1/70 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 113/2024 van 6 september 2024 Deze beslissing werd vernietigd door het Arrest 2024/AR/1690 van het Marktenhof dd. 19 maart 2025 Dossiernummer : DOS-2023-03279 Betreft : maatregelen inzake de cookiebanners op de nieuwswebsites van Mediahuis (websites De Standaard, Gazet van Antwerpen, Het Belang van Limburg en Het Nieuwsblad) De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Christophe Boeraeve en Jelle Stassijns, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna “WOG”; Gelet op de Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens, hierna “WVP”; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 20191; Gelet op de stukken van het dossier; 1 Het nieuwe Reglement van Interne Orde (“RIO”), na de wijzigingen die zijn aangebracht door de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) zijn van kracht geworden op 1 juni 2024. In overeenstemming met artikel 56 van de wet van 25 december 2023 is het nieuwe RIO alleen van toepassing op klachten, bemiddelingen, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die op of na die datum zijn gestart: https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-orde-van-degegevensbeschermingsautoriteit.pdf Zaken ingeleid vóór 1 juni 2024, zoals in voorliggend geval, zijn onderworpen aan de bepalingen van de WOG zoals deze niet gewijzigd werden door de wet van 25 december 2023 en het RIO zoals dat vóór die datum bestond: https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-orde.pdf. Beslissing ten gronde 113/2024 — 2/70 Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, vertegenwoordigd door noyb – European Center for Digital Rights hierna “de klager” of “klagende partij”; De verweerder: Mediahuis N. V,vertegenwoordigd door Mr. Jan CLINCK, Mr. Pierre ANTOINE en Mr. Gerrit VANDENDRIESSCHE, hierna “de verweerder”. Beslissing ten gronde 113/2024 — 3/70 Inhoudstafel I. Feiten en procedure ........................................................................................................... 4 I.1. De vier klachten .......................................................................................................... 4 I.2. Het schikkingsvoorstel en de schikkingsprocedure in de procedure voorafgaand aan de behandeling ten gronde .......................................................................................................... 5 I.3. II. De procedure ten gronde ............................................................................................. 6 Motivering .......................................................................................................................... 8 II.1. Preliminaire punten ..................................................................................................... 8 II.2. De neergelegde klacht onder art. 80.1 AVG .................................................................15 II.3. De inbreuken .............................................................................................................26 III. Maatregelen en uitvoerbaarheid bij voorraad ...................................................................56 III.1. Bevelen .....................................................................................................................56 III.2. Berispingen................................................................................................................58 III.3. Dwangsom: bijzondere overwegingen .........................................................................58 III.4. Uitvoerbaarheid bij voorraad .......................................................................................66 IV. Publicatie van de beslissing ................................................................................................68 Beslissing ten gronde 113/2024 — 4/70 I. Feiten en procedure I.1. 1. De vier klachten Dit dossier is gebaseerd op vier samengevoegde klachten van één klager omtrent de a. De eerste klacht betreft de website van ‘Gazet van Antwerpen’ (www.gva.
- be)b. De tweede klacht betreft de website van ‘De Standaard’ (www.standaard.
- be)c. De derde klacht betreft de website van ‘Het Nieuwsblad’ (www.nieuwsblad.
- be)d. De vierde klacht betreft de website van ‘Het Belang van Limburg’ (www.hbvl.
- be)2. De klager wordt vertegenwoordigd door Noyb – European Center for Digital Rights (“Noyb”), hetwelk haar maatschappelijke zetel heeft te Oostenrijk. In elk van de vier klachten en per individuele website is een door de klager ondertekend en gedateerd mandaat gevoegd dat de vertegenwoordiger machtigt om voor de Belgische GBA de klager te vertegenwoordigen. De omvang van het mandaat wordt verwoord als volgt: “betreffende: het verzamelen van mijn gegevens door het plaatsen van cookies op de website van de verweerder” gevolgd door de identificatie van elk van de vier voornoemde websites, en vervolgens “en alle nodige maatregelen te nemen om mijn rechten af te dwingen, met inbegrip van het inleiden van gerechtelijke of buitengerechtelijke procedures.” 3. De klachten stellen steeds vier vermeende “schendingen” aan de kaak, en geven als volgt de grieven van de klager weer: • “Schending type 1: Geen ‘weigeren’-optie op het eerste informatieniveau van de • “Schending type 2: Misleidende knopkleuren” • “Schending type 3: Het is niet net zo eenvoudig om toestemming in te trekken als om toestemming te geven” • 4. “Schending type 4: Verwijzing naar legitiem belang” De klachten worden – gedateerd op 18 juli 2023 – neergelegd bij de Eerstelijnsdienst van de Gegevensbeschermingsautoriteit via e-mail. De klachten werden formeel gezien na middernacht, op 19 juli 2023, ontvangen. 5. Op 3 augustus 2023 verzoekt de Eerstelijnsdienst aan de vertegenwoordiger van de klager het volgende: “Gelieve ons te informeren over het belang van de klager bij het indienen van de klacht, zoals voorzien in artikel 60 van de wet van 3 december 2018 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit”. Beslissing ten gronde 113/2024 — 5/70 6. Op 24 augustus 2020 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG, vervolgens wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 7. Op 1 september 2023 maakt de klagende partij een document over aan de Eerstelijnsdienst dat een antwoord formuleert op de vraag die de Eerstelijnsdienst op 3 augustus 2023 tot Noyb richtte inzake (het juridisch kader over) het belang van de klager en de mandatering. 8. In het voormelde document verwijst Noyb naar communicatie die zij verstuurde op 17 en 25 augustus 2023 aan de Eerstelijnsdienst, en waarop de Eerstelijnsdienst Noyb antwoordde respectievelijk op 24 en 29 augustus 2023. Deze communicatie werd door de Eerstelijnsdienst niet aan het huidige dossier toegevoegd, omdat deze uitwisseling plaatsvond in het kader van een ander dossier hangende bij de GBA; de Geschillenkamer heeft deze aanpak bestendigd en tegenover de verweerder bevestigd. 2 Uiteraard wordt ook geen rekening gehouden met de inhoud van deze berichten in het kader van de beoordeling en de beslissing in het onderhavig dossier. I.2. 9. Het schikkingsvoorstel en de schikkingsprocedure in de procedure voorafgaand aan de behandeling ten gronde Op 21 september 2023 maakt de Geschillenkamer een brief aan de partijen over met de boodschap dat zij binnen een termijn van dertig dagen een schikkingsvoorstel aan de partijen zou overmaken. In tussentijd krijgen de partijen de mogelijkheid het dossier in te zien, hetgeen beide partijen ook vroegen; zij verkregen inzage. 10. Op 20 oktober 2023 wordt een schikkingsvoorstel gelijktijdig overgemaakt aan beide partijen, waarna de schikkingsprocedure formeel aanvangt in de zin van artikel 95 §1, 2° WOG. 11. Op 30 oktober 2023 bezorgt de vertegenwoordiger het antwoord vanwege de klager op het schikkingsvoorstel aan de Geschillenkamer, met het voorstel tot een aantal aanpassingen over te gaan. 12. Op 6 november 2023 communiceert de Geschillenkamer aan de partijen dat zij – ingevolge de opmerkingen vanwege de klagende partij – niet zou overgaan tot een aanpassing van de voorwaarden van het schikkingsvoorstel. 13. Op 7 november 2023 geeft de verweerder via haar raadsman aan dat de in het schikkingsvoorstel voorziene antwoordtermijn niet haalbaar is. De verweerder vraagt om die reden de termijn voor een antwoord te verlengen tot 20 december 2023. Op 10 2 Bij het bezorgen van de kopie van het dossier, heeft de verweerder zich meermaals (op 28 september 2023 en nogmaals op 2 november 2023) tot de Geschillenkamer gericht met het verzoek de voormelde berichten dd. 17 en 14 augustus 2023 te bezorgen, hetgeen de Geschillenkamer heeft geweigerd om de integriteit van het andere dossier te vrijwaren. Beslissing ten gronde 113/2024 — 6/70 november 2023 geeft de Geschillenkamer aan dat op dat moment niet kan worden ingegaan op de verlenging van de termijn zoals voorgesteld door de verweerder, maar de Geschillenkamer kent wel een uitstel van zeven dagen toe. 14. Op 27 november 2023 maakt de verweerder via haar raadsman een brief over, waarin zij stelt dat zij een schikking niet ongenegen is, maar wel verduidelijking wenst op een aantal punten. De verweerder suggereert ook aanpassingen aan de voorwaarden van het schikkingsvoorstel. 15. Op 28 november 2023 stuurt de Geschillenkamer een ontvangstbevestiging aan de verweerder, waarna op 1 december 2023 door de Geschillenkamer een ander bericht wordt nagestuurd dat stelt dat er pas later kan worden geantwoord op de brief van 27 november 2023 van verweerder. 16. Op 5 december 2023 verstuurt de Geschillenkamer aan de verweerder een antwoord over alle aspecten waaromtrent de verweerder verduidelijkingen of aanpassingen vroeg in de brief van 27 november 2023. 17. Op 11 december 2023 geeft de verweerder via haar raadsman te kennen dat zij het schikkingsvoorstel niet in haar geheel kan aanvaarden. De verweerder geeft in hetzelfde bericht wel onmiddellijk aan dat zij een aantal wijzigingen heeft doorgevoerd naar aanleiding van de 2e en 3e grief van de klager, en dat voor wat betreft de 4 e grief nog verdere wijzigingen zouden worden doorgevoerd. Met betrekking tot deze laatste grief stelt de verweerder dat zij “niet zal terugvallen op het gerechtvaardigd belang om zulke cookies alsnog te plaatsen.” 18. Op 18 december 2023 neemt de Geschillenkamer vervolgens een formele beslissing tot intrekking van het schikkingsvoorstel, waarin beknopt de motieven voor het afspringen van de schikkingsprocedure worden weergegeven. I.3. 19. De procedure ten gronde Op 5 februari 2024 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. In de brief nodigt de Geschillenkamer de partijen uit om standpunt in te nemen over een bepaald aantal aspecten, waarbij potentiële inbreuken die ten laste worden gelegd aan de verweerder worden uiteengezet. 20. Op 12 februari 2024 verzendt de verweerder een brief aan de Geschillenkamer, met verscheidene bemerkingen en verzoeken in verband met de procedure alsook met het verzoek de verzending van procedurele stukken per briefpost te laten plaatsvinden, eerder dan via elektronische weg. De Geschillenkamer antwoordt op dit bericht op 19 februari 2024 en gaat eveneens over tot een verlenging van de eerder vastgelegde conclusietermijnen. Beslissing ten gronde 113/2024 — 7/70 21. Op 27 maart 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerder; gelijktijdig wordt deze conclusie aan de vertegenwoordiger van de klager bezorgd. 22. Op 17 april 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. De vertegenwoordiger van de klager repliceert hierbij op een aantal punten op de conclusie van antwoord van de verweerder dd. 27 maart 2024. 23. De (vertegenwoordiger van
- de)klager verzoekt de Geschillenkamer eveneens te worden gehoord, alsook de noodzakelijke corrigerende maatregelen te nemen. Daarnaast verzoekt de klager de uitvoerbaarheid bij voorraad niet op schorten, zoals verzocht door de verweerder, nu deze optie voorzien door de wetgever eng zou moeten worden geïnterpreteerd. Tot slot verzoekt de klager de beslissing op de website van de GBA te publiceren. 24. Op 8 mei 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de verweerder; gelijktijdig wordt deze conclusie aan de vertegenwoordiger van de klager bezorgd. 25. Op 17 juni 2024 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 1 juli 2024. 26. Op 1 juli 2024 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. 27. Op 8 juli 2024 wordt het Proces-Verbaal (“PV”) van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. 28. Op 12 juli 2024 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de klagende partij enkele opmerkingen met betrekking tot het PV, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. 29. Op 12 juli 2024 bezorgt de verweerder een eerste maal een aantal opmerkingen met betrekking tot het Proces-Verbaal, waarbij zij stelt dat dit PV geen getrouwe weergave is van de hoorzitting. De Geschillenkamer beslist voornoemde opmerkingen mee te nemen in haar beraad. Op 16 juli 2024, vervolgens, draagt de verweerder nieuwe opmerkingen aan met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke de Geschillenkamer beslist mee te nemen in haar beraad. 30. Gelijktijdig verzoekt de verweerder een kopie van de opname van de hoorzitting, een verzoek hetwelk zij stoelt op art. 95 § 2 WOG en art. 15.3 AVG. Op 18 juli 2024 wordt aan de verweerder gecommuniceerd dat deze de integrale onbewerkte opname van de hoorzitting in de kantoren van de GBA kan komen beluisteren, dat de functionaris voor gegevensbescherming van de GBA werd betrokken, en dat de termijn voor het aandragen van opmerkingen bij het proces-verbaal wordt verlengd. Op 31 juli 2024 – dag van het verstrijken van de termijn voor opmerkingen bij het proces-verbaal – bezorgt de verweerder Beslissing ten gronde 113/2024 — 8/70 een brief aan de Geschillenkamer, alsook aan de DPO van de GBA, met betrekking tot haar verzoek om een kopie van de opname van de hoorzitting te verkrijgen. II. Motivering II.1. Preliminaire punten 31. Een eerste preliminaire punt betreft de repliekconclusie van de klagende partij. De verweerder stelt in haar syntheseconclusie dat de conclusie van de klagende partij uit de debatten moet worden geweerd, enerzijds omdat zij niet ondertekend werd (door de wettelijke mandaathouder van de vertegenwoordiger Noyb) en anderzijds omdat de conclusie niet werd opgesteld in overeenstemming met art. 744 Ger. W. 32. De Geschillenkamer argumenteert waarom het argument van de verweerder op dit punt faalt naar recht. In essentie wordt de procedure voor de Geschillenkamer geregeld door de procedurele bepalingen van de WOG. Het Marktenhof heeft reeds meermaals gesteld dat de Geschillenkamer een administratief orgaan is, en geen (administratieve) rechtbank in de formele zin.3 In die zin kan niet juist worden gesteld dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek in de procedure voor de Geschillenkamer onverkort en steeds als lex generalis zouden gelden waar de lex specialis van de WOG geen regeling voorziet. 