← België

Beslissing ten gronde nr. 130/2024

1/56 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 130/2024 van 11 oktober 2024 Dossiernummer : DOS-2023-04835 Betreft : klacht wegens het onrechtmatig en disproportioneel verwerken van persoonsgegevens met betrekking tot het gebruik van de MOBIB-kaart De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Jelle Stassijns, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna “WOG”; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, hierna “de klager”; De verweerster: Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, met maatschappelijke zetel te Motstraat 20 – 2800 Mechelen, met ondernemingsnummer 0242.069.537, vertegenwoordigd door mr. Bastiaan Bruyndonckx en mr. Liese Kuyken, hierna “de verweerster”. Beslissing ten gronde 130/2024 — 2/56 I. Feiten en procedure 1. Het voorwerp van de klacht betreft het onrechtmatig en disproportioneel verwerken van persoonsgegevens met betrekking tot het gebruik van de MOBIB-kaart. 2. Op 23 november 2023 diende de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de verweerster. De klager verzette zich tegen het verplicht valideren van zijn abonnement bij elk gebruik van een voertuig van de verweerster omdat dit de verweerster de mogelijkheid gaf zijn gewoontes van de laatste zes maanden te reconstrueren. Na een verzoek tot inzage ontving de klager de scans van zijn abonnement, waarin hij vaststelde dat volgende gegevens van de laatste zes maanden werden verwerkt bij elke scan: GPS-locatie waar het voertuig op dat moment stond, het precieze moment van validatie, de route en het voertuignummer van het voertuig waarop hij scande, … “Op basis van deze scans kan het volledig uitgevoerde traject gereconstrueerd worden:

  1. a)Enkel op maandag, donderdag, vrijdag wordt ’s morgens met de Lijn het traject afgelegd vanuit X (vertrekkende rond 06:20u) over Y (met overstap) naar Z.
  2. b)Enkel op donderdag, vrijdag wordt ’s avonds het traject afgelegd vanuit Z (vertrekkende rond 16:05u) richting Y met overstap richting X.
  3. c)Enkel op maandag avond is er een afwijkend scenario en wordt het traject afgelegd vanuit Z (vertrekkende rond 16:05u) richting Y met overstap richting A tot het einde van de [straat] om van daar uit ’s avonds terug te vertrekken meestal met een overstap richting X.”1 Daarenboven stelde de klager zich de vraag of het gebruik van een pasfoto op de MOBIB-kaart noodzakelijk was voor het doel van deze kaart. Tenslotte stelde de klager niet te weten welke gegevens op de chip van de MOBIBkaart werden opgeslagen, noch welke gegevens werden verwerkt in het geval men de MOBIB-kaart valideert in het voertuig van de verweerster. 3. Op 4 december 2023 werd de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en werd de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 4. Op 23 januari 2024 werden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 1 Stuk 4 van de inventaris van de Geschillenkamer: Mail met bijlagen, p 1-2. Beslissing ten gronde 130/2024 — 3/56 WOG. Tevens werden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. De reikwijdte van de zaak werd vastgesteld op de volgende vermeende inbreuken: - inbreuk op artikel 5.1.
  4. c)AVG, wegens een schending van het beginsel van dataminimalisatie door het verplichten tot scannen van de MOBIB-kaart bij iedere op- en overstap; en - inbreuk op artikel 6.1 in samenhang gelezen met artikel 6.4 AVG, wegens het verplichten tot scannen van de MOBIB-kaart; en - inbreuk op artikel 5.1.a), 12, 13 en 14 AVG, wegens het niet afdoende informeren van reizigers omtrent de gegevensverzameling die plaatsvindt aan de hand van het scannen van de MOBIB-kaart; en - inbreuk op artikel 25 AVG, wegens een schending van het beginsel van gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerster werd daarbij vastgelegd op 5 maart 2024, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 26 maart 2024 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerster op 16 april 2024. 5. Op 29 januari 2024 aanvaardde de klager elektronisch alle communicatie omtrent de zaak en gaf hij te kennen niet gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. 6. Op 29 januari 2024 aanvaardde de verweerster elektronisch alle communicatie omtrent de zaak, vroeg zij een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG), dewelke haar werd overgemaakt op 31 januari 2024, en gaf zij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. 7. Op 5 maart 2024 ontving de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerster. 8. Op 25 maart 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. Deze bevatte volgende grieven: a. Het plaatsen van zijn foto op de MOBIB-kaart zou niet noodzakelijk zijn; b. De verweerster zou niet transparant zijn in welke persoonsgegevens zij nu verwerkt; c. Het verplicht scannen van de MOBIB-kaart zou niet noodzakelijk zijn; d. Het doorgaan van registreren van zijn validatiegegevens na het intrekken van zijn toestemming voor de dienst ‘reisinfo op maat’ zou niet rechtmatig zijn; Beslissing ten gronde 130/2024 — 4/56 e. De verweerster zou gegevens delen met derden, wat geen deel uitmaakte van de initiële klacht; f. De verweerster weigerde de persoonsgegevens van de klager te verwijderen, wat geen deel uitmaakte van de initiële klacht. 9. Op 16 april 2024 ontvangt de Geschillenkamer de syntheseconclusie van repliek van de verweerster. a. Er is geen inbreuk op artikel 5.1.
  5. c)van de AVG omdat: ▪ de MOBIB-kaart enkel toereikende, ter zake dienende en noodzakelijke persoonsgegevens bevat ter identificatie van de reiziger; ▪ de validatie van de MOBIB-kaart slechts een beperkte verwerking van nietgevoelige persoonsgegevens (de ‘validatiegegevens’) inhoudt; ▪ de validatiegegevens voor welomschreven doeleinden worden verwerkt; ▪ de validatiegegevens worden gepseudonimiseerd vanaf het moment dat het mogelijk is; ▪ de verwerking ligt binnen de redelijke verwachtingen van het gebruik van een eticketing systeem. b. Er is geen inbreuk op artikel 6 van de AVG omdat: c. ▪ de verweerster steunt op het algemeen belang (artikel 6.1.
  6. e)AVG) en ▪ de verweerster steunt op toestemming (artikel 6.1.
  7. a)AVG). Er is geen inbreuk op de artikelen 5.1.a), 12, 13 en 14 van de AVG omdat er een duidelijk, volledig en intuïtief privacybeleid toegankelijk is. d. Er is geen inbreuk op artikel 25 van de AVG omdat: ▪ de gegevensbescherming door ontwerp wordt gegarandeerd en ▪ de gegevensbescherming door standaardinstellingen wordt gegarandeerd. 10. Op 7 mei 2024 voegde de klager een stuk toe aan het dossier. De verweerster vroeg in een schrijven van 23 mei 2024 dit stuk te weren gezien het was ingediend na de conclusietermijn en de verweerster zich hiertegen dus niet zou kunnen verdedigen. 11. Op 20 juni 2024 werden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zou plaatsvinden op 4 juli 2024. In dit schrijven verzocht de Geschillenkamer de verweerster bijkomende argumenten naar voor te brengen tijdens de hoorzitting aangaande volgende geschilpunt: Beslissing ten gronde 130/2024 — 5/56 “De Geschillenkamer verzoekt u om ter zitting nadere toelichting te verschaffen met betrekking tot: 1. de mogelijke inbreuk op artikel 5.1.
  8. c)van de AVG en artikel 25 van de AVG: in randnummer 32 van de syntheseconclusie van de verweerster leest de Geschillenkamer: “a. een operationele database Mobiguider, waarin […], hetgeen gelinkt is aan het klantenbestand […]”. Graag toelichting bij de noodzaak van het linken van het klantenbestand met de operationele database Mobiguider in het geval de reiziger geen toestemming heeft gegeven voor de dienstverlening “Reisinfo op Maat” in het licht van: a. Het privacybeleid van de Lijn dat stelt: “De Lijn gaat niet na welke individuele klant waar gebruik maakt van het openbaar vervoer” b. De mogelijkheid om anoniem te reizen waarbij de link tussen de operationele database Mobiguider en het klantenbestand, en dus de identiteit van de reiziger, (technisch en operationeel) niet noodzakelijk is. c. Artikel 44 septiesdecies van het Decreet betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn2 en artikel 37 van het decreet betreffende de basisbereikbaarheid 3.” 12. Op 1 juli 2024 werden de partijen ervan in kennis gesteld dat vanwege onbeschikbaarheden de hoorzitting werd verplaatst naar 26 augustus 2024. 13. Op 26 augustus 2024 werden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. 14. Op 2 september 2024 werd het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. 15. Op 3 september 2024 ontving de Geschillenkamer vanwege de klager enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij besliste mee op te nemen in haar beraad. 16. Op 5 september 2024 ontving de Geschillenkamer vanwege de verweerster enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij besliste mee op te nemen in haar beraad. 2 Decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij – De Lijn. 3 Decreet van 26 april 2019 betreffende de basisbereikbaarheid. Beslissing ten gronde 130/2024 — 6/56 II. Motivering II.1. Procedurele geschilpunten 17. De Geschillenkamer wijst erop dat zij als orgaan van een toezichthoudende autoriteit rekening moet kunnen houden met alle elementen die haar ter kennis zijn gekomen, teneinde een hoog niveau van gegevensbescherming te kunnen waarborgen. Dit neemt niet weg dat de procedure moet voldoen aan eisen van tegenspraak en gelijkheid van partijen. De procedure voorzien onder de onderafdeling “beraadslaging en beslissing ten gronde” in art. 98 e.v. WOG beoogt net een procedure op tegenspraak te voorzien. In het administratief recht moet daarbij in het bijzonder rekenschap genomen worden van de hoorplicht en de rechten van verdediging.4 18. De Geschillenkamer weert het stuk van 7 mei 2024, toegevoegd door de klager, uit de debatten aangezien dit is ingediend na het aflopen van de conclusietermijnen, en dit stuk geen bijzondere aanleiding geeft de debatten te heropenen. 19. De Geschillenkamer neemt de opmerkingen van de partijen naar aanleiding van het PV van de hoorzitting, in casu het schrijven van de klager van 3 september 2024 en van de verweerster van 5 september 2024, op in haar beraad voor zover deze opmerkingen een relevante aanvulling zijn op het PV van de hoorzitting en geen nieuwe elementen introduceren die niet werden aangehaald tijdens de hoorzitting. II.2. Beschrijving van de verwerking II.2.1. De diensten van de verweerster 20. De verweerster biedt op vraag van de Vlaamse overheid vervoersdiensten aan tegen betaling. De reisproducten van de verweerster kunnen in twee categorieën worden opgedeeld: gepersonaliseerde abonnementen en niet-gepersonaliseerde tickets. Teneinde de verschillende middelen van openbaar vervoer naadloos met elkaar te verbinden, werd in 2008 de MOBIB-kaart geïntroduceerd, waarop de vervoerbewijzen van de verschillende openbaarvervoermaatschappijen konden worden geplaatst. Voor de gepersonaliseerde vervoerbewijzen maakt de verweerster gebruik van de MOBIBkaart. 21. De verweerster verplicht elke reiziger zijn of haar MOBIB-kaart of ticket te valideren aan het validatietoestel bij het opstappen op een voertuig. Met deze verplichting wil de 4 Opdebeek I. en De Somer S., Algemeen Bestuursrecht: grondslagen en beginselen, Ed. 2, Antwerpen, 2019 Intersentia, specifiek deel V, Hoofdstuk III, Afdeling 7 m.b.t. de hoorplicht. Beslissing ten gronde 130/2024 — 7/56 verweerster de controle van het vervoersbewijs mogelijk maken, de dienst ‘reisinfo op maat’ mogelijk maken en ruwe vervoerdata verzamelen om haar dienstverlening aan te kunnen tonen en efficiënter te kunnen maken. II.2.2. De klantgegevens 22. De verweerster verwerkt persoonsgegevens ter identificatie van de reiziger om deze reiziger de correcte individuele vervoersbewijzen te verschaffen en te controleren en zodat zij met deze reiziger kan communiceren. Voor deze gegevens wordt het rijksregisternummer verwerkt ter unieke en zekere identificatie van de reiziger. Deze gegevens worden verwerkt op basis van een overeenkomst tussen de reiziger en de verweerster. Er bestaat de mogelijkheid om gebruik te maken van de basisdiensten van de verweerster zonder deze gegevens te moeten delen, namelijk door gebruik te maken van een eenvoudig ticket of groepsticket. 23. In het eerste middel van haar syntheseconclusie verwijst de verweerster naar de machtiging van het rijksregister die haar werd toegekend op 18 mei 2011 (hierna ‘beraadslaging 33/2011’)5 om aan te duiden welke persoonsgegevens worden verwerkt voor de aanmaak en het beheer van de MOBIB-kaart: • Naam en voornaam • Geslacht • Hoofdverblijfplaats (straat, huisnummer, bus nummer, postcode en gemeente) • Geboortedatum • Datum van overlijden • E-ID foto De verweerster heeft in haar syntheseconclusie ook de privacyverklaring toegevoegd 6. In deze privacyverklaring zijn de hierna vermelde persoonsgegevens terug te vinden die verwerkt worden in het kader van abonnementen bij het onderwerp ‘vervoerbewijs uitreiken en klantenbestand beheren’: • Naam en voornaam • Geslacht • Geboortedatum 5 Beraadslaging RR nr 33/2011 van 18 mei 2011 betreffende ‘aanvraag van de Vlaamse Vervoermaatschappij – De Lijn om de machtiging verleend bij KB van 5 september 1994 – die reeds bij beraadslagingen RR nrs. 04/2006 en 39/2007 werd verruimd – uit te breiden en om toegang te krijgen tot de foto’s, opgeslagen in het Register van de Identiteitskaarten en het Register van de Vreemdelingenkaarten (RN/MA/2011/009), randnummer 13. 6 Stuk 23 in de stukkenbundel van de verweerster: Privacybeleid van De Lijn. Beslissing ten gronde 130/2024 — 8/56 • Adres • Gezinssamenstelling • Contactgegevens (gsm en e-mail) • Foto • Rijksregisternummer • Type klant (sociaal statuut, handicap) II.2.3. De validatiegegevens 24. Zowel de algemene reisvoorwaarden7 als de algemene verkoopsvoorwaarden8 van de verweerster verplichten elke reiziger zijn of haar vervoersbewijs te valideren bij het instappen op een voertuig van de verweerster. Om te valideren moet de MOBIB-kaart of het niet-gepersonaliseerde ticket tegen het validatietoestel in het voertuig van de verweerster worden gehouden. De validatiegegevens “worden gelogd in het systeem van De Lijn op het moment dat de MOBIB-kaart een connectie opbouwt met het validatietoestel.”9 25. Op het moment van valideren worden volgens de verweerster de volgende gegevens verwerkt10: 7 • Identificatienummer van de MOBIB-kaart • Vervoersbewijs o Geldigheidsduur o Startdatum o eventueel resterende ritten • Datum en tijd validatie • Locatie validatie • Lijnnummer • Zone • Ritorder • Rit Stuk 3 in de stukkenbundel van de verweerster: Vorige Algemene Reisvoorwaarden De Lijn d.d. 1 september 2022. 8 Stuk 1 in de stukkenbundel van de verweerster: Algemene Verkoopsvoorwaarden De Lijn. 9 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 30. 