(B)2868 17 oktober 2024 Beslissing met betrekking tot de beoordeling van de kost van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar 2025 Artikel 7, §§ 1 en 2 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt Niet-vertrouwelijke versie CREG - Nijverheidsstraat 26-38, 1040 Brussel, België T +32 2 289 76 11 - www.creg.be INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE.................................................................................................................................... 2 INLEIDING ................................................................................................................................................ 3
- WETTELIJK KADER ............................................................................................................................ 3
- ANTECEDENTEN............................................................................................................................... 6
- 2.
- Algemeen................................................................................................................................. 6 2.
- Raadpleging ............................................................................................................................. 6 RAMING VAN DE KOST .................................................................................................................... 6 3.
- Algemeen................................................................................................................................. 6 3.
- De beoordeling van de kost voor 2025 ................................................................................... 7 3.2.
- Aan- en verkopen van groenestroomcertificaten (Bt) .................................................... 7 3.2.
- Financiële lasten .............................................................................................................. 7 3.2.
- Administratieve kosten ................................................................................................... 8 3.2.
- Raming van de kost voor 2025 ........................................................................................ 8 3.2.
- De uitsplitsing van de kosten per maand ........................................................................ 9
- ALGEMEEN VOORBEHOUD .............................................................................................................. 9
- BESLUIT ............................................................................................................................................ 9 Niet-vertrouwelijke versie 2/9 INLEIDING De COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG) bepaalt hierna de raming van de kost van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar 2025 op basis van artikel 7, §§ 1 en 2 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. Deze beslissing werd goedgekeurd door het directiecomité van de CREG tijdens haar vergadering van 17 oktober
- WETTELIJK KADER
- Artikel 7, § 1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna : de elektriciteitswet), zoals gewijzigd door artikel 80 van de programmawet van 27 december 2021 bepaalt het volgende : " §
- Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, kan de Koning maatregelen van marktorganisatie vaststellen, waaronder de instelling van een door de commissie beheerd systeem voor de toekenning van garanties van oorsprong en van groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd overeenkomstig artikel 6, evenals het opleggen van een verplichting aan de netbeheerder om groenestroomcertificaten afgeleverd door de commissie en de gewestelijke overheden en regulatoren aan te kopen tegen een minimumprijs en te verkopen, teneinde de afzet op de markt te verzekeren, tegen een minimumprijs, van elektriciteit geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen. De opdracht waarmee de netbeheerder krachtens het eerste lid belast wordt, maakt een openbare dienstverplichting uit waarvan de nettolasten gefinancierd worden overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 21quinquies. De Koning kan bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, bekrachtigd bij artikel 427 van de programmawet(I) van 24 december 2002 en door artikel 28 van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake energie, en door artikel 2 van de wet van 12 juni 2015 tot bekrachtiging van bepaalde artikelen van het koninklijk besluit van 4 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en door artikel 11 van de wet van 12 mei 2019 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt met het oog op het invoeren van een concurrerende inschrijvingsprocedure voor de bouw en exploitatie van productie-installaties in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 11 februari 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, wijzigen, vervangen en opheffen zonder daarbij een nieuwe toeslag of heffing in te voeren bestemd om de maatregelen, bedoeld in het eerste lid te financieren. Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, bepaalt de Koning de berekeningsmethode van de kost voortvloeiend uit de maatregelen, Niet-vertrouwelijke versie 3/9 bedoeld in het eerste lid, voor ieder exploitatiejaar. Voornoemde kost wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende procedure: 1° uiterlijk op 1 november van ieder jaar verricht de commissie een raming van de kost per maand van de maatregelen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot het volgende exploitatiejaar. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 31 augustus; 2° uiterlijk op 15 april van ieder jaar stelt de commissie een bedrag van regularisatie met betrekking tot het voorgaande exploitatiejaar op grond van de werkelijke kost die tijdens dat voorgaande exploitatiejaar is voortgevloeid uit de maatregelen, bedoeld in het eerste lid vast. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 15 februari. Indien er een saldo wordt vastgesteld, dan wordt de regularisatie met de Federale Staat uitgevoerd uiterlijk op 1 juli van het jaar waarin de regularisatie werd bepaald; 3° de commissie houdt een inventaris bij met een overzicht per jaar van de geraamde en de werkelijke kost van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid. De Federale Staat, de netbeheerder en de commissie sluiten een protocol teneinde de nadere regels vast te leggen van de maandelijkse ter beschikkingstelling van de middelen, bedoeld in het tweede lid, met het oog op de voldoening van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van de contractpartijen nader te bepalen. De financieringsregels beschreven in voornoemde protocol stellen de netbeheerder in staat om tijdig over de bij deze wet bepaalde noodzakelijke middelen te beschikken, met als doel de nettokost voortvloeiend uit de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, tijdig te betalen en voorfinanciering van deze nettokost in hoofde van de netbeheerder te vermijden.”
