← België

Beslissing ten gronde nr. 120/2024

1/34 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 120//2024 van 11 september 2024 Dossiernummer : DOS-2022-03251 Betreft: klacht over de verwerking van persoonsgegevens door een partner die op verzoek van een rechtbank 'hulpverlening voor een betrekking' aan rechtzoekenden biedt: rechtmatigheid (artikelen 6 en 9 van de AVG) - rectificatie (artikel 16 van de AVG) - gegevenswissing (artikel 17 van de AVG) De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Romain Robert, leden, die de zaak in deze samenstelling behandelen; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna "AVG"; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna "WOG"; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 20191 ; Gelet op de stukken van het dossier; 1 Het nieuwe reglement van interne orde van de GBA als gevolg van de wijzigingen in de WOG door de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) is op 01/06/2024 in werking getreden. Overeenkomstig artikel 56 van de wet van 25 december 2023 is het alleen van toepassing op klachten, bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die vanaf die datum zijn gestart: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-orde-van-degegevensbeschermingsautoriteit.pdf Dossiers die vóór 01/06/2024 zijn aangevat, zoals in dit geval, zijn onderworpen aan de bepalingen van de WOG zoals die bestond vóór de wijzigingen door de wet van 25 december 2023, en aan de bepalingen van het reglement van interne orde zoals het bestond vóór die datum. Beslissing ten gronde 120/2024 — 2/34 Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, hierna "de klager"; De verweerder: Y (partner die ‘hulpverlening voor een betrekking’ aan de rechtszoekende biedt), vertegenwoordigd door Mr. Alexandre Cruquenaire, Mr. Chloé Antoine en Mr. Léa Quertemont, advocaten met kantoor te 5100 Jambes, avenue de Luxembourg 152, hierna “de verweerder”. I. 1. Feiten en procedure De klacht heeft betrekking op de verwerking van persoonsgegevens over de klager en zijn minderjarige kind door de verweerder (in diens hoedanigheid van partner die 'hulpverlening voor een betrekking' aan de rechtzoekende biedt) in het kader van de opdracht die hem door de rechtbank van eerste aanleg van (...), sectie familie (hierna de familierechtbank of de familierechter van (...)) bij opeenvolgende vonnissen is toevertrouwd om de band tussen de klager en zijn zoon te herstellen. 2. Op 30 juli 2022 dient de klager bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) een klacht in tegen de verweerder. 3. Op 9 augustus 2022 verklaart de Eerstelijnsdienst (EDL) van de GBA de klacht ontvankelijk op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG, en zendt deze door naar de Geschillenkamer overeenkomstig artikel 62, § 1, van de WOG. 4. De feiten die tot de klacht hebben geleid, dateren van 2020 en 2021 en worden hieronder samengevat. 5. Bij vonnis van 24 maart 2021, uitgesproken in openbare terechtzitting familiezaken, bevestigt de rechtbank van eerste aanleg van (...), afdeling (...), het mandaat dat aan de verweerder bij vonnis van [datum] is verleend, op zijn beurt bevestigd bij vonnis van [datum], om ontmoetingen tussen de klager en zijn kind te organiseren en te begeleiden. Hetzelfde vonnis van [...] bepaalt dat de verweerder uiterlijk op 15 mei 2021 bij de griffie van de rechtbank een schriftelijk verslag moet indienen over het verloop van deze ontmoetingen. Ten slotte wordt in het vonnis vermeld dat een afschrift van deze beslissing door de griffie aan de verweerder zal worden toegezonden. 6. De relevante passage uit het vonnis van [datum] wordt hieronder weergegeven: "Bij vonnis van [datum] heeft de rechtbank te [...] voorlopig (...) [lees de verweerder] aangewezen om de ontmoetingen te begeleiden tussen A. [de zoon van de klager] en de heer X[lees de klager]. Beslissing ten gronde 120/2024 — 3/34 [De verweerder] heeft verschillende verslagen ingediend op [data] en ook op [datum]. Bij vonnis van [datum] heeft de rechtbank te (...) de bepalingen van het vonnis van [datum] voorlopig gehandhaafd (...). [De verweerder] heeft op [...] een nieuw verslag ingediend. III. Beslissing Na beraadslaging oordeelt de rechtbank al volgt: (...) bevestigt het mandaat van [lees verweerder] (...) dat hem bij vonnis van [datum] is toevertrouwd en bij vonnis van [datum] is bevestigd, om de ontmoetingen tussen de heer X [de klager] en het gezamenlijke kind te organiseren en te begeleiden, met dien verstande evenwel dat vanaf nu: (....) 2 - de vzw [lees de verweerder] uiterlijk op 15 mei 2021 bij de griffie van deze rechtbank een schriftelijk verslag indient over het verloop van deze ontmoetingen. Een afschrift van deze beslissing zal door de griffie aan [de verweerder] worden toegezonden. (…)"3. 7. Dit(deze) vonnis(sen) maakt(maken) deel uit van een geleidelijke hervatting van het recht van de klager op persoonlijke betrekkingen met zijn kind na de scheiding van de klager van de moeder van het kind. 8. De verweerder is een dienst die de uitoefening van het recht op persoonlijke betrekkingen tussen ouders - kind(eren), grootouders - kind(eren), broers - zussen, enz. ondersteunt wanneer dit recht onderbroken, moeilijk of conflictueus is. In de meeste gevallen komt de verweerder tussenbeide op verzoek van burgerlijke rechtbanken, zoals in dit geval, of van de Services de l'aide à la jeunesse (SAJ) en de Services de la protection de la jeunesse (SPJ). Hij kan ook tussenbeide komen voor louter private verzoeken. 9. De verweerder is een erkende partner die 'hulpverlening voor een betrekking' biedt aan rechtzoekenden (voorheen "Z") in de zin van het decreet van 13 oktober 2016 betreffende de erkenning en de subsidiëring van partners die hulp verlenen aan rechtzoekenden 4 (hierna: "het decreet van 13 oktober 2016") en zijn optreden viel ten tijde van de ten laste gelegde feiten binnen de werkingssfeer van dat decreet. 5 2 Beschrijving van de afspraken voor het bezoek bij de verweerder thuis: stiptheid van de ouders, nuchterheid, enz. 3 De Geschillenkamer onderstreept. 4 BS, 22 december 2016. 5 Sinds 1 januari 2024 valt de vordering van de verweerder onder het decreet van 5 oktober 2023 tot invoering van het Wetboek van gemeenschapsjustititie, dat het decreet van 13 oktober 2016 opheft. Aangezien dit decreet van kracht was ten tijde van de omstreden feiten, neemt de Geschillenkamer deze beslissing in het licht hiervan. Beslissing ten gronde 120/2024 — 4/34 10. Ter uitvoering van het mandaat dat hem door de familierechtbank van (...) was gegeven, heeft de verweerder de gevraagde ontmoetingen georganiseerd en verschillende verslagen over deze bezoeken bij zijn opdrachtgever ingediend. Deze verslagen, waaronder verslag 1 en verslag 5, die hierna worden aangevochten (punt 14), zijn, zoals de verweerder op zijn website vermeldt in verband met zijn decretale opdracht en overeenkomstig de bewoordingen van het voornoemde arrest (punt 6), bedoeld om de rechter een idee te geven van hoe de ontmoetingen verlopen. 11. Op 1 juni 2022 richt de klager zich tot de verweerder in de volgende bewoordingen: "Gezien sommige van uw verslagen tegenstrijdigheden bevatten en onjuiste elementen, zou ik deze eerst willen wijzigen. En alleen om, indien nodig, tijdens de civiele procedure waaraan u hebt deelgenomen, om ze daarna te vernietigen. Daarnaast maak ik gebruik van het contact dat ik heb gehad met het Justitiehuis, dat u als enige verwerkingsverantwoordelijke aanwijst, om u te vragen naar de naam van de verantwoordelijke binnen uw organisatie en de rechtsgrond die u toestaat om verslagen te versturen als organisatie die hulp verleent aan rechtzoekenden in het kader van een gerechtelijk mandaat (artikel 55 van de wet van 30 juli 2018)." (vrije vertaling) 12. In zijn antwoord van 8 juni 2022, verduidelijkt de verweerder aan de klager - dat zijn verslagen die op verzoek van de rechtbank in het kader van zijn opdracht zijn verstuurd, gebaseerd zijn op feitelijke elementen en dat hij niet zal terugkomen op de inhoud ervan; - dat de klager vrij is om zijn standpunt over de inhoud van de verslagen voor de rechtbank kenbaar te maken als hij dat nodig acht; - dat de rechtsgrond voor zijn verslagen het decreet is dat bekend is bij de klager en het mandaat dat de rechtbank hem heeft gegeven, waarmee ook de basis van de rapportage is overeengekomen; - dat hij een archiveringsplicht van 10 jaar heeft voordat zijn archieven eventueel kunnen worden vernietigd, met name gelet op zijn verplichting om het aantal verwerkte dossiers aan de subsidieverlenende autoriteit te verantwoorden. 13. Diezelfde 8 juni 2022 geeft de klager te kennen het niet eens te zijn met het antwoord van de verweerder en stelt hij zijn professionaliteit in vraag. 