10 Ibid. Beslissing ten gronde 130/2024 — 9/56 • ID van de chauffeur • Voertuignummer 26. Na zijn verzoek tot inzage van 10 oktober 2023 heeft de klager een tabel ontvangen met zijn validatiegegevens11. Het betrof volgende gegevens: • Datum en tijd van validatie • GPS-coördinaten op het moment van validatie • Buslijn waarop gevalideerd werd • Identiteitsnummer van het voertuig • ‘position ID’ • ‘stop ID’ II.2.4. De MOBIB-gegevens 27. Teneinde de reiziger efficiënt en eenvoudig gebruik te kunnen laten maken van alle openbare vervoerdiensten, werd in 2008 de MOBIB-kaart geïntroduceerd. Deze MOBIBkaart, die persoonlijk is, bevat een elektronische chip “die informatie opslaat over het soort vervoerbewijs dat erop is geladen, evenals de identificatiegegevens van de houder”12. Deze klantgegevens worden op de MOBIB-kaart gecombineerd met een beperkte set van validatiegegevens, met name de laatste drie validaties. De validatie met deze MOBIB-kaart laat de controle ter plaatse van de vervoersbewijzen van de reiziger toe. 28. De Geschillenkamer stelt vast dat de volgende gegevens terug te vinden zijn op deze MOBIB-kaart13: Zichtbaar op de kaart zelf: naam, voornaam, geboortedatum, identificatienummer van de MOBIB-kaart, vervaldatum van de MOBIB-kaart en een foto van de houder van de MOBIB-kaart. Op de chip van de kaart: naam, voornaam, geslacht, postcode, taal, foto van de houder, identificatienummer van de MOBIB-kaart, serienummer, vervaldatum van de MOBIB-kaart, actief of gedeactiveerd, de vervoersbewijzen die verbonden zijn aan het identificatienummer 11 Stuk 4 van de inventaris van de Geschillenkamer: Mail met bijlagen. 12 Syntheseconclusie verweerster, randnummer 4. 13 van de MOBIB-kaart per Deze gegevens zijn samengesteld uit gegevens uit de syntheseconclusie van de verweerster enerzijds en van de uitgever van de MOBIB-kaart, zoals terug te vinden in bijlage 6 van de stukken van de klager, anderzijds. Beslissing ten gronde 130/2024 — 10/56 vervoersmaatschappij en, voor de verweerster, de validatiegegevens van de drie laatste validaties. II.2.5. De databases van de verweerster 29. Op basis van de syntheseconclusie van de verweerster en elementen uit de hoorzitting, stelt de Geschillenkamer vast dat het systeem van de verweerster bestaat uit vier databases van belang in dit dossier: • Het ‘klantenbestand’, waarin de noodzakelijke gegevens van de reiziger worden opgeslagen op basis van de overeenkomst tussen de reiziger en de verweerster teneinde een geldig abonnement uit te kunnen reiken aan de reiziger. • De operationele database ‘Mobiguider’ waarin alle validatiegegevens terechtkomen wanneer ze worden doorgezonden van het validatietoestel in het voertuig naar het systeem van de verweerster. Mobiguider bevat alle validatiegegevens van alle reizigers over het volledige grondgebied dat de verweerster bestrijkt voor een periode van zes maanden. De Mobiguider is gelinkt aan het klantenbestand 14. • De ‘ODS’, die een exacte kopie van de Mobiguider is met als doel de “rapporteringen en opvragingen in de operationele database te beperken en onafhankelijk te zijn van beperkte veranderingen in het schema die geen impact hebben op de rapportering”15. • Een database (hierna ‘derde database’) waar de validatiegegevens in gepseudonimiseerde vorm worden bewaard16. II.3. De klacht 30. De klager is klant van de verweerster en heeft een abonnement. Initieel had de klager toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens in het kader van de dienst ‘reisinfo op maat’. Hij heeft deze toestemming op 7 oktober 2023 ingetrokken. Na een verzoek tot inzage in zijn persoonsgegevens, stelde de klager vast dat de verweerster in staat was zijn validatiegegevens te koppelen aan zijn identiteit, ook nadat hij zijn toestemming tot de dienst ‘reisinfo op maat’ had ingetrokken. De klager toont dit aan door de tabel van zijn validatiegegevens van 3 mei tot en met 27 oktober 2023 (dus zowel voor als na het intrekken van zijn toestemming) in de stukken bij te voegen. De klager oordeelt dat de verweerster op basis van deze validatiegegevensgegevens, 14 Syntheseconclusie verweerster, randnummer 32. 15 Ibid. 16 Ibid. Beslissing ten gronde 130/2024 — 11/56 gecombineerd met zijn MOBIB- en klantgegevens, zijn volledig uitgevoerd traject kan reconstrueren, ook nadat hij zijn toestemming voor de dienst ‘reisinfo op maat’ had ingetrokken; de klager ervaart dit als een ernstige schending van zijn privacy. 31. De klager verzet zich in de eerste plaats tegen de verplichte registratie en de exploitatie van zijn validatiegegevens bij elk gebruik van een vervoersmiddel van de verweerster. Door deze verplichting is de verweerster immers in staat om zijn reisgewoonten van de laatste zes maanden te analyseren, zonder dat de klager daar toestemming voor heeft gegeven. Tijdens de hoorzitting verfijnde de klager zijn klacht en verzet hij zich tegen het loggen van zijn identiteit en locatie in het systeem van de verweerster. Daarenboven stelt de klager dat hij onvoldoende is geïnformeerd over de verschillende verwerkingen van persoonsgegevens die de verweerster uitvoert met de MOBIB-kaart. Tenslotte verzet de klager zich tegen het zichtbaar plaatsen van zijn foto op de MOBIB-kaart. II.4. Verwerkingsverantwoordelijkheid van de validatiegegevens 32. De Geschillenkamer stelt vast dat er geen onenigheid is over de identificatie van de verwerkingsverantwoordelijke in dit dossier. De verweerster is (mede)verwerkingsverantwoordelijke voor de klantgegevens, de validatiegegevens en de MOBIBgegevens. 33. Artikel 37, §3, lid 4 van het decreet betreffende de basisbereikbaarheid van 26 april 2019 (hierna “decreet basisbereikbaarheid”) en artikel 44terdecies van het decreet betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn van 31 juli 1990 (hierna “oprichtingsdecreet”) duiden allebei de verweerster aan als verwerkingsverantwoordelijke. 34. De initiële klacht was duidelijk gericht tegen de verweerster en elke discussie over de verwerkingsverantwoordelijkheid van eventuele andere verwerkingsverantwoordelijken maakte geen deel uit van de scope van de initiële klacht. Daarenboven werd de verwerkingsverantwoordelijkheid door de verweerster zelf niet betwist. De Geschillenkamer zal in dit dossier niet ingaan op het bestaan van eventuele medeverwerkingsverantwoordelijken. II.5. Rechtmatigheid van de verwerking van de validatiegegevens (artikel 6.1 in samenhang met artikel 6.4 van de AVG) 35. De Geschillenkamer herinnert eraan dat ingevolge artikel 5.1.
  9. a)van de AVG persoonsgegevens rechtmatig, behoorlijk en transparant verwerkt moeten worden. Dit Beslissing ten gronde 130/2024 — 12/56 betekent dat de verwerking moet gebeuren op basis van de verwerkingsgronden zoals bepaald in artikel 6.1 van de AVG. Wanneer persoonsgegevens rechtmatig verwerkt worden, dan moet de verwerking ervan behoorlijk gebeuren. Ten slotte moet duidelijk zijn voor welke doelen persoonsgegevens worden verwerkt en hoe dat gebeurt. Het komt toe aan de verwerkingsverantwoordelijke om een rechtmatigheidsgrond voor zijn verwerking aan te geven.17 II.5.1. Relevante wetgeving 36. Decreet bestuursdecreet van 7 december 2018 (hierna ‘bestuursdecreet’) Artikel I.3 In dit decreet wordt verstaan onder: […] 2° Vlaamse administratie: […]
  10. e)de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen, met uitzondering van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid; Artikel III.7 De publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen zijn rechtspersonen waarvan de rechtsvorm niet in overeenstemming is met de dwingende bepalingen van het private vennootschaps- of verenigingsrecht. De publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen worden opgericht bij decreet. 37. Decreet betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn van 31 juli 1990 (hierna “oprichtingsdecreet”) Artikel 2: Er wordt een publiekrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid opgericht onder de naam “Vlaamse Vervoermaatschappij” […]. De krachtens het eerste lid opgerichte publiekrechtelijke vereniging wordt zonder onderbreking van de rechtspersoonlijkheid omgevormd tot een publiekrechtelijk 17 Zie beslissing en gronde 47/2022 van 4 april 2022, para 113 en beslissing 48/2022 van 4 april 2022, para 125 en 219, beschikbaar via de webpagina https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/professioneel/publicaties/beslissingen. Beslissing ten gronde 130/2024 — 13/56 vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap als bedoeld in artikel III.7 van het Bestuursdecreet, met als benaming Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn […]. […] Artikel 3: De [verweerster] heeft tot doel elke activiteit die rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk verband houdt met het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer verricht in het Vlaamse Gewest, vanuit of naar dit Gewest. De [verweerster] kan binnen haar normale werkingsgebied alle activiteiten opzetten waartoe haar personeel, haar installaties en haar uitrusting kunnen aangewend worden, in zover deze activiteiten verband houden met gemeenschappelijk stads- en streekvervoer, met inbegrip van het opvangen van piekmomenten in de vraag hetzij vervoer te water. […] Artikel 44quater, derde lid: De lijncontroleurs kunnen, met het oog op de vaststelling van overtredingen op de reisvoorwaarden, ten aanzien van reizigers en derden, de volgende maatregelen nemen: 1° zij zijn gemachtigd om vervoerbewijzen of verminderingskaarten in beslag te nemen; 2° zij mogen inlichtingen inwinnen en controle uitoefenen door het ondervragen van personen en het inzage nemen van documenten en andere informatiedragers; 3° zij mogen de betrokkenen om hun identiteitskaart vragen. Zij mogen degene die weigert zijn identiteitskaart te tonen of die er geen in zijn bezit heeft, tegenhouden tot de komst van de politie. Artikel 44terdecies : De [verweerster] is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de persoonsgegevens die worden verwerkt voor de doeleinden, vermeld in artikel 44sexiesdecies van dit decreet. Artikel 44quinquiesdecies : De verwerkingsverantwoordelijke verwerkt de volgende categorieën van persoonsgegevens: 1° de identiteitsgegevens, inclusief het identiteitskaartnummer, van de persoon, vermeld in artikel 44ter, § 1; 2° de contactgegevens van de persoon, vermeld in artikel 44ter, § 1; 3° de bankgegevens van de persoon, vermeld in artikel 44ter, § 1; 4° het rijksregisternummer van de persoon, vermeld in artikel 44ter, § 1; Beslissing ten gronde 130/2024 — 14/56 5° de kentekenplaat van de persoon, vermeld in artikel 44ter, § 1, als de overtreding plaatsvindt met een voertuig; 6° foto's die kunnen dienen als bewijs; 7° de vorige overtredingen die de persoon, vermeld in artikel 44ter, § 1, heeft begaan; 8° de abonnementsgegevens van de persoon, vermeld in artikel 44ter, § 1; 9° de naam, de voornaam, de contactgegevens en de geboortedatum van de ouders en de voogden of de personen die een persoon als vermeld in artikel 44ter die minderjarig is onder hun hoede hebben; 10° de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om het proces-verbaal op te stellen, waaronder maar niet beperkt tot de datum en het tijdstip van de vaststelling, het nummer van het proces-verbaal en de plaats van de controle; 11° het personeelsnummer en de identiteit, waaronder de voornaam, de naam en de kantooradres van de lijncontroleur of het sanctionerend personeelslid; 12° de medische persoonsgegevens, die de persoon, vermeld in artikel 44ter, § 1, zelf aanbrengt ter ondersteuning van het verweer; 13° het financiële draagvlak van personen die een abonnement voor verhoogde tegemoetkoming hebben. De Vlaamse Regering kan de categorieën van persoonsgegevens nader bepalen. Artikel 44sexiesdecies : De verwerkingsverantwoordelijke verwerkt de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 44quinquiesdecies van dit decreet, voor de volgende doeleinden ter uitvoering van een taak van algemeen belang en de uitoefening van het openbaar gezag, vermeld in artikel 6, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming: 1° vervoerbewijzen of verminderingskaarten controleren en in beslag nemen; 2° het vaststellen van overtredingen op de reisvoorwaarden; 3° de volgende feiten en handelingen vaststellen:
  11. a)feiten en handelingen die overlast veroorzaken op en rond het voertuig van de Maatschappij;
  12. b)feiten en handelingen die de dienstverlening verstoren of kunnen verstoren;
  13. c)feiten en handelingen die gevaar veroorzaken; 4° betrokkenen ondervragen en inzage nemen van documenten en andere informatiedragers; 5° het proces-verbaal opmaken en versturen; Beslissing ten gronde 130/2024 — 15/56 6° administratieve geldboetes en toezichts- en administratiekosten aan een persoon als vermeld in artikel 44ter van dit decreet, opleggen en innen; 7° een definitieve beslissing nemen na eventuele verweermiddelen van de overtreder tegen het voorstel van de beslissing te hebben verwerkt; 8° de Maatschappij verdedigen in het kader van procedures. Artikel 44septiesdecies : De verwerkingsverantwoordelijke verwerkt de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 44quinquiesdecies van dit decreet, van de volgende categorieën van betrokkenen: 1° personen die een overtreding begaan op de reisvoorwaarden, vermeld in artikel 2, 20°, van het decreet basisbereikbaarheid; 2° personen die niet beschikken over een geldig vervoerbewijs of een in voorkomend geval gevalideerd vervoerbewijs; 3° de personen die de volgende handelingen stellen:
  14. a)de personen die overlast veroorzaken op en rond het voertuig van de Maatschappij;
  15. b)de personen die de dienstverlening verstoren of kunnen verstoren;
