← België

Beslissing ten gronde nr. 114/2024

1/71 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 114/2024 van 6 september 2024 Dossiernummer : DOS-2022-00896 Betreft: : Tijdsregistratie via biometrische gegevens op het werk De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Jelle Stassijns, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, vertegenwoordigd door Mr. Gert Buelens, kantoorhoudende te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 97, hierna “de klager”; De verweersters: Y1, vertegenwoordigd door Mr. Meester Bernard Dewit, kantoorhoudende te 1050 Brussel, Albert Leemansplein 20, hierna “de eerste verweerster”; Y2, vertegenwoordigd door Mr. Jos De Wachter en Mr. Charlotte Peeters, kantoorhoudende te 3600 Genk, Jaarbeurslaan 19, bus 3, hierna “de tweede verweerster”; samen “de verweersters” genoemd. Beslissing ten gronde 114/2024 – 2/71 I. 1. Feiten en procedure Op 3 februari 2022 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de eerste verweerster. Deze was in eerste instantie niet ontvankelijk. De klacht werd opnieuw neergelegd en ontvankelijk verklaard op 29 maart 2022. De klager was werkzaam bij de eerste verweerster van maart 2021 t.e.m. 24 februari 2022, aanvankelijk als uitzendkracht en vanaf juni 2021 als werknemer met een contract van onbepaalde duur. Op 16 maart 2020 introduceerde de eerste verweerster op haar beide sites voor alle daar werkzame personeelsleden een systeem van tijdsregistratie met behulp van vingerafdruk. Volgens de eerste verweerster is het systeem op die manier van toepassing op een 200-tal werknemers, waarvan 44 bedienden, 74 arbeiders, 29 uitzendkrachten en voor het overige deel “buitenlandse werknemers”. De leverancier van het systeem (de tweede verweerster) is een dochtervennootschap van een internationale groep met hoofdvestiging in Japan en activiteiten in o.a. de Verenigde Staten en China. De klager meent dat de verwerking van zijn vingerafdrukken (één van elke hand) zijn recht op bescherming van persoonsgegevens schendt doordat hij de vingerafdrukken niet vrijwillig heeft afgegeven en omdat hij niet op de hoogte is gesteld van de modaliteiten van de opslag van de gegevens en de bewaartermijn. De klager drukt ten slotte in zijn klacht ook zijn ongerustheid uit over een eventuele doorgifte naar een derde land dat geen passende waarborgen biedt, gezien de geografische locatie van de zetel van de moedervennootschap van de eerste verweerster. 2. Op 29 maart 2022 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 3. Op 21 april 2022 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst, samen met de klacht en de inventaris van de stukken. 4. Op 29 augustus 2022 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het verslag bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de inspecteur-generaal overgemaakt aan de Voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG). Het verslag bevat vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht en doet de volgende vaststellingen in hoofde van de eerste verweerster: 1. een schending van artikel 5.1, a), 6.1 en 9.1 AVG; 2. een schending van artikel 5.1,

  1. b)AVG; 3. geen schending van art. 5.1,
  2. c)AVG; 4. een schending van artikel 5.1,
  3. a)j° 12.1 en 13 AVG; Beslissing ten gronde 114/2024 – 3/71 5. een schending van artikel 5.1,
  4. a)j° 12.1 en 15 AVG; 6. een schending van artikel 5, lid 2 AVG; 7. een schending van artikel 28, lid 3 AVG; 8. een schending van artikel 28, lid 1 AVG; 9. een schending van artikel 32 AVG; 10. een schending van artikel 35 AVG; 11. geen aanwijzingen voor eventuele doorgiften van de biometrische gegevens naar derde landen of internationale organisaties. Het verslag bevat vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht in hoofde van de tweede verweerster en stelt dat de tweede verweerster haar verplichting krachtens artikel 28.3 AVG tot het afsluiten van een geldige verwerkingsovereenkomst niet is nagekomen. Het verslag bevat daarnaast vaststellingen die verder gaan dan het voorwerp van de klacht. De Inspectiedienst stelt, in hoofdlijnen, vast dat: 1. er sprake is van een inbreuk op artikel 30 AVG in hoofde van de eerste verweerster wegens het niet houden van een verwerkingsregister voorafgaand aan het Inspectieonderzoek en wegens de gebrekkige inhoud van het huidige verwerkingsregister; 2. er sprake is van een schending van de plicht tot het aanstellen van een functionaris voor gegevensbescherming op grond van artikel 37.1,
  5. b)en
  6. c)AVG in hoofde van de tweede verweerster. 5. Op 1 september 2022 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 6. Op 1 september 2022 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. Voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht werd de uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweersters vastgelegd op 13 oktober 2022, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 3 november 2022 en ten slotte deze voor de conclusie van repliek van de verweersters op 24 november 2022. Beslissing ten gronde 114/2024 – 4/71 Voor wat betreft de vaststellingen buiten het voorwerp van de klacht werd de uiterste datum voor ontvangst van de conclusies van antwoord van de tweede verweerster vastgelegd op 13 oktober 2022. 7. Op 9 september 2022 vraagt de tweede verweerster een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG), dewelke haar werd overgemaakt op 13 september 2022. 8. Op 25 september 2022 vraagt de klager een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG), dewelke hem op 5 oktober 2022 werd overgemaakt. 9. Op 25 september 2022 aanvaardt de klager elektronisch alle communicatie omtrent de zaak en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. 10. Op 28 september 2022 aanvaardt de eerste verweerster elektronisch alle communicatie omtrent de zaak en vraagt zij een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG), dewelke haar werd overgemaakt op 5 oktober 2022 en geeft zij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. 11. Op 13 oktober 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de eerste verweerster voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht. Eerst schetst de eerste verweerster de vertroebelde arbeidsrelatie met de klager. De vaststellingen van de Inspectiedienst omtrent de rechtmatigheid van de verwerking, het transparantiebeginsel, het beginsel van doelbinding en het beginsel van minimale gegevensverwerking worden niet betwist voor de eerste verweerster. Zij stelt deze inbreuken intussen verholpen te hebben. De verweerster betwist echter de vaststellingen omtrent het recht op inzage van de klager en stelt dat zij in overeenstemming met de AVG geantwoord heeft. De eerste verweerster betwist eveneens de vaststelling dat er geen voldoende veiligheidsmaatregelen genomen werden. Zij heeft een deskundige ter zake ingeschakeld en voldoende documentatie ontvangen om zich te overtuigen van de ernst van de maatregelen genomen door de leverancier (de tweede verweerster). 12. Op 13 oktober 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de tweede verweerster voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht. De tweede verweerster voert aan in staat te zijn om de juiste kennis over het systeem te delen. Ook stelt zij tijdig de relevante informatie te hebben overgemaakt aan de eerste verweerster. Voorts voert de tweede verweerster aan dat zij geen persoonsgegevens, en dus ook geen biometrische persoonsgegevens verwerkt aangezien de betrokkenen niet identificeerbaar zijn voor haar, aangezien zij slechts beschikt over versleutelde bestanden. Deze conclusie bevat eveneens de reactie van de tweede verweerster omtrent de vaststellingen die door de Inspectiedienst werden gedaan buiten de scope van de klacht. De tweede verweerster voert aan dat zij noch onder artikel 37.1.b), Beslissing ten gronde 114/2024 – 5/71 noch onder artikel 37.1.
  7. c)van de AVG verplicht was om een functionaris voor gegevensbescherming aan te stellen. Intussen heeft de tweede verweerster vrijwillig een functionaris voor gegevensbescherming aangesteld. 13. Op 3 november 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. Vooreerst werpt de klager op dat de situatieschets van de eerste verweerder omtrent de arbeidsrelatie tussen hen beide niet ter zake doet in deze procedure. Voor wat betreft de vaststellingen van de Inspectiedienst over het voorwerp van de klacht vraagt hij aan de Geschillenkamer de bevestiging ervan. 14. Op 24 november 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van dupliek van de eerste verweerster voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht waarin zij de argumenten van haar conclusie van antwoord herneemt. 15. Op 24 november 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van dupliek van de tweede verweerster voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht. De tweede verweerster verwijst naar haar conclusie van antwoord en vraagt bijkomend aan de Geschillenkamer om rekening te houden met de werkelijke beweegredenen van de partijen. 16. Op 2 december 2022 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 17 februari 2023. 17. Op 2 december 2022 geeft de klager te kennen dat hij niet meer wenst gehoord te worden. 18. Op 17 februari 2023 worden de aanwezige partijen gehoord door de Geschillenkamer. 19. Op 22 februari 2023 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de aanwezige partijen voorgelegd. 20. Op 28 februari 2023 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de tweede verweerster enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. 21. Op 4 juni 2024 heeft de Geschillenkamer aan de eerste verweerster het voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot het opleggen van een administratieve geldboete, alsmede het bedrag daarvan teneinde haar de gelegenheid te geven zich te verdedigen, voordat de sanctie effectief wordt opgelegd. 22. Op 26 augustus 2024 ontvangt de Geschillenkamer de reactie van de eerste verweerster op het voornemen tot het opleggen van een administratieve geldboete, alsmede het bedrag daarvan. II. Motivering Beslissing ten gronde 114/2024 – 6/71 II.1. 23. Rechtmatigheid van de verwerking (art. 5.1, a), 6.1 en 9.2 AVG) t.a.v. de eerste verweerster De vraag stelt zich of de verwerking van de persoonsgegevens in het kader van de tijdsregistratie door de eerste verweerster een rechtmatige verwerking uitmaakt. 24. Uitgangspunt van artikel 5.1.
  8. a)AVG is dat persoonsgegevens alleen op rechtmatige wijze mogen worden verwerkt. II.1.1.1. 25. (Bijzondere) persoonsgegevens Volgens artikel 4, 1) van de AVG betreffen persoonsgegevens alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”). Als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, door bijvoorbeeld een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke of fysiologische identiteit van die natuurlijke persoon. 26. Ingevolge artikel 4, 14) van de AVG zijn biometrische gegevens persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking met betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedragsgerelateerde kenmerken van een natuurlijke persoon op grond waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeeldingen of vingerafdrukgegevens. 27. Artikel 9.1 van de AVG definieert bijzondere persoonsgegevens als volgt: “[...] persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid [...]”. De partijen betwisten niet dat de eerste verweerster optreedt als verwerkingsverantwoordelijke zoals bedoeld in artikel 4, 7) AVG voor wat betreft de tijdsregistratie van haar werknemers op basis van hun biometrische gegevens. 28. Gelet op het bovenstaande stelt de Geschillenkamer vast dat de vingerafdruk een biometrisch gegeven in de zin van artikel 4.14) AVG uitmaakt. Aangezien deze door de eerste verweerster wordt aangewend ter identificatie van de betrokkene in het kader van tijdsregistratie, vormt dit eveneens een bijzonder persoonsgegeven in de zin van artikel 9.1 AVG in hoofde van de eerste verweerster. II.1.1.2. Verbod op de verwerking van biometrische gegevens Beslissing ten gronde 114/2024 – 7/71 29. De Geschillenkamer zal hieronder beoordelen of de eerste verweerster de bijzondere categorieën van persoonsgegevens op rechtmatige wijze verwerkt heeft in het kader van de tijdsregistratie van haar werknemers. 30. Persoonsgegevens die bijzonder gevoelig zijn verdienen specifieke bescherming, omdat de verwerking ervan hoge risico’s kan meebrengen voor grondrechten en fundamentele vrijheden. De verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens is daarom op grond van artikel 9.1 AVG verboden, tenzij een wettelijke uitzondering van toepassing is.1 31. Indien er een verwerking van categorieën van bijzondere persoonsgegevens overeenkomstig artikel 9.1 AVG plaatsvindt, dient de verwerkingsverantwoordelijke een rechtsgrond overeenkomstig artikel 6 AVG én een uitzonderingsgrond uit artikel 9.2 AVG aan te duiden om te kunnen spreken van een rechtmatige verwerking. Deze cumul van rechtsgronden uit de artikelen 6.1 en 9.2 AVG is recentelijk bevestigd in het arrest Meta (C252/21) van het Hof van Justitie2 waarin uitdrukkelijk wordt geoordeeld door het Hof dat het verwerken van gevoelige persoonsgegevens slechts is toegelaten indien een dergelijke verwerking als rechtmatig kan worden aangemerkt onder artikel 6.1 AVG. Ook het advies 2/2019 van de European Data Protection Board (hierna: EDPB) 3 en het advies 06/2014 van de Groep Gegevensbescherming Artikel 294 verwijzen consequent naar de cumulatieve toepassing van zowel artikel 6 AVG als artikel 9 AVG in geval van verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Overweging 51 AVG geeft ten slotte duidelijk aan dat artikel 6 AVG steeds dient te worden toegepast. 32. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om te bepalen welke rechtsgrond passend is ten aanzien van het doel van de verwerking. 5 Aangezien uit verschillende rechtsgronden verschillende gevolgen voortvloeien, met name wat de rechten van de betrokkenen betreft, is het niet toegestaan dat de verwerkingsverantwoordelijke zich, afhankelijk van de omstandigheden, op de ene of de andere rechtsgrond beroept. Indien er eenmaal gekozen is voor een bepaalde rechtsgrond is het niet de bedoeling dat er onderling nog wordt gewisseld of dat er, wanneer de gekozen rechtsgrond ophoudt te gelden, wordt teruggevallen op een andere rechtsgrond voor dezelfde verwerkingsactiviteit, voor dezelfde doeleinden.6 Artikel 5.1.