14. In zijn klacht bij de GBA van 30 juli 2022 voert de klager aan: Beslissing ten gronde 120/2024 — 5/34 - een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens van zijn kind van jonger dan 13 jaar. Naar zijn mening kon de mededeling door de verweerder van de verslagen die voor de familierechter zijn opgesteld, op geen enkele rechtmatigheidsgrond worden gebaseerd, aangezien de verweerder volgens hem niet bevoegd was om de persoonsgegevens van zijn minderjarige kind te verzamelen. Hij wijst er ook op dat als er een "AVG-verordening" is ondertekend, deze geen melding maakt van de verwerking van de gegevens van zijn minderjarige kind. - het nalaten van de verweerder om gevolg te geven aan zijn verzoek tot rectificatie en gegevenswissing. De klager is van mening dat bepaalde gegevens in de door de verweerder opgestelde verslagen onjuist zijn en derhalve moeten worden gecorrigeerd en/of verwijderd. De klager vraagt bijvoorbeeld de volgende wijzigingen. o In verslag 1 van (...), waarin staat dat op (...) "de partijen niet op tijd waren", wil de klager dat wordt gezegd dat hij op de komst van de andere partij moest wachten. o In verslag 5 van (...), waarin staat dat op (...) "(...) mijnheer bekers klaarzet en een spelletje speelt", wil de klager dat er staat dat hij een spelletje heeft gespeeld om het slikprobleem van zijn kind te beoordelen (de beschrijving van het spelletje volgt). Met betrekking tot (... - datum), waarin wordt vermeld: "Mijnheer laat hem ook proeven wat hij heeft meegebracht", zou de klager willen dat er staat: "Ik heb hem bosbessen gegeven en ik heb hem in een grote aardbei laten bijten. Hij weigert grote stukken appel. Opnieuw spuugt hij de velletjes van de bosbessen en een stukje aardbei uit." o Er zijn door de klager nog andere verzoeken gedaan om de beschrijving van de ontmoetingen te wijzigen. De Geschillenkamer geeft ze hier niet in extenso weer. 15. Onder de stukken die door de klager zijn meegedeeld, merkt de Geschillenkamer op: - Een toestemmingsformulier met betrekking tot de verwerking van de gegevens die voor de verweerder noodzakelijk zijn om zijn mandaat te vervullen, waarvan de klager verklaart dat hij het heeft ondertekend (een e-mail die op 10 oktober 2020 aan de verweerder is verzonden, getuigt hiervan), maar dat volgens hem, zoals vermeld in punt 14 hierboven, geen toestemming gaf voor de verwerking van de gegevens van zijn minderjarige kind. Uit dit toestemmingsformulier blijkt dat de in het kader van de opdracht van de verweerder verwerkte persoonsgegevens betrekking hebben op het omgangsrecht, de ouder-kindrelatie en alle informatie die door de tussenkomende partij relevant wordt geacht voor het welzijn van het kind. Het document preciseert ook Beslissing ten gronde 120/2024 — 6/34 dat deze gegevens in een verslag worden doorgegeven aan de opdrachtgever (in dit geval de familierechtbank van (...)), aan de advocaten van elk van de partijen en aan de ouders. Ook staat vermeld dat de gegevens worden verwerkt om de opdrachtgever (in dit geval, zoals reeds vermeld, de familierechtbank) te informeren en te helpen om de gezinssituatie te veranderen. - Een reglement van interne orde van de verweerder, waarvan de klager niet betwist dat hij het heeft ondertekend. Hij overlegt in dit verband een e-mail (ook hiervan getuigt de e-mail van 10 oktober 2020 aan de verweerder). 16. Op 19 februari 2024 neemt de Geschillenkamer, op grond van de klacht en de ingediende stukken, beslissing 34/2024 op grond van artikel 95, § 1, 3°, van de WOG (procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde), waarin zij de klacht seponeert. Dit besluit is op 20 februari 2024 ter kennis van de klager gebracht en aan de verweerder meegedeeld in overeenstemming met het sepotbeleid van de Geschillenkamer 6. 17. Na ontvangst van deze beslissing wijst de klager de Geschillenkamer erop dat een deel van de motivering van beslissing 34/2024 is gebaseerd op het decreet van 27 mei 2004 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de diensten "Espaces-Rencontres" (Ontmoetingsruimten), dat is ongeheven. 18. In het licht hiervan en zoals toegestaan door het Marktenhof (hof van beroep te Brussel) 7, trekt de Geschillenkamer op 23 februari 2024 beslissing 34/2024 in. 19. Eveneens op 23 februari 2024 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 van de WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. Op dezelfde datum worden de partijen per aangetekende post in kennis gesteld van de bepalingen zoals opgenomen in artikel 95, § 2, en artikel 98 van de WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 van de WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun conclusies in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder wordt daarbij vastgelegd op 8 april 2024, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 30 april 2024 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 22 mei 2024. Op basis van de in de klacht uiteengezette feiten nodigt de Geschillenkamer de partijen uit hun argumenten kenbaar te maken met betrekking tot de mogelijke schendingen die uit deze feiten naar voren komen, namelijk een mogelijke schending van de artikelen 5.1.a), 6 en 9, 12, 13 alsmede 16 en 17 van de AVG. 6 7 https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf. Zie met name het arrest van het Marktenhof van 30 juni 2021 (nr. 2021/5564) waarin het hof van beroep stelt: "Een adminstratieve overheid mag zijn beslissing intrekken. De intrekking heeft tot gevolg dat de beslissing retroactief (ex tunc) uit de rechtsorde verdwijnt”. Beslissing ten gronde 120/2024 — 7/34 20. Op respectievelijk 24 februari en 11 maart 2024 vragen de verweerder en de klager een kopie van het dossier (art. 95, § 2, 3°, WOG), die hun op respectievelijk 26 februari en 14 maart 2024 wordt toegezonden. 21. De partijen stemmen er ook mee in om alle communicatie met betrekking tot de zaak elektronisch te ontvangen. 22. Op 8 april 2024 deelt de verweerder zijn conclusie van antwoord mee aan de klager en aan de Geschillenkamer8. De verweerder dient aanvullende en syntheseconclusies in; zijn argumentatie wordt hieronder in punt 24 samengevat. 23. Op 30 april 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager: - In het algemeen is de klager van mening dat de raadsman van de verweerder de juridische werkelijkheid verdraait en de Geschillenkamer moedwillig misleidt, met name door in zijn conclusie gebruik te maken van zijn emeritusstatus, eristische dialectiek en "misleidende syllogismen". Na de betekenis van aristotelische logica, eristische logica en vooringenomenheid in herinnering te hebben gebracht, noemt de klager voor de Geschillenkamer de rechtsbegrippen op die hij voor de onderhavige zaak relevant acht uit zowel de AVG (rechten van de betrokkene en toegestane beperkingen van die rechten) als de WVG (artikelen 7, 8, 14 en 27), alsmede het wettelijk kader van de partners die hulp verlenen aan rechtzoekenden (het voormelde decreet van 13 oktober 2016, het decreet van 1 december 2022 tot wijziging van het genoemde decreet van 13 oktober 2016 en het besluit van de regering van de Franse Gemeenschap tot uitvoering van het Wetboek voor gemeenschapsjustitie) 9. Vervolgens geeft hij een kritische analyse van de argumenten van de verweerder en concludeert hij aan het einde van zijn betoog dat de aan de kaak gestelde gegevensverwerkingen onrechtmatig zijn. Samengevat vloeit deze onrechtmatigheid volgens de klager voort uit het feit dat de rechter van de familierechtbank op onrechtmatige en zelfs ongrondwettelijke wijze een opdracht van “rapportage over het privéleven” aan de verweerder heeft toevertrouwd, terwijl de teksten die het optreden van deze laatste regelen dit soort van rapportage en gegevensverwerking niet toestaan, met uitzondering van, in het kader van het toezicht op de erkenning en subsidiëring van organen zoals de verweerder, de mededeling van gegevens aan het bestuur met het oog op de controle van de goede uitvoering van hun opdrachten. Overigens is er geen sprake van mededeling van de gegevens van de zoon (die bovendien verband houden met zijn gezondheid) op grond van het vonnis, en is ook niet 8 Aangezien de Geschillenkamer deze eerste zending niet kon ontvangen, werd de conclusie op 12 april 2024 naar haar teruggezonden. 9 De klager haalt ook het vorige regelgevende kader aan, zoals de "Deontologische code" van de "Espaces-Rencontres" (ontmoetingsruimten) en bijlage 2 daarvan, evenals het opgeheven decreet van 27 mei 2004 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de diensten "Espaces-Rencontres" (Ontmoetingsruimten). Beslissing ten gronde 120/2024 — 8/34 voldaan aan artikel 8.1 van de AVG, op grond waarvan hij in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor zijn zoon van jonger dan 13 jaar toestemming had moeten geven. - Volgens de klager betekent deze onrechtmatigheid dat zijn verzoeken tot rectificatie en gegevenswissing, die de verweerder ten onrechte heeft geweigerd in te willigen, gegrond zijn. 24. Op 22 mei 2024 ontvangt de Geschillenkamer de aanvullende en syntheseconclusies van de verweerder: - Wat betreft het vermeende gebrek aan rechtmatigheidsgrond (artikel 6 van de AVG), concludeert de verweerder dat, behalve het verzoek van de familierechtbank van (...), het decreet van 13 oktober 2016 en de uitvoeringsbesluiten daarvan een rechtsgrond van voldoende kwaliteit vormen. De aan de kaak gestelde gegevensverwerkingen, of de gegevens nu betrekking hebben op de klager of op zijn zoon, berusten op een geldige rechtmatigheidsgrond zoals vereist door de AVG (artikel 6.1.e)). Wat de rechtmatigheidsgrond betreft die meer in het bijzonder de verwerking van de gegevens van het kind van de klager rechtvaardigt, verwerpt de verweerder elke toepassing van artikel 8 van de AVG die door de klager wordt aangevoerd, aangezien de voorwaarden voor de toepassing ervan in dit geval niet zijn vervuld. - De verweerder is daarentegen van mening dat hij zich kan beroepen op artikel 9.2.

  1. g)van de AVG voor de verwerking van gegevens die verband houden met de gezondheid van het kind van de klager. - Wat betreft het vermeende niet-voldoen aan het verzoek tot rectificatie van de klager (artikel 16 van de AVG), is de verweerder van mening dat de verzoeken van de klager ongegrond waren (geen van de gegevens was onjuist) en dat het daarom gerechtvaardigd was om er in zijn antwoord van 8 juni 2022 niet op in te gaan. - Wat betreft het vermeende niet-voldoen aan het verzoek van de klager tot gegevenswissing (artikel 17 van de AVG), beweert de verweerder dat de klager op grond van artikel 17.1 van de AVG geen legitieme reden had om die wissing te verkrijgen. De verweerder is van zijn kant van mening dat hij zich kan beroepen op artikel 17.3.b10) van de AVG vanwege de bewaarplicht (voor subsidieverantwoording en archiveringsdoeleinden) waaraan hij is onderworpen krachtens het decreet van 13 oktober 2016. 10 Artikel 17.3.