  16. c)de personen die gevaar veroorzaken; 4° lijncontroleurs; 5° sanctionerende personeelsleden; 6° de ouders en voogden of de personen die een persoon als vermeld in artikel 44ter van dit decreet die minderjarig is onder hun hoede hebben. Artikel 44duodevicies : De [verweerster] kan de persoonsgegevens meedelen aan de volgende derde partijen voor de doeleinden, vermeld in artikel 44sexiesdecies: 1° de politie, als een bijkomende vaststelling noodzakelijk is gelet op de feiten; 2° het Rijksregister of de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen, om te controleren of de persoonsgegevens die de persoon in kwestie heeft opgegeven juist zijn en om in voorkomend geval ontbrekende maar noodzakelijke persoonsgegevens aan te vullen; 3° de dienst Administratieve Boetes, om de administratieve geldboetes en toezichtsen administratiekosten vast te stellen; 4° een takeldienst, als een voertuig moet worden getakeld; Beslissing ten gronde 130/2024 — 16/56 5° gerechtsdeurwaarders, om de administratieve geldboetes en toezichts- en administratiekosten verder te behandelen of om een solvabiliteitsonderzoek uit te voeren voor personen met een abonnement voor verhoogde tegemoetkoming vooraleer de gedwongen invordering wordt gestart; 6° advocaten en hoven en rechtbanken, als de administratieve geldboetes en toezichtsen administratiekosten worden betwist; 7° de Vlaamse ombudsman, als die tussenkomt in een geschil. De Vlaamse Regering kan verdere modaliteiten over de uitwisseling van de persoonsgegevens nader bepalen. 38. Decreet betreffende de basisbereikbaarheid van 26 april 2019 (hierna “decreet basisbereikbaarheid”) Artikel 37: § 3. De exploitanten van het kernnet en aanvullend net, de exploitant voor het openbaar personenvervoer over water en de Mobiliteitscentrale kunnen persoonsgegevens van de reizigers en derden verwerken met het oog op: 1° een efficiënte exploitatie van de openbaarvervoerdiensten, waarbij combimobiliteit wordt gefaciliteerd; 2° het promoten van het openbaar personenvervoer en combimobiliteit; 3° statistische doeleinden voor het openbaar personenvervoer en het globale mobiliteitsbeleid, om de evolutie inzake personenmobiliteit, vervoersstromen, modale verdeling en verkeersveiligheid in kaart te brengen. Voor zover de gegevens, vermeld in het eerste lid, 3°, persoonsgegevens bevatten, worden deze zo veel als mogelijk geanonimiseerd en in ondergeschikt geval gepseudonimiseerd. De Mobiliteitscentrale en de exploitanten van het kernnet en het aanvullend net en ook de exploitant voor het openbaar personenvervoer over water verwerken persoonsgegevens, vermeld in artikel 4, 1), van de algemene verordening gegevensbescherming, en de persoonsgegevens, vermeld in artikel 9 van de voormelde verordening. De exploitanten van het kernnet en het aanvullend net, de exploitant voor het openbaar personenvervoer over water en de Mobiliteitscentrale kwalificeren als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de voormelde verordening voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in dit artikel. Beslissing ten gronde 130/2024 — 17/56 De verwerkingsverantwoordelijke is onderworpen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 5, 2, van de voormelde verordening, die op hem rusten. De verwerkingsverantwoordelijke draagt zijn verwerkers op om de personen in kwestie te informeren over de verwerking van hun persoonsgegevens en om te zorgen voor een effectieve uitvoering van de aan de betrokkenen toegekende rechten, vermeld in hoofdstuk III van de voormelde verordening. De gegevens die verzameld en verwerkt worden voor de doeleinden, vermeld in het eerste lid, worden bewaard gedurende: 1° vijf jaar, voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 1° ; 2° één jaar na stopzetting van het contract met de betrokkene, voor het doeleinde vermeld in het eerste lid, 2° ; 3° vijf jaar, voor het doeleinde vermeld in het eerste lid, 3°. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de verwerking van de persoonsgegevens en de passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen. 39. Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van de reisvoorwaarden en de regels voor de handhaving ervan door de VVM – De Lijn van 16 september 2022 (hierna ‘besluit reisvoorwaarden en handhaving’): Artikel 2: De [verweerster] kan, met het oog op de uitoefening van haar controlebevoegdheden met betrekking tot de vervoerbewijzen, de voorwaarden voor de geldigheid en de validatie van de vervoerbewijzen bepalen. Artikel 4: Het personeel van de [verweerster] waakt erover dat de reizigers, en het publiek in het algemeen, de regels, vermeld in artikel 6 tot en met 8, naleven. Artikel 7: §1. Zodra de reiziger in het voertuig van de [verweerster] stapt, is hij in het bezit van een vervoerbewijs, dat geldig is en dat in voorkomend geval voor de rit geldig is gemaakt. Het vervoerbewijs is voor de volledige rit die hij ermee aflegt geldig conform de geldigheidsvoorwaarden die de [verweerster] conform artikel 2 bepaalt. De reiziger kan altijd zijn identiteit bewijzen. §2. Als de [verweerster] in de geldigheidsvoorwaarden die conform artikel 2 zijn bepaald, aangeeft dat een vervoerbewijs gevalideerd moet worden, valideert de Beslissing ten gronde 130/2024 — 18/56 reiziger het vervoerbewijs zodra hij in het voertuig van de [verweerster] stapt. §3. De reiziger kan het zo nodig gevalideerde vervoerbewijs op elk moment tijdens de reis aan de lijncontroleurs tonen. II.5.2. Standpunt klager 40. Aangezien de klager van mening is dat de validatiegegevens zijn privacy ernstig schenden, stelt hij zich de volgende vraag: “Op welke grond eist De Lijn dan dat bij elke opstap op een vervoersmiddel de kaart gescand wordt […]”.18 41. De klager argumenteert dat hij beschikt over een geldig vervoersbewijs in de vorm van een abonnement dat vooraf betaald werd en dat nog steeds binnen de geldigheidsduur valt. Dit vervoersbewijs hoeft niet ontwaard te worden bij elke rit zoals een rittenkaart. Hij weerlegt de noodzaak van punt 2 van de Algemene Verkoopsvoorwaarden 19 van de verweerster dat het scannen van een drager van dit geldig vervoersbewijs noodzakelijk is om zijn vervoersbewijs geldig te maken. Daarmee weerlegt hij ook dat het valideren van zijn MOBIB-kaart, en dus de verwerking van zijn validatiegegevens, kan steunen op het artikel 7 van het Besluit reisvoorwaarden en handhaving. De klager is van mening dat het verwerken van zijn validatiegegevens niet is toegestaan op grond van het algemeen belang zoals voorgesteld door de verweerster in haar e-mail van 31 oktober 202320. 42. Verder argumenteert de klager dat de verwerking van de validatiegegevens na 7 oktober 2023 evenmin nog kon steunen op toestemming aangezien hij op die dag zijn toestemming voor de dienst ‘reisinfo op maat’ had ingetrokken. In het overzicht van zijn validatiegegevens21 die hij had ontvangen van de verweerster na zijn verzoek tot inzage, stelde de klager echter vast dat zijn validatiegegevens nog altijd op dezelfde wijze verwerkt werden na 7 oktober 2023. II.5.3. Standpunt verweerster 43. De verweerster beargumenteert in de syntheseconclusie in haar tweede middel de rechtmatigheid van het valideren van de MOBIB-kaart bij iedere op- en overstap. Aangezien de verwerking van de validatiegegevens om verschillende doeleinden gebeurt, steunt de verweerster op verschillende rechtsgronden. 44. Ten eerste behartigt de verwerking van de validatiegegevens het algemeen belang bij het valideren en controleren van vervoerbewijzen en bij het opleggen van sancties in 18 Stuk 2 van de inventaris van de Geschillenkamer: Klacht en bijlagen – mail van 23 november 2023, randnummer 3. 19 Stuk 1 in de stukkenbundel van de verweerster: Algemene Verkoopsvoorwaarden De Lijn. 20 Stuk 15 in de stukkenbundel van de veerweerster: E-mail De Lijn aan Klager d.d. 31 oktober 2023. 21 Stuk 4 van de inventaris van de Geschillenkamer: Mail met bijlagen – bijlage ‘validatiesperkaart’. Beslissing ten gronde 130/2024 — 19/56 geval van niet naleving van de ‘algemene verkoopsvoorwaarden’. De verweerster verwijst hiervoor naar: • Artikel 37 van het ‘decreet basisbereikbaarheid’ dat in de derde paragraaf het doel van het verwerken van persoonsgegevens door de verweerster vermeldt. De verweerster kan persoonsgegevens verwerken “met het oog op een efficiënte exploitatie van de openbaarvervoerdiensten […]”. • Artikel 44quater van het ‘oprichtingsdecreet’ dat de controleurs de bevoegdheid geeft om persoonsgegevens te verwerken aangezien zij inlichtingen mogen inwinnen en controle mogen uitoefenen en daarvoor “inzage nemen van documenten en andere informatiedragers”. • Artikel 7 van het ‘besluit reisvoorwaarden en handhaving’ dat de verweerster toestaat de reizigers te verplichten het vervoersbewijs te valideren: “Als [de verweerster] […] aangeeft dat een vervoerbewijs gevalideerd moet worden, valideert de reiziger het vervoersbewijs zodra hij in het voertuig van De Lijn stapt”. De verweerster heeft decretaal een taak toegewezen gekregen die kadert binnen de publieke functie die zij uitoefent en deze taak is niet uitvoerbaar zonder de validatiegegevens te verwerken. Indien de verweerster deze gegevens niet kan verwerken, verliest zij een deel van haar inkomsten aangezien “het gebrek aan controle de kans op zwartrijden verhoogt”22. Dit verlies zou een “ernstige impact kunnen hebben op de organisatie van het openbaar vervoer”23 en zou een “verkeerde inzet van overheidsmiddelen uitmaken”24. 45. Ten tweede behartigt de verwerking van de validatiegegevens het algemeen belang bij de organisatie van de dienstverlenging en de aanpassing naargelang de behoeften van de reizigers. De verweerster verwijst hiervoor naar: • Artikel 37 van het ‘decreet basisbereikbaarheid’ dat spreekt van het verwerken van persoonsgegevens met het oog op

(1)“een efficiënte exploitatie van de openbaarvervoerdiensten”,
(2)“promoten van het openbaar personenvervoer en combimobiliteit” en
(3)“statistische doeleinden van het openbare personenvervoer en het globale mobiliteitsbeleid”. De persoonsgegevens zijn derhalve noodzakelijk om de dienstverlening in het algemeen te kunnen organiseren en de vervoersplannen aan te kunnen passen naargelang de behoeften van de reizigers. 22 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer
  1. 23 Ibid. 24 Ibid. Beslissing ten gronde 130/2024 — 20/56
  2. Ten derde behartigt de verweerster met de verwerking van de validatiegegevens het algemeen belang bij de verbetering van de gegevensstromen, de verwerking van statistische gegevens en de rapportering aan de Vlaamse Regering. De verweerster verwijst hiervoor naar: • Artikel 37 van het ‘decreet basisbereikbaarheid’ dat spreekt van het verwerken van persoonsgegevens met het oog op
(3)“statistische doeleinden van het openbare personenvervoer en het globale mobiliteitsbeleid”. Met de validatiegegevens kan de verweerster rapporteren aan de Vlaamse Regering, wat een verplichting is ingevolge het ‘Openbaredienstencontract tussen De Lijn en de Vlaamse regering / 2023-2027’25. 47. Ten slotte verwerkt de verweerster de validatiegegevens op basis van de toestemming van de reiziger voor het verkrijgen van reisinformatie op maat: “Op deze wijze verkrijgt de reiziger updates over de dienstverlening die een impact kunnen hebben op het individuele traject van de reiziger”26. II.5.4. Beoordeling Geschillenkamer Rechtsgrond toestemming in het kader van de dienst ‘reisinfo op maat’ 48. De verweerster merkt in haar syntheseconclusie op dat de klager op 25 augustus 2021 zijn toestemming conform artikel 6.1.
  1. a)van de AVG had gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens in het kader van de dienst ‘reisinfo op maat’27. De klager betwist niet dat zijn validatiegegevens op dat moment verwerkt konden worden teneinde updates te krijgen aangaande zijn reisroutes. De klager had echter deze toestemming op 7 oktober 2023 ingetrokken, wat ook erkend wordt door de verweerster. De Geschillenkamer stelt in de tabel van de validatiegegevens die door de klager werd bijgevoegd in de stukken28, vast dat er ook na 7 oktober 2023 nog steeds validatiegegevens van de klager verwerkt werden. De verwerking van deze validatiegegevens steunt dus niet meer op de rechtsgrond toestemming van artikel 6.1.
  2. a)van de AVG. Gezien er geen discussie is over de rechtsgrond toestemming, gaat de Geschillenkamer niet dieper in op deze rechtsgrond in het kader van de dienst ‘reisinfo op maat’ voor de verwerking van de validatiegegevens van de klager. 25 Stuk 26 in de stukkenbundel van de verweerster: Openbaredienstencontract tussen De Lijn en de Vlaamse Regering, 20232027. 26 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 59. 27 Ibid, randnummer 60. 28 Stuk 4 van de inventaris van de Geschillenkamer: Mail met bijlagen. Beslissing ten gronde 130/2024 — 21/56 Rechtsgrond algemeen belang 49. Opdat een verwerkingsverantwoordelijke zich op artikel 6.1.
  3. e)van de AVG zou kunnen beroepen om persoonsgegevens te verwerken, moet deze verwerking noodzakelijk zijn voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. De verwerking moet in deze gevallen altijd een grondslag hebben in het recht van de Europese Unie of dat van de betreffende lidstaat, waarin ook het doel van de verwerking moet staan. Er moet bijgevolg worden nagegaan of in dit geval aan deze voorwaarden is voldaan. 50. Krachtens artikel 6, lid 3 en overweging 45 van de AVG moet een verwerking op grond van artikel 6.1.
  4. e)van de AVG aan de volgende voorwaarden voldoen: • De verwerkingsverantwoordelijke moet belast zijn met de vervulling van een opdracht van algemeen belang of een opdracht die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag op grond van een rechtsgrondslag, ongeacht of die in het recht van de Europese Unie dan wel in het recht van de lidstaten is vervat; • De doeleinden van de verwerking worden in de rechtsgrond vastgelegd of moeten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opdracht van algemeen belang of de uitoefening van het openbaar gezag. 51. Parallel aan de bepalingen van de AVG in verband met opdrachten van algemeen belang, bestaan ook in het Belgische recht bepalingen die gelijkaardige voorwaarden opleggen aan overheidsorganen belast met administratieve bevoegdheden. 52. Artikel I.3 van het ‘bestuursdecreet’ definieert de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen als onderdeel van de Vlaamse administratie. Artikel 2 van het ‘oprichtingsdecreet’ definieert de verweerster als een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap. De rechtsgrond voor het verwerken van persoonsgegevens moet beoordeeld worden in het licht van het beginsel van de toekenning van administratieve bevoegdheden, het beginsel van de specialiteit van rechtspersonen en het legaliteitsbeginsel, die de voorwaarden bepalen waaronder de administratie zich kan mengen in het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, waarvan het recht op bescherming van persoonsgegevens deel uitmaakt. 29 53. Volgens het principe van de toekenning van administratieve bevoegdheden, dat is vastgelegd in artikel 105 van de Grondwet en artikel 78 van de Bijzondere wet tot 29 De CBPL heeft hier al op gewezen in haar advies over het voorontwerp van wet dat de WVG is geworden. Zie CBPL, Advies nr. 22/2018, p.44. Beslissing ten gronde 130/2024 — 22/56 hervorming der instellingen van 8 augustus 1980, heeft een openbare vervoersmaatschappij geen andere bevoegdheden dan die welke formeel aan hen zijn toegekend door de Grondwet en de wetten en decreten die in het kader daarvan zijn uitgevaardigd. 54. Voorts bepaalt het specialiteitsbeginsel van rechtspersonen dat elke instelling met rechtspersoonlijkheid alleen mag optreden om het doel of de doelen te bereiken waarvoor zij is opgericht, met dien verstande dat alleen een wetgevende norm een rechtspersoon met een opdracht van openbare dienst kan belasten. De Raad van State heeft in zijn advies over het voorontwerp van wet “betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens” opgemerkt dat “het doorgeven van gegevens van een overheidsinstantie aan een andere een vorm van inmenging in het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Krachtens artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 22 van de Grondwet, zoals dat wordt geïnterpreteerd in de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, moet een dergelijke inmenging inzonderheid een wettelijke grondslag hebben, evenredig zijn ten opzichte van de nagestreefde doelstelling en op voldoende duidelijk wijze georganiseerd zijn opdat ze voorzienbaar is voor de burger.”30 55. Kortom, een openbare vervoersmaatschappij mag in beginsel alleen persoonsgegevens verwerken als deze verwerking noodzakelijk is voor de naleving van een verplichting die door of krachtens een wettelijke bepaling aan een van de verwerkingsverantwoordelijken is opgelegd (artikel 6.1.
