1/16 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 118/2022 van 27 juli 2022 Dossiernummer: DOS-2021-01011 Betreft: Klacht tegen een OCMW wegens onrechtmatige verzameling van ontoereikende persoonsgegevens De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Jelle Stassijns; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klaagster: X, […], hierna “de klaagster”, vertegenwoordigd door meester Luc Coucke, optredend als bewindvoerder, gevestigd te Cordoeaniersstraat 17 – 8000 Brugge, hierna “de bewindvoerder” De verweerder: Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn “Y”, […], vertegenwoordigd door meester Wouter Rubens en meester Willem Mariën, optredend voor ‘GD&A Advocaten’, met kantoren te Antwerpsesteenweg 16-18 – 2800 Mechelen, hierna “de verweerder” Beslissing ten gronde 118/2022 – 2/16 I.
- Feiten en procedure Het voorwerp van de klacht betreft de onrechtmatige verzameling van ontoereikende persoonsgegevens betreffende klaagster, in het kader van haar opname in het Woonzorgcentrum “Z” (hierna, ‘het WZC’), gelegen te […].
- In oktober 2020 initieert […], directeur Burger & Welzijn, verbonden aan het OCMW “Y” (hierna, ‘het OCMW’) een procedure tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder voor zowel het vermogen als de persoon van X. Bij beschikking van 30 oktober 2020 spreekt de vrederechter van het derde kanton […] beschermingsmaatregelen uit, overeenkomstig artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek. Meester Luc Coucke wordt als bewindvoerder en vertrouwenspersoon aangesteld ten aanzien van X. Sindsdien treedt hij dus in deze hoedanigheid op in naam en voor rekening van klaagster.
- Op 10 november 2020 vraagt de bewindvoerder aan de Sociale dienst van het OCMW om een stand van zake met betrekking tot de aanvraag voor een zorgbudget voor zwaarzorgbehoevenden. Diezelfde dag antwoordt het OCMW dat er, ingeval er onvoldoende inkomsten zijn voor een opname in een rusthuis, een aanvraag borgstelling dient te gebeuren waarbij een overzicht van de inkomsten moet worden verstrekt. Op 11 november 2020 laat de bewindvoerder aan de hand van rekeninguittreksels weten dat er ten gevolge van huurinkomsten en ziekte uitkeringen voldoende geld is om de borg te betalen.
- Op 8 december 2020 dient de bewindvoerder een aanvraag in bij het WZC, waarin hij verzoekt dat X zou worden opgenomen in het centrum en aangeeft dat er voldoende inkomsten zijn, waardoor een borgstelling van het OCMW volgens hem niet nodig is. De sociale dienst van het OCMW laat evenwel het volgende gelden (eigen onderlijning): “Indien een persoon definitief wordt opgenomen in [ het woonzorgcentrum […] ] en onder bewindvoering staat, dient ons centrum een borgstelling af te leveren. Dit is één van de interne regels tussen het woonzorgcentrum en het OCMW. Is het mogelijk om ons de volgende zaken te bezorgen zodat wij het dossier aan het comité kunnen voorleggen? U dient ons volgende bewijsstukken te bezorgen: De rekeninguittreksels van alle rekeningen (zicht- en spaarrekeningen) van de laatste 6 maanden met daarin een vermelding van allé inkomsten Een stand van zaken van de financiële reserves (spaargelden, beleggingen,...) Bewijs indien betrokkene eigendommen heeft Kopie van de identiteitskaart Eventuele gegevens van de kinderen Naam huisarts Kennisgeving indien betrokkene in de afgelopen 10 jaar middelen heeft verworven uit schenkingen, verkoop van eigendommen,....” Tevens verzoekt het OCMW om verduidelijking over wat er bedoeld wordt met de inkomsten uit huur uit het onroerend goed en de kosten die hiermee gepaard gaan; hoeveel eigendommen klaagster bezit, en hoeveel huurinkomsten deze eigendommen genereren. De opgevraagde bewijsstukken dienen voor 14 december 2020 bezorgd te worden. Beslissing ten gronde 118/2022 – 3/16
- Op de vraag van de bewindvoerder of een borgstelling vereist is indien er voldoende financiële middelen zijn, gelet op het reeds gevoegde overzicht van inkomsten, antwoordt de verweerder op 8 december 2020 wederom dat er bij bewindvoering een borgstelling nodig is, “ongeacht [of] er voldoende of onvoldoende middelen zijn”
- Op 15 december 2020 wordt de bewindvoerder per brief uitgenodigd op een hoorzitting aangaande de opname van de klaagster. Het OCMW deelt hem tevens mee dat er geen sociaal onderzoek kon worden uitgevoerd binnen de termijn van 30 dagen, aangezien het OCMW de ontbrekende stukken niet mocht ontvangen binnen voormelde termijn. Dientengevolge wordt het dossier verdaagd naar het Bijzonder comité van de sociale dienst van het OCMW “Y” (hierna, ‘het Bijzonder comité’) van 11 januari
- Tot slot wordt de bewindvoerder in kennis gesteld dat het Bijzonder comité de vereiste borgstelling zal weigeren indien de ontbrekende stukken tegen die datum niet worden overgemaakt aan het OCMW.