  9. b)AVG vereist immers dat persoonsgegevens “voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld 1 Zie overweging 51 van de AVG. 2 HvJEU Arrest van 4 juli 2023, Meta, C-252/21, ECLI:EU:C:2023:537, para. 90. 3 Advies 2/2019 (EDPB) over de vragen en antwoorden over de wisselwerking tussen de verordening betreffende klinische proeven (VKP) en de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) (artikel 70, lid 1, onder b)) van 23 januari 2019. 4 Advies 06/2014 (WP 29) over het begrip “gerechtvaardigd belang van de voor de gegevensverwerking verantwoordelijke” in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG. 5 Zie ook beslissing 77/2023, para 74, van de Geschillenkamer. 6 Zie bijvoorbeeld beslissingen 38/2021, 54/2023 en 77/2023 van de Geschillenkamer. Beslissing ten gronde 114/2024 – 8/71 en […] vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; […] (“doelbinding”)”. Wanneer één verwerking verschillende doeleinden nastreeft, moet elk doel gebaseerd zijn op een rechtsgrond.7 33. De vraagt rijst dan ook op welke rechtsgrond uit artikel 6.1 en 9.2 AVG de eerste verweerster zich beroept voor de litigieuze verwerking van een bijzondere categorie van persoonsgegevens. De Inspectiedienst komt na onderzoek tot de vaststelling dat uit de bezorgde documentatie niet eenduidig kan worden opgemaakt op welke rechtsgrond de eerste verweerster zich precies beroept voor de litigieuze verwerking. Enerzijds beroept de eerste verweerster zich namelijk in verschillende documenten op verschillende rechtsgronden, anderzijds beroept zij zich niet op één, maar meerdere rechtsgronden tegelijk. In ieder geval staat vast dat geen van de ingeroepen rechtsgronden een geldige rechtsgrond kan zijn voor de litigieuze verwerking, zo stelt de Inspectiedienst vast. 34. De eerste verweerster betwist de vaststellingen van de Inspectiedienst niet. In haar conclusies stelt de eerste verweerster dat de HR-manager op de verwelkomingsdag van nieuw personeel de welkomstbrochure uitdeelt en dat de werknemer dan toestemming geeft voor de tijdsregistratie op basis van de vingerafdruk. De eerste verweerster erkent dat dit in strijd is met de aanbeveling van het Kenniscentrum van de GBA betreffende de verwerking van biometrische gegevens dd. 1 december 2021 die stelt dat het onwaarschijnlijk is dat de betrokkene zijn/haar toestemming voor gegevensverwerking zou kunnen onthouden zonder angst voor nadelige gevolgen voortkomend uit die weigering omwille van de wanverhouding in de werkcontext. Als verzachtende omstandigheid voert de eerste verweerster aan dat bij de invoering van het nieuwe arbeidsreglement geen enkele werknemer commentaar heeft geleverd op de toevoegingen omtrent het biometrische systeem. Opmerkingen konden anoniem gemaakt worden. Geen enkele vakbondsdelegatie maakte opmerkingen. Bovendien hebben de werknemers zelf aangegeven dat zij het biometrische systeem verkiezen boven een systeem met toegangspasjes. 35. Wat betreft de rechtmatigheid van de verwerking, stelt de Geschillenkamer vast dat de eerste verweerster in haar conclusie van antwoord niet uitdrukkelijk vermeldt op welke rechtsgrond ex artikel 6.1 j° artikel 9.2 AVG zij zich beroept voor de litigieuze verwerking. De Geschillenkamer stelt tevens vast dat in de loop van het onderzoek verschillende rechtsgronden naar voor werden geschoven voor de litigieuze verwerking van de persoonsgegevens. Op basis van de conclusies en de hoorzitting stelt de Geschillenkamer vast dat de eerste verweerster zich uiteindelijk beroept op de toestemming als rechtsgrond. De Geschillenkamer toetst in het navolgende of de eerste verweerster zich rechtmatig kan beroepen op de uitzondering van de toestemming zoals begrepen in artikel 9.2.
  10. a)AVG. 7 Zie ook beslissing 77/2023, para 77, van de Geschillenkamer Beslissing ten gronde 114/2024 – 9/71 36. Op grond van artikel 4, 11) van de AVG is toestemming een vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling een hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt. 37. Opdat toestemming met kennis van zaken wordt gegeven, moet de betrokkene onder andere geïnformeerd worden over de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke, het doel van de verwerking, welke (soort) gegevens worden verwerkt en het bestaan van het recht om toestemming in te trekken.8 38. Een betrokkene moet daarnaast de toestemming vrij kunnen geven. In de Richtsnoeren inzake toestemming van de EDPB overeenkomstig de AVG wordt hierover opgemerkt: “Wanverhouding doet zich ook voor in het kader van de arbeidsverhouding. Gezien de afhankelijkheid die het gevolg is van de relatie tussen werkgever en werknemer, is het onwaarschijnlijk dat de betrokkene zijn/haar toestemming voor gegevensverwerking zou kunnen onthouden zonder angst of reële dreiging van nadelige gevolgen als gevolg van een weigering. Het is onwaarschijnlijk dat de werknemer vrijelijk zou kunnen reageren op een verzoek voor toestemming van zijn/haar werkgever voor, bijvoorbeeld, het activeren van toezichtsystemen zoals camera observatie op de werkvloer, of het invullen van beoordelingsformulieren, zonder druk te voelen om toestemming te verlenen. Daarom is WP29 van mening dat het voor werknemers problematisch is om persoonsgegevens van huidige of toekomstige werknemers te verwerken op basis van toestemming, omdat het onwaarschijnlijk is dat deze vrijelijk wordt verleend. Voor de merendeel van dergelijke gegevensverwerking op het werk, kan en mag de rechtsgrond geen toestemming van de werknemers zijn (artikel 6, lid 1, onder
  11. a)vanwege de aard van de relatie tussen werkgever en werknemer. Dit betekent echter niet dat werkgevers nooit kunnen vertrouwen op toestemming als een rechtsgrond voor verwerking. Er kunnen situaties zijn waarin de werkgever kan aantonen dat toestemming daadwerkelijk vrijelijk wordt verleend. Gezien de wanverhouding tussen een werkgever en zijn personeel, kunnen werknemers alleen in uitzonderlijke omstandigheden vrijelijk toestemming geven, en wel wanneer het geen negatieve gevolgen heeft als zij al dan niet toestemming geven. [...] Wanverhoudingen zijn niet beperkt tot overheidsinstanties en werknemers, ze kunnen zich ook voordoen in andere situaties. Zoals WP29 in verschillende adviezen heeft benadrukt, kan "toestemming" alleen rechtsgeldig zijn als de betrokkene een werkelijke keuze heeft en er geen sprake is van bedrog, intimidatie of dwang en de betrokkene ook niet het risico van aanzienlijke negatieve gevolgen (bijvoorbeeld op aanzienlijke extra kosten) loopt wanneer hij of zij niet toestemt. 8 Zie overweging 42 van de AVG, de Richtsnoeren inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679 dd. 28 november 2017 blz. 15 en artikel 7, derde lid, van de AVG. Beslissing ten gronde 114/2024 – 10/71 Toestemming is niet vrij in gevallen waar sprake is van enig element van dwang, druk of niet kunnen uitoefenen van de vrije wil”. 39. De Geschillenkamer benadrukt op grond hiervan dat in een arbeidsrelatie slechts in uitzonderlijke omstandigheden een verwerking kan worden gebaseerd op toestemming. Zij gaat na in hoeverre zich hier een dergelijke omstandigheid voordoet. 40. Op grond van artikel 7.1 AVG moet de verwerkingsverantwoordelijke voorts kunnen aantonen dat de betrokkene toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens. 41. De voorwaarden van artikel 7 van de AVG gelden ook voor het begrip toestemming in artikel 9.2 AVG.9 Om te voldoen aan de voorwaarde van artikel 9.2.
  12. a)AVG voor uitzondering op het verbod van verwerking van biometrische gegevens van artikel 9.1 AVG geldt – bovenop de voorwaarden die artikel 7 AVG stelt aan de toestemming – dat de betrokkene uitdrukkelijk toestemming moet geven. Met andere woorden, het afleiden van toestemming uit het feit dat iemand niet handelt of niet protesteert, is niet toegestaan. 42. De eerste verweerster heeft in haar antwoord van 5 augustus 2022 bevestigd aan de Inspectiedienst dat eerdere versies van het arbeidsreglement daterend van voor de versie van juni 2022 geen enkele bepaling omtrent het biometrisch tijdsregistratiesysteem bevatten. Er is dan ook geen sprake van een geïnformeerde toestemming. 43. De eerste verweerster maakt aan de Geschillenkamer de welkomstbrochure over die aan nieuwe werknemers werd bezorgd bij initiële indiensttreding alsook het arbeidsreglement. Door middel van deze documenten wordt de werknemer geïnformeerd over het tijdsregistratiesysteem. Deze documenten werden ondertekend, doch voor ontvangst en niet voor akkoord. Hoewel deze documenten de werknemers enige - beknopte - informatie geven over het tijdsregistratiesysteem, kan op basis hiervan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een ondubbelzinnige toestemming. 44. Daarnaast heeft de eerste verweerster niet aangetoond dat er sprake is van een vrij gegeven toestemming. De welkomstbrochure vermeldt het volgende “[j]e verloning wordt gebaseerd op je tikkingen, vergeet dit dus zeker niet”. Daarnaast stelt artikel 32 van het arbeidsreglement dat het niet naleven van de regels betreffende het tikken kunnen leiden tot het opleggen van straffen. Op basis van het Inspectieverslag stelt de Geschillenkamer vast dat de tijdsregistratie met vingerafdruk het enige middel van tijdsregistratie is dat in werking is. Dit impliceert dat, indien een betrokkene zou weigeren om diens toestemming te geven inzake de tijdsregistratie met vingerafdruk, deze zich zou blootstellen aan sancties zoals bepaald in het arbeidsreglement, aangezien er geen alternatieve methodes voorzien zijn voor tijdsregistratie. Integendeel, het arbeidsreglement stelt zelfs dat alle 9 Richtsnoeren inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679 d.d. 28 november 2017, p. 23 Beslissing ten gronde 114/2024 – 11/71 personeelsleden verplicht zijn hun arbeidstijd via Z te registreren, en dat er geen ander systeem bestaat voor de registratie van de arbeidstijd, waardoor er geen keuzevrijheid bestaat in hoofde van de werknemers. Bijgevolg zijn er negatieve gevolgen gekoppeld aan het weigeren van het akkoord van de werknemer. De Geschillenkamer merkt eveneens op dat de klager initieel tewerkgesteld was als uitzendkracht, hetgeen hem in een nog ongunstigere positie stelt om opmerkingen te maken over het tijdsregistratiesysteem. 45. De eerste verweerster is van mening dat de medewerkers toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun vingerafdrukken en dat ook nooit iemand daar bezwaar tegen heeft gemaakt. De eerste verweerster stelt dat het badgesysteem als onhandig werd ervaren voor werknemers en dat zij enkel goede bedoelingen had. Bovendien konden de werknemers ook aangeven een alternatieve wijze van tijdsregistratie te wensen, zo betoogt de eerste verweerster. De eerste verweerster is daarmee van mening dat de werknemers vrijelijk hun toestemming hebben kunnen geven. 46. De Geschillenkamer volgt deze zienswijze niet. Gezien de afhankelijkheid die het gevolg is van de relatie tussen werkgever en werknemer, is het onwaarschijnlijk dat de werknemer zijn of haar toestemming vrijelijk kan verlenen. De Geschillenkamer verwijst in deze context naar de Richtlijnen omtrent toestemming 10 van de EDPB waarin wordt gesteld dat er sprake kan zijn van een onevenwichtige machtsverhouding in een arbeidscontext. Aangezien het in casu een werkgever/werknemersrelatie betreft, is het onwaarschijnlijk dat de betrokkene als werknemer zijn toestemming kan weigeren zonder vrees of reëel risico op schadelijke gevolgen. De Geschillenkamer merkt ook op dat de welkomstbrochure, noch het arbeidsreglement ten tijde van de tewerkstelling van de klager, vermelden dat alternatieve wijzen van tijdsregistratie kunnen worden aangevraagd. Tijdens de hoorzitting maakt de eerste verweerster evenwel documenten over waaruit blijkt dat het litigieuze tijdsregistratiesysteem werd stopgezet in navolging van de vaststellingen van de Inspectiedienst. 47. Op grond van de volgende feiten komt de Geschillenkamer tot de conclusie dat de eerste verweerster niet heeft aangetoond dat haar werknemers uitdrukkelijk toestemming hebben gegeven voor de verwerking van hun biometrische gegevens. De vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting is niet vast komen te staan. 48. De Geschillenkamer concludeert dus dat de eerste verweerster het principieel verbod op het verwerken van bijzondere categorieën persoonsgegevens in onderhavige zaak heeft geschonden aangezien ze geen beroep kan doen op artikel 6.1.
  13. a)j° artikel 9.2.
  14. a)van de AVG voor de litigieuze verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, namelijk de tijdsregistratie op basis van biometrische gegevens. Bijgevolg is er sprake van een 10 https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb guidelines 202005 consent en.pdf. Beslissing ten gronde 114/2024 – 12/71 schending van artikel 9.1, j° artikel 6.1.
  15. a)en artikel 9.2.
  16. a)AVG. Het feit dat de litigieuze verwerkingen werden gestaakt ingevolge de vaststellingen van de Inspectiedienst verhindert de vaststelling van de historische inbreuk niet. II.2. 49. Beginsel van doelbinding (artikel 5.1,
  17. b)AVG) t.a.v. de eerste verweerster Voor zoveel als nodig herinnert de Geschillenkamer eraan dat persoonsgegevens alleen mogen worden verzameld en verwerkt voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden. Wanneer de gegevens later voor een ander doel worden gebruikt, dan moet dat nieuwe doel verenigbaar zijn met het oorspronkelijke verzameldoel. Het beginsel van doelbinding kent dus twee elementen: a. de doeleinden waarvoor persoonsgegevens worden verwerkt, moeten welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd zijn; en b. wanneer persoonsgegevens verzameld worden, mogen zij niet verder verwerkt worden op een manier die onverenigbaar is met die doeleinden. Op die manier zorgt het beginsel van doelbinding ervoor dat er grenzen worden vastgesteld voor het gebruik van persoonsgegevens, rekening houdende met de redelijke verwachtingen van de betrokkenen en het feit dat verder gebruik voor andere doeleinden, dan die waarvoor de gegevens initieel werden verzameld, ook nuttig kan zijn. 50. Tijdens het Inspectieonderzoek heeft de eerste verweerster verwezen naar vier doeleinden: - registratie van de arbeidstijd waardoor loonstrookjes kunnen worden opgesteld; - voorkomen van fraude bij tijdsregistratie; - veiligheidsredenen, onder meer om te allen tijde te weten hoeveel mensen er op de productielocatie aanwezig zijn ingeval van brand of in geval van controle van de wisseling van opeenvolgende ploegen; en 51. controle op de toegang tot het gebouw van de werkgever. De Inspectiedienst stelt vast dat het vierde doeleinde (toegangscontrole tot het gebouw) in geen enkel ander document terug te vinden is en dat uit het schrijven van de eerste verweerster blijkt dat de verwerking voor dit doeleinde nog niet was gerealiseerd. Het betreft dus een potentiële verdere verwerking waarvan het doeleinde krachtens artikel 5.1.
  18. b)en artikel 6.4 AVG niet onverenigbaar mag zijn met de oorspronkelijke doeleinden. De Inspectiedienst concludeert dat verwerking voor toegangscontrole slechts in zeer beperkte gevallen mogelijk zal zijn, gelet op het feit dat het biometrische gegevens betreft, en wijst erop dat de initiële verzameling reeds onrechtmatig was. De Inspectiedienst verwijst naar het arbeidsreglement (versie juni 2022) waarin op twee plaatsen wordt verwezen naar dezelfde drie doeleinden als in het antwoord van de eerste verweerster: tijdsregistratie (incl. loonadministratie), fraudebestrijding en veiligheid. In het verwerkingsregister is echter Beslissing ten gronde 114/2024 – 13/71 slechts één doeleinde terug te vinden, nl. tijdsregistratie. In de welkomstbrochure vindt de Inspectiedienst twee doeleinden terug, nl. tijdsregistratie en veiligheidsredenen. De Inspectiedienst werpt op dat het doeleinde van fraudebestrijding ontbreekt in de welkomstbrochure. Dit is van belang voor de Inspectiedienst omdat dit het enige document is waarvan de eerste verweerster kan aantonen dat het aan de klager ter kennis werd gebracht voorafgaand aan de verwerking. De Inspectiedienst stelt dan ook vast dat niet voldaan is aan de voorwaarde van de verzameling voor ‘welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden’. 52. Tot slot concludeert de Inspectiedienst dat geen enkel doeleinde voldoet aan de voorwaarde van gerechtvaardigdheid zoals bepaald in artikel 5.1.
