1/22 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 103/2024 van 14 augustus 2024 Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG In haar hoedanigheid van leidende toezichthoudende autoriteit heeft de Geschillenkamer, als orgaan van de GBA, het onderhavige ontwerpbesluit opgesteld, dat zij op 20 juni 2024 heeft meegedeeld aan de CNIL, de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG. Dit ontwerp stelt voor om de klacht te seponeren op grond van artikel 100, § 1, 1°, van de WOG, wat overeenkomt met de afwijzing van de klacht zoals bedoeld in de AVG. Op grond van artikel 60.8 van de AVG heeft de CNIL dit afwijzingsbesluit bevestigd en op basis daarvan op 7 augustus 2024 een definitief besluit vastgesteld. Dossiernummer: DOS-2022-01749 Betreft: klacht naar aanleiding van de openbaarmaking van vergoedingen op de website Cumuleo.be De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Romain Robert en Yves Poullet; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna "AVG"; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna "WOG"; Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, hierna “WVG"; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 2/22 Stelt het volgende ontwerpbesluit vast in de zin van artikel 60.3 van de AVG met betrekking tot: De klager: X, hierna “de klager”; De verweerder: Y, uitgever van de website Cumuleo.be, vertegenwoordigd door Mr. Audrey Adam en Mr. Jacques Englebert, met kantoor te Rempart de la Vierge 2/7, 5000 Namen, België, hierna "de verweerder". I. Feiten en procedure I.1. 1. De feiten Op 28 oktober 2021 dient de klager bij de Commission Nationale de l'Informatique et des Libertés (hierna "CNIL") een klacht in tegen de verweerder. 2. De klacht van de klager hekelt de publicatie van de vergoeding voor zijn privéberoepsactiviteit op de website van de verweerder. 3. Voor een goed begrip van dit ontwerpbesluit merkt de Geschillenkamer op dat de wet van 2 mei 19951 een reeks openbare mandatarissen en hoge ambtenaren verplicht om jaarlijks bij het Rekenhof aangifte te doen van al hun mandaten, ambten en beroepen die ze tijdens het voorbije jaar hebben uitgeoefend, alsmede, in voorkomend geval, van hun vermogen. Deze verplichting tot aangifte van mandaten en vergoedingen rust op natuurlijke personen die een van de mandaten hebben uitgeoefend binnen een administratie, een openbare instelling of een orgaan verbonden aan de openbare besturen opgesomd in artikel 1 van deze wet (hierna "aangifteplichtige mandaten"). Personen die een van de aangifteplichtige mandaten hebben uitgeoefend, moeten ook alle andere mandaten of ambten aangeven die ze in hetzelfde jaar hebben uitgeoefend, ongeacht of ze bezoldigd waren of niet, of het in de publieke of private sector was en of ze in België of in het buitenland werden uitgeoefend 2. De wet van 14 oktober 20183 heeft de wet van 2 mei 1995 gewijzigd om het 1 Wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, Belgisch Staatsblad van 26 juli 1995, beschikbaar op: https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1995/05/02/1995021222/justel (hierna "wet van 2 mei 1995"). 2 Artikel 2, § 1, van de wet van 2 mei 1995 3 Wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van de wetgeving inzake mandatenlijst en vermogensaangifte wat de transparantie over de vergoedingen, de uitbreiding naar overheidsbestuurders, de elektronische indiening en de controle betreft, Belgisch Staatsblad van 26 oktober 2018, beschikbaar op: https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_wet/article.pl?language=nl&lg_txt=n&type=&sort=&numac_search=&cn_search=20 18101414 (hierna "wet van 14 oktober 2018"). Deze wet, die transparantie in de vergoedingen introduceert, werd aangenomen naar aanleiding van aanbeveling iii van de GRECO in het kader van de 4e evaluatiecyclus van België. Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 3/22 toepassingsgebied ervan uit te breiden tot overheidsbestuurders 4 en om de verplichting op te nemen om de vergoedingen bekend te maken5. De verklaring moet daarom de naam van elke activiteit, de naam van de instelling of het orgaan, de betrokken vergoeding en de beginen einddatum van het mandaat vermelden 6. Met betrekking tot de verplichting tot aangifte van de vergoedingen, maakt de wet een onderscheid tussen aangifteplichtige mandaten waarvoor de bruto jaarvergoeding moet worden aangegeven, en andere mandaten, ambten of beroepen waarvoor slechts de grootteorde van de vergoeding vereist is, binnen de door de wet vastgestelde vorken7. Deze lijsten van mandaten en vermogensaangiften worden vervolgens gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad 8 en op de website van het Rekenhof9 overeenkomstig artikel 7, § 3, van de bijzondere en gewone wet van 26 juni 2004 10. 4. Tijdens de periode van de litigieuze verwerking oefende de klager twee mandaten uit op grond waarvan zij onderworpen was aan de aangifteverplichting van de hierboven genoemde wet van 2 mei 199511. Volgens deze wettelijke verplichting moest de klager de Rekenkamer een lijst verstrekken van zijn aangifteplichtige mandaten, evenals van al zijn andere activiteiten, met steeds de vermelding van de ontvangen vergoeding onder de vorm van een grootteorde of het precieze bedrag, naargelang het geval 12. Tijdens deze periode werden de aangiften van de klager gepubliceerd en zijn ze nog steeds publiek beschikbaar in het Belgisch Staatsblad13 en op de website van het Rekenhof14. 5. Het centrale thema van de website Cumuleo.be, waarvoor de verweerder de verwerkingsverantwoordelijke is, is de cumul van mandaten in België (hierna "Cumuleo" of "website van de verweerder"). Deze website biedt zijn bezoekers gratis informatie over de mandaten, ambten of beroepen die met name worden uitgeoefend door mandatarissen die onderworpen zijn aan de wet van 2 mei 1995. De verweerder werkt de databank op zijn site bij op basis van met name de mandaatverklaringen die overeenkomstig deze wet in het 4 Artikel 2, b), van de wet van 14 oktober 2018: "de leden die in die hoedanigheid rechtstreeks of onrechtstreeks een vergoeding ontvangen, van de raden van bestuur, de adviesraden en de directiecomités: (...)
