1/12 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 105/2022 van 17 juni 2022 Dossiernummer : DOS-2019-05858 Betreft : Aanwending van persoonsgegevens verkregen door inzage van het strafdossier lastens de klager voor het taxeren van klanten van de klager De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter en de heren Dirk Van Der Kelen en Jelle Stassijns, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; heeft de volgende beslissing genomen inzake: . De klager: De heer X, hierna “de klager”; . . De verweerder: FOD Financiën, Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, Koning Albert II-laan 33 bus 48, 1030 Brussel, hierna “de verweerder”. Beslissing ten gronde 105/2022 - 2/12 I. Feiten en procedure 1. Op 18 november 2019 diende de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de verweerder. Het voorwerp van de klacht betreft het gebruik door de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (hierna: AABBI) van persoonsgegevens verkregen door het nemen van inzage in het strafdossier lastens de klager waarbij in het kader van een huiszoeking met afstapping en netwerkzoeking gegevens zouden zijn gekopieerd en meegenomen, waaronder persoonsgegevens van klanten van vennootschappen van de klager. De AABBI zou deze persoonsgegevens hebben aangewend om over te gaan tot het taxeren van die klanten, alsook om deze te beschuldigen van fraude. 2. Op 17 maart 2020 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, §1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 3. Op 12 augustus 2020 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, §1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde en worden de betrokken partijen in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd daarbij vastgelegd op 25 september 2020, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 16 oktober 2020 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 6 november 2020. 4. Op 18 augustus 2020 aanvaardt de klager elektronisch alle communicatie omtrent de zaak, overeenkomstig artikel 98 WOG. 5. Op 22 september 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerder waarin een overzicht wordt gegeven van de eerder gevoerde procedures door de klager ten aanzien van de verweerder en de nog lopende procedures aangaande de klager en klanten van de klager. De verweerder betwist de bevoegdheid van de Geschillenkamer zowel voor wat betreft het temporeel, als het materieel toepassingsgebied. In subsidiaire orde stelt de verweerder dat de verwerking in zijnen hoofde een correcte en toegelaten gegevensverwerking uitmaakt, waarbij het doelmatigheids- en evenredigheidsbeginsel worden gerespecteerd, alsook dat deze worden verwerkt binnen een beveiligd kader en worden beschermd tegen ongeoorloofde toegang, onrechtmatig gebruik, verlies of ongeoorloofde wijzigingen. Beslissing ten gronde 105/2022 - 3/12 6. Op 16 oktober 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager waarin wordt uiteengezet dat de Geschillenkamer zowel temporeel als materieel bevoegd is. Volgens de klager is de klacht manifest gegrond en heeft de verweerder bij het uitvoeren van zijn wettelijke opdracht als belastingautoriteit, de regels voortvloeiend uit de artikelen 5. 1 a), 5. 1
- c)en 6. 1
- c)niet nageleefd. Eveneens geeft de klager nogmaals te kennen alle communicatie omtrent de zaak elektronisch te aanvaarden en gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. Alsook vraagt de klager een integrale kopie van het dossier (artikel 95, §2, 3° WOG). 7. Op 5 november 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de verweerder waarin de argumentatie wordt hernomen zoals uiteengezet in de conclusie van antwoord. 8. Op 9 februari 2022 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 9 mei 2022. 9. Op 9 mei 2022 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. 10. Op 16 mei 2022 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. 11. Op 23 mei 2022 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de klager opmerkingen dewelke hij verzoekt te laten hechten aan het proces-verbaal van de hoorzitting. De Geschillenkamer beslist deze mee op te nemen in haar beraad. II. Motivering I. Bevoegdheid van de Geschillenkamer