  5. c)van de AVG) of als deze mededeling noodzakelijk is voor de uitvoering van een taak van algemeen belang die aan een van de verwerkingsverantwoordelijken is toegewezen door of krachtens een wet (artikel 6.1.
  6. e)van de AVG).31 56. In verband met het formeel legaliteitsbeginsel heeft zowel het Grondwettelijk Hof als de Raad van State in zijn adviespraktijk reeds verschillende malen beargumenteerd dat deze delegatie voldoende nauwkeurig moet zijn. Zo heeft de Raad van State in haar advies 68.936/AV van 7 april 2021 in randnummer 71 gesteld: “Het Grondwettelijk Hof heeft met betrekking tot de aan de wetgever voorbehouden aangelegenheden en meer bepaald ook met betrekking tot een aantal grondrechten geoordeeld dat het formeel legaliteitsbeginsel impliceert dat het aan de wetgever zelf toekomt om de “essentiële elementen” van de 30 Advies Raad van State nr. 63.192/2 van 19 april 2018 over een voorontwerp van wet ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, p. 421-422. 31 De Geschillenkamer sluit niet uit dat Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn ook gegevens verwerkt buiten de context van taken van algemeen belang, maar dat maakt geen voorwerp uit van deze zaak. Beslissing ten gronde 130/2024 — 23/56 beperkingen die aan de grondrechten worden aangebracht alsook van de strafbaarstellingen, te bepalen. Het Hof stelt: “Een delegatie aan een andere macht is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel voor zover de machtiging nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld”. In het voornoemde advies 62.592/3 stelde de Raad van State: “Ook indien kan worden aangenomen dat deze beperkingen van grondrechten, gelet op hun aard, niet op een zeer uitgewerkte wijze door de wetgever zelf moeten worden vastgesteld, moeten ze kunnen worden gesteund op een voldoende nauwkeurig omschreven en omkaderde delegatie vanwege de wetgever aan de Koning. Een louter algemene machtiging volstaat derhalve niet; uitdrukkelijke en specifieke machtigingsbepalingen zijn noodzakelijk.” 32 Artikel 6.2 van de AVG laat het invoeren van specifiekere bepalingen toe. Zowel de Raad van State33 als het Grondwettelijk Hof34 hebben bepaald dat de volgende elementen de ‘essentiële elementen’ van een verwerking van persoonsgegevens uitmaken: • De categorie van verwerkte gegevens; • De categorie van betrokken personen; • De met de verwerking nagestreefde doelstelling; • De categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens; • De maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens. Taak van algemeen belang – toekenning van administratieve bevoegdheden 57. Het doel en de bevoegdheden van de verweerster zijn vastgelegd in artikel 3 van het ‘oprichtingsdecreet’: “elke activiteit die rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk verband houdt met het gemeenschappelijke stads- en streekvervoer […]” en “de maatschappij kan binnen haar normale werkingsgebied alle activiteiten opzetten waartoe haar personeel, haar installaties en haar uitrusting kunnen aangewend worden, in zover deze activiteiten verband houden met gemeenschappelijk stads- en streekvervoer, met inbegrip van het opvangen van piekmomenten in de vraag […].” Wettelijke basis aangaande de taak van algemeen belang – legaliteits- en specialiteitsbeginsel 32 Advies Raad van State nr. 68.936/AV van 7 april 2021,over een voorontwerp van wet ‘betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie’, randnummer 71. 33 Ibid, randnummer 101. 34 GwH 10 maart 2022, nr. 33/2022, B.13.1.; GwH 22 september 2022, nr. 110/2022,B.11.2 Beslissing ten gronde 130/2024 — 24/56 58. Volgens overweging 41 van de AVG moet de rechtsgrondslag of wetgevingsmaatregel duidelijk en nauwkeurig zijn en moet de toepassing ervan voor de rechtzoekenden voorspelbaar zijn, overeenkomstig de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna ‘EHRM’). Het EHRM heeft in het Rotaru-arrest35 het begrip voorspelbaarheid van de rechtsgrondslag nader bepaald. Aangezien die zaak betrekking had op bewakingssystemen van het veiligheidsapparaat van een staat, verschilt de context van de onderhavige zaak. In andere gevallen heeft het EHRM weliswaar aangegeven dat het zich door deze beginselen kan laten leiden, maar het is van oordeel dat deze criteria, die in de specifieke context van die concrete zaak zijn vastgesteld en gevolgd, dus niet als zodanig op alle gevallen van toepassing zijn.36 59. De activiteiten van de verweerster worden georganiseerd op basis van twee decreten: het ‘decreet basisbereikbaarheid’ en het ‘oprichtingsdecreet’. De Geschillenkamer stelt vast dat er vier doeleinden zijn waarvan de wetgever heeft bepaald dat er persoonsgegevens kunnen verwerkt worden: 1: valideren, controleren en sanctioneren van vervoersbewijzen uit het ‘oprichtingsdecreet’; 2: de efficiënte exploitatie van de openbaarvervoerdiensten uit het ‘decreet basisbereikbaarheid’; 3: het promoten van het openbaar vervoer uit het ‘decreet basisbereikbaarheid’; 4: statistische doeleinden uit het ‘decreet basisbereikbaarheid’. 60. Aangaande het valideren, controleren en sanctioneren van de vervoersbewijzen heeft de decreetgever de volgende essentiële elementen gespecifieerd in het ‘oprichtingsdecreet’: • Artikel 44quinquiesdecies: de categorieën van persoonsgegevens die verwerkt mogen worden; • Artikel 44sexiesdecies: de doeleinden van de verwerking van de persoonsgegevens; • Artikel 44septiesdecies: de categorieën betrokkenen van wie de persoonsgegevens verwerkt mogen worden; • Artikel 44duodevicies: de categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens. 61. De Geschillenkamer stelt vast dat de decreetgever heeft nagelaten de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens en de bewaartermijn van de gegevens te bepalen in het decreet. 35 EHRM, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië. 36 EHRM, 2 september 2010, Uzun t. Duitsland, § 66. Beslissing ten gronde 130/2024 — 25/56 In de memorie van toelichting van het ‘ontwerp van decreet houdende diverse bepalingen over het gemeenschappelijk vervoer, het algemeen mobiliteitsbeleid, de weginfrastructuur en het wegenbeleid, en de waterinfrastructuur en het waterbeleid en houdende een subsidieregeling ter bevordering van een modal shift in het goederenvervoer’ 37 vindt de Geschillenkamer volgende verduidelijking terug inzake de bewaartermijnen: “De persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor de verwezenlijking van de doeleinden. De [verweerster] bewaart de persoonsgegevens: – tot één jaar na het afsluiten van het dossier. […]; – één jaar na het verstrijken van de verjaringstermijn in artikel 44undecies van het decreet van 31 juli 1990.”38 In artikel 44quater, lid 3 vindt de Geschillenkamer een indicatie terug van de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens, met name de controleurs van de verweerster: “De Lijncontroleurs kunnen, met het oog op de vaststelling van overtredingen op de reisvoorwaarden, ten aanzien van reizigers en derden, de volgende maatregelen nemen: 1° zij zijn gemachtigd om vervoerbewijzen of verminderingskaarten in beslag te nemen; 2° zij mogen inlichtingen inwinnen en controle uitoefenen door het ondervragen van personen en het inzage nemen van documenten en andere informatiedragers; 3° zij mogen de betrokkenen om hun identiteitskaart vragen. […]” 62. Alhoewel de verwerking van persoonsgegevens voor het doeleinde valideren, controleren en sanctioneren prima facie rechtmatig lijkt, blijkt uit de klacht en de conclusies op geen enkele wijze dat de klager kan worden beschouwd als betrokkene zoals bepaald in artikel 44septiesdecies van het oprichtingsdecreet, noch dat de verwerking van de persoonsgegevens die door de klager worden aangeklaagd, gebeuren volgens de doeleinden bepaald in artikel 44sexiesdecies. De Geschillenkamer is dus van oordeel dat de verwerking van de validatiegegevens van de klager niet kan steunen op de rechtsgrond algemeen belang zoals gespecifieerd in het ‘oprichtingsdecreet’. 63. Aangaande de doeleinden uit het decreet basisbereikbaarheid heeft de decreetgever de volgende essentiële elementen gespecifieerd in het decreet: • 37 Artikel 37, §3, lid 1: de doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens Ontwerp van decreet houdende diverse bepalingen over het gemeenschappelijk vervoer, het algemeen mobiliteitsbeleid, de weginfrastructuur en het wegenbeleid, en de waterinfrastructuur en het waterbeleid en houdende een subsidieregeling ter bevordering van een modal shift in het goederenvervoer, 980 (2021-2022) – Nr. 1, ingediend op 25 oktober 2021. 38 Ibid, p. 7. Beslissing ten gronde 130/2024 — 26/56 • Artikel 37, §3, lid 6: de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens 64. Artikel 37 maakte deel uit van het initiële ‘decreet basisbereikbaarheid’ dat in 2019 tot stand kwam. Dit ‘decreet basisbereikbaarheid’ werd, net als het ‘oprichtingsdecreet’, gewijzigd door het ‘decreet houdende diverse bepalingen over het gemeenschappelijk vervoer, het algemeen mobiliteitsbeleid, de weginfrastructuur en het wegenbeleid, en de waterinfrastructuur en het waterbeleid en houdende een subsidieregeling ter bevordering van een modal shift in het goederenvervoer‘ van 23 december 2021. De Geschillenkamer stelt vast dat de decreetgever er niet voor heeft geopteerd om ook het ‘decreet basisbereikbaarheid’ aan te passen om de ‘essentiële elementen’ voor de verwerking van persoonsgegevens vast te leggen zodat de verweerster ook voor de doeleinden uit dit decreet rechtmatig zou kunnen steunen op de verwerkingsgrond algemeen belang. Noodzakelijkheid voor de taak van algemeen belang 65. De Geschillenkamer heeft er echter al op gewezen in beslissing 149/2022 van 18 oktober 202239 dat taken van algemeen belang of openbaar gezag waarmee verwerkingsverantwoordelijken zijn belast, dikwijls niet gebaseerd zijn op nauwkeurig omschreven verplichtingen of wetgevende normen, die de essentiële kenmerken van de gegevensverwerking vastleggen. Veeleer vinden verwerkingen plaats op basis van een meer algemene machtiging om te handelen, zoals voor de vervulling van een taak die noodzakelijk is. Dit leidt ertoe dat de desbetreffende wettelijke basis in de praktijk veelal geen concreet omschreven bepalingen bevat omtrent de noodzakelijke gegevensverwerkingen. Verwerkingsverantwoordelijken die op basis van dergelijke wettelijke grondslag willen beroep doen op artikel 6.1.