- Daarnaast bevat artikel 7, § 2 van de elektriciteitswet, zoals eveneens gewijzigd door de programmawet van 27 december 2021, met name de volgende bepalingen : “Installaties, voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, die het voorwerp uitmaken van een in artikel 6 bedoelde domeinconcessie, verleend na 1 juli 2007 en waarvan de financial close heeft plaatsgegrepen tussen 2 mei 2014 tot en met 31 december 2016, kunnen de minister verzoeken om niet aan te sluiten op een installatie noodzakelijk voor de transmissie van elektriciteit in de zeegebieden waarin België rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, bedoeld in artikel 13/
- Indien de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, toestemming verleent om niet aan te sluiten, staat de netbeheerder in voor één derde van de kostprijs van de onderzeese kabel met een maximumbedrag van 25 miljoen euro volgens de modaliteiten bepaald in deze paragraaf en wordt de minimumprijs voor de geproduceerde windenergie, zoals vastgelegd voor installaties waarvan de financial close plaatsvindt na 1 mei 2014 overeenkomstig het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, verhoogd met 12 euro/MWh. Wanneer het installaties betreft waarvan de financial close plaatsgrijpt na 1 mei 2016, dan wordt de minimumprijs zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen verhoogd met een bedrag ter dekking van en dat bijgevolg overeenstemt met de totale kosten van de financiering van de onderzeese kabel die resulteren uit de offerte of offertes die de titularis van de domeinconcessie, bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt in toepassing van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. Dit bedrag wordt bepaald door de commissie na verificatie van de in aanmerking genomen offerte of offertes. Installaties, voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, die het voorwerp Niet-vertrouwelijke versie 4/9 uitmaken van een in artikel 6 bedoelde domeinconcessie, verleend na 1 juli 2007, en waarvan de financial close heeft plaatsgegrepen na 31 december 2016, worden aangesloten op het Modular Offshore Grid. Voor de installaties voor de productie van elektriciteit bedoeld in het derde lid, wordt de minimumprijs voor de geproduceerde windenergie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen verhoogd met een bedrag ter dekking van en dat bijgevolg overeenstemt met de totale kosten van de financiering van de onderzeese kabel die resulteren uit de offerte of offertes die de titularis van de domeinconcessie, bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt in toepassing van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. Dit bedrag wordt bepaald door de commissie na verificatie van de in aanmerking genomen offerte of offertes. In geval van absolute en aangetoonde onmogelijkheid om de bouw van het Modular Offshore Grid aan te vatten of te beëindigen, vastgesteld door de minister, kunnen de voormelde installaties voor de productie van elektriciteit rechtstreeks aangesloten worden op de bestaande installaties voor het transport van elektriciteit. De netbeheerder financiert voor één derde de kost van de onderzeese kabel, en dit voor een maximum bedrag van 25 miljoen euro volgens de modaliteiten gedefinieerd in het eerste lid en de minimumprijs voor geproduceerde windenergie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, wordt verhoogd met een bedrag dat de totale kosten dekt die in aanmerking komen voor de financiering van de kost van de onderzeese kabel zoals ze voortvloeien uit de offerte of de offertes die de titularis van de domeinconcessie, bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt in toepassing van de geldende wetgeving inzake overheidsopdrachten. Dit bedrag wordt bepaald door de commissie na verificatie van de offerte of de offertes die in aanmerking genomen werden. […] De verhoging van de minimumprijs bedoeld in het tweede, het vierde en het vijfde lid, wordt gefinancierd overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 21quinquies. De vaststelling voor ieder exploitatiejaar van de kost voortvloeiend uit de maatregelen bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, gebeurt overeenkomstig de berekeningsmethode en de procedure bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. De Federale Staat, de netbeheerder en de commissie sluiten een protocol teneinde de modaliteiten vast te leggen van de maandelijkse ter beschikkingstelling van de middelen, bedoeld in het elfde lid, met het oog op de voldoening van de verplichting bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van de contractpartijen nader te bepalen. De financieringsregels beschreven in het voornoemde protocol stellen de netbeheerder in staat om tijdig over de bij deze wet bepaalde noodzakelijke middelen te beschikken, met als doel de nettokost, voortvloeiend uit de maatregelen bedoeld, in het eerste lid, tijdig te betalen en voorfinanciering van deze nettokost in hoofde van de netbeheerder te vermijden.”