- b)van de rechtspersonen waarop een overheid of verschillende overheden samen rechtstreeks of onrechtstreeks een overheersende invloed uitoefenen". 5 Artikel 3, wet van 14 oktober 2018. 6 "1.4 - Wat moet u aangeven?" Vademecum van het Rekenhof voor het indienen van een mandatenlijst en een vermogensaangifte, versie 6 van 15 juni 2023, beschikbaar op: https://www.ccrek.be/sites/default/files/PDF/VademecumAangifteplichtige.pdf. 7 Zie artikel 2, § 1, van de wet van 2 mei 1995 waar de wetgever de verschillende vorken preciseert. 8 Sinds 2023 wordt de lijst van deze aangiften alleen gepubliceerd op de website van de Rekenkamer. 9 "Mandatenlijsten en vermogensaangiften", website van het Rekenhof, beschikbaar op: https://www.ccrek.be/nl/mandatenlijsten-en-vermogensaangiften . 10 Wet van 26 juni 2004 tot uitvoering en aanvulling van de wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, Belgisch Staatsblad van 30 juni 2004, beschikbaar op: http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi loi/change lg.pl?language=nl&la=N&cn=2004062631&table name=wet. Er zij op gewezen dat deze uitvoeringswet niet is gewijzigd bij de herziening in 2018 van de wet die zij ten uitvoer legt. 11 Wet van 2 mei 1995, op. cit., Belgisch Staatsblad van 26 juli 1995. 12 Zie supra, voetnoot nr. 7. 13 Zie bijvoorbeeld de verklaringen met betrekking tot de mandaten die de klager in 2018 heeft uitgeoefend, "Definitieve lijst van mandaten, ambten en beroepen uitgeoefend in het jaar 2018 of een gedeelte van 2018", Belgisch Staatsblad van 14 februari 2020, eerste editie, p. (...), beschikbaar op (...). 14 Zie bijvoorbeeld de verklaringen met betrekking tot de mandaten die de klager in 2019 uitoefende, "Mandatenlijsten en vermogensaangiften", website van het Rekenhof, beschikbaar op: (...). Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 4/22 Belgisch Staatsblad of op de website van het Rekenhof worden gepubliceerd. De inhoud van de website is daarom hoofdzakelijk een reproductie van informatie uit deze openbare en officiële bronnen. De verweerder verifieert en corrigeert echter ook eventuele fouten of onvolledigheden15. Openbare mandatarissen hebben ook de mogelijkheid om zelf informatie op Cumuleo te publiceren of aan te vullen. 6. Een zoekopdracht op de website van Cumuleo met de naam van de klager geeft toegang tot een dossier van de verschillende mandaten, ambten en beroepen die hij in hetzelfde kalenderjaar van 2018 tot nu heeft uitgeoefend. Elk van deze activiteiten staat vermeld met de ontvangen vergoeding in dezelfde vorm als aangegeven in de aangiften van de klager die in het Belgisch Staatsblad of op de website van het Rekenhof zijn gepubliceerd 16. 7. Op 28 september 2021 neemt de klager contact op met de verweerder om op grond van artikel 17 van de AVG om de verwijdering op Cumuleo te vragen van zijn persoonsgegevens met betrekking tot de vergoeding voor zijn beroepsactiviteit bij Z. De klager geeft aan dat de gegevens in kwestie betrekking hebben op een professionele privéactiviteit als werknemer en dat er volgens hem geen dwingende gerechtvaardigde gronden zijn om zijn gegevens te blijven verwerken. Hij maakt ook bezwaar tegen de verwerking van de genoemde gegevens om redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie, zonder te specificeren welke17. Vervolgens18 breidt de klager zijn verzoek tot wissing uit tot alle vergoedingen als werknemer in de privésector tussen 2018 en 2020 (hierna "de litigieuze informatie" of "privévergoedingen" genoemd). 8. Op 18 oktober 2021 weigert de verweerder in te gaan op het verzoek tot wissing en het bezwaar van de klager, onder meer omdat de publicatie van deze informatie op zijn website bijdraagt tot de transparantie die noodzakelijk is voor de goede werking van de democratie met betrekking tot de toekenning van bepaalde mandaten, ambten en beroepen. De verweerder voert aan dat de informatie op zijn website uit openbare en officiële bronnen komt, aangezien de klager krachtens de wet van 2 mei 1995 verplicht is zijn mandaten en vergoedingen aan te geven. De verweerder verklaart dat de verwijdering van de litigieuze informatie van zijn website, waarvoor de Belgische wetgever uitdrukkelijk heeft gestreefd naar transparantie voor het grote publiek, in strijd zou zijn met zijn grondrecht op vrijheid van meningsuiting en informatie. 15 Dit was het geval bij het dossier van de klager, waar de verweerder de functieomschrijving wijzigde (punt 3 van de conclusie van de verweerder van 19 september 2022). 16 Zie de voetnoten nrs. 12 en 13 hierboven. 17 Zie de e-mail van 28 september 2021 van de klager aan de verweerder waarin de uitoefening van het recht van bezwaar in het kort als volgt wordt geformuleerd: "Hierbij maak ik bezwaar tegen de verwerking van zijn [sic] persoonsgegevens overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de algemene verordening gegevensbescherming, om redenen die verband houden met mijn specifieke situatie". (vrij vertaald) 18 Namelijk in de brief van de klager van 10 oktober 2022 aan de Geschillenkamer. Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 5/22 I.2. 9. De Europese samenwerkingsprocedure met de CNIL Deze klacht was het onderwerp van een procedure om de leidende toezichthoudende autoriteit te identificeren op grond van artikel 56 van de AVG. Tijdens haar vergadering van 13 juni 2022 heeft de Geschillenkamer de GBA erkend als leidende toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 56.1 van de AVG, terwijl de CNIL heeft verklaard de "betrokken toezichthoudende autoriteit" te zijn in de zin van artikel 4.22.
- b)en
- c)van de AVG. 10. De AVG bevat een speciale regeling voor de behandeling van klachten betreffende “grensoverschrijdende gegevensverwerkingen”. De “leidende toezichthoudende autoriteit” is diegene die het dossier verder ten gronde zal behandelen. Zij houdt hierbij de “betrokken toezichthoudende autoriteiten” regelmatig op de hoogte van de status van het dossier en – conform het samenwerkingsmechanisme dat in artikel 60 van de AVG is vastgelegd – betrekt zij hen ook bij het nemen van een definitief besluit. Dossiers waarin het voornoemde Europese samenwerkingsmechanisme van toepassing is, zijn vaak complex en wel om de volgende redenen: er zijn meerdere nationale toezichthoudende autoriteiten bij de zaak betrokken en zij zijn elk onderworpen aan hun eigen nationale procedureregels (bijvoorbeeld met betrekking tot de rol van de klager in een toezichtprocedure en sancties in geval van niet-naleving van regelgeving of het gebruik van talen). 11. In haar hoedanigheid van leidende toezichthoudende autoriteit stelt de Geschillenkamer, als orgaan van de GBA, een ontwerpbesluit op op basis van de argumenten van de betrokken partijen, dat zij voor advies moet voorleggen aan de CNIL, de betrokken autoriteit (artikel 60.3 van de AVG). De CNIL is bevoegd om het ontwerp dat haar door de GBA wordt voorgelegd te onderzoeken. De CNIL kan een relevant en gemotiveerd bezwaar indienen in de zin van artikel 60.4 van de AVG. 12. Op 20 juni 2024 legt de Geschillenkamer, overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG, haar ontwerpbesluit voor advies voor aan de betrokken toezichthoudende autoriteit, de CNIL. I.3. Uitnodiging voor de partijen om conclusies in te dienen 13. Op 13 juni 2022 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1°, en artikel 98 van de WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 14. Op 20 juli 2022 worden de betrokken partijen per aangetekende brief in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, en in artikel 98 van de WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 van de WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun conclusies in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd daarbij vastgelegd op 19 september 2022, deze voor de conclusie van Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 6/22 repliek van de klager op 10 september 2022 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 31 oktober 2022. 15. Op 20 juli 2022 aanvaardt de klager alle communicatie met betrekking tot de zaak elektronisch te ontvangen en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG. 16. Op 25 juli 2022 aanvaardt de verweerder alle communicatie met betrekking tot de zaak elektronisch te ontvangen en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG. 17. Op 19 september 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord van de verweerder. Samengevat verdedigt deze hierin het volgende: - Er moet van uitgegaan worden dat de verweerder de persoonsgegevens van de klager verwerkt voor journalistieke activiteiten in de zin van artikel 24 van de WVG. - Bijgevolg valt de litigieuze verwerking onder de uitzondering voor journalistieke doeleinden en kan de klager geen bezwaar maken door zijn recht op grond van artikel 21.1 van de AVG uit te oefenen. - Het recht op wissing is niet van toepassing overeenkomstig artikel 17.3.