33. Bovendien heeft de Belgische wetgever in de WOG alleszins wel expliciet bepaald dat partijen verweermiddelen kunnen indienen.4 De wetgever heeft het vervolgens aan de GBA gelaten om te regelen op welke wijze verweermiddelen kunnen worden ingediend – en dit desgevallend te regelen in het Reglement van Interne Orde. 5 34. Het is in haar brief van 5 februari 2024 dat de partijen op de hoogte werden gesteld op welke wijze de conclusies dienden te worden ingediend. In die uitnodiging wordt nergens gewag gemaakt van het feit dat partijen verweermiddelen op een door de verweerder aangehaalde met vormvereisten omklede manier zouden moeten neerleggen, en wordt evenmin verwezen naar het Gerechtelijk Wetboek. De Geschillenkamer kan de verweermiddelen van een partij niet inperken6 – mutatis mutandis moet dit ook gelden voor de manier waarop een partij haar conclusie opstelt en neerlegt wanneer hier verder vooraf niets ‘opgelegd’ is aan partijen. De klagende partij 3 Bv. Arrest Hof van Beroep Brussel (Kamer 19A, Sectie Marktenhof), 20 oktober 2020, 2020/AR/582, §7.4; Arrest Hof van Beroep Brussel (Kamer 19A, Sectie Marktenhof), 7 juli 2021, 2021/AR/320, P. 24; Arrest Hof van Beroep Brussel (Kamer 19A, Sectie Marktenhof), 1 maart 2023, 2022/AR/1085, P. 7. 4 Art. 98, 2° WOG: “. . . de mogelijkheid [voor partijen] om hun verweermiddelen En nog in art. 99 WOG: “De geschillenkamer nodigt de partijen uit om hun verweermiddelen in te dienen.” 5 in te dienen”; Zie ter zake artikelen 48 e.v. van het voormalige Reglement van Interne Orde (versie 2018), hetwelk geldt voor onderhavig dossier. 6 Vgl. arrest Marktenhof (2021/AR/320), 7 juli 2021, blz. 15: “De omstandigheid dat het antwoordformulier slechts een gelimiteerd aantal woorden reactie zou toelaten, is hierbij niet pertinent. De omvang van de reactie en dus van het uitoefenen van de rechten van verdediging kan door de Geschillenkamer immers niet rechtsgeldig beperkt worden.” Beslissing ten gronde 113/2024 — 9/70 heeft zich aan de conclusietermijnen gehouden voor wat betreft het neerleggen van het stuk. 35. Dit alles in acht genomen is het voor de Geschillenkamer duidelijk dat het geviseerde stuk (de repliekconclusie van de klager) niet uit de debatten diende te worden geweerd, dat het zonder meer deel kon uitmaken van de beraadslaging van de Geschillenkamer, en dat de aangehaalde argumenten van de verweerder teneinde het stuk uit de debatten te weren, niet gegrond zijn. 36. Een tweede preliminaire kwestie betreft nieuwe stukken die worden neergelegd ter hoorzitting door de vertegenwoordiger van de klager. De verweerder verzet zich tegen de neerlegging van deze stukken en de toevoeging ervan aan het dossier. Gezien het laattijdige karakter van de neerlegging van de stukken, het verzet van de verwerende partij tegen de neerlegging, alsook bij gebreke van het aandragen van enige gegronde reden voor het laattijdige karakter van de neerlegging, worden de stukken integraal uit de debatten geweerd, en worden ze niet meegenomen in de debatten voor en de beraadslaging van de Geschillenkamer. 37. De Geschillenkamer wijst er in verband met dit tweede preliminaire punt op dat zij als orgaan van een toezichthoudende autoriteit rekening moet kunnen houden met alle elementen die haar ter kennis zijn gekomen, teneinde een hoog niveau van gegevensbescherming te kunnen waarborgen. Dit neemt niet weg dat de procedure moet voldoen aan eisen van tegenspraak en gelijkheid van partijen. De procedure voorzien onder de onderafdeling “beraadslaging en beslissing ten gronde” in art. 98 e.v. WOG beoogt net een procedure op tegenspraak te voorzien. In het administratief recht moet daarbij in het bijzonder rekenschap genomen worden van de hoorplicht en de rechten van verdediging. 7 38. Een derde preliminaire punt betreft de rechtsgeldige verschijning van de persoon die voor de vertegenwoordiger van de klager (fysiek) verschijnt op de hoorzitting. Bij het plaatsvinden van de hoorzitting geeft de verweerder aan dat zij vragen heeft bij de mandatering van de persoon om voor Noyb op te treden overeenkomstig de statuten van deze organisatie. 39. Er zij hierbij vooreerst op gewezen dat Noyb zich heeft gemeld als vertegenwoordiger van de klager bij de Geschillenkamer, met voorlegging van het mandaat ter zake, door berichtgeving via een specifiek e-mailadres. Voor de aanwezigheid op de hoorzitting van de persoon in kwestie is er voorafgaand aan het plaatsvinden van de hoorzitting vanwege de vertegenwoordiger via het e-mailadres gemeld dat de medewerker van Noyb aanwezig zou zijn als vertegenwoordiger. De Geschillenkamer is niet verplicht om ambtshalve of op 7 Opdebeek I. en De Somer S., Algemeen Bestuursrecht: grondslagen en beginselen, Ed. 2, Antwerpen, 2019 Intersentia, specifiek deel V, Hoofdstuk III, Afdeling 7 m.b.t. de hoorplicht. Beslissing ten gronde 113/2024 — 10/70 verzoek van partijen te onderzoeken hoe de aanduiding van deze medewerker in concreto verliep. De melding door de organisatie Noyb per e-mail van de identiteit van de betreffende medewerker volstaat. Alleen al om die reden is genoegzaam vastgesteld dat de persoon rechtsgeldig kon verschijnen voor Noyb. 40. Ten overvloede zij opgemerkt dat op deze hoorzitting de klager in persoon aanwezig was en dit aan de zijde van de medewerker van Noyb. Op basis van de verschijning van de klager, kan worden vastgesteld dat de klager er eveneens van uitgaat dat de persoon in kwestie rechtsgeldig voor diens vertegenwoordiger Noyb kon optreden. 41. De persoon in kwestie is dus wel degelijk rechtsgeldig verschenen voor Noyb ter hoorzitting. 42. Als vierde preliminaire punt: op de hoorzitting stelt de klagende partij, voor het eerst en zonder voorafgaande kennisgeving, doch niet in limine litis, in haar pleidooien de “onafhankelijkheid” van de voorzitter van de Geschillenkamer in vraag voor de behandeling van deze zaak. Bovendien vraagt de klagende partij aan de voorzitter van de Geschillenkamer om zich terug te trekken. De klagende partij verwijst hiervoor naar anonieme “bronnen” die in privégesprekken zouden gehoord hebben dat er een strategie was om klachten “van Noyb” te verwerpen, en naar een publiek evenement waar de voorzitter van de Geschillenkamer aanwezig was. Er worden geen verdere concrete elementen aangedragen die het gebrek aan “onafhankelijkheid” van het zetelend lid zouden staven. 43. Uit de bewoordingen van de klagende partij begrijpt de Geschillenkamer dat het eerder (of minstens óók) gaat om de onpartijdigheid dan de onafhankelijkheid van de Geschillenkamer. Met zulke ‘wrakingsverzoeken’ moet omzichtig en nauwkeurig worden 8 omgesprongen door de verzoekende partijen. 9 Ongenoegen uiten omtrent (de uitkomst of het verloop van) een procedure is nog iets anders dan wrakingsverzoeken opwerpen ten aanzien van leden van openbare instellingen, wiens legitimiteit juist gestoeld is op hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid.10 44. Specifiek voor wat betreft het mondelinge verzoek van de klagende partij tot terugtrekking van de voorzitter, beslist de voorzitter niet in te gaan op dit verzoek om de volgende redenen. 8 L. Van Den Eynde, “Partijdigheid en belangenconflicten bij het actief bestuur: de sluipweg van het gelijkheidsbeginsel”, TBP, 2024, Ed. 4, 215-230, specifiek sectie 2.1 “soorten (on)partijdigheid en bewijs”; Vergelijk omtrent de begripsverwarring in het kader van de rechterlijke macht: Ooms A., “De rechterlijke onpartijdigheid is niet steeds wat ze lijkt. Een historische en prospectieve analyse of de grens tussen objectieve en subjectieve onpartijdigheid.”, Croniques de droit public, 14
(2010)4, p. 499-524; ; Opdebeek I. en De Somer S., Algemeen Bestuursrecht: grondslagen en beginselen, Ed. 2, Antwerpen, 2019 Intersentia, specifiek deel V, Hoofdstuk III, Afdeling 8 m.b.t. het onpartijdigheidsbeginsel voor de administratie. 9 Vergelijk art. 835 Ger. W. voor wrakingsverzoeken ten aanzien van de leden van de rechterlijke orde, een bepaling die onder meer stelt dat zulke wrakingsverzoeken met de redenen voor de wraking in een formeel document ter griffie dienen te worden neergelegd, en dat enkel door advocaten met meer dan 10 jaar ervaring bij de balie. 10 De wetgever verankert hieromtrent in art. 44 WOG enkele elementen. Beslissing ten gronde 113/2024 — 11/70
- Eerst en vooral was bij de klagende partij genoegzaam gekend dat de voorzitter dit dossier (mede) behandelde, minstens zo recent als op 5 februari 2024 toen de partijen werden uitgenodigd hun verweermiddelen in dit dossier in te dienen in een brief ondertekend door de voorzitter. De klagende partij heeft de kans gehad de nodige stappen te ondernemen om het gegeven aan te kaarten. Het (uitermate) laattijdige karakter van het verzoek tot terugtrekking volstaat op zich al om niet in te gaan op dit verzoek.
- Daarnaast kan worden verwezen naar de volgende feiten.
- Het is de verweerder die in dit dossier een aantal middelen en argumenten heeft opgeworpen die het (proces-)belang en de mandatering van de vertegenwoordiger door de klager in het voetlicht stelden, niet de Geschillenkamer. Voorts heeft in het voorliggend dossier enkel de Eerstelijnsdienst vrijblijvend gevraagd naar het (proces-)belang van de klager, kennelijk zonder enig nadelig effect voor die laatste bij het ontvankelijk verklaren van de klacht. De Geschillenkamer heeft in haar brief met de uitnodiging tot neerlegging van de verweermiddelen daarentegen niet gevraagd aan de klagende partij om haar (proces)belang of de omstandigheden van de mandatering nader toe te lichten. Het is dus feitelijk niet correct een vooringenomenheid te suggereren die terug te leiden is tot een persoon of een strategie van de Geschillenkamer of haar voorzitter. Dit neemt overigens niet weg dat het tot de bevoegdheid van de Geschillenkamer behoort dit type vragen te stellen aan partijen.
- De klagende partij heeft vervolgens op de voornoemde middelen en argumenten van de verweerder in de repliekconclusie en ter hoorzitting kunnen reageren. Toch geeft de klagende partij bij het begin van de hoorzitting aan dat de inhoudelijke in plaats van de formele punten de kern van het debat zouden moeten vormen, en dat de klager aan “grondiger onderzoek” zou worden onderworpen dan een verwerkingsverantwoordelijke. Dit is feitelijk niet correct, en wel op meerdere punten.
- Vooreerst illustreert de schikkingsprocedure op zich dat de Geschillenkamer – voorafgaand aan deze beslissing – tot een procedure is overgegaan om net snel inhoudelijk de grieven geformuleerd in de klacht te verhelpen. Het was daarenboven op dat moment zelfs de eerste keer dat de Geschillenkamer de schikkingsprocedure in de fase voorafgaand aan de beraadslaging ten gronde als bevoegdheid inzette.
- De Geschillenkamer begrijpt daarnaast niet in welke mate de klager aan een “grondiger onderzoek” zou zijn onderworpen. De Geschillenkamer heeft ter zake niets gevraagd of gesuggereerd aan de klagende partij voorafgaand aan het opwerpen van de argumenten door verweerder, en de Inspectiedienst is niet opgetreden in dit dossier. Het feit dat de verweerder argumenten en middelen ter zake aandraagt, is het recht van een verwerende partij in procedures met potentieel zwaarwichtige corrigerende maatregelen. Zulke argumenten en middelen kunnen en mogen niet worden geweerd uit het debat. Beslissing ten gronde 113/2024 — 12/70
- Meer nog, naar aanleiding van de vraag vanwege de verweerder11 of deze laatste zich ter hoorzitting diende te beperken tot haar argumenten inzake deze procedurele elementen, heeft de Geschillenkamer aangegeven12 dat het de partijen vrij staat hun pleidooien in te richten naar wens, maar dat de hoorzitting overeenkomstig de brief van 5 februari 2024 “minstens [zal] handelen over die inhoudelijke punten”. In welke mate de inhoudelijke aspecten voor de Geschillenkamer (mede) de kern van het debat hebben gevormd, kan moeilijk nog duidelijker blijken.
- De Geschillenkamer verduidelijkt dat de vertegenwoordiger van de klager te dezen verschillende formele procedures waarin zij optreedt voor verschillende klagers van elkaar dient te scheiden.13 In dit dossier heeft de Geschillenkamer bij het in staat stellen van het dossier en bij het uitnodigen tot neerleggen van verweermiddelen nergens de vermeende problematiek inzake het (proces-)belang van de klager, noch de vermeende problematiek inzake het mandaat, zelf opgeworpen. In de navolgende onderdelen van de voorliggende beslissing verwerpt de Geschillenkamer bovendien de argumenten van de verweerder ter zake.
- Van de Geschillenkamer kan niet gevraagd worden dat niet wordt ingegaan op de argumenten van de verweerder, of dat de argumenten ter zake niet aan een beoordeling dienen te worden onderworpen. Meer nog, het is juist de taak van de Geschillenkamer om in te gaan op de aangedragen middelen en argumenten, die per zaak dienen te worden beoordeeld.14
- Ook de Geschillenkamer oordeelt op een onpartijdige wijze, zonder vrees of gunst voor de ene dan wel de andere partij. In die zin hebben ook verwerende partijen recht op een eerlijke analyse van de feiten en volgens de wettelijke normen. 15 Een klagende partij heeft op procedureel vlak geen recht op een voorkeursbehandeling, noch houdt deze partij het privilege dat een juridisch debat – potentieel in haar nadeel – uit de weg wordt gegaan.16 11 De verweerder richtte een vraag ter zake tot de Geschillenkamer op 19 juni 2024, de klagende partij kon meelezen in cc. 12 De Geschillenkamer heeft de verweerder geantwoord ter zake op 21 juni 2024, de klagende partij kon meelezen in cc. 13 Er zij in dit kader en dit ten overvloede ook gewezen op het feit dat er op procedureel vlak stukken van de klagende partij niet konden worden opgenomen in dit dossier, omdat ze werden overgemaakt in de rand van een ander dossier waar de vertegenwoordiger optrad. Zie hieromtrent de uitwisselingen tussen de verweerder en de Geschillenkamer in stukken 20, 21, 28 en 32 van het administratief dossier. 14 Vgl. Arrest Hof van Beroep Brussel (Sectie Marktenhof) van 16 september 2020, 2020/AR/1160, §5.7: “Het past niet in een rechtstaat dat de Geschillenkamer van de GBA zou kunnen ‘kiezen’ op welk argument zij al dan niet een antwoord verstrekt.” 15 Vgl. artikel 6 EVRM, art. 47 Handvest Grondrechten EU en art. 52 AVG; hoewel de Geschillenkamer geen rechtbank is in de traditionele zin, is dit principe ook van toepassing op administratieve procedures (EHRM, Öztürk t. Duitsland, 21 februari 1984, ECLI:CE:ECHR:1984:0221JUD000854479); binnen het Belgisch recht wordt de onpartijdigheid van administratieve organen eveneens gewaarborgd als beginsel van behoorlijk bestuur, cfr. supra en Arrest Raad van State, 22 juni 2017, nr. 238.
- 16 Hoewel de Geschillenkamer geen rechtscollege uitmaakt, kan worden verwezen naar art. 6 Ger. W., hetwelk stelt dat rechters in alle zaken die aan hun oordeel onderworpen zijn, de toepasselijke rechtsregels moeten toepassen; onder art. 57 AVG is het mutatis mutandis aan de toezichthoudende autoriteit om klachten te behandelen en de uitkomst te onderzoeken, zonder indicatie voor enige preferentiële behandeling. Beslissing ten gronde 113/2024 — 13/70 Wanneer aspecten worden besproken of behandeld in een onderzoek, ter hoorzitting of in een beslissing, betekent dit immers niet dat de aspecten terecht of gegrond zijn.
- In een geloofwaardig contentieux komt men op een bedachtzame manier tot waarheidsvinding op basis van feiten en kwalitatieve argumenten. In dit kader moeten uiteraard (juridische) vragen kunnen worden gesteld zonder dat zulks op zich een partijdigheid zou meebrengen.