  7. e)van de AVG moeten dan zelf nagaan of de verwerking noodzakelijk is voor de taak van algemeen belang en de belangen van de betrokkenen. 66. Het Hof van Justitie heeft zich in het arrest Huber 40 uitgesproken over deze voorwaarde van noodzakelijkheid: “Gelet op het doel, een gelijkwaardige bescherming te bieden in alle lidstaten, kan het begrip noodzakelijkheid zoals dit naar voren komt uit artikel 7, sub e, van richtlijn 95/46, dat een nauwkeurige afbakening wil geven voor een van de gevallen waarin de verwerking van persoonsgegevens geoorloofd is, dus niet een inhoud hebben die verschilt van lidstaat tot lidstaat. Het gaat bijgevolg om een autonoom begrip 39 Zie ook o.a. beslissing 124/2021 dd. 10 november 2021. 40 HvJ, Heinz Huber t. Bundesrepublik Deutschland, 16 december 2008, C-524/06. Beslissing ten gronde 130/2024 — 27/56 van het gemeenschapsrecht, dat moet worden uitgelegd op een wijze die volledig beantwoordt aan het doel van de richtlijn zoals omschreven in artikel 1, lid 1.”41 67. De advocaat-generaal heeft eveneens gesteld in zijn conclusies 42 dat “[h]et noodzakelijkheidsbegrip gemeenschapsrecht en een een lange vast geschiedenis onderdeel [heeft] [vormt] in het van het evenredigheidscriterium. Het houdt in dat de autoriteit die ter bereiking van een legitiem doel een maatregel vaststelt die een door het gemeenschapsrecht gewaarborgd recht aantast, moet aantonen dat deze maatregel de minst beperkende is ter bereiking van dit doel. Wanneer bovendien de verwerking van persoonsgegevens kan leiden tot een inbreuk op het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, moet tevens rekening worden gehouden met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat het recht op eerbiediging van het privéen gezinsleven waarborgt. Zoals het Hof heeft verklaard in het arrest Österreichischer Rundfunk e.a., kan een nationale regeling die niet strookt met artikel 8 EVRM, evenmin voldoen aan het in artikel 7, sub e, van richtlijn 95/46 neergelegde vereiste. Artikel 8, lid 2, EVRM bepaalt dat inmenging in het privéleven is toegestaan voor zover hiermee een van de hierin opgesomde doelstellingen wordt nagestreefd en deze „in een democratische samenleving noodzakelijk is”. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens houdt het bijvoeglijk naamwoord „noodzakelijk” in dat een „dwingende maatschappelijke behoefte” aan een bepaald optreden van de overheid bestaat en dat de maatregel evenredig is aan het nagestreefde legitieme doel.” 68. Deze met betrekking tot artikel 7, e), van Richtlijn 95/46/EG geformuleerde rechtspraak blijft tot op vandaag relevant. Artikel 6, lid 1, van de AVG neemt immers de bewoordingen van artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG over. 69. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Schecke verduidelijkt dat als er realistische en minder ingrijpende alternatieven zijn, de behandeling niet “noodzakelijk” is. 43 70. De Geschillenkamer dient dus te beoordelen of het verwerken van de validatiegegevens noodzakelijk was voor de efficiënte exploitatie van de openbaarvervoerdiensten, het 41 HvJ, Heinz Huber t. Bundesrepublik Deutschland, 16 december 2008, C-524/06, para. 52. 42 Conclusie van Advocaat-Generaal M. Poiares Maduro van 3 april 2008 in de zaak HvJ, Heinz Huber t. Bundesrepublik Deutschland, 16 december 2008, C-524/06, randnummer 27. 43 HvJ, Volker & Markus Schecke GbR en Hartmut Eifert t. Land Hessen, 9 november 2010, samengevoegde zaken C-92/09 en C-93/09. Beslissing ten gronde 130/2024 — 28/56 promoten van het openbaar vervoer en statistische doeleinden en of er andere, minder invasieve mogelijkheden waren om het voornoemde algemene belang na te streven. 71. De Geschillenkamer erkent de noodzaak van de verweerster om op basis van ruwe data statistieken op te kunnen stellen om het effectief gebruik van haar middelen te kunnen evalueren, aan te kunnen tonen en te kunnen gebruiken als basis om de openbaarvervoerdiensten te organiseren. De validatiegegevens van alle reizigers op alle voertuigen lenen zich bij uitstek om deze statistieken op te stellen. Op basis van de hieruit berekende statistische modellen kan de verweerster de openbaarvervoerdiensten en de combimobiliteit efficiënt organiseren zodat de missie en de doelstellingen van het mobiliteitsbeleid uit artikel 3, 4 en 5 van het ‘decreet basisbereikbaarheid’ van de Vlaamse overheid kunnen worden bereikt. Het louter registreren van de activiteiten (stop aan haltes, duur van de rit tussen haltes, duur van de halte, …) van de (anonieme) middelen van de verweerster zou niets zeggen over de bezetting van deze middelen. De Geschillenkamer ziet dan ook geen realistische en minder ingrijpende alternatieven die de verweerster in staat zouden stellen om haar statistische doelstelling te bereiken. 72. Over de organisatie van de dienstverlening, met andere woorden de doelstelling ‘efficiënte exploitatie van de openbaarvervoerdiensten’, stelt de verweerster in haar syntheseconclusie: “Zo gebruikt De Lijn deze Validatiegegevens om de bezetting op haar voertuigen na te gaan en maximaal in te spelen op de vragen en noden van de reizigers door haar vervoersplannen en ingezette voertuigen hierop af te stemmen”44 en “Aangezien de verwerking van Validatiegegevens voor deze doeleinden gericht is op het kennisnemen van cijfers (eigen nadruk) omtrent alle reizigers en niet één bepaalde reiziger in het bijzonder, worden de gegevens steeds gepseudonimiseerd”45. Tijdens de hoorzitting stelde de verweerster daarenboven dat “er immers voor gekozen [is] om de reizigers niet te laten scannen bij het afstappen van het voertuig, aangezien dit nog meer privacy-invasief zou zijn voor de reiziger en zij voldoende heeft aan een statistische inschatting (eigen nadruk) van de bezettingsgraad op basis van de instapgegevens”46. De Geschillenkamer oordeelt dat deze doelstelling kan gehaald worden door gebruik te maken van de statistische, geaggregeerde gegevens die door de verweerster zelf werden gegenereerd in de doelstelling ‘statistische doeleinden’. De verweerster stelt inzake de statistische doeleinden in haar syntheseconclusie: “Op basis van cijfermateriaal kan zij dan ook het aanbod systematisch en continu laten evolueren (nadruk door verweerster) en kunnen de nodige mechanismen worden voorzien om deze 44 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 37. 45 Ibid. 46 Stuk 34 van de inventaris van de Geschillenkamer: PV van de hoorzitting, p 3. Beslissing ten gronde 130/2024 — 29/56 doorontwikkeling te verzekeren en het hoofd te bieden aan omgevingsveranderingen (substantiële wijziging van reizigersaantallen of ter beschikking gestelde middelen).” 47 73. Overweging 162 van de AVG bepaalt dat “het resultaat van de verwerking voor statistische doeleinden niet uit persoonsgegevens, maar uit geaggregeerde gegevens bestaat”. De verweerster argumenteert niet afdoende waarom zij persoonsgegevens moet verwerken voor de doelstelling ‘efficiënte exploitatie van het openbaar vervoer’, mede gezien het feit dat er reeds geaggregeerde gegevens beschikbaar zijn die op dezelfde doeleinden zijn gericht. Daarenboven stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerster zelf de verwerking van de validatiegegevens voor statistische doeleinden als taak heeft gekregen van de decreetgever. Zij kan bijgevolg zelf nieuwe statistische berekeningen uitvoeren indien er nieuwe statistische modellen nodig zijn voor de efficiënte exploitatie-doelstelling, zonder dat er voor deze doelstelling apart validatiegegevens moeten worden verwerkt. De Geschillenkamer oordeelt dat er geen verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is om de doelstelling ‘efficiënte exploitatie van de openbaarvervoerdiensten’ te bereiken. 74. Inzake de doelstelling ‘promoten van het openbaar vervoer’ argumenteert de verweerster in haar syntheseconclusie niet waarom ze nood heeft aan de validatiegegevens, tenzij voor de dienst ‘reisinfo op maat’. De verweerster argumenteert dus ook niet waarom er een noodzaak is om meer persoonsgegevens te verwerken dan de persoonsgegevens die worden verkregen na toestemming voor de dienst ‘reisinfo op maat’ en de geaggregeerde gegevens uit de ‘statistische doelstelling’. De Geschillenkamer oordeelt dat de verweerster geen persoonsgegevens kan verwerken op basis van het algemeen belang voor de doelstelling ‘promotie van het openbaar vervoer’. II.5.5. Conclusie: geen schending van artikel 6.1, gelezen in samenhang met artikel 6.4 van de AVG 75. De Geschillenkamer oordeelt dat de verweerster beschikt over een rechtsgrond van algemeen belang om de validatiegegevens van de klager te verwerken. Deze rechtsgrond is gebaseerd op artikel 37, §3, 3° van het decreet ‘basisbereikbaarheid’. Het verwerken van de validatiegegevens van de klager is noodzakelijk om de statistische gegevens te kunnen creëren die de verweerster toelaten om de andere doeleinden van artikel 37, §3 te kunnen bereiken en de verweerster en de Vlaamse overheid toelaten een efficiënt mobiliteitsbeleid te kunnen voeren. 47 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 40. Beslissing ten gronde 130/2024 — 30/56 76. Aangezien de validatiegegevens verzameld worden door de verweerster voor de doeleinden van artikel 37, §3, 3° van het decreet ‘basisbereikbaarheid’, is er geen verdere verwerking van persoonsgegevens zoals beschreven in artikel 6.4 van de AVG. II.6. Principe van dataminimalisatie (artikel 5.1.
  8. c)van de AVG) bij het scannen van de MOBIB-kaart bij elke op- of overstap 77. Volgens het beginsel van minimale gegevensverwerking, vastgelegd in artikel 5.1.
  9. c)van de AVG, moeten persoonsgegevens toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Overweging 39 van de AVG voegt hieraan toe: "Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt indien het doel van de verwerking niet redelijkerwijs op een andere wijze kan worden verwezenlijkt." II.6.1. Relevante wetgeving 78. Artikel 44quater, derde lid van het ‘oprichtingsdecreet’: De lijncontroleurs kunnen, met het oog op de vaststelling van overtredingen op de reisvoorwaarden, ten aanzien van reizigers en derden, de volgende maatregelen nemen: 1° zij zijn gemachtigd om vervoerbewijzen of verminderingskaarten in beslag te nemen; 2° zij mogen inlichtingen inwinnen en controle uitoefenen door het ondervragen van personen en het inzage nemen van documenten en andere informatiedragers; 3° zij mogen de betrokkenen om hun identiteitskaart vragen. Zij mogen degene die weigert zijn identiteitskaart te tonen of die er geen in zijn bezit heeft, tegenhouden tot de komst van de politie. II.6.2. Standpunt klager 79. De klager is van mening dat het plaatsen van een foto op de MOBIB-kaart niet noodzakelijk is ter identificatie van de reiziger. Zowel de Algemene Reisvoorwaarden48 als de Algemene Verkoopsvoorwaarden49 wijzen erop dat een reiziger zijn identiteitskaart moet kunnen voorleggen ter identificatie van de reiziger. De identiteitskaart bevat eveneens een foto zodat de foto op de MOBIB-kaart niet meer noodzakelijk is. 80. De klager is eveneens van mening dat het scannen van de MOBIB-kaart bij elk gebruik van een vervoersmiddel van de verweerster niet ter zake dienend is aangezien hij reeds 48 Stuk 3 in de stukkenbundel van de verweerster: Vorige Algemene Reisvoorwaarden De Lijn d.d. 1 september 2022. 49 Stuk 1 in de stukkenbundel van de verweerster: Algemene Verkoopsvoorwaarden De Lijn. Beslissing ten gronde 130/2024 — 31/56 een geldig vervoersbewijs bezit dat niet moet gevalideerd worden en niet noodzakelijk is voor de core business van de verweerster. II.6.3. Standpunt verweerster 81. Over de foto op de MOBIB-kaart argumenteert de verweerster dat de verwerking van de foto gebaseerd is op de ‘beraadslaging 33/2011’ die werd toegekend door de toenmalige Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer (hierna ‘CBPL’). In deze beraadslaging werd gesteld dat het gebruik van de e-ID foto van de kaarthouder te verantwoorden was omdat de doeleinden van de verweerster overeen kwamen met de doeleinden van de opname van de foto in het Rijksregister, met name de administratieve vereenvoudiging en het vermijden van identiteitsfraude. 50 De foto vergemakkelijkt daarenboven de controle van de vervoersbewijzen, zodat de controleur de identiteitskaart van de abonnee niet hoeft op te vragen. De verweerster is van mening dat het op deze manier het opvragen van de identiteitskaart kan vermijden. 82. Over het scannen van de MOBIB-kaart argumenteert de verweerster dat de validatiegegevens niet meer persoonsgegevens bevatten dan noodzakelijk, te weten het identificatienummer van de MOBIB-kaart, het vervoerbewijs, het moment van validatie, de locatie van validatie met het lijnnummer, de zone, het ritorder, de rit, de ID van de chauffeur en het voertuignummer. Dit scannen gebeurt enkel bij het opstappen op een voertuig, zodat het volledige traject van de reiziger niet kan worden achterhaald. 51 De validatiegegevens worden opgeslagen in 3 afzonderlijke databases, waarvan de operationele database ‘Mobiguider’ “gelinkt is aan het klantenbestand”52. De validatiegegevens van de laatste drie validaties worden ook opgeslagen op de MOBIBkaart teneinde de controle van het bevoegde personeel toe te laten. De doeleinden voor de verwerking van de validatiegegevens zijn duidelijk omschreven: de controle van het vervoerbewijs, de organisatie van de dienstverlening, het aanbieden van reisinfo op maat voor wie hier toestemming voor heeft gegeven en het vervullen van de verplichtingen inzake statistische gegevens. Inzake de organisatie van de dienstverlening verduidelijkt de verweerster dat er enkel wordt gewerkt met gepseudonimiseerde gegevens. De verweerster verwijst tenslotte nog naar aanbeveling nr. 01/2010 over de na te leven basisbeginselen bij het gebruik van e-ticketing door de openbare vervoersmaatschappijen 50 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 25. 51 Ibid, randnummer 31. 52 Ibid, randnummer 37. Beslissing ten gronde 130/2024 — 32/56 (hierna ‘aanbeveling 01/2010’) 53, die de redelijke verwachtingen van een dergelijk systeem opsomt. De doeleinden van de verweerster vallen volgens haar binnen deze redelijke verwachtingen. II.6.4. Beoordeling Geschillenkamer De foto op de MOBIB-kaart 83. De Geschillenkamer stelt vast dat de machtiging voor het gebruik van gegevens uit het rijksregister, waarop de verweerster zich baseert om de noodzaak van de foto aan te tonen, dateert van 2011. Deze machtiging werd toen uitgevaardigd door de toenmalige CBPL op basis van de ‘wet tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen’ van 8 augustus 1983, gewijzigd door de ‘wet tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten’ van 25 maart 2003. Artikel 4 van de wet van 25 maart 2003 wijzigde het artikel 5 van de wet van 8 augustus 1983 en bepaalde in het tweede lid dat het sectoraal comité een beoordeling maakte of de doeleinden voor de toegang tot de gegevens van het rijksregister “welbepaald, duidelijk omschreven en wettig zijn” en of de gegevens “toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn ten opzichte van de doeleinden”. In het derde lid van dezelfde wet werd ook bepaald dat het sectoraal comité moest nagaan of de verwerking van de persoonsgegevens in overeenstemming was met de ‘wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens’ en “andere pertinente normen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of persoonsgegevens”. 84. Deze machtiging uit 2011 staat toe dat op de MOBIB-kaart bepaalde identificatiegegevens staan die het vervoersbewijs kunnen koppelen aan de juiste persoon, wat noodzakelijk is voor de doelstelling om de vervoersbewijzen te kunnen controleren en sanctioneren. De e-ID-foto was in de machtiging opgenomen als een van deze identificatiegegevens. Met deze foto op de identificatiekaart is de controleur van de verweerster “er zeker van dat de identificatiekaart de juiste foto aan de juist naam, voornaam, geboortedatum en plaats gekoppeld wordt zodat identiteitsfraude wordt uitgesloten”54. 85. Het decreet van 26 april 2019 ‘houdende diverse bepalingen over het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, het verkeersveiligheidsbeleid en VVM – De Lijn’ heeft in artikel 17 het artikel 44quater ingevoegd in het oprichtingsdecreet. Dit artikel 53 Aanbeveling nr 01/2010 van 17 maart 2010 betreffende ‘aanbeveling over de na te leven basisbeginselen bij het gebruik van e-ticketing door de openbare vervoersmaatschappijen (A/2010/003). 54 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 25. Beslissing ten gronde 130/2024 — 33/56 44quater, lid drie bepaalt dat de lijncontroleurs “mogen de betrokkenen om hun identiteitskaart vragen” met name om identiteitsfraude uit te sluiten. De verweerster merkt echter op dat “een foto op het abonnement de controle door de controleurs van De Lijn vergemakkelijkt”55 en dat de controle van de foto via de MOBIB-kaart minder privacy-invasief is dan het opvragen van een identiteitskaart. 86. De Geschillenkamer oordeelt dat het gebruik van de foto op de MOBIB-kaart nog steeds noodzakelijk is voor de twee doeleinden zoals die werden beoordeeld door de ‘beraadslaging 33/2011’, in casu de administratieve vereenvoudiging en het vermijden van identiteitsfraude56. Het weglaten van de foto van de MOBIB-kaart zou het opvragen van de identiteitskaart voor elke controle noodzaken, wat de verwerking van meer persoonsgegevens met zich zou meebrengen zonder dat dit noodzakelijk zou zijn. Inzake de validatiegegevens 87. De Geschillenkamer wijst er in de eerste plaats nogmaals op dat het doel van de verwerking van de validatiegegevens van de klager is bepaald in het ‘decreet basisbereikbaarheid’: in casu voor statistische doeleinden. De Geschillenkamer heeft reeds geoordeeld57 dat de verweerster niet rechtmatig de persoonsgegevens van de klager kan verwerken voor de doelstelling validatie, controle en sancties uit het ‘oprichtingsdecreet’, aangezien de klager niet binnen de doelgroep valt waarvoor deze verwerkingen werden opgenomen in het decreet. De Geschillenkamer gaat dus niet verder in op de verwerking van de validatiegegevens op de MOBIB-kaart zelf, maar gaat wel in op de validatiegegevens die worden verwerkt in de drie databanken van de verweerster, zoals aangegeven in haar syntheseconclusie. 88. De verweerster argumenteert dat ze gehouden is om voor de Vlaamse regering “haar kennis en beheersing van gegevensstromen te verbeteren en statistische gegevens rond o.m. reizigersaantallen en bezettingsgraad te verwerken”58 en “Op basis van cijfermateriaal kan zij dan ook het aanbod systematisch en continu laten evolueren en kunnen de nodige mechanismen worden voorzien om deze doorontwikkeling te verzekeren en het hoofd te bieden aan omgevingsveranderingen (substantiële wijziging van reizigersaantallen of ter beschikking gestelde middelen)”59. Tenslotte argumenteert de verweerster dat “Rapporteringen over het aantal geregistreerde ritten en welke vervoerbewijzen hiervoor werden gebruikt, is evenwel slechts mogelijk door de validatie 55 Ibid, randnummer 28. 56 Ibid, randnummer 25. 57 Zie randnummer 62 van deze beslissing. 58 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 39. 59 Ibid, randnummer 40. Beslissing ten gronde 130/2024 — 34/56 van de MOBIB-kaart verplicht te maken, zowel bij een eenvoudig ticket als bij een abonnement”60. 89. De verweerster baseert deze statistische gegevens op de validatiegegevens van de reizigers. Aangezien deze statistische gegevens ook gegenereerd kunnen worden bij een ‘eenvoudig ticket’ (lees: bij een ticket waarbij de reiziger anoniem reist) stelt de Geschillenkamer vast dat de identiteit van de reiziger niet noodzakelijk is om dit doeleinde te kunnen bereiken. Echter, de verweerster argumenteert dat “Hoewel de voorkeur wordt gegeven aan de anonimisering van deze persoonsgegevens, was dit evenwel voor De Lijn onmogelijk, aangezien dit niet zou toelaten om na te gaan hoe vaak een reiziger een vervoersbewijs (bijvoorbeeld een abonnement) gebruikt; informatie die De Lijn gebruikt om haar vervoersaanbod te kunnen aanpassen (bv. tariefmodules) en tegemoet te komen aan de vereisten van nauwkeurigheid van de Vlaamse regering”61. Om deze redenen argumenteert de verweerster dat elk vervoerbewijs apart identificeerbaar moet zijn, wat de verweerster bekomt door ook het identificatienummer van de MOBIB-kaart te verwerken binnen de validatiegegevens. De Geschillenkamer oordeelt dat de verweerster geen andere mogelijkheden heeft dan het verwerken van alle door de verweerster aangehaalde validatiegegevens om de statistische berekeningen te kunnen baseren op voldoende nauwkeurige en voldoende rijke ruwe data voor de statistische doelstelling. II.6.5. Conclusie: geen schending van artikel 5.1.