- a)van de AVG omdat de litigieuze verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op informatie van het publiek. De openbaarmaking van de vergoedingen voor "privé"-beroepsactiviteiten is noodzakelijk voor het recht van de burgers om te worden geïnformeerd over alle soorten activiteiten die door openbare mandatarissen worden uitgevoerd. - De beslissing van het GBA kan geen schending van het recht op vrijheid van meningsuiting van de verweerder inhouden. De door de klager ingeroepen inmenging is in een democratische samenleving niet noodzakelijk om het nagestreefde legitieme doel te bereiken in het licht van de specifieke beginselen met betrekking tot het beschikbaar stellen van officiële informatie aan het publiek. De inbreuk waarop de klager zich beroept, kan de ernst van de inmenging in de vrijheid van meningsuiting niet rechtvaardigen en zou een inbreuk vormen op het evenredigheidsbeginsel. 18. Op 20 september 2022 vraagt de klager een kopie van het dossier (art. 95, § 2, 3° WOG), die hem wordt bezorgd op 30 september 2022. 19. Op 10 oktober 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. Samengevat verdedigt de klager hierin het volgende: - De publicatie op de website van de verweerder van zijn vergoedingen als werknemer in de privésector tussen 2018 en 2020 vormt geen eerlijk en evenredig evenwicht tussen Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 7/22 het recht op informatie van de burger en zijn recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. 20. Op dezelfde datum verzoekt de klager om de beslissing in deze zaak niet te publiceren of op zijn minst te anonimiseren. Op 21 oktober 2022 herinnert de Geschillenkamer aan het belang van transparantie met betrekking tot het besluitvormingsproces van de Geschillenkamer, en wijst zij erop dat haar beslissingen altijd worden gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Zij legt de klager ook uit dat zij niettemin nota zal nemen van zijn verzoek tot anonimisering, waarover zij zich in de beslissing zelf zal uitspreken. 21. Op 31 oktober 2022 deelt de verweerder de Geschillenkamer mee dat de brief van de klager geen repliek van zijn kant vereist en dat de conclusies die op 19 september jl. aan de Geschillenkamer zijn meegedeeld, ongewijzigd blijven. II. Motivering II.1. Inzake de territoriale bevoegdheid van de Geschillenkamer 22. Volgens artikel 77 van de AVG heeft de klager - gedomicilieerd in Frankrijk - het recht om een klacht in te dienen bij de toezichthoudende autoriteit van zijn keuze, zelfs als deze autoriteit is gevestigd in een lidstaat waar de klager niet zijn gewoonlijke verblijfplaats of werkplek heeft. 23. Op grond van artikel 56.1 van de AVG is de GBA bevoegd om op te treden als leidende toezichthoudende autoriteit voor grensoverschrijdende gegevensverwerking door de verwerkingsverantwoordelijke(
- n)van wie de hoofdvestiging of de enige vestiging zich op haar grondgebied bevindt. In casu staat de territoriale bevoegdheid van de GBA, en dus van de Geschillenkamer, niet ter discussie voor zover de verweerder, die verantwoordelijk is voor de verwerking van de Cumuleo-website, zijn enige vestiging in België heeft. II.2. Wat betreft de gegrondheid van het verzoek tot wissing na de uitoefening van het recht van bezwaar 24. Gelet op de inhoud van de klacht is het aan de Geschillenkamer om te beoordelen of de verweerder terecht heeft geweigerd om in te gaan op het verzoek tot wissing na de Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 8/22 uitoefening van een recht van bezwaar met betrekking tot de litigieuze inhoud die momenteel beschikbaar is op de website van de verweerder. 25. De Geschillenkamer wijst erop dat de betrokkene op grond van artikel 17.1.
- c)van de AVG 19 het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen wanneer het volgende van toepassing is: “ (...) (
- c)de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2." De verwerkingsverantwoordelijke is verplicht om deze persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen als deze reden van toepassing is. 26. Het recht op bescherming van persoonsgegevens is geen absoluut recht, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de samenleving en moet conform het evenredigheidsbeginsel tegen andere grondrechten worden afgewogen. 20 In dit opzicht vallen publicaties op internet binnen de inhoud die wordt beschermd door het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie (artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de EU)21. 27. Artikel 17.3.
- a)van de AVG bepaalt dat artikel 17.1 niet van toepassing is voor zover de verwerking nodig is voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie22, waarmee in de bewoordingen van artikel 17 van de AVG wordt voorzien in een uitzonderingsregeling waarbij een belangenafweging moet worden gemaakt tussen het grondrecht op vrijheid van meningsuiting en informatie enerzijds en het grondrecht op bescherming van persoonsgegevens anderzijds. In zijn arrest Google Spain van 13 mei 2014 heeft het HvJ-EU verklaard dat als algemene regel de rechten van de betrokkene neergelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (namelijk het recht op eerbiediging van het privéleven en bescherming van persoonsgegevens) prevaleren. Maar "dit evenwicht kan in bijzondere gevallen afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt”23. 19 Artikel 17 van de AVG is niet een van de rechten van de betrokkene waarvan de Belgische wetgever de uitoefening louter en alleen uitsluit in het geval van verwerking voor journalistieke doeleinden op grond van artikel 24.2 WVG, zie de punten 52 tot en met 56 van deze beslissing. 20 Overweging 4 van de AVG. 21 EHRM, 10 maart 2009, Times Newspaper Limited t. Groot-Brittannië. 22 De Geschillenkamer onderstreept. 23 HvJ-EU, 13 mei 2014, C-131/12, Google Spain en Google, ECLI:EU:C:2014:317, punt 81. Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 9/22 28. Van zijn kant heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna "EHRM") in zijn rechtspraak ook een reeks relevante criteria ontwikkeld waarmee rekening moet worden gehouden bij het maken van een afweging tussen de genoemde concurrerende grondrechten, namelijk de bijdrage aan een debat van algemeen belang, de bekendheid van de persoon in kwestie, het onderwerp van de melding, het eerdere gedrag van de betrokkene, de inhoud, de vorm en de impact van de publicatie, de wijze waarop en de omstandigheden waarin de informatie is verkregen en het waarheidsgehalte ervan 24. In zijn recente arrest Buivids verwees het HvJ-EU rechtstreeks naar deze criteria van het EHRM25. 29. Daarnaast heeft het EHRM in zijn jurisprudentie regelmatig de onmisbare rol van de pers en andere « publieke waakhonden” benadrukt in een rechtsstaat26. Zoals het Hof vaak benadrukt, is de belangrijkste functie van de pers het verspreiden van debatten van algemeen belang, maar de pers vervult ook een secundaire rol, namelijk het onthullen en onder de aandacht van het publiek brengen van informatie die de belangstelling kan wekken en aanleiding kan geven tot een dergelijk debat in de samenleving 27. Daarom waarschuwt het EHRM dat de grootst mogelijke voorzichtigheid geboden is wanneer beperkingen worden overwogen om burgers ervan te weerhouden deel te nemen aan de discussie over kwesties van gerechtvaardigd algemeen belang 28. Bijgevolg moet elke maatregel die de toegang van het publiek tot dergelijke informatie - waar het publiek recht op heeft - zou beperken, gerechtvaardigd worden door bijzonder dwingende redenen 29. 