  2. b)van de AVG: De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is:
  3. b)voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Beslissing ten gronde 120/2024 — 9/34 - Wat de publicatie van de beslissing betreft, vordert de verweerder in hoofdzaak dat deze niet plaatsvindt en, subsidiair, dat deze geanonimiseerd en zonder enige beschrijving die toelaat hem te identificeren, plaatsvindt. - Wat ten slotte de corrigerende maatregelen en sancties betreft, is de verweerder van mening dat, aangezien de klager geen schending van de AVG heeft aangetoond, de Geschillenkamer de buitenvervolgingstelling van de zaak moet bevelen. Subsidiair betoogt hij dat geen geldboete of dwangsom wordt opgelegd. In het uiterste geval, indien een administratieve boete zou worden opgelegd, vraagt de verweerder om zijn opmerkingen te mogen laten gelden over zijn kwalificatie in de zin van de WVG en over het bedrag van de geldboete. II. Motivering II.1. Wat betreft de toepassing van de AVG 25. Er wordt niet betwist dat de door de verweerder verrichte gegevensverwerkingen onderworpen zijn aan de AVG. Er is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden zoals bepaald in het temporele, materiële en territoriale toepassingsgebied van de AVG (artikelen 2 en 3). 26. De verweerder heeft de persoonsgegevens betreffende de klager en zijn minderjarige zoon verwerkt. Artikel 4.1 van de AVG definieert het begrip “persoonsgegevens” als “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”. 27. Volgens de Groep artikel 2911 moet het begrip "alle informatie" ruim worden geïnterpreteerd. Het kan dus gaan om objectieve informatie of subjectieve informatie, d.w.z. meningen of beoordelingen over de betrokkene. In het arrest Nowak 12 oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) dat de evaluatie en de opmerkingen van een examinator in het kader van een door de betrokkene ingediend examen moeten worden beschouwd als persoonsgegevens in de zin van het destijds toepasselijke artikel van Richtlijn 95/46/EG, dat is overgenomen in het huidige artikel 4.1 van de AVG. 11 Groep artikel 29, advies 4/2007 over het begrip persoonsgegeven, WP 136 van 20 juni 2007. Hoewel dit advies het begrip "persoonsgegeven" verduidelijkt zoals opgenomen in Richtlijn 95/46/EG, die nu door de AVG is opgeheven, en de definitie in artikel 4.1 van de AVG identiek is aan die in de richtlijn, blijven de overwegingen in dit advies relevant, onder voorbehoud van ontwikkelingen in de rechtspraak van het HvJ-EU die relevant zijn. Dit is het geval ten aanzien van het bovenstaande. 12 HvJ-EU, arrest Peter Nowak t. Data Protection Commissioner van 20 december 2017, C-434/16, ECLI :EU :C:2017:994, § 42. Beslissing ten gronde 120/2024 — 10/34 28. De Geschillenkamer merkt op dat de verslagen van de verweerder een feitelijke weergave zijn van de ontmoetingen tussen de klager en zijn zoon. De handelingen van beiden die door het personeel van de verweerder zijn waargenomen, zijn erin vastgelegd, en de klager en zijn zoon zijn geïdentificeerd of identificeerbaar. Deze verslagen bevatten informatie over hen beiden, vader en zoon, in de zin van artikel 4.1 waarvan hierboven sprake. Zelfs indien deze informatie als "subjectief" zou worden omschreven, in die zin dat zij door een derde (de verweerder) is verstrekt, quod non, neemt dat niet weg dat, zoals hierboven vermeld, het gaat om "persoonsgegevens" met betrekking tot de klager en zijn zoon in de zin van artikel 4.1 van de AVG. 29. De verweerder voerde geautomatiseerde verwerkingen uit (in de zin van artikel 4.2 van de AVG13) van persoonsgegevens met betrekking tot de klager en zijn kind door verslagen met persoonsgegevens over hen te typen, deze verslagen aan de bevoegde rechtbank mee te delen en ze (naar verluidt elektronisch) intern op te slaan. Zelfs al zou er twijfel bestaan over het (geheel of gedeeltelijk) geautomatiseerde karakter van een van deze verwerkingen, dan nog heeft de verweerder in ieder geval handmatige verwerkingen uitgevoerd van persoonsgegevens die bestemd waren om op gestructureerde wijze in het dossier van de klager te worden opgenomen, dat wil zeggen in een dossier in de zin van artikel 4.6 van de AVG14, alvorens te worden meegedeeld en opgeslagen. 30. Uit het voorgaande blijkt dat de AVG van toepassing is, aangezien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.1 (materieel toepassingsgebied) (de verwerkingen van persoonsgegevens gebeurden automatisch of minstens manueel, maar georganiseerd in een bestand) alsook aan die van artikel 3.1 van de AVG (territoriaal toepassingsgebied), aangezien de verweerder hoofdzakelijk op Belgisch grondgebied gevestigd is. 31. De verweerder heeft bovendien de genoemde verwerkingen uitgevoerd als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4.7 van de AVG , hetgeen door geen 15, van de partijen wordt betwist en door de verweerder zelf wordt erkend. Deze hoedanigheid vloeit voort uit de opdracht die de gemeenschapswetgever hem heeft toevertrouwd, zoals verderop in deze beslissing zal worden toegelicht. In feite kan de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke - die wordt toegekend aan de persoon die het doel van en de 13 Artikel 4.2 van de AVG: “verwerking”: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens. 14 Artikel 4.6 van de AVG: "bestand": elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid. 15 Artikel 4.7 van de AVG: „verwerkingsverantwoordelijke”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen. Beslissing ten gronde 120/2024 — 11/34 middelen voor de gegevensverwerking vaststelt - voortvloeien uit de wet die hem specifiek aanwijst of uit het feit dat hem een taak van algemeen belang is toevertrouwd. 16 II.2. Wat betreft de grief dat de verweerder geen rechtmatigheidsgrond had (artikelen 6 en 9 van de AVG) II.2.1. Standpunt van de partijen Standpunt van de klager 32. De klager is van mening dat "de familierechtbank een partner kon opdragen om persoonlijke betrekkingen te onderhouden", maar niet "een partner kon opdragen om zonder enige toestemming verslag uit te brengen over het privéleven van een minderjarige en een burger in het kader van een civielrechtelijke procedure". Volgens de klager "was het algemeen belang gelegen in het onderhouden van persoonlijke betrekkingen, niet in de verwerking van persoonsgegevens ter controle van de erkenning van de partner" (pagina 20 van de conclusie van de klager). De klager voert dus aan dat er nooit sprake van is geweest om in de taken van de partners die bijstand verlenen aan een rechtzoekende, zoals de verweerder, ook het doorgeven van verslagen aan de rechter op te nemen, a fortiori met betrekking tot een minderjarig kind wiens gegevens zijn verwerkt zonder toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger (zie hieronder). Het betreffende decreet van 13 oktober 2016 maakt in dit verband geen melding van rapportage aan justitie voor wat de klager omschrijft als "onderzoeksdoeleinden". Volgens de klager kan de gegevensverwerking door een partner die bijstand verleent aan een rechtzoekende, zoals de verweerder, alleen worden uitgevoerd met het oog op het toezicht (artikel 20 van het decreet) door het bestuur op de goede uitvoering van diens taken en verplichtingen in verband met zijn erkenning en zijn subsidies, teneinde de dienstverlening aan de rechtzoekende te verbeteren en niet om de gerechtelijke autoriteiten te informeren (blz. 17 van de conclusie van de klager). Volgens de klager had het gerechtelijk mandaat dus "ab initio moeten worden verworpen" als zijnde onwettig en ongrondwettig krachtens artikel 22 van de Grondwet (blz. 18 van de conclusie van de klager). 16 Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB), Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen "verwerkingsverantwoordelijke" en "verwerker" in de AVG https://edpb.europa.eu/our-work-tools/ourdocuments/guidelines/guidelines-072020-concepts-controller-and-processor-gdpr nl Beslissing ten gronde 120/2024 — 12/34 33. Wat meer specifiek de rechtmatigheidsgrond voor de verwerkingen van zijn minderjarige kind betreft, verwijst de klager naar artikel 8.1 van de AVG 17 en artikel 7 van de WVG18 , en benadrukt hij dat hij nooit heeft ingestemd met de verwerking van de gegevens van zijn zoon van jonger dan 13 jaar en dat de verwerking ervan daarom onrechtmatig is. 34. Hij haalt ook artikel 8 van de WVG 19 aan met betrekking tot artikel 9.2.
  4. g)van de AVG 20., waarop de verweerder zich beroept, en beperkt zich tot het vermelden van enkele passages waarin staat dat de verwerking moet worden toegestaan door de Koning of dat de verwerkingsverantwoordelijke een lijst moet opstellen van de categorieën van personen die toegang hebben tot de gegevens, met een beschrijving van hun functie. Standpunt van de verweerder 35. In zijn conclusie en zijn aanvullende en syntheseconclusie voert de verweerder het volgende aan: 17 Artikel 8 van de AVG: 1. Wanneer artikel 6, lid 1, punt a), van toepassing is in verband met een rechtstreeks aanbod van diensten van de informatiemaatschappij aan een kind, is de verwerking van persoonsgegevens van een kind rechtmatig wanneer het kind ten minste 16 jaar is. Wanneer het kind jonger is dan 16 jaar is zulke verwerking slechts rechtmatig indien en voor zover de toestemming of machtiging tot toestemming in dit verband wordt verleend door de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt. De lidstaten kunnen dienaangaande bij wet voorzien in een lagere leeftijd, op voorwaarde dat die leeftijd niet onder 13 jaar ligt. 2. Met inachtneming van de beschikbare technologie doet de verwerkingsverantwoordelijke redelijke inspanningen om in dergelijke gevallen te controleren of de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt, toestemming heeft gegeven of machtiging tot toestemming heeft verleend. 3. Lid 1 laat het algemene overeenkomstenrecht van de lidstaten, zoals de regels inzake de geldigheid, de totstandkoming of de gevolgen van overeenkomsten ten opzichte van kinderen, onverlet. 18 Artikel 7 van de WVG: In uitvoering van artikel 8.1 van de Verordening is de verwerking van de persoonsgegevens van een kind met betrekking tot een rechtstreeks aanbod van diensten van de informatiemaatschappij aan een kind, rechtmatig indien de toestemming verleend wordt door kinderen van 13 jaar of ouder. Wanneer deze verwerking betrekking heeft op de persoonsgegevens van een kind jonger dan 13 jaar, is die slechts rechtmatig indien de toestemming wordt verleend door de wettelijke vertegenwoordiger van dit kind. 19 Artikel 8 van de WVG: § 1. In uitvoering van artikel 9.2.
  5. g)van de Verordening worden de hieronder vermelde verwerkingen beschouwd als noodzakelijke verwerkingen om redenen van zwaarwegend algemeen belang : 1° de verwerking door verenigingen met rechtspersoonlijkheid of stichtingen die als statutair hoofddoel de verdediging en de bevordering van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden hebben, verricht voor de verwezenlijking van dat doel, op voorwaarde dat voor de verwerking een machtiging is verleend door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit. De Koning kan nadere regels bepalen voor die verwerking; (…) § 2. De verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, de verwerker stellen een lijst op van de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens, met een beschrijving van hun hoedanigheid ten opzichte van de verwerking van de beoogde gegevens. Deze lijst wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit. De verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, de verwerker zorgen dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling, ertoe gehouden zijn het vertrouwelijke karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen. 20 Artikel 9.2.
  6. g)van de AVG: 1. Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden. 2. Lid 1 is niet van toepassing wanneer aan een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
  7. g)de verwerking is noodzakelijk om redenen van zwaarwegend algemeen belang, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene; (...). Beslissing ten gronde 120/2024 — 13/34 - De klager is een rechtzoekende in de zin van artikel 1.1° van het decreet van 13 oktober 2016, meer bepaald een "naaste van een minderjarige" zoals gedefinieerd in artikel 1, 6° die kan genieten van een van de door het genoemde decreet georganiseerde soorten hulpverlening, namelijk 'hulpverlening voor een betrekking'. Volgens artikel 10 van het decreet is de opdracht van de partners inzake hulpverlening voor een betrekking "elke hulpverlening om een betrekking tussen twee personen, waarvan één een rechtzoekende is, te doen ontstaan, te behouden, te begeleiden of te herstellen." Volgens artikel 11 moet de partner om deze opdracht uit te voeren "1° de naaste van een minderjarige die met deze niet leeft, helpen de betrekking tussen beide te behouden, te doen ontstaan of te herstellen, inzonderheid door ontmoetingen op een geschikte plaats voor te bereiden en te organiseren, onder begeleiding van een neutrale derde". - Het ministerieel besluit van 17 mei 2017 tot uitvoering van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 17 mei 2017 tot uitvoering van het voormelde decreet van 13 oktober 2016 beschrijft in zijn bijlage 16 betreffende de 'hulpverlening voor een betrekking' voor de naaste van de minderjarige, dat de partner (i.e. de verweerder) in het kader van zijn opdracht tot 'hulpverlening voor een betrekking' de taak heeft om het verzoek te beheren dat het gevolg is van een gerechtelijke beslissing, dat uitgaat van de SAJ, van de SPJ, of dat voortvloeit uit het akkoord tussen de partijen (artikel 2.2.). - De opdracht van de verweerder wordt ook bepaald door de familierechtbank wanneer deze hem opdraagt om de ontmoetingen te organiseren tussen de klager en zijn kind en om "bij de griffie (...) een schriftelijk verslag in te dienen over het verloop van deze ontmoetingen (...)" (zie de tekst van het vonnis dat in punt 6 hierboven is weergegeven). De verweerder wijst erop dat de klager (onder meer) de rechtmatigheid van de indiening van verslagen bij de rechter in de onderhavige procedure voor de GBA aanvecht, maar dat hij geen beroep in rechte heeft aangetekend tegen de rechtmatigheid van de beslissing van de familierechter in dat verband. De verweerder benadrukt dat de GBA niet de bevoegdheid heeft om in de plaats te komen van de wettelijk georganiseerde gerechtelijke handhavingsmiddelen waarvan de klager heeft gekozen geen gebruik te maken. 36. De verweerder concludeert dat, naast de beslissing van de rechtbank van (...), het decreet van 13 oktober 2016 en de uitvoeringsbesluiten ervan een rechtsgrond van voldoende kwaliteit vormen op het vlak van voorspelbaarheid. De omstreden verwerking heeft derhalve een geldige rechtmatigheidsgrond in de zin van artikel 6.1.
