1/11 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 106/2022 van 27 juni 2022 Dossiernummer : DOS-2020-00262 Betreft: Klacht omtrent de informatieplicht en de functionaris voor gegevensbescherming De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Jelle Stassijns, leden. Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: De heer X, hierna “de klager” De verweerder: Y, hebbende als raadslieden Mr. Matthias Vierstraete, advocaat, Mr. Julie Van Com, advocaat en Mr. Géraldine Demaré, advocaat, allen kantoorhoudende te 1930 Zaventem, Gateway hierna “de verweerder”. Building Brussels National Airport 1J, Beslissing ten gronde 106/2022 - 2/11 I. 1. Feiten en procedure Op 16 januari 2020 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen verweerder. Het voorwerp van de klacht betreft een vermeende inbreuk op het recht op transparante informatie en een schending met betrekking tot de functionaris voor gegevensbescherming door de verweerder. De klacht bevat volgende bezwaren met betrekking tot het privacyreglement van de verweerder: a. De klager stelt dat het privacyreglement van de verweerder enkel beschikbaar is in het Nederlands terwijl de verweerder wellicht ook persoonsgegevens verwerkt van patiënten die geen Nederlands begrijpen. b. Het privacyreglement van de verweerder hanteert volgens de klager een structuur en juridisch taalgebruik die niet transparant en begrijpelijk is voor de patiënten. Er wordt niet gewerkt met diverse informatielagen waaruit meteen de meest praktische informatie blijkt. Er is geen inhoudstafel en sommige zinnen zijn erg lang. c. Het privacyreglement verwijst nog naar de opgeheven wet van 8 december 1992. d. Er wordt niet verduidelijkt hoe de betrokkenen worden geïnformeerd over de wijzigingen in het privacyreglement van de verweerder. e. De informatie over de rechtsgronden is volgens de klager niet duidelijk (artikel 5 van het privacyreglement van de verweerder). Er is geen koppeling tussen doeleinden (verwerkingen) en een concrete rechtsgrond onder artikel 6 AVG. De woorden “onder meer” scheppen verder onduidelijkheid, en impliceren dat er sprake zou kunnen zijn van het aanhouden van een dubbele rechtsgrond voor eenzelfde verwerking, wat niet kan worden beschouwd als een eerlijke verwerking. f. De contactgegevens van de functionaris staan niet in het privacyreglement van de verweerder (artikel 37.7 AVG), maar wel op een webpagina die enkel te vinden is onder de rubriek “patiënten” > Aansprakelijkheid, rechten en reglement > Bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dit roept ook de vraag op of wordt gewaakt over de consistentie tussen het privacyreglement van de verweerder en de andere documenten van de verweerder. g. De rechten van de betrokkene moeten worden uitgeoefend bij de ombudsdienst (artikel 16, § 9 van het privacyreglement van de verweerder), terwijl artikel 38, lid 4 AVG stelt: “Betrokkenen kunnen met de functionaris voor gegevensbescherming contact opnemen over alle aangelegenheden die verband houden met de verwerking van hun gegevens en met de uitoefening van hun rechten uit hoofde van deze verordening.”. Beslissing ten gronde 106/2022 - 3/11 h. Indien er een voornemen / mogelijkheid is van internationale doorgifte van persoonsgegevens aan een derde land of internationale organisatie, dan wordt niet vermeld of zal worden gewerkt op basis van een adequaatheidsbesluit van de Europese Commissie of passende of geschikte waarborgen waarvan de betrokkene een kopie kan krijgen en waar de betrokkene deze kan raadplegen (cf. het artikel 13.1
- f)en 14.1
- f)AVG vs. de beperkte inhoud van artikel 9 paragraaf 2 van het privacyreglement van de verweerder “dan zal de patiënt bijkomende informatie ontvangen”). 2. Op 17 januari 2020 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 3. Op 7 februari 2020 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst, samen met de klacht en de inventaris van de stukken. 4. Op 17 januari 2022 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het verslag bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de inspecteur-generaal overgemaakt aan de Voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG). Het verslag bevat vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht en komt tot het volgende besluit: a. Voor wat betreft de inbreuk op artikel 12, lid 1 en 13 AVG: “Op basis van de specifieke elementen in dit concrete dossier stelt de Inspectiedienst een schending vast van de artikelen 12 en 13 AVG. Bij het beëindigen van het inspectieonderzoek was de verweerder geconformeerd voor artikel 12 AVG. Gezien de bereidheid van de verweerder en gezien de situatie werd geregulariseerd voor artikel 12 en deels al voor artikel 13 AVG, meent de Inspectiedienst dat deze onregelmatigheid deels zou kunnen afgesloten worden.” Voor artikel 13 AVG zijn nog volgende tekortkomingen die gezien kunnen worden als een non-conformiteit: - De verwerkingen gebaseerd op de rechtsgrond 6.1.