30. Hoewel in de rechtspraak van het EHRM de rol van "publieke waakhond" over het algemeen wordt vervuld door de pers en professionele journalisten 30, erkent het Hof deze functie gaandeweg ook voor particulieren31. Het Hof is van mening dat de rol van deze actoren van vergelijkbaar belang kan zijn als die van de pers 32 en dat zij daarom in aanmerking kunnen komen voor het hoge niveau van bescherming dat gewoonlijk aan de pers wordt geboden 33. Het Hof is met name van oordeel: « Aangezien websites een grote bijdrage leveren aan het verbeteren van de toegang van het publiek tot de actualiteit en het vergemakkelijken van de 24 Zie EHRM, 27 juni 2017, Satakunnan Markkinapörssi Oy en Satamedia Oy t. Finland, punt 165; EHRM, 10 november 2015, Couderc en Hachette Filipacchi Associés t. Frankrijk (Gr. Kam.), punt 93; EHRM, 7 februari 2012, Von Hannover t. Duitsland (nr. 2) (Gr. Kam.), punten 109 t.e.m. 113; EHRM, 7 februari 2012, Axel Springer AG t. Duitsland (Gr. Kam.), punten 90 t.e.m. 95. 25 HvJ-EU, 14 februari 2019, C-345/17, Buivids ECLI:EU:C:2019:122, punten 65-66. 26 Zie met name EURM, 23 april 1992, Castells t. Spanje, nummer 43. 27 Zie EHRM, 10 november 2015, Couderc en Hachette Filipacchi Associés t. Frankrijk (Gr. Kam.), punten 89 en 114. 28 Zie EHRM, 20 mei 1999, Bladet Tromsø en Stensaas t. Noorwegen (Gr. Kam.), punt 64. 29 EHRM, 10 maart 2009, Times Newspaper Limited t. Groot-Brittannië, punt 41; EHRM, 27 novembre 2007, Timpul InfoMagazin en Anghel t. Moldavië, punt 31. 30 EHRM, 17 december 2004, Pedersen et Baadsgaard t. Denemarken (Gr. Kam.), punt 71. 31 EHRM, 20 juni 2018, Falzon t. Malta, punt 57. 32 EHRM, 22 april 2013, Animal defenders international t. Groot-Brittannië (Gr. Kam.), punten 102-103; EHRM, 1 december 2009, Karsai t. Hongarije, punt 35; EHRM, 8 november 2016, Magyar Helsinki Bizottsag t. Hongarije (Gr. Kam.), punt 159, 165 t.e.m. 168; EHRM, 8 juli 1999, Başkaya et Okçuoğlu t. Turkijke (Gr. Kam.), punten 61 t.e.m. 67; EHRM, 22 oktober 2007, Lindon, Otchakovsky-Laurens en July t. Frankrijk (Gr. Kam.), punt 48; EHRM, 27 juni 2017, Medzelis islamske zajednice brcko en anderen t. Bosnië-Herzegovina, punt 86. 33 EHRM, 1 december 2009, Karsai t. Hongarije, punt 35. Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 10/22 verspreiding van informatie34 in het algemeen, kan de rol van bloggers en populaire gebruikers van sociale media ook worden vergeleken met die van een "publieke waakhond" als het gaat om de bescherming die artikel 10 biedt.»35 (vrije vertaling) 31. Op dezelfde manier geeft het HvJ-EU een brede interpretatie aan begrippen die verband houden met de vrijheid van meningsuiting, zoals journalistiek 36. In zijn arrest Buivids van 14 februari 2019 stelt het HvJ-EU geen eisen aan de beroepsbekwaamheid van de persoon of organisatie die zich beroept op de journalistieke uitzondering: de video-opname van leden van de politie in een politiebureau en de publicatie van deze beelden op een website werden beschouwd als verwerkingen van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden. In dit arrest houdt het Hof rekening met de "ontwikkeling en de verveelvoudiging van middelen voor communicatie en de informatieverspreiding”37. Evenzo oordeelde het HvJ-EU in het arrest Satamedia dat journalistieke verwerking "de bekendmaking aan het publiek van informatie, meningen of ideeën, ongeacht het overdrachtsmedium" 38 tot doel heeft, en dat een dergelijk doel door "alle personen" 39 mag worden nagestreefd, zonder eisen te stellen aan de hoedanigheid van journalist of de afwezigheid van een winstoogmerk. Naast de hoedanigheid van de verwerkingsverantwoordelijke heeft het HvJ-EU het criterium gehandhaafd dat "het enige doel van de verwerking de bekendmaking aan het publiek van informatie, meningen of ideeën" moet zijn.40 Met andere woorden, het doel van de publicatie moet dat van een journalist zijn, geïnspireerd door het algemeen belang, en de aanwezigheid van andere elementen die de publicatie motiveren zal doorslaggevend zijn. 32. Uit een analyse van de rechtspraak van het HvJ-EU en het EHRM blijkt dat de uitoefening van een journalistieke activiteit en de daaruit voortvloeiende bescherming, niet uitsluitend voorbehouden moeten zijn aan professionele journalisten. Dezelfde analyse laat echter ook zien dat iedereen die een journalistieke activiteit uitoefent en het hoge beschermingsniveau dat de persvrijheid biedt, wil genieten, op zijn minst de meest voor de hand liggende ethische regels moet respecteren41. 33. In dit verband is ook de 'Conseil de déontologie journalistique' (hierna "CDJ") van mening dat de regels van journalistieke ethiek eveneens van toepassing moeten zijn op nietprofessionele journalisten. De Frans- en Duitstalige "Code de déontologie journalistique" definieert het begrip journalist als “eenieder die rechtstreeks bijdraagt aan het verzamelen, 34 EHRM, 16 juni 2015, Delfi AS t. Estonië (Gr. Kam.), punt 133. EHRM, 8 november 2016, Magyar Helsinki Bizottsag t. Hongarije (Gr. Kam.), punt 168; EHRM, 20 juni 2018, Falzon t. Malte, punt 57; EHRM, 26 juli 2020, Centre pour la démocratie et l’état de droit t. Oekraïne, punt 87. 36 Zie ook overweging 153 van de AVG. 37 HvJ-EU, 14 februari 2019, C-345/17; Buivids, ECLI:EU:C:2019:122, punt 56. 38 HvJ-EU, 16 december 2008, C-73/07, Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia (Satamedia), ECLI:EU:C:2008:727, punt 61. 39 Ibidem, punt 58. 40 HvJ-EU, 14 februari 2019, C-345/17, Buivids, ECLI:EU:C:2019:122, punt 59. HvJ-EU, 16 december 2008, C-73/07, Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia (Satamedia), ECLI:EU:C:2008:727, punt 62; 41 EHRM, 1 december 2009, Karsai t. Hongarije; EHRM, 8 november 2016, Magyar Helsinki Bizottsag t. Hongarije (Gr. Kam.); EHRM, 27 juni 2017, Medzelis islamske zajednice brcko en anderen t. Bosnië-Herzegovina. 35 Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 11/22 redactioneel bewerken, produceren en/of verspreiden van informatie, via een medium, ten behoeve van een publiek en in het algemeen belang.” 42 (vrije vertaling) De CDJ is dus van mening dat "de ethische verplichting voortvloeit uit de uitoefening van een activiteit die een impact heeft op de samenleving" en niet uit het feit "dat men een beroepsjournalist is"43. Hetzelfde geldt voor de Raad voor de Journalistiek, die zich al meermaals heeft uitgesproken over de naleving van de regels van journalistieke ethiek door niet-professionele journalisten44. 34. Op basis van de relevante criteria waarmee rekening moet worden gehouden volgens de bovengenoemde rechtspraak van het HvJ-EU en het EHRM, en op grond van het overgelegde bewijsmateriaal, meent de Geschillenkamer dat in het onderhavige geval het resultaat van de krachtens artikel 17.3.