- Op 15 december 2020 wordt er door de Autonome vereniging […] een verblijfsattest afgeleverd, volgens hetwelk de klaagster diezelfde dag werd opgenomen in het WZC
- Op 16 december 2020 bezorgt de bewindvoerder een overzicht en historiek van vier bankrekeningen op naam van klaagster, het huurcontract voor levenslange huur, een aanslagbiljet, en het bewijs van eigendom van een onroerend goed. Hij verzoekt eveneens de uitoefening van het recht van inzage overeenkomstig artikel 15 AVG
- Op 18 december 2020 vraagt het OCMW om aanvullende informatie over de financiële situatie van klaagster, waarop de bewindvoerder op 20 december 2020 antwoordt met de laatste fiscale aanslag van klaagster in bijlage en wederom aangeeft als bewindvoerder het recht van inzage te willen uitoefenen in naam van klaagster.
- Op 24 december 2020 wordt de bewindvoerder in kennis gesteld dat het Bijzonder comité van 21 december 2020 besloten heeft om het dossier van klaagster te verdagen naar het Bijzonder comité van 11 januari 2021, tijdens dewelke de bijkomende stukken die de bewindvoerder op 16 december 2020 bezorgde verder bekeken zullen worden, omdat het sociaal onderzoek niet tijdig kon gebeuren.
- Op 5 januari 2021 laat de bewindvoerder per e-mail aan […] weten dat hij niet instemt met de beslissing genomen door het Bijzonder comité. Hij houdt met name voor dat het intern reglement tussen het OCMW en het WZC hem niet tegenstelbaar is, dat de vraag om de rekeninguittreksels van de laatste zes maanden van alle rekeningen mee te delen disproportioneel is, en dat er bovendien geen enkele reden is om verregaande informatie op 1 Stuk 6 gevoegd door de verweerder bij de conclusies van antwoord. 2 Stuk 1 gevoegd door de klager. 3 Stuk 8 gevoegd door de verweerder bij de conclusies van antwoord. Beslissing ten gronde 118/2022 – 4/16 te vragen indien een borgstelling gevraagd wordt bij een bank naar keuze. Tot slot vraagt de bewindvoerder om hem mede te delen wat de toepasselijke rechtsgrond is voor het opvragen van informatie betreffende klaagster, alsmede de noodzakelijkheid en relevantie van deze informatie toe te lichten gelet op het beginsel van minimale gegevensverwerking.
- Op 11 januari 2021 laat het Bijzonder comité gelden dat het OCMW de financiële situatie van klaagster heeft onderzocht “naar aanleiding van de aanvraag voor een borgstelling op 8/12/2020” door de bewindvoerder, in het kader van de opname van klaagster in het WZC “Z”. Het Bijzonder comité houdt voor dat een belangrijk onderdeel van het maandelijks inkomen van klaagster uit huurinkomsten bestaat, “wat een onzekere factor is”. Daarenboven werpt het Bijzonder Comité op dat een voorlopige bewindvoering ophoudt bij overlijden, en de laatste verblijfsfacturen alsook een eventuele begrafenisfactuur op dat moment nog onbetaald zijn. Bijgevolg beslist het Bijzonder comité om over te gaan tot een “passieve borgstelling ism de voorlopige bewindvoering”, waarbij een opname in het WZC slechts mogelijk is op voorwaarde dat de bewindvoerder een borg blokkeert van 5.000 EUR bij een bank naar keuze, de officiële bankdocumenten hiervan bezorgd worden aan het OCMW, en de factuur van het WZC maandelijks betaald wordt met de inkomsten en spaargelden van klaagster.
- Op 14 januari 2021 ontvangt de bewindvoerder een e-mail van de functionaris voor gegevensbescherming (FG) van de gemeente […]. Deze houdt voor dat een woon- en zorgcentrum een borgstelling mag vragen aan het OCMW in het kader van een opname, indien er kans bestaat dat de facturen niet betaald zouden worden en zelfs indien er maandelijks voldoende middelen zijn om de opnamefacturen te betalen. Aangezien een bewindvoerder werd aangesteld, bestaat namelijk het risico dat deze zijn mandaat niet verlengt na overlijden van de aanvrager, waardoor alle betalingen gestaakt worden en de mogelijkheid bestaat van een onbeheerde nalatenschap. Gelet op de kosten en de tijd die gepaard gaan met de aanstelling van een curator, wenst het WZC zich hiertegen in te dekken door een borgstelling te vereisen. Voorts stelt de FG dat het OCMW verplicht is een sociaalfinancieel onderzoek te voeren vermits er voor de opname in het WZC een borgstelling gevraagd wordt. De FG laat tevens gelden dat het verlenen van een borgstelling en het tussenkomen in facturen van woon- en zorgcentra essentiële onderdelen zijn van de taak die het OCMW te vervullen heeft. De kernopdracht van het OCMW, zoals vervat in artikelen 1 en 60 van de OCMW-wet, houdt immers in dat het OCMW moet nagaan of een eventuele tussenkomst gegrond is, onder meer door het opvragen van rekeninguittreksels, teneinde waakzaam te zijn over de besteding van gemeenschapsmiddelen. Kortom, de FG houdt voor dat de verwerking van persoonsgegevens van klaagster door het OCMW gegrond is op artikel 6.1.c AVG. Beslissing ten gronde 118/2022 – 5/16
- Op 27 januari 2021 ondertekenen het OCMW en de bewindvoerder een overeenkomst tot het blokkeren van gelden bij de bank […].