  8. e)van de AVG, waarop de verweerder, die door deze teksten is belast met een taak van algemeen belang in de zin van dit artikel, zich kan beroepen. 37. Wat meer specifiek de noodzaak betreft om de gegevens van het kind van de klager te verwerken, beroept de verweerder zich op bovengenoemde bijlage 16 bij het decreet van 13 oktober 2016, waarin de activiteiten en de taken van de verweerder met betrekking tot Beslissing ten gronde 120/2024 — 14/34 minderjarigen worden beschreven, en waarin ontmoetingen met hen en de uitvoering van de specifieke zorgvoorwaarden die tijdens teamvergaderingen zijn vastgesteld, worden geregeld. Deze ontmoetingen en handelingen met betrekking tot minderjarigen kunnen enkel efficiënt worden uitgevoerd door hen betreffende persoonsgegevens te verwerken, inclusief gezondheidsgegevens als er rekening moet worden gehouden met aspecten in verband met hun gezondheid. 38. Wat meer in het bijzonder de "gegevens die verband houden met de gezondheid" van de zoon van de klager betreft, is de verweerder van mening dat hij zich kan beroepen op artikel 9.2.
  9. g)van de AVG, waarvan de 4 voorwaarden zijn vervuld. - De verwerking wordt gerechtvaardigd door een belangrijke reden van algemeen belang op basis van de wetgeving van een lidstaat: enerzijds de beslissing van de familierechtbank op grond van het belang van het kind en anderzijds het reeds aangehaalde decreet van 13 oktober 2016 en ministerieel besluit van 17 mei 2017; - De verwerking is evenredig met het nagestreefde doel: het is evenredig dat de verslagen betrekking hebben op de feiten en wat er tijdens de ontmoetingen is gezegd, met inbegrip van de logopedische aspecten van de zoon van de klager, aangezien de klager om een dergelijk verslag heeft verzocht; - De verwerking voldoet aan de essentie van het recht op gegevensbescherming. Het decreet voorziet in waarborgen voor gegevensbescherming, waaronder vertrouwelijkheid (zie vierde voorwaarde hieronder); - Het decreet voorziet in passende en specifieke maatregelen om de grondrechten en belangen van de betrokkene te beschermen, zoals het beroepsgeheim waartoe het personeel van de verweerder verplicht is (artikel 51 van het decreet). De verweerder beroept zich ook op de deontologische code voor ontmoetingsplaatsen (bijlage 2 bij het besluit van de Waalse regering van 28 juli 2004 tot uitvoering van het decreet van 27 mei 2004 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de diensten van "EspacesRencontres" (ontmoetingsruimten)), die voorziet in de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de gevolgde kinderen en ouders, en in een geheimhoudingsplicht en een beroepsgeheim voor het personeel. 39. De verweerder voegt eraan toe dat artikel 8.1 van de AVG en artikel 7 van de WVG dit in Belgisch recht omzet, waarop de klager zich beroept, in casu niet van toepassing zijn, aangezien zij de vervulling van twee voorwaarden veronderstellen, die ontbreken. Volgens de verweerder is er namelijk

(1)geen sprake van gegevensverwerking in verband met het rechtstreeks aanbieden van een dienst van de informatiemaatschappij aan een kind in de zin Beslissing ten gronde 120/2024 — 15/34 van artikel 4.25 van de AVG onder verwijzing naar richtlijn EU 2015/1535 21,
(2)noch van een verwerking op basis van toestemming op grond van artikel 6.1.
  1. a)van de AVG, aangezien de verweerder zich, zoals hierboven betoogd, beroept op artikel 6.1.
  2. e)van de AVG, dat is opgenomen in het decreet van 13 oktober 2016, en niet op artikel 6.1.
  3. a)van de AVG. 40. Concluderend kan worden gesteld dat de verwerking van gegevens betreffende zowel de klager als zijn minderjarige zoon - met inbegrip van gegevens die verband houden met diens gezondheid - volgens de verweerder is gebaseerd op een geldige rechtmatigheidsgrond, namelijk de artikelen 6.1.
  4. e)en 9.2 van de AVG. II.2.2. Beoordeling door de Geschillenkamer 41. De Geschillenkamer merkt op dat de klager zijn klacht in eerste instantie leek te beperken tot de onrechtmatigheid van de verwerking van de gegevens van zijn zoon in de verslagen van de verweerder en de onrechtmatigheid van de mededeling van deze verslagen (althans verslag 1) aan de familierechter ingevolge het vonnis van 24 maart 2021. Volgens de Geschillenkamer klaagt de klager in zijn conclusie echter meer in het algemeen over de onrechtmatigheid van de door de verweerder verrichte gegevensverwerkingen, waaronder hem betreffende gegevens. De Geschillenkamer zal derhalve de rechtmatigheid van alle gegevensverwerkingen (van de klager en zijn minderjarige zoon) onderzoeken. 42. De Geschillenkamer herinnert eraan dat elke verwerking van persoonsgegevens moet gebaseerd zijn op een van de rechtmatigheidsgronden vervat in artikel 6.1 van de AVG. 43. Wanneer bijzondere categorieën van gegevens in de zin van artikel 9.1 van de AVG worden verwerkt, moet de verwerkingsverantwoordelijke zich kunnen beroepen op een rechtmatigheidsgrond als voorzien in artikel 6.1 van de AVG (zie hierboven), en het verbod op de verwerking van bijzondere categorieën van gegevens op grond van artikel 9.1 van de AVG kunnen opheffen. Met andere woorden, de verweerder moet, naast een van de gevallen van artikel 6.1 van de AVG, zich rechtsgeldig kunnen beroepen op een van de gevallen die worden opgesomd in artikel 9.2 van de AVG22. 21 Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, PB L 241/1. 22 In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 21 december 2023 (C-667/21 - ECLI :EU:C:2023:102) is deze vereiste van de cumulatieve toepassing van de artikelen 6 en 9 van de AVG vastgelegd, in die zin dat alle verwerkingen moeten voldoen aan de voorwaarde van rechtmatigheid (artikel 6 gelezen in samenhang met artikel 5.1.
  5. a)van de AVG) en de aanvullende bescherming die artikel 9 van de AVG biedt aan bijzondere categorieën van gegevens. Zie met name de derde prejudiciële vraag in punt 71 en de conclusie van het HvJ-EU in de punten 78 en 79 van zijn arrest: https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9591B02703C9ECFD8AF9810A9AEC98A6?text=&docid=2 80768&pageIndex=0&doclang=en&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=9493645 Beslissing ten gronde 120/2024 — 16/34 44. In verslag 1 dat de verweerder voor de rechter heeft opgesteld, wordt melding gemaakt van de vraag die de klager aan zijn ex-vrouw heeft gesteld over de logopedische behandeling van hun zoon. De kwestie van het slikvermogen van het kind wordt ook aan de orde gesteld in de betwiste verslagen (verslagen 1 en 5). Artikel 4.15 van de AVG 23, toegelicht in overweging 3524, definieert ruim wat moet worden verstaan onder "verband houden met de gezondheid" of "betrekking hebben op de gezondheidstoestand" van een persoon. Problemen met het slikken en logopedische problemen onthullen een aspect van de gezondheidstoestand van de zoon van de klager en zijn daarom gegevens die verband houden met de gezondheid van de zoon in de zin van de artikelen 4.15 en 9.1 van de AVG. 45. In het onderhavige geval merkt de Geschillenkamer op dat de door de verweerder uitgevoerde verwerkingen van de gegevens van zowel de klager als zijn minderjarige zoon het gevolg zijn van het vonnis van de familierechtbank van (...), waarin de verweerder zeer expliciet werd aangewezen om
(1)ontmoetingen tussen de klager en zijn zoon te organiseren en
(2)de rechtbank verslagen van deze ontmoetingen toe te sturen (punt 5 van de feitenlijst). 46. De Geschillenkamer is van oordeel dat de verweerder de gegevens van de klager en zijn minderjarige zoon heeft verwerkt ingevolge de hem door de gemeenschapswetgever opgedragen opdracht in de zin van het decreet van 13 oktober 2016 (artikel 6.1.
  1. e)van de AVG) naar aanleiding van het vonnis. 47. Voor de toepassing van artikel 6.1.
  2. e)van de AVG moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden, die de Geschillenkamer zal controleren: o Volgens artikel 6.3.
  3. b)van de AVG, gelezen in het licht van de overwegingen 41 en 45, moet de verwerkingsverantwoordelijke zijn belast met de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag op grond van een rechtsgrond, hetzij krachtens het recht van de Europese Unie, hetzij krachtens het recht van de lidstaat; 23 Artikel 4.15 van de AVG: “gegevens over gezondheid”: persoonsgegevens die verband houden met de fysieke of mentale gezondheid van een natuurlijke persoon, waaronder gegevens over verleende gezondheidsdiensten waarmee informatie over zijn gezondheidstoestand wordt gegeven. 24 Overweging 35 van de AVG: Persoonsgegevens over gezondheid dienen alle gegevens te omvatten die betrekking hebben op de gezondheidstoestand van een betrokkene en die informatie geven over de lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand van de betrokkene in het verleden, het heden en de toekomst. Dit omvat informatie over de natuurlijke persoon die is verzameld in het kader van de registratie voor of de verlening van gezondheidszorgdiensten als bedoeld in Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad
(9)aan die natuurlijke persoon; een aan een natuurlijke persoon toegekend cijfer, symbool of kenmerk dat als unieke identificatie van die natuurlijke persoon geldt voor gezondheidsdoeleinden; informatie die voortkomt uit het testen of onderzoeken van een lichaamsdeel of lichaamseigen stof, met inbegrip van genetische gegevens en biologische monsters; en informatie over bijvoorbeeld ziekte, handicap, ziekterisico, medische voorgeschiedenis, klinische behandeling of de fysiologische of biomedische staat van de betrokkene, ongeacht de bron, zoals bijvoorbeeld een arts of een andere gezondheidswerker, een ziekenhuis, een medisch hulpmiddel of een invitrodiagnostiek. Beslissing ten gronde 120/2024 — 17/34 o De doeleinden van de verwerking moeten noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van algemeen belang of de uitoefening van het openbaar gezag. 48. Overweging 41 verduidelijkt de kwaliteit van deze rechtsgrondslag waarnaar in de eerste voorwaarde wordt verwezen: "Wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)." 49. Met andere woorden, overeenkomstig overweging 41 moet deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel duidelijk en nauwkeurig zijn en moet de toepassing ervan voor de rechtzoekenden voorspelbaar zijn, overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ-EU en het EHRM. 50. Deze vereiste van voorspelbaarheid impliceert dat bepaalde elementen van de verwerking in de rechtsgrond moeten worden opgenomen, met name het doel van de verwerking. 51. Wat betreft de vereiste van noodzakelijkheid (tweede voorwaarde: de verwerking is slechts rechtmatig indien en voor zover zij noodzakelijk is voor de vervulling van de taak van algemeen belang), wijst de Geschillenkamer erop dat de wetgeving waarin de taak van algemeen belang is neergelegd, vaak geen specifieke bepaling(
  1. en)bevat voor de gegevensverwerkingen die noodzakelijk zijn voor de vervulling van die taak. Verwerkingsverantwoordelijken die een beroep willen doen op artikel 6.1.