- a)van de AVG te verrichten belangenafweging tussen het recht op gegevensbescherming enerzijds en het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie anderzijds, in het voordeel uitvalt van de vrijheid van meningsuiting en informatie. De Geschillenkamer oordeelt dat de reeds door de wet voorgeschreven publicatie op de website van de verweerder van de vergoedingen van de klager als werknemer in de private sector noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie. 35. Allereerst houdt de Geschillenkamer rekening met het feit dat de litigieuze verwerking in wezen bestaat uit de retranscriptie in Cumuleo van de openbaar beschikbare verklaringen over de mandaten en vergoedingen van de klager. De klager bekleedde twee mandaten die krachtens de wet van 2 mei 1995 onderworpen waren aan de verplichting tot aangifte van mandaten en vergoedingen, zodat zijn vergoedingen overeenkomstig deze wettelijke verplichting werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Rekenhof (punten 3 en 4). Bij het onderzoek naar het doel en de evenredigheid van de litigieuze verwerking heeft de Geschillenkamer rekening gehouden met het feit dat de vergoedingen van de klager, die de verweerder op zijn website heeft overgenomen, aanvankelijk openbaar waren gemaakt op grond van deze wettelijke verplichting, omdat de wetgever dit noodzakelijk had geacht in het belang van met name de transparantie van het openbaar bestuur. In het wetsvoorstel van 29 november 2017 dat heeft geleid tot de eerder genoemde wet van 14 oktober 2018, legt de wetgever het doel van transparantie uit dat met deze wetten wordt nagestreefd: « [...] alle burgers de mogelijkheid [...]bieden kennis te nemen van de openbare en private mandaten alsmede de beroepsactiviteiten van wie een openbaar mandaat 42 'Conseil de déontologie journalistique, Code de déontologie 2013', 3ème éd., Les carnets du CDJ n°5, Partie II', « Définitions », p. 11. 43 « Définition & Champ d’action du CDJ'», website van de 'Conseil de déontologie journalistique', beschikbaar op: https://www.lecdj.be/fr/deontologie/definition-champ-daction-du-cdj/ (geraadpleegd op 25 maart 2024). 44 Zie met name de volgende beslissingen van de Raad voor de Journalistiek: HRM Focus en HRMBlogs en Ernst ; Bashar t / Belemturktv.com ; Engelbosch t/ Trudocs.be ; Vleugels t/ Heistonline. Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 12/22 bekleedt. Er zijn heel wat onthullingen geweest omtrent het politiek bestel, zowel op federaal echelon als op gewestniveau. Om die reden lijkt een verdere aanscherping nodig van de maatregelen die moeten zorgen voor meer transparantie van het Belgische politiek bestel.»45 (de Geschillenkamer onderstreept). 36. De Geschillenkamer oordeelt dat de klager onderworpen is aan deze aangifteplicht, omdat hij twee hogere managementfuncties heeft bekleed, en nog steeds bekleedt, bij een vennootschap die in wezen eigendom is van de Belgische en Franse staat. De wet van 14 oktober 2018 heeft de aangifteplicht echter uitgebreid naar zogenaamde "overheids"bestuurders 46 die bepaalde functies uitoefenen bij vennootschappen waarop een of meer overheden een overheersende invloed uitoefenen: « Deze mandatenlijst vergroot de transparantie met het oog op goed bestuur. De overheid participeert in diverse bedrijven en organisaties. Deze hebben een voorbeeldfunctie en nood aan een modern governance kader waar de overheid zich terughoudend opstelt als het gaat over operationele kwesties en personeelszaken. Dit betekent meer verantwoordelijkheid voor de betrokken bestuursleden, het vermijden van belangenvermenging en een verloning conform reële arbeidsprestaties. »47 (de Geschillenkamer onderstreept). 37. Hoewel de Geschillenkamer in de aan haar voorgelegde zaak de evenredigheid van de publicatie van de privévergoedingen van de publieke mandatarissen, zoals voorzien in de wet, niet in vraag zal stellen, betreurt zij niettemin het gebrek aan duidelijkheid van de wetten die deze publicatie organiseren. Er is met name verwarring in deze teksten over de verplichting om alle informatie (aangifte van mandaten EN meegedeelde vergoedingen) te publiceren op de website van de Rekenkamer. 38. De Geschillenkamer wil er echter op wijzen, zoals zij ook in het verleden heeft gedaan 48, dat het feit dat de litigieuze inlichtingen openbaar beschikbaar zijn op het internet, niet betekent dat deze hun hoedanigheid van persoonsgegevens verliezen, en dat de verwerking ervan in beginsel onderworpen is aan alle regels van de AVG, met inbegrip van de voorwaarde dat de 45 Wetsvoorstel van 29 november 2017 tot wijziging van de wetgeving inzake mandatenlijst en vermogensaangifte wat de transparantie over de vergoedingen, de uitbreiding naar overheidsbestuurders, de elektronische indiening en de controle op de naleving betreft, DOC 54 2810/001, Toelichting, p. 3, beschikbaar op https://www.dekamer.be/FLWB/pdf/54/2810/54K2810001.pdf. 46 Artikel 2, b), van de wet van 2 mei 1995: "de leden die in die hoedanigheid rechtstreeks of onrechtstreeks een vergoeding ontvangen, van de raden van bestuur, de adviesraden en de directiecomités: (...)
- b)van de rechtspersonen waarop een overheid of verschillende overheden samen rechtstreeks of onrechtstreeks een overheersende invloed uitoefenen". 47 Wetsvoorstel van 29 november 2017 tot wijziging van de wetgeving inzake mandatenlijst en vermogensaangifte wat de transparantie over de vergoedingen, de uitbreiding naar overheidsbestuurders, de elektronische indiening en de controle op de naleving betreft, DOC 54 2810/001, Toelichting, p. 3, beschikbaar op https://www.dekamer.be/FLWB/pdf/54/2810/54K2810001.pdf. 48 Geschillenkamer, beslissing ten gronde 13/2022 van 27 januari 2022, beschikbaar op: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-13-2022.pdf. Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 13/22 verwerking rechtmatig en evenredig moet zijn. Voor elke gegevensverwerking is een passende rechtsgrond vereist, zoals bijvoorbeeld het gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke (art. 6.1.
- f)van de AVG). De Geschillenkamer stelt dat een journalistieke benadering kan worden gebaseerd op het gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke bij het uitoefenen van zijn grondrecht op vrijheid van meningsuiting, of zijn gerechtvaardigd belang bij het uitoefenen van een digitaal recht van antwoord. 39. Het HvJ-EU heeft herhaaldelijk de criteria verduidelijkt voor het vinden van een evenwicht tussen het recht op gegevensbescherming en het recht op vrijheid van meningsuiting in de context van het hergebruik van openbare gegevens 49. In het arrest Österreichischer Rundfunk50 heeft het HvJ-EU bijvoorbeeld gepreciseerd dat de regels voor de bescherming van persoonsgegevens 51 van toepassing zijn op openbare gegevens (salarisgegevens van werknemers van een semioverheidsbedrijf): de verwerking van deze persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die waarvoor ze oorspronkelijk zijn verzameld (in dit geval voor begrotingstransparantie) is onderworpen aan de naleving van het beginsel van doelbinding en verenigbaarheid van elke verdere gegevensverwerking, behoudens wettelijk geregelde uitzonderingen. 40. Dit gezegd zijnde, bevestigt de verweerder dat het doel van de publicatie van de vergoedingen van de klager hetzelfde is als het doel dat de wetgever heeft beoogd met de wetten die de plicht tot aangifte en publicatie van mandaten en vergoedingen regelen (punten 37 en 38). De publicatie van de litigieuze informatie heeft geen ander doel dan dat waarvoor ze oorspronkelijk werd verzameld krachtens de wettelijke verplichting die op de klager rust, in dit geval de transparantie van het openbaar bestuur. De verweerder beschrijft het doel van de website Cumuleo als volgt: « Cumuleo publiceert nauwkeurige gegevens en gegevens van openbaar belang over de mandaten, ambten en beroepen van publieke mandatarissen en hoge functionarissen. Doordat ze beschikken over een onafhankelijke en continue informatiebron kunnen de burgers, journalisten en politici er zich op elk moment op beroepen om hun aanmerkingen over het thema, in de ruime zin van het woord, van de cumul van de mandaten te definiëren, te voeden of te verfijnen. 49 C. DOCKSEY, « Four fundamental rights », International Data Privacy Law, 2016, vol. 6, nr. 3. HvJ-EU, 20 mei 2003, C-465/00, C-138/01 en C-139/01, Österreichischer Rundfunk e.a., ECLI:EU:C:2003:294. 51 Ten tijde van dit arrest was het Handvest nog niet bindend, dus baseerde het HvJ-EU zich op artikel 8 van het EVRM en Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. 