- Het feit dat in het kader van de loyale en confidentieel 17 georganiseerde samenwerking en het loyaal delen van informatie binnen en tussen toezichthoudende autoriteiten in de Europese Economische Ruimte, informatie zou kunnen worden verstrekt die kritische juridische vragen zou stellen bij een bepaalde kwestie is een inherent element van de samenwerkingsprocedure in Hoofdstuk VII van de AVG. 18
- Het loutere feit dat een eerdere zaak19 voor de Geschillenkamer met vermeend gelijkaardige omstandigheden, een eventueel nadelige uitkomst voor eenzelfde partij of diens vertegenwoordiger meebrengt, rechtvaardigt uiteraard op zich niet het recuseren van een zetelend lid in een andere (i.e. deze) zaak.
- Wanneer een partij niet akkoord gaat met een beslissing van een autoriteit, staat het haar onder artikel 78 AVG vrij om een voorziening in te stellen tegen die beslissing. In de Belgische rechtsorde kan dat overeenkomstig art. 108, §3 WOG bovendien ook door elke derde-belanghebbende bij het Marktenhof. Wanneer Noyb dus meent een dergelijke belanghebbende20 te zijn, heeft zij desgevallend rechtstoegang. Het feit dat in een eerdere zaak geen beroep kon ingesteld worden omdat de betrokken klager dit niet wenste, zoals opgeworpen ter hoorzitting, is geen argument dat verwijtbaar is aan de Geschillenkamer en is verder niet van belang.
- Tot slot, als vijfde en laatste preliminaire punt, heeft de verweerder na het ontvangen van het PV in dit dossier, aan de Geschillenkamer op 12 juli 2024 te kennen gegeven dat zij dit PV “geen getrouwe weergave” van de hoorzitting vindt en dat dit de rechten van verdediging zou (kunnen) schenden. In dat kader vroeg de verweerder een nieuw PV op te stellen.
- Op 23 juli 2024 heeft de Geschillenkamer aan de verweerder kenbaar gemaakt dat de audioopname integraal en onbewerkt kon worden beluisterd in de gebouwen van de GBA, nadat de Geschillenkamer eerder al de termijn voor het aanleveren van opmerkingen bij het PV had 17 Vgl. artikel 54.2 AVG en art. 48 § 1 WOG. 18 Het onpartijdigheidsbeginsel kan hierbij niet contra legem worden toegepast in verband met de omstandigheden van internationaal delen van informatie, vgl. Arrest Raad van State van 23 juni 2020, Lossau, nr. 224.038; bespreking in L. Van Den Eynde, “Partijdigheid en belangenconflicten bij het actief bestuur: de sluipweg van het gelijkheidsbeginsel”, TBP, 2024, Ed. 4,
(215)219, §
- 19 Er wordt in die zin in de conclusies en pleidooien door verschillende partijen verwezen in de procedure naar Beslissing 22/2024 van de Geschillenkamer, waartegen geen beroep werd ingesteld bij het Marktenhof. 20 In de opmerkingen bij het proces-verbaal, levert de klagende partij de volgende opmerking aan: “[…] nu het niet instellen van beroep immers allesbehalve in het belang van noyb.” Beslissing ten gronde 113/2024 — 14/70 verlengd tot en met 31 juli
- Er zij in dit kader benadrukt dat de Geschillenkamer in de uitnodiging voor de hoorzitting de volgende passage heeft opgenomen: Er wordt u ook reeds meegedeeld dat de volledige hoorzitting zal worden geregistreerd met als enig doel het opstellen van een proces-verbaal. De geluidsopname zal worden vernietigd zodra de beroepstermijn zoals vermeld in art. 108 WOG is verstreken. Indien gebruik wordt gemaakt van de beroepsmogelijkheid, dan zal de geluidsopname pas worden vernietigd op het ogenblik van ontvangst van het arrest van het Marktenhof.
- De Geschillenkamer weigert de gevraagde kopie om de volgende redenen.
- Eerst en vooral is het opstellen van het PV door de Geschillenkamer en de voorlegging ervan aan partijen geen wettelijk recht, maar louter een initiatief van de GBA om de hoorzitting in het administratief dossier (formeel) weer te geven, alsook elementen die niet werden opgeworpen in de conclusieronde te formaliseren in het dossier. Hey Reglement van Interne Orde stelt dat het louter gaat om een weergave bij wijze van synthese21; het PV geeft daarnaast zelf en uitdrukkelijk als volgt aan: “Het voorliggende proces-verbaal heeft enkel tot doel preciseringen en aanvullingen te vermelden die tijdens de hoorzitting naar voor zijn gebracht, zonder de elementen te hernemen die zijn uiteengezet in de schriftelijke conclusies van de partijen.” (de Geschillenkamer onderlijnt in het licht van deze beslissing)
- In die zin heeft de Geschillenkamer akte genomen van alles wat ter hoorzitting is gezegd. De verweerder heeft in haar conclusies uitgebreid (met inbegrip van inhoudstafel en stukkenoverzicht telt de syntheseconclusie 117 pagina’s) en gedetailleerd haar argumenten voorgesteld. De Geschillenkamer heeft gelijkaardige elementen die werden vermeld tijdens de pleidooien niet hernomen in het PV, en louter verwezen dat ingegaan wordt in de pleidooien op “formele” resp. “inhoudelijke” elementen – elementen vindbaar in en meermaals identiek woordelijk gelijklopend aan de syntheseconclusie. Elke vraag of inhoudelijk nieuwe opmerking ter hoorzitting werd wel opgenomen in het PV.
- Ten tweede stelt de Geschillenkamer dat het niet de doelstelling is van het PV om een exhaustief overzicht te bieden van alles wat ter hoorzitting is gezegd. Een exhaustief overzicht is niet alleen weinig pertinent voor de doelstelling van het recht om gehoord te worden zoals in de wet vastgelegd, het is ook onwenselijk voor de goede werking van de procedure voor de Geschillenkamer en voor het vlotte verloop ervan voor de partijen. De debatten worden met name niet heropend na het beëindigen van de hoorzitting, zoals ook uitdrukkelijk aangegeven in het PV zelf. Onder het effectiviteitsbeginsel moet de AVG nuttig 21 Art. 54 “oude” versie RIO GBA. Beslissing ten gronde 113/2024 — 15/70 kunnen worden gehandhaafd: onnodige toevoegingen aan de procedure zijn niet alleen onwenselijk, ze zijn overeenkomstig dat beginsel ook onwettelijk.
- Een exhaustieve transcriptie van alles wat wordt gezegd ter hoorzitting, zou voor een hoorzitting van 1,5 uur zoals in casu meerdere tientallen pagina’s aan PV opleveren; de procedurele meerwaarde van een hoorzitting wordt zo ondergraven.
- Tot slot, in het kader van het verzoek wijst de verweerder erop dat zij onder art. 95 § 2 WOG recht zou hebben op een kopie van de opname omdat dit deel uitmaakt van het dossier. Dit klopt niet. Het PV is het stuk dat in het dossier wordt opgenomen; bijkomend worden in het dossier de opmerkingen van de partijen bij dat PV gevoegd. De audio-opname faciliteert enkel het opstellen van het voornoemde PV en is geen stuk van het administratief dossier. Het recht gehoord te worden, zoals vastgelegd in art. 98, 2° WOG, strekt zich niet uit tot het verkrijgen van de kopie van de opname van de hoorzitting. Bij het beëindigen van de hoorzitting zijn de debatten overigens gesloten, dus is toegang tot de kopie van de audioopname op grond van art. 95 § 2 WOG – een wettelijke bepaling die handelt over de kopie van het dossier bij het in staat stellen van de zaak – in elk geval niet aan de orde.
- Om al deze redenen wordt het verzoek van de verweerder inzake het opstellen van een nieuw – exhaustiever – PV van de hoorzitting dd. 1 juli 2024, verworpen.
- Voor de transparantie van de procedure zij opgemerkt dat verschillende advocaten van de verweerder een kopie opvroegen van de audio-opname van de hoorzitting op grond art. 15.3 AVG, en dit middels berichten aan de Geschillenkamer op 18 juli en op 31 juli
- In het bericht van 31 juli 2024 schreven verschillende advocaten van de verweerder zowel de Geschillenkamer als de functionaris voor gegevensbescherming (“DPO”) zelf aan. Van zodra er door een advocaat verwezen werd naar artikel 15.3 AVG op 18 juli 2024, werd de DPO van de GBA op de hoogte gesteld van het verzoek. Deze uitoefening van een recht onder art. 15.3 AVG ressorteert niet onder de administratieve procedure die voorafgaat aan de voorliggende beslissing. II.
- De neergelegde klacht onder art. 80.1 AVG II.2.
- Wettelijk kader
- Artikel 80 AVG luidt als volgt: Vertegenwoordiging van betrokkenen
- De betrokkene heeft het recht een orgaan, organisatie of vereniging zonder winstoogmerk dat of die op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, waarvan de statutaire doelstellingen het openbare belang dienen en dat of die actief is op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband Beslissing ten gronde 113/2024 — 16/70 met de bescherming van diens persoonsgegevens, opdracht te geven de klacht namens hem in te dienen, namens hem de in artikelen 77, 78 en 79 bedoelde rechten uit te oefenen en namens hem het in artikel 82 bedoelde recht op schadevergoeding uit te oefenen, indien het lidstatelijke recht daarin voorziet.
- De lidstaten kunnen bepalen dat een orgaan, organisatie of vereniging als bedoeld in lid 1 van dit artikel, over het recht beschikt om onafhankelijk van de opdracht van een betrokkene in die lidstaat klacht in te dienen bij de overeenkomstig artikel 77 bevoegde toezichthoudende autoriteit en de in de artikelen 78 en 79 bedoelde rechten uit te oefenen, indien het/zij van mening is dat de rechten van een betrokkene uit hoofde van deze verordening zijn geschonden ten gevolge van de verwerking. In het licht hiervan is ook overweging 142 van de preambule relevant: Wanneer een betrokkene van oordeel is dat inbreuk is gemaakt op zijn rechten uit hoofde van deze verordening, moet hij het recht hebben organen, organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, die overeenkomstig het recht van een lidstaat zijn opgericht, die statutaire doelstellingen hebben die in het publieke belang zijn en die actief zijn op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens, te machtigen om namens hem een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, om namens betrokkenen het recht op een voorziening in rechte uit te oefenen, of om namens betrokkenen het recht op de ontvangst van een vergoeding uit te oefenen indien dit in het lidstatelijke recht is voorzien. De lidstaten kunnen bepalen dat deze organen, organisaties of verenigingen over het recht beschikken om, ongeacht een eventuele machtiging door een betrokkene, in die lidstaat een klacht in te dienen en over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, indien zij redenen hebben om aan te nemen dat de rechten van een betrokkene zijn geschonden als gevolg van een verwerking van persoonsgegevens die inbreuk maakt op deze verordening. Voor deze organen, organisaties of verenigingen kan worden bepaald dat zij niet het recht hebben om namens een betrokkene een vergoeding te eisen buiten de machtiging door de betrokkene om. II.2.
- Context klacht
- De wijze waarop de klager, in samenspraak met Noyb als vertegenwoordiger, kan worden gevisualiseerd als volgt. Beslissing ten gronde 113/2024 — 18/70
- Dit wijst uiteraard op een zekere vorm van coördinatie, doch het staat nergens vast dat enige coördinatie heeft plaatsgevonden vóór de grieven van de klager ontstonden, en ook niet vóór de mandatering van Noyb door de klager. In die zin kan zeker niet worden vastgesteld dat er potentieel enige druk vanwege Noyb ten aanzien van de klager zou kunnen zijn ontstaan.
- Er zij echter wel op gewezen dat dit feit niet onbetwist is, nu de verweerder aangeeft dat het belang van de klager als betrokkene niet is aangetoond, en dat de vaststellingen of grieven niet volledig van de organisatie Noyb kunnen worden losgekoppeld. De verweerder verwijst ter hoorzitting onder meer naar het feit dat de vaststelling met werkmateriaal tijdens de werkuren werd gedaan, alsook dat er wordt gesproken over een project bij Noyb (en niet een klacht van de klager als individu).
- Ten vierde, de klager meent dat er een inbreuk is begaan op de AVG en dat hij in zijn rechten is geschaad.
- Ten vijfde, er werd klacht ingediend namens de klager door Noyb als diens vertegenwoordiger. De klacht werd in samenspraak met de klager geformuleerd en ingediend bij de Belgische toezichthoudende autoriteit, en zonder enige aangedragen vormgebreken neergelegd bij de Eerstelijnsdienst van de GBA. II.2.