  2. e)van de AVG, moeten zelf de afweging maken tussen de noodzaak van de verwerking voor de taak van algemeen belang die zij vervullen, en de belangen van de betrokkenen. 52. Samenvattend is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen enerzijds de taak van algemeen belang die in de wet moet worden omschreven (eerste voorwaarde) en anderzijds de gegevensverwerkingen die worden uitgevoerd in het kader van de vervulling van die taak van algemeen belang, welke gegevensverwerkingen noodzakelijk moeten zijn voor de vervulling van die taak, maar waarin, zoals eerder uiteengezet, niet altijd letterlijk wordt voorzien door de normatieve tekst die de taak als zodanig oplegt (tweede voorwaarde). 53. Zoals hierboven vermeld, zal de Geschillenkamer nagaan of in dit geval aan deze voorwaarden voor een beroep op artikel 6.1.
  3. e)van de AVG is voldaan, evenals aan die van Beslissing ten gronde 120/2024 — 18/34 artikel 9.2 van de AVG met betrekking tot de gezondheidsgegevens van de zoon van de klager. Wat betreft de taak van algemeen belang en de kwaliteit van de rechtsgrondslag (artikel 6.1.
  4. e)- eerste voorwaarde) 54. De Geschillenkamer wijst erop dat uit de artikelen 1, 10 en 11 van het decreet van 13 oktober 2016 blijkt dat de verweerder onder meer tot taak heeft rechtzoekenden 'hulpverlening voor een betrekking' te bieden door de naaste van een minderjarige die niet bij hem woont te helpen bij het behouden, doen ontstaan of herstellen van de betrekking tussen hen, met name door het voorbereiden en organiseren van ontmoetingen op een geschikte plaats, onder begeleiding van een neutrale derde. Uit bijlage 16 van het ministerieel besluit van 17 mei 2017 tot uitvoering van het decreet van de Regering van de Franse Gemeenschap van 17 mei 2017 tot uitvoering van het decreet van 13 oktober 2016 blijkt eveneens dat deze 'hulpverlening voor een betrekking' kan worden geboden op verzoek van de rechterlijke macht (punt A.2.2). 55. De Geschillenkamer concludeert dat de verweerder inderdaad door de wetgever was belast met een taak van algemeen belang en dat het doel van de gegevensverwerkingen die in deze zaak werden verricht ingevolge de wettelijk aan hem opgedragen taak, gelezen in het licht van het verzoek van de familierechter, voldoende is aangetoond in de zin van het genoemde decreet. Wat betreft de noodzaak van de verwerking van de gegevens van de klager en zijn zoon (artikel 6.1.
  5. e)- tweede voorwaarde) 56. De Geschillenkamer is van mening dat het vervullen door de verweerder van zijn taak op verzoek van de rechter in deze zaak noodzakelijkerwijs leidt tot de verwerking van de gegevens van de klager en zijn zoon. Het feit dat in het decreet van 13 oktober 2016 en de uitvoeringsbepalingen daarvan niet is gepreciseerd dat de organisatie en de voorbereiding van ontmoetingen in het kader van 'hulpverlening voor een betrekking' verwerkingen van persoonsgegevens met zich brengen, weerhoudt de Geschillenkamer er niet van om met de verweerder van oordeel te zijn dat deze verwerkingen een noodzakelijk onderdeel vormen van de vervulling van die taak. Zij nemen de vorm aan van feitelijke verslagen waarmee de verweerder zijn taak vervult. Deze verslagen ondersteunen de kern van zijn activiteit en het is in dit geval niet ongebruikelijk, zoals de Geschillenkamer hierboven heeft opgemerkt, dat de wetgever niet (alle) gegevensverwerkingen benoemt die nodig zijn voor het vervullen van de taak waartoe hij de opdracht heeft gegeven. 57. Het feit dat ditzelfde decreet daarentegen de gegevens benoemt die de verweerder moet meedelen om zijn subsidies te rechtvaardigen en zijn erkenning te handhaven, kan deze vaststelling niet in twijfel trekken of de mogelijkheid uitsluiten dat andere Beslissing ten gronde 120/2024 — 19/34 gegevensverwerkingen - zoals de hierboven bedoelde die de vorm aannemen van de verslagen van verweerder - noodzakelijk zijn voor zijn taak in de zin van artikel 6.1.
  6. e)van de AVG. In dit verband wijst de Geschillenkamer erop dat artikel 6.1.
  7. c)van de AVG ook bepaalt dat een wettelijke verplichting de basis kan zijn voor de rechtmatigheid van een gegevensverwerking. In tegenstelling tot gegevensverwerkingen die kunnen worden omschreven als "noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang" in de zin van artikel 6.1.
  8. e)van de AVG, moeten gegevensverwerkingen op basis van artikel 6.1.
  9. c)van de AVG altijd uitdrukkelijk in de wetstekst worden vermeld. 58. Bovendien blijkt uit het verzoek van de familierechter voldoende duidelijk dat de gevraagde verslagen noodzakelijkerwijs persoonsgegevens in verband met het kind zullen bevatten, aangezien, zoals uiteengezet in punt 6 hierboven, het verzoek van de rechter juist is om "ontmoetingen tussen de klager en zijn kind te organiseren en te begeleiden" 25. 59. Hetzelfde vonnis bepaalt dat de verweerder "een schriftelijk verslag over het verloop van deze ontmoetingen bij de griffie van de rechtbank moet indienen". Ook hier is de Geschillenkamer van oordeel dat de verweerder, aangezien hij overeenkomstig de voornoemde bijlage 16 op verzoek van de rechterlijke macht kon worden opgeroepen om tussenbeide te komen (punt A.2.2.), zich terecht kon beroepen op zowel het decreet als het burgerlijk vonnis waarin hij werd aangewezen om persoonsgegevens van de klager en zijn zoon in de vorm van een verslag aan de rechtbank mee te delen. 60. De vraag of, zoals de klager beweert, de opdracht van de rechter nooit had mogen worden gegeven en intrinsiek onwettig en ongrondwettig was, valt niet onder de competentie van de GBA (noch van de Geschillenkamer) zoals bepaald in de AVG (artikel 55 e.v.) en artikel 4 van de WOG. De GBA is geen hof van beroep en ook geen grondwettelijk hof. 61. Wat de verwerking van de gezondheidsgegevens van de zoon van de klager betreft, is de Geschillenkamer, ter ondersteuning van de overwegingen die volgen in de punten 62 en 63 hieronder, van mening dat de verweerder zich, naast artikel 6.1.
  10. e)van de AVG, kon beroepen op artikel 9.2.
  11. g)van de AVG, dat het verbod op de verwerking van bijzondere categorieën van gegevens (waaronder die betreffende de gezondheid) opheft wanneer "de verwerking noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen belang, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene". 62. In het onderhavige geval is de Geschillenkamer van mening dat zowel uit de taak die de verweerder is opgedragen bij het decreet van 13 oktober 2016 en het uitvoeringsbesluit 25 Bijlage 16 verwijst specifiek naar de ontmoeting met de minderjarige (punt C.2.3.). Beslissing ten gronde 120/2024 — 20/34 daarvan als uit het vonnis van de familierechtbank voortvloeit dat de verwerking van de gezondheidsgegevens van de zoon van de klager is toegestaan om een reden van zwaarwegend algemeen belang. Deze "reden van zwaarwegend algemeen belang" bestaat dus wel degelijk "op grond van lidstatelijk recht", welk "recht" voldoet aan de kwaliteitsvereisten als bedoeld in artikel 9.2.
  12. g)van de AVG. Voor zover nodig en omdat de klager lijkt te concluderen dat in dit geval niet aan de voorwaarden van artikel 8.1 van de WVG is voldaan, wijst de Geschillenkamer erop dat artikel 8.1 van de WVG uitvoering geeft aan artikel 9.2.
  13. g)van de AVG en een aantal gevallen opsomt waarin een reden van zwaarwegend algemeen belang het verbod op de verwerking van bepaalde categorieën van gegevens opheft, maar dat deze opsomming in artikel 8.1 van de WVG niet exhaustief is. De "reden van zwaarwegend algemeen belang" waarvan sprake in artikel 9.2.
  14. g)van de AVG kan voortvloeien uit andere Belgische wetgeving dan de WVG. De gemeenschapswetgever heeft de verweerder een taak van algemeen belang opgedragen ('hulpverlening voor een betrekking' aan de rechtzoekende) (decreet van 13 oktober 2016). De verwerkingen van de persoonsgegevens van de klager en zijn zoon door de verweerder, op verzoek van de rechtbank, ter uitvoering van deze taak is gebaseerd op artikel 6.1.
  15. e)van de AVG gelezen in het licht van het voornoemde decreet en vonnis (zie hierboven). De verwerkte gegevens omvatten gegevens met betrekking tot de gezondheid van het kind van de klager, die de verweerder naar de mening van de Geschillenkamer in het onderhavige geval mag verwerken, aangezien de verwerking noodzakelijk is om een reden van zwaarwegend algemeen belang in de zin van artikel 9.2.