  19. b)AVG. Aangezien de initiële verwerking onrechtmatig was, is ieder doeleinde waarvoor de gegevens worden verzameld onrechtmatig. Bijgevolg stelt het Inspectieverslag dan ook dat de door de eerste verweerster aangehaalde doeleinden in alle gevallen niet gerechtvaardigd zijn, en in sommige gevallen daarenboven ook niet welbepaald en duidelijk omschreven zijn. 53. De eerste verweerster voert aan dat zij rekening heeft gehouden met deze conclusie en dat zij voornemens is deze op te volgen. Zij schorste daarom onmiddellijk alle toekomstige projecten met betrekking tot de biometrische beveiliging van haar bedrijfssite. 54. De Geschillenkamer gaat hieronder na of aan het beginsel van doelbinding voldaan is. Een welbepaald doeleinde 55. Zoals reeds gesteld dient een doeleinde welbepaald te zijn, wat betekent dat het verwerkingsdoeleinde moet bepaald zijn vooraleer de gegevens worden verkregen. Ingevolge artikel 13.1 AVG dient de verwerkingsverantwoordelijke, in geval van verkrijgen van de persoonsgegevens bij de betrokkene, bij de verkrijging het verwerkingsdoeleinde mee te delen.11 Bijgevolg voldoen enkel de twee doeleinden “tijdsregistratie” en “veiligheid van de bedrijfssite” aan deze voorwaarde, aangezien deze aan de klager werden meegedeeld in de welkomstbrochure. Een uitdrukkelijk welomschreven doeleinde 56. Het uitdrukken van de doeleinden kan op verschillende manieren gebeuren, zoals een beschrijving van de doeleinden in een kennisgeving aan de betrokkenen.12 De Geschillenkamer stelt dat het meedelen van de doeleinden in de welkomstbrochure kan voldoen aan deze voorwaarde. Daarnaast stelt de Geschillenkamer dat het voor de gemiddelde burger begrijpelijk is wat de doeleinden “tijdsregistratie” en “veiligheid van de bedrijfssite” inhouden. 11 https://ec.europa.eu/justice/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2013/wp203 en.pdf, p. 17. 12 https://ec.europa.eu/justice/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2013/wp203 en.pdf, p. 18. Beslissing ten gronde 114/2024 – 14/71 Een gerechtvaardigd doeleinde 57. De persoonsgegevens moeten worden verkregen of verzameld voor gerechtvaardigde doeleinden. Opdat de doeleinden gerechtvaardigd zouden zijn, moet de verwerking - in alle verschillende stadia en op elk ogenblik te allen tijde - gebaseerd zijn op ten minste één van de in artikel 6 genoemde rechtsgronden.13 Aangezien in onderdeel II.1 reeds werd vastgesteld dat de verwerking niet rechtmatig is, is er ook geen sprake van een gerechtvaardigd doeleinde. 58. Gelet op het bovenstaande oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een inbreuk op artikel 5.1.
  20. b)AVG. II.3. Beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 5.1.
  21. c)AVG t.a.v. de eerste verweerster 59. Het beginsel van minimale gegevensverwerking zoals bepaald in artikel 5.1.
  22. c)AVG stelt dat de verwerkte persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en beperkt moeten zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Hieruit volgt dat de persoonsgegevens alleen mogen worden verwerkt indien het doel van de verwerking niet redelijkerwijs op een andere manier kan worden verwezenlijkt. De verwerking moet evenredig zijn aan het beoogde doel. 60. De Inspectiedienst stelt vast dat de eerste verweerster geen enkel intern document of bewijs van beraadslaging of besluitvorming kan voorleggen dat de uitvoering van een evenredigheidstoets aantoont. De Inspectiedienst komt dan ook tot de conclusie dat de eerste verweerster niet heeft onderzocht of de nagestreefde doelstelling niet redelijkerwijs op een andere wijze had kunnen plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld met behulp van multifactorauthenticatie. 61. Voor wat betreft het doeleinde “bestrijding van fraude” stelt de Inspectiedienst vast dat het systeem van tijdsregistratie niet proportioneel is aan het fraudegeval dat de aanleiding was tot het invoeren van het litigieuze systeem. Dat incident ging over een werknemer die het werk voortijdig had verlaten en in het papieren aanwezigheidsregister onterecht had getekend voor het einde van de dag. De Inspectiedienst voert aan dat een minder ingrijpend controlesysteem ook had volstaan om dergelijke fraudegevallen op te sporen en te voorkomen. 62. Voor wat betreft het doeleinde “veiligheid van het personeel”, te weten de zekerheid dat de machines systematisch door een werknemer worden gevolgd, ziet de Inspectiedienst geen duidelijk verband tussen het genoemde doeleinde en het middel (de litigieuze tijdsregistratie) aangezien de aanwezigheid van een werknemer op de bedrijfssite niet 13 https://ec.europa.eu/justice/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2013/wp203 en.pdf, p. 19. Beslissing ten gronde 114/2024 – 15/71 gelijkstaat met de systematische bemanning van een bepaalde machine, te meer omdat uittikken voor pauzes niet nodig is volgens de welkomstbrochure. In de zin dat brandveiligheid ook begrepen moet worden onder de doelstelling “veiligheid van het personeel” begrijpt de Inspectiedienst wel het belang van een correct aanwezigheidsregister. De Inspectiedienst werpt hierbij evenwel op dat het bij een evacuatie vooral van belang is om te weten hoeveel mensen aanwezig zijn in het gebouw en in ondergeschikte orde hun identiteit. 63. In haar conclusies verbindt de eerste verweerster zich ertoe om het tijdsregistratiesysteem op basis van biometrische gegevens onmiddellijk te stoppen. De eerste verweerster licht toe dat haar klanten veeleisend zijn op het punt van veiligheid, waardoor zij vereisen dat zij een hele reeks certificeringen verkrijgt, waarvoor tal van voorwaarden inzake veiligheid gelden. Hiertoe maakt de eerste verweerster twee documenten over. Zij voert aan dat de omgeving waarin zij moet opereren zeer beperkend is en dat dat haar ertoe gebracht heeft om te werken met het litigieuze systeem van tijdsregistratie. 64. De Geschillenkamer herinnert eraan dat bij het beoordelen van de noodzaak om gevoelige persoonsgegevens, zoals biometrische gegevens, te gebruiken om arbeidstijdregistraties bij te houden, de beschikbare middelen in overweging genomen moeten worden die hetzelfde doel bereiken met minder inbreuk op de privacy van de werknemers. Aangenomen kan worden dat werkgevers kunnen beschikken over tal van middelen voor het aan- en afmelden van werknemers in een loonlijstsysteem dat niet gebaseerd is op biometrische of andere gevoelige persoonlijke informatie. Voorbeelden zijn prikklokken, personeelskaarten en toegangscodes. Voorts kunnen de bovengenoemde middelen worden gemengd met een zogenaamde steekproefsgewijze controle of controle-instantie bij de ingang van de werkplek. De Geschillenkamer begrijpt dat de eerste verweerster moet voldoen aan hoge eisen van haar klanten, maar is tegelijkertijd van oordeel dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens niet noodzakelijk is voor het bereiken van de doeleinden van de eerste verweerster - namelijk tijdsregistratie, fraudebestrijding of veiligheid van het personeel - en dat deze doeleinden kunnen worden bereikt door andere en minder strenge maatregelen die geen systematische verwerking van de biometrische gegevens van de werknemers vereisen. 65. De Geschillenkamer benadrukt dat het gebruik van biometrische informatie om een persoon op een unieke manier te identificeren over het algemeen aan zeer strikte beperkingen is onderworpen. Dit is met name relevant wanneer andere, minder strenge maatregelen niet volstaan en kan relevant zijn wanneer de verwerking bedoeld is voor toegangscontrole van bepaalde zones op de werkplek vanwege speciale veiligheidsoverwegingen, zoals de behandeling van levensmiddelen of gevaarlijke stoffen Beslissing ten gronde 114/2024 – 16/71 (artikel 9.2.
  23. g)AVG). Dergelijke omstandigheden zijn in casu niet aan de orde. Bijgevolg oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een inbreuk op de artikelen 5.1.
  24. c)AVG. II.4. Beginsel van opslagbeperking (artikel 5.1.
  25. e)AVG) t.a.v. de eerste verweerster 66. Overeenkomstig artikel 5.1.
  26. e)AVG moeten persoonsgegevens "worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is". Concreet wil dit zeggen dat eens het doeleinde van de verwerking is vervuld, of wanneer de rechtsgrond vervalt (bijvoorbeeld door de intrekking van de toestemming door de betrokkenen, of het wegvallen van het zwaarwegend algemeen belang), de betrokken biometrische gegevens verwijderd moeten worden. Dit sluit evenwel niet uit dat de gegevens langer worden bewaard ingevolge een wettelijke verplichting of wanneer deze gegevens noodzakelijk zijn in het kader van een rechtsvordering. 67. Het Kenniscentrum van de GBA wijst erop dat de ruwe biometrische gegevens die worden verzameld in het kader van de eerste inzamelingsfase van een biometrisch systeem (registratiefase) in principe onmiddellijk verwijderd moeten worden zodra de biometrische template werd aangemaakt. Daarnaast mogen de gegevens die worden verzameld tijdens de tweede inzamelingsfase niet langer worden bewaard dan de tijd die nodig is om de ingezamelde gegevens te vergelijken met de referentie-informatie.14 68. Voor wat betreft het beginsel van opslagbeperking, ontvangt de Inspectiedienst geen verwijzing naar de bewaringstermijn van de eerste verweerster. Uit bijlage 10 bij het arbeidsreglement (versie juni 2022) en uit het verwerkingsregister leidt de Inspectiedienst af dat de gegevens worden bewaard zolang de arbeidsverhouding duurt. Deze documenten maken echter geen onderscheid tussen de ruwe biometrische gegevens en de hieruit afgeleide templates. Op basis van zijn onderzoek concludeert de Inspectiedienst dat de bewaartermijnen van de ruwe biometrische gegevens overeen lijken te stemmen met de door het Kenniscentrum van de GBA vooropgestelde principes. De Inspectiedienst stelt dat verdergaand onderzoek niet proportioneel is aangezien de litigieuze verwerking al op verschillende punten onrechtmatig is gebleken. 69. De Geschillenkamer merkt op dat de Inspectiedienst geen inbreuk hieromtrent heeft vastgesteld en ziet geen reden om hieromtrent een ander standpunt in te nemen. De Geschillenkamer oordeelt dan ook dat er geen inbreuk is op artikel 5.1.
  27. e)AVG. 14 Aanbeveling betreffende de verwerking van biometrische gegevens, p. 35 te raadplegen https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/aanbeveling-nr.01-2021-van-1-december-2021.pdf. via Beslissing ten gronde 114/2024 – 17/71 II.5. Informatieverplichtingen (artikel 5.1.
  28. a)j° artikelen 12.1 en 13 AVG) t.a.v. de eerste verweerster 70. De Inspectiedienst stelt tijdens zijn onderzoek vast dat niet voldaan zou zijn aan de informatievereisten uit artikel 12.1 en artikel 13 AVG, dewelke vereisen dat de informatie verstrekt moet worden aan de betrokkenen bij de verkrijging van de persoonsgegevens. 71. Op basis van de artikelen 12.1, 13.1 en 13.2 van de AVG is het noodzakelijk dat de eerste verweerster als verwerkingsverantwoordelijke aan de betrokkenen beknopte, transparante en begrijpelijke informatie bezorgt over de persoonsgegevens die verwerkt worden. De voormelde transparantieverplichtingen vormen een concretisering van de algemene transparantieverplichting van artikel 5.1.
  29. a)van de AVG. De Geschillenkamer zal onderzoeken of de eerste verweerster haar informatieverplichtingen heeft nageleefd. 72. De Geschillenkamer leest in het Inspectieverslag dat de Inspectiedienst concludeert tot een schending van artikel 12.1 en 13 AVG aangezien de welkomstbrochure, het enige document met informatie over de litigieuze verwerking dat bij indiensttreding werd bezorgd aan de klager, niet alle door de AVG vereiste informatie bevatte. Artikel 13 AVG stipuleert welke informatie de verwerkingsverantwoordelijke moet verstrekken aan de betrokkene wanneer deze gegevens bij die persoon worden verzameld, en dit bij de verkrijging van de persoonsgegevens. Uit de welkomstbrochure kan de Inspectiedienst enkel de volgende informatie voor de betrokkene afleiden: de categorie van verwerkte persoonsgegevens, één van de doeleinden van de tijdsregistratie expliciet (nl. tijdsregistratie via vingerafdruk) en één doeleinde impliciet (nl. de veiligheid van het personeel). Bij een tweede bevraging hieromtrent heeft de eerste verweerster geen nieuwe elementen aangereikt. 73. Volgens de vaststellingen van de Inspectiedienst verwees het arbeidsreglement (versie 2020), dat aan de klager werd bezorgd bij zijn indiensttreding, enkel naar het gebruik van “elektronische registratieapparaten” voor de meting en de controle van de arbeid en bevat deze enkel de volgende verwijzing naar het gegevensbeschermingsrecht: “De wet ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van 8 december 1992 en/of de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG of GDPR) zal worden gerespecteerd bij de verwerking van persoonlijke gegevens”. 74. Bovenstaande informatieverstrekking voldeed volgens de Inspectiedienst niet aan de informatieverplichtingen ex artikel 12.1 en 13 AVG. De eerste verweerster voert aan in haar conclusies dat, van zodra het inspectieonderzoek liep, zij onmiddellijk de maat genomen heeft van de verplichtingen waaraan zij moest voldoen. Daarom is zij begonnen met het aanpassen van haar werkregels; zij zal deze blijven corrigeren. 75. De Geschillenkamer zal beoordelen of voldaan is aan de informatieverplichtingen ex artikel 13 AVG j° artikel 12.1 AVG. Na onderzoek van de door de eerste verweerster overgemaakte Beslissing ten gronde 114/2024 – 18/71 conclusies met bijhorende stukken merkt de Geschillenkamer op dat de eerste verweerster inderdaad stappen hieromtrent genomen heeft. Dit blijkt uit het feit dat zij bij haar conclusies een in 2022 gewijzigd arbeidsreglement heeft overgemaakt. Gelet op het Inspectieverslag stelt de Geschillenkamer vast dat, op het moment van indiensttreding van de klager, de welkomstbrochure de enige bron van informatie was voor de werknemers, zulks totdat het arbeidsreglement werd aangepast in juni 2022 (hierna: “arbeidsreglement (versie 2022)”). De Geschillenkamer zal dus eerst de welkomstbrochure bespreken zoals het van toepassing was op het moment van indiensttreding van de klager en vervolgens het arbeidsreglement (versie 2022), onder andere in functie van het litigieuze systeem van tijdsregistratie. Welkomstbrochure 76. De welkomstbrochure verstrekt de volgende informatie omtrent de litigieuze verwerking: “We maken gebruik van een tijdsregistratiesysteem via vingerafdruk. Na het onthaalmoment zal je geregistreerd worden en dan is het de bedoeling bij aanvang en einde van je shift in en uit te tikken. We hebben een korte shiftoverdracht, waardoor je minstens voor 5 minuten voor aanvang dient ingetikt te zijn. Je verloning wordt gebaseerd op je tikkingen, vergeet dit dus zeker niet. Tijdens je pauze dien je niet uit- of in te tikken, behalve wanneer je het terrein verlaat. Dit is om veiligheidsredenen”. 77. Wat betreft de vermelding van de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke in het de welkomstbrochure, stelt de Geschillenkamer vast dat de identiteit van de eerste verweerster als werkgever impliciet naar voor wordt geschoven als verwerkingsverantwoordelijke, al merkt de Geschillenkamer op dat het tot aanbeveling strekt om dit expliciet te vermelden. De Geschillenkamer stelt verder vast dat de welkomstbrochure niet voldoet aan andere informatieverplichtingen. Voor wat betreft onder andere de bewaartermijnen (artikel 13.2.