- Op 18 februari 2021 dient de bewindvoerder namens klaagster een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de handelswijze van het OCMW “Y” en het WZC “Z”, en deelt hij de contactgegevens mee van het gemeentebestuur en de functionaris voor gegevensbescherming van de gemeente […]. Diezelfde dag vraagt de Eerstelijnsdienst van de GBA om verduidelijking omtrent de entiteit tegen dewelke de klacht is gericht.
- Op 23 april 2021 bevestigt de bewindvoerder dat de klacht gericht is tegen het OCMW “Y”. Diezelfde dag wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG, en wordt de klacht op grond van art. 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
- Op 12 juli 2021 beslist de Geschillenkamer op grond van art. 95, § 1, 1° en art. 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde, en worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in art. 98 WOG. Tevens worden zij op grond van art. 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd daarbij vastgelegd op 6 september 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klaagster op 27 september 2021 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 18 oktober
- Op 12 juli 2021 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (art. 95, § 2, 3° WOG), dewelke hem dezelfde dag wordt overgemaakt. I.
- Conclusie van antwoord van de verweerder
- Op 6 september 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerder, die de Geschillenkamer verzoekt om de klacht van de bewindvoerder af te wijzen.
- Allereerst verklaart de verweerder dat het WZC beheerd wordt door de Autonome vereniging […], en dus geen woonzorgcentrum is in het beheer van het OCMW. De verweerder laat eveneens gelden dat het verlangen van een borgstelling voorafgaand aan een opname zowel blijkt uit het interne-/huishoudelijke reglement van het WZC als de opnameovereenkomst die aan de klaagster door het WZC is voorgelegd. Onder de afdeling opnemingsvoorwaarden van de interne afsprakennota, wordt namelijk het onderstaande bepaald: “De personen die een aanvraag tot opname indienen, moeten aan de volgende vereisten voldoen: - De leeftijd van 65 jaar bereikt hebben. Dit kan besproken worden. Beslissing ten gronde 118/2022 – 6/16 - Een medisch of verpleegkundig verslag omtrent hun algemene toestand bezorgen. - Het afsluiten van een borgstellingsregeling voor de betaling van het verblijf in het WZC. Dit kan via een onderhandse borgstellingsovereenkomst of via een OCMWborgstelling. Elke aanvraag tot opneming wordt individueel onderzocht en behandeld door de sociale dienst van het WZC. Dit gebeurt via een persoonlijk gesprek met de sociale dienst.”
- De opnameovereenkomst tussen het WZC en toekomstige bewoners voorziet eveneens in het volgende (eigen onderlijning): “Artikel 16 Er wordt een waarborg gevraagd van 30 keer de dagprijs. Vóór de opnamedatum dient dit via een overschrijving op het rekeningnummer […] van Autonome vereniging […] gestort worden. De waarborg wordt door het WZC op een gepersonaliseerde en een geblokkeerde rekening gestort en wordt enkel maar gebruikt om eventuele schadevergoedingen voor opzettelijk veroorzaakte schade te betalen of wanneer de bepalingen in de overeenkomst niet nageleefd worden. […] Artikel 17 Borgstelling: De bewoner verklaart hierbij over voldoende middelen en vermogen te beschikken om maandelijks de vastgestelde dagprijs voor het verblijf, de verzorging en eventuele supplementen te vergoeden aan WZC “Z”. Daarnaast wordt een afzonderlijke borgstellingsovereenkomst gesloten waarbij partijen overeenkomen dat wanneer de schuldenaar/bewoner zijn verbintenissen voortspruitend uit de voorliggende opnameovereenkomst niet zou naleven, de borg, wat deze laatste uitdrukkelijk aanvaardt, hiertoe eenzijdig, hoofdelijk en ondeelbaar gehouden zal zijn. De bewoner verklaart hierbij niet over voldoende middelen en vermogen te beschikken om maandelijks de vastgestelde dagprijs voor het verblijf, de verzorging en eventuele supplementen te vergoeden WZC “Z” en dat een borgstelling van het OCMW “Y” verkregen is.”
- De verweerder benadrukt dat hij geenszins instaat voor (de inhoud van) deze beleidsdocumenten, en werpt op dat het aandringen van het WZC op een borgstelling door het OCMW voortvloeit uit enkele negatieve ervaringen uit het verleden met bewindvoerders. De verweerder stelt dat de bewindvoerder een aanvraag tot borgstelling indiende bij het OCMW, dat op zijn beurt gehouden was om hieromtrent een sociaalfinancieel onderzoek te voeren.
- Verder verklaart de verweerder dat het voor hem niet duidelijk was of het overmaken van rekeninguittreksels vanwege de bewindvoerder, alsmede de mededeling dat ( i ) hieruit een totaalinkomen van €2.003,30 blijkt, ( ii ) er gelden voorhanden zijn om de borg te betalen en Beslissing ten gronde 118/2022 – 7/16 ( iii ) er geen financiële problemen verwacht worden, als een formele aanvraag voor een borgstelling kon worden aangezien.