  10. c)van de AVG 90. De Geschillenkamer stelt geen inbreuk vast tegen artikel 5.1.
  11. c)van de AVG in verband met het gebruik van de foto van de houder van het vervoersbewijs op de MOBIB-kaart. 91. De verweerster schendt het principe van minimale gegevensverwerking van artikel 5.1.
  12. c)van de AVG niet bij de verwerking van de validatiegegevens. De persoonsgegevens die zij verwerkt zijn toereikend, ter zake dienend en noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. II.7. Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen (artikel 25 van de AVG) inzake het verwerken van de validatiegegevens 92. De Europese wetgever heeft een artikel in de AVG voorzien, met daarin de concepten ‘data protection by design’ en ‘data protection by default’ (“DPbDD”), in het Nederlands 60 Ibid, randnummer 41. 61 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 70. Beslissing ten gronde 130/2024 — 35/56 respectievelijk ‘gegevensbescherming door ontwerp’ en ‘gegevensbescherming door standaardinstellingen’. Artikel 25 van de AVG luidt: “1. Rekening houdend met de stand van de techniek, de uitvoeringskosten, en de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking alsook met de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico’s voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen welke aan de verwerking zijn verbonden, treft de verwerkingsverantwoordelijke, zowel bij de bepaling van de verwerkingsmiddelen als bij de verwerking zelf, passende technische en organisatorische maatregelen, zoals pseudonimisering, die zijn opgesteld met als doel de gegevensbeschermingsbeginselen, zoals minimale gegevensverwerking, op een doeltreffende manier uit te voeren en de nodige waarborgen in de verwerking in te bouwen ter naleving van de voorschriften van deze verordening en ter bescherming van de rechten van de betrokkenen. 2. De verwerkingsverantwoordelijke treft passende technische en organisatorische maatregelen om ervoor te zorgen dat in beginsel alleen persoonsgegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor elk specifiek doel van de verwerking. Die verplichting geldt voor de hoeveelheid verzamelde persoonsgegevens, de mate waarin zij worden verwerkt, de termijn waarvoor zij worden opgeslagen en de toegankelijkheid daarvan. Deze maatregelen zorgen met name ervoor dat persoonsgegevens in beginsel niet zonder menselijke tussenkomst voor een onbeperkt aantal natuurlijke personen toegankelijk worden gemaakt.” 93. De EDPB heeft overeenkomstig artikel 70, lid 1, punt
  13. e)van de AVG, richtsnoeren omtrent ‘DPbDD’ uitgevaardigd (hierna ‘richtsnoer 4/2019’).62 De bedoeling van ‘DPbDD’, aldus de EDPB, is “de rechten van betrokkenen beschermen en ervoor zorgen dat de bescherming van persoonsgegevens in de verwerking is ingebouwd.”63 Alhoewel deze richtsnoer geen normatieve tekst is, kan ze wel door de verwerkingsverantwoordelijke gebruikt worden als methodologie om deze complexe materie te beoordelen en als hulpmiddel in het organiseren van haar verwerkingsactiviteiten. Daarenboven kan deze richtsnoer ook helpen in de argumentatie in het kader van haar verantwoordingsplicht van artikel 5.2 van de AVG. De Geschillenkamer zal deze richtsnoer dan ook gebruiken als leidraad in haar beoordeling zodat deze beoordeling een zekere mate van voorspelbaarheid creëert voor de verwerkingsverantwoordelijke(n). 62 Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 – Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen; versie 2.0, vastgesteld op 20 oktober 2020, terug te vinden op de website https://www.edpb.europa.eu/system/files/202104/edpb guidelines 201904 dataprotection by design and by default v2.0 nl.pdf 63 Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 – Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen; versie 2.0, vastgesteld op 20 oktober 2020, randnummer 7. Beslissing ten gronde 130/2024 — 36/56 94. Je dois la publié aussi Gezien de overeenkomst tussen de validatiegegevens die verwerkt werden op basis van toestemming en de validatiegegevens die verwerkt werden wanneer de toestemming was ingetrokken, heeft de Geschillenkamer geoordeeld dat de gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen binnen de scope van de klacht vallen. Artikel 25.2 van de AVG stelt immers “dat in beginsel alleen persoonsgegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor elk specifiek doel”. Na de conclusies heeft de Geschillenkamer bijkomende argumenten gevraagd omtrent de gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen aan de verweerster in haar uitnodiging voor de hoorzitting: “De Geschillenkamer verzoekt u om ter zitting nadere toelichting te verschaffen met betrekking tot de mogelijke inbreuk op artikel 5.1.
  14. c)van de AVG en artikel 25 van de AVG: in randnummer 32 van de syntheseconclusie van de verweerster leest de Geschillenkamer: “a. een operationele database Mobiguider, waarin […], hetgeen gelinkt is aan het klantenbestand64 […]”. Graag toelichting bij de noodzaak van het linken van het klantenbestand met de operationele database Mobiguider in het geval de reiziger geen toestemming heeft gegeven voor de dienstverlening “Reisinfo op Maat”; in het licht van: a. Het privacybeleid van de Lijn dat stelt: “De Lijn gaat niet na welke individuele klant waar gebruik maakt van het openbaar vervoer” b. De mogelijkheid om anoniem te reizen waarbij de link tussen de operationele database Mobiguider en het klantenbestand, en dus de identiteit van de reiziger, (technisch en operationeel) niet noodzakelijk is. c. Artikel 44 septies decies van het Decreet betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoersmaatschappij – De Lijn en artikel 37 van het decreet betreffende de basisbereikbaarheid.”65 II.7.1. Standpunt klager 95. Op basis van de ontvangen validatiegegevens argumenteert de klager dat de verweerster dezelfde gegevens is blijven bijhouden nadat hij zijn toestemming voor de reisinfo op maat had ingetrokken. De klager ziet geen verschil tussen de verwerking op basis van de toestemming of de verwerking in het kader van het algemeen belang. Daarenboven argumenteert de klager dat de gegevens niet gepseudonimiseerd werden bewaard na het intrekken van zijn toestemming voor de dienst ‘reisinfo op maat’. De verweerster was 64 De Geschillenkamer had de nadruk in bold in haar uitnodiging voor de hoorzitting eveneens aangebracht. 65 Stuk 27 van de inventaris van de Geschillenkamer: Uitnodiging hoorzitting.. Beslissing ten gronde 130/2024 — 37/56 immers nog altijd in staat om zijn validatiegegevens over te maken nadat hij zijn toestemming had ingetrokken. 96. Op basis van dezelfde validatiegegevens reconstrueert de klager zijn wekelijkse reisgewoontes om aan te tonen dat zijn privacy flagrant geschonden is. II.7.2. Standpunt verweerster 97. De verweerster stelt zich bewust te zijn van de verplichting tot gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen en het “inbouwen” van de naleving van de beginselen van gegevensbescherming bij de creatie van nieuwe technologie. Als voorbeelden van hoe dit bereikt kan worden, geeft de verweerster het ontwerpen van het IT-systeem gericht op het minimaliseren van gegevens en een uitgebreide en tijdige pseudonimisering van persoonsgegevens. 66 98. Als nodige passende technische en organisatorische maatregelen die gewaarborgd worden en die periodiek worden geëvalueerd, vernoemt de verweerster: • Bewustmaking bij de medewerkers van de verweerster. • Pseudonimisatie van de validatiegegevens vanaf dat de persoonsgegevens niet meer noodzakelijk zijn voor de controle van het vervoerbewijs of voor de dienst reisinfo op maat, indien de reiziger hiervoor toestemming heeft gegeven. • Het gebruik van gepseudonimiseerde gegevens voor statistische doeleinden. De verweerster is zich bewust van de voorkeur voor geanonimiseerde gegevens voor statistische doeleinden, maar zou in dat geval niet kunnen voldoen aan bepaalde vereisten van nauwkeurigheid van de Vlaamse overheid. De gekozen vorm van pseudonimisatie zou afdoende garanties bieden voor de rechten van betrokkenen door gebruik te maken van “‘one way hashing’, waarbij aan elk kaartnummer een ‘salt’ wordt toegevoegd”67. • Een streng toegangsbeleid en traceerbaarheid van de handelingen van een bepaalde account. • Andere technische maatregelen zoals encryptie, beheer van zwakheden, logging en monitoring, veilige ontwikkeling, pentesting, ethische hacking, netwerkbeveiliging en disaster recovery. • Maatregelen op organisatorisch niveau zoals een security officer, een zeven-koppig ICT security team en de opstart van een ISO 27001 certificeringstraject. 66 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 67. 67 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 70. Beslissing ten gronde 130/2024 — 38/56 99. In het kader van artikel 25.2 van de AVG garandeert de verweerster de gegevensbescherming door standaardinstellingen door: • Enkel persoonsgegevens van de gewone categorie van persoonsgegevens te verwerken die strikt noodzakelijk zijn en deze persoonsgegevens te pseudonimiseren vanaf het moment dat de validatiegegevens niet meer gekoppeld hoeven te worden aan de reiziger, in casu “wanneer de gegevens enkel worden verwerkt voor de organisatie van de dienstverlener en het vervullen van de verplichtingen inzake statistische gegevens ingevolge de beheersovereenkomst met de Vlaamse regering”68. • De identificatienummer van de MOBIB-kaart enkel te verwerken voor vervoersbewijzen die strikt persoonsgebonden zijn en anoniem reizen mogelijk te maken voor verschillende andere types van vervoersbewijzen. In het geval van een abonnement is anoniem reizen echter geen mogelijkheid meer, wat ook duidelijk is gemaakt in de Algemene Reisvoorwaarden. • Enkel het scannen van de MOBIB-kaart te eisen bij het opstappen van een voertuig van de verweerster en niet bij het afstappen, waardoor het traject van een reiziger niet kan worden gereconstrueerd. • Te vermijden dat er “allerlei soorten en frequenties van verwerkingsactiviteiten op de gegevens mogen worden uitgevoerd” 69 en de redelijke verwachtingen van de betrokkene voor ogen te houden. • De validatiegegevens in niet-gepseudonimiseerde vorm te bewaren voor een beperkte periode van zes maanden en de wettelijke bewaartermijnen te implementeren. • Enkel toegang te geven tot de persoonsgegevens op het ‘need to know’ principe waarbij de medewerkers enkel toegang krijgen tot de persoonsgegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken. II.7.3. Beoordeling Geschillenkamer 100. De verweerster is in haar uiteenzetting tijdens de hoorzitting niet ingegaan op het verzoek om meer in detail aan te tonen dat de verwerking is ontworpen met gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen indachtig. Om te beoordelen of de verweerster voldoet aan artikel 25 van de AVG zal de Geschillenkamer eerst de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van een systeem uit artikel 25.1 van de 68 Ibid, randnummer 75. 69 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 79. Beslissing ten gronde 130/2024 — 39/56 AVG analyseren op basis van de stukken van de verweerster, waarna ze het ontwerp en de standaardinstellingen zal beoordelen per doelstelling van de verwerking. Beoordelingselementen uit artikel 25.1 van de AVG 101. Aangaande de elementen die in artikel 25, lid 1 van de AVG worden opgesomd en waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of een systeem voldoet aan de voorwaarden van gegevensbescherming door ontwerp en standaardinstellingen, doet de Geschillenkamer op basis van de stukken en de hoorzitting volgende vaststellingen: 102. De verweerster voegt geen argumenten toe aangaande een eventuele belemmering op de gegevensbescherming door ontwerp, gebaseerd op de stand van de techniek of de uitvoeringskosten. 103. Aangaande de aard van de verwerking stelt de verweerster dat er geen gevoelige of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt tijdens de validatie van de vervoersbewijzen. Alhoewel dit in beginsel correct is, wijst de Geschillenkamer op de link die bestaat tussen de validatiegegevens enerzijds en de MOBIB-kaart en via de ‘Mobiguider’ het klantenbestand anderzijds. Zowel op de MOBIB-kaart als in het klantenbestand kunnen persoonsgegevens van de bijzondere categorie worden verwerkt, in casu gezondheidsgegevens of sociale gegevens die recht geven op een korting op het vervoersbewijs. Gezien persoonsgegevens uit deze categorie kunnen worden verwerkt en mogelijk gelinkt met de validatiegegevens, moet de verweerster alsnog rekening houden met deze gevoeligheden in haar volledige systeem om de gegevensbescherming door ontwerp te garanderen. Aangezien er echter geen elementen in de klacht wijzen op een problematische verwerking van gegevens van deze bijzondere categorie, gaat de Geschillenkamer niet verder in op dit mogelijk risico en de eventuele gevolgen hiervan op de gegevensbescherming door ontwerp. 