50 Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 14/22 Meer dan meningswaarheden publiceert Cumuleo feitelijke waarheden om de bezoeker de vrijheid van meningsuiting en de autonomie van zijn besluitneming te geven (...) Cumuleo's doel bestaat erin een actor van de transparantie en bevordering van de integriteit van het maatschappijbeheer te zijn. Cumuleo gelooft echt in transparantie. Deze vormt immers de barometer van de democratie. Hoe transparanter het maatschappijbeheer is, des te sterker de democratie zich ontwikkelt. De publicatie van de mandaten, functies en beroepen van de politieke mandatarissen en hoge functionarissen waar Cumuleo zich momenteel op richt, is een etappe in het uitvoeren van deze missie. In dit specifieke geval laat de transparantie toe de strijd aan te gaan tegen belangenconflicten, verduistering van overheidsmiddelen voor privédoeleinden en corruptie. »52 (de Geschillenkamer onderstreept). 41. De Geschillenkamer merkt op dat het verzoek tot wissing niet was gericht aan een gevestigde krant, maar aan een burgerwebsite die wordt beheerd door de verweerder, die geen beroepsjournalist is53. Volgens de Geschillenkamer is de litigieuze verwerking echter uitgevoerd voor journalistieke doeleinden in de zin van voornoemde rechtspraak van het HvJ-EU en het EHRM (punten 31 tot en met 35). De Geschillenkamer meent dat de verweerder de vergoedingen van de klager gratis op zijn website beschikbaar heeft gesteld om het publiek te informeren en de aandacht te vestigen op de bovengenoemde kwestie van algemeen belang. De Geschillenkamer ziet geen andere redenen voor de publicatie van de litigieuze informatie en hieruit volgt dat het enige doel van deze verwerking is om het publiek te informeren over deze zaken van openbaar belang. Verder wijst de Geschillenkamer erop dat de verweerder bepaalde essentiële regels van de journalistieke ethiek heeft nageleefd door de door hem verstrekte informatie uit officiële en openbare bronnen te verifiëren en, in voorkomend geval, te corrigeren (punt 5). 42. De Geschillenkamer houdt ook rekening met de bijdrage van de litigieuze publicatie aan het debat van algemeen belang en aan het bereiken van de wettelijke doelstellingen op het gebied van transparantie in het openbaar bestuur. De Geschillenkamer erkent de belangrijke rol, vergelijkbaar met die van de pers, die de verweerder in het publieke debat speelt voor zover Cumuleo de informatie met betrekking tot dit debat begrijpelijker en gemakkelijker toegankelijk maakt voor het grote publiek dan officiële publicaties. In dit verband heeft de Raad van Europa in een evaluatieverslag over België de belangrijke bijdrage erkend van het 52 « Objectif, Vision et Valeurs du projet Cumuleo », website van de verweerder, beschikbaar https://www.cumuleo.be/objectif-vision-valeurs.php (geraadpleegd op 30 maart 2024). 53 De verweerder erkent zelf in punt 13 van zijn conclusie van 19 september 2022 dat hij geen beroepsjournalist is. op: Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 15/22 burgerinitiatief van de verweerder voor de preventie van corruptie van parlementsleden, rechters en openbare aanklagers: « Hoewel moet worden erkend dat de informatie over de aangifte van bezoldigde ambten en mandaten van de parlementsleden openbaar is, blijft de toegang ertoe daarentegen zeer moeilijk (...). Het GET onderstreept dat het op dit ogenblik een burger is die een onofficiële website – www.cumuleo.be – op poten heeft gezet waardoor de informatie makkelijker toegankelijk is en kan worden vergeleken. Die website schetst de historiek en de situatie van de aan de wet onderworpen mandatarissen en de bekendgemaakte openbare informatie (mandaten, ambten, beroepen). De website bevat de lijst van de mandatarissen die in gebreke blijven op (parlementsleden en andere ambten met meldingsplicht). »54 (de Geschillenkamer onderstreept). 43. De Geschillenkamer merkt op dat de klager niet begrijpt hoe de publicatie van zijn vergoedingen als werknemer in de "private" sector bijdraagt aan de transparantie die in de publieke sector rond de toekenning van mandaten zou moeten bestaan (punt 20). De Geschillenkamer is van mening dat de uitoefening van het recht op wissing betrekking heeft op de verwerking van informatie die bijdraagt aan dit debat van algemeen belang en dus van belang is voor het publiek. Het belang van het publiek om over deze informatie te beschikken is in dit geval des te belangrijker omdat de klager, als persoon die onderworpen is aan de bovengenoemde aangifteplicht, een rol speelt in het Belgische openbare leven en een publiek figuur is in de zin van de Richtsnoeren van de Groep artikel 2955 (punt 38). Bovendien merkt de Geschillenkamer op dat het door de verweerder en zeker door de wetgever bij de aanneming van de voornoemde wetten nagestreefde doel van transparantie van het openbaar bestuur vereist dat alle soorten vergoedingen, ongeacht of zij openbaar of privé zijn, toegankelijk zijn voor het publiek. De Geschillenkamer houdt rekening met het feit dat alleen de vorken van de privévergoedingen van de klager op Cumuleo zijn gepubliceerd (punten 3 en 6). Het algemeen belang om over de litigieuze informatie te beschikken is om een mogelijk belangenconflict aan het licht te brengen (punt 38). Hoewel de publicatie van de uitgeoefende functies al tot op zekere hoogte een belangenconflict kan blootleggen, is de Geschillenkamer van mening dat in deze context de publicatie van de vorken van andere vergoedingen die een overheidsbestuurder zoals de klager ontvangt, niet onevenredig is. De reden hiervoor is dat het publiek zo een vollediger beeld kan krijgen van mogelijke 54 "Preventie van corruptie ten aanzien van parlementsleden, rechters en procureurs", Evaluatieverslag België, aangenomen door de GRECO tijdens de 63ste plenaire vergadering, 24-28 maart 2014, p. 20, beschikbaar op https://rm.coe.int/CoERMPublicCommonSearchServices/DisplayDCTMContent?documentId=09000016806c2c3e, onofficiële Nederlandse vertaling: https://rm.coe.int/16806c2c3f. 55 Groep artikel 29, Richtsnoeren betreffende de uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Google Spain en Inc. tegen Agencia espanola de protección de datos (AEPD) en Mario Costeja González (C-131/12, vastgesteld op 26 november 2014, p. 15: "Politici, hooggeplaatste ambtenaren, zakenmensen en leden van (gereglementeerde) beroepen worden doorgaans aangemerkt als mensen die een rol in het openbare leven spelen." Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 16/22 belangenconflicten en relevante vergelijkingen kan maken tussen private en publieke inkomsten. De wetgever heeft ook bepaald dat de publicatie van de vergoedingen het mogelijk maakt om overheidsbestuurders ter verantwoording te roepen (naming and shaming) en een indicator is van goed bestuur van parastatale structuren (punt 38). 44. Bovendien houdt de Geschillenkamer ook rekening met het feit dat de litigieuze informatie niet bijzonder gevoelig is en dat de verspreiding ervan door de verweerder geen significante gevolgen heeft, met name omdat de informatie al openbaar beschikbaar is en bovendien actief door de klager zelf is meegedeeld om aan zijn verplichtingen te voldoen; hij moet dan ook hebben geweten dat deze informatie bestemd was om door de Rekenkamer te worden gepubliceerd. De Geschillenkamer is zich ervan bewust dat de publicatie op Cumuleo extra risico's met zich kan brengen in vergelijking met de officiële publicatie aangezien de reikwijdte van deze publicatie en de toegankelijkheid van de litigieuze informatie groter is. Om de reeds uiteengezette redenen is de Geschillenkamer echter van mening dat de risico's in het onderhavige geval beperkt zijn en geen beperking van de legitieme rechten van derden om over deze informatie van algemeen belang te beschikken, rechtvaardigen. Aangezien de informatie die de verweerder op zijn website overneemt afkomstig is van officiële bronnen en de klager zelf de bron van deze informatie is, houdt de Geschillenkamer rekening met het feit dat de juistheid van de litigieuze informatie niet ter discussie staat. Tot slot merkt de Geschillenkamer op dat de litigieuze informatie recent is en daarom nog steeds relevant, aangezien deze betrekking heeft op de beroepsactiviteiten die de klager sinds 2018 uitoefent. 45. Om de hierboven uiteengezette redenen is de Geschillenkamer van oordeel dat de website van de verweerder, door de litigieuze informatie op zodanige wijze over te nemen en te groeperen dat zij voor het publiek toegankelijker is dan officiële bronnen, deelneemt aan een debat van openbaar belang over de kwestie van transparantie in het openbaar bestuur en de bestrijding van belangenconflicten en corruptie. De Geschillenkamer houdt rekening met de feitelijke omstandigheden en is van mening dat een beperking die de deelname aan dit debat van algemeen belang kan ontmoedigen en die de toegang van het publiek tot de litigieuze informatie zou beperken, in dit geval niet gerechtvaardigd is. Bijgevolg is de Geschillenkamer, wat de betrokken belangenafweging betreft, van oordeel dat de publicatie op de website van de verweerder van de vergoedingen van de klager als werknemer in de privésector noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie overeenkomstig artikel 17.3.