- Het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en de vergoeding van de houders van een offshore domeinconcessie in geval van onbeschikbaarheid van het Modular Offshore Grid (hierna: het koninklijk besluit van 2002) heeft een reeks maatregelen ingevoerd met toepassing van voormeld artikel 7, §§ 1er en 2 van de elektriciteitswet. Ten gevolge van de hervorming van het financieringsmechanisme van de openbare dienstverplichtingen ten laste van de netbeheerder werd het koninklijk besluit van 16 juli 2002 gewijzigd door een koninklijk besluit van 20 juli 2022, om enerzijds de berekeningsmodaliteiten van de Niet-vertrouwelijke versie 5/9 kost van de openbare dienstverplichting in te voeren en anderzijds de procedure-elementen bijkomend aan de elementen voorzien in artikel 7, § 1 van de elektriciteitswet. Ten gevolge van de invoering van het 2-zijdige Contract-for-Difference werd het koninklijk besluit van 16 juli 2002 gewijzigd door een Koninklijk Besluit van 26 mei 2023 om wijzigingen aan te brengen aan het systeem van voorschotten.
- ANTECEDENTEN 2.
- Algemeen
- Op 29 augustus 2024 heeft de CREG van Elia per e-mail een ex ante rapport ontvangen met betrekking tot de geraamde kosten van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar
- De ontwerpbeslissing met betrekking tot de beoordeling van de kost van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar 2025 werd goedgekeurd door de CREG tijdens het directiecomité van 19 september
- 2.
- Raadpleging
- Artikel 14ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 bepaalt dat de CREG de ontwerpbeslissing voorlegt aan de netbeheerder, die beschikt over veertien werkdagen om haar opmerkingen over te maken. Daarentegen was de CREG van mening dat terzake geen publieke raadpleging moest worden georganiseerd. Dat stemt bovendien overeen met de praktijk die werd gevolgd – en in het huishoudelijk reglement van de CREG1 werd vastgelegd – wanneer de kost van de openbare dienstverplichting ten laste van Elia via de tarieven werd doorgerekend.
- Op 9 oktober 2024 ontving de CREG een e-mail van Elia waarin Elia vermeldt geen opmerkingen te hebben met betrekking tot de ontwerpbeslissing.
- RAMING VAN DE KOST 3.
- Algemeen
- Artikel 4 van het koninklijk besluit van 20 juli 2022 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 bepaalt de berekeningswijze van de kost die verband houdt met de verplichting tot aankoop van groenestroomcertificaten volgens de volgende formule : Bt + Ct + Dt 1 Cfr. art. 40, 1ste lid, 3°. Niet-vertrouwelijke versie 6/9 De term Bt geeft de raming weer van de kosten, in dit geval via een voorschot en bijkomend voorschot betaald in overeenstemming met artikel 14, § 1ersepties, in verband met de aankoop en verkoop van groenestroomcertificaten uitgegeven op basis van artikel 7, § 1er van de elektriciteitswet of het equivalent in geproduceerde energie waarmee rekening wordt gehouden bij de bepaling van het voorschot voorzien in artikel 14, § 1septies van de elektriciteitswet in het jaar t. De term Ct vertegenwoordigt de raming van de kosten van de financiële lasten gedragen door de netbeheerder gedurende het jaar t in verhouding tot het saldo van de aankoop- en/of verkooptransacties van groenestroomcertificaten en tot het saldo van de voorschotten voorzien in artikel 14, § 1septies. De term Dt vertegenwoordigt de kost van de administratieve lasten gedragen door de netbeheerder die wordt berekend door de factor Bt te vermenigvuldigen met een coëfficiënt van 0,3 %. Het bedrag van deze meerkost Dt is geplafonneerd op € 100.000,00 per toegekende domeinconcessie krachtens artikel 6, § 1 van de wet vanaf het jaar waarin de concessiehouder elektriciteit in het net injecteert. 3.