- c)AVG waren niet compleet bij gebrek aan concrete informatie over alle verwerkingsdoeleinden van persoonsgegevens (wifi, CCTV camera’s, opname van gesprekken) werden voorzien (cf. artikel 13.1.
- c)AVG); - Geen duidelijke informatie over welke passende of geschikte waarborgen genomen worden bij -doorgifte aan een derde land of internationale organisatie. Er wordt niet Beslissing ten gronde 106/2022 - 4/11 vermeld hoe een kopie van deze passende of geschikte waarborgen kan worden verkregen of waar ze kunnen worden geraadpleegd (cf. artikel 13.1.
- f)AVG); - De specifieke bewaarperiodes van alle verwerkingsdoeleinden (cf. artikel 13.2.
- a)AVG). b. Voor wat betreft de inbreuk op artikel 13.1.b), artikel 14.1.b), artikel 37.7 en artikel 38.4 AVG: “Op basis van de specifieke elementen in dit concreet dossier stelt de Inspectiedienst een schending vast van de artikelen 13.1.b), 14.1,b), 37.7 en 38.4 AVG. Gezien de bereidheid van de verweerder en gezien de situatie werd geregulariseerd, meent de Inspectiedienst dat deze onregelmatigheid zou kunnen afgesloten worden.” Het verslag bevat eveneens vaststellingen buiten het voorwerp van de klacht en besluit dat er sprake is van een inbreuk op artikel 30 AVG (het register van verwerkingsactiviteiten). Hieromtrent stelt de Inspectiedienst vast dat: - de verwerkingsverantwoordelijke over een register van de verwerkingsactiviteiten (met procedure voor het gebruik ervan) beschikt. Dit register is opgesteld in een elektronische – schriftelijke vorm via een Microsoft applicatie (SharePoint); - de verwerkingsverantwoordelijke de wil heeft de Inspectiedienst indien gewenst toegang te geven tot hun interne Microsoft applicatie (SharePoint), maar dat de verwerkingsverantwoordelijke niet in staat is eenvoudigweg het register via een kopie of extract ter beschikking te stellen: “te verstrekken” aan de Inspectiedienst. - het huidig register van de verwerkingsactiviteiten niet duidelijk is; - het register van de verwerkingsactiviteiten een softwareapplicatie is die geen globale lijst met informatie kan afleveren en op basis van de verkregen informatie, die kan omschreven worden als een puzzel van diverse losse kopieën van lijsten en schermafdrukken, het register van de verwerkingsactiviteiten niet uniek is en op deze wijze moeilijk te interpreteren; - de verkregen schermafdrukken en lijsten als bijlagen afgeleverd werden zonder het onderliggende verband tussen de bestanden uit te leggen. Zo is het moeilijk te begrijpen hoe deze verschillende schermafdrukken en lijsten één geheel zouden vormen. Er is ook een verschil in lay-out tussen de schermafdrukken en lijsten als antwoord op vraag 5 en vraag 9c van het schrijven van 25 maart 2020 maar ook tussen de informatie in het register van de verwerkingsactiviteiten voor de beveiligingscamera’s cf. vraag 12 van het schrijven van 25 maart 2020 van de Inspectiedienst; Beslissing ten gronde 106/2022 - 5/11 - de verstrekte informatie van het register van de verwerkingsactiviteiten van de verweerder behalve voor de verwerkingsactiviteit van de beveiligingscamera’s onvolledig is. De volgende informatie in het register van de verwerkingsactiviteiten is niet zichtbaar: o volgende verwerkingsdoeleinden, cf. artikel 30, lid 1,
- b)AVG, ontbreken in de volledige overzichtslijst van “bijlage 5b5: Overzicht verwerkingsactiviteiten m.b.t. persoonsgegevens van patiënten” van het schrijven van de verwerkingsverantwoordelijke van 23 april 2020: ▪ gebruik van de website– verwerkingen op basis van cookie- en tracingtechnologie; ▪ (beveiligings-)camerabeelden in de gebouwen van de verweerder waar de patiënt aan blootgesteld wordt; ▪ de WIFI/telecom/telefonie/internet infrastructuur en de logging van het “gebruik” van de patiënt; ▪ o opgenomen telefoongesprekken van de patiënt; een beschrijving van de categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, cf. artikel 30, lid 1,