- Geen rechtstreeks bewijs ‘fictief’ mandaat en aanwezig (proces-)belang in hoofde van klager Standpunt klagende partij
- In haar conclusie van repliek gaat de klagende partij in op de “ontvankelijkheid” van de klacht. De Geschillenkamer geeft het standpunt op samenvattende wijze weer. In een eerste onderdeel ter zake argumenteert de klagende partij inzake de “ontvankelijkheid ex art. 77
(1)jo. Art. 80
(1)AVG”. a. Vooreerst stelt de klagende partij onder de sectie “bewijslast” dat uit de klachten en bijlagen blijkt dat er een persoonlijk verband is tussen de klager en de gegevensverwerkingen, o.m. doordat de klager de websites heeft bezocht, waaruit de nodige indicaties blijken voor de in de klacht beschreven schendingen. Hierbij stelt de klagende partij verder dat de AVG geen eis stelt aan de inhoud, vorm of omvang van de klacht en ook niet aan het bewijs dat door de klager zou moeten worden geleverd. Voorts stelt de klagende partij dat het de verwerkingsverantwoordelijke is die de bewijslast draagt dat aan de AVG wordt voldaan en niet de klager. b. Ten tweede stelt de klagende partij onder de sectie “de betrokken verwerkingen schenden de AVG” dat de klachten beschrijven waar er AVG-schendingen Beslissing ten gronde 113/2024 — 19/70 optreden, en dat de AVG of de WOG niet als vereiste stellen dat de betrokken klager eerst diens rechten dient uit te oefenen ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke. Verder wijst de klagende partij erop dat de verweerder de cookiebanners ingevolge het schikkingsvoorstel niet heeft aanvaard en dat er nog steeds sprake is van onrechtmatige cookiebanners. c. Ten derde stelt de klagende partij onder de sectie “voldoende persoonlijk belang” dat de klager de websites heeft bezocht en dat hierbij persoonsgegevens zijn verwerkt. De klager heeft er vervolgens voor gekozen om zich te laten vertegenwoordigen door Noyb, één en ander conform art. 80
(1)AVG. De vertegenwoordigingsopdracht kan steeds worden beëindigd, en art. 80
(1)AVG stelt geen beperking om dergelijke vertegenwoordigingsopdracht te verlenen gedurende of na een “rechtstreekse ondergeschikte relatie” tussen de klager en de vertegenwoordiger, zo de klagende partij. Voorts stelt de klagende partij dat het Hof van Justitie van de EU heeft geaccepteerd dat een persoon die werkzaam is (geweest) bij Noyb zich kan laten vertegenwoordigen door die laatste, en dat het argument van ongeldige vertegenwoordiging door Noyb keer op keer is afgewezen bij de hangende zaken inzake Noyb. Daarnaast wijst Noyb erop dat de beslissingen van de Geschillenkamer geen precedentwerking kennen. d. Ten vierde stelt de klagende partij onder de sectie “Oprichting naar Belgisch recht (art. […] 220§2,1° GBW)” dat de GBA reeds eerder heeft onderschreven dat deze Belgische bepaling restrictiever is dan art. 80
(1)AVG en dat zij deze buiten toepassing laat in die zin dat de niet-naleving ervan ‘geen impact’ heeft. De klagende partij stelt verder dat de GBA de werking van de nationale bepaling buiten toepassing moet laten om de volle werking van het recht van de EU te garanderen en dus op grond van art. 80
(1)AVG Noyb als vertegenwoordiger toe te laten; Noyb is rechtsgeldig opgericht volgens het recht van een lidstaat, in casu Oostenrijk. 79. In een tweede onderdeel ter zake argumenteert de klagende partij omtrent de “ontvankelijkheid ex art. 80
(2)AVG”: a. De klagende partij stelt te dezen dat er een geldige vertegenwoordiging bestaat ex art. 80
(1)AVG waardoor een ontvankelijkheidsvraag ex art. 80
(2)AVG niet aan de orde is. Daarbij merkt de klagende partij op dat Noyb overeenkomstig art. 17 Ger. W. zelf een vordering kan instellen bij de rechtbanken en dat er geen redelijke verantwoording bestaat om Noyb niet toe te laten zelfstandig klacht te laten indienen bij de GBA. Daarbij merkt de klagende partij op dat de wetsgeschiedenis van art. 17 Ger. W. niet stelt dat de bepaling niet van toepassing is voor procedures voor de (Geschillenkamer van
- de)GBA. Anderzijds volgt volgens de klagende partij uit de wetsgeschiedenis van art. 58 WOG dat “een ieder” klachten kan indienen, Beslissing ten gronde 113/2024 — 20/70 waaronder rechtspersonen en verenigingen. Verder stelt de klagende partij dat Noyb wel toelaten voor een rechtbank als zelfstandige procesactor, maar niet voor de GBA, een schending van het gelijkheidsbeginsel zou uitmaken in de zin van art. 10 van de Belgische Grondwet. De klagende partij besluit: “Het feit dat noyb voldoende belang zou hebben bij het indienen van klachten zoals deze, volgt reeds uit Noyb’s statuten.” Standpunt verweerder 80. Het standpunt van de verweerder wordt te dezen in twee van haar middelen verduidelijkt, en luidt als volgt (de Geschillenkamer vat samen): “2e middel (in hoofdorde): Afwezigheid van een voldoende persoonlijk belang in hoofde van de klager”: a. In dit middel stelt de verweerder vooreerst, samengevat, dat er “geen geloofwaardig bewijs noch claim van verwerking van persoonsgegevens van klager” wordt aangevoerd in de klacht.” Volgens de verweerder is het niet zeker dat de klager zelf de betrokken websites bezocht. De verweerder stelt dat zij op basis van “nader onderzoek” bijvoorbeeld vaststelt dat er een aantal “valselijke of minstens gebrekkige beweringen” in de klacht kunnen worden gelezen – en verwijst voor elk van de vier klachten naar het feit dat voor elk van de vier klachten in de bewijsstukken referenties naar nieuwspagina’s (webpagina’
- s)werden opgenomen die dateerden van na de datum waarop de klager claimde de websites te hebben bezocht. Daarnaast wijst de verweerder op nog andere inconsistenties in de aangedragen stukken. b. Ten tweede wordt in dit middel, samengevat, aangedragen dat de “betrokken verwerking” de AVG niet schendt. De verweerder draagt hieromtrent aan dat de klager als betrokkene immers de toestemming heeft gegeven en dat hij de verschillende informatielagen heeft geconsulteerd, blijkens de bewijsstukken. Daarenboven, zo haalt de verweerder aan, heeft de klager zijn rechten niet uitgeoefend ten aanzien van de verweerder. Dit wil zeggen, zo de verweerder, dat de Geschillenkamer geen bevel kan opleggen tot het wissen van gegevens in de zin van artikel 17 AVG of geen bevel kan opleggen om deze wissing of rectificatie ter kennis te geven aan derden in de zin van artikel 19 AVG. c. Ten derde stelt de verweerder, samengevat, dat de “betrokkene” (klager) geen voldoende persoonlijk belang heeft en de vertegenwoordiger onder een fictief mandaat handelt. De verweerder verwijst hierbij naar persberichten van Noyb aangaande haar acties tegen “cookiebannerterreur” alsook een specifiek Beslissing ten gronde 113/2024 — 21/70 persbericht inzake de schikkingen van de Geschillenkamer. De verweerder haalt de volgende passage aan uit dit laatste persbericht van Noyb: “Noyb dient 15 klachten in tegen genoemde mediasites om ze te dwingen hun cookiebanners alsnog aan te passen.” Daarbij haalt de verweerder voorts aan dat de klager op het moment van de bezoeken van de litigieuze websites stagiair was bij Noyb, dat de bezoeken aan de websites geen spontane bezoeken betroffen (gezien de beperkte tijd gespendeerd – minder dan 1 minuut per website), de geografische gegevens omtrent de websitebezoeken terug te leiden zijn naar Oostenrijk, klager zelf aangeeft tegen een algemene praktijk op te treden en de klager op dezelfde dag klacht indiende tegen andere mediabedrijven. Daarnaast wijst de verweerder erop dat het schrijven aan de Eerstelijnsdienst door Noyb op 1 september 2023 niet aantoont dat de klager inderdaad het vereiste persoonlijke belang houdt, alsook dat de Geschillenkamer in een eerdere beslissing in een vergelijkbare zaak (Beslissing 22/2024 van 24 januari 2024) al oordeelde dat het mandaat van Noyb fictief is. d. Ten vierde stelt de verweerder dat Noyb rechtsmisbruik beging omdat zij de klachtenprocedure gebruikte om “haar eigen in het publiek aangekondigde programma te verwezenlijken via een fictief mandaat van een ondergeschikte stagiair”. Verder stelt de verweerder: “Op deze manier trachtte Noyb de nietomzetting naar Belgisch recht van het artikel 80.2 . . . te omzeilen.” De verweerder haalt nog meerdere elementen aan om vervolgens te besluiten: “Noyb wendde de klachtprocedure bij de GBA dus aan voor een ander doel dan waarvoor de procedure eigenlijk bedoeld is. Dit is rechtsmisbruik.” e. Tot slot reageert de verweerder op een aantal punten uit de conclusie van de klager. In dat kader merkt de verweerder op dat de klagende partij niet antwoordt op “meerdere – eerdere feitelijke – argumenten” van de verweerder en dat die feiten dus niet worden betwist. “3de middel (in ondergeschikte orde): NOYB kan niet zelfstandig een klacht indienen” a. In dit middel haalt de verweerder ten eerste en ‘in hoofdorde’ aan dat het mandaat van de klager is beperkt tot artikel 80.1 AVG. De verweerder stelt dat de Geschillenkamer de elementen uit de klacht niet kan beoordelen onder artikel 80.2 AVG: in dat geval zou de Geschillenkamer “ultra petita” oordelen. b. Ten tweede en ‘ondergeschikt’ stelt de verweerder dat artikel 80.2 AVG niet van toepassing is in België. De verweerder verwijst naar de keuze van de Belgische wetgever om deze bepaling niet te activeren via de nationale wet. Beslissing ten gronde 113/2024 — 22/70 c. Ten derde en eveneens ‘ondergeschikt’ stelt de verweerder dat Noyb zelf geen klacht kan indienen aangezien ze zelf niet beschikt over een voldoende persoonlijk belang. d. Ten vierde biedt de verweerder een repliek op wat in de conclusie van de klagende partij werd gesteld, nl. dat een voldoende belang voor Noyb uit de statuten van die onderneming volgt. De verweerder stelt dat uit de statuten van Noyb louter het algemene, publieke karakter van het belang blijkt. Beoordeling Geschillenkamer 81. De vertegenwoordiger van de klager is ten algemene op (pro-)actieve wijze werkzaam om bepaalde praktijken in de gegevensbeschermingsrechtelijke sfeer aan de kaak te stellen. Deze algemene verenigingseigen doelstellingen op zich volstaan uiteraard niet om van een fictief mandaat onder artikel 80.1 AVG te spreken. De verweerder haalt een aantal (sub)middelen in haar verweer aan om te argumenteren dat er verschillende problemen inzake het mandaat vast te stellen zijn. De Geschillenkamer vindt echter in geen van deze middelen rechtstreekse aanwijzingen of bewijzen om te stellen dat het mandaat fundamenteel gebrekkig zou zijn, laat staan op ‘fictieve’ wijze tot stand zou zijn gekomen in dit dossier. De Geschillenkamer argumenteert als volgt. 82. Ten eerste is het inderdaad zo dat Noyb in het verleden verscheidene projecten aanhield waarbij zij middels klachten trachtte bepaalde praktijken aan te kaarten. Het feit dat in die context algemeen op fictieve wijze mandaten zouden zijn geformuleerd, volstaat uiteraard niet om te stellen dat Noyb geen betrokkenen kan vertegenwoordigen aangaande dezelfde materie. Ook is er in dezen geen enkele formele aanwijzing dat Noyb zelf het initiatief nam om de klagers ertoe aan te zetten de klachten met een welbepaalde concrete inhoud neer te leggen. 83. Ten tweede benadrukt de klager ter hoorzitting dat hij zelfstandig de websites heeft bezocht en problemen had met de praktijk van de verwerkingsverantwoordelijke, specifiek na de kennisneming van de schikkingsbeslissing van de Geschillenkamer betrekking hebbende op de websites. De klager is bovendien Nederlandstalig, dus is het niet ondenkbaar dat de klager ook incidenteel of routinematig de litigieuze websites bezoekt en er belang bij heeft dat de persoonsgegevensverwerkingen adequaat verlopen wanneer dit gebeurt. Wanneer de klager dan ook stelt dat hij op zelfstandige wijze de website heeft bezocht – zij het op een werklaptop – en zich daarbij gegriefd acht, zonder dat er enige aanwijzing is van voorafgaande instructie of druk vanwege de vertegenwoordiger, staat het rechtmatig, rechtstreeks en persoonlijk belang vast. Er is geen enkele aanwijzing dat er sprake is van rechtsmisbruik. 84. Hierbij zij benadrukt, zoals de klagende partij terecht opmerkt, dat de betrokkene in het kader van het klachtenrecht enkel “van mening” dient te zijn dat er inbreuk is begaan op Beslissing ten gronde 113/2024 — 23/70 diens rechten. A fortiori valt in overweging 143 – in verband met de mandatering door een betrokkene – uitdrukkelijk te lezen dat een betrokkene het recht heeft een organisatie te mandateren van zodra deze persoon “van oordeel” is dat hij in zijn rechten geschonden is. Dat de vertegenwoordiger nadien haar expertise ter beschikking stelt in het kader van de vertegenwoordigingsopdracht, om bijkomende bewijzen te vergaren, kan net als een goede praktijk worden aangemerkt. 85. Kortom, het mandaat is rechtmatig verleend onder art. 80.1 AVG. 86. Ten derde is inderdaad voorzichtigheid geboden om een mandatering onder artikel 80.1 AVG aan te gaan, wanneer er een werkrelatie (een arbeidsrelatie, een relatie als stagiair, of andere) in het spel is. Er kunnen wel degelijk problemen (zoals belangenconflicten) spelen in het kader van een stagerelatie; de Geschillenkamer leest of vindt nergens een argument waarbij de stagerelatie in dezen in problematische verhouding staat tot de mandatering voor het indienen van de klacht. Het is immers wettelijk en sensu stricto niet uitgesloten dat de vertegenwoordiger ook stagemeester kan zijn. 87. Het is aan de vertegenwoordiger om, binnen het kader van de toepasselijke wettelijke normen, te beoordelen of de vertegenwoordigingsrelatie gepast is. De Geschillenkamer zal slechts ingrijpen wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat de wettelijke vereisten voor een geldige vertegenwoordiging niet zijn nageleefd, of wanneer de integriteit van de procedure in het gedrang komt. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een mandaat op fictieve wijze tot stand komt, of nog: wanneer de grieven aantoonbaar ‘gestuurd’ worden door de vertegenwoordiger. 88. Daarbij valt het volgende op te merken. Er is een verschil tussen enerzijds gevraagd worden – hoe vrijblijvend dit ook is – door een werkgever of ‘stagemeester’ om de toestemming voor iets te geven, tegenover anderzijds zelf zich tot de stagemeester of werkgever te richten om een vertegenwoordigingsopdracht toe te kennen. In dezen wijst in de feiten niets erop dat het eerste het geval is, waardoor er geen juridisch gebrek in het mandaat kan worden vastgesteld. Bovendien wordt ook in zoveel woorden door de klager ter hoorzitting aangegeven dat hij zelf (zij het in overleg met een andere persoon die eveneens trainee was op hetzelfde moment) en dus niet op instructie een probleem heeft vastgesteld met de litigieuze websites. Er is geen bewijs om te stellen dat deze verklaring van de klager zelf niet waarachtig zou zijn: de klager heeft deze kwestie in persoon aangekaart ter hoorzitting. 89. Het feit dat aan trainees een forum wordt geboden om klachten op te stellen voor wat betreft vermeend onrechtmatige verwerkingen van hun eigen persoonsgegevens of andere gerelateerde inbreuken, is in se niet problematisch zolang dit binnen de wettelijke Beslissing ten gronde 113/2024 — 24/70 bepalingen23 en zonder voorafgaande instructies gebeurt voor wat betreft bijvoorbeeld de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke en de aangezochte concrete inbreuken. Dat forum aanbieden kan in beginsel ook inhouden dat werkmateriaal en een fysieke werkplaats wordt aangeboden aan personen. Strategische coördinatie tussen de klager en diens vertegenwoordiger omtrent hoe een klacht wordt neergelegd, op welke inbreuken wordt gefocust en hoe de inhoud wordt gepresenteerd, kan uiteraard pas wel nadat zulke grieven zijn ontstaan. 90. Daarbij is het uiteraard niet uitgesloten dat de doelstelling van de klager om zich te willen zien vertegenwoordigd om op te treden inzake vermeend gegriefde rechten die hij zelf wenst te zien gehandhaafd, samenvalt met de verenigingseigen doelstellingen van Noyb om in het algemeen belang de regels inzake rechtmatige persoonsgegevensverwerkingen bij 91. Kortom, er is ook geen aanwijzing voor het feit dat het mandaat fictief zou zijn. De klager heeft een rechtstreeks en persoonlijk belang en heeft zelfstandig, niet op instructie van de vertegenwoordiger, het mandaat verleend. 