- Ook benadrukt de verweerder dat, niettegenstaande het uitgebreid antwoord van de FG van […] d.d. 14 januari 2021 alsook het feit dat de noodzakelijke borgstelling uiteindelijk werd afgeleverd aan klaagster en zij op heden is opgenomen in het WZC “Z”, de bewindvoerder zonder voorafgaande reactie richting de verweerder een klacht indiende bij de GBA.
- De verweerder stelt dat de klacht erg summier is en op geen enkel ogenblik inzichtelijk maakt om welke redenen ongenoegen kon genomen worden met het antwoord d.d. 14 januari 2021 van de FG van […], met als gevolg dat de rechten van verdediging van de verweerder ernstig in gedrang worden gebracht.
- Daarnevens houdt de verweerder voor dat hij nooit uit eigen beweging de bewindvoerder heeft verzocht om bepaalde stukken en aanvullende informatie over de sociale en financiële toestand van klaagster te verstrekken met oog op haar opnamen in het WZC. In het bijzonder stelt de verweerder dat de bewindvoerder zich vrijwillig heeft gewend tot de verweerder omdat het WZC een (OCMW-)borgstelling vereist als conditio sine qua non voor een opname van de klaagster. Gelet op het feit dat de bewindvoerder namens de klaagster een aanvraag tot borgstelling heeft ingediend bij het OCMW, was dat laatste dus gerechtigd om een onderzoek te voeren met betrekking tot de sociale en financiële toestand van de klaagster.
- De verweerder houdt eveneens voor, verwijzend naar artikel 60, § 1 van de OCMW-wet4 alsmede de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof 5, dat het OCMW middels een sociaal onderzoek dient na te gaan of de behoefte aan dienstverlening (in casu, de gevraagde borgstelling) bestaat en welke de omvang ervan is, waarbij dit onderzoek het OCMW er desgevallend toe moet kunnen brengen de verzochte dienstverlening te weigeren wanneer de aanvrager niet beantwoordt aan de voorwaarden om ze te genieten.
- Betreffende de aard en omvang van de opgevraagde persoonsgegevens, laat de verweerder gelden dat de verplichting voor klaagster om “elke nuttige inlichting nopens haar toestand” te verstrekken aan het OCMW ook slaat op haar financiële achtergrond.
- Samenvattend stelt de verweerder dat de verwerking van de opgevraagde persoonsgegevens over klaagster wel degelijk noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan zijn uit artikel 60 van de OCMW-wet voortvloeiende wettelijke verplichtingen. 4 Artikel 60 van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, B.S., 5 augustus 1976: “§
- De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien. De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend […].” (eigen onderlijning). 5 GwH 1 oktober 2015, nr. 131/2015; GwH 1 oktober 2015, nr. 133/2015; GwH 18 mei 2017, nr. 61/
- Beslissing ten gronde 118/2022 – 8/16
- Tenslotte stelt de verweerder ten aanzien van de overige beginselen van artikel 5 AVG dat de door de bewindvoerder aangeklaagde gegevensverwerkingen gerechtvaardigd zijn, vermits deze telkens noodzakelijk waren om het vooropgestelde doeleinde te bereiken, nooit verder gingen dan wat noodzakelijk of proportioneel was, en bovendien in de lijn der redelijke (privacy-)verwachtingen lagen. I.
- Conclusie van repliek van de bewindvoerder, namens de klaagster
- Op 26 september 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de bewindvoerder van de klaagster.
- De bewindvoerder houdt allereerst voor dat het OCMW, niettegenstaande er volgens hem werd aangetoond dat de klaagster eigenares was van een onroerend goed en het overzicht van de rekeningen werden meegedeeld, bleef aandringen op voorlegging van onder meer de gegevens van de kinderen, de naam van de huisarts, evenals kennisgeving van alle middelen die in de afgelopen 10 jaar werden aangeworven uit schenkingen, verkoop van eigendommen en andere.
- Voorts weerlegt de bewindvoerder dat hij zich vrijwillig zou hebben aangeboden bij het OCMW om een borgstelling aan te vragen, aangezien het WZC een borgstelling vereist in samenwerking met het OCMW en de beslissing van dat laatste bovendien uitdrukkelijk stelt dat het OCMW een borgstelling dient af te leveren indien een persoon definitief wordt opgenomen in het WZC “Z” en onder bewindvoering staat, ten gevolge van één van de interne regels tussen het WZC en het OCMW “Y”. Kortom, de bewindvoerder stelt dat er helemaal geen tussenkomst van het OCMW nodig was, en evenmin een sociaal en financieel onderzoek, vermits het OCMW reeds op de hoogte was dat er voldoende financiële middelen waren en het OCMW aldus geen steun diende te verlenen.