- a)Verzameling van persoonsgegevens bij de klager op 15 mei 2013 12. Vooreerst benadrukt de Geschillenkamer dat zij haar bevoegdheid ontleent aan de AVG, van toepassing met ingang van 25 mei 20181 en de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, in werking getreden eveneens op 25 mei 2018 2, meer bepaald 1 Artikel 99 AVG. 1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. 2. Zij is van toepassing met ingang van 25 mei 2018. 2 Art. 110 WOG. Deze wet treedt in werking op 25 mei 2018, met uitzondering van hoofdstuk III dat in werking treedt op de dag dat deze wet bekend wordt gemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Koning kan voor iedere bepaling ervan, met uitzondering van de bepalingen van hoofdstuk III, een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid. Beslissing ten gronde 105/2022 - 4/12 artikel 4, §1 WOG3. Voor wat betreft de feiten die zich hebben voorgedaan vóór die datum, i.e. de verwerking van de gegevens die door de gerechtelijke autoriteiten naar aanleiding van een huiszoeking met afstapping bij de klager werden gekopieerd en meegenomen, hetwelk plaatsvond op 15 mei 2013, kan de Geschillenkamer enkel vaststellen dat deze zich geruime tijd vóór het van toepassing worden van de AVG hebben voorgedaan en pas klacht werd ingediend bij de Gegevensbeschermingsautoriteit op 18 november 2019, ogenblik waarop de AVG reeds ten volle van toepassing was. Hieruit volgt dat de Geschillenkamer niet bevoegd is om over de gegevensinzameling d.d. 15 mei 2013 te oordelen 4. De Geschillenkamer kan zich voor deze feiten evenmin bevoegd verklaren op grond van de overgangsbepaling opgenomen in artikel 112 WOG 5, aangezien de klacht niet hangend was op het ogenblik van de inwerkingtreding van de voormelde wet van 3 december 2017. Hieromtrent preciseert de klager in zijn conclusie van repliek dat zijn klacht niet de oorspronkelijke gegevensverwerking door het openbaar ministerie viseert, maar wel de navolgende verwerking (zie hierna randnrs. 15 e.v.). Doordat de klager zelf aangeeft dat de oorspronkelijke gegevensinzameling door het openbaar ministerie niet ter discussie staat, vormt dit geen punt waarop de Geschillenkamer verder dient in te gaan. 13. Volledigheidshalve voegt de Geschillenkamer hieraan toe dat het loutere feit dat de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk werd verklaard, geenszins impliceert dat de Geschillenkamer bevoegd is om de klacht in zijn volledigheid te beoordelen. Overeenkomstig artikel 60, lid 2 WOG onderzoekt de Eerstelijnsdienst enkel en alleen de formele ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals opgenomen in deze bepaling6. Weliswaar toetst de Eerstelijnsdienst op globale wijze daarbij ook de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit, dewelke betrekking heeft op de klacht in zijn totaliteit, maar dit neemt niet weg dat de Geschillenkamer zelf de mate waarin zij bevoegd is in Art. 4. §1. De Gegevensbeschermingsautoriteit is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens. 3 Onverminderd de bevoegdheden van de Gemeenschaps- of Gewestregeringen, van de Gemeenschaps- of Gewestparlementen, van het Verenigd College of van de Verenigde Vergadering bedoeld in artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, oefent de Gegevensbeschermingsautoriteit deze opdracht uit op het grondgebied van het hele Koninkrijk, ongeacht welk nationaal recht op de betrokken verwerking van toepassing is. 4 Zie in dat verband: Beslissing ten gronde 19/2020 van 29 april 2020, Beslissing ten gronde 124/2021 van 10 november 2021. 5 Art. 112 WOG. Hoofdstuk VI is niet van toepassing op klachten of verzoeken die nog hangend zijn bij de Gegevensbeschermingsautoriteit op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet. De in het eerste lid bedoelde klachten of verzoeken worden door de Gegevensbeschermingsautoriteit, als rechtsopvolger van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, verder afgehandeld volgens de procedure van toepassing voor de inwerkingtreding van deze wet. 6 Art. 60. De eerstelijnsdienst onderzoekt of de klacht of het verzoek ontvankelijk is. Een klacht is ontvankelijk wanneer: - zij opgesteld is in één van de landstalen; - een uiteenzetting van de feiten bevat, alsook de nodige indicaties voor de identificatie van de verwerking waarop zij betrekking heeft; - zij behoort tot de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit. […] Beslissing ten gronde 105/2022 - 5/12 concreto kan afbakenen. Welnu, voor de feiten die zich hebben voorgedaan specifiek op 15 mei 2013, is de Geschillenkamer niet bevoegd omwille van de reden zoals hiervoor uiteengezet.
