1/11 s Geschillenkamer Beslissing ten gronde 134/2022 van 15 september 2022 Dossiernummer : DOS-2021-04509 Betreft : klacht betreffende gegevensverwerking in het kader van een fiscaal onderzoek De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Frank De Smet en Dirk Van Der Kelen, leden. Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: De heer X, vertegenwoordigd door Meester Erik Valgaeren, kantoorhoudende te Loksumstraat 25, 1000 Brussel, hierna “de klager”; De verweerder: De Federale Overheidsdienst Financiën, met zetel te 1030 Schaarbeek, Koning Albertlaan II-laan 33, bus 1, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, onder het nummer 0308.357.159 hierna “de verweerder”. Beslissing ten gronde 134/2022 - 2/11 I. 1. Feiten en procedure Op 8 juni 2021 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen verweerder. In het kader van een fiscaal onderzoek werden door de bevoegde diensten van de verweerder bedrijfsvisitaties uitgevoerd in april 2019 bij verschillende vennootschappen waarin de klager via een functie direct of indirect betrokken is. Volgens de klager werden hierbij talrijke privégegevens gekopieerd en meegenomen. Op 22 december 2020 worden identieke kennisgevingen betreffende de uitbreiding van de fiscale onderzoekstermijn inzake personenbelasting naar de klager en de verschillende betrokken vennootschappen gestuurd. Deze kennisgevingen vermelden onder andere persoonsgegevens met betrekking tot privéreizen, zoals namen van het reisgezelschap, bestemmingen, ondernomen activiteiten en de kostprijzen van die reizen. De klager stelt dat die persoonsgegevens in kwestie raken aan de kern van het privéleven van de klager. Bijgevolg stelt de klager dat de verweerder de AVG geschonden heeft door deze privégegevens te verzamelen tijdens de bedrijfsvisitatie en deze vervolgens op te nemen in de kennisgevingen aan alle betrokken vennootschappen. 2. Op 31 augustus 2021 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 3. Op 30 september 2021 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst, samen met de klacht en de inventaris van de stukken. 4. Op 3 november 2021 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het verslag bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de inspecteur-generaal overgemaakt aan de Voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG). Het verslag besluit dat het opstarten van een onderzoek tegen de verwerkingsverantwoordelijke zou ingaan tegen artikel 57.1
- f)AVG gelezen in samenhang met artikel 64 § 2 WOG omwille van volgende redenen: - De identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke is niet duidelijk afgebakend in de klacht en na bevraging van de raadslieden van de klager is de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke ook niet afgebakend. - De klager zou onvoldoende bewijs aanleveren dat aantoont dat er sprake is van een inbreuk op de AVG of de gegevensbeschermingswetten. De klager heeft ook geen contact opgenomen met de functionaris voor gegevensbescherming omtrent de bezwaren. Dit is volgens de Inspectiedienst problematisch omdat de klager het bestaan van voldoende Beslissing ten gronde 134/2022 - 3/11 ernstige aanwijzingen moet kunnen aantonen. De Inspectiedienst kan immers geen onderzoek starten op basis van interpretaties van de klager inzake de fiscale wetgeving en de AVG tijdens een lopend fiscaal geschil. Het standpunt van de functionaris voor gegevensbescherming kan in dat geval veel bijkomende informatie opleveren in het licht van de AVG. - Een fiscaal onderzoek is nog lopende betreffende de feiten waarop onderhavige klacht betrekking heeft. Uit de plicht om te waken over een proportioneel onderzoek volgt dat het niet opportuun is voor de Inspectiedienst om reeds tussen te komen in deze specifieke lopende onderzoeken en geschillen waar ten gronde nog geen uitspraak werd geformuleerd door de (administratieve) rechter. - Een verder onderzoek is niet opportuun gelet op de bevoegdheid van de rechtbank om het fiscaal onderzoek en eventuele hieraan ondergeschikte geschillen over de AVG te beoordelen. - De Inspectiedienst kan de fiscale (ir)relevantie van persoonsgegevens en het “privaat” of “professioneel” karakter van deze specifieke persoonsgegevens (reisgegevens) niet onderzoeken laat staan kwalificeren als een mogelijke inbreuk op de AVG. Dit betreft immers een fiscale appreciatie ten gronde, waarvoor de Inspectiedienst niet bevoegd is. - De Inspectiedienst stelt vast dat er a priori geen sprake lijkt te zijn van een ‘openbaarmaking’ in de zin van artikel 33 van de AVG. 5. Op 6 december 2021 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, §1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 6. Op 6 december 2021 worden de betrokken partijen in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. Voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht werd de uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder vastgelegd op 17 januari 2022, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 7 februari 2022 en ten slotte deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 28 februari 2022. 7. Op 21 december 2021 werden op vraag van de verweerder de conclusietermijnen verlengd en werd de uiterste datum voor ontvangst van conclusie van antwoord van de verweerder vastgelegd op 7 februari 2022, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 14 maart 