- De bewindvoerder betwist eveneens het argument van de verweerder dat een borgstelling noodzakelijk is omdat de klaagster onder bewindvoering staat. Het is volgens hem vooreerst niet juist dat betalingen gestaakt worden bij overlijden, vermits de kosten van laatste ziekte en verblijf door de banken betaald worden, ongeacht of de overledene onder bewind stond of niet. Verder verwijst de bewindvoerder naar de specifieke borgstelling van 5.000 EUR gesloten tussen het OCMW en de klaagster, alsook naar het feit dat artikel 499/19 BW uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid voor elke belanghebbende om na het overlijden van de beschermde persoon een verzoek te richten aan de vrederechter teneinde de bewindvoerder te machtigen om diens opdracht tot uiterlijk 6 maanden na het overlijden uit te oefenen. Dienovereenkomstig laat de bewindvoerder gelden dat het onderscheid door het OCMW tussen een persoon die onder bewind staat of niet geenszins te verrechtvaardigen is. De OCMW-wet voorziet nergens in de voorwaarde dat de klaagster een borgstelling moet bekomen om te kunnen worden opgenomen in een WZC, noch dat er Beslissing ten gronde 118/2022 – 9/16 sociaal en financieel onderzoek vereist is indien er voldoende financiële middelen voorhanden zijn. Integendeel zelfs, de OCMW-wet bepaalt uitdrukkelijk dat de tussenkomst van het OCMW “zo nodig” voorafgegaan is van een sociaal onderzoek nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen om daarin te voorzien.
- Afsluitend volhardt de bewindvoerder dat het OCMW aan onterechte informatievergaring en verwerking doet, door het eisen van de borgstelling en door het sociaal onderzoek waarbij zelfs naar de gegevens van de kinderen, de naam van de huisarts en de middelen gedurende de laatste 10 jaar gevraagd wordt. I.
- Conclusie van dupliek van de verweerder
- Op 18 oktober 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de verweerder, waarin wordt gesteld dat het de verweerder niet toekomt om de concrete aanleiding tot de vraag van de bewindvoerder om een (OCMW-)borgstelling te willen afleveren, zoals geëist door het WZC, te beoordelen. De verweerder benadrukt eveneens dat de kritiek of een borgstelling in casu al dan niet nodig was buiten de draagwijdte van de procedure voor de Geschillenkamer valt, vermits het niet de verweerder is die hierover kan beslissen, doch uitsluitend het WZC, zodat de bewindvoerder de klacht heeft ingediend tegen de verkeerde rechtspersoon.
- De verweerder houdt daarnevens voor dat het OCMW noodzakelijkerwijs diende te beschikken over alle gevraagde informatie en stukken teneinde het bestaan en de mate van behoeftigheid vast te stellen in hoofde van de klaagster. Op basis van de beperkte gegevens die de bewindvoerder reeds had medegedeeld, met name “enkele (geselecteerde) verrichtingen in voordeel [van de klaagster]”, kon geen voldoende inzicht verworven worden in haar werkelijke bestaansmiddelen — aldus de verweerder.
- Volgens de verweerder staat dus vast dat er door de bewindvoerder namens de klaagster een aanvraag tot borgstelling werd ingediend bij het OCMW. Bovendien stelt de verweerder vast dat de specifieke borg van 5.000 EUR pas werd gesteld na of in uitvoering van de beslissing van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst om de borgstelling te verlenen aan de klaagster, en dus na het voeren van het sociaal (financieel) onderzoek. De verweerder werpt vervolgens op dat de omstandigheid dat de klaagster de vereiste som kon blokkeren op een rekening, weinig of niets zegt over haar financiële situatie, die derhalve moest worden onderzocht door het OCMW.
- Men dient volgens de verweerder ook rekening te houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die de verweerder verplichten tot het voeren van een zorgvuldig en volledig sociaal-financieel onderzoek, hetgeen noodzakelijkerwijs een onderzoek impliceert naar álle bestaansmiddelen van de klaagster. Beslissing ten gronde 118/2022 – 10/16
- Bovendien kan, aldus de verweerder, de verwerking van de persoonsgegevens van de klaagster ook minstens onrechtstreeks als noodzakelijk worden geacht voor de uitvoering van de opnameovereenkomst tussen het WZC en de klaagster, vertegenwoordigd door haar bewindvoerder.
- Tot slot verzoekt de verweerder om gehoord te worden, gelet op enkele bijzonderheden waardoor het dossier wordt gekenmerkt. I.
- Hoorzitting d.d. 8 juni 2022
- Op 2 mei 2022 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat een hoorzitting zal plaatsvinden.
- Op 8 juni 2022 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer.
- Op 15 juni 2022 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd.
- Op 22 juni 2022 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de partijen enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. II. Motivering II.
- Bevoegdheid van de Geschillenkamer
- Allereerst herinnert de Geschillenkamer eraan dat zij bevoegd is ten aanzien van de verwerkingen van persoonsgegevens door lokale overheden gevestigd in Vlaanderen, zoals de verweerder, die tevens als een Vlaamse bestuursinstantie moet worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 2, 10° van het e-govdecreet
- In haar advies nr. 61.267/2/AV van 27 juni 2017, dat werd uitgevaardigd naar aanleiding van het voorontwerp dat tot de WOG heeft geleid, ging de afdeling Wetgeving van de Raad van State uitvoerig in op de bevoegdheidsverdelende regels inzake het toezicht op gegevensbescherming
- De Raad van State stelde in het voormeld voorontwerp dat de federale overheid een toezichthoudende autoriteit kan oprichten met “een algemene bevoegdheid […] over alle verwerkingen van persoonsgegevens, ook die welke plaatsvinden in aangelegenheden waarvoor de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn”
- “Een dergelijke regeling doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten, […]”, aldus de Raad van State
- Bijgevolg kunnen de deelstatelijke toezichthoudende autoriteiten volgens de Raad van State enkel worden gemachtigd om 6 Zie ook: https://overheid.vlaanderen.be/digitale-overheid/is-uw-organisatie-een-vlaamse-bestuursinstantie. 7 Adv.RvS nr. 61.267/2 van 27 juni 2017 over het voorontwerp van wet ‘tot hervorming van de Commissie voor de bescherming van persoonlijke levenssfeer’, pp. 28-
- 8 Ibid., p. 12, para.