- b)Verwerking van persoonsgegevens verkregen door inzage in het strafdossier en aanwending ervan in de taxatieprocedure tegen klanten van de klager na 25 mei 2018 14. De persoonsgegevens die het voorwerp uitmaken van voorliggende klacht betreffen persoonsgegevens die werden ingezameld in het kader van een gerechtelijk onderzoek naar fiscale fraude, fiscale valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken. Aangezien de verwerking heeft plaatsgevonden door een bevoegde autoriteit op het gebied van het strafrecht, is hierop in beginsel de Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 7 van toepassing. Uit artikel 9.1 van de Richtlijn 2016/680/EU en Overweging 34 van deze Richtlijn8 volgt dat in geval de persoonsgegevens ingezameld met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten, worden doorgegeven aan een ontvanger, in casu de verweerder, die de betreffende gegevens verwerkt voor andere doeleinden dan die van de richtlijn, de AVG van toepassing is op de doorzending van de persoonsgegevens. Dit wordt door de partijen als dusdanig niet betwist. 15. Specifiek voor wat betreft het argument van de verweerder dat de AVG niet van toepassing is op de verwerking van de gegevens van de vennootschappen van de klanten van de klager met verwijzing naar overweging 14 van de AVG 9, wijst de Geschillenkamer erop dat de voorgehouden argumentatie voorbij gaat aan de definitie van het begrip 'persoonsgegeven' in artikel 4.1) AVG 10. Artikelen 1 en 2 van Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad. 7 8 Overweging 34 Richtlijn (EU) 2016/680. De verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid moet betrekking hebben op een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens voor die doeleinden, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés of anderszins, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, aligneren, combineren, aan verwerkingsbeperkingen onderwerpen, wissen of vernietigen van gegevens. Meer bepaald dienen de bepalingen van deze richtlijn van toepassing te zijn op de doorzending van persoonsgegevens met het oog op de doelstellingen van deze richtlijn aan een ontvanger die niet onder deze richtlijn valt. Onder ontvanger dient te worden verstaan, een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een agentschap of enig ander orgaan aan wie of waaraan de persoonsgegevens rechtmatig door de bevoegde autoriteit worden bekendgemaakt. Wanneer de persoonsgegevens in eerste instantie zijn verzameld door een bevoegde autoriteit voor een van de doeleinden van deze richtlijn, moet Verordening (EU) 2016/679 van toepassing zijn op de doorzending van die gegevens voor andere doeleinden dan die van deze richtlijn, indien deze verwerking is toegestaan bij het Unierecht of het lidstatelijke recht. Meer bepaald dienen de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 van toepassing te zijn op de doorgifte van persoonsgegevens voor doeleinden die niet onder deze richtlijn vallen. Verordening (EU) 2016/679 dient van toepassing te zijn op de verwerking van persoonsgegevens door een ontvanger die niet de bevoegde autoriteit is of die niet optreedt als bevoegde autoriteit in de zin van deze richtlijn en aan wie de persoonsgegevens rechtmatig zijn bekendgemaakt door een bevoegde autoriteit. Bij de uitvoering van deze richtlijn moeten de lidstaten ook de toepassing van de regels van Verordening (EU) 2016/679 nader kunnen bepalen, mits wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. Overweging 14 AVG. De bescherming die door deze verordening wordt geboden, heeft betrekking op natuurlijke personen, ongeacht hun nationaliteit of verblijfplaats, in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens. Deze verordening heeft geen betrekking op de verwerking van gegevens over rechtspersonen en met name als rechtspersonen gevestigde ondernemingen, zoals de naam en de rechtsvorm van de rechtspersoon en de contactgegevens van de rechtspersoon. 9 10 Artikel 4. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: Beslissing ten gronde 105/2022 - 6/12 Indien en in zoverre de gegevens betreffende een rechtspersoon dermate kenmerkend zijn voor de identiteit van een natuurlijke persoon waardoor deze identificeerbaar is, betreffen deze wel degelijk persoonsgegevens in de zin van artikel 4.1) AVG. 16. De verwerking waarvan sprake is in de klacht betreft persoonsgegevens van klanten van de klager dewelke door de verweerder worden verwerkt ná 25 mei 2018 in het kader van aanwijzingen van belastingontduiking. Deze verwerking valt weliswaar binnen het toepassingsgebied van de AVG, maar hierbij dient te worden benadrukt dat de persoonsgegevens van de klanten die beroep doen op de diensten van de klager bestaande uit het verstrekken van belastingadvies, niet kunnen worden gekwalificeerd als zijnde persoonsgegevens betreffende de klager zelf. In die optiek onderzoekt de Geschillenkamer hierna of er een voldoende belang aanwezig is in hoofde van de klager om voor wat betreft dit aspect een klacht te kunnen indienen. 17. Aangaande het belang in hoofde van de klager, wijst de Geschillenkamer op artikel 58 WOG waarin is opgenomen dat: ”Eenieder kan schriftelijk, gedateerd en ondertekend een klacht of een verzoek indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit”. In overeenstemming met artikel 60, alinea 2 WOG “is een klacht ontvankelijk wanneer zij: - opgesteld is in één van de landstalen; - een uiteenzetting van de feiten bevat, alsook de nodige indicaties voor de identificatie van de verwerking waarop zij betrekking heeft; - zij behoort tot de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit”. 18. De voorbereidende werkzaamheden van de WOG bepalen: ”De Gegevensbeschermingsautoriteit kan van eenieder klachten of verzoeken ontvangen; natuurlijke personen maar eveneens rechtspersonen, verenigingen of instellingen die een vermeende inbreuk van de verordening wensen aan te klagen. Een klacht of een verzoek aan de Gegevensbeschermingsautoriteit dient schriftelijk, gedateerd en door de daartoe bevoegde persoon ondertekend te zijn. Een verzoek moet in de brede zin van het woord geïnterpreteerd worden (vraag tot inlichting of toelichting, een verzoek om te bemiddelen, ...)”11. 1) „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon; […] Parl. doc., Kamer van Volksvertegenwoordigers, 2016-2017, DOC 54 2648/001, p.40 (opmerking bij artikel 58 van het oorspronkelijke wetsontwerp). 11 Beslissing ten gronde 105/2022 - 7/12 19. De WOG sluit aldus niet uit dat een andere persoon dan de betrokkene of de persoon die door de betrokkene gemachtigd is, zoals bedoeld in artikel 220 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, een klacht kan indienen bij de Autoriteit. 20. Hoewel de AVG de 'klacht' benadert vanuit het standpunt van de betrokkene, door de controleautoriteiten verplichtingen op te leggen wanneer een persoon een klacht indient (zie de artikelen 57, 1.,
- f)en 77 van de AVG), belet de AVG niet dat het nationaal recht andere personen dan de betrokkenen de mogelijkheid geeft om een klacht in te dienen bij de nationale controleautoriteit. De mogelijkheid van een dergelijke aanhangigmaking stemt overigens overeen met de opdrachten die door de AVG aan de controleautoriteiten worden toegekend. In dat opzicht en algemeen genomen, zorgt elke controleautoriteit voor: de monitoring en handhaving van de toepassing van de AVG (artikel 57, 1.,
- a)AVG), en de verrichting van alle andere taken die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens (artikel 57, 1.,
- v)AVG) 12. 21. De Geschillenkamer oordeelt in dat opzicht dat artikel 58 WOG elke persoon de mogelijkheid geeft om een klacht in te dienen, op voorwaarde dat hij er voldoende belang bij heeft overeenkomstig voormelde bepalingen van de AVG13. 22. De voorwaarde is dus wel dat de klager blijkt geeft van een voldoende belang. Dienaangaande dient de Geschillenkamer vast te stellen dat de klager louter gewag maakt van een commercieel belang bestaande uit het verlies van vertrouwelijkheid van de klantgegevens aangewend door de verweerder voor taxatiedoeleinden gericht op de klanten, met reputatieschade in hoofde van de klager tot gevolg waarbij hij aangeeft dat klanten in bepaalde gevallen hem de deur hebben gewezen. 