  16. g)van de AVG. Deze grond is ook gebaseerd op de aan de verweerder toevertrouwde opdracht, gelezen in het licht van het vonnis van de familierechtbank, die erin bestaat de rechter in het belang van het kind een nauwkeurig verslag te verstrekken van de ontmoetingen tussen de klager en zijn kind in het kader van de 'hulpverlening voor een betrekking', aangezien tijdens deze ontmoetingen elementen van de gezondheid van het kind duidelijk kunnen worden 26. Het toestaan van de verwerking van gezondheidsgegevens is in dit geval evenredig met het door de norm nagestreefde doel, aangezien het gaat om het tot stand brengen van een 'hulpverlening voor een betrekking' in de vorm van ontmoetingen, en om de getrouwe feitelijke verslaglegging van de door de verweerder georganiseerde ontmoeting ter informatie van de opdrachtgevende magistraat. 26 Zie ook punt C.2.2. van de eerder genoemde bijlage 16, waarin de toepassing van bijzondere voorwaarden voor de opvang van de minderjarige wordt vermeld. Beslissing ten gronde 120/2024 — 21/34 De essentie van het recht op bescherming van de gegevens van de zoon van de klager, die de rechten behoudt die de AVG hem toekent met betrekking tot deze gegevensverwerkingen, wordt niet in vraag gesteld door de tekst van het decreet. De wet voorziet in waarborgen ter vrijwaring van de grondrechten en de belangen van de zoon van de klager, zoals
(1)het feit dat partners voor 'hulpverlening voor een betrekking' zoals de verweerder worden erkend op grond van specifieke voorwaarden, waaronder de naleving van de regelgeving inzake gegevensbescherming (artikel 18, 7°van het decreet van 13 oktober 2016) en dat deze erkenning beperkt is in de tijd (artikel 17 van het decreet van 13 oktober 2016);
(2)de verplichting tot vertrouwelijkheid en beroepsgeheim waaraan het personeel van de verweerder is gebonden (artikel 51 van het decreet van 13 oktober 2016),
(3)het feit dat alleen de mandaterende magistraat (afgezien van de ouders en hun raadsmannen) de ontvanger is van het/de verslag(en) (zoals toegestaan door het decreet van 2016 - zie bijvoorbeeld punt 2.2 van voornoemde bijlage 16 en zoals bepaald in het vonnis) en
(4)de mogelijkheid, zoals de verweerder aan de klager heeft meegedeeld, om opmerkingen over de inhoud en de gevolgen van een dergelijk verslag voor te leggen aan een magistraat in het kader van de gerechtelijke procedure, die zich ook kan bezighouden met kwesties op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens. 63. Wat betreft de noodzaak om de genoemde gegevens in het onderhavige geval te verwerken, afgezien van het feit dat de slikproblemen van het kind van de klager door de klager zelf worden genoemd, is de verweerder verplicht een volledig verslag van de ontmoeting te geven. Verder heeft de klager geen informatie verstrekt op grond waarvan de Geschillenkamer zou kunnen concluderen dat de verwerkte gegevens niet noodzakelijk waren om redenen van zwaarwegend algemeen belang bij de vervulling van de taak van de verweerder. 64. Concluderend besluit de Geschillenkamer op dit punt dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden van artikel 9.2.
  1. g)van de AVG is voldaan. Aangezien een beroep is gedaan op artikel 9.2.
  2. g)van de AVG, herinnert de Geschillenkamer de verweerder aan zijn verplichtingen op grond van artikel 8.2 van de WVG 27 in geval van de verwerking van bijzondere categorieën van gegevens. Conclusie 27 Artikel 8, § 2, WVG. De verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, de verwerker stellen een lijst op van de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens, met een beschrijving van hun hoedanigheid ten opzichte van de verwerking van de beoogde gegevens. Deze lijst wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit. De verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, de verwerker zorgen dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling, ertoe gehouden zijn het vertrouwelijke karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen. Beslissing ten gronde 120/2024 — 22/34 65. De conclusie van de Geschillenkamer is dat aan de voorwaarden van zowel artikel 6.1.
  3. e)als artikel 9.2.
  4. g)van de AVG is voldaan en dat de verweerder geen gebrek aan een rechtmatigheidsgrond voor de verwerking van de (gezondheid)gegevens van de klager en zijn zoon kan worden verweten. 66. In antwoord op het argument van de klager met betrekking tot artikel 8.1 van de AVG28 – en artikel 7 van de WVG ter uitvoering daarvan - , concludeert de Geschillenkamer dat deze artikelen niet van toepassing zijn. 67. Artikel 8.1 van de AVG is alleen van toepassing wanneer de verwerking is gebaseerd op toestemming (artikel 6.1.
  5. a)van de AVG). Dit is hier niet het geval, aangezien de Geschillenkamer heeft bevestigd dat de omstreden verwerking van de persoonsgegevens, waaronder die van de zoon van de klager die jonger is dan 13 jaar, is gebaseerd op artikel 6.1.
  6. e)van de AVG (geconcretiseerd in het decreet van 13 oktober 2016) en niet op de toestemming van de klager. 68. Voorts voegt de Geschillenkamer toe dat ook niet is voldaan aan de voorwaarde dat de verwerking verband moet houden met het rechtstreeks aanbieden van diensten van de informatiemaatschappij aan een kind. Om de reikwijdte van de term "dienst van de informatiemaatschappij" in de AVG te bepalen, verwijst artikel 4.25 van de AVG naar artikel 1.1.
  7. b)van Richtlijn (EU) 2015/153529, waarin "dienst van de informatiemaatschappij" wordt gedefinieerd als: ”Elke dienst van de informatiemaatschappij, dat wil zeggen elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten wordt verricht. Voor de toepassing van deze definitie wordt verstaan onder:
  8. i)"op afstand": een dienst die wordt geleverd zonder dat de partijen gelijktijdig aanwezig zijn;
  9. ii)"langs elektronische weg": een dienst die wordt verzonden en ontvangen via elektronische apparatuur voor de verwerking (met inbegrip van digitale compressie) en de opslag van gegevens, en die geheel via draden, radio, optische middelen of andere elektromagnetische middelen wordt verzonden, doorgeleid en ontvangen; iii) "op individueel verzoek van een afnemer van diensten": een dienst die op individueel verzoek via de transmissie van gegevens wordt geleverd.” 69. In dit geval verleent de verweerder geen dienst op afstand, langs elektronische weg en op individueel verzoek van een afnemer van diensten. Hij brengt schriftelijk verslag uit van het verloop van de fysieke ontmoetingen in het kader van zijn opdracht van 'hulpverlening voor 28 Zie ook Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB), Richtsnoeren 05/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679, punten 125 en volgende: https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb guidelines 202005 consent nl.pdf 29 Zie voetnoot 21 hierboven. Beslissing ten gronde 120/2024 — 23/34 een betrekking'. Het feit dat zijn verslagen getypt zijn, maakt zijn activiteit nog geen "dienst van de informatiemaatschappij". Zijn verslagen, die persoonsgegevens bevatten, ondersteunen de kern van zijn taak, namelijk het verstrekken van de 'hulpverlening voor een betrekking' door middel van persoonlijke ontmoetingen, in dit geval tussen de klager en zijn zoon. Zo ook is de magistraat aan wie de verweerder zijn verslagen meedeelt, ook al gebeurt dat langs elektronische weg, geen afnemer die om een dergelijke "dienst" verzoekt, aangezien er in dit geval geen sprake is van een "dienst van de informatiemaatschappij" zoals gedefinieerd door de AVG. 70. Zonder enige conclusie te trekken met betrekking tot het bestaan van een inbreuk, plaatst de Geschillenkamer vraagtekens bij de praktijk van de verweerder om de betrokkene een toestemming voor de verwerking van zijn persoonsgegevens te laten ondertekenen (zie punt 15 hierboven) in het geval dat, zoals in het onderhavige geval, deze gegevensverwerkingen voortvloeien uit een taak die door de rechter aan de verweerder is opgedragen ter uitvoering van de hem bij decreet opgedragen taak. Als de betrokkene geen andere keuze heeft dan zich te schikken naar het genoemde vonnis, is het vrije karakter van de aldus verkregen toestemming (zoals vereist door artikel 6.1.a), gelezen in samenhang met artikel 4.11 van de AVG) twijfelachtig. De Geschillenkamer merkt echter op dat het document ook informatie verschaft aan de betrokkenen, waardoor zij van oordeel is dat het een informatief document is. De Geschillenkamer is van mening dat dit document de tussenkomst van de verweerder op grond van artikel 6.1.
  10. e)van de AVG, zoals hierboven toegelicht, niet opnieuw ter discussie stelt. Het is echter belangrijk dat er bij de betrokkenen geen verwarring ontstaat over de gebruikte rechtmatigheidsgrond, aangezien dit gevolgen heeft voor hun rechten. II.3. Wat betreft het niet-voldoen aan het verzoek tot rectificatie van de klager (artikel 16 van de AVG) II.3.1. Standpunt van de partijen Standpunt van de klager 71. Volgens de klager volstaat het om de opgestelde verslagen te vergelijken met zijn verzoek om te beseffen, althans naar de Geschillenkamer begrijpt, dat hij de juistheid van de gegevens wil betwisten en niet alleen om herformuleringen verzoekt. Hij voegt eraan toe dat de verweerder niet kan aanvoeren dat het een andere tussenpersoon (namelijk de familierechtbank) is die de gegevens rectificeert die door de partner die 'hulpverlening voor een betrekking" biedt, zijn verwerkt. Ten slotte beroept de klager zich op het feit, zoals vermeld in verband met de bespreking van de rechtmatigheid van de verwerkingen (punt II.2.), dat de door de verweerder uitgevoerde "rapportage" onrechtmatig en ongrondwettig Beslissing ten gronde 120/2024 — 24/34 is. Hij stelt ook dat het ontbreken van een beperking op zijn recht op rectificatie krachtens artikel 14.3 van de WVG30 hem de facto het recht geeft dit recht op te eisen. Standpunt van de verweerder 72. De verweerder wijst erop dat de klager de juistheid van de informatie die hij in zijn verslagen verstrekt op geen enkele wijze betwist. Een verzoek om een of andere term in het verslag te vervangen door een andere, een zin anders te formuleren of verduidelijkingen en details toe te voegen zonder de betekenis van het verslag te veranderen, doet niets af aan de nauwkeurigheid van de verwerkte gegevens. 73. De verweerder stelt ook dat de klager geen bewijs levert van de onjuistheid van de omstreden gegevens, terwijl artikel 16 van de AVG uitdrukkelijk bepaalt dat rectificatie kan worden verkregen met betrekking tot gegevens die onjuist zijn. 74. Ten slotte wijst de verweerder erop dat hij de klager er meermaals aan herinnerde dat hij het recht had zijn opmerkingen aan de familierechtbank voor te leggen teneinde alle informatie in het verslag die hij onjuist achtte te laten rectificeren. De verweerder gaf aan dat hij de opmerkingen van de klager naar de rechtbank kon sturen als hij dat wilde. 75. Concluderend voert de verweerder aan dat het gerechtvaardigd was om het verzoek tot rectificatie van de klager niet in te willigen. Artikel 16 van de AVG is dus niet geschonden. II.3.2. Beoordeling door de Geschillenkamer 76. De Geschillenkamer wijst erop dat artikel 16 van de AVG waarin het recht op rectificatie is vastgelegd, het volgende bepaalt: "De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste31 persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken." 77. Uit de klacht en de stukken van het dossier (de punten 11 en 14) blijkt dat de klager bepaalde passages in de door de verweerder opgestelde verslagen over zijn ontmoetingen met zijn zoon wenst te rectificeren (in zijn in punt 11 bedoelde verzoek klaagt de klager over "onjuiste" gegevens). Aangezien deze feitelijke relatie persoonsgegevens bevat die hem en zijn minderjarige zoon betreffen (zie punt 26 e.v.), heeft de klager het recht om de rechten uit te oefenen die hem worden verleend door de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG, met inbegrip van het recht op rectificatie waarin artikel 16 voorziet. 30 Zie de punten 85-87 van de beslissing voor de inhoud van artikel 14.3 van de WVG. 31 De Geschillenkamer onderstreept. Beslissing ten gronde 120/2024 — 25/34 78. Artikel 16 van de AVG is nauw verbonden met het beginsel van juistheid van gegevens dat is vastgelegd in artikel 5.1.