- 9 Ibid., p. 12, para.
- Beslissing ten gronde 118/2022 – 11/16 toezicht te houden op de specifieke regels die de zij hebben uitgevaardigd voor gegevensverwerkingen in het kader van activiteiten die onder hun bevoegdheid vallen, en dit uiteraard slechts in zoverre de AVG de lidstaten nog toestaat om specifieke bepalingen vast te stellen en geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van de WOG.
- Kortom, de GBA is, als federale toezichthoudende autoriteit, overeenkomstig artikel 4 WOG de bevoegde instantie om toe te zien op de algemene regels, waaronder de dwingende bepalingen van de AVG die geen verdere nationale uitvoering behoeven
- Dit is ook het geval indien de gegevensverwerking betrekking heeft op een materie die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen of de gewesten valt en/of indien de verwerkingsverantwoordelijke een overheidsinstantie is die onder de gemeenschappen of de gewesten ressorteert, zelfs al heeft de deelstaat zelf een toezichthoudende autoriteit in de zin van de AVG opgericht. Uit bovenstaande volgt dat de Vlaamse besturen zijn onderworpen aan de rechtstreekse toepasselijke bepalingen van de AVG alsook dat de GBA in casu bevoegd is om op te treden. De Geschillenkamer heeft deze bevoegdheid ook in eerdere beslissingen bevestigd, op basis van een meer uitvoerige motivering. 11 II.
- Verantwoordelijkheid van de verweerder voor de kwestieuze verwerking
- De Geschillenkamer begrijpt uit de verweermiddelen van het OCMW “Y” dat de klacht zou gericht zijn tegen de verkeerde verwerkingsverantwoordelijke, in die zin dat de verwerking van de persoonsgegevens van de klaagster door de verweerder het gevolg zou zijn van een verzoek hiertoe door het WZC “Z”. De verweerder werpt tevens op dat de bewindvoerder zich zelf, vrijwillig heeft gericht tot de verweerder met oog op de borgstelling.
- De Geschillenkamer besluit evenwel dat het standpunt van de verweerder niet kan worden gevolgd, om de hiernavolgende redenen.
- Allereerst staat vast dat de opnameovereenkomst tussen (toekomstige) bewoners en het WZC uitdrukkelijk voorziet in het vereiste om, ingeval een bewoner over onvoldoende middelen zou beschikken, een borgstelling te verkrijgen van het OCMW “Y” (verweerder). Daarnaast benadrukte de functionaris voor gegevensbescherming van de verweerder in diens e-mail d.d. 14 januari 2021 naar de bewindvoerder dat een woon- en zorgcentrum een borgstelling mag vragen aan het OCMW in het kader van een opname, “zelfs indien er maandelijks voldoende middelen zijn om de opnamefacturen te betalen” en zeker als er een 10 Zie ook bv. Adv.RvS, nr. 66.033/1/AV van 3 juni 2019 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 ‘tot uitvoering van het decreet betreffende de private arbeidsbemiddeling, wat betreft de invoering van een registratieverplichting voor sportmakelaars’, p. 5, para. 5.3; Adv.RvS., nr. 66.277/1 van 2 juli 2019 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering ‘houdende de nadere regels voor de verwerking, de bewaring en de bewijskracht van de elektronische gegevens betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid’, p. 7, para. 5.
- 11 Zie onder meer Beslissing ten gronde 31/2022 van 4 maart 2022, punten 25-
- Beslissing ten gronde 118/2022 – 12/16 bewindvoerder bij betrokken is, alsmede dat het OCMW verplicht is een sociaal-financieel onderzoek te doen van zodra een borgstelling wordt gevraagd voor de opname in het WZC.
- Op basis van voormelde elementen acht de Geschillenkamer het in casu afdoende bewezen dat er door het WZC geen andere keuze werd geboden aan de bewindvoerder van de klaagster dan het aanvragen van een borgstelling bij de verweerder en het ondergaan van een uitgebreid onderzoek inzake de sociale en financiële toestand van de klaagster — inbegrepen persoonsgegevens van verwanten —, niettegenstaande het feit dat de bewindvoerder meermaals bewijs aanleverde dat de verweerder helemaal geen financiële steun diende te verlenen.
- Tijdens de hoorzitting bevestigde de verweerder wederom uitdrukkelijk dat het sociaalfinancieel onderzoek aangaande de klaagster werd aangevangen naar aanleiding van het verzoek van de bewindvoerder om een borgstelling te bekomen bij het de verweerder. De verweerder nam meer bepaald het standpunt in dat het hem geenszins toebehoort om te onderzoeken of er voldaan is aan de voorwaarde voor de eerste optie voorzien in artikel 17 van de opnameovereenkomst12, met name of de bewoner verklaard heeft over voldoende middelen en vermogen te beschikken.