104. De omvang van de verwerking van de verweerster is zeer groot. De verweerster stelt dat het verplicht is te valideren in elk voertuig waarvan men gebruikt maakt. Dit valideren genereert telkens de GPS-coördinaten op dat moment, het busnummer, de buslijn, enz. In het jaarverslag van de verweerster, waarnaar ze verwijst in haar syntheseconclusie70 en dat openbaar beschikbaar is, spreekt men van 286.423.112 reizigersritten voor het jaar 202371. Deze gegevens worden geregistreerd en gecentraliseerd bewaard voor zes maanden in twee databases: de Mobiguider en de ODS. Van al deze ritten worden ritten 70 71 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 41. Het jaarverslag 2023 van De Lijn stelt dat er 286.423.112 reizigersritten werden uitgevoerd in 2023. https://assets.ctfassets.net/32fmeyn9t08i/444ZIxiw2wOIeKiqLz1rIz/47a65f52b1381bc0a48a8f04c350fd9e/jaarverslag2023.pdf, p. 22. Beslissing ten gronde 130/2024 — 40/56 waarvoor een abonnement werd gebruikt gelinkt aan de identiteit van de reiziger, aangezien de verweerster stelt dat de Mobiguider gelinkt is met het klantenbestand. Hetzelfde jaarverslag spreekt van 671.821 abonnementen in 2023 72. Na zes maanden worden deze ritten gepseudonimiseerd, waarna ze bijkomend nog vijf jaar worden bewaard in een derde database. De klager toont duidelijk aan met zijn tabel van validatiegegevens dat zijn reisgewoonten zeer precies zijn af te leiden uit deze validatiegegevens. Gezien dit voor de laatste zes maanden wordt bijgehouden, zijn de verplaatsingen van de klager zeer voorspelbaar. Het is deze voorspelbaarheid die wordt beoogd en gepromoot door de verweerster in het kader van de dienst ‘reizen op maat’ wanneer ze stelt in haar verzoek om toestemming: “Ontvang berichten over aankomsttijden, vertragingen en wijzigingen. Dit op basis van gegevens over je ritten, aankopen en huidige locatie.”73 Tijdens de hoorzitting verklaarde de verweerster: “De dienst ‘reisinfo op maat’ gebeurt volledig via de Mobiguider op basis van dezelfde verwerking van persoonsgegevens.” en “Het al of niet geven van toestemming gaat enkel over het ontvangen van bijkomende informatie over de reisgewoontes van de reiziger”.74 De Geschillenkamer stelt vast dat hetzelfde kan worden gedaan voor alle 671.821 abonnementhouders die gebruik maken van de diensten van de verweerster en die al of niet toestemming hebben gegeven voor de dienst ‘reisinfo op maat’. 105. De context, die een invloed heeft op de verwachtingen van de betrokkene, 75 werd reeds in 2010 geanalyseerd door de CBPL in haar aanbeveling aangaande het gebruik van het e-ticketingsysteem76 door de verweerster. Alhoewel een abonnementhouder, zoals de klager, kan verwachten dat zijn persoonsgegevens worden verwerkt voor het vervoerbewijzenbeheer, het fraudebeheer, het technisch beheer, het statistisch beheer en eventueel het klantenbeheer en direct marketing 77, heeft de CBPL zeer duidelijk gesteld: “In dit opzicht is de Commissie van oordeel dat de maatschappijen noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks persoonsgegevens mogen verwerken die 72 Het jaarverslag 2023 van De Lijn stelt dat er 671.821 abonnementen in omloop waren in 2023. https://assets.ctfassets.net/32fmeyn9t08i/444ZIxiw2wOIeKiqLz1rIz/47a65f52b1381bc0a48a8f04c350fd9e/jaarverslag2023.pdf, p. 22. 73 Stuk 25 uit de stukkenbundel van de verweerster: Toestemming Reisinfo op Maat. 74 Stuk 34 van de inventaris van de Geschillenkamer: PV van de hoorzitting, p 6. 75 Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 – Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen; versie 2.0, vastgesteld op 20 oktober 2020, randnummer 28 omschrijft de ‘context’ als volgt: “houdt verband met de omstandigheden van de verwerking, die een invloed kunnen uitoefenen op de verwachtingen van de betrokkene”. 76 Aanbeveling nr 01/2010 van 17 maart 2010 betreffende ‘aanbeveling over de na te leven basisbeginselen bij het gebruik van e-ticketing door de openbare vervoersmaatschappijen (A/2010/003). 77 Ibid, randnummer 11 en12. Beslissing ten gronde 130/2024 — 41/56 zouden toelaten het traject van de gebruikers te traceren aan de hand van hun elektronisch vervoersbewijs.”78 106. De doelen zijn duidelijk bepaald in de verschillende decreetgevende teksten, zoals ook beargumenteerd door de verweerster. Met elk van de vier doelstellingen en de dienst ‘reisinfo op maat’ moet rekening worden gehouden in het ontwerp en de standaardinstellingen. 107. Aangaande de ‘qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico’s voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen welke aan de verwerking zijn verbonden”, werd in de stukken door de verweerster verwezen naar de ‘beraadslaging 33/2011’. In dit document staat drie maal in zeer duidelijke bewoordingen dat het niet toegelaten is het traject van de reiziger te kunnen opvolgen aan de hand van zijn vervoerbewijs: “Het Comité merkt in deze context ook op dat er in de aanvraag zijdelings melding wordt gemaakt van het feit dat er “geanonimiseerde” data-analyses zullen plaatsvinden. Het onderstreept dat verwerkingen voor deze finaliteit – met name statistisch beheer – effectief steeds op basis van daadwerkelijk anonieme gegevens dienen te geschieden.”79 en “Het Comité benadrukt vooreerst dat de gevraagde gegevens niet op een manier mogen verwerkt worden die zou toelaten het traject van de houders van de MOBIBkaart te traceren.”80 en “Het Comité eist dat deze aanbevelingen effectief zouden nageleefd worden – inzonderheid de aanbeveling dat de maatschappijen rechtstreeks noch onrechtstreeks persoonsgegevens mogen verwerken die zouden toelaten het traject van de gebruikers te traceren aan de hand van hun elektronisch vervoerbewijs – […]”81 108. De EDPB richtsnoer aangaande gegevensbescherming door ontwerp en standaardinstellingen wijst in dit verband ook naar de verwerkingen met hoog risico waarvoor een gegevensbeschermingseffectbeoordeling verplicht is.82 In artikel 35 kreeg 78 de Gegevensbeschermingsautoriteit de bevoegdheid om bijkomende ibid, randnummer 9. 79 Beraadslaging RR nr 33/2011 van 18 mei 2011 betreffende ‘aanvraag van de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn om de machtiging verleend bij KB van 5 september 1994 – die reeds bij beraadslagingen RR nrs. 04/2006 en 39/2007 werd verruimd – uit te breiden en om toegang te krijgen tot de foto’s, opgeslagen in het Register van de Identiteitskaarten en het Register van de Vreemdelingenkaarten (RN/MA/2011/009), randnummer 9. 80 ibid, randnummer 10. 81 ibid, randnummer 31. 82 Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 – Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen; versie 2.0, vastgesteld op 20 oktober 2020, randnummer 31. Beslissing ten gronde 130/2024 — 42/56 verwerkingen met potentieel hoog risico waarvoor een gegevensbeschermingseffectbeoordeling moest worden opgesteld, te bepalen. Een van die verwerkingen is: “7. wanneer er sprake is van een grootschalige en/of systematische verwerking van telefonie-, internet- of andere communicatiegegevens, metagegevens of locatiegegevens van of herleidbaar tot natuurlijke personen (bijvoorbeeld wifitracking of verwerking van locatiegegevens van reizigers in het openbaar vervoer (eigen nadruk)) wanneer de verwerking niet strikt noodzakelijk is voor een door de betrokkene gevraagde dienst;”83 109. Tenslotte heeft de EDPB zich bij wijze van voorbeeld ook uitgesproken over het gebruik van statistische informatie door openbaarvervoersbedrijven in haar voorbeeld 2 inzake minimale gegevensverwerking: “Een openbaarvervoersbedrijf wenst statistische informatie te verzamelen op basis van routes van reizigers. Dit is nuttig om juiste keuzen te maken over wijzigingen in tijdschema’s van het openbaar vervoer en over goede routebepalingen van de treinen. De reizigers moeten elke keer wanneer zij een vervoersmiddel betreden of verlaten, hun ticket door een kaartlezer halen. Nadat de verwerkingsverantwoordelijke een risicobeoordeling heeft uitgevoerd met betrekking tot de rechten en vrijheden van reizigers in verband met de verzameling van hun reisroutes, stelt hij vast dat het, wanneer reizigers in dunbevolkte gebieden wonen of werken, dankzij de identificatiecode van het ticket mogelijk is hen te identificeren op basis van losse routes. Aangezien het niet noodzakelijk is voor het doel van optimalisatie van de tijdschema’s van het openbaar vervoer en de routebepaling van de treinen, bewaart de verwerkingsverantwoordelijke de identificatiecode van het ticket daarom niet. Op het moment dat de reis voorbij is, bewaart de verwerkingsverantwoordelijke alleen de individuele reisroutes, zodat het niet mogelijk is reizen te identificeren die verbonden zijn aan één enkel ticket, maar alleen informatie over afzonderlijke reisroutes. Indien er alsnog een risico kan bestaan dat een persoon enkel door zijn reisroute in het openbaar vervoer wordt geïdentificeerd, treft de verwerkingsverantwoordelijke statistische maatregelen om het risico te beperken, zoals het weglaten van het begin en het einde van de route.”84 83 Beslissing van het Algemeen Secretariaat nr. 01/2019 van 16 januari 2019 betreffende aanname van de lijst met verwerkingen waarvoor een Gegevensbeschermingseffectbeoordeling dient te worden uitgevoerd conform artikel 35.4 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (SECR-AR-2019-001) terug te vinden op https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-nr.-01-2019-van-16-januari-2019.pdf, p 4. 84 Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 – Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen; versie 2.0, vastgesteld op 20 oktober 2020, p 25. De Geschillenkamer merkt op dat dit voorbeeld reeds was opgenomen in het richtsnoer van 13 november 2019, waarvan de huidige versie een update is. Beslissing ten gronde 130/2024 — 43/56 110. De Geschillenkamer oordeelt dat het voor de verweerster zeer duidelijk diende te zijn dat het traceren van het traject van de klager een ernstig risico inhield voor de rechten en vrijheden van de klager en bijgevolg specifieke technische en organisatorische maatregelen noodzaakten. De EDPB verwoordt het als volgt: “Bij het uitvoeren van de risicoanalyse voor de naleving van artikel 25 moet de verwerkingsverantwoordelijke de risico’s voor de rechten van betrokkenen identificeren die schending van de beginselen met zich meebrengt, en bepalen hoe waarschijnlijk en hoe ernstig deze zijn, teneinde maatregelen uit te voeren waarmee de vastgestelde risico’s op doeltreffende wijze worden beperkt. Een systematische en grondige evaluatie van de verwerking is essentieel bij de uitvoering van risicobeoordelingen.”85 111. In artikel 25.1 van de AVG zit ook een tijdsaspect: “bij de bepaling van de verwerkingsmiddelen” en “bij de verwerking zelf”. De bepaling van de verwerkingsmiddelen dateerde van vóór 2016, toen het concept gegevensbescherming door ontwerp en standaardinstellingen werd opgenomen in de AVG. Echter, het is de verplichting van de verwerkingsverantwoordelijke om, sinds 2018, haar systemen aan te passen aan de nieuwe regelgeving, in casu de AVG. De EDPB verwoordt dit in haar guidance als volgt: “Dat betekent dat legacysystemen die zijn ontworpen vóór de inwerkingtreding van de AVG, moeten worden geëvalueerd en onderhouden ter waarborging van de uitvoering van maatregelen en waarborgen waarmee de beginselen en de rechten van betrokkenen op een doeltreffende manier worden uitgevoerd en beschermd, […].”86 112. Op basis van deze elementen eist de AVG dat de verweerster de passende technische en organisatorische maatregelen neemt opdat: • enerzijds, in het geval van gegevensbescherming bij ontwerp, de gegevensbeschermingsbeginselen op een doeltreffende manier worden uitgevoerd en de nodige waarborgen in de verwerking zijn ingebouwd ter naleving van de AVG en ter bescherming van de rechten van de betrokkenen, en • anderzijds, in het geval van gegevensbescherming door standaardinstellingen, in beginsel alleen persoonsgegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor elk specifiek doel van de verwerking. Beoordeling van de gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen 85 Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 – Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen; versie 2.0, vastgesteld op 20 oktober 2020, randnummer 30. 86 Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 – Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen; versie 2.0, vastgesteld op 20 oktober 2020, randnummer 38. Beslissing ten gronde 130/2024 — 44/56 113. Artikel 25.2 van de AVG stelt duidelijk dat: “in beginsel alleen persoonsgegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor elk specifiek doel van de verwerking”. De EDPB verwoordt dit als volgt: “dat er standaard uitsluitend verwerkingen worden uitgevoerd die strikt noodzakelijk zijn voor het gestelde , wettige doel. Daarvoor moeten verwerkingsverantwoordelijken vertrouwen op hun beoordeling van de noodzakelijkheid van de verwerking met betrekking tot de rechtsgronden uit artikel 6, lid 1. Dit houdt in dat de verwerkingsverantwoordelijke standaard niet meer gegevens verzamelt dan nodig is, de verzamelde gegevens niet in grotere mate verwerkt dan nodig is voor het beoogde doel, en de gegevens niet langer dan nodig bewaart.” 87 114. De Geschillenkamer zal per doelstelling van de verweerster nagaan of werd voldaan aan de noodzakelijkheid van de verwerking op basis van de drie elementen van artikel 25.2 van de AVG. Daarenboven stelt de verweerster in haar syntheseconclusie een “uitgebreide en tijdige pseudonimisering van persoonsgegevens”88 na te streven en bovendien dat de pseudonimisatie “Eén van de belangrijkste maatregelen die door De Lijn wordt getroffen specifiek voor de verwerking van de validatiegegevens” 89 is. De Geschillenkamer zal in dit kader eveneens nagaan of de pseudonimisatie per doelstelling tijdig en uitgebreid wordt uitgevoerd. Verwerking van de validatiegegevens voor de doelstelling valideren, controleren en sanctioneren van vervoersbewijzen 115. De validatie en een eerste controle worden uitgevoerd op het voertuig van de verweerster. Gedurende het valideren van een vervoersbewijs geeft het validatietoestel op het voertuig een auditief signaal. Uit dit signaal kan de chauffeur opmaken of een vervoersbewijs geldig is of niet, ook al grijpt de chauffeur niet noodzakelijk in wanneer een ongeldige validatie wordt waargenomen. De verweerster argumenteert dat dit vermoeden van controle belangrijk is in de strijd tegen zwartrijden. 116. Een tweede controle wordt mogelijk uitgevoerd door een controleur op het voertuig, die aan de hand van het inlezen van de gegevens op de MOBIB-kaart kan nakijken of de reiziger een geldig vervoerbewijs heeft, de effectieve houder is van dat vervoerbewijs, rechtmatig kan genieten van een korting op het vervoerbewijs en zijn reis geldig heeft gevalideerd. Bij de vaststelling van een inbreuk worden de validatiegegevens en persoonsgegevens van de reiziger verwerkt door de controleur om de verweerster toe te laten een sanctie uit te schrijven. 