92. Ten vierde stelt de verweerder terecht vast dat er een aantal dubbelzinnigheden, fouten of gebreken uit de bewijsstukken (in wisselwerking met de inhoud van de klacht zelf) blijken. Deze aspecten lijken echter eerder te wijzen op het onzorgvuldig aanvoeren van bewijsstukken door de klagende partij c.q. de vertegenwoordiger, specifiek wat betreft het dateren van zulke stukken, eerder dan op fundamentele problemen omtrent de mandatering van de vertegenwoordiger. Ook beweert de klager zélf de webpagina’s te hebben bezocht, wat in vraag gesteld wordt door de verweerder. In elk geval zijn de onzorgvuldigheden c.q. fouten niet van die aard dat zij tot de seponering van het dossier moeten leiden in voorliggend geval. 93. Op de hoorzitting erkent de klagende partij dat niet alle stukken in de klacht en het administratief dossier nauwkeurig zijn aangeduid of beschreven. Wel stelt de klager dat hij de initiële schermafbeeldingen nam en dat hij de initiële grieven die aan de basis liggen voor de klacht dus opwierp. Voor wat betreft de HAR-bestanden (met een weergave/registratie van het netwerkverkeer op een bepaald moment, waarbij de plaatsing en het uitlezen van verschillende cookies op de litigieuze websites zichtbaar zijn) die bij de klacht werden gevoegd, wordt dan weer opgeworpen dat ze niet door de klager (maar wel door medewerkers van de vertegenwoordiger) zijn gegenereerd. Hierbij geeft de klagende partij aan dat de HAR-bestanden niet dienen om de persoonsgegevensverwerkingen van de 23 Er zij hier onder meer verwezen naar art. 57.4 AVG, dat stelt dat overmatige verzoeken van individuele betrokkenen kunnen geweigerd worden voor behandeling. Beslissing ten gronde 113/2024 — 25/70 klager als betrokkene aan te tonen, maar wel om de algemene praktijken van de verweerder te kaderen. 94. Dit alles vormt geen enkel direct bewijs voor een probleem inzake (de fictiviteit van) de mandatering. De klagende partij is open over de werkwijze en alles wijst erop dat bijkomende bewijsstukken werden vergaard nadat de grieven voor de klager ontstonden. Bovendien wordt door de verweerder niet betwist dat de schermafbeeldingen en praktijken weergegeven op die schermafbeeldingen, effectief reële schermafbeeldingen waren die van de litigieuze websites werden genomen. 95. Hetzelfde geldt voor de HAR-bestanden die van de litigieuze websites werden bijgevoegd. Voor deze bestanden wordt wel de datering of de agerende persoon achter het stuk onduidelijk geacht door de verweerder, maar de Geschillenkamer overweegt in dat kader dat niets erop wijst dat de stukken op enige wijze zouden zijn gemanipuleerd. Bovendien spelen met name de HAR-bestanden geen rol in de verdere beoordeling door de Geschillenkamer, onder meer omdat deze bestanden niet dienend zijn voor de inbreuken die hiernavolgend worden vastgesteld. 96. Wat betreft de schermafbeeldingen, staat vast dat het de klager is die kennis heeft genomen van de cookiebanners en de verschillende lagen ervan; minstens een deel van de schermafbeeldingen bijgevoegd in de klacht zijn initieel door de klager gegenereerd. 97. Het kan als een goede praktijk worden gezien dat wanneer Noyb een betrokkene vertegenwoordigt, zij er zich als vertegenwoordiger van vergewist de noodzakelijke bewijsstukken te verzamelen; daar hoeft geen initiatief van de klager toe te bestaan wanneer die Noyb mandateert om een vooraf vastgelegde zaak (met grieven terug te leiden tot het eigen initiatief van de klager) aan te brengen, voor zover de bewijsstukken de klacht verder schragen. In die zin is het zeker niet zo dat de Geschillenkamer stukken aangeleverd door de vertegenwoordiger niet toelaatbaar acht. 98. Kortom, de verkeerd aangeduide, gekwalificeerde of anderszins met een gebrek behepte bewijsstukken zijn niet van dien aard dat zij wijzen op een problematiek in verband met het belang van de klager of de vertegenwoordigingsopdracht, noch leiden deze ertoe het dossier te moeten seponeren. De beslissing steunt louter op de bewijsstukken waarvan de waarachtigheid vaststaat of bewijsstukken of elementen aangedragen door de verweerder zelf. 99. Ten vijfde is het geenszins zo dat een klacht in elk geval zou moeten worden geseponeerd omdat een klager (in dat geval nog als betrokkene) zich niet eerst richt tot de verwerkingsverantwoordelijke, of dat de Geschillenkamer geen maatregelen zou kunnen nemen wanneer een betrokkene zich niet eerst heeft gericht tot de verwerkingsverantwoordelijke. Het is, afhankelijk van de omstandigheden, zelfs niet nodig Beslissing ten gronde 113/2024 — 26/70 dat de persoonsgegevens van een persoon worden verwerkt om dienend een klacht te zien behandeld voor een toezichthoudende autoriteit – ondanks enige rechtskundige discussie hieromtrent voorheen.24 Wél is het zo dat de Geschillenkamer en de GBA als geheel – in het licht van hun beperkte middelen – een zo efficiënt mogelijke klachtenbehandeling nastreven, waarbij de niet-uitoefening van rechten zeker kan meespelen in de beoordeling om een klacht al dan niet te seponeren. Dergelijke beoordeling is hier door de Geschillenkamer hier en nu niet aan de orde. 100. Als besluit: om al deze redenen zijn alle middelen van de verweerder die verband houden met aspecten inzake de vertegenwoordigingsopdracht en de mandatering van de vertegenwoordiger door de klager in dit dossier, niet dienend. De Geschillenkamer oordeelt dat de vertegenwoordiging op rechtmatige wijze onder artikel 80.1 AVG geschiedt, en dat de klager een persoonlijk, rechtstreeks en vaststaand belang heeft bij de persoonsgegevensverwerkingen die aan de basis liggen van voorliggende klachtprocedure. Er wordt niet verder ingegaan op de argumenten van partijen die slaan op de rol van art. 80.2 AVG in dit dossier, aangezien deze bepaling in deze zaak geen rol speelt. II.3. De inbreuken II.3.1. Een alles weigeren-optie op de eerste laag van de cookiebanners Standpunt klagende partij 101. Het standpunt van de klager wat betreft dit punt luidt als volgt: “Geen van de […] cookiebanners van op de websites van beklaagde [verweerder], bevat een “Alles weigeren” knop op het eerste niveau, maar enkel een knop met “Akkoord en sluiten” en een knop met “Meer informatie”. De optie om alle cookies eenvoudig en in één keer te weigeren wordt hiermee bewust door de beklaagde [verweerder] verborgen. Doordat geen “Alles weigeren”-optie op het eerste informatieniveau van de ma[l]en eenvoudiger is dan het weigeren hiervan, is sprake van een “default effect” voor en het aanzetten tot het accepteren van alle cookies (vgl. ov. 32 AVG). Op grond hiervan kan de toestemming die door beklaagde voor het plaatsen van 24 Cassatie, V t. GBA, C.20.03223.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211007.1N.4, §6: “Door op die grond te oordelen dat een inbreuk op artikel 5, lid 1, c), AVG niet bewezen is en de litigieuze beslissing van de eiseres te vernietigen, terwijl niet vereist is dat de persoonsgegevens van de klager daadwerkelijk verwerkt zijn opdat de eiseres naar aanleiding van een klacht corrigerende maatregelen of een administratieve geldboete kan opleggen, na de vaststelling dat een praktijk bestaat die aanleiding geeft tot een inbreuk op het beginsel van minimale gegevensverwerking, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.” (de Geschillenkamer onderlijnt) Beslissing ten gronde 113/2024 — 27/70 AVG), waardoor de verkregen toestemming van klager ongeldig is (art. 6
(1)(a) AVG jo. art. 5
(3)ePrivacyRl jo. art. 10/2 GBW[…]). Hierdoor kan beklaagde [verweerder] niet […] aantonen dat klager toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens (art. 7
(1)jo. art. 5
(2)AVG). Hierbij benadrukt klager nogmaals dat in het EDPB Cookie Banner Taskforce Report ook wordt onderschreven dat het ontbreken van een knop met het type “Alles weigeren” op hetzelfde niveau als de knop “Alles accepteren” wordt beschouwd als een inbreuk door een grote meerderheid van de gegevensbeschermingsautoriteiten.[…] Zoals reeds naar voren gebracht is in de klacht, volgt het feit dat dit de geldende rechtsopvatting is ook uit richtsnoeren van nationale toezichthouders van Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Finland. Daaraan kunnen tevens (onder andere) de richtsnoeren van de Nederlandse[…], Oostenrijkse[…] aan worden toegevoegd. Ook de GBA schrijft uitdrukkelijk voor dat: “Een knop “instellingen beheren” volstaat dus niet naast een knop “alles aanvaarden”.[…] Het enkel aanbieden van een optie om alle cookies te weigeren die evident meer stappen, tijd en moeite kost dan het aanvaarden van alle cookies, houdt op grond van de EDPB richtlijnen over deceptive design en dark patterns, bovendien ook een schending van het behoorlijkheidsbeginsel van art. 5
(1)(a) AVG in: [citaat van de genoemde richtlijnen in het Engels] Het vaststellen dat het niet aanbieden van een “Alles weigeren”-optie op de eerste informatielaag van de cookiebanners van beklaagde een inbreuk oplevert, betreft echter niet zozeer het toepassen van richtlijnen van toezichthouders, maar dit betreft gewoon een directe en concrete toepassing van de wetgeving (conform de geldende rechtsopvatting). Uit een eenmalig goedgekeurd actieplan of individuele (oude) beslissingen van de Geschillenkamer in enkele specifieke zaken, waarbij bovendien een “Alles weigeren”-knop niet het onderwerp was, kan echter juist niet de waarde worden toegedicht dat zij als geldende rechtsopvatting zouden dienen te gelden.[…] Zoals reeds is aangehaald in deze conclusie, is bevestigd door het Marktenhof dat de beslissingen van de Geschillenkamer van de GBA geen precedentwerking hebben.” Standpunt verweerder 102. Het standpunt van de verweerder in haar syntheseconclusie luidt als volgt (de Geschillenkamer vat samen): Beslissing ten gronde 113/2024 — 28/70 “4de middel (ondergeschikt): Het niet hebben van een ‘weigeren’-optie in de eerste informatielaag van de cookiebanner zorgt niet voor een ongeldige toestemming” • Ten eerste geeft de verweerder aan dat de vermeende inbreuk “zonder voorwerp [is] want de klager gaf zijn toestemming”. De verweerder stelt in dat kader dat van zodra een verwerkingsverantwoordelijke over de toestemming van de betrokkene beschikt, een rechtsgrond bestaat om de gegevens rechtmatig te verwerken; de verweerder wijst erop dat de klager zijn toestemming gaf. • Ten tweede geeft de verweerder aan dat de verplichting om de ‘weigeren’-optie op de eerste informatielaag te plaatsen, niet blijkt uit enige wetgeving. Hierbij stelt de verweerder dat een geldige toestemming kan worden bekomen , “ook wanneer er geen ‘weigeren’-optie bestaat op het eerste informatieniveau van de • Ten derde geeft de verweerder aan dat de toestemmingsvereisten onder artikel 7 AVG wel degelijk zijn gerespecteerd. De verweerder geeft hierbij aan dat uit art. 7 AVG geen verplichting blijkt voor het hebben van een ‘weigeren’-optie in de eerste informatielaag van de cookiebanner. Daarbij wijst de verweerder onder meer op het feit dat art. 7.3 AVG handelt over het intrekken van de toestemming: “De AVG stelt daarentegen geen soortgelijke vereisten voor het weigeren van toestemming op een moment dat men nog geen toestemming heeft gegeven.” Voorts wijst de verweerder er in deze context op dat artikel 4.11 AVG evenmin een verplichting tot het hebben van een ‘weigeren’-optie vooropstelt op de eerste laag van de en ondubbelzinnig plaatsvinden. Daarbij geschiedt de wilsuiting volgens de verweerder in elk geval op actieve wijze. • Ten vierde geeft de verweerder aan dat de cookiebanner in overeenstemming is met de “beslissingspraktijk van de Geschillenkamer”. De verweerder wijst met name naar twee beslissingen – Beslissing 12/2019 van 17 december 2019 en Beslissing 19/2021 van 12 februari 2021 – waarin met name in de laatste beslissing expliciet door de Geschillenkamer is gesteld, zoals geciteerd door de verweerder: “De nieuwe cookiebanner gaat niet langer uit van een impliciete toestemming (‘door verder gebruik te maken van deze website’) maar geeft de keuze tussen ‘aanbevolen cookies aanvaarden’ en ‘cookievoorkeuren aanpassen’.” • Ten vijfde geeft de verweerder aan dat de cookiebanner in overeenstemming is met de richtsnoeren van de EDPB inzake toestemming. Daarbij geeft de verweerder aan dat zij niets leest over de vereiste van een ‘weigeren’-optie op het eerste informatieniveau van de cookiebanner. Beslissing ten gronde 113/2024 — 29/70 • Ten zesde geeft de verweerder aan dat de cookiebanner in overeenstemming is met het actieplan van IAB Europe dat door de Geschillenkamer werd goedgekeurd.25 De verweerder stelt: “Mediahuis begrijpt dat het actieplan van het Internet Advertising Bureau (“IAB”), gevalideerd door de Geschillenkamer op 11 januari 2023, evenmin de vereiste van een ‘weigeren’-optie in de eerste informatielaag van een cookiebanner bevat. In dit actieplan zou niets opgenomen zijn over welke knoppen op de eerste informatielaag van een cookiebanner moeten staan.” • Ten zevende geeft de verweerder aan dat er geen inbreuk optreedt, louter en alleen omdat de praktijk niet in overeenstemming met “beleidsdocumenten van autoriteiten” zou zijn. Daarbij geeft de verweerder aan dat het louter beleidsdocumenten betreffen; ze hebben geen bindend karakter daar ze geen wet zijn. Daarnaast geeft de verweerder aan dat zij uit het EDPB Cookie Banner Taskforce rapport begrijpt dat een aantal autoriteiten van oordeel is dat de afwezigheid van een ‘alles weigeren’-optie in dezelfde laag als waar een ‘alles accepteren’-optie staat, geen inbreuk vormt op artikel 5
(3)ePrivacy Richtlijn, wat er voor de verweerder op wijst dat er geen eensgezindheid hieromtrent bestaat tussen Europese toezichthoudende autoriteiten. Voorts geeft de verweerder aan dat de GBA “niet consistent” is in de informatie die zij aan het publiek verstrekt, waarbij zij wijst op het verschil in webpagina’s inzake cookies op de afdeling “burger” op de GBA-website, versus de pagina “professional” op de GBA-website. Daarbij wijst de verweerder erop dat de informatie op de website voor “professionelen” onduidelijk is, en onder meer doorlinkt naar niet-professionele webpagina’s van de GBA-website. De verweerder liet de inconsistenties ook vaststellen door een deurwaarder op 27 november 2023, en voegt de vaststellingen bij als stuk. • Ten achtste repliceert de verweerder ook nog op de conclusie van de klager. Beoordeling Geschillenkamer
- Art. 10/2 WVP bepaalt: In toepassing van artikel 125, § 1, 1°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en onverminderd de toepassing van de Verordening en deze wet is de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen in de eindapparatuur van een abonnee of een gebruiker slechts toegestaan op voorwaarde dat: 1° de betrokken abonnee of gebruiker, overeenkomstig de voorwaarden bepaald 25 Beslissing Geschillenkamer 21/2022 van 2 februari
- Beslissing ten gronde 113/2024 — 30/70 in de Verordening en in deze wet, duidelijke en precieze informatie krijgt over de doeleinden van de verwerking en zijn rechten op basis van de Verordening en van deze wet; 2° de abonnee of eindgebruiker zijn toestemming heeft gegeven na ingelicht te zijn overeenkomstig de bepaling onder 1°. Het eerste lid is niet van toepassing voor de technische opslag van informatie of de toegang tot informatie opgeslagen in de eindapparatuur van een abonnee of een eindgebruiker met als uitsluitend doel de verzending van een communicatie via een elektronische-communicatienetwerk uit te voeren of een uitdrukkelijk door de abonnee of eindgebruiker gevraagde dienst te leveren wanneer dit hiervoor strikt noodzakelijk is. (De Geschillenkamer onderlijnt en benadrukt)
- Het Europees Comité voor Gegevensbescherming 26 heeft, net zoals het Europees Hof van Justitie27, al gesteld dat de vereisten die worden gesteld aan het begrip “toestemming” in de e-Privacyrichtlijn moeten voldoen aan de vereisten van toestemming onder de AVG.28 Dit is in het bijzonder het geval voor die cookies die gegevensverwerkingen meebrengen: zoals het “Cookie Banner Taskforce” rapport van 17 januari 2023 stelt, impliceren zulke verwerkingen achteraf immers dat op het moment van het verlenen van de toestemming, deze toestemming moet beantwoorden aan de voorwaarden van de AVG. 29
- Artikel 4.11 AVG definieert toestemming als volgt: elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt;
- Artikel 6.