23. De klager blijkt zonder meer een commercieel belang na te streven wat niet als afdoende kan worden beschouwd. Het louter nastreven van een commercieel belang volstaat immers niet om te doen blijken van een voldoende belang, dit bij gebrek aan enig concreet element dat is te onderscheiden van dit op zichzelf staand commercieel belang, hetwelk de klager in verband zou kunnen brengen met de gegevensverwerking door de verweerder voor wat betreft de persoonsgegevens van het cliënteel. De feitelijke elementen van het dossier tonen niet aan dat de klager over een belang inzake gegevensbescherming beschikt dat overeenstemt met het belang van de klanten waartegen nog een gerechtelijke geschillenprocedure hangende is. Uit het loutere feit dat de gegevensverwerking door de verweerder betrekking heeft op persoonsgegevens van klanten van de klager vloeit immers niet automatisch voort dat de klager ipso facto beschikt over enig belang aangaande die gegevensverwerking door de verweerder. In tegenstelling tot wat de 12 13 In dezelfde zin: Beslissing ten gronde 30/2020 van 8 juni 2020 Zie in dezelfde zin: Beslissing ten gronde 80/2020 van 17 september 2020; Beslissing ten gronde 63/2021 van 01 juni 2021; Beslissing ten gronde 117/2021 van 22 oktober 2021; Beslissing 49/2022 van 5 april 2022 Beslissing ten gronde 105/2022 - 8/12 klager aanvoert, worden de klantgegevens geenszins gegevens die betrekking hebben op de klager enkel en alleen doordat de klantgegevens door hem worden verwerkt in het kader van zijn zelfstandige beroepsactiviteit en afkomstig zijn uit het originele bestand, zijnde het strafdossier lastens hemzelf. De klager maakt onvoldoende aannemelijk dat er in zijnen hoofde sprake is van een belang dat samenvalt met het belang van deze klanten, zodat hij niet op eigen initiatief klacht kan indienen omtrent de gegevensverwerking die op de klanten betrekking heeft. Bovendien beschikt hij evenmin over enige vertegenwoordigingsbevoegdheid op dit vlak voor de betreffende klanten. 24. Daarenboven hebben de klanten die specifiek in de klacht worden vermeld, met name het echtpaar Z, met de verweerder reeds op 8 mei 2020 een akkoord gesloten waardoor het onderzoek naar hen werd beëindigd. Het echtpaar Z heeft in dat verband zelf geen klacht inzake mogelijke inbreuk op bescherming van hun persoonsgegevens opgeworpen. 25. Bijgevolg is het belang in hoofde van de klager om dit alsnog te doen onbestaande, gelet op de akkoordverklaring van de heer en mevrouw Z en het daaruit voortvloeiende gebrek aan belang in hunnen hoofde om zelf klacht in te dienen met betrekking tot de verwerking van hun persoonsgegevens door de verweerder. 26. Doordat de klager nalaat het bestaan van een voldoende belang in zijnen hoofde aannemelijk te maken teneinde zijn klacht te laten behandelen door de Gegevensbeschermingsautoriteit, gaat de Geschillenkamer over tot het vaststellen van de non-conformiteit met de procedureregels door de verklaring van ontvankelijkheid van de klacht en de daaropvolgende behandeling van de klacht. 27. Gelet op het feit dat de klager niet aantoont dat hij over een belang beschikt dat voldoende concreet is om klacht te kunnen indienen, stelt de Geschillenkamer daarenboven vast dat de klager ook niet over de hoedanigheid beschikte om klacht te kunnen indienen en dat de volledige procedure bijgevolg is aangetast door de afwezigheid niet louter van belang, maar ook van hoedanigheid in hoofde van de klager.
- c)Verwerking van persoonsgegevens betreffende de klager na 25 mei 2018 28. De verweerder beaamt dat de naam en voornaam van de klager voorkomen in de voorafgaande kennisgevingen van aanwijzingen van belastingontduiking en het bericht van wijziging en bijkomend zijn naam, voornaam, geboortedatum en adres voorkomen in de processen-verbaal uit het strafdossier die in bijlage aan de berichten uitgaande van verweerder zijn toegevoegd. 29. De voormelde gegevens vallen onder de notie persoonsgegevens zoals gedefinieerd in artikel 4.1) AVG, dewelke worden verwerkt in de zin van artikel 2. 1 AVG. Niet alleen elke geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde gegevensverwerking valt onder het toepassingsgebied van de AVG, maar ook elke verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen. Hoewel de verweerder tracht aan te tonen dat deze gegevens geen Beslissing ten gronde 105/2022 - 9/12 deel uitmaken van een bestand zoals gedefinieerd in artikel 4.6) AVG door te stellen dat de kennisgevingen tot uitbreiding van de onderzoekstermijn, de vragen om inlichtingen noch het bericht van wijziging noch de bijlagen op zichzelf een gestructureerd geheel van persoonsgegevens vormen die via criteria toegankelijk zijn, dient de