87 Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 – Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen; versie 2.0, vastgesteld op 20 oktober 2020, randnummer 42. 88 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 67. 89 Ibid, randnummer 70. Beslissing ten gronde 130/2024 — 45/56 117. De verweerster stelde tijdens de hoorzitting90 dat de validatiegegevens, samen met de identificatiegegevens van de reiziger voor zes maanden worden bijgehouden in Mobiguider om de afhandeling van een eventuele inbreuk toe te laten. De bewuste reiziger krijgt na de vaststelling van de inbreuk een maand om te reageren op een eventuele sanctie, waarna de verweerster hoopt de procedure in de vijf daaropvolgende maanden te hebben afgerond. De verweerster haalt aan dat ze voor deze doeleinden een bewaartermijn van een jaar heeft toegekend gekregen van de decreetgever, maar dat ze dit zelf niet nodig achtte en de termijn heeft teruggebracht naar zes maanden. 118. De verweerster stelt daarenboven dat zij niet de gewoonte heeft van bij de eerste inbreuk een sanctie te geven aan de bewuste reiziger: “In de praktijk maakt De Lijn de boetes afhankelijk van het specifiek geval. Immers, wanneer bij controle wordt vastgesteld door het controlepersoneel dat de reiziger de voorbije periode correct het vervoersbewijs heeft gevalideerd – en het niet valideren m.a.w. als een uitzondering kan worden beschouwd – zal deze tekortkoming door de vingers worden gezien. Ook om deze reden bewaart De Lijn de validatiegegevens.”91 Bij een tweede inbreuk binnen de zes maanden zou de verweerster dan wel overgaan tot een sanctie. Om deze ‘recidive na inbreuk’92 te kunnen opvolgen, is het volgens de verweerster eveneens noodzakelijk om de validatiegegevens van alle reizigers bij te houden. 119. In geval van een sanctie argumenteerde de verweerster tijdens de hoorzitting: “een boete wordt apart geregistreerd in de systemen van de verweerster zodat deze langer dan zes maanden zichtbaar is en zodat de persoonsgegevens hiervoor niet langer apart moeten worden bijgehouden.” 93 Het is bijgevolg niet noodzakelijk ter controle van ‘recidive na sanctie’ om de persoonsgegevens in de Mobiguider te consulteren. 120. De Geschillenkamer heeft reeds prima facie geoordeeld94 dat de validatiegegevens rechtmatig kunnen worden verwerkt voor het doeleinde valideren, controleren en sanctioneren van vervoersbewijzen op basis van de rechtsgrond algemeen belang. Aangezien de persoonsgegevens van de klager niet werden verzameld voor deze doelstelling, heeft de Geschillenkamer het principe van de minimale gegevensverwerking niet beoordeeld en gaat ze er prima facie van uit dat de verweerster niet meer persoonsgegevens verwerkt dan noodzakelijk om deze doelstelling te 90 Stuk 34 van de inventaris van de Geschillenkamer: PV van de hoorzitting, p 4. 91 Syntheseconclusie van de verweerster, voetnoot 9 op p 14 en Stuk 34 van de inventaris van de Geschillenkamer: PV van de hoorzitting, p 4. 92 Tijdens de hoorzitting werd duidelijk dat de verweerster een onderscheid maakt tussen reizigers die een inbreuk plegen maar nog geen sanctie hebben gekregen (recidive na inbreuk) en reizigers die een inbreuk plegen en al eerder een sanctie hebben gekregen (recidive na sanctie). Zie hiervoor stuk 34 van de inventaris van de Geschillenkamer: PV van de hoorzitting, p. 4. 93 Stuk 34 van de inventaris van de Geschillenkamer: PV van de hoorzitting, p 4. 94 Zie randnummer 62 van deze beslissing. Beslissing ten gronde 130/2024 — 46/56 bereiken. Aangezien de verweerster tijdens de hoorzitting stelde: “de verwerking van persoonsgegevens is opgesplitst in twee periodes en in verschillende databases: de eerste zes maanden dienen om de geldigheid van het vervoersbewijs te controleren en eventuele sancties op te leggen en maakt gebruik van de database Mobiguider en de validatiegegevens. Na zes maanden worden de gegevens enkel nog gepseudonimiseerd verwerkt door gebruik te maken van de andere databases” 95, zal de Geschillenkamer alsnog de noodzaak van de verwerking van de validatiegegevens in de systemen van de verweerster voor deze doelstelling beoordelen in het licht van artikel 25 van de AVG. 121. Om de gegevensbescherming door standaardinstellingen te beoordelen, stelt artikel 25, lid 2 van de AVG dat de “hoeveelheid van verzamelde persoonsgegevens noodzakelijk [moet] zijn voor elk specifiek doel”. De Geschillenkamer oordeelt dat voor de doelstelling controleren en sanctioneren enkel de validatiegegevens en klantgegevens van het moment van de inbreuk en van diegene die een inbreuk heeft gepleegd, noodzakelijk zijn. Om eventuele ‘recidive na sanctie’ te controleren, baseert de verweerster zich, zoals in de hoorzitting vermeld, niet op de validatiegegevens • aangezien sancties volgens de verweerster apart werden geregistreerd en dus persoonsgegevens van de Mobiguider niet nodig zijn om deze recidive (na sanctie) vast te stellen96, en • aangezien de termijn voor recidive een jaar bedraagt 97, terwijl de validatiegegevens maar zes maanden worden bijgehouden en dus niet toereikend zijn. 122. De Geschillenkamer oordeelt dat de standaardinstelling om alle validatiegegevens van alle reizigers te bewaren voor zes maanden niet noodzakelijk is om de doelstelling valideren, controleren en sanctioneren te bereiken. De gegevens van de reizigers die correct valideren en waarvan geen inbreuk is vastgesteld bij een eventuele controle, zijn niet noodzakelijk om de verweerster toe te laten zwartrijders te sanctioneren en eventuele recidive te controleren. De praktijk om ‘first offenders’ (‘recidive na inbreuk’) niet meteen te bestraffen, is geen noodzaak voor deze doelstelling van algemeen belang en kan bijgevolg geen verantwoording zijn om méér persoonsgegevens te verwerken dan noodzakelijk is om dat algemeen belang te bereiken. 123. Aangaande de mate waarin de gegevens worden verwerkt, oordeelt de Geschillenkamer dat het niet noodzakelijk is om een link te hebben met het klantenbestand voor alle reizigers die correct valideren en waarvan geen inbreuk is vastgesteld bij een eventuele controle. Aangaande de termijn waarvoor deze gegevens worden opgeslagen is het voor 95 Stuk 34 van de inventaris van de Geschillenkamer: PV van de hoorzitting, p 3. 96 Stuk 34 van de inventaris van de Geschillenkamer: PV van de hoorzitting, p. 4. 97 Zie de discussie hieromtrent in stuk 34 van de inventaris van de Geschillenkamer: PV van de hoorzitting, p 4. Beslissing ten gronde 130/2024 — 47/56 deze doelstelling niet noodzakelijk om voor deze groepen reizigers zes maanden te wachten alvorens hun validatiegegevens te anonimiseren/pseudonimiseren. Verwerking van de validatiegegevens voor de dienst ‘reisinfo op maat’ 124. Na toestemming van de reiziger, worden alle validatiegegevens die in de Mobiguider terecht komen, voor langere tijd opgevolgd en geanalyseerd om, in combinatie met dienstgegevens van de verweerster zelf, de reiziger tijdig te kunnen voorzien van correcte informatie over zijn of haar gewoonlijke reisroute. De Geschillenkamer stelt vast dat enkel de validatie- en klantgegevens van de reizigers die toestemming hebben gegeven voor deze dienst, noodzakelijk zijn. 125. De Geschillenkamer oordeelt dat de standaardinstelling om alle validatiegegevens van alle reizigers te bewaren voor zes maanden niet noodzakelijk is om de dienst ‘reisinfo op maat’ aan te kunnen bieden. De validatiegegevens van de reizigers die hiervoor geen toestemming hebben gegeven zijn niet noodzakelijk voor de verweerster om deze dienst aan te kunnen bieden. Bijgevolg oordeelt de Geschillenkamer dat het evenmin nodig is dat er een link is tussen de klantgegevens en de validatiegegevens van de reizigers die hun toestemming niet hebben gegeven en dat het niet noodzakelijk is om zes maanden te wachten voor hun validatiegegevens worden geanonimiseerd/gepseudonimiseerd. Verwerking van de validatiegegevens voor de statistische doelstellingen 126. Teneinde te voldoen aan de verplichtingen van het openbaredienstencontract met de Vlaamse overheid inzake statistische gegevens verplicht de verweerster elke reiziger zijn vervoersbewijs te valideren bij het opstappen op een voertuig. In dat contract staat te lezen: “De Lijn verbindt zich ertoe om haar kennis en beheersing van de reizigersstromen te verbeteren, en de betrouwbaarheid te verhogen van de statistische gegevens rond reizigersaantallen, bezettingsgraad, reizigerskilometers, makend van de meest geschikte technologieën.” 98 … gebruik De Geschillenkamer oordeelde reeds in randnummer 88 dat er geen inbreuk is tegen de gegevensminimalisatie, ook al wordt het identificatienummer van de MOBIB-kaart mee verwerkt. 127. De decreetgever heeft voor deze verwerking het volgende opgelegd: “Voor zover de gegevens, vermeld in het eerste lid, 3°, persoonsgegevens bevatten, worden deze zo veel als mogelijk geanonimiseerd en in ondergeschikt geval gepseudonimiseerd.”99 De verweerster stelt echter dat de anonimisering, zoals gevraagd door de decreetgever, niet mogelijk is en zij voor de gehele verwerking terugvalt op pseudonimisering: “Hoewel de voorkeur wordt gegeven aan de 98 Stuk 26 uit de stukkenbundel van de verweerster: Openbaredienstencontract tussen De Lijn en de Vlaamse regering – 20232027, p 25. 99 Artikel 37, §3, lid 2 van het Decreet betreffende de basisbereikbaarheid van 26 april 2019. Beslissing ten gronde 130/2024 — 48/56 anonimisering van deze persoonsgegevens, was dit evenwel voor De Lijn onmogelijk, aangezien dit niet zou toelaten om na te gaan hoe vaak een reiziger een vervoersbewijs (bijvoorbeeld een abonnement) gebruikt; informatie die De Lijn gebruikt om haar vervoersaanbod te kunnen aanpassen (bv. tariefmodules) en tegemoet te komen aan de vereisten van nauwkeurigheid van de Vlaamse regering”100. De Geschillenkamer stelt vast dat voor het specifieke doel waarvoor de anonimisering niet mogelijk is, enkel het identificatienummer van de MOBIB-kaart noodzakelijk is. De verweerster maakt niet aannemelijk dat de andere validatiegegevens, zoals het moment van validatie, de GPScoördinaten van de locatie van de validatie en de route of het betrokken voertuig noodzakelijk zijn voor deze specifieke vereiste van nauwkeurigheid of om het vervoersaanbod aan te kunnen passen. Het zijn net deze locatie- en routegegevens die het mogelijk maken om “het traject van de gebruikers te traceren aan de hand van hun elektronisch vervoersbewijs”101 waarvan de CBPL in de ‘beraadslaging 33/2011’ heeft geoordeeld dat dit niet is toegelaten. 128. De Geschillenkamer merkt daarbij op dat de CBPL bij het toekennen van de machtiging ervan uit gegaan is dat “De registraties worden anoniem verwerkt”102 en “Het Comité merkt in deze context ook op dat er in de aanvraag zijdelings melding wordt gemaakt van het feit dat er “geanonimiseerde” data-analyses zullen plaatsvinden”103. Op basis van deze aanname “onderstreept [het comité] dat verwerkingen voor deze finaliteit – met name statistisch beheer – effectief steeds op basis van daadwerkelijk anonieme gegevens dienen te geschieden”104. Ten aanzien van de pseudonimisering van de persoonsgegevens na de validatie van de MOBIB-kaart, stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerster in haar antwoord aan de klager van 31 oktober 2023 stelt “Wij kunnen enkel uw validaties van de laatste 6 maanden bezorgen omdat we eventuele oudere validaties enkel in gepseudonimiseerde vorm bewaren.” en verder in de mail “We houden uw validaties van de laatste 6 maanden niet-gepseudonimiseerd bij op basis van een taak van algemeen belang.”105 De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerster niet voldoet aan de vereisten van de ‘beraadslaging 33/2011’, noch aan het decreet in zoverre dit oplegt dat “zo veel als mogelijk“ wordt geanonimiseerd. 100 Syntheseconclusie van de verweerster, randnummer 70. 101 Beraadslaging RR nr 33/2011 van 18 mei 2011 betreffende ‘aanvraag van de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn om de machtiging verleend bij KB van 5 september 1994 – die reeds bij beraadslagingen RR nrs. 04/2006 en 39/2007 werd verruimd – uit te breiden en om toegang te krijgen tot de foto’s, opgeslagen in het Register van de Identiteitskaarten en het Register van de Vreemdelingenkaarten (RN/MA/2011/009), randnummer 9. 102 Ibid, randnummer 1. 103 Beraadslaging RR nr 33/2011 van 18 mei 2011 betreffende ‘aanvraag van de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn om de machtiging verleend bij KB van 5 september 1994 – die reeds bij beraadslagingen RR nrs. 04/2006 en 39/2007 werd verruimd – uit te breiden en om toegang te krijgen tot de foto’s, opgeslagen in het Register van de Identiteitskaarten en het Register van de Vreemdelingenkaarten (RN/MA/2011/009), randnummer 9. 104 Ibid. 105 Stuk 15 in de stukkenbundel van de verweerster: E-mail De Lijn aan Klager d.d. 31 oktober 2023. Beslissing ten gronde 130/2024 — 49/56 129. De Geschillenkamer oordeelt dat de standaardinstelling om alle validatiegegevens van alle reizigers te verwerken noodzakelijk is om de doelstellingen omtrent statistische gegevens te bereiken. De Geschillenkamer oordeelt echter dat het niet noodzakelijk is deze validatiegegevens op enig moment te kunnen linken aan het klantenbestand. Daarenboven oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerster niet tijdig de validatiegegevens pseudonimiseert en niet overgaat op de anonimisering van bepaalde gegevens - al is dit wel mogelijk en legt de decreetgever dit ook op. Verwerking van de validatiegegevens voor de doelstelling ‘efficiënte exploitatie van de openbaarvervoerdiensten’ 130. De Geschillenkamer heeft reeds in randnummer 72 geoordeeld dat de verweerster het niet aannemelijk maakt dat de validatiegegevens noodz

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.