  30. e)AVG), doeleinden en rechtsgrond (artikel 13.1.
  31. c)AVG) stelt de Geschillenkamer vast dat deze niet (op afdoende wijze) werden opgenomen in de welkomstbrochure. Aangezien de eerste verweerster zich – weliswaar onrechtmatig – beroept op toestemming op basis van artikel 6.1.
  32. a)en artikel 9.2.
  33. a)AVG, diende ook meegedeeld te worden aan de betrokkenen dat zij het recht hadden om hun toestemming in te trekken (artikel 13.2.
  34. c)AVG). Wat betreft de vermelding van de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de GBA (art. 13.2.
  35. d)AVG), stelt de Geschillenkamer vast dat dit evenmin vermeld is in de welkomstbrochure. 78. Gelet op het bovenstaande concludeert de Geschillenkamer dat de welkomstbrochure niet voldoet aan de informatieverplichtingen zoals voorgeschreven door artikel 13 AVG en dat de informatie die in de welkomstbrochure opgenomen is niet op transparante en begrijpelijke wijze is opgenomen zoals bepaald in artikel 12.1 AVG. Beslissing ten gronde 114/2024 – 19/71 Arbeidsreglement (versie 2022) 79. De eerste verweerster werpt op reeds stappen ondernomen te hebben om haar informatieverplichtingen na te leven, door het aanpassen van het arbeidsreglement. De Geschillenkamer stelt vast dat het arbeidsreglement (versie 2022) een bijlage 10 genaamd “GDPR en privacybeleid voor werknemers” bevat. 80. In het arbeidsreglement (versie 2022) stelt de Geschillenkamer het volgende vast met betrekking tot informatieverplichtingen inzake de verwerking van de biometrische gegevens. 81. Voor wat betreft de doeleinden van en de rechtsgrond voor de verwerking (artikel 13.1.
  36. c)AVG) stelt de Geschillenkamer vast dat het arbeidsreglement (versie 2022) stipuleert dat de biometrische gegevens en tijdregistratie-informatie via vingerafdrukken worden verwerkt op basis van artikel 6.1.
  37. f)AVG, namelijk “de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van [eerste verweerster], waaronder (
  38. i)de bescherming van het bedrijf door middel van een solide tijdsregistratiesysteem (
  39. ii)het waarborgen van de veiligheid van het personeel, (iii) het controleren en vergemakkelijken van de toegang tot de bedrijfsruimten. Voor wat betreft de rechtmatigheid van de verwerkingsgrond en de toepasselijke rechtsgrond verwijst de Geschillenkamer naar onderdeel II.1. Voorts stelt de Geschillenkamer vast dat het arbeidsreglement (versie 2022) voldoet aan de informatieverplichtingen ex artikel 13 AVG. De informatie wordt ook schematisch weergegeven waardoor deze op beknopte, transparante en begrijpelijke wijze toegankelijk is voor de betrokkene (artikel 12.1 AVG). 82. De Geschillenkamer stelt op basis van bovenstaande vast dat de eerste verweerster een inbreuk heeft gepleegd op artikel 12.1 AVG j° artikelen 13.1.c), 13.2.c),
  40. d)en
  41. e)AVG voor het gebrek aan transparantie in de welkomstbrochure en op artikel 12.1 AVG j° artikel 13.1.
  42. c)voor wat betreft het arbeidsreglement

(2022)vanaf de inwerkingtreding van het litigieuze tijdsregistratiesysteem tot de stopzetting ervan in december 2022. Het feit dat de inbreuken op artikel 13.2.c),
  1. d)en
  2. e)werden verholpen, verhindert de Geschillenkamer niet om een historische inbreuk vast te stellen. II.6. Artikel 12.1 en artikel 15 AVG (recht op inzage) t.a.v. de eerste verweerster Vaststellingen in het Inspectieverslag 83. In het Inspectieverslag concludeert de Inspectiedienst dat er sprake is van een inbreuk op artikel 5.1.
  3. a)j° artikel 12.1 en artikel 15 AVG betreffende het recht op inzage. De Inspectiedienst stelt vast dat de klager zijn recht op inzage op twee momenten schriftelijk heeft uitgeoefend. De eerste keer per mail op 21 februari 2022, de tweede keer via aangetekend schrijven dd. 31 maart 2022. Tijdens het Inspectieonderzoek werpt de eerste verweerster op dat zij mondeling heeft geantwoord op het eerste verzoek tijdens een Beslissing ten gronde 114/2024 – 20/71 vergadering met de vakbondsafgevaardigde op 15 maart 2022. Uit het e-mailverkeer tussen de vakbondssecretaris en de eerste verweerster, met de klager in kopie, kan de Inspectiedienst afleiden dat de gevraagde informatie deel uitmaakte van de agenda van deze vergadering en dat het initiatief voor de vergadering uitging van de klager via zijn vakbondsvertegenwoordiger. Aangezien het initiatief (onrechtstreeks) uitging van de klager is het volgens de Inspectiedienst krachtens artikel 12.1 in fine AVG mogelijk dat de eerste verweerster het verzoek op wettige wijze mondeling kon voldoen. Gelet op de in België bij interprofessionele cao vastgestelde vertegenwoordigingsbevoegdheid van de syndicale afvaardiging15 en voorafgaande communicatie via de vakbondssecretaris in kwestie, mocht de eerste verweerster er volgens de Inspectiedienst redelijkerwijze van uitgaan dat het verzoek tot inzage mondeling via de vakbondssecretaris kon worden voldaan. De Inspectiedienst concludeert dan ook dat de eerste verweerster het aannemelijk maakt dat zij binnen de in artikel 12.3 AVG gestelde termijn is ingegaan op het eerste verzoek tot inzage van 21 februari 2022. 84. In het tweede verzoek tot inzage dd. 31 maart 2022 herhaalt de klager zijn initiële vraag en verzoekt hij de eerste verweerster alsnog schriftelijk te antwoorden. Dit antwoord volgt bij aangetekend schrijven op 20 april 2022. De Inspectiedienst stelt dat bepaalde vragen van de klager betrekking hadden op informatie-elementen die zijn opgenomen in artikel 13 AVG en niet in artikel 15 AVG. Aangezien de eerste verweerster niet had voldaan aan de informatieverplichting uit artikel 13 AVG (op het moment van uitoefening van het recht op inzage), concludeert de Inspectiedienst dat de eerste verweerster ook op deze vragen diende te antwoorden. Het antwoord van de eerste verweerster is volgens de Inspectiedienst inhoudelijk onvolledig op volgende punten: - Er worden slechts 2 van de 3 verwerkingsdoeleinden vermeld. Het doel fraudebestrijding ontbreekt (artikel 15.1.
  4. a)AVG). - De klager vroeg of hij zijn toestemming voor de verwerking kon weigeren en stelde ook dat hij deze toestemming nooit vrijwillig had verleend. Het antwoord van de eerste verweerster gaat niet in op deze vraag, maar verwijst enkel naar het feit dat de toestemming volgens de eerste verweerster geldig verleend werd en dat de gegevens intussen gewist werden (sinds de uitdiensttreding). Indien toestemming volgens de eerste verweerster de toepasselijke rechtsgrond was voor de verwerking had deze de klager ingevolge artikel 13.2.
  5. c)AVG erop moeten wijzen dat deze toestemming steeds kon worden ingetrokken. 15 Zie cao nr. 5/1. 5.10.2022 collectieve arbeidsovereenkomst nr. 5 van 24 mei 1971 betreffende het statuut van de syndicale afvaardigingen van het personeel der ondernemingen, gewijzigd en aangevuld door de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 5 bis van 30 juni 1971, nr.5 van 21 december 1978 en nr. 5 quater van 5 oktober 2011. Beslissing ten gronde 114/2024 – 21/71 - Indien toestemming volgens de eerste verweerster niet de toepasselijke rechtsgrond was, had het antwoord ingevolge artikel 13.1.
  6. c)AVG moeten verduidelijken op welke rechtsgrond de verwerking gebaseerd was. - Afhankelijk van de medegedeelde rechtsgrond (zoals hierboven uiteengezet baseert de eerste verweerster zich gelijktijdig op verschillende rechtsgronden), had zij vervolgens respectievelijk moeten meedelen op welke gerechtvaardigde belangen de verwerking gebaseerd was (art. 13.1.
  7. d)AVG) en dat de klager een recht van bezwaar had tegen de verwerking (art. 15.1.
  8. e)AVG) of – indien de eerste verweerster zich op een wettelijke verplichting beroept – dat een weigering of bezwaar niet mogelijk was aangezien de verwerking noodzakelijk was met het oog op de uitvoering van een wettelijke verplichting van de eerste verweerster. 85. De Inspectiedienst merkt op dat de verplichting in hoofde van de eerste verweerster om op een volledige en correcte manier te antwoorden op het verzoek op inzage is blijven bestaan ondanks het feit dat tussen het initiële verzoek van de klager dd. 21 februari 2022 en het antwoord dd. 20 april 2022 de verwerking werd stopgezet (wegens het ontslag van de klager). De Inspectiedienst kon niet nagaan welke eventuele bijkomende of afwijkende informatie tijdens de vergadering van 15 maart 2022 via de vakbondssecretaris mondeling werd bezorgd. Standpunt van de eerste verweerster 86. In haar conclusies herneemt de eerste verweerster het verzoek tot inzage dd. 21 februari 2022. De eerste verweerster leidt hieruit de volgende vragen van de klager af: (
  9. i)Het beleid over wie er toegang heeft tot het admin-gedeelte van de prikklok; (
  10. ii)De mogelijkheid om het gebruik van het biometrisch systeem te weigeren; (iii) De verdwijning van deze administratieve toegang en de verantwoordelijke op de uitdienst; 87. (
  11. iv)De bewaartermijn en de bewaringsmodaliteiten; en (
  12. v)De beveiliging van de gegevens. De eerste twee vragen waren volgens de eerste verweerster niet meer relevant ten tijde van de tweede brief dd. 31 maart 2022 aangezien de klager op 24 februari 2022 ontslagen was. Op vraag (
  13. i)werd echter wel mondeling en schriftelijk geantwoord. Met betrekking tot vraag (
  14. ii)stelt de eerste verweerster dat het geenszins is aangetoond dat de klager niet het recht zou hebben gehad om voor een ander systeem van tijdsregistratie te kiezen, aangezien de klager ontslagen werd op 24 februari 2022. De klager was de enige werknemer die heeft geklaagd dat hij niet heeft ingestemd met het nemen van zijn vingerafdrukken. Bijgevolg kan er dus niet worden aangenomen dat de eerste verweerster een dergelijk alternatief zou Beslissing ten gronde 114/2024 – 22/71 hebben geweigerd indien de klager op de loonlijst was blijven staan. De eerste verweerster werpt hierbij op dat geen enkele andere werknemer opmerkingen heeft gemaakt over het biometrische systeem op het moment dat het werd ingevoerd in het nieuwe arbeidsreglement (versie 2022). 88. Met betrekking tot vraag (iii) bevestigt de eerste verweerster dat er mondeling werd geantwoord - tijdens de vergadering van 15 maart 2022 met de vakbondsvertegenwoordiger - dat de klager geen enkel risico zou lopen. De eerste verweerster beschikte immers niet langer over de biometrische gegevens van de klager. Dit werd ook schriftelijk bevestigd. 89. Vraag (
  15. iv)was volgens de eerste verweerster niet langer relevant aangezien de gegevens ten tijde van het antwoord op het recht op inzage reeds uit het systeem waren verwijderd. De eerste verweerster wijst erop dat de verzoeker 3 dagen na de uitoefening van zijn recht op inzage werd ontslagen. Tegelijkertijd en sinds 3 februari 2022 wordt hij vertegenwoordigd door de vakbondsafgevaardigde die een afspraak op 15 maart 2022 bevestigt om met name deze specifieke kwesties te bespreken. Ook vraag (
  16. v)was volgens de eerste verweerster niet langer relevant. Aangezien zijn persoonsgegevens reeds waren gewist, zou de klager in dit opzicht geen risico meer lopen. 90. De eerste verweerster concludeert dan ook dat haar niet kan worden verweten dat zij de verzoeken van de klager dd. 21 februari 2022 en 31 maart 2022 niet heeft beantwoord voor zover de uitoefening van dit recht geen rechtmatig belang meer heeft. De persoonsgegevens van de klager werden immers gewist en hij wist dit of had dit redelijkerwijze moeten weten, gelet op de bijeenkomst van 15 maart 2022. Beoordeling door de Geschillenkamer 91. Overeenkomstig het Inspectieverslag stelt de Geschillenkamer vast dat de klager zijn recht op inzage uitgeoefend heeft, voor de eerste maal, op 21 februari 2022. In het dossier is emailcorrespondentie opgenomen waaruit de Geschillenkamer, overeenkomstig de vaststellingen van de Inspectiedienst, kan afleiden dat een overleg heeft plaatsgevonden op 15 maart 2022 tijdens hetwelk een antwoord werd geboden op de vragen van de klager. De klager zelf was echter niet aanwezig op deze gesprekken maar liet zich vertegenwoordigen door de vakbondsafgevaardigde, zo wordt ook aangegeven door de vakbondsafgevaardigde zelf. In zijn Richtsnoeren 01/2022 over de rechten van betrokkenen — Recht van inzage16 stelt de European Data Protection Board (hierna: EDPB) dat het recht op inzage doorgaans wordt uitgeoefend door de betrokkene zelf, maar het is 16 EDPB, Richtsnoeren 01/2022 over de rechten van betrokkenen — Recht van inzage v2.0, 17 april 2023, https://www.edpb.europa.eu/system/files/2023-04/edpb guidelines 202201 data subject rights access v2 nl.pdf. Ten tijde van het verzoek tot inzage van de klager was de eerste versie van toepassing die beschikbaar is via https://www.edpb.europa.eu/system/files/2022-01/edpb guidelines 012022 right-of-access 0.pdf. Beslissing ten gronde 114/2024 – 23/71 niet uitgesloten dat een derde het verzoek uitoefent in naam van de betrokkene. Aangezien dergelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid niet wordt geregeld in de AVG, dient – zoals ook opgemerkt door de Inspectiedienst – gekeken te worden naar de toepasselijke nationale regels, in casu de toepasselijke Belgische cao’s zoals toegelicht door de Inspectiedienst in het inspectierapport. Deze regels staan toe dat de vakbondsafgevaardigde de klager kan vertegenwoordigen bij de uitoefening van het recht op inzage. Gezien de mails dd. 28 februari 2022 en 2 maart 2022 van de vakbondsafgevaardigde gericht aan de eerste verweerster, kon de eerste verweerster er rechtmatig van uitgaan dat deze de klager zou vertegenwoordigen tijdens het gesprek dd. 15 maart 2022. Tijdens dit gesprek zou ook het systeem van tijdsregistratie via biometrische gegevens worden besproken. In de mail dd. 28 februari 2022 van de vakbondsafgevaardigde wordt immers aangegeven dat de klager meer duidelijkheid wenst over de rechten die hij heeft als werknemer en over de werking van het biometrisch systeem. 92. Eveneens in de voormelde Richtsnoeren 1/2022 bespreekt de EDPB de wijze waarop inzage in de persoonsgegevens moet worden verleend. Hoofdzakelijk dient dit te gebeuren door middel van een kopie van de data, maar andere modaliteiten, zoals mondelinge informatie kan volstaan indien de betrokkene dit zou verzoeken. Aangezien het voorstel tot een gesprek uitgegaan is van de vakbondsvertegenwoordiger, kan de eerste verweerster rechtmatig op mondelinge wijze de gevraagde informatie overmaken en dus rechtmatig het verzoek tot inzage beantwoorden. 93. Gelet op het bovenstaande, kan de eerste verweerster er rechtmatig van uitgaan dat de vakbondsafgevaardigde, als vertegenwoordiger van de klager, de informatie verstrekt door de eerste verweerster tijdens het gesprek dd. 15 maart 2022 aan de klager zou overmaken. 94. Gelet op het bovenstaande en in lijn met vaststellingen van de Inspectiedienst komt de Geschillenkamer tot het besluit dat de eerste verweerster rechtmatig geantwoord heeft op het recht op inzage van de klager, dat heeft plaatsgevonden op de wijze zoals verzocht door de vertegenwoordiger van de klager. 95. De Geschillenkamer wijst erop dat het voormeld gesprek tussen de eerste verweerster en de vertegenwoordiger van de klager heeft plaatsgevonden op 15 maart 2022. 96. Op 31 maart 2022 heeft de klager een tweede maal zijn recht op inzage uitgeoefend. Hierin stelt de klager dat de eerste verweerster niet inhoudelijk zou gereageerd hebben op zijn mail dd. 21 februari 2022. Het uitblijven van dit antwoord zou de klager ertoe gebracht hebben de onderhavige klacht in te dienen bij de GBA. 97. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het recht op inzage niet absoluut is. Artikel 12.5 AVG stelt dat indien verzoeken van een betrokkene kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, met Beslissing ten gronde 114/2024 – 24/71 name vanwege hun repetitieve karakter, de verwerkingsverantwoordelijke, hetzij een redelijke vergoeding mag aanrekenen, hetzij mag weigeren gevolg te geven aan het verzoek. Zoals ook gestipuleerd in overweging 63 van de AVG kan de betrokkene zijn rechtop inzage eenvoudig en met redelijke tussenpozen uitoefenen. De EDPB identificeert vier criteria aan de hand waarvan een verwerkingsverantwoordelijke kan bepalen of een uitoefening van het recht op inzage buitensporig is: (