Geschillenkamer erop te wijzen dat de voormelde documenten deel uitmaken niet alleen van het initiële strafdossier lastens de klager, maar ook integraal zijn opgenomen in het taxatiedossier beheerd door de verweerder waarvan vaststaat dat dit volgens specifieke criteria is gestructureerd, hetwelk dus wel degelijk een bestand uitmaakt 14. Immers, een overheidsdienst zoals de verweerder beheert per definitie meerdere dossiers, waarbij deze dossiers alsook elk dossier op zichzelf beschouwd noodzakelijkerwijs dienen te zijn gestructureerd op zodanige wijze dat deze volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn. Hieruit volgt dat de AVG op de gegevensverwerking aangaande de klager van toepassing is. 30. Echter, het dossier waarin de documenten met de persoonsgegevens van de klager zijn opgenomen, werd ter beoordeling voorgelegd door de verweerder als zijnde partij in de nog hangende fiscale procedure ten aanzien van sommige klanten. De verwerking van de persoonsgegevens van de klager moeten binnen een ruimere context worden geplaatst, waaraan een fiscaal geschil ten grondslag ligt en waarvan de gegevensverwerking integraal deel uitmaakt. De stukken die partijen hebben bijgebracht in de procedure liggen immers thans ter beoordeling voor aan de rechter ten gronde die aldus als verwerkingsverantwoordelijke moet worden aangemerkt met betrekking tot het dossier dat alle aan hem overgemaakte stavingsstukken bevat betreffende het fiscaal geschil tussen partijen, waaronder dus ook de documenten met persoonsgegevens betreffende de klager. In die optiek oordeelt de Geschillenkamer dat zij overeenkomstig artikel 55.3 AVG15 juncto artikel 4, § 2 WOG16 niet kan oordelen over een deelaspect dat weliswaar betrekking heeft op documenten waarin de persoonsgegevens van de klager worden verwerkt, maar dat als onderdeel van het hoofdgeschil reeds het voorwerp uitmaakt van een hangende gerechtelijke procedure 17. Anders oordelen zou tot gevolg hebben dat de Overweging 15 AVG: “Om te voorkomen dat een ernstig risico op omzeiling zou ontstaan, dient de bescherming van natuurlijke personen technologieneutraal te zijn en mag zij niet afhankelijk zijn van de gebruikte technologieën. De bescherming van natuurlijke personen dient te gelden bij zowel geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens als handmatige verwerking daarvan indien de persoonsgegevens zijn opgeslagen of bedoeld zijn om te worden opgeslagen in een bestand. Dossiers of een verzameling dossiers en de omslagen ervan, die niet volgens specifieke criteria zijn gestructureerd, mogen niet onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen.” 14 A contrario, dossiers of een verzameling dossiers die wel volgens specifieke criteria zijn gestructureerd, vallen wel onder het toepassingsgebied van de AVG. Zie ook het Arrest van de Raad van State nr. 91.531 van 11 december 2000 in de zaak A. 69.056/IX-2103, Dewinter/Belgische Staat: dat, immers, vrijwel alle overheidsdocumenten het voorwerp uitmaken van een geautomatiseerde of manuele rangschikking in "bestanden"- in het Frans "fichier" - welke ernaar verwijzen; 15 Artikel 55. 3 AVG. Toezichthoudende autoriteiten zijn niet competent toe te zien op verwerkingen door gerechten bij de uitoefening van hun rechterlijke taken. 16 Artikel 4, § 2 WOG. Het toezicht dat door deze wet wordt georganiseerd heeft geen betrekking op de verwerkingen door de hoven en rechtbanken alsook door het openbaar ministerie bij de uitoefening van hun gerechtelijke taken. 17 Zie in die zin het arrest van 24 maart 2022 HvJ EU - zaak C-245/20 tegen Autoriteit Persoonsgegevens: “32. Zoals de advocaat-generaal in de punten 80 en 81 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt uit de bewoordingen van overweging 20 van verordening 2016/679 zelf, en met name uit het gebruik van het woord „waaronder”, dat de draagwijdte van de door artikel 55, lid 3, van deze verordening nagestreefde doelstelling om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de uitvoering van haar rechterlijke Beslissing ten gronde 105/2022 - 10/12 Geschillenkamer de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de uitoefening van haar rechterlijke taken, meer bepaald op het vlak van de besluitvorming, in het gedrang zou brengen 18. Het spreekt voor zich dat dit geenszins de bedoeling kan zijn.