- De beoordeling van de kost voor 2025 3.2.
- Aan- en verkopen van groenestroomcertificaten (Bt)
- De producenten van offshore windenergie krijgen een groenestroomcertificaat per geproduceerde MWh. In het kader van zijn openbare dienstverplichting is de netbeheerder verplicht de groenestroomcertificaten bij de producent van groene stroom die hiervoor een verzoek indient aan te kopen tegen een minimumprijs vastgelegd bij koninklijk besluit van 16 juli
- Voor C-Power, Belwind, Northwind, Nobelwind, Norther en Rentel wordt het bedrag van de vermoedelijke aankoop van groenestroomcertificaten geraamd op basis van de historische productiecijfers en van de minimumprijs.
- Voor Northwester 2, Mermaid en Seastar maakt de aankoopverplichting van groenestroomcertificaten door de netbeheerder voorwerp uit van een systeem van voorschotten op de prijs van de groenestroomcertificaten die gekocht moeten worden volgens de modaliteiten uit artikel 14, § 1septies van het koninklijk besluit van 16 juli
- Tijdens de vijf eerste jaren na de indienststelling van de installatie wordt het bedrag van het maandelijkse voorschot berekend op basis van een jaarlijkse veronderstelde elektriciteitsproductie van de installatie van 4.100 vollasturen. Voor deze parken loopt de periode van vijf jaren af in
- Zij zullen dan overstappen op het reguliere verkoopsysteem van groenestroomcertificaten, gebaseerd op de werkelijke productie. Bovendien ontvangen deze parken een bijkomend voorschot als de reële semestriële productie in de vijf eerste exploitatiejaren lager is dan de productie op basis van 2.050 vollasturen. In 2025 stort de netbeheerder het bijkomende voorschot voor de periodes juli-december 2024 en januari-juni
- 3.2.
- Financiële lasten
- De kost van de financiële lasten wordt enerzijds beoordeeld door de som te bepalen van de maandelijkse verschillen tussen de vorderingen en de schulden uit de balans van de netbeheerder die verband houden met het verwerken van groenestroomcertificaten en anderzijds door te verwijzen naar een forfaitaire rentevoet die gelijk is aan de raming van de OLO van jaar t-2 vermeerderd met 70 basispunten. De evolutie van de maandelijkse verschillen tussen de vorderingen en de schulden is moeilijk ex ante te bepalen. Bovendien wordt een controle van de financiële lasten ex post uitgevoerd, bij de Niet-vertrouwelijke versie 7/9 berekening van het bedrag van de regularisatie. Het financiële bedrag geraamd voor de financiële lasten wordt dus vastgelegd op nul. 3.2.
- Administratieve kosten
- De kost van de administratieve lasten gedragen door de netbeheerder wordt berekend door de som van de vermoedelijke aan- en verkopen van groenestroomcertificaten (At + Bt) te vermenigvuldigen met een coëfficiënt van 0,3 %. Het bedrag van deze meerkost is geplafonneerd op € 100.000 per domeinconcessie. 3.2.