- aanhef en punt a AVG stipuleert: De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: 26 EDPB, Advies 5/2019 over de wisselwerking tussen de e-Privacyrichtlijn en de algemene verordening gegevensbescherming, met name wat betreft de taken en bevoegdheden van de gegevensbeschermingsautoriteiten, 12 maart 2019, beschikbaar via: https://www.edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/201905 edpb opinion eprivacydir gdpr interplay nl.pdf; EDPB, richtsnoeren 5/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679, v 1.1, 4 mei 2020, §6-
- 27 Arrest Hof van Justitie EU, Proximus t. GBA, C-129/21, zie specifiek § 51: “Wat de wijze betreft waarop blijk moet worden gegeven van een dergelijke toestemming, volgt uit artikel 2, tweede alinea, onder f), van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 94, lid 2, en artikel 95 AVG, dat die toestemming in beginsel moet voldoen aan de vereisten van artikel 4, punt 11, van deze verordening.” 28 Vgl. Eveneens A. GOBERT, “Chapitre
- La jurisprudence de l’APD en matière de cookies » in M. Knockaert en J.-M. Van Gyseghem (eds.), 5 années de jursprudence de la Chambre Contentieuse de l’APD, Brussel, Editions Larcier-Intersentia,
(139)145, §13 : « Pour être valable, le consentement au dépôt de cookies non essentiels doit donc répondre aux conditions établies par l’article 4.
- du RGPD. » (vrij vertaald : « Om geldig te zijn, moet een cookies voor het installeren van niet essentiële toestemming beantwoorden aan de voorwaarden vooropgesteld onder artikel 4.11 AVG.”). 29 EDPB, Report of the work undertaken by the Cookie Banner Taskforce, 17 januari 2023, §
- Beslissing ten gronde 113/2024 — 31/70 a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;
- Uit de gezamenlijke lezing van de voornoemde wettelijke bepalingen, en na de verduidelijking van het Hof van Justitie omtrent de wisselwerking tussen de ePrivacyrichtlijn en de AVG, volgt onmiskenbaar de conclusie dat de “alles weigeren”-optie moet worden voorzien door de verweerder op de eerste laag wanneer de verweerder op diezelfde laag een “alles accepteren”-knop plaatst.30 Zo niet kan de toestemming onmogelijk op een “vrije” en “ondubbelzinnige” wijze worden verkregen.31
- De toestemming is enerzijds niet “vrij” wanneer de betrokkene die zijn toestemming niet wenst te verlenen (in de zin van artikel 10/2, eerste lid, 2° WVP) verplicht meer handelingen moet stellen om de toestemming te weigeren. Zoals overweging 42 van de preambule van de AVG stelt: “Toestemming mag niet worden geacht vrijelijk te zijn verleend indien de betrokkene geen echte of vrije keuze heeft . . .”32 Een keuze impliceert minstens een evenwaardige optie om op evenwaardige wijze een andere handeling te stellen (niet toestemmen) dan diegene waarvoor de keuzemogelijkheid wordt geboden (wel toestemmen).33 Daarbij zij ten overvloede gewezen op het feit dat de betrokken bezoeker de cookiebanner niet kan sluiten zonder het maken van een keuze, hetgeen een problematische vorm van een zogenaamde cookie wall uitmaakt.34
- Het feit dat de toestemming niet vrij geschiedt, volstaat op zich om vast te stellen dat de toestemming niet rechtsgeldig als wordt aangeboden en kan worden verkregen.
- Anderzijds is de toestemming niet “ondubbelzinnig” wanneer de betrokkene niet op gelijkaardige wijze de actieve handeling kan stellen om niet toe te stemmen, omdat hij bijvoorbeeld geen weet heeft van de optie om de cookies te weigeren, nu dergelijke optie slechts staat vermeld c.q. kan worden gekozen in een volgende ‘laag’ van de cookiebanner. In die zin kan een betrokkene geen ondubbelzinnige actieve handeling stellen op de eerste laag van de cookiebanner, net omdat er geen alternatief wordt geboden om niet toe te 30 Zie ook de aangehaalde voorbeelden in de “cookie checklist” van de GBA, beschikbaar via: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/cookie-checklist.pdf, vn. 3: “Een knop “instellingen beheren” volstaat dus niet naast een knop “alles aanvaarden”. zie ook het eerdere persbericht daaromtrent van de Gegevensbeschermingsautoriteit: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger/nieuws/2023/02/10/cookiebanners-de-edpb-publiceertvoorbeelden-van-niet-conforme-praktijken.” 31 EDPB Richtsnoeren 5/2020 omtrent toestemming, randnummer 39: “Wil toestemming vrijelijk worden verleend, dan mag toegang tot diensten en functies niet afhankelijk worden gesteld van de toestemming van een gebruiker voor het bewaren van informatie, dan wel het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen, in de eindapparatuur van een gebruiker (de zogenaamde walls)”, beschikbaar via: https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_202005_consent_nl.pdf 32 De Geschillenkamer onderlijnt. 33 EDPB, richtsnoeren 5/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679, v 1.1, 4 mei 2020, §13: “Het element ‘vrij’ impliceert werkelijke keuze en controle voor de betrokkenen.” 34 Ibid., §39: “Wil toestemming vrijelijk worden verleend, dan mag toegang tot diensten en functies niet afhankelijk worden gesteld van de toestemming van een gebruiker voor het bewaren van informatie, dan wel het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen, in de eindapparatuur van een gebruiker (de zogenaamde cookie walls)[…]” Beslissing ten gronde 113/2024 — 32/70 stemmen.35 Dit alles kan niet worden losgekoppeld van de bredere digitale context waarbij heel wat websitebeheerders cookiebanners gebruiken en zodus heel wat betrokken internetgebruikers deze dagelijks zien verschijnen, hetgeen kan leiden tot een zekere mate van “klikmoeheid”.36
- Het feit dat de toestemming niet op ondubbelzinnige wijze kan worden gegeven, volstaat op zich om vast te stellen dat de toestemming niet rechtsgeldig als keuze wordt aangeboden en verkregen kan worden.
- Bovendien wordt in de volgende laag de “alles afwijzen”-optie inderdaad op dezelfde wijze weergegeven als de “met alles instemmen” optie in die laag, maar in elk geval in minder duidelijke kleuren dan de “accepteren en sluiten” optie in de eerste laag, en dan nog met een heel aantal andere knoppen die daaronder worden weergegeven op eenzelfde, evenwaardige wijze.37 Als voorbeeld (mutatis mutandis geldend voor de vier litigieuze websites) bij de website van De Standaard, op een schermafbeelding uit de syntheseconclusie van de verweerder van de tweede laag: 35 Vgl. EDPB, richtsnoeren 5/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679, v 1.1, 4 mei 2020, §77: “Een ‘ondubbelzinnige actieve handeling’ betekent dat de betrokkene een opzettelijke handeling moet hebben verricht om toestemming te verlenen voor de specifieke verwerking[…]”. 36 EDPB, richtsnoeren 5/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679, v 1.1, 4 mei 2020, §87: “Een ‘ondubbelzinnige actieve handeling’ betekent dat de betrokkene een opzettelijke handeling moet hebben verricht om toestemming te verlenen voor de specifieke verwerking[…]”. 37 Vgl. Mutatis mutandis de elementen in verband met de term “privacydoolhof” binnen het luik overdadige informatie, vgl. EDPB, Guidelines 3/2022 on deceptive design patterns in social media platform interfaces: how to recognize and avoid them” v. 2.0, 14 februari 2023, §
- Beslissing ten gronde 113/2024 — 33/70 38 Een duidelijk contrast met de knop ‘akkoord en sluiten’ in de eerste laag van de 39 38 39 Syntheseconclusie verweerder,
- Schermafbeelding weergegeven in de syntheseconclusie van de verweerder, als herneming van de schermafbeelding in de originele klacht; syntheseconclusie verweerder,
- Beslissing ten gronde 113/2024 — 34/70
- Zeker dient het recht op gegevensbescherming in verhouding te worden gebracht met andere grondrechten40 – zoals de vrijheid van ondernemerschap 41 – maar wanneer de wetgever voor bepaalde verwerkingen een toestemming verplicht stelt (onder de ePrivacyrichtlijn zoals omgezet in de WVP), dient die toestemming uiteraard wel aan de specifieke vereisten te voldoen die diezelfde wetgever stelt (onder de e-Privacyrichtlijn én de AVG).
- Wanneer dus vaststaat dat onder de geldende wetgeving toestemming dient te worden verkregen voor het plaatsen van niet strikt noodzakelijke cookies – waarover geen discussie bestaat in dit dossier – houdt dit inherent minstens een directe keuze in, los van de eventuele granulariteit voor het toestemmen voor het plaatsen van bepaalde soorten of categorieën van cookies. Zoals de klagende partij opmerkt, is er in de voorliggende gevallen op de vier litigieuze websites geen enkele wettelijke reden waarom het weigeren van de “vrije” en “ondubbelzinnige” vereiste om een geldige toestemming te verkrijgen, miskennen.
- Het argument van de verweerder dat de klager geen belang heeft omdat hij zijn toestemming heeft verleend, is niet dienend. Het is niet omdat een toestemming gegeven wordt, dat de toestemming aan alle vereisten van een geldige toestemming voldoet en alzo een geldige toestemming in de zin van artikel 4.11 j° artikel 7.1 AVG uitmaakt.
- Het argument van de verweerder dat de norm onduidelijk is en dat er nergens in wetgeving gewag wordt gemaakt van het feit dat “alles weigeren” in de litigieuze gevallen op de eerste informatielaag moet worden aangeboden, is evenmin een dienend argument. Dit geldt eveneens voor het argument dat de situatie zou beantwoorden aan de richtlijnen van de EDPB inzake toestemming, louter en alleen omdat die richtlijnen niets zouden vermelden (met de foutieve gevolgstelling dat de richtlijnen niets zouden vereisen) inzake de weigerenoptie op de eerste ‘laag’ van de cookiebanner.
- De Geschillenkamer verduidelijkt nogmaals haar bevoegdheden ter zake.
- Artikel 8, lid 3 van het Handvest van Grondrechten van de Europese Unie zet uiteen dat onafhankelijke autoriteiten toezicht moeten houden op de naleving van het recht op persoonsgegevensbescherming. Deze bepaling onderstreept het belang van onafhankelijke controle en vormt de grondslag voor de oprichting van toezichthoudende autoriteiten. Krachtens artikel 57.1 AVG zijn de toezichthoudende autoriteiten bevoegd voor de 40 Overweging 4 van de Preambule van de AVG. 41 Artikel 16 Handvest EU. 42 Vgl. GBA, Cookie Checklist, vn. 3: “Een knop “instellingen beheren” volstaat dus niet naast een knop “alles aanvaarden”, zie ook het eerdere persbericht daaromtrent van de Gegevensbeschermingsautoriteit: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger/nieuws/2023/02/10/cookiebanners-de-edpb-publiceertvoorbeelden-van-niet-conforme-praktijken.” Beslissing ten gronde 113/2024 — 35/70 handhaving van de AVG.43 Krachtens artikel 4 WOG is de GBA bevoegd voor deze handhaving.44 Krachtens artikel 32 WOG is de Geschillenkamer het administratief geschillenorgaan van de GBA; zij beslist geval per geval.
- Sinds de inwerkingtreding van de wet van 21 december 2021 houdende omzetting van het Europees Wetboek voor elektronische communicatie en wijziging van diverse bepalingen inzake elektronische communicatie op 10 januari 2022 (“WEC”) is de GBA voortaan overeenkomstig het Belgisch recht bevoegd voor het toezicht op de bepalingen inzake de plaatsing en het gebruik van cookies (i.e. “de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen in de eindapparatuur van een abonnee of een gebruiker”). Voormelde wet bracht onder meer wijzigingen aan de WEC. Meer bepaald voorziet artikel 256 van de wet van 21 december 2021 de opheffing van artikel 129 WEC en de overheveling van deze bepaling naar de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (WVP).45 Gelet op het feit dat de GBA over de residuaire bevoegdheid beschikt om toezicht te houden op de bepalingen van de WVP, wordt hiermee de materiële bevoegdheid van de GBA inzake de plaatsing en het gebruik van cookies bevestigd.
- De Europese wetgever heeft, mede in het licht van de toenemend digitaliserende samenleving, uitdrukkelijk gekozen om de handhaving van de AVG toe te kennen aan een autoriteit die in verbinding staat met gelijkaardige autoriteiten in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte.46 De toezichthoudende autoriteit moet om die reden kunnen handhaven, met oog op niet alleen de rechtskundige maar ook technologische ontwikkelingen. De wetgever wenste in dit kader de interpretatie van een feitelijke situatie getoetst te zien door een autoriteit.
- Het feit dat bepaalde rechtskundige of technologische ontwikkelingen een impact hebben op een bepaalde beslissingspraktijk, is een logisch gevolg van deze aanpak – en wordt ook in rekening genomen in het kader van de sanctionering in casu (infra, sectie III.1.1.). Een open norm verhindert dus geenszins het opleggen van maatregelen, en zelfs niet het opleggen van een administratieve geldboete, net omdat toenemende technologische ontwikkelingen (aan een hoog tempo) nopen tot een daadkrachtige, toereikende en proportionele handhaving in nieuwe omstandigheden. 43 Vgl. eveneens art. 32 WOG inzake handhavingsbevoegdheden voor de Geschillenkamer. 44 Art. 4 § 1 WOG: “De Gegevensbeschermingsautoriteit is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens.” 45 Wet van 21 december 2021 houdende omzetting van het Europees Wetboek voor elektronische communicatie en wijziging van diverse bepalingen inzake elektronische communicatie, B.S. 31 december
- 46 Overweging 7 van de preambule van de AVG: “Die ontwikkelingen vereisen een krachtig en coherenter kader voor gegevensbescherming in de Unie, dat wordt gesteund door strenge handhaving, omdat zulks van belang is voor het vertrouwen dat nodig is om de digitale economie zich in de hele interne markt te laten ontwikkelen. “ Beslissing ten gronde 113/2024 — 36/70
- Kortom, de autoriteit kan niet alleen een norm met “open” karakter interpreteren, zij moet dat doen; enig argument dat de niet-handhaving vooropstelt omwille van een “open norm” is niet dienend.
- Wat betreft het argument van de verweerder dat met name artikel 7 AVG de weigeren-optie niet expliciet verplicht stelt, wordt eveneens verwezen naar de voorgaande argumentatie in het kader van de open norm. De Geschillenkamer kijkt immers naar de rechtmatigheid van de toestemming, volgens de definitie en de voorwaarden die aan het toestemmingsbegrip worden toegekend door de wetgever: het gaat dus om de toestemming onder art. 10/2 WVP en art. 6.1.a AVG, zoals gedefinieerd in art. 4.11 AVG.
