of eenheden indien het gekoppelde eenheden betreft, die voor de betrokken veiling geklasseerd wordt (worden) door de CREG in een capaciteitscategorie verbonden met capaciteitscontracten die meer dan één période van capaciteitslevering bestrijkt.
  12. In overeenstemming met de bepalingen voorzien in artikel 4, §3 van het koninklijk besluit Methodologie werd het minimumrendement naar 4,7 % gewijzigd.
  13. De verwachte verandering van de consumentenprijsindex tussen enerzijds het referentiejaar dat wordt gebruikt om de opbrengsten en kosten te beoordelen, en anderzijds de periode van capaciteitsvoorziening waarvoor het ontbrekende geld wordt berekend, is gebaseerd op: a) de waargenomen groeipercentages van de consumentenprijsindex gepubliceerd door Stabel tot januari 2024; b) het groeipercentage van het indexcijfer van de consumptieprijzen dat door het Federaal Planbureau wordt voorspeld in zijn Inflatievooruitzichten van 6 februari 2024 voor de periode van 1 februari 2024 tot 31 december 2025; c) het groeipercentage van het indexcijfer van de consumptieprijzen zoals voorspeld door het Federaal Planbureau in zijn Economische Vooruitzichten 2023-2028 van 15 juni voor de periode van 1 januari 2026 tot 31 december 2028; d) een groeipercentage van het indexcijfer van de consumptieprijzen voor 2029 van 1,8% identiek aan het door het Federaal Planbureau geraamde groeipercentage voor
  14. De voormelde wijzigingen zullen niet worden geïmplementeerd als het koninklijk besluit Methodologie niet gewijzigd moest worden in overeenstemming met de ontwerpwijziging van het koninklijk besluit Methodologie. Niet-vertrouwelijk 15/19
  15. FORMELE EN MATERIËLE VEREISTEN VOOR EEN VERZOEK OM AFWIJKING
  16. De formele en materiële vereisten waaraan moet worden voldaan voor een verzoek om afwijking in overweging te kunnen nemen, zijn opgenomen in bijlage 1  Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Laurent JACQUET Directeur Niet-vertrouwelijk Ilse TANT Directeur Koen LOCQUET Voorzitter van het Directiecomité 16/19 BIJLAGE 1 Aanvraagformulier voor afwijking van de intermediaire maximumprijs Niet-vertrouwelijk 17/19 BIJLAGE 2 Verklaring op erewoord inzake afwijking van de intermediaire maximumprijs Niet-vertrouwelijk 18/19 BIJLAGE 3 Antwoorden op de openbare raadpleging Niet-vertrouwelijk 19/19

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.