- Raming van de kost voor 2025
- Op basis van de historische productie per park, de bepalingen voor de minimumprijs en de methode voor raming van de kosten van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 (zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 juli 2022) raamt de CREG de kost van de openbare dienstverplichting ter financiering van de aankoop van groenestroomcertificaten op € 675.707.187 voor
- 2025 Betaling van maandelijkse voorschotten in verband met de offshore 571 productie 560 528 C-Power [vertrouwelijk] Belwind [vertrouwelijk] Nobelwind [vertrouwelijk] Northwind [vertrouwelijk] Rentel [vertrouwelijk] Norther [vertrouwelijk] NW2 [vertrouwelijk] Mermaid [vertrouwelijk] Seastar [vertrouwelijk] Betaling van maandelijkse voorschotten 83 704 305 NW2 [vertrouwelijk] Mermaid [vertrouwelijk] Seastar [vertrouwelijk] Betaling van aanvullende voorschotten 19 642 354 NW2 [vertrouwelijk] Mermaid [vertrouwelijk] Seastar [vertrouwelijk] Financiële lasten 0 Administratieve lasten 800 000 Totale kostprijs ODV aankoop GSC (EUR) 675 707 187
- Voor 2025 liggen de geraamde kosten van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van groenestroomcertificaten 181,783 miljoen euro hoger dan voor 2024 (€ 493.923.761). Dit kan verklaard worden door het feit dat de raming van de referentieprijs voor elektriciteit voor 2025 (€ 58,02/MWh) veel lager is dan voor 2024 (€ 133,451 /MWh). De geraamde kost voor steun aan offshore windparken is teruggekeerd naar het niveau van 2021-
- De daling van de kost voor steun voor 2023 en 2024 was te wijten aan de stijging van de referentieprijs voor elektriciteit, wat betekent dat de parken met variabele steun minder steun nodig hadden. De Niet-vertrouwelijke versie 8/9 raming van de referentieprijs voor elektriciteit voor 2025 bevindt zich op het niveau van 2021-2022, waardoor de kosten opnieuw stijgen tot het niveau van 2021-
- 3.2.
- De uitsplitsing van de kosten per maand
- In overeenstemming met artikel 7, § 1 van de elektriciteitswet en het Protocol ODV bepaalt de CREG de maandelijkse kost. De betaling van deze kost door de Federale Overheidsdienst Financiën gebeurt aan het begin van de betreffende maand. Kost aankoop federale GSC Kost Elia EUR/maand Betaling door de Belgische Staat EUR/mois
- jan/25 71 227 133 71 227 133 feb/25 69 421 545 69 421 545 mrt/25 71 740 014 71 740 014 apr/25 46 975 716 46 975 716 mei/25 42 088 424 42 088 424 jun/25 37 890 077 37 890 077 jul/25 41 219 464 41 219 464 aug/25 40 461 277 40 461 277 sep/25 50 407 270 50 407 270 okt/25 65 169 694 65 169 694 nov/25 65 175 381 65 175 381 dec/25 73 931 192 73 931 192 Total 675 707 187 675 707 187 ALGEMEEN VOORBEHOUD
- In onderhavige beslissing heeft de CREG zich beperkt tot de analyse van de verantwoording en de draagwijdte van het ex ante verslag met betrekking tot de geraamde kosten voor de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar
- BESLUIT Gelet op de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, in het bijzonder artikel 7, §§ 1 en 2 ; Gelet op de artikelen 14bis en 14ter van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 ; Gelet op het Protocol ODV ; Bepaalt de CREG de maandelijkse kosten van de openbare dienstverplichting voor de financiering van de aankoop van federale groenestroomcertificaten voor het jaar 2025 als volgt: Kost aankoop federale GSC Kost Elia EUR/maand Betaling door de Belgische Staat EUR/mois jan/25 71 227 133 71 227 133 feb/25 69 421 545 69 421 545 mrt/25 71 740 014 71 740 014 apr/25 46 975 716 46 975 716 mei/25 42 088 424 42 088 424 jun/25 37 890 077 37 890 077 jul/25 41 219 464 41 219 464 aug/25 40 461 277 40 461 277 sep/25 50 407 270 50 407 270 okt/25 65 169 694 65 169 694 nov/25 65 175 381 65 175 381 dec/25 73 931 192 73 931 192 Total 675 707 187 675 707 187 Voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas: Sigrid JOURDAIN Directeur Niet-vertrouwelijke versie Koen LOCQUET Voorzitter van het Directiecomité 9/9