- Dienaangaande stelt de Geschillenkamer evenwel vast dat de verweerder tijdens de hoorzitting nooit betwist heeft dat de bewindvoerder in het kader van zijn aanvraag meteen had laten weten dat er voldoende financiële middelen bestonden. De vraag die de Geschillenkamer hierna moet onderzoeken, is bijgevolg in welke mate de verweerder op loutere aanvraag tot het bekomen van een borgstelling meteen kon overgaan tot een uitgebreide sociaal-financieel onderzoek en hiertoe rechtmatig een beroep kon doen op artikel 60 van de OCMW-wet. 12 Zie para. 21 van deze beslissing. Beslissing ten gronde 118/2022 – 13/16 II.
- Noodzakelijkheid en rechtmatigheid van de verwerking
- Hoewel het niet toebehoort aan de Geschillenkamer om te oordelen in hoeverre de bedragen van de door de bewindvoerder opgeworpen bronnen van inkomsten van de klaagster daadwerkelijk volstaan voor haar opname in het WZC, staat het voor de Geschillenkamer niettemin vast dat de verweerder in eerste instantie had moeten nagaan in hoeverre de klaagster over voldoende inkomsten beschikt, zulks in het bijzonder aangezien de bewindvoerder meermaals verklaard had, zowel reeds bij het WZC als in het kader van uitwisselingen met de verweerder, dat er voldoende financiële middelen voorhanden waren om de klaagster zonder OCMW-borgstelling te laten opnemen.
- Het feit dat een wettelijke bepaling aan een verwerkingsverantwoordelijke de mogelijkheid biedt om persoonsgegevens te verwerken, houdt nog niet in dat deze verwerking ook stelselmatig noodzakelijk is. Artikel 60 van de OCMW-wet bepaalt expliciet dat een voorafgaand sociaal onderzoek alleen moet plaatsvinden, indien dat nodig is (“zo nodig”). Teneinde een beroep te kunnen doen op artikel 6.1.c AVG dient de verweerder met andere woorden aan te kunnen tonen dat de wettelijke verplichting die op hem rust, effectief tot de beoogde verwerking noopt, hetgeen gelet op het bovenstaande niet het geval was in de voorliggende zaak.
- Derhalve stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder het beginsel van rechtmatigheid van artikel 6 AVG, in het bijzonder artikel 6.1.c, heeft overtreden. Ten overvloede voegt de Geschillenkamer toe dat een toetsing aan artikel 6.1.e AVG niet aan de orde is, gelet op het feit dat de noodzaak van de verwerking expliciet in een wettelijke bepaling is omschreven.
- Door louter te verwijzen naar de verantwoordelijkheid van het WZC, naar de aanvraag van de bewindvoerder, dan wel naar de wettelijke bepaling die in de tussenkomst van de verweerder voorziet, ontsnapt deze laatste bovendien nog niet aan diens plicht met betrekking tot het beginsel van minimale gegevensverwerking.
- Allereerst lijkt het niet relevant voor de opname op welke wijze of bij welke organisme een specifieke borgstelling van 5.000 EUR werd verkregen, zolang de vereiste waarborg van 30 keer de dagprijs gestort wordt op het rekeningnummer van de beheerder van het WZC
- Verder oordeelt de Geschillenkamer dat de verplichte borgstelling bij het OCMW, zoals voorzien in de interne regeling tussen het WZC en de verweerder, niet enkel haaks staat op de artikelen 16 en 17 van de opnameovereenkomst, maar daarnevens ook een inbreuk op artikel 5.1.c AVG met zich meebrengt.
- Artikel 5.1.c AVG legt immers het beginsel van minimale gegevensverwerking vast, hetwelk veronderstelt dat uitsluitend persoonsgegevens die toereikend, ter zake dienend en 13 Stuk 2 bij de verweermiddelen van de verweerder: Opnameovereenkomst tussen de bewoner en WZC “Z”, artikel 16 en artikel
- Zie para. 21 in deze beslissing voor de inhoud van deze bepalingen. Beslissing ten gronde 118/2022 – 14/16 beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor de beoogde doeleinden, verwerkt mogen worden. Krachtens dat beginsel, dat nauw verbonden is met het noodzakelijkheidsbeginsel, moeten verwerkingsverantwoordelijken vooraf bepalen of zij de persoonsgegevens daadwerkelijk hoeven te verwerken voor hun doeleinden, en of deze laatste niet redelijkerwijs kunnen worden verwezenlijkt met minder persoonsgegevens dan wel met minder gedetailleerde persoonsgegevens, of zelfs helemaal zonder persoonsgegevens te verwerken
- Gelet op de voorgelegde stukken alsook de verklaringen van beide partijen tijdens de hoorzitting besluit de Geschillenkamer dat de verweerder, welke een uitgebreide sociaalfinancieel onderzoek vorderde niettegenstaande de verklaringen van de bewindvoerder inzake de aanwezigheid van voldoende middelen, een inbreuk heeft gepleegd op artikel 5.1.c AVG.