- d)Beroepsgeheim en gebruik van het boekhoudprogramma 31. De stukken die de verweerder heeft verkregen uit het strafdossier lastens de klager zijn volgens de klager verkregen door de verweerder met miskenning van het beroepsgeheim waartoe de klager is gehouden. 32. De klager werpt op dat de klantgegevens vallen onder zijn beroepsgeheim en aldus niet kunnen worden verwerkt voor taxatiedoeleinden ten aanzien van de betreffende klanten. Hiervoor baseert de klager zich op de beslissing van de Raad van het Instituut van accountants en belastingconsulenten (IAB) van 17 mei 2016 waarin is opgenomen dat: "[…] indien de fiscale administratie bij een controle van een fiscale of boekhoudkundige raadgever principieel geheime gegevens zou ontdekken die hij zou kunnen afwenden om derden te belasten, hij daarvan moet afzien. Deze gegevens zijn in principe gedekt door het beroepsgeheim en kunnen enkel gebruikt worden ten aanzien van de belastingplichtige, zijnde het lid van het IAB. De Raad gaat verder door te stellen dat de belastingplichtige, in casu de klager, haar medewerking aan de vraag om inlichtingen niet kan weigeren louter omwille van haar beroepsgeheim, maar wel het recht heeft dit op een wijze te organiseren die de identiteit van haar cliënteel en de inhoud van haar werkzaamheden beschermt. De belastingplichtige mag volgens de Raad niet onverkort het beroepsgeheim inroepen, maar dient na het anonimiseren van de cliënt en de aard van de prestaties wel degelijk het bewijs van het waarschijnlijk karakter van de uitgave, zoals gevraagd door de AABBI, te leveren. taken te waarborgen, niet beperkt kan blijven tot het waarborgen van de rechterlijke onafhankelijkheid bij de vaststelling van een specifieke rechterlijke beslissing. 33. Het behoud van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht veronderstelt in het algemeen immers dat de rechterlijke instanties hun rechterlijke taken volledig autonoom uitoefenen, zonder enig hiërarchisch verband en zonder ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd zijn tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van hun leden in aan hen voorgelegde geschillen in gevaar zou kunnen brengen. De eerbiediging van de krachtens het Unierecht vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid veronderstelt dat er regels bestaan die geschikt zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen dat de betrokken instantie zich niet laat beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig is ten opzichte van de betrokken belangen […]. 34. De verwijzing in artikel 55, lid 3, van verordening 2016/679 naar verwerkingen door gerechten „bij de uitoefening van hun rechterlijke taken” moet in de context van deze verordening derhalve aldus worden opgevat dat zij niet enkel ziet op verwerkingen van persoonsgegevens door gerechten in het kader van concrete zaken, maar in ruimere zin betrekking heeft op alle verwerkingen door gerechten in het kader van de uitoefening van hun rechterlijke werkzaamheden, zodat verwerkingen waarbij het toezicht door de toezichthoudende autoriteit direct of indirect van invloed kan zijn op de onafhankelijkheid van hun leden of op hun beslissingen, buiten de competentie van deze autoriteit vallen.” Overweging 20 AVG. Hoewel de onderhavige verordening onder meer van toepassing is op de activiteiten van gerechten en andere rechterlijke autoriteiten, zouden in het Unierecht of het lidstatelijke recht de verwerkingen en verwerkingsprocedures met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens door gerechten en andere rechterlijke autoriteiten nader kunnen worden gespecificeerd. De competentie van de toezichthoudende autoriteiten mag zich niet uitstrekken tot de verwerking van persoonsgegevens door gerechten in het kader van hun gerechtelijke taken, zulks teneinde de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de uitoefening van haar rechterlijke taken, waaronder besluitvorming, te waarborgen. Het toezicht op die gegevensverwerkingen moet kunnen worden toevertrouwd aan specifieke instanties binnen de rechterlijke organisatie van de lidstaat, die met name de naleving van de regels van deze verordening moeten garanderen, leden van de rechterlijke macht van hun verplichtingen krachtens deze verordening sterker bewust moeten maken, en klachten met betrekking tot die gegevensverwerkingen moeten behandelen.