- a)van de AVG. 46. De Geschillenkamer is dan ook van mening dat de verweerder terecht heeft geweigerd en nog steeds weigert om in te gaan op het verzoek van de klager om de litigieuze informatie te verwijderen. Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 17/22 II.3. Aanvullende beschouwingen 47. De Geschillenkamer weet dat de verweerder, ter ondersteuning van zijn weigering in te gaan op de uitoefening van het recht van bezwaar van de klager, zich beroept op artikel 24.2 van de WVG ingevolge artikel 85.2 van de AVG. De verweerder is van mening dat de litigieuze verwerking in aanmerking komt voor de uitzondering voor een verwerking voor journalistieke doeleinden waarin deze bepaling van Belgisch recht voorziet, en dat hij derhalve geen "dwingende reden" hoeft aan te voeren voor de handhaving van de verwerking op grond van artikel 6.1.
- f)van de AVG. 56 48. Artikel 85 van de AVG biedt de lidstaten de mogelijkheid om in hun nationale wetgeving verschillende grondrechten met elkaar te verzoenen, zoals het recht op bescherming van persoonsgegevens enerzijds en het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie anderzijds. Het staat de lidstaten vrij om in hun nationale wetgeving een speciale regeling op te nemen voor de verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden of voor de vrijheid van meningsuiting, in de vorm van uitzonderingen of afwijkingen van bepaalde regels van de AVG. Zo kunnen bijvoorbeeld verwerkingsverantwoordelijken die gegevens verwerken voor journalistieke doeleinden worden vrijgesteld van hun verplichting om betrokkenen vooraf informatie te verstrekken (hoofdstuk III van de AVG). 49. In Belgisch recht voert artikel 24 van de WVG artikel 85 van de AVG uit. In de eerste paragraaf van deze bepaling wordt het begrip verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden als volgt gedefinieerd: « Onder verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden wordt verstaan de voorbereiding, het verzamelen, opstellen, voortbrengen, verspreiden of archiveren ten behoeve van het informeren van het publiek, met behulp van elke media en waarbij de verwerkingsverantwoordelijke zich de naleving van journalistieke deontologische regels tot taak stelt. »57 (de Geschillenkamer onderstreept). 50. Deze bepaling van Belgische recht maakt het inroepen van de journalistieke uitzondering afhankelijk van het in acht nemen van ethische regels en zou daarom in principe passen in een context van professionele journalistiek. Zij geeft een definitie van journalistiek doeleinde die zeker restrictiever is dan die welke wordt beoogd door de AVG en de rechtspraak van het HvJ-EU en het EHRM (punten 31 tot en met 35). 51. De Geschillenkamer wijst erop dat artikel 24.2 van de WVG bepaalt dat in het geval van verwerking voor journalistieke doeleinden de artikelen 7 tot en met 10, 11.2, 13 tot en met 16, 18 tot en met 20 en 21.1 van de AVG niet van toepassing zijn. Artikel 85.2 van de AVG bepaalt 56 57 Punt 21 van de conclusie van 19 september 2022 van de verweerder. De Geschillenkamer onderstreept. Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 18/22 echter dat dergelijke afwijkingen of uitzonderingen alleen mogelijk zijn als ze "noodzakelijk" zijn om het recht op bescherming van persoonsgegevens en de vrijheid van meningsuiting en informatie met elkaar te verzoenen. 52. In deze context verklaarde het HvJ-EU in het bovengenoemde arrest Buivids: “Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat de in artikel 9 van richtlijn 95/46 bedoelde uitzonderingen en afwijkingen alleen mogen worden toegepast voor zover zij nodig blijken om twee fundamentele rechten te verzoenen, namelijk bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de vrijheid van meningsuiting." 58 (de Geschillenkamer onderstreept) 53. Na dit arrest van het HvJ-EU werd een Belgisch wetsvoorstel ingediend om artikel 24 van de WVG te wijzigen59. Een van de doelstellingen van dit wetsontwerp was het invoegen van een nieuwe paragraaf waarin wordt gepreciseerd dat de uitzonderingen waarin artikel 24 van de WVG voorziet, moeten voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium. Het Kenniscentrum van de GBA heeft over dit onderwerp een advies in deze zin uitgebracht: « De Autoriteit is het uiteraard eens met de opmerking in het wetsvoorstel dat het automatische karakter van de vrijstellingen die worden verleend aan de verwerkingsverantwoordelijken die gegevens voor journalistieke doeleinden verwerken, niet in overeenstemming is met artikel 85 van de AVG. Artikel 24 van de WVG moet inderdaad worden herzien om de daarin vervatte automatische afwijkingen en vrijstellingen op te heffen. De wetgever moet ervoor zorgen dat de verordening, overeenkomstig het beginsel van voorspelbaarheid alleen die afwijkingen en vrijstellingen toestaat die daadwerkelijk noodzakelijk zijn om een billijk evenwicht te bereiken tussen het recht op gegevensbescherming en de vrijheid van meningsuiting, met name wanneer deze worden gebruikt in het kader van een journalistieke activiteit. »60 (de Geschillenkamer onderstreept) 54. Overeenkomstig eerdere beslissingen61 vraagt de Geschillenkamer zich daarom af of het huidige artikel 24 van de WVG in overeenstemming is met de AVG. Hoewel dit artikel voorziet in automatische vrijstellingen, vereisen artikel 85 van de AVG en de rechtspraak van het HvJ-EU dat in concreto een afweging wordt gemaakt tussen de twee grondrechten van vrijheid van informatie en meningsuiting en het recht op gegevensbescherming. In dit verband zou de Geschillenkamer op basis van de rechtspraak van het HvJ-EU kunnen besluiten om artikel 24 van de WVG buiten toepassing te laten indien zij zou menen dat dit 58 HvJ-EU, 14 februari 2019, C-345/17, Buivids, ECLI:EU:C:2019:122, punt 63; zie ook HvJ-EU, 16 december 2008, C-73/07, Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia (Satamedia), ECLI:EU:C:2008:727, punt 55. 59 Parl. St. Kamer, gewone zitting 2021-2022, 55-2694/001. 60 Advies van het Kenniscentrum van de GBA nr. 38/2023 van 9 februari 2023, punt 25. 61 Zie met name Geschillenkamer, beslissing ten gronde 139/2021 van 10 december 2021; Geschillenkamer, beslissing 45/2024 van 7 maart 2024; Geschillenkamer, beslissing ten gronde 141/2022 van 4 oktober 2022. Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 19/22 artikel niet in overeenstemming is met de AVG 62. Zoals het HvJ-EU herhaaldelijk heeft geoordeeld, rust de plicht om nationale wetgeving die in strijd is met het recht van de Unie niet toe te passen, niet alleen op de nationale rechter, maar ook op alle overheidsinstanties, met inbegrip van administratieve autoriteiten, die binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden verantwoordelijk zijn voor de toepassing van het recht van de Unie 63. 55. Niettegenstaande het voorgaande, merkt de Geschillenkamer op dat artikel 17 van de AVG niet een van de rechten van de betrokkene is waarvan de Belgische wetgever de uitoefening louter en alleen uitsluit in het geval van verwerking voor journalistieke doeleinden in het genoemde artikel 24.2 WVG. Artikel 17.1.