  11. d)van de AVG32. 79. De toepassing ervan veronderstelt in het eerste deel (eerste zin) dat de persoonsgegevens van de betrokkene onjuist zijn. De Geschillenkamer beschikt niet over inlichtingen op grond waarvan zij de juistheid of onjuistheid kan beoordelen van de informatie in de betrokken verslagen 1 en 5, die betrekking hebben op feiten die zich in aanwezigheid van de partijen hebben voorgedaan. De klager verstrekt de Geschillenkamer geen bewijs ter ondersteuning van zijn verzoek tot rectificatie. Derhalve oordeelt de Geschillenkamer dat zij geen schending van artikel 16 van de AVG door de verweerder kan vaststellen en dat zij hem dus a fortiori niet kan opleggen om aan het verzoek tot rectificatie van de klager te voldoen. 80. Bij lezing van de door de klager ingediende verzoeken (zie punt 14) stelt de Geschillenkamer bovendien vast dat het in veel gevallen gaat om verzoeken om verduidelijking, aanvulling of herformulering die de juistheid van hetgeen is vastgelegd niet ter discussie stellen. 81. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder de klager heeft geantwoord binnen de in artikel 12.4 van de AVG voorgeschreven termijn die van toepassing is in het geval van weigering om te voldoen aan een verzoek tot rectificatie. Op 8 juni 2022 heeft de verweerder een met redenen omkleed antwoord gestuurd op het verzoek van de klager van 1 juni 2022, d.w.z. binnen de termijn van een maand zoals voorgeschreven in het genoemde artikel 12.4 van de AVG (de punten 11-12 hierboven). De Geschillenkamer wijst erop dat, naast het naleven van de antwoordtermijn van een maand en de vermelding van de redenen voor de weigering, artikel 12.4 van de AVG33 vereist dat de verwerkingsverantwoordelijke de ontvanger van het antwoord informeert over de mogelijkheid om een klacht in te dienen (klacht - artikel 77 van de AVG) bij een gegevensbeschermingsautoriteit en een voorziening in rechte in te stellen (artikel 79 van de AVG). 82. De Geschillenkamer voegt eraan toe dat een verwerkingsverantwoordelijke zich niet, zoals de klager opmerkt, aan zijn rectificatieplicht kan onttrekken door de betrokkene (in dit geval de klager) te verwijzen naar de uiteindelijke ontvanger van de gegevens, zelfs als deze laatste hem heeft aangewezen om een taak uit te voeren die de genoemde gegevensverwerkingen met zich meebrengt. Dat is echter niet wat er in dit geval is gebeurd. Als was gebleken dat de gegevens in de verslagen onjuist waren, had de verweerder als verwerkingsverantwoordelijke deze moeten rectificeren. Hij was van mening dat dit hier niet 32 Artikel 5.1.
  12. d)van de AVG: Persoonsgegevensmoeten juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren (juistheid). 33 Artikel 12.4 van de AVG: 4. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke geen gevolg geeft aan het verzoek van de betrokkene, deelt hij deze laatste onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek mee waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven, en informeert hij hem over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit en beroep bij de rechter in te stellen. Beslissing ten gronde 120/2024 — 26/34 het geval was en antwoordde de klager op 8 juni 2022 in die zin, waarbij hij erop wees dat hij een feitelijke weergave had gegeven van wat er had plaatsgevonden. Hij deelde de klager daarenboven mee dat hij de inhoud van het verslag voor de rechtbank kon aanvechten in het kader van de gerechtelijke procedure. De verweerder heeft zich aldus niet onttrokken aan zijn plicht tot rectificatie door de klager naar de familierechtbank te verwijzen. In de eerste plaats heeft hij zijn weigering afdoende gemotiveerd. De verweerder heeft weliswaar niet letterlijk gesteld dat er geen sprake was van onjuistheden in de gegevens, maar door te stellen dat de verslagen een getrouwe weergave van de feiten bevatten en door de toepassing van de AVG te erkennen via de verwijzing naar met name de rechtmatigheidsgronden, is deze motivering naar het oordeel van de Geschillenkamer in casu toereikend. 83. De Geschillenkamer verwerpt ook het argument van de klager dat, aangezien de door artikel 14.3 WVG toegestane beperkingen van het recht op rectificatie niet van toepassing waren op de verweerder, hij noodzakelijkerwijs het recht had om de gevraagde rectificaties te verkrijgen. 84. Artikel 14.3 van de WVG moet worden gelezen samen met artikel 14.1 van de WVG dat bepaalt: "In toepassing van artikel 23 van de Verordening zijn de in de artikelen 12 tot 22 en 34 van de Verordening bedoelde rechten en het principe van transparantie van de verwerking bedoeld in artikel 5 van de Verordening niet van toepassing op de verwerkingen van gegevens die rechtstreeks of onrechtstreeks afkomstig zijn van de gerechtelijke overheden, de politiediensten, de algemene inspectie van de federale politie en de lokale politie, de Cel voor Financiële Informatieverwerking, de Algemene administratie van douane en accijnzen en de Passagiersinformatie-eenheid als bedoeld in titel 2, ten aanzien van: 1° de overheden, in de zin van artikel 5 van deze wet, aan wie de gegevens door de politiediensten werden bezorgd door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie; 2° andere instanties en organen waaraan de gegevens werden bezorgd door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie." 85. Artikel 14.3 van de WVG bepaalt dat "deze beperkingen [...] slechts van toepassing [zijn] op de gegevens die aanvankelijk verwerkt werden voor de doeleinden bedoeld in artikel 27 van deze wet", dat wil zeggen met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. 86. In dit verband stelt de Geschillenkamer dat aan de klager weliswaar een recht op rectificatie krachtens artikel 16 van de AVG is toegekend, maar dat hij niettemin is onderworpen aan de toepassingsvoorwaarden van dat artikel om een rectificatie te verkrijgen, hetgeen, zoals hierboven uiteengezet, niet het geval was bij gebrek aan (bewijs van) onjuistheid van de verwerkte gegevens. Het feit dat eventuele beperkingen van dit recht - die overigens zijn Beslissing ten gronde 120/2024 — 27/34 toegestaan voor procedures op grond van titel II van de WVG die in casu niet van toepassing zijn - niet door de verweerder konden worden ingeroepen, maakt het recht op rectificatie van de klager niet tot een onvoorwaardelijk of absoluut recht. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 16 van de AVG blijven bestaan en, zoals hierboven aangetoond, werd daar in dit geval niet aan voldaan. 87. Concluderend stelt de Geschillenkamer op dit punt vast, net als in punt 79 hierboven, dat artikel 16 van de AVG niet is geschonden door de verweerder. II.4. Wat betreft het niet-voldoen aan het verzoek tot gegevenswissing van de klager (artikel 17 van de AVG) II.4.1. Standpunt van de partijen Standpunt van de klager 88. Als gevolg van de onrechtmatigheid van de gegevensverwerkingen door de verweerder (zie hierboven), is de klager van mening dat de genoemde gegevens noodzakelijkerwijs moeten worden verwijderd op grond van artikel 17 van de AVG. Standpunt van de verweerder 89. De verweerder stelt dat aangezien de verwerking niet onrechtmatig was omdat deze enerzijds was gebaseerd op een geldige rechtmatigheidsgrond en in overeenstemming was met het toepasselijke recht (punt II.2.), en de gegevens anderzijds niet onjuist waren (punt II.3), de klager geen gronden had in de zin van artikel 17.1 van de AVG op basis waarvan hij kon verzoeken om zijn gegevens te laten wissen. 90. De verweerder beroept zich voorts op artikel 17.3.
  13. b)van de AVG, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat: " De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is: (...)
  14. b)voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend." 91. De verweerder ziet in artikel 17.3.
  15. b)van de AVG een dubbele reden voor het weigeren de gegevens te wissen. Enerzijds concludeert hij dat de klager als gevolg van zijn taak van algemeen belang geen recht heeft op wissing van de gegevens die zijn verwerkt in het kader van de door de rechtbank gevraagde ontmoetingen tussen de ouder en het kind. Anderzijds voegt hij daaraan toe dat zelfs indien de verweerder de klager zou toestaan zijn recht op gegevenswissing uit te oefenen, quod non, hij een dergelijke wissing niet zou kunnen uitvoeren omdat hij gebonden is door een wettelijke verplichting die het wissen van de Beslissing ten gronde 120/2024 — 28/34 gegevens uitsluit, dit op grond van artikel 21 van het reeds aangehaalde decreet van 13 oktober 2016. - Het genoemde artikel 21 bepaalt: "Op aanvraag van het bestuur, deelt de partner aan deze elke informatie in verband met de uitvoering van zijn opdracht mee, volgens door de Regering nader te bepalen regels.". - Artikel 21/1 van hetzelfde decreet bepaalt het volgende: "§ 1. In het kader van de toepassing van artikel 21, met het oog op het toezicht op de uitvoering van de opdrachten door de partners, worden per categorie betrokkenen de volgende categorieën gegevens verwerkt: 1° (…) rechtzoekenden: ▪ identificatiegegevens ▪ gegevens over persoonlijke kenmerken ▪ gegevens over de samenstelling van het huishouden ▪ gegevens over seksleven en seksuele geaardheid - gegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming § 3. De regering bepaalt de lijst van de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens, de bewaartermijnen en de wijze van mededeling aan de betrokkenen." 34 92. De verweerder voegt eraan toe dat de in het genoemde artikel 21/1 bedoelde bewaartermijnen zijn terug te vinden in het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 17 mei 2017 tot uitvoering van het decreet, in artikel 50/2.2, waarin is bepaald dat de gegevens 13 jaar worden bewaard. 93. Artikel 15 van het uitvoeringsbesluit van 17 mei 2017 verplicht de partner overigens om het bestuur de documenten ter beschikking te stellen waarmee de uitvoering van de handelingen, activiteiten en taken die de uitvoering van de opdracht mogelijk maken, kan worden gecontroleerd. Het ruime begrip "documenten" waarnaar in dit artikel wordt verwezen, bevestigt volgens de verweerder opnieuw zijn verplichting om alle verwerkte gegevens in het kader van de uitvoering van de hem bij het decreet of het gerechtelijk mandaat opgedragen taak gedurende een relatief lange periode te bewaren. 94. Ten slotte verklaart de verweerder dat hij de hem toegekende subsidies ook moet rechtvaardigen door maandelijks ten minste de volgende informatie te verstrekken: de betrokken opdracht en prestaties, het totale aantal begeleidingen per type rechtzoekende, 34 Decreet van 1 december 2022 tot wijziging van het decreet van 13 oktober 2016 betreffende de erkenning en de subsidiëring van partners, BS, 1 februari 2023, artikel 12. Beslissing ten gronde 120/2024 — 29/34 de data van het begin, en, in voorkomend geval, de afsluiting van elke begeleiding (artikel 34 van het voornoemde besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 17 mei 2017). 95. Kortom, de verweerder is van mening dat hij het verzoek tot gegevensschrapping van de klager terecht niet heeft ingewilligd. Artikel 17 van de AVG is dus niet geschonden. II.4.2. Beoordeling door de Geschillenkamer 96. De Geschillenkamer herinnert eraan dat op grond van artikel 17.1 van de AVG de betrokkene enerzijds het recht heeft van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen, en dat de verwerkingsverantwoordelijke anderzijds verplicht is die persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de gevallen opgesomd in artikel 17.1 van de AVG van toepassing is:
  16. a)de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt;
  17. b)de betrokkene trekt de toestemming waarop de verwerking overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), berust, in, en er is geen andere rechtsgrond voor de verwerking;
  18. c)de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2;
  19. d)de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;
  20. e)de persoonsgegevens moeten worden gewist om te voldoen aan een in het Unierecht of het lidstatelijk recht neergelegde wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
  21. f)de persoonsgegevens zijn verzameld in verband met een aanbod van diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 8, lid 1. 97. Op basis van haar eerdere vaststellingen beslist de Geschillenkamer dat de verweerder in de onderhavige zaak geen schending kan worden verweten van artikel 17.1.