[Eigen onderlijning] 18 Beslissing ten gronde 105/2022 - 11/12 33. Dienaangaande merkt de Geschillenkamer op dat de voormelde beslissing van de Raad van het IAB werd genomen naar aanleiding van het verzoek van de AABBI op grond van artikel 334 WIB om te beoordelen of, en gebeurlijk in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en bescheiden verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim. 34. Niet alleen heeft de klager geweigerd om zelf aan de AABBI de gevraagde inlichtingen te verstrekken na anonimisering van de cliënt en de aard van de prestaties, maar tracht hij ook de beslissing van de Raad van het IAB omtrent het beroepsgeheim door te trekken naar de inlichtingen die de AABBI heeft verkregen op enige andere wijze dan via de vermelde vraag om inlichtingen die werd gesteld aan de klager. Het staat vast dat de verweerder de gegevens betreffende de klanten niet heeft verkregen via de vraag om inlichtingen die door de verweerder werd gesteld aan de klager en waaromtrent de verweerder het advies heeft ingewonnen van het IAB. De verweerder is wel in het bezit gekomen van informatie aangaande de klanten van de klager door middel van inzage van het strafdossier op grond van artikel 327, §1 WIB om vervolgens over te gaan tot taxatie van de betreffende klanten. De klager wendt de beslissing van het IAB aan om te stellen dat het beroepsgeheim werd geschonden waardoor de verweerder wederrechtelijk in het bezit zou zijn gekomen van informatie aangaande de klanten van de klager. De Geschillenkamer kan enkel vaststellen dat de beslissing van het IAB omtrent het beroepsgeheim enkel betrekking heeft op de vraag om inlichtingen door de verweerder gericht aan de klager zelf. Er is geen enkele vaststelling van schending van het beroepsgeheim omtrent de wijze waarop de verweerder wel de gegevens heeft verkregen, namelijk door middel van inzage in het strafdossier. Aangezien het niet aan de Geschillenkamer toekomt om zich uit te spreken over de al dan niet schending van het beroepsgeheim naar aanleiding van de inzage in het strafdossier (artikel 55.3 AVG juncto artikel 4, § 2 WOG19), kan zij ook niet beoordelen of de aldus verkregen persoonsgegevens al dan niet rechtmatig worden verwerkt door de verweerder. Enkel indien de rechter ten gronde tot schending van het beroepsgeheim zou besluiten, dan kan de Geschillenkamer vervolgens op haar beurt de gegevensverkrijging in hoofde van de verweerder toetsen aan de beginselen van de AVG inzake rechtmatigheid en minimale gegevensverwerking waar de klager om verzoekt. 35. De klager voert verder ook nog aan dat de verweerder de klantgegevens verkregen uit het strafdossier heeft verwerkt aan de hand van een door de klager zelf gecreëerd boekhoudprogramma om op die manier boekhoudkundige stukken - waarvan klager het bestaan betwist - te produceren op grond waarvan de betreffende klanten van fraude worden beschuldigd. Dienaangaande merkt de Geschillenkamer op dat de beoordeling van de bewijswaarde van de door de verweerder via inzage verkregen gegevens, de betrouwbaarheid ervan en de eventuele gevolgtrekkingen dewelke op basis van die gegevens kunnen worden afgeleid, behoren tot het 19 Zie hierboven randnr. 30. Beslissing ten gronde 105/2022 - 12/12 fiscale hoofdgeschil en bijgevolg toekomen aan de rechter ten gronde (artikel 55, § 3 AVG juncto artikel 4, § 2 WOG20). 36. Ten slotte merkt de Geschillenkamer op dat in zoverre de klager opwerpt dat ook de verwerking van persoonsgegevens betreffende zijn echtgenote wordt geviseerd, de klager geen stuk bijbrengt waaruit blijkt dat hij over vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikt dienaangaande. Bijgevolg gaat de Geschillenkamer niet verder in op dit punt. III. Publicatie van de beslissing 37. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens van de klager rechtstreeks worden bekendgemaakt. Echter, uit de aard van de klacht vloeit ipso facto voort dat de identiteit van de verweerder kenbaar is, zodanig dat deze als dusdanig wordt vermeld in de beslissing. OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om op grond van artikel 100, §1, 1° WOG, de klacht te seponeren gelet op het feit dat er dienaangaande geen inbreuk op de AVG kan worden vastgesteld. Tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, §1 WOG, beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. (Get). Hielke Hijmans Voorzitter van de Geschillenkamer 20 Zie hierboven randnr. 30. bij het Marktenhof, met de