- d)AVG; o een indicatie indien van toepassing en de beschrijving voor de doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie, met inbegrip van de vermelding van dat derde land of die internationale organisatie en, in geval van de in artikel 49, lid 1, tweede alinea, AVG bedoelde doorgiften, de documenten inzake de passende waarborgen, cf. artikel 30, lid 1,
- e)AVG; o een beschrijving van de beoogde termijnen waarbinnen de verschillende categorieën van gegevens moeten worden gewist cf. artikel 30, lid 1,
- f)AVG. De Inspectiedienst nuanceert hier de verplichting door te vermelden dat de woorden “indien mogelijk” wijzen op het “niet verplicht” karakter om deze informatie toe te voegen in het register van de verwerkingsactiviteiten. Evenwel werd deze informatie niet bij de te verstrekken informatie volledig voorzien; o een beschrijving van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen cf. artikel 30, lid 1,
- g)AVG. De Inspectiedienst nuanceert hier de verplichting door te vermelden dat de woorden “indien mogelijk” wijzen op het “niet verplicht” karakter om deze informatie toe te Beslissing ten gronde 106/2022 - 6/11 voegen in het register van de verwerkingsactiviteiten. Evenwel werd deze informatie niet bij de te verstrekken informatie volledig voorzien. 5. Op 7 februari 2022 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 6. Op 7 februari 2022 worden de betrokken partijen per e-mail in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd vastgelegd op 21 maart 2022, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 11 april 2022 en ten slotte deze voor de conclusie van dupliek van de verweerder op 2 mei 2022. 7. Op 7 februari 2022 aanvaardt de verweerder de elektronische communicatie omtrent de zaak en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. 8. Op 8 februari 2022 aanvaardt de klager de elektronische communicatie omtrent de zaak. 9. Op 10 februari 2022 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (artikel 95, §2, 3° WOG), hetwelk werd overgemaakt op 16 februari 2022 10. Op 21 maart 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerder voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht. Vooreerst werpt de verweerder op dat de klager niet bewijst dat zijn persoonsgegevens door de verweerder verwerkt werden of dat hij een bepaald voordeel of een bepaalde dienst niet heeft verkregen door zijn toestemming te weigeren voor de verwerking van zijn persoonsgegevens door de verweerder. Er bestaat dus geen belang in hoofde van de klager, aldus de verweerder. Voor wat betreft de inhoud van het Inspectieverslag laat de verweerder gelden zich steeds productief te hebben opgesteld, waarbij wordt verwezen naar het Inspectieverslag waarin ook wordt aangegeven dat verschillende van de bezwaren reeds verholpen waren voor het afsluiten van het inspectieonderzoek. De verweerder beperkt zich in zijn conclusies dan ook tot de bezwaren die in het inspectieverslag weerhouden werden. Voor wat betreft de verwerkingsdoeleinden heeft de verweerder informatie over de rechtsgronden verschaft indien deze plaatsvinden in het kader van toepasselijke wet- en regelgeving. Daarnaast wordt de categorie van persoonsgegevens ‘identiteit van de beller’ nog verder uitgewerkt. Er zal ook expliciet worden bepaald dat telefoongesprekken kunnen worden opgenomen indien dit noodzakelijk is in het kader van een strafprocedure. Vervolgens wordt er nu in de privacyverklaring ook een onderscheid gemaakt tussen de Beslissing ten gronde 106/2022 - 7/11 bewaartermijnen op basis van de persoonsgegevens. Voor wat betreft het onderscheid in bewaartermijnen tussen medische gegevens en verpleegkundige gegevens, stelt de verweerder dat dit onderscheid in de praktijk niet eenvoudig te maken is aangezien deze gegevens zeer nauw met elkaar verbonden zijn. Tot slot verwijst de verweerder naar de privacyverklaring waar de concrete informatie en de verwerkingsdoeleinden van de camerabeelden worden voorzien. Voor wat betreft de functionaris voor gegevensbescherming stelt de verweerder dat de Inspectiedienst in de Privacyverklaring van 25 januari 2021 kon vaststellen dat de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming werden voorzien. Voor wat betreft de inbreuk op artikel 13.1.