  22. d)van de AVG, waarop de klager zich lijkt te beroepen wegens de verwerking van onjuiste (zie punt II.3 hierboven) of onrechtmatige (zie deel II.2 hierboven) gegevens. 98. De Geschillenkamer is het echter niet eens met de stelling van de verweerder in zijn syntheseconclusie dat, aangezien de verwerking niet onrechtmatig is (artikel 17.1.
  23. d)van de AVG), er geen gronden uit artikel 17.1 van de AVG kunnen worden ingeroepen. In beginsel had de verweerder op zijn minst andere mogelijkheden in overweging kunnen nemen, zoals Beslissing ten gronde 120/2024 — 30/34 die van artikel 17.1.
  24. a)of artikel 17.
  25. c)van de AVG. De Geschillenkamer is het echter eens met het argument dat de verweerder in elk geval redenen had om af te wijken van zijn eventuele verplichting tot gegevenswissing op grond van artikel 17.3.
  26. b)van de AVG. 99. In dit verband merkt de Geschillenkamer op dat de verweerder op 8 juni 2022 in die zin heeft geantwoord op het verzoek van de klager van 1 juni, dus binnen de in artikel 12.4 van de AVG voorgeschreven termijn van een maand, die geldt in geval van een weigering om te voldoen aan een verzoek op grond van artikel 17 van de AVG. De verweerder heeft dus binnen de gestelde termijn gezegd dat hij niet kon overgaan tot de gegevenswissing gezien zijn verplichting tot archivering en verantwoording van de ontvangen subsidies, beide bij wet voorgeschreven (punt 12). Net als in punt 83 hierboven, wijst de Geschillenkamer erop dat, naast de eerbiediging van de termijn om binnen een maand te antwoorden en de vermelding van de redenen voor de weigering, artikel 12.4 van de AVG vereist dat de verwerkingsverantwoordelijke de ontvanger van het antwoord informeert over de mogelijkheid om een klacht in te dienen (klacht - artikel 77 van de AVG) bij een gegevensbeschermingsautoriteit en een voorziening in rechte in te stellen (artikel 79 van de AVG). 100. Met betrekking tot artikel 21/1 van het decreet van 13 oktober 2016 waarop de verweerder zich beroept, merkt de Geschillenkamer op, zoals de klager opmerkt, dat dit ten tijde van de feiten niet van toepassing was. Dit artikel werd immers ingevoerd, zoals de verweerder ook vermeldt in noot 17 van zijn conclusie, bij artikel 12 van het decreet van 1 december 2022 tot wijziging van het decreet van 13 oktober 2016. Behoudens uitzonderingen die in dit geval niet van toepassing zijn, is deze pas op 1 mei 2023 in werking getreden. 101. Wat betreft de artikelen 15 en 34 van het regeringsbesluit van 17 mei 2017 merkt de Geschillenkamer op dat deze beide van kracht waren ten tijde van de feiten. Als gevolg hiervan is de verweerder verplicht om het bestuur documenten ter beschikking te stellen waarmee de uitvoering van de handelingen, activiteiten en taken van de verweerder die de uitvoering van de opdracht mogelijk maken, kan worden gecontroleerd (artikel 15), en de administratieve informatie kan worden verstrekt om de berekening van zijn subsidie mogelijk te maken (artikel 34). 102. De Geschillenkamer deelt het standpunt van de verweerder dat artikel 15 van het decreet verwijst naar een ruim begrip van wat onder "document" moet worden verstaan. In het onderhavige geval is de Geschillenkamer in ieder geval van mening dat mogelijk weliswaar niet alle documenten die de verweerder in het kader van de uitvoering van zijn taak heeft opgesteld als zodanig moeten worden gearchiveerd of bewaard om te voldoen aan zijn archiveringsverplichtingen en de AVG, maar dat documenten zoals de verslagen die voor de familierechter zijn opgesteld zoals in dit geval, van wezenlijk belang zijn en zeker niet al op 8 Beslissing ten gronde 120/2024 — 31/34 juni 2022 (de datum van het verzoek van de klager) konden worden verwijderd, ook al waren ze pas op 15 mei 2021, dus iets meer dan een jaar eerder, aan de rechter voorgelegd. 103. De Geschillenkamer komt tot de conclusie dat de verweerder zich op artikel 17.3.
  27. b)van de AVG mocht beroepen en dat derhalve artikel 17 van de AVG niet is geschonden. III. Corrigerende maatregelen en sancties 104. Overeenkomstig artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die haar in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 105. In dit geval beslist de Geschillenkamer om de klacht te seponeren, in overeenstemming met artikel 100, 1°, van de WOG, om de hieronder uiteengezette redenen. Beslissing ten gronde 120/2024 — 32/34 106. Bij een seponering moet de Geschillenkamer haar beslissing stapsgewijs motiveren 35 en - een technisch sepot uitspreken indien het dossier geen of onvoldoende elementen bevat die tot een sanctie kunnen leiden of er een technische belemmering is waardoor geen beslissing kan worden genomen; - of een sepot om redenen van opportuniteit uit te spreken, indien ondanks de aanwezigheid van elementen die tot een sanctie kunnen leiden, de voortzetting van het onderzoek van het dossier niet opportuun lijkt in het licht van de prioriteiten van de Gegevensbeschermingsautoriteit, zoals gepreciseerd en toegelicht in het sepotbeleid van de Geschillenkamer36. 107. Als de zaak op verschillende gronden wordt geseponeerd, moeten deze (respectievelijk de grond(
  28. en)voor een technisch sepot en de grond(
  29. en)voor een sepot om redenen van opportuniteit) in volgorde van belangrijkheid worden behandeld 37. 108. De Geschillenkamer beslist op grond van de onderhavige beslissing de klacht op technische gronden te seponeren, aangezien zij bij de conclusie van de punten II.2, II.3 en II.4 heeft vastgesteld dat de verweerder zich in deze zaak niet schuldig heeft gemaakt aan een schending van de AVG. IV. Publicatie van de beslissing IV.1. Standpunt van de partijen 109. De verweerder vraagt in hoofdzaak de beslissing van de Geschillenkamer niet te publiceren. Subsidiair vraagt hij dat de gepubliceerde beslissing wordt ontdaan van alle identificerende verwijzingen. 110. De klager is van mening dat de beslissing moet worden gepubliceerd. IV.2. Beoordeling door de Geschillenkamer 111. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot het besluitvormingsproces van de Geschillenkamer wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de GBA. Het is evenwel niet nodig dat daarvoor de identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt. 35 Marktenhof (hof van beroep te Brussel). 2 september 2020, arrest 2020/AR/329, p. 18. 36 In dit verband verwijst de Geschillenkamer naar haar sepotbeleid, zoals uiteengezet en gepubliceerd op de website van de gegevensbeschermingsautoriteit: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf. 37 Cf. Titel 3 – In welke gevallen zal mijn klacht waarschijnlijk worden geseponeerd door de Geschillenkamer? van het sepotbeleid van de Geschillenkamer. Beslissing ten gronde 120/2024 — 33/34 112. De Geschillenkamer kan het verzoek van de verweerder om deze beslissing niet te publiceren niet inwilligen. 113. In overeenstemming met haar beleid inzake de publicatie van beslissingen 38, publiceert de Geschillenkamer elk van haar beslissingen met het oog op administratieve transparantie, wat vereist is uit hoofde van zowel haar taken als Gegevensbeschermingsautoriteit (artikel 57.10.
  30. b)en d), gelezen in samenhang met artikel 51 van de AVG) als haar hoedanigheid van administratieve autoriteit die is onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Het is in dit licht dat deze beslissing wordt gepubliceerd. In dit verband ziet de Geschillenkamer erop toe dat de redenen voor haar beslissing tot publicatie worden vermeld in de rubriek "Publicatie" en niet in de rubriek "Corrigerende maatregelen en sancties". 114. Deze publicatie heeft ook tot doel zichtbaarheid te geven aan het werk van de GBA (informatie- en bewustmakingsrol ten aanzien van bedrijven en burgers, met inbegrip van de pers), waarvoor zij eveneens publieke verantwoording moet afleggen (zowel aan politieke besluitvormers als aan het grote publiek). De status van de GBA als onafhankelijke administratieve autoriteit en haar uitgebreide taken en bevoegdheden rechtvaardigen dat zij publiekelijk verantwoording aflegt voor haar activiteiten en dat zij iedereen in staat stelt gemakkelijk en transparant toegang te hebben tot de standpunten die zij inneemt. Tot slot is een van de taken van de Geschillenkamer ook het opbouwen van een coherente rechtspraak. Daartoe, en om het geïnteresseerde publiek in staat te stellen er kennis van te nemen, is het van essentieel belang dat zij haar beslissingen publiceert, met inbegrip van de onderhavige beslissing. 115. Zoals in het hierboven genoemde beleid wordt aangegeven, is, in tegenstelling tot de publicatie van de beslissing als een "sanctie", de kwestie van het identificeren van de partijen minder belangrijk in de context van de publicatie voor transparantiedoeleinden, zoals in dit geval. Het gewenste doel kan worden bereikt, ongeacht of de partijen worden geïdentificeerd of niet. De Geschillenkamer wijst er niettemin op dat publicatie van de identificatiegegevens van rechtspersonen soms gerechtvaardigd is in het algemeen belang, vanwege de positie van de verwerkingsverantwoordelijke in de samenleving, het belang van de beslissing voor het algemene publiek of gewoon om een goed begrip van de beslissing mogelijk te maken. 116. In dit geval is de identificatie van de verweerder als een "partner die de rechtzoekende bijstand verleent in de vorm van 'hulpverlening voor een betrekking'" noodzakelijk voor een goed begrip van de beslissing, met name omdat daarin de kwestie van de rechtmatigheidsgrond van de uitgevoerde gegevensverwerkingen wordt besproken en, 38 Gegevensbeschermingsautoriteit, Geschillenkamer, Beleid van de Geschillenkamer inzake de publicatie van beslissingen: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beleid-van-de-geschillenkamer-inzake-de-publicatie-van-debeslissingen.pdf.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.