- c)van de AVG waarop de klager zich beroept, zou dus volledig van toepassing zijn, ook al volgt het op de uitoefening van een recht van bezwaar (artikel 21.1, van de AVG, dat is opgenomen in de lijst van uitgesloten rechten), weliswaar binnen de grenzen van artikel 17.3.
- a)van de AVG. Artikel 17 van de AVG valt niet onder artikel 24.2. WVG, en kan dus niet worden beïnvloed door het feit dat artikel 21.1 van de AVG dat wel is. 56. De bovenstaande overwegingen zijn echter overbodig aangezien de Geschillenkamer in het onderhavige geval heeft geconcludeerd dat op grond van artikel 17.3.
- a)van de AVG het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie voorrang heeft en dat de verweerder terecht heeft geweigerd (en nog steeds weigert) in te gaan op het verzoek van de klager tot wissing. III. Wat betreft de corrigerende maatregelen en straffen 57. Krachtens artikel 100 WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 62 In zijn richtsnoeren heeft het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) de rol van gegevensbeschermingsautoriteiten onderstreept met betrekking tot wetgeving die niet in overeenstemming is met de vereisten van de AVG. Met betrekking tot door artikel 58.5 van de AVG heeft het Europees Comité voor gegevensbescherming, onder verwijzing naar punt 50 van het arrest van het HvJ-EU in de zaak C-378/17 opgemerkt dat « according to the principle of supremacy of EU law, the duty to disapply national legislation that is contrary to EU law is owed not only by national courts but also by all organs of the State – including administrative authorities – called upon, within the exercise of their respective powers, to apply EU law” (EDPB, Guidelines 10/2020 on restrictions under article 23 GDPR, vastgesteld op 13 oktober 2021, punt 73). 63 Zie in dit verband HvJ-EU, 4 december 2018, C-378/17, ECLI:EU:C:2018:979, punt 38, waarin wordt verwezen naar de arresten van 22 juni 1989, 103/88, Costanzo, EU:C:1989:256, punt 31; 9 september 2003, C-198/01, CIF, EU:C:2003:430, punt 49; 12 januari 2010, C-341/08, Petersen, EU:C:2010:4, punt 80, en 14 september 2017, C-628/15, The Trustees of the BT Pension Scheme, EU:C:2017:687, punt 54; HvJ-EU, 6 oktober 2015, C-362/14, Schrems, ECLI:EU:C:2015:650. HvJ-EU, 6 oktober 2015, C-362/14, Schrems,ECLI:EU:C:2015:650. Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 20/22 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, dat haar in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 58. Bij een seponering (artikel 100.1.1° WOG) moet de Geschillenkamer haar beslissing in elke fase motiveren, en64 : - een technisch sepot uitspreken indien het dossier geen of onvoldoende elementen bevat die tot een sanctie kunnen leiden of er een technische belemmering is waardoor geen beslissing kan worden genomen; - of een beleidssepot uitspreken indien, ondanks de aanwezigheid van elementen die tot een sanctie kunnen leiden, verder onderzoek van het dossier haar niet opportuun lijkt in het licht van de prioriteiten van de GBA, zoals uiteengezet en geïllustreerd in het Sepotbeleid van de Geschillenkamer 65. 59. Indien er meerdere gronden zijn voor de seponering (respectievelijk technisch en/of beleidssepot) dienen de sepotgronden in volgorde van belangrijkheid te worden genoteerd66. 64 Marktenhof (hof van beroep te Brussel). 2 september 2020, 2020/KB/329, p. 18. Sepotbeleid van de Geschillenkamer, 18/06/2021, beschikbaar op: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf). 66 Sepotbeleid van de Geschillenkamer, 18/06/2021, punt 3 ("In welke gevallen zal mijn klacht 65 Ontwerpbesluit van 20 juni 2024 overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG – 21/22 60. In het licht van het voorgaande en op basis van de bevoegdheden die haar door de wetgever zijn verleend krachtens artikel 100, § 1, van de WOG, beslist de Geschillenkamer de klacht te seponeren overeenkomstig artikel 100, § 1, 1°, van de WOG. In deze zaak werd de Geschillenkamer met betrekking tot de klacht van de klager gevraagd om te beslissen of de verweerder terecht had geweigerd om het verzoek van de klager tot wissing en bezwaar ten aanzien van de litigieuze informatie op de website van de verweerder in te willigen. Uit de bovenstaande analyse blijkt dat de verweerder inderdaad terecht weigerde in te gaan op de verzoeken van de klager (punten 25 tot en met 57). 61. In het onderhavige geval spreekt de Geschillenkamer een technisch depot uit overeenkomstig artikel 100, § 1, 1°, van de WOG, aangezien de Geschillenkamer, na onderzoek van de klacht en de daarin vermelde feiten, concludeert dat de klacht geen elementen bevat die kunnen leiden tot de vaststelling van een inbreuk op de AVG door de verweerder. IV. Ontwerpbesluit in het kader van het éénloketmechanisme overeenkomstig artikel 60.3 van de AVG - toepasselijkheid van artikel 60.8 van de AVG 62. De Geschillenkamer stelt een ontwerpbesluit vast op grond van artikel 60.3 van de AVG. Zij zal dit ontwerpbesluit meedelen aan de gegevensbeschermingsautoriteiten die hebben verklaard betrokken te zijn bij deze klacht, met inbegrip van de CNIL, waarbij de klacht werd ingediend. 63. Dit ontwerpbesluit verwerpt de klacht van de klager in zijn huidige vorm in de zin van artikel 60.8 van de AVG. Artikel 60.8 van de AVG bepaalt in dat geval het volgende: "Ingeval een klacht is afgewezen of verworpen, stelt de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, in afwijking van lid 7, het besluit vast en deelt zij het mee aan de klager en stelt zij de verwerkingsverantwoordelijke ervan in kennis." 64. Als deze weigering wordt bevestigd in het kader van de samenwerkingsprocedure (artikelen 60.3 tot en met 60.6 van de AVG), is het aan de CNIL om het besluit met betrekking tot de klacht vast te stellen. Bijgevolg: - Indien dit ontwerpbesluit wordt goedgekeurd volgens de procedure van de artikelen 60.3 tot en met 60.6 van de AVG, wordt het niet door de Geschillenkamer naar de partijen gestuurd, ook niet naar de verweerder: in feite worden alleen beslissingen tot seponering van de Geschillenkamer toegestuurd, inclusief - met een aantal uitzonderingen - aan de verwerkingsverantwoordelijke, in overeenstemming met het sepotbeleid van de Geschillenkamer. waarschijnlijk worden geseponeerd door de Geschillenkamer?", ophttps://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf). beschikbaar