- f)AVG stelt de verweerder dat het onduidelijk is hoe dit artikel moet geïnterpreteerd worden. De verweerder benadrukt de aangenomen constructieve houding en stelt bereid te zijn de privacyverklaring aan te passen indien dit door de Geschillenkamer opportuun wordt geacht. Dit wordt aangetoond met een ontwerp van clausule hieromtrent die nog door het Directiecomité en het Bestuurscomité moet goedgekeurd worden. 11. Op 23 maart 2022 ontvangt de Geschillenkamer bevestiging van de klager dat hij geen conclusies zal indienen en zich aansluit bij de bevindingen van het Inspectieverslag. 12. Op 25 april 2022 ontvangt de Geschillenkamer mededeling van de verweerder geen conclusies van dupliek in te dienen, gelet op het feit dat de klager geen conclusies van repliek heeft ingediend. 13. Op 21 maart 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerder voor wat betreft de vaststellingen buiten het voorwerp van de klacht. In hoofdorde stelt de verweerder dat het Inspectieverslag ontoelaatbaar is en uit de procedure geweerd moet worden. De verweerder voert aan dat de middelen die werden aangewend door de Inspectiedienst, voorbijgaan aan hetgeen passend en noodzakelijk is in het kader van dergelijk onderzoek (cf. artikel 64, §2 WOG). De vragen die tijdens het onderzoek gesteld werden waren te verregaand en niet proportioneel hetgeen de rechten van verdediging raakt, aldus de verweerder. Daarnaast stelt de verweerder ook dat het onderzoek en de vaststellingen buiten het voorwerp van de klacht niet mochten gedeeld worden met de klager, gelet op het geheim van het onderzoek. Ondergeschikt voert de verweerder aan dat de klacht ongegrond is en dus geseponeerd moet worden. Ten eerste stelt de verweerder te hebben voldaan aan de verplichting tot het verstrekken van het register. Hoewel het Inspectieverslag vermeldt dat de verweerder niet in staat is om een volledig extract of kopie ter beschikking te stellen, meent de verweerder dat de AVG nergens voorschrijft hoe een register van verwerkingsactiviteiten ter beschikking moet gesteld worden aan een toezichthoudende autoriteit. In de tekst van de Beslissing ten gronde 106/2022 - 8/11 AVG is er sprake van ‘het toegankelijk maken’, niet van ‘het overhandigen’ van het register van verwerkingsactiviteiten. De verweerder werpt op verschillende keren te hebben voorgesteld aan de Inspectiedienst om toegang te verlenen tot het volledige register van verwerkingsactiviteiten via Sharepoint, om bijkomende informatie te bezorgen over bepaalde verwerkingsactiviteiten of externe verwerkers en om aan de verweerder steekproefsgewijs vragen te stellen over verwerkingsactiviteiten in het register van verwerkingsactiviteiten. Bovendien kon de Inspectiedienst ook ter plaatse komen om onderzoeken te verrichten overeenkomstig artikel 66, 4° WOG. Ten tweede stelt de verweerder dat de Inspectiedienst besluit dat de hierboven vermelde elementen niet zichtbaar zijn in het register van verwerkingsactiviteiten. Het bestaan van de informatie wordt niet betwist, maar wel dat deze informatie per verwerkingsactiviteit in de verstrekte extracten niet zichtbaar was. De verweerder benadrukt veel waarde te hechten aan het register van verwerkingsactiviteiten dat bijzonder omvangrijk en gedetailleerd is. Iedere verwerkingsactiviteit uit het register van verwerkingsactiviteiten wordt verder in detail uitgewerkt in verschillende tabbladen die allen de elementen van artikel 30, 1 AVG vermelden. Ten derde voert de verweerder argumenten aan om de vaststellingen uit het Inspectieverslag dat er geen informatie terug te vinden zou zijn