- De vraag of een dergelijke sociaal-financieel onderzoek daadwerkelijk plaatsvond, is daarbij ontoereikend. Zoals inmiddels bevestigd door het Hof van Cassatie, heeft elke betrokkene immers het recht om een klacht in te dienen bij de GBA tegen een verwerkingspraktijk waarvan hij meent dat deze inbreuk maakt op zijn rechten uit hoofde van de AVG, zoals het recht om zijn persoonsgegevens minimaal te laten verwerken opdat hij een voordeel of dienst kan genieten, ook in het geval wanneer de betrokkene het voordeel of dienst niet zelf heeft gekregen en diens persoonsgegevens derhalve niet verwerkt werden doordat hij, precies omwille van het bestaan van de vermeende inbreukmakende praktijk, de verwerking heeft geweigerd
- De Geschillenkamer oordeelt te dezen dat de verweerder artikel 60 van de OCMW-wet slechts kon inroepen als rechtmatigheidsgrond voor de verwerking van persoonsgegevens, voor zover de uitvoering van een sociaal-financieel onderzoek daadwerkelijk noodzakelijk was. Indien een betrokkene daarentegen tijdig verklaart dat de tussenkomst van een OCMW niet (langer) vereist is, en hiertoe voldoende relevante bewijsstukken aanvoert, dient een OCMW met andere woorden de uitvoering van het sociaal-financieel onderzoek te staken, of minstens te beperken tot een onderzoek van de reeds ingediende bewijsstukken, zonder daarbij stelselmatig aanvullende gegevens op te vragen.
- Vanzelfsprekend geldt het beginsel van minimale gegevensverwerking eveneens tijdens de uitvoering van het sociaal-financieel onderzoek. Gelet op de specifieke doeleinden van een dergelijk onderzoek, betwijfelt de Geschillenkamer of persoonsgegevens zoals de identiteit van de kinderen evenals de contactgegevens van de huisarts van de betrokkene toereikend zijn voor de beoogde doelstellingen. De Geschillenkamer stelt bij wijze van voorbeeld vast 14 Overweging 39 AVG: “[…] Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt indien het doel van de verwerking niet redelijkerwijs op een andere wijze kan worden verwezenlijkt […]”. Zie ook EDPB Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen (20 oktober 2020), para. 73-
- 15 Cass., Arrest nr. C.20.0323.N van 7 oktober 2021, para.
- Beslissing ten gronde 118/2022 – 15/16 dat de verweerder zowel in diens schriftelijke verweermiddelen als gedurende de hoorzitting naliet om enig bewijs aan te leveren waarom de contactgegevens van de arts voor de doeleinden van het sociaal-financieel onderzoek relevant waren. Aldus werd minstens voor die gegevens het beginsel van doelbinding (art. 5.1.b AVG) geschonden.
- Tot slot besluit de Geschillenkamer dat de door de verweerder geponeerde noodzakelijkheid om in aanwezigheid van bewindvoerders stelselmatig een borgstelling te bekomen bij de verweerder, onvoldoende gestaafd is met bewijsstukken. Het staat voor de Geschillenkamer vast dat een dergelijke interne regeling tussen het WZC en het OCMW, waarbij geenszins rekening wordt gehouden met de specifieke, individuele omstandigheden van de betrokkene en de verwerking van talrijke persoonsgegevens zonder meer als conditio sine qua non wordt opgeworpen, de algemene beginselen van minimale gegevensverwerking en rechtmatigheid van de verwerking schendt.
- Rekening houdende met voorgaande elementen, oordeelt de Geschillenkamer dat de inbreuken op de beginselen van rechtmatigheid (art. 6 AVG), doelbinding (art. 5.1.b AVG) en minimale gegevensverwerking (art. 5.1.c AVG) door de verweerder voldoende bewezen zijn. III. Publicatie van de beslissing
- Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze Gegevensbeschermingsautoriteit. beslissing Het is gepubliceerd evenwel niet op de nodig website dat identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt. van de daartoe de Beslissing ten gronde 118/2022 – 16/16 OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om: - Op grond van artikel 100, § 1, 5° WOG en artikel 58.2.b) AVG, een berisping te formuleren ten aanzien van de verweerder voor de schending van de beginselen van rechtmatigheid (art. 6 AVG), doelbinding (art. 5.1.b AVG) en minimale gegevensverwerking (art. 5.1.c AVG) in het kader van de verplichte verstrekking van persoonsgegevens in het kader van een sociaal-financieel onderzoek door de verweerder, bij gebrek aan bewezen noodzaak van een dergelijk onderzoek. - Op grond van artikel 100, § 1, 9° WOG en artikel 58.2.d) AVG, te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht met de AVG door de interne regeling tussen het WZC en de verweerder dermate aan te passen dat betrokkenen niet langer verplicht worden om een borgstelling bij de verweerder te bekomen zonder een voorafgaandelijke, specifieke beoordeling van de behoefte van een dergelijke borgstelling. Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten
- Het verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.17, dan wel via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.). (get) Hielke HIJMANS Voorzitter van de Geschillenkamer 16 17 Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid: 1° de dag, de maand en het jaar; 2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of ondernemingsnummer; 3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen; 4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt; 6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.