- Voor wat betreft het argument van de verweerder dat de cookiebanner in overeenstemming is met de eerdere beslissingspraktijk van de Geschillenkamer, zij er op gewezen dat de beslissingen van de Geschillenkamer geen precedentswaarde kennen. 47 Hoewel dit argument dienend kan zijn in het kader van de eventuele maatregelen (in het bijzonder de sanctionering), kan de rechtskundige beoordeling die aan de meest correcte rechtskundige visie beantwoordt – op basis van de meest recente rechtspraak alsook de zienswijze van de EDPB – bezwaarlijk louter op grond van dit argument achterwege worden gelaten. 48
- Het argument dat de Geschillenkamer een actieplan van een sectororganisatie dewelke rechtstreeks verband zou houden met voorliggende litigieuze situaties, zou hebben goedgekeurd, is evenmin een dienend argument. Zoals eerder opgemerkt, hebben de beslissingen van de Geschillenkamer geen precedentswaarde. Bovendien is de actor waarnaar de verweerder verwijst volkomen vreemd aan de voorliggende procedure.
- Bovendien zij opgemerkt dat krachtens artikel 5.2 en artikel 24 AVG het de verwerkingsverantwoordelijke is die verantwoordelijk is voor de naleving van de toepassing van de AVG, en het nemen van de passende technische en organisatorische maatregelen ter zake. De verweerder verwerkingsverantwoordelijkheid betwist voor de op geen inhoudelijke enkele beoordeling wijze haar van haar verwerkingsactiviteiten, dus waar het argument al niet inhoudelijk dienend kan zijn, is ook meer dan duidelijk dat het argument in de formele zin haar doel mist.
- Voor wat betreft het argument dat de richtlijnen van de toezichthoudende autoriteit en van het Europees Comité voor Gegevensbescherming geen kracht van wet hebben: dit argument klopt uiteraard in de formele zin en binnen de hiërarchie der rechtsnomen. Dit wil echter niet zeggen dat ze geen gezaghebbende waarde (zouden moeten) kennen, minstens 47 Arrest Hof van Beroep Brussel (Kamer 19A, sectie Marktenhof, 1 december 2021, 2021/AR/1044, § 7.0.2.: “Het Belgische rechtssysteem kent geen bindende precedentwaarde toe, noch aan administratieve, noch aan rechterlijke beslissingen (zie o.m. art. 6 Ger. W.)” 48 Vgl. omtrent de evolutie : A. GOBERT, “Chapitre
- La jurisprudence de l’APD en matière de cookies » in M. Knockaert en J.M. Van Gyseghem (eds.), 5 années de jursprudence de la Chambre Contentieuse de l’APD, Brussel, Editions Larcier-Intersentia,
(139)148-9, §
- Beslissing ten gronde 113/2024 — 37/70 omdat artikel 57.1.f AVG de taak aan de GBA oplegt om verwerkingsverantwoordelijken bekend te maken met hun verplichtingen uit hoofde van de verordening, net zoals artikel 70.1.u de EDPB tot taak stelt om toezichthoudende autoriteiten te laten samenwerken en desgevallend richtsnoeren, beste praktijken en aanbevelingen te laten formuleren om de consequente toepassing van de AVG te verzekeren (art. 70.1.d. AVG).
- Binnen de GBA, en binnen de EDPB, is de nodige expertise aanwezig om tot evenwichtige en juridisch correcte richtsnoeren, aanbevelingen en voorbeelden van beste praktijken te komen. Deze richtsnoeren en aanbevelingen hebben het karakter van ‘soft law’, waarvan een normerende werking uitgaat. Hoewel verwerkingsverantwoordelijken het recht behouden om de juridische interpretatie te betwisten, kan het gezaghebbende karakter ervan niet in twijfel worden getrokken. De GBA stelt duidelijke en helder geformuleerde voorbeelden en praktijken voorop in haar verwerkingsverantwoordelijken zich checklist.49 steeds Hierbij kunnen wordt verzetten benadrukt tegen dat specifieke interpretaties. Er wordt ter zake aan de verweerder geen enkele voorziening in rechte ontnomen.
- Meer in het bijzonder gaat de Geschillenkamer nog in op de stelling van verweerder dat de GBA niet consistent is in het verstrekken van de informatie, waar zij op haar website voor de burger niet uitdrukkelijk verwijst naar de weigeren-optie, en op de pagina voor professionelen wel. Opnieuw is dit argument niet dienend, nu het ook de taak is van een autoriteit om verwerkingsverantwoordelijken beter bekend te maken met hun verplichtingen (art. 57.1.d AVG, i.e. een afzonderlijke en op zich staande wettelijke taak).
- Nu de verweerder niet ontkent dat de professionele pagina tot haar gericht is of kan zijn, is dan ook de vraag waarom de verweerder uit het verschil tussen die pagina met de pagina gericht op de burger een argument tracht te puren om te stellen dat geen inbreuk heeft plaatsgevonden c.q. dat geen inbreuk aan haar kan worden verweten. Meer nog, dit argument bewijst net dat de informatie die de GBA verstrekt op haar website ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke volledig en onmiskenbaar consistent is met de beslissing van de Geschillenkamer die hier voorligt.
- De Geschillenkamer besluit dat de verweerder een inbreuk begaat op artikel 10/2 WVP juncto artikel 6.1.a AVG daar de toestemming bij betrokkenen in het licht van het plaatsen van cookies50 op haar website, niet rechtmatig geschiedt daar zij niet vrijelijk en ondubbelzinnig wordt verkregen. Het vrije en ondubbelzinnige karakter van de toestemming is fundamenteel om van een rechtmatige toestemming te kunnen spreken; bij gebreke van 49 GBA, “cookie checklist.pdf. 50 checklist”, beschikbaar via: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/cookie- Beslissing ten gronde 113/2024 — 38/70 dergelijke rechtmatige toestemming verlopen de hierop gebaseerde persoonsgegevensverwerkingen niet op rechtmatige wijze. II.3.
- Gebruik van misleidende knopkleuren Standpunt klagende partij
- De argumentatie van de klagende partij luidt als volgt: “De knop “Akkoord en sluiten” op het eerste niveau van de cookiebanners van de websites hebben steeds een opvallende, in het oog springende kleur (rood, blauw of zwart met witte tekst) tegen een witte achtergrond. Dit terwijl de knop met “Meer informatie” een kleur heeft die zo goed als wegvalt tegen de achtergrondkleur van de cookiebanners (lichtgrijs met donkergrijze letters tegen een witte achtergrond). Door het uitdrukkelijk ‘highlighten’ van de “Akkoord en sluiten” knop ten opzichte van de optie om cookies te weigeren, worden websitebezoekers, zoals klager, uitdrukkelijk aangezet om op “Akkoord en sluiten” te klikken. Uit onderzoek is ook gebleken dat als de knop voor het geven van toestemming een (veel) opvallendere kleur heeft dan de knop om toestemming te weigeren, 1,7 keer vaker toestemming wordt gegeven dan wanneer beide knoppen dezelfde kleur hebben. Hiermee kan de toestemming die door beklaagde voor het plaatsen van cookies wordt verkregen niet worden aangemerkt als ‘ondubbelzinnig’ (art. 4
(11)AVG), waardoor de verkregen toestemming van klager ongeldig is (art. 6
(1)(a) AVG jo. art. 5
(3)ePrivacyRl jo. art. 10/2 WVP), waarmee beklaagde niet kan aantonen dat klager toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens (art. 7
(1)jo. 5
(2)AVG). Zoals reeds benadrukt in de klacht, volgt uit het EDPB Cookie Banner Taskforce report eveneens dat het contrast en de kleuren die worden gebruikt in de “unintended” en hiermee ongeldige toestemming.[…] Uit richtsnoeren van vele toezichthouders, zoals onder andere de Griekse[…], Oostenrijkse[…] en de Tsjechische[…] toezichthouder, volgt ook expliciet dat verwerkingsverantwoordelijken geen misleidende knopkleuren mogen gebruiken die websitebezoekers ertoe aanzetten om op “Akkoord en sluiten” te klikken. Beslissing ten gronde 113/2024 — 39/70 Als gebruikers van een website vanwege visuele elementen, zoals kleur, aangezet worden om beslissingen te nemen die ingaan tegen hun privacy-belangen, geldt volgens de EDPB bovendien dat dit aangemerkt moet worden als een schending van het rechtmatigheids-, behoorlijkheids- en transparantiebeginsel van art. 5
(1)(a) AVG: [citaat in het Engels uit richtsnoeren 03/2022 van de EDPB m.b.t. misleidend ontwerp in interfaces bij sociale media platformen] Zoals ook hierboven reeds is toegelicht, is het vaststellen dat het gebruiken van misleidende knopkleuren in de cookiebanners van beklaagde een inbreuk oplevert, dus niet zozeer het toepassen van richtlijnen van toezichthouders, maar dit betreft gewoon een directe en concrete toepassing van wetgeving (conform de geldende rechtsopvatting). Uit een eenmalig goedgekeurd actieplan of individuele (oude) beslissingen van de Geschillenkamer in enkele specifieke zaken, waarbij het niet ging over misleidende knopkleuren van cookiebanners, kan juist niet de waarde worden toegedicht dat zij als geldende rechtsopvatting zouden dienen te gelden.[…] Zoals reeds is aangehaald in deze conclusie, is ook bevestigd door het Marktenhof dat de beslissingen van de Geschillenkamer van de GBA geen precedentwerking hebben.[…] Toen klager de websites bezocht, gold daarnaast dat ook op het tweede niveau van de cookiebanners de knop met “Alles akkoord” dezelfde in het oog springende kleur had als op het eerste niveau van de cookiebanner. Terwijl de knop met “Niets akkoord” dezelfde onopvallende kleur had als op het eerste niveau van de De huidige cookiebanners op de websites van beklaagde hebben deze knoppen “Alles afwijzen”, “Met alles instemmen”, “Niet akkoord” en “Akkoord” op het tweede niveau van de cookiebanner echter allemaal dezelfde witte kleur met lichtgrijze letters.[…] Dit laat zien dat het aanpassen van de cookiebanners en het bieden van een neutrale keuze zonder ‘dark patterns’ voor beklaagde dus wel degelijk mogelijk is en dat het bieden van andere misleidende knopkleuren een bewuste keuze is om het weigeren van cookies moeilijker te maken voor websitebezoekers. Het toont eveneens aan dat beklaagde blijkbaar zelf ook van mening is dat de eerdere Beslissing ten gronde 113/2024 — 40/70 De klacht moet echter worden beoordeeld op basis van de feiten ten tijde van het indienen van de klacht. Anders zou de respondent zich kunnen onttrekken aan enige verwerkingsverantwoordelijkheid onder de wetgeving inzake gegevensbescherming door de persoonsgegevens te verwijderen in verband met een klacht of onderzoek. Dit doet ook niet af aan het feit dat de schending wel degelijk (geruime tijd) heeft plaatsgevonden. Bovendien zijn hiermee nog niet alle in deze paragraaf beschreven schendingen weggenomen.” Standpunt verweerder
- Het verweer van de verweerder luidt als volgt (de Geschillenkamer vat samen): “5de middel (ondergeschikt): Verschillende kleuren in de cookiebanner vormen geen inbreuk op de artikelen 5.1.a AVG en 6.1.a AVG in samenhang met de artikelen 10/2 GBW en 125, §1, 1° WEC” a. Ten eerste draagt de verweerder in hoofdorde aan: “De klacht is zonder voorwerp in de mate dat Mediahuis geen verschillende kleuren hanteert in de tweede informatielaag van de cookiebanners sinds 20 november 2023”. b. Ten tweede draagt de verweerder ondergeschikt aan: “Geen inbreuk van artikel 6.1.a. AVG of de artikelen 10/2 GBW en 125, §1, 1° WEC”. Te dezen haalt de verweerder weerom aan dat de klager zijn toestemming verleende, alsook dat er “geen verbod” bestaat op het gebruik van verschillende kleuren voor het bekomen van toestemming in cookiebanners. c. Ten derde draagt de verweerder een ander ondergeschikt punt aan: “Geen inbreuk op het beginsel inzake rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie (artikel 5.1.a AVG)”. Op dit punt stelt de verweerder dat er geen inbreuk is op dit principe, omdat er “geen verbod” is op het gebruik van verschillende kleuren door de cookiebanner die wordt gehanteerd in het kader van het verstrekken van toestemming, daarnaast dat het kleurgebruik in overeenstemming is met de beslissingspraktijk van de Geschillenkamer, dat het kleurgebruik in overeenstemming is met het actieplan van IAB dat door de Geschillenkamer werd goedgekeurd, en dat er geen sprake is van misleiding (i.v.m. het beweerdelijke misleidende karakter van de knoppen). d. Ten vierde draagt de verweerder aan “in elk geval”: “Mediahuis schendt de artikelen 10/2 GBW, 125 WEC, 5.1.a en 6.1.a niet omdat het kleurgebruik in haar Beslissing ten gronde 113/2024 — 41/70 autoriteiten zou zijn”. Daarbij stelt de verweerder dat zulke documenten geen kracht van wet hebben. e. Ten vijfde biedt de verweerder repliek op de conclusie van de klagende partij. Beoordeling van de Geschillenkamer
- Zoals de EDPB in de richtsnoeren omtrent misleidende ontwerp patronen binnen de werking van sociale media platformen verduidelijkt, kan in het geval van een mogelijk misleidend ontwerp worden gekeken naar het behoorlijkheidsprincipe vervat onder artikel 5.1.a AVG bij de beoordeling of een inbreuk op de wetgeving heeft plaatsgevonden. 51
- Op elk van de vier litigieuze websites wordt de eerste ‘laag’ van de cookiebanner weergegeven op een quasi-exacte wijze als op de website van de krant “De Standaard” – zij het met verschillende kleuren, afhankelijk van de betrokken litigieuze nieuwswebsite: 52
- Door het gebruik van bepaalde meer nadrukkelijke kleuren op de vier litigieuze websites, die als meest voorname reden kan hebben om de betrokkene ertoe aan te zetten de toestemming te verlenen om cookies te kunnen plaatsen, acht de Geschillenkamer nadrukkelijk de behoorlijkheidsplicht onder artikel 5.1.a AVG geschonden, en het brengt ook het rechtsgeldig verkrijgen van toestemming in het gedrang, waardoor het een inbreuk uitmaakt op art. 6.1.a AVG. Een toestemming kan immers niet ondubbelzinnig worden verkregen wanneer een betrokkene “geleid” wordt om een bepaalde handeling te stellen. 51 EDPB, Guidelines 3/2022 on deceptive design patterns in social media platform interfaces: how to recognize and avoid them” v. 2.0, 14 februari 2023,
- 52 Gedeeltelijke weergave uit stuk 1 administratief dossier, klacht, blz.
- Beslissing ten gronde 113/2024 — 42/70
- Duidelijk is dat het in het oog springende kleurgebruik op de eerste laag van de litigieuze weergeeft de meest uitdrukkelijke kleur in een meer nadrukkelijk contrast krijgt, een bepaalde keuze beoogt te weerspiegelen die leidt tot meer intrusieve persoonsgegevensverwerkingen ingevolge het plaatsen van cookies.