omtrent verschillende specifieke verwerkingen te weerleggen. Aan de hand van enkele concrete voorbeelden illustreert de verweerder hoe met de huidige softwaretoepassing alle informatie geraadpleegd kan worden. Tot slot voert de verweerder aan de softwaretoepassing Sharepoint te hebben verwerkingsactiviteiten gekozen omdat van voor en de dit een goed verweerder intern beheer van alle mogelijk maakt op een gebruiksvriendelijke wijze. Inmiddels is de verweerder overgeschakeld naar een andere softwaretoepassing, namelijk Coach2Lead, waarbij specifiek rekening gehouden wordt met de wensen van de Inspectiedienst om het gehele register op een gemakkelijke manier te kunnen overhandigen aan de toezichthoudende autoriteit. 14. Op 2 juni 2022 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 9 juni 2022. 15. Op 9 juni 2022 wordt de verschenen partij gehoord door de Geschillenkamer. Tijdens de hoorzitting heeft de verweerder toegelicht welke stappen zij reeds genomen heeft op vlak van gegevensbescherming sinds de indiening van de klacht en het Inspectieonderzoek. Zo kan de Geschillenkamer tijdens de hoorzitting vaststellen dat zo goed als alle grieven uit de klacht en werkpunten uit het Inspectieverslag door de verweerder werden aangepakt. 16. Op 10 juni 2022 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen overgemaakt. 17. Op 15 juni 2022 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de verweerder enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. Beslissing ten gronde 106/2022 - 9/11 II. Motivering 18. Aangaande het belang in hoofde van de klager verwijst de Geschillenkamer naar artikel 58 WOG dat luidt als volgt: ”Eenieder kan schriftelijk, gedateerd en ondertekend een klacht of een verzoek indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit”. Conform artikel 60, alinea 2 WOG is een klacht ontvankelijk wanneer zij: - opgesteld is in één van de landstalen; - een uiteenzetting van de feiten bevat, alsook de nodige indicaties voor de identificatie van de verwerking waarop zij betrekking heeft; - zij behoort tot de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 19. Krachtens artikel 4.1 AVG is de persoon die betrokken is bij de verwerking van persoonsgegevens, de persoon op wie de gegevens die het voorwerp van de verwerking uitmaken betrekking hebben. 20. De Geschillenkamer heeft in eerdere beslissingen1 als volgt overwogen omtrent deze kwestie : “Hoewel de AVG de 'klacht' benadert vanuit het standpunt van de betrokkene, door de controleautoriteiten verplichtingen op te leggen wanneer een persoon een klacht indient (zie de artikelen 57, 1.,
- f)en 77 van de AVG), belet de AVG niet dat het nationaal recht andere personen dan de betrokkenen de mogelijkheid geeft om een klacht in te dienen bij de nationale controleautoriteit. De mogelijkheid van een dergelijke aanhangigmaking stemt overigens overeen met de opdrachten die door de AVG aan de controleautoriteiten worden toegekend. In dat opzicht en algemeen genomen, zorgt elke controleautoriteit voor: de monitoring en handhaving van de toepassing van de AVG (artikel 57, 1.,
- a)AVG), en de verrichting van alle andere taken die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens (artikel 57, 1.,