  17. i)Hoe vaak de persoonsgegevens worden gewijzigd; (
  18. ii)De aard van de persoonsgegevens; (iii) Het doel van de verwerking, onder andere of de verwerking al dan niet negatieve gevolgen heeft voor de klager; (
  19. iv)Of de opeenvolgende verzoeken dezelfde gevraagde informatie of dezelfde verwerking betreffen, dan wel andere. 98. Bij de toepassing van bovenstaande criteria op bovenstaande zaak, komt de Geschillenkamer tot de volgende vaststellingen. Voor wat betreft het eerste criterium, merkt de Geschillenkamer op dat de biometrische gegevens eigen zijn aan de betrokkene en dus niet gewijzigd worden. Ook de priktijden die gebeurd zijn op basis van de vingerafdrukken wijzigen niet meer en worden ook niet meer aangevuld, gelet op het ontslag van de klager dd. 24 februari 2022. De aard van de persoonsgegevens, zijnde biometrische gegevens, is eerder gevoelig, hetgeen de duur van de bovenvermelde “redelijke termijn” kan verkorten. Het doel van de verwerking, dus het derde criterium, is de veiligheid van het personeel, tijdsregistratie in functie van de loonberekening en de preventie van prikfraude, hoewel dit doeleinde niet telkens vermeld wordt door de eerste verweerster. Deze doeleinden op zich zijn niet van dien aard dat ze een negatieve impact op de betrokkene hebben. Het verzoek dd. 31 maart 2022 betreft bovendien dezelfde informatie als de informatie die werd gegeven op 15 maart 2022 ten gevolge van de uitoefening van het recht op inzage dd. 21 februari 2022 door de klager. 99. De Geschillenkamer merkt op dat de Inspectiedienst heeft gesteld dat het ontslag van de klager dd. 24 februari 2022 niet verhindert dat de eerste verweerster op een volledige en correcte manier diende te antwoorden op het verzoek tot inzage. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de verwerkingsverantwoordelijke inderdaad op een volledige wijze dient te antwoorden; echter, indien het verzoek van de klager tot een specifieke verwerking beperkt was, kan de informatie verstrekt door de verwerkingsverantwoordelijke ook beperkt zijn tot die specifieke verwerking.17 Aangezien de klager, bij monde van de vakbondsafgevaardigde als zijn vertegenwoordiger, het verzoek beperkt heeft tot het 17 EDPB, Guidelines 1/2022 on data subject rights, right of access, dd. 18 januari 2022, para 35. Te raadplegen via https://edpb.europa.eu/system/files/2022-01/edpb guidelines 012022 right-of-access 0.pdf. Beslissing ten gronde 114/2024 – 25/71 systeem van tijdsregistratie via biometrische persoonsgegevens en de hieraan verbonden aspecten zoals de bewaartermijn en de beveiliging van deze persoonsgegevens , is de Geschillenkamer van oordeel dat de informatie verstrekt door de verwerkingsverantwoordelijke beperkt kan zijn tot deze specifieke verwerking. 100. Voor wat betreft het standpunt van de eerste verweerster dat zij niet meer hoefde te antwoorden op vraag 4 en 5 van de klager omdat de persoonsgegevens reeds waren verwijderd, herinnert de Geschillenkamer eraan dat het recht op inzage de "toegangspoort" is die de uitoefening mogelijk maakt van andere rechten die de AVG aan de betrokkene toekent, zoals het recht op rectificatie, het recht op gegevenswissing en het recht op beperking van de verwerking.18 De redenering dat bepaalde informatie niet meer moet worden meegedeeld voor het verleden, bijvoorbeeld omdat de gegevens werden gewist, kan niet worden gevolgd. Dit zou immers verhinderen dat de uitoefening van deze rechten niet doeltreffend kan gebeuren.19 Aangezien de persoonsgegevens recent voor het ontslag gewist werden en het systeem van tijdsregistratie via vingerafdruk nog in voege was op het moment van de inzageverzoeken, is de Geschillenkamer van oordeel dat het geen onredelijke inspanningen vergde van de eerste verweerster op de vragen 4 en 5 van het tweede inzageverzoek te antwoorden. Daarnaast wijst de Geschillenkamer er ook op dat, hoewel artikel 15 AVG niet bepaalt dat in het kader van een inzageverzoek informatie moet gegeven worden omtrent de beveiligingsmaatregelen, dit niet betekent dat bijgevolg geen antwoord moet verleend worden op het recht op inzage. De eerste verweerster kon immers op meer algemene wijze informatie verstrekken over de beveiligingsmaatregelen aan de klager. 101. Gelet op het bovenstaande stelt de Geschillenkamer vast dat de eerste verweerster rechtmatig uitvoering heeft gegeven aan het verzoek tot inzage van de klager voor wat betreft het eerste verzoek tot inzage dd. 21 februari 2022 en op de vragen 1 t.e.m. 3 van het tweede verzoek tot inzage dd. 31 maart 2022. De Geschillenkamer stelt echter vast dat de eerste verweerster geen afdoend antwoord heeft gegeven op de vragen 4 en 5 van het tweede verzoek tot inzage dd. 31 maart 2022 waardoor er sprake is van een inbreuk op artikel 12.1 j° artikel 15.1.
  20. d)AVG. II.7. Artikel 28.1 AVG t.a.v. de eerste verweerster 102. Overeenkomstig artikel 28.1 AVG en overweging 81 van de AVG, heeft de eerste verweerster als verwerkingsverantwoordelijke de plicht om “uitsluitend beroep [te doen] op 18 Zie meeste recent HvJEU, 12 januari 2023, Österreichische Post AG, C-154/21, ECLI:EU:C:2023:3, para 38, maar ook HvJEU, 17 juli 2014, YS et al., C-141/12 en C-372/12, EU:C:2014:2081, para 44, en HvJEU 20 december 2017, Nowak, C-434/16, EU:C:2017:994, para 57, zie ook beslissing 15/2021 dd. 9 februari 2021, para 141, en beslissing 41/2020 dd. 29 juli 2020, para 47 19 HvJ dd. 9 mei 2009, Rijkeboer, C-553/07, ECLI:EU:C:2009:293, para 54. Beslissing ten gronde 114/2024 – 26/71 verwerkers die afdoende garanties met betrekking tot het toepassen van passende technische en organisatorische maatregelen bieden”. 103. De Inspectiedienst stelt vast dat de eerste verweerster niet aan de due diligenceverplichting heeft voldaan, namelijk de geschiktheid van de door de tweede verweerster genomen technische en organisatorische maatregelen te beoordelen. De Inspectiedienst stelt dat de eerste verweerster enkel de verkoopbrochure betreffende het tijdsregistratiesysteem ontvangen heeft van de tweede verweerster in de fase voorafgaand aan de contractuele relatie. In dit document is de technische informatie in verband met de beveiliging echter schaars en wordt niets toegevoegd aan de summiere informatie uit de verwerkingsovereenkomst. Het enige element dat niet was opgenomen in de verwerkingsovereenkomst en dat wel voorkomt in de brochure is de verduidelijking dat de encryptie bij verzending van gegevens van de terminal naar de server volgens het HTTPSprotocol verloopt, zo luidt het Inspectieverslag. 104. Naar aanleiding van de eerste brief van de Inspectiedienst aan de eerste verweerster, heeft de eerste verweerster bijkomende informatie opgevraagd aan de tweede verweerster om aan te tonen dat het toegepaste beveiligingsniveau afdoende was. De Inspectiedienst merkt op dat deze documentatie had moeten worden opgevraagd voorafgaand aan de verwerking en niet op het moment waarop een controle van de Inspectiedienst zich aankondigt. De Inspectiedienst wijst erop dat zowel de eerste als de tweede verweerster bevestigen dat een dergelijke uitwisseling van documentatie niet eerder plaatsvond. Bijgevolg concludeert de Inspectiedienst dat de eerste verantwoordelijke niet kan aantonen dat zij zich daadwerkelijk heeft vergewist van de door de verwerker geboden garanties inzake organisatorische en technische maatregelen die zijn aangepast aan de risico’s verbonden aan de litigieuze verwerking van biometrische persoonsgegevens, hetgeen een schending van artikel 28.1 AVG uitmaakt. II.7.1. Standpunt van de eerste verweerster 105. De eerste verweerster betwist de vaststelling dat er geen voldoende veiligheidsmaatregelen genomen werden. Zij heeft een deskundige ter zake ingeschakeld en voldoende documentatie ontvangen om zich te overtuigen van de ernst van de tweede verweerster als leverancier. Zij stelt dat per vergissing een bijlage bij de verwerkingsovereenkomst niet werd overgelegd. Deze bijlage maak deel uit van de tussen de partijen gesloten verwerkingsovereenkomst en bevat zeer specifieke garanties betreffende de veiligheid van de verwerking. Bijgevolg is de inhoud van de verwerkingsovereenkomst niet beperkt tot een eenvoudige beschrijving van de algemene veiligheidsmaatregelen van de tweede verweerster, maar is deze in feite gedetailleerd over wat er daadwerkelijk wordt uitgevoerd. De categorieën van gegevens worden op de applicatie weergegeven, gebaseerd op de informatie die eerder aan de Inspectiedienst werd Beslissing ten gronde 114/2024 – 27/71 verstrekt. De eerste verweerster heeft inderdaad een keuze gemaakt in de verschillende mogelijkheden die de tweede verweerster biedt. Er is aldus geen sprake van een schending van artikel 28, lid 1 AVG. 106. Daarnaast heeft de tweede verweerster tijdens het inspectieonderzoek documentatie overgelegd die sinds het afsluiten van de verwerkingsovereenkomst in het bezit is van de eerste verweerster. Deze documenten werden overgelegd omdat zij het voorwerp waren van een uitwisseling tussen de partijen, waaruit zou blijken dat de eerste verweerster wel een due diligence heeft uitgevoerd. De eerste verweerster werpt op dat uit de bewijsstukken van de Inspectiedienst niet duidelijk blijkt dat de beveiligingsdocumenten pas overgedragen zijn aan het einde van het Inspectieonderzoek en niet voorafgaand aan de gegevensverwerking Bovendien, zo werpt de eerste verweerster op, toont de Inspectiedienst niet aan dat het enige document met betrekking tot de contractuele documentatie de “verkoopbrochure” is. De eerste verweerster merkt op dat de Inspectiedienst geen nota genomen heeft van het volledige antwoord van de eerste verweerster. In haar antwoord had de eerste verweerster immers aangegeven dat de commercieel verantwoordelijke van de eerste verweerster niet langer werkzaam is bij het bedrijf. II.7.2. Beoordeling door de Geschillenkamer 107. De verwerkingsverantwoordelijke heeft de plicht om gebruik te maken van "alleen verwerkers die voldoende waarborgen bieden voor de uitvoering van passende technische en organisatorische maatregelen", zodat de verwerking voldoet aan de vereisten van de AVG - met inbegrip van de beveiliging van de verwerking - alsook de bescherming van de rechten van de betrokkene waarborgt. 20 De verwerkingsverantwoordelijke is derhalve verantwoordelijk voor de beoordeling van de maatregelen genomen door de verwerker en moet kunnen aantonen dat deze alle in de AVG genoemde elementen serieus in overweging heeft genomen, de zogenoemde due diligence-verplichting. Dit zal meestal een uitwisseling van documenten met zich meebrengen, zoals bijvoorbeeld het privacybeleid, de algemene voorwaarden en het register van verwerkingsactiviteiten. 108. De bovenvermelde beoordeling moet door de verwerkingsverantwoordelijke casuïstisch gebeuren en zal sterk afhangen van het soort verwerking dat aan de verwerker is toevertrouwd, rekening houdend met de aard, de omvang, de context en de doeleinden van de verwerking en de risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen. 109. De volgende elementen moeten door de verwerkingsverantwoordelijke in aanmerking worden genomen om de garanties te beoordelen: de deskundigheid van de verwerker (bv. technische deskundigheid met betrekking tot beveiligingsmaatregelen en inbreuken op 20 Artikel 28, lid 1 AVG en overweging 81 AVG. Beslissing ten gronde 114/2024 – 28/71 gegevens), de betrouwbaarheid van de verwerker, en de middelen van de verwerker.21 De reputatie van de verwerker op de markt kan ook een relevante factor zijn voor de verwerkingsverantwoordelijke om in overweging te nemen. Voorts kan het onderschrijven van een goedgekeurde gedragscode of certificeringsmechanisme worden gebruikt als een element waarmee voldoende garanties kunnen worden aangetoond. 110. De in artikel 28.1 AVG opgenomen verplichting om alleen beroep te doen op verwerkers die "voldoende waarborgen bieden" is een permanente verplichting. Zij eindigt niet op het moment dat de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker een overeenkomst of een andere rechtshandeling sluiten. De verwerkingsverantwoordelijke moet veeleer met passende tussenpozen de garanties van de verwerker verifiëren, onder meer door middel van audits en inspecties indien nodig. 22 111. De Geschillenkamer stelt vast dat de verwerkingsovereenkomst bestaat uit drie delen, zoals aangegeven in de conclusies van de tweede verweerster, de hoofdovereenkomst zelf met 2 bijlagen (Enclosure 1 en Enclosure 2). Bij Bijlage 2 bij de hoofdovereenkomst, behoorden 2 annexen, namelijk de Z IT Guide, en een document genaamd “data processing agreement”. Zoals ook aangegeven door de tweede verweerster merkt de Geschillenkamer op dat de Z IT Guide ontbrak in het dossier van de Inspectiedienst, waardoor hiermee bij het onderzoek geen rekening werd gehouden. 112. De Geschillenkamer is van oordeel dat de beschrijving van deze beveiligingsmaatregelen de eerste verweerster in staat stellen de nodige due diligence uit te voeren omtrent de deskundigheid van de tweede verweerster als verwerker. Zowel de eerste verweerster als de tweede verweerster geven aan dat er verschillende uitwisselingen zijn geweest tussen beide partijen voorafgaand aan het afsluiten van de verwerkingsovereenkomst, maar dat de betrokken personen niet langer werkzaam zijn in de ondernemingen. Bijgevolg kan niet meer informatie verstrekt worden omtrent deze uitwisselingen. Voor zoveel als nodig merkt de Geschillenkamer op dat, in het kader van de verantwoordingsplicht, dergelijke uitwisselingen idealiter gedocumenteerd worden zodat hieromtrent duidelijkheid is, ook na vertrek van de betrokken personen. 113. Gelet op het bovenstaande stelt de Geschillenkamer vast dat uit de overgemaakte documenten waaronder de verwerkingsovereenkomst met bijlagen blijkt dat de eerste verweerster de nodige inspanningen heeft kunnen doen om de toereikendheid van de tweede verweerster als verwerker te beoordelen. Bijgevolg is er geen inbreuk op artikel 28.1 AVG. II.8. Artikel 32 AVG t.a.v. de eerste verweerster 21 Overweging 81 AVG. 22 Artikel 28, lid 3,
  21. h)AVG. Beslissing ten gronde 114/2024 – 29/71 II.8.1. Vaststellingen in het Inspectieverslag 114. De Inspectiedienst stelt tijdens zijn onderzoek vast dat dat er sprake is van een inbreuk op artikel 32 AVG in hoofde van de eerste verweerster als verwerkingsverantwoordelijke. 115. Artikel 5.1.