- Het rapport van de EDPB Cookie Banner Taskforce stipt wat betreft kleurgebruik aan dat er geen algemene standaard kan worden opgelegd aan verwerkingsverantwoordelijken, maar dat de beoordeling geval per geval moet worden gedaan.53
- In de voorliggende gevallen gebruikt de verweerder verschillende opvallende kleuren die voor een betrokkene een waarschijnlijke bedrieglijke behaaglijkheid (“deceptive snugness”54) meebrengen: a. Op de website van “De Standaard” wordt in het donkerrood “akkoord en sluiten” als meest dataverwerkende optie in de verf gezet, terwijl voor de doorverwijzing naar de alternatieven moet worden geklikt op een lichtgrijze banner op een witte achtergrond; b. Op de website van “Het Belang van Limburg” wordt in het donkerzwart “akkoord en sluiten” als meest dataverwerkende optie in de verf gezet, terwijl voor de doorverwijzing naar de alternatieven moet worden geklikt op een lichtgrijze banner op een witte achtergrond; c. Op de website van “Het Nieuwsblad” wordt in het donkerblauw “akkoord en sluiten” als meest dataverwerkende optie in de verf gezet, terwijl voor de doorverwijzing naar de alternatieven moet worden geklikt op een lichtgrijze banner op een witte achtergrond; d. Op de website van “Gazet van Antwerpen” wordt in het felrood “akkoord en sluiten” als meest dataverwerkende optie in de verf gezet, terwijl voor de doorverwijzing naar de alternatieven moet worden geklikt op een lichtgrijze banner op een witte achtergrond.
- Interfaces die zoals in casu ontworpen zijn met bedrieglijke behaaglijkheid moveren een betrokkene er onmiskenbaar toe de meest dataverwerkende opties te kiezen, onder meer omdat de persoon niet eens weet hoeveel stappen hij nog moet ondernemen vooraleer hij ervoor kan kiezen de cookies niet te laten plaatsen (lees: geen toestemming te geven voor de plaatsing). De betrokkene weet dat hij met deze behaaglijke optie op de eerste laag van 53 54 EDPB, Report of the work undertaken by the Cookie Banner Taskforce, 17 januari 2023, §
- EDPB, Guidelines 3/2022 on deceptive design patterns in social media platform interfaces: how to recognize and avoid them, v. 2.0, 14 februari 2023, §
- Beslissing ten gronde 113/2024 — 43/70 de cookiebanner de ‘weg van de minste weerstand’ kiest – zonder dat dit per se diens werkelijke, geïnformeerde voorkeur voor het verlenen van toestemming weerspiegelt.
- Het argument van de verweerder dat de klacht op dit punt “zonder voorwerp” is omdat op de tweede informatielaag (na een aanpassing gedurende de procedure dan nog) niet langer verschillend kleurgebruik wordt gehanteerd, is kennelijk niet dienend. Het gaat voor de beoordeling ter zake om het kleurgebruik op de eerste laag van de cookiebanner, de beoordeling van de Geschillenkamer is in het dossier (met inbegrip van de brief dd. 5 februari 2024 met ten laste gelegde inbreuken) nergens beperkt tot de tweede laag van de
- Het argument dat de betrokken klager wel toestemming verleende, is evenmin dienend, aangezien een al dan niet verleende toestemming de beoordeling van de behoorlijkheid van de verwerking niet in de weg staat. Ook is het feit dat een toestemming is verleend, niet ipso facto voldoende om te stellen dat de toestemming rechtsgeldig is verleend.
- Het argument dat er “geen verbod” bestaat op het gebruik van verschillende kleuren klopt in de formele zin. Echter, de Geschillenkamer heeft hierboven al uiteengezet dat dit niet verhindert dat de keuze voor bepaalde kleuren de behoorlijkheidsplicht in het licht van persoonsgegevensverwerkingsactiviteiten kan schenden, en dat het ondubbelzinnig karakter van de toestemming niet kan verzekerd worden.
- Het argument dat de Geschillenkamer een actieplan van een sectororganisatie dewelke rechtstreeks verband zou houden met voorliggende litigieuze situaties, zou hebben goedgekeurd, is evenmin een dienend argument. Zoals eerder opgemerkt, hebben de beslissingen van de Geschillenkamer geen precedentswaarde. Bovendien gaat het om een actor die volkomen vreemd is aan de voorliggende procedure. Daarnaast benadrukt de Geschillenkamer dat krachtens artikel 5.2 en artikel 24 AVG de verwerkingsverantwoordelijke verantwoordelijk is voor de naleving van de toepassing van de AVG, en het nemen van de passende technische en organisatorische maatregelen ter zake. De verweerder betwist op geen enkele wijze haar verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke beoordeling van haar verwerkingsactiviteiten, dus waar het argument al niet inhoudelijk dienend kan zijn, is ook meer dan duidelijk dat het argument in de formele zin haar doel mist.
- De Geschillenkamer betwist niet – zoals verweerder betoogt - dat de richtsnoeren van de toezichthoudende autoriteit en van het Europees Comité voor Gegevensbescherming geen kracht van wet hebben. Dit wil echter niet zeggen dat ze geen gezaghebbende waarde (zouden moeten) kennen, minstens omdat artikel 57.1.f AVG de taak aan de GBA oplegt om verwerkingsverantwoordelijken bekend te maken met hun verplichtingen uit hoofde van de verordening, net zoals artikel 70.1.u het Europees Comité tot taak stelt om toezichthoudende autoriteiten te laten samenwerken en desgevallend richtsnoeren, beste Beslissing ten gronde 113/2024 — 44/70 praktijken en aanbevelingen te laten formuleren om de consequente toepassing van de AVG te verzekeren (art. 70.1.d. AVG).
- Om al deze redenen staat vast dat op de eerste laag van de cookiebanner misleidende kleuren worden gehanteerd, hetgeen een inbreuk op de behoorlijkheidsplicht in de zin van art. 5.1.a. AVG uitmaakt. Doordat de toestemming niet ondubbelzinnig is, kan ook niet worden gesproken van een rechtsgeldige toestemming in de zin van art. 6.1.a. AVG. II.3.
- Intrekken van de toestemming cfr. artikel 7.3 AVG Standpunt klagende partij
- Het standpunt van de klagende partij luidt als volgt: “Het is op geen van de websites van beklaagde [verweerder] net zo eenvoudig om toestemming in te trekken als om cookies te accepteren. Het accepteren van alle informatie” wordt gedrukt), terwijl het intrekken van toestemming niet via één klik mogelijk is. In plaats hiervan moeten websitebezoekers naar een specifiek gedeelte van de website gaan om cookies in te trekken. Helemaal onderaan de pagina bevindt zich ergens tussen een uitgebreide lijst met diverse andere links, een link met de naam „Privacy voorkeuren beheren“. Indien hierop wordt geklikt kan de websitebezoeker „Alles afwijzen“, „Met alles instemmen“ of per doeleinde klikken op „Niet akkoord“ of „Akkoord“. Op grond van art. 7
(3), eerste zin AVG heeft de betrokkene het recht zijn toestemming te allen tijde in te trekken. Het intrekken van toestemming moet even eenvoudig zijn als het geven ervan op grond van art. 7
(3), derde zin AVG. Nu niet aan de vereisten van art. 7 AVG wordt voldaan, schendt beklaagde ook art. 12
(1)AVG, art. 17
(1)(b) AVG, art. 5
(3)ePrivacyrichtlijn en art. 10/2 GBW. Ook handelt beklaagde hierdoor niet in overeenstemming met de beginselen van rechtmatigheid, transparantie en behoorlijkheid (art. 5
(1)(a) AVG). Bovendien is het net zo eenvoudig intrekken van toestemming wel degelijk een vereiste om de gegeven toestemming überhaupt te kunnen kwalific[]eren als geldig ex art. 7
(1)jo. 4
(11)AVG (en dus ook voor de vraag of aan de vereisten van art. 10/2 GBW en art. 125§1,1° WEC wordt voldaan[…]). De EDPB heeft dit ook bevestigd in de richtsnoeren over toestemming: “De eis van het eenvoudig kunnen intrekken van toestemming wordt in de AVG beschreven als een noodzakelijk aspect van geldige toestemming. Als het recht op Beslissing ten gronde 113/2024 — 45/70 intrekking niet voldoet aan de eisen van de AVG, dan voldoet het mechanisme voor toestemming van de verwerkingsverantwoordelijke niet aan de AVG. [...].”[…] (nadruk toegevoegd) In het EDPB Cookie Banner Task Force report wordt ook benadrukt dat het intrekken van toestemming voor cookies, net zo eenvoudig moet zijn als het geven ervan […] Ook in de EDPB richtsnoeren over toestemming wordt dit bevestigd en als volgt verduidelijkt: “Wanneer toestemming echter wordt verkregen via elektronische middelen, door middel van slechts één muisklik, veeg of toetsaanslag, moet de betrokkene deze toestemming in de praktijk ook even eenvoudig kunnen intrekken.”[…] In de EDPB richtsnoeren over deceptive design en dark patterns wordt ditzelfde vereiste nogmaals expliciet herhaald […] . Bijgevolg moet er door beklaagde aan klager een mogelijkheid worden geboden om zijn toestemming in te trekken via één muisklik. Nu er een duidelijk zichtbare optie voor het geven van toestemming wordt aangeboden, moet er ook een even duidelijk zichtbare optie voor intrekking van toestemming zijn. Een link met de naam onder „Privacy voorkeuren beheren“, in kleine letters, tussen een uitgebreide lijst van andere links, geheel onderaan de websitepagina’s van beklaagde – waarbij het geheel naar beneden scrollen enige tijd in beslag neemt – voldoet duidelijk niet aan deze vereisten. Een zwevende, permanent zichtbare (hoover) knop om toestemming in te trekken die permanent zichtbaar is, zou wel aan deze vereisten voldoen. Beklaagde heeft de mogelijkheid om toestemming in te trekken en de de klacht indiende. Inmiddels is het mogelijk om – als de knop “Privacy voorkeuren beheren” eenmaal gevonden is en hierop geklikt is – op een knop “Alles afwijzen” te klikken, terwijl het eerder enkel mogelijk was om voor elk doeleinde afzonderlijk de toestemming in te trekken.[…] Dit laat zien dat beklaagde eenvoudig een gelijkwaardige optie kan bieden om cookies in te trekken zodra de websitebezoeker de mogelijkheid om de cookieinstellingen aan te passen eenmaal gevonden heeft, en dat beklaagde dit eerder bewust niet heeft gedaan. Het laat Beslissing ten gronde 113/2024 — 46/70 eveneens zien dat beklaagde blijkbaar zelf ook van oordeel is dat de eerdere De klacht moet echter worden beoordeeld op basis van de feiten ten tijde van het indienen van de klacht. Anders zou de respondent zich kunnen onttrekken aan enige verwerkingsverantwoordelijkheid onder de wetgeving inzake gegevensbescherming door de persoonsgegevens te verwijderen in verband met een klacht of onderzoek. Dit doet ook niet af aan het feit dat de schending wel degelijk (geruime tijd) heeft plaatsgevonden. Bovendien is het met de wijzigingen die beklaagde heeft aangebracht nog steeds niet net zo eenvoudig om toestemming in trekken als om deze te geven, het is enkel eenvoudiger geworden dan ten tijde van het indienen van de klacht het geval was. Standpunt verweerder 148. Het standpunt van de verweerder luidt als volgt (de Geschillenkamer vat samen): “6de middel (ondergeschikt): Het intrekken van de toestemming vormt geen schending van artikel 4
(11)juncto 7.3 AVG, noch van de artikelen 10/2 GBW en 125, §1, 1° WEC” a. Ten eerste stelt de verweerder “in hoofdorde” dat er geen procesbelang is voor de klager, nu blijkt uit het dossier dat de klager diens toestemming niet introk – hoewel hij de toestemming wel had gegeven. Daarnaast wijst de verweerder erop dat op 10 februari 2023 geen toestemming werd gegeven door de klager, maar wel op (vermoedelijk) vijf andere, latere data. b. Ten tweede stelt de verweerder “ondergeschikt” dat een gebruiker even gemakkelijk zijn toestemming kan intrekken als geven en dat de klacht op dit punt dan ook zonder voorwerp is. De verweerder wijst er daarbij op dat een knop “privacy voorkeuren beheren” beschikbaar is op elke webpagina van de vier litigieuze websites, en dat een gebruiker vervolgens met één klik alle toestemmingen intrekken. c. Ten derde stelt de verweerder “ondergeschikt” dat er geen inbreuk is op artikel 4.11 AVG, daar de daarin vervatte definitie niets stelt met betrekking tot het intrekken van een reeds gegeven toestemming. Zulks ligt vervat in artikel 7.3 AVG. d. Ten vierde stelt de verweerder “ondergeschikt” dat er geen inbreuk is op artikel 7.3 AVG. Daarbij wijst de verweerder erop dat de bewoording “even eenvoudig als” in de norm een open begrip is dat wettelijk niet concreet wordt ingevuld, waarbij de verweerder in concreto uiteenzet waarom de litigieuze websites wel degelijk beantwoorden aan de norm. In de voorgaande situatie op de website was daarbij Beslissing ten gronde 113/2024 — 47/70 geen “niets akkoord” optie. De verweerder stelt hieromtrent: “Een bezoeker die zijn gehele toestemming wilde intrekken, diende daarom een aantal keer meer te klikken ten opzichte van de situatie waarin hij zijn volledige toestemming wilde geven. Dit enige verschilpunt (een aantal kliks) kan geen gebrek aan equivalentie opleveren in de zin van artikel 7.3, laatste zin AVG.” e. Ten vijfde stelt de verweerder “ondergeschikt” dat er geen inbreuk is op artikel 10/2 GBW en artikel 125 §1, 1° WEC. Voor wat betreft dit punt stelt de verweerder dat de klacht aangaande de 3e vermeende inbreuk handelt over de intrekking van een reeds gegeven toestemming, en niet omtrent de rechtmatige plaatsing van de initieel geplaatste cookies – waardoor de door de Geschillenkamer “ambtshalve” opgeworpen bepalingen niet van toepassing zijn. f. Ten zesde repliceert de verweerder op de conclusie van de klager omtrent dit punt. Beoordeling Geschillenkamer 149. Vooreerst dient te worden gekeken naar de situatie voor het intrekken van de toestemming op het moment van de klacht (de ‘oude’ situatie), en voordat de verweerder een aantal aanpassingen deed lopende de procedure. Deze aanpassingen aan de litigieuze websites leidden ertoe dat het intrekken van de toestemming in de ‘nieuwe’ situatie na het aanklikken van de link ‘privacy voorkeuren beheren’ op de litigieuze websites - met één enkele klik (“alles afwijzen”) – kon. 150. In de ‘oude’ situatie moest een betrokkene wel degelijk een “aantal kliks” (naar de verwoording van de verweerder zelf) ondernemen teneinde een toestemming in te trekken, terwijl de initiële toestemming (“accepteren en sluiten”) slechts één klik behoefde. De verweerder erkent zelf uitdrukkelijk dat een bezoeker (hier gekwalificeerd als betrokkene) “een aantal keer meer” diende te klikken “ten opzichte van de situatie waarin hij zijn volledige toestemming wilde geven.” 151. In deze ‘oude’ situatie was het intrekken van de toestemming dus kennelijk niet even eenvoudig als het geven ervan, hetgeen een inbreuk op art. 7.3 AVG uitmaakt. Het feit dat het ‘intrekken’ van een toestemming een relatief begrip uitmaakt – in die zin dat het intrekken van toestemming “even eenvoudig” moet kunnen als het verlenen ervan - doet daaraan geen afbreuk. Dergelijke kwalificatie als relatief begrip in de juridische zin kan dan wel kloppen, maar in de relatieve oms