- v)AVG).” Kortom, de WOG sluit niet uit dat een andere persoon dan de betrokkene of de persoon die door de betrokkene gemachtigd is, zoals bedoeld in artikel 220 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, een klacht kan indienen bij de GBA. 21. Meer bepaald oordeelt de Geschillenkamer dat artikel 58 WOG elke persoon de mogelijkheid biedt een klacht in te dienen, op voorwaarde dat de klager blijk geeft dat hij er voldoende belang bij heeft.2 Dienaangaande dient de Geschillenkamer vast te stellen dat de klager in casu louter gewag maakt van een publiek belang bestaande uit de bescherming van de 1 Zie onder meer beslissing 117/2021 dd. 22 oktober 2021, 80/2020 dd. 17 december 2020 en beslissing 30/2020 dd. 8 juni 2020, te raadplegen via https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger/publicaties/beslissingen 2 Zie in die zin ook Marktenhof, 2022/AR/42 dd. 8 juni 2022. Beslissing ten gronde 106/2022 - 10/11 rechten met betrekking tot de gegevensbescherming van iedere persoon die gebruik maakt van de website en de diensten van de verweerder, wat niet als afdoende kan worden beschouwd. Het louter nastreven van een publiek belang volstaat immers niet om te doen blijken van een voldoende belang, dit bij gebrek aan enig concreet element dat de klager in verband brengt met de gegevensverwerking door de verweerder. 3 22. De Geschillenkamer stelt vast dat de klager in zijn klacht niet aantoont op welke manier hij over het vereiste belang zou beschikken. 23. Daarnaast stelt de Geschillenkamer vast dat de Inspectiedienst ook geen belang in hoofde van de klager heeft vastgesteld. 24. De klager is – ondanks rechtsgeldige oproeping – niet verschenen op de hoorzitting waardoor de Geschillenkamer geen nadere uitleg van de klager heeft kunnen verkrijgen. Aan de hand van de omschrijving van de klacht door de klager en de bijgebrachte stukken dient de Geschillenkamer vast te stellen dat de klager bij de indiening van de klacht een algemeen publiek belang nastreefde bestaande uit de bescherming van de rechten met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens van elke patiënt van de verweerder. De klager heeft niet aannemelijk gemaakt over enig persoonlijk belang te beschikken. Op de hoorzitting heeft de verweerder uitdrukkelijk verklaard dat de klager niet gekend is bij het Y. 25. Na onderzoek van de klacht in de procedure ten gronde is dus gebleken dat de klager niet aantoont dat hij over een belang beschikt dat voldoende concreet is om klacht te kunnen indienen. Daarboven stelt de Geschillenkamer vast dat de klager ook niet over de hoedanigheid beschikte om klacht te kunnen indienen en dat de volledige procedure bijgevolg is aangetast door de afwezigheid niet louter van belang, maar ook van hoedanigheid in hoofde van de klager. 26. Bijgevolg weerhoudt de Geschillenkamer de klacht en de daaropvolgende vaststellingen van de Inspectiedienst binnen en buiten de scope van de klacht niet. De Geschillenkamer beslist daarom om over te gaan tot een technisch sepot overeenkomstig haar sepotbeleid.4 III. Publicatie van de beslissing 27. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de 3 Zie o.a. Beslissing 88/2021 dd 30 juni 2021 en hoofdstuk A.5 van haar sepotbeleid zoals uitvoerig uiteengezet op de website van de GBA: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-degeschillenkamer.pdf. 4 Zie ook beslissing 117/2020 dd. 22 oktober 2021 en het Sepotbeleid Geschillenkamer van 18 juni 2021 onder 3.1.A , te raadplegen via https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf. Beslissing ten gronde 106/2022 - 11/11 Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt. OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om: - Op grond van artikel 100, §1, 1° WOG, voorliggende klacht te seponeren. Tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, § 1 WOG, beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. (get). Hielke HIJMANS Voorzitter van de Geschillenkamer de