  22. f)AVG schrijft voor dat “[persoonsgegevens] door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging”. 116. In verdere uitwerking van artikel 5.1.
  23. f)AVG stelt artikel 32.1 AVG dat de verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen moet treffen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de stand van de techniek, de uitvoeringskosten, alsook met de aard, de omvang, de context, de verwerkingsdoeleinden en de waarschijnlijkheid en ernst van de uiteenlopende risico’s voor de rechten en vrijheden van personen. 117. Artikel 32.1 van de AVG stipuleert eveneens dat bij de beoordeling van het passende beveiligingsniveau rekening moet worden gehouden met de verwerkingsrisico’s, vooral als gevolg van de vernietiging, het verlies, de wijziging of de ongeoorloofde verstrekking van of ongeoorloofde toegang tot doorgezonden, opgeslagen of anderszins verwerkte gegevens, hetzij per ongeluk hetzij onrechtmatig. 118. De Inspectiedienst stelt dat de eerste verweerster niet kan aantonen dat zij beschikt over enig schriftelijk vastgesteld informatieveiligheidsbeleid of over procedures betreffende de bescherming van persoonsgegevens. De bijlage 10 bij het arbeidsreglement versie 2022 was niet voorzien in de versie van het arbeidsreglement dat gold ten tijde van de litigieuze verwerking en werd opgesteld na het eerste contact met de Inspectiedienst. Ook de hierin opgenomen veiligheidsmaatregelen zijn volgens de Inspectiedienst onvoldoende concreet om de Inspectiedienst enige aanwijzing te geven van de gepastheid ervan. 119. Het register van verwerkingsactiviteiten dat eveneens werd opgesteld na het eerste contact met de Inspectiedienst bevat voor de litigieuze verwerking enkel de omschrijving dat “alleen HR toegang [heeft] tot deze gegevens. De personeelsdossiers zijn beveiligd op de server en staan fysiek in een afgesloten kast waar alleen HR een sleutel van heeft. De tijdsregistratie wordt verwerkt op een aparte computer waar alleen HR toegang toe heeft”. In een tweede schrijven van de Inspectiedienst aan de eerste verweerster werd een tweede maal verduidelijking gevraagd over de geïmplementeerde technische en organisatorische informatieveiligheidsmaatregelen. Een tweede bewijsstuk werd door de eerste verweerster aangeleverd, maar de Inspectiedienst stelde vast dat dit bewijsstuk enkel aantoont dat de software van de tweede verweerster toelaat om het niveau van toegang binnen de eerste Beslissing ten gronde 114/2024 – 30/71 verweerster te verfijnen aan de hand van verschillende rollen. Hoe de toegang binnen de eerste verweerster concreet werd geïmplementeerd, kan niet worden vastgesteld door de Inspectiedienst, waardoor een intern beleid betreffende het logisch toegangsbeheer tot de gegevens van het tijdsregistratiesysteem niet wordt aangetoond. De Inspectiedienst voegt hieraan toe dat een algemeen informatieveiligheidsbeleid in ieder geval ontbreekt. Bijgevolg is er volgens de Inspectiedienst sprake van een inbreuk op artikel 32 AVG. II.8.2. Beoordeling door de Geschillenkamer 120. De eerste stap om het gepaste beveiligingsniveau van de verwerking van persoonsgegevens te bepalen is om de risico’s van die verwerking in kaart te brengen en hiervan een afweging te maken. Op basis daarvan moet worden bepaald welke maatregelen nodig zijn om een voldoende beveiliging tegen deze risico’s te voorzien. Uit de AVG vloeit voort dat bij de afweging van de gegevensbeveiligingsrisico’s de nodige aandacht dient te worden besteed aan risico’s die zich kunnen voordoen bij persoonsgegevensverwerking, zoals ongeoorloofde verstrekking van of ongeoorloofde toegang tot verwerkte gegevens. Bij het inventariseren en beoordelen van de risico’s zijn vooral de gevolgen relevant die personen kunnen ondervinden van een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Naarmate de gegevens een gevoeliger karakter hebben, of de context waarin deze worden gebruikt een grotere bedreiging voor de persoonlijke levenssfeer betekenen, worden zwaardere eisen gesteld aan de beveiliging van de persoonsgegevens. 121. Op basis van het Inspectieverslag stelt de Geschillenkamer vast dat er geen algemeen informatieveiligheidsbeleid met betrekking tot de verwerking van de biometrische gegevens voorhanden was. Na een eerste contact met de Inspectiedienst, heeft de eerste verweerster haar register van verwerkingsactiviteiten aangepast en daarin de beveiligingsmaatregelen opgenomen. 122. Voor wat betreft de technische maatregelen stelt de Geschillenkamer vast dat de tweede verweerster, als leverancier van het systeem de nodige versleuteling (ISO gecertificeerd) voorziet. Op basis van het Inspectieverslag stelt de Geschillenkamer vast dat er verschillende organisatorische maatregelen genomen zijn zoals de beperking van de medewerkers die toegang hebben tot die persoonsgegevens, het beperken van de toegangsruimte waarin de persoonsgegevens zich bevonden, het bewaren van persoonsgegevens op een server in een afgesloten ruimte en het bewaren van de papieren personeelsdossiers in een afgesloten ruimte. 123. Voor wat betreft de vaststellingen omtrent het beleid inzake de opvolging van de beveiligingsmaatregelen, wijst de Geschillenkamer erop dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de beveiligingsmaatregelen zelf en de documentatie ervan in het kader van de verantwoordingsplicht. Voor wat betreft de beveiligingsmaatregelen zelf stelt de Beslissing ten gronde 114/2024 – 31/71 Geschillenkamer vast dat deze voldoen aan de vereisten van artikel 32 AVG. Gelet op het bovenstaande stelt de Geschillenkamer geen inbreuk op artikel 32 AVG vast. II.9. Gegevensbeschermingseffectbeoordeling (artikel 35 AVG) t.a.v. de eerste verweerster 124. De Inspectiedienst komt in zijn Inspectieverslag tot de conclusie dat het onduidelijk is of de eerste verweerster stelt dat zij geen gegevensbeschermingseffectbeoordeling (hierna: GEB) moest uitvoeren omdat de verwerking niet waarschijnlijk een hoog risico inhield in de zin van artikel 35.1 AVG, dan wel of zij een GEB uitvoerde waarvan het resultaat was dat er geen hoog restrisico bestond in de zin van artikel 36 AVG. In beide gevallen stelt de Inspectiedienst vast dat de eerste verweerster niet conform de AVG handelde. 125. De eerste verweerster heeft hieromtrent geen standpunt ingenomen. 126. Overeenkomstig artikel 35.1 AVG zal de verwerkingsverantwoordelijke vóór de verwerking een beoordeling moeten uitvoeren van het effect van de beoogde verwerkingsactiviteiten op de bescherming van persoonsgegevens wanneer de verwerking, in het bijzonder wanneer er nieuwe technologieën worden gebruikt, gelet op de aard, de omvang, de context en de doeleinden daarvan waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen. 127. Zoals blijkt uit punt 6 van de beslissing nr. 01/2019 zal er steeds een GEB uitgevoerd moeten worden wanneer de verwerking gebruik maakt van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van betrokkenen die zich in een openbare ruimte bevinden of in privéruimten die toegankelijk zijn voor het publiek. Het Kenniscentrum van de GBA benadrukt in haar aanbeveling echter dat ook de verwerking van biometrische gegevens voor andere doeleinden dan deze die uitdrukkelijk opgenomen zijn in de beslissing 01/2019 van het Algemeen Secretariaat desgevallend onderworpen is aan de verplichting van het uitvoeren van een GEB. Sterker nog, gezien het hoge inherente risico voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen die de verwerking van biometrische gegevens impliceert, zal het nalaten een GEB uit te voeren slechts in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd zijn. 128. In overeenstemming met artikel 35 van de AVG moet een GEB worden uitgevoerd wanneer een verwerking van persoonsgegevens waarschijnlijk een hoog risico oplevert voor de rechten en vrijheden van betrokkenen. Bij het beoordelen van de noodzaak van een GEB moet rekening worden gehouden met verschillende factoren, zoals de aard, de omvang, de context en de doeleinden van de verwerking, evenals de potentiële risico's voor de rechten en vrijheden van betrokkenen. 129. Om een concretere reeks verwerkingen te geven die een GEB vereisen op grond van hun inherente hoge risico, rekening houdend met de bijzondere elementen van artikel 35.1, en Beslissing ten gronde 114/2024 – 32/71 artikel 35.3, onder
  24. a)tot en met
  25. c)AVG, de lijst die op nationaal niveau moet worden vastgesteld overeenkomstig artikel 35.4 AVG en de overwegingen 71, 75 en 91, en andere verwijzingen in de AVG naar verwerkingen die "waarschijnlijk een hoog risico inhouden", heeft de Groep 29 de volgende negen criteria ontwikkeld die in aanmerking moeten worden genomen.23 130. De Geschillenkamer is van oordeel dat aan meerdere van deze criteria voldaan is, te weten: - Eerste criterium : evaluatie met inbegrip van profielbepaling en voorspelling, met name van "kenmerken betreffende beroepsprestaties”. Aan deze voorwaarde is voldaan aangezien de registratie van de werktijden van een werknemer een kenmerk betreffende een beroepsprestatie is. - Tweede criterium: geautomatiseerde besluitvorming met rechtsgevolg of vergelijkbaar wezenlijk gevolg. Zoals reeds uiteengezet was er geen aangetoond aangeboden alternatief qua tijdsregistratie voorhanden voor de werknemers van de eerste verweerster en kon geen loon worden uitbetaald indien er geen tijdsregistratie was door de werknemers. - Vierde criterium (gevoelige gegevens of gegevens van zeer persoonlijke aard). Dit betreft onder andere de bijzondere categorieën van persoonsgegevens zoals omschreven in artikel 9 AVG, waaronder biometrische gegevens die gebruikt worden met het oog op de identificatie. - Vijfde criterium (op grote schaal verwerkte personen). De AVG bevat geen definitie van het begrip “grootschalig” maar Groep 29 raadt aan om volgende factoren in aanmerking te nemen waaronder het aantal betrokkenen, hetzij als specifiek aantal, hetzij als deel van de relevante populatie. 24 De tijdsregistratie via vingerafdruk betreft in onderhavige zaak alle werknemers van de eerste verweerster waardoor er sprake kan zijn van een grootschalige verwerking. - Zevende criterium: gegevens met betrekking tot kwetsbare betrokkenen. Zoals gesteld zijn werknemers in casu kwetsbare betrokkenen omdat ze in een afhankelijke verhouding staan van de eerste verweerster als hun werkgever. 131. In de meeste gevallen kan een verwerkingsverantwoordelijke ervan uitgaan dat voor een verwerking die aan twee criteria voldoet een GEB moet worden uitgevoerd, zo stelt Groep 29. Zoals hierboven uiteengezet is voldaan aan vijf van de vooropgestelde criteria. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat het gebruik van biometrische gegevens voor de 23 Werkgroep 29, “Guidelines on Data Protection Impact Assessment (DPIA) and determining whether processing is “likely to result in a high risk’ for the purposes of Regulation 2016/679, goedgekeurd op 4 oktober 2017 (WP 248 rev. 01), p. 9 e.v. 24 Zie de WP29-richtlijnen voor functionarissen voor gegevensbescherming 16/EN WP 243 Beslissing ten gronde 114/2024 – 33/71 tijdregistratie van werknemers aanzienlijke risico's met zich kan meebrengen voor de privacy van betrokkenen, zoals het hoog risico op onbevoegde toegang, hacking en identiteitsdiefstal. Gelet op het bovenstaande oordeelt de Geschillenkamer dat de eerste verweerster een GEB had moeten uitvoeren waardoor er sprake is van een inbreuk op artikel 35 AVG. II.10. Doorgifte naar derde landen of internationale organisaties (hoofdstuk V AVG) t.a.v. de eerste verweerster II.10.1. Vaststellingen in het Inspectieverslag 132. De Inspectiedienst stelt vast dat uit de stukken blijkt dat de gebruikte servers zich alleen op Belgisch grondgebied bevinden. Ook de eerste verweerster stelt in haar antwoord en register van verwerkingsactiviteiten dat er geen doorgiften plaatsvinden. Templates kunnen volgens het antwoord van de tweede verweerster ook niet door de eerste verweerster worden geëxtraheerd, wat het risico van een eventuele doorzending van deze bestanden door de eerste verweerster lijkt uit te sluiten. Bijgevolg concludeert de Inspectiedienst dat er geen aanwijzingen zijn voor eventuele doorgiften van biometrische gegevens naar derde landen of internationale organisaties. II.10.2. Beoordeling door de Geschillenkamer 133. Zoals reeds gesteld heeft de Inspectiedienst geen aanwijzingen omtrent eventuele doorgiften van de biometrische gegevens naar derde landen of internationale organisaties. De Geschillenkamer beschikt niet over aanwijzingen om hierover anders te oordelen. Bijgevolg stelt de Geschillenkamer vast dat er geen inbreuk is op hoofdstuk V van de AVG. II.11. Register van verwerkingsactiviteiten (artikel 30 AVG) t.a.v. de eerste verweerster II.11.1. Vaststellingen van de Inspectiedienst 134. De Inspectiedienst stelt vast dat het bezorgde register van verwerkingsactiviteiten dateert van na het eerste contact met de Inspectiedienst. De Inspectiedienst komt tot deze conclusie op basis van de volgende elementen. Het register van verwerkingsactiviteiten vermeldt het e-mailadres dataprotection@benepack.com als contactadres van de verwerkingsverantwoordelijke. Echter, dit adres werd pas aangemaakt na het eerste contact met de Inspectiedienst. Aangezien de eerste verweerster tijdens het Inspectieonderzoek aangeeft dat dit de enige versie is van het register van verwerkingsactiviteiten, concludeert de Inspectiedienst dat de eerste verweerster voorafgaand aan het Inspectieonderzoek niet beschikte over een register van Beslissing ten gronde 114/2024 – 34/71 verwerkingsactiviteiten. De Inspectiedienst stelt vast dat dit een inbreuk op artikel 30 AVG uitmaakt, aangezien de eerste verweerster minstens ten aanzien van de verwerkingen betreffende haar personeel een register van verwerkingsactiviteiten moet bijhouden. De verwerkingen kunnen immers niet als incidenteel in de zin van artikel 30.5 AVG beschouwd worden. Bovendien verwerkt de eerste verweerster bijzondere categorieën van persoonsgegevens en strafrechtelijke gegevens, zo stelt de Inspectiedienst vast. 135. Bovendien is het register van verwerkingsactiviteiten volgens de vaststellingen van de Inspectiedienst op verschillende punten gebrekkig. De CEO en de HR-manager van de eerste verweerster worden als functionaris voor gegevensbescherming voorgesteld (artikel 30.1.
  26. a)AVG). De verwerkingsdoeleinden in het register van verwerkingsactiviteiten wijken op verschillende punten af van de verwerkingsdoeleinden die voor deze verwerkingen zijn opgenomen in het arbeidsreglement (versie juni 2022) (artikel 30.1.
  27. b)AVG). De tien categorieën van persoonsgegevens die voorkomen in het arbeidsreglement (versie juni 2022) zijn niet of niet volledig terug te vinden in het verwerkingsregister (artikel 30.1.
  28. c)AVG) en interne medewerkers worden als verwerker voorgesteld terwijl bijvoorbeeld de verwerker voor het biometrisch tijdsregistratiesysteem onvermeld blijft (artikel 30.1.
  29. d)AVG). II.11.2. Beoordeling door de Geschillenkamer 136. Krachtens artikel 30 AVG moet elke verwerkingsverantwoordelijke een register bijhouden van de verwerkingsactiviteiten die onder zijn verantwoordelijkheid worden uitgevoerd. Artikel 30.1,
  30. a)-
  31. g)AVG bepaalt dat, met betrekking tot de in de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke verrichte verwerkingen, de volgende informatie beschikbaar moet zijn:
  32. a)de naam en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en eventuele gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke en van de functionaris voor gegevensbescherming;
  33. b)de verwerkingsdoeleinden;
  34. c)een beschrijving van de categorieën van betrokkenen en van de categorieën van persoonsgegevens;
  35. d)de categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, onder meer ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
  36. e)indien van toepassing, doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie, met inbegrip van de vermelding van dat derde land of die Beslissing ten gronde 114/2024 – 35/71 internationale organisatie en, in geval van de in artikel 49, lid 1, tweede alinea AVG, bedoelde doorgiften, de documenten inzake de passende waarborgen;
  37. f)indien mogelijk, de beoogde termijnen waarbinnen de verschillende categorieën van gegevens moeten worden gewist;
  38. g)indien mogelijk, een algemene beschrijving van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 32.1 AVG. 137. Voor wat betreft de naam en contactgegevens van de functionaris voor de verwerkingsverantwoordelijke (artikel 30.1.
  39. a)AVG) stelt de Geschillenkamer, overeenkomstig het Inspectieverslag, vast dat het register van verwerkingsactiviteiten inderdaad de gegevens van de CEO en de HR-manager vermeldt bij de functionaris voor gegevensbescherming. 138. Voor wat betreft de verwerkingsdoeleinden (artikel 30.1.
  40. b)AVG), stelt de Geschillenkamer vast dat de doeleinden die zijn opgenomen in het register van verwerkingsactiviteiten, niet overeenstemmen met de doeleinden opgenomen in het arbeidsreglement (versie juni 2022). Het register van verwerkingsactiviteiten vermeldt als verwerkingsdoeleinde voor de vingerafdruk: “wordt geregistreerd voor de tijdregistratie. Op begin en einde van de werkdag dienen de werknemers in en uit te tikken d.m.v. vingerafdruk”. Het arbeidsreglement (versie juni 2022) vermeldt niet alleen tijdsregistratie, maar ook fraudebestrijding en veiligheid van de personeelsleden. Ook voor wat betreft de camerabewaking stelt de Geschillenkamer een discrepantie vast tussen verwerkingsactiviteiten stelt de verwerkingsdoeleinden. “veiligheid en gezondheid” Het register voorop, terwijl voor het arbeidsreglement (juni 2022) “controle op de werkplek: om de veiligheid van al het personeel te garanderen, bestrijding van mogelijke fraude, misdrijven en mogelijke inbreuken door derden; en bescherming van bedrijfsactiva” als verwerkingsdoeleinden vooropstelt. 139. Voor wat betreft de categorieën van persoonsgegevens (artikel 30.1.
  41. c)AVG) stelt de Geschillenkamer vast dat het arbeidsreglement verschillende categorieën van verwerkte persoonsgegevens vermeldt, die niet opgenomen zijn in het register van verwerkingsactiviteiten. Het betreft volgende categorieën: contactgegevens van eventuele contactpersonen in noodgevallen, (vroegere
  42. en)huidige functie van de betrokkenen bij de eerste verweerster, salaris bonus en voordelen, bedrijfsmiddelen in het bezit van de betrokkene (mobiele telefoon, bedrijfsauto, laptop etc.), informatie over de betrokkene in het kader van prestatiebeheer, leren en ontwikkeling, gezondheid op het werk en arbeidsongevallen, informatie die door de betrokkene of over de betrokkene is verstrekt in het kader van de interne klokkenluidersprocedure en tot slot informatie over bepaalde overtredingen, bijvoorbeeld verkeersongevallen waardoor de betrokkene of de eerste verweerster aansprakelijk kan worden gesteld. De categorieën “beeldopnamen door het gebruik van bewakingscamera’s en door de betrokkene of over de betrokkene verstrekte Beslissing ten gronde 114/2024 – 36/71 informatie in het kader van pensioenrekeningen, pensioenen, hospitalisatieverzekering en andere uitkeringsinformatie” zijn onvolledig opgenomen in het register van verwerkingsactiviteiten. 140. Tot slot stelt de Geschillenkamer vast dat de tweede verweerster in haar hoedanigheid van verwerker in het kader van het biometrisch tijdsregistratiesysteem niet wordt vermeld als ontvanger in het register voor verwerkingsactiviteiten (artikel 30.1.
  43. d)AVG). 141. Om de in de AVG vervatte verplichtingen doeltreffend te kunnen toepassen, is het van essentieel belang dat de verwerkingsverantwoordelijke (en de verwerkers) een overzicht hebben van de verwerkingen van persoonsgegevens die zij uitvoeren. Dit register is dan ook in de eerste plaats een instrument om de verwerkingsverantwoordelijke te helpen bij de naleving van de AVG voor de verschillende gegevensverwerkingen die zij uitvoert. De Geschillenkamer is van oordeel dat het verwerkingsregister een essentieel instrument is in het kader van de reeds vermelde verantwoordingsplicht (artikel 5.2 en artikel 24.1 AVG) en dat dit register ten grondslag ligt aan alle verplichtingen die de AVG aan de verwerkingsverantwoordelijke oplegt. Het is dan ook van belang dat het register volledig en juist is. 142. De Geschillenkamer oordeelt dat het verwerkingsregister dat werd overgemaakt door de eerste verweerster onvolledig en deels onjuist is, zoals vastgesteld in het Inspectieverslag. In dit kader merkt de Geschillenkamer op dat, hoewel de eerste verweerster weliswaar momenteel stappen onderneemt om deze inbreuken recht te zetten, er te weinig inspanningen zijn geleverd om het verwerkingsregister op punt te stellen zoals bepaald in artikel 30 AVG. Aldus oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een inbreuk op artikel 30.1. a),
  44. b)c),
  45. d)AVG. II.12. Verantwoordingsplicht (artikel 5.2 AVG) van de eerste verweerster 143. De Geschillenkamer herinnert eraan dat elke verwerkingsverantwoordelijke de grondbeginselen inzake de bescherming van persoonsgegevens zoals begrepen in artikel 5.1 AVG moet naleven en dat moet kunnen aantonen. Dat vloeit voort uit de verantwoordingsplicht in artikel 5.2 van de AVG juncto artikel 24.1 van de AVG zoals bevestigd door de Geschillenkamer.25 144. Op basis van de artikelen 24 en 25 van de AVG moet de verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen nemen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking plaatsvindt conform de AVG. Hij moet daarbij de gegevensbeschermingsbeginselen doeltreffend uitvoeren, de rechten van de betrokkenen 25 Beslissing ten gronde 34/2020 van 23 juni 2020 beschikbaar https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/professioneel/publicaties/beslissingen. via de webpagina Beslissing ten gronde 114/2024 – 37/71 beschermen alsook alleen persoonsgegevens verwerken die noodzakelijk zijn voor elk specifiek doel van de verwerking. 145. In het kader van zijn onderzoek heeft de Inspectiedienst beoordeeld in welke mate de eerste verweerster de nodige technische en organisatorische maatregelen heeft genomen om te voldoen aan deze beginselen uit artikel 5.1 AVG en in het bijzonder de beginselen van rechtmatigheid en transparantie, doelbinding, minimale gegevensverwerking en opslagbeperking (zie II.1-II.6). 146. Verder stelt de Geschillenkamer vast dat uit de omschrijving van de getroffen beveiligingsmaatregelen onder onderdeel II.8 niet blijkt hoe een adequaat toezicht op deze maatregelen wordt georganiseerd, noch wordt gespecifieerd in welke mate er door de eerste verweerster wordt geverifieerd of de maatregelen doeltreffend zijn en hoe frequent dit nagegaan wordt. Tot slot is er ook geen beleid opgesteld voor het doeltreffend behandelen van informatieveiligheidsincidenten. De Geschillenkamer is van oordeel dat het gevoelige karakter van de door de eerste verweerster op grote schaal verwerkte biometrische gegevens, haar er al eerder had moeten toe aanzetten de bovengenoemde beginselen van de AVG beter na te leven (waaronder gegevensbeveiliging), met name door het anticiperen op de risico's die aan dergelijke inbreuken zijn verbonden. 147. Uit het bovenstaande blijkt dat de installatie en ingebruikneming van het systeem van tijdsregistratie via biometrische gegevens erop wijst dat de technische en organisatorische maatregelen niet geschikt waren om de naleving van de grondbeginselen van de AVG te waarborgen, en meer bepaald de beginselen van rechtmatigheid, doelbinding, transparantie en dataminimalisatie. De eerste verweerster, als verwerkingsverantwoordelijke, heeft geen of onvoldoende passende maatregelen getroffen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de litigieuze verwerking in overeenstemming met de AVG is uitgevoerd, hetgeen leidt tot een schending van artikel 5.2 AVG. II.13. Artikel 28.3 AVG t.a.v. de tweede verweerster II.13.1. Vaststellingen in het Inspectieverslag 148. De Inspectiedienst stelt in zijn verslag vast dat de verwerkingsovereenkomst tussen de eerste en de tweede verweerster niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 28.3 AVG, aangezien deze enkel een omschrijving van de algemene beveiligingsmaatregelen zou bevatten, en geen gedetailleerde omschrijving die is toegespitst op de hoge veiligheidsvereisten bij de verwerking van biometrische gegevens. De verwerkingsovereenkomst zelf herneemt volgens de Inspectiedienst enerzijds de wettelijke bepalingen uit artikel 32.1 AVG en verwijst naar de bijlage voor meer details. Deze bijlage B bevat volgens de Inspectiedienst een concrete, maar nog steeds summiere en onvoldoende op de specifieke aard van de verwerkte gegevens toegespitste omschrijving. Deze Beslissing ten gronde 114/2024 – 38/71 algemeenheid en beperkte graad van detail in de bijlage B, laat niet toe om uitsluitsel te krijgen over bijvoorbeeld het toegepaste niveau van versleuteling van de ruwe of als template bewaarde biometrische gegevens, het gebruik van een verificatiefunctie, dan wel identificatiefunctie in de vergelijkingsfase van het biometrisch authenticatieproces, het door de verwerker gebruikte systeem voor de verwijdering en vernietiging van de biometrische gegevens na afloop van de bewaartermijn, en de precieze modaliteiten van het door de verwerker toegepaste logisch en fysiek toegangsbeleid. 149. De verwerkingsovereenkomst is volgens het Inspectieverslag verder ook gebrekkig voor wat betreft de in artikel 28.3 AVG voorgeschreven omschrijving van de aard en het doel van de verwerking en het soort persoonsgegevens dat wordt verwerkt. 150. Voor wat betreft de aard en het doel van de verwerking, stelt de Inspectiedienst vast dat het onmogelijk is om deze na te gaan op basis van de bepalingen van de verwerkingsovereenkomst. Als enige doeleinde valt de uitvoering van het dienstencontract tussen beide verweersters af te leiden. Uit het dienstencontract zelf kan de Inspectiedienst hoogstens afleiden dat er sprake is van de verwerking van vingerafdrukken en tijdsregistratiegegevens van werknemers. De verwerkingsovereenkomst laat de Inspectiedienst niet toe duidelijkheid te verkrijgen over het soort persoonsgegevens dat door de tweede verweerster wordt verwerkt in opdracht van de eerste verweerster. De overeenkomst bevat enkel een open keuzelijst met naast de keuzelijst 20 vrij door de klant in te vullen velden. De klant heeft ook geen keuze van de te verwerken categorieën aangegeven. 151. De Inspectiedienst hecht bijzonder belang aan de rol van de verwerker bij het invullen van deze gezamenlijke verplichting uit artikel 28.3 AVG omdat de verwerker als enige van beide partijen beschikt over de technische kennis die een volledige beschrijving van de verwerking toelaat. Zonder deze volledige beschrijving kan noch de verwerkingsverantwoordelijke, noch de toezichthoudende autoriteit een correcte inschatting maken van de inhoud en de risico’s van de aan de verwerker toevertrouwde verwerking. 152. De Inspectiedienst stelt vast dat, zelfs op zijn expliciete vraag, de verwerker (de tweede verweerster) niet in staat is om een volledige technische beschrijving te bezorgen van de haar toevertrouwde verwerking. Dit blijkt uit het minimalistisch antwoord op de vraag van de Inspectiedienst over de werking van het tijdsregistratiesysteem. Vervolgens blijkt de tweede verweerster geen verdere informatie te kunnen verschaffen over bepaalde elementen zoals: de versleuteling van de ruwe biometrische gegevens en de templates, de aanwezigheid van een integriteitscontrole gekoppeld aan biometrische gegevens, precieze technische modaliteiten van de inzamelings- en vergelijkingsfase van het biometrisch authenticatieproces en de gebruikte techniek voor de verwijdering en vernietiging van de gegevens na afloop van de bewaartermijn. Beslissing ten gronde 114/2024 – 39/71 153. De Inspectiedienst verwijst in zijn verslag eveneens naar paragraaf 103 van de Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG 26 van de EDPB waarin wordt gesteld dat zowel de verwerkingsverantwoordelijke als de verwerker de verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat er een overeenkomst of een andere rechtshandeling is die de verwerking regelt. De toezichthoudende overheid kan zowel aan de verwerkingsverantwoordelijke als aan de verwerker een administratieve boete opleggen, rekening houdend met artikel 83 AVG en de individuele omstandigheden van elk geval. Overeenkomsten gesloten voor de datum van toepassing van de AVG hadden moeten worden bijgewerkt in de zin van artikel 28.3 AVG. Wanneer dit niet gebeurd is, vormt dit een inbreuk op laatstgenoemde bepaling. 154. Tenslotte, zo stelt de Inspectiedienst, trekt de tweede verweerster de juridische kwalificatie van de door haar verwerkte persoonsgegevens als biometrische persoonsgegevens (in het kader van de litigieuze verwerking) in twijfel. Nochtans verwijst de verwerkingsovereenkomst naar de biometrische templates van persoonsgegevens verwerkt door de tweede verweerster. De Inspectiedienst is niet akkoord met deze stelling. De Inspectiedienst heeft dan ook twijfels over de door de tweede verweerster getroffen technische en organisatorische maatregelen, vermits deze op basis van artikel 32.1 AVG dienen afgestemd te zijn op het verwerkingsrisico dat kennelijk door de tweede verweerster verkeerd werd ingeschat. 155. De Inspectiedienst concludeert dan ook dat de verwerkingsovereenkomst niet voldoet aan artikel 28.3 AVG, doordat de verwerkingsovereenkomst niet voldoet aan de minimale vereisten van deze bepaling, met name de omschrijving van de aard en het doel van de verwerking, het soort persoonsgegevens en de door de verwerker toegepaste technische en organisatorische maatregelen. II.13.2.Standpunt tweede verweerster 156. De tweede verweerster betoogt in haar conclusies dat zij wel in staat is om de juiste kennis over het systeem te delen. Zij heeft aan de eerste verweerster tijdig de relevante informatie verschaft. Bij contractsluiting beschikte de eerste verweerster over uitgebreide documentatie en informatie in de verwerkingsovereenkomst en beschikte zij over toegang tot het online platform, en kreeg zij ook meerdere opleidingen. Bovendien is het de eerste verweerster die op het systeem de personen gaat registreren. De verwerking van persoonsgegevens begon dus maar zodra de eerste verweerster daarmee begon. Bijgevolg kon de eerste verweerster zich alle beschikbare informatie betreffende de processen eigen maken alvorens de verwerking aan te vatten. Voor wat betreft haar minimalistisch antwoord 26 EDPB, Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG, v.2.0, 7 juli 2021, te raadplegen via https://www.edpb.europa.eu/system/files/202310/edpb guidelines 202007 controllerprocessor final nl.pdf Beslissing ten gronde 114/2024 – 40/71 aan de Inspectiedienst merkt de tweede verweerster op dat de Inspectiedienst onmiddellijk na de eerste bevraging van de tweede verweerster het onderzoek heeft afgesloten en het Inspectieverslag heeft opgemaakt; nochtans werd de eerste verweerster meer dan eenmaal bevraagd. 157. Voorts werpt de tweede verweerster op dat de Inspectiedienst een onvolledig dossier heeft samengesteld. De Inspectiedienst verwerkingsovereenkomst heeft opgevraagd, enkel bij de eerste dewelke de eerste verweerster verweerster de heeft overgemaakt, maar zonder de Z IT Guide. Deze Z IT Guide maakt als bijlage integraal deel uit van de verwerkingsovereenkomst. De tweede verweerster was niet op de hoogte van het feit dat een onvolledige verwerkingsovereenkomst werd overgemaakt en er werd haar ook niets over gevraagd. Bovendien stelt de tweede verweerster aan de kaak dat de Inspectiedienst haar niet alleen bevraagt omtrent de haar toevertrouwde verwerking, maar ook omtrent de taken en verwerkingen van de eerste verweerster. De tweede verweerster betoogt dat de Inspectiedienst haar verwijt bij gebreke aan antwoord (quod non, aldus de tweede verweerster) dat zij geen volledige technische beschrijving geeft van de verwerkingen door de eerste verweerster, wat zij ook niet hoeft te geven. De verwijzing van de Inspectiedienst naar paragraaf 103 van de Richtsnoeren 07/2020 werd pas in juli 2021 goedgekeurd, terwijl deze paragraaf nog niet aanwezig was in de versie van 2020. Hierbij is het van belang om op te merken dat de verwerkingsovereenkomst gesloten werd op 14 februari 2020. Bijgevolg kan een gebrek in antwoorden door de eerste verweerster, indien dat gebrek al zou worden vastgesteld, niet worden verweten aan de tweede verweerster maar moet de Inspectiedienst de eerste verweerster hierover bevragen. 158. Verder wijst de tweede verweerster erop dat haar wordt verweten geen informatie te verstrekken over de gebruikte techniek voor de verwijdering en vernietiging (bv. overschrijven, demagnetiseren, cryptografisch wissen etc.) van de gegevens na afloop van de bewaartermijn, met een verwijzing naar Aanbeveling 03/2020 van de GBA. De Inspectiedienst komt tot deze conclusie na een antwoord van de tweede verweerster op de vraag “Welk systeem wordt er gebruikt voor de verwijdering en vernietiging van de biometrische gegevens/templates na afloop van de bewaartermijn. Wie staat in voor deze wissing [eerste verweerster] of [tweede verweerster]?”. De tweede verweerster heeft hierop geantwoord dat er geen ruwe biometrische gegevens worden bewaard . De versleutelde templates worden opgeslagen op de ST25-terminal en in de SQL-cloud database zolang de werknemer bestaat in de SQL-cloud database. Distributie op één of meer ST25-terminals wordt uitgevoerd op basis van configuratie in de Z Web Application T&A-toepassing. Dit antwoord werd schijnbaar niet als sluitend opgevat door de Inspectiedienst, zo stelt de tweede verweerster vast. De tweede verweerster wijst erop dat de Inspectiedienst hieromtrent een bijkomende vraag had kunnen stellen, mocht deze het gegeven antwoord als onvoldoende beschouwen. Beslissing ten gronde 114/2024 – 41/71 159. De juridische kwalificatie van de gegevens verwerkt door de verwerker is een twistpunt tussen de tweede verweerster en de Inspectiedienst. De tweede verweerster meent dat zij onder Z geen biometrische gegevens en ook geen andere bijzondere categorie van persoonsgegevens verwerkt. De tweede verweerster wijst erop dat biometrische gegevens (artikel 4.14 AVG) slechts een bijzondere categorie onder artikel 9 AVG uitmaken indien zij worden verwerkt met het doel tot unieke identificatie. Op het online platform dat de tweede verweerster ter beschikking stelt, wordt geen vergelijking uitgevoerd, zo stelt de tweede verweerster. De vergelijking van de biometrische gegevens vindt alleen in de specifieke reader plaats, die gekoppeld is aan de terminals bij de klant, i.c. de eerste verweerster. Alleen de reader, als een afgescheiden module, bevat bedrijfseigen software met geheime algoritmes waarvan de werking enkel gekend is bij de leverancier van de module; de toegepaste techniek maakt een bedrijfsgeheim uit. De fabrikant onthult niet op welke wijze de templates tot stand komen, noch welke sleutel voor encryptie wordt toegepast. De fabrikant bevestigt wel dat deze nooit worden vrijgegeven. De tweede verweerster voegt hieraan toe dat het voor eenieder onmogelijk is om met de gegevens die door de biometrische reader worden vrijgegeven bij de registratie van een gebruiker een identificatie van een persoon te doen. Het enige wat het bestand mogelijk maakt, is om dit aan een reader van dezelfde fabrikant binnen het systeem terug te geven met als doel de verificatie van een identiteit (match of geen match) als antwoord te bekomen. Het enige antwoord dat een reader dus zal geven is een overeenkomst met een gekend ID of geen overeenkomst. Wie onrechtmatig het versleutelde bestand van de gegevens uit de biometrische reader kan bekomen na registratie van een gebruiker, kan met dit bestand in geen enkel ander type van biometrische tool terecht omdat men de unieke sleutel(
  46. s)niet heeft. De tweede verweerster besluit dan ook dat zij een online opslagsysteem aanbiedt, maar niet kiest welke terminals ter plaatse bij de eerste verweerster bepaalde gegevens verbonden aan biometrie opslaan, en al zeker organiseert zij niet de vergelijkingsfase op haar eigen (online) platform. Zij is enkel de dienstverlener van opslag voor een bestand waarvan niemand de ontsleuteling kan bekomen zonder dat men de reader van de fabrikant zou hacken. 160. De tweede verweerster voert eveneens aan dat het voor haar redelijkerwijze onmogelijk is om aan de informatie tot ontcijfering te geraken, waardoor zij zich de vraag stelt of de bestanden wel persoonsgegevens in de zin van artikel 4.14 AVG uitmaken. II.13.3. Beoordeling door de Geschillenkamer 161. Elke verwerking van persoonsgegevens door een verwerker moet worden beheerst door een overeenkomst of een andere rechtshandeling onder EU- of lidstaatwetgeving tussen de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker, zoals vereist bij artikel 28.3 AVG. Beslissing ten gronde 114/2024 – 42/71 162. De Inspectiedienst stelt meerdere inbreuken op artikel 28.3 AVG vast: (
  47. i)de verwerkingsovereenkomst tussen de eerste verweerster als verwerkingsverantwoordelijke en de tweede verweerster als verwerker voldoet niet aan de vereisten ex artikel 28.3 AVG, in het bijzonder voor wat betreft de minimale vereisten inzake de omschrijving van de aard en het doel van de verwerking, het soort persoonsgegevens en de door de verwerker toegepaste en technische en organisatorische maatregelen; (
  48. ii)het niet-voldoen aan de verplichtingen in hoofde van de tweede verweerster in het kader van artikel 28.3 AVG gelet op het feit dat zij als enige beschikte over technische kennis over het systeem en desondanks de verwerking onvoldoende zou hebben beschreven en tot slot de juridische kwalificatie van biometrische gegevens in twijfel zou trekken. (
  49. i)Omschrijving aard en doel van de verwerking, soort persoonsgegevens en de toegepaste technische en organisatorische maatregelen 163. Ten eerste beoordeelt de Geschillenkamer in hoeverre de verwerkingsovereenkomst tussen de eerste verweerster als verwerkingsverantwoordelijke en de tweede verweerster als verwerker voldoet aan de vereisten ex artikel 28.3 AVG, in het bijzonder voor wat betreft de minimale vereisten inzake de omschrijving van de aard en het doel van de verwerking, het soort persoonsgegevens en de door de verwerker toegepaste en technische organisatorische maatregelen.27 164. De Geschillenkamer stelt vast dat de verwerkingsovereenkomst bestaat uit meerdere delen, zoals aangegeven in de conclusies van de tweede verweerster, de hoofdovereenkomst zelf met 2 bijlagen (Enclosure 1 en Enclosure 2). Bij Enclosure 2 aan de hoofdovereenkomst, behoorden opnieuw 2 annexen, namelijk de Attachment 1: “Z IT Guide” en Attachment 2 ”Data processing agreement”, met daarbij opnieuw 3 bijlagen: Attachment A (desciption of the processing), Attachment B (technical en organizational security measures) en Attachment C (subprocessors). 165. Verwijzend naar de Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG 28 herinnert de Geschillenkamer eraan dat de verwerkingsovereenkomst o.a. de volgende elementen moet omvatten: omschrijving van de aard en het doel van de verwerking, en het soort persoonsgegevens. Voor wat betreft de aard en het doel van de verwerking stelt de EDPB dat deze beschrijving zo volledig mogelijk dient te zijn, afhankelijk van de specifieke verwerkingsactiviteit zodat externe partijen (zoals een toezichthoudende overheid) de inhoud en de risico’s van de aan 27 28 Zie vaststelling 12 van het Inspectieverslag. EDPB, Richtsnoeren 7/2020 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG v2.0, dd. 7 juli 2021, te raadplegen via https://edpb.europa.eu/sites/default/files/consultation/edpb guidelines 202007 controllerprocessor en.pdf. Beslissing ten gronde 114/2024 – 43/71 de verwerker toevertrouwde verwerking kunnen begrijpen. 29 De “desciption of the processing” zoals bepaald in Attachment 2 van de verwerkingsovereenkomst bepaalt dat de overeenkomst betrekking heeft op persoonsgegevens en gevoelige het opslaan van verschillende gegevens. Op indirecte wijze categorieën kan uit de verwerkingsovereenkomst met alle bijlagen worden afgeleid dat er sprake is van de verwerking van vingerafdrukken en tijdsregistratie van werknemers, namelijk uit Enclosure 1 bij de verwerkingsovereenkomst waarin melding wordt gemaakt van Fingerprint licenses en waarin wordt vermeld dat alle informatie die wordt aangebracht door de klant (i.c. de verwerkingsverantwoordelijke) met betrekking tot de tijdsregistratie voor een bepaalde periode wordt opgeslagen in de database van Z. 166. De EDPB stelt dat de soorten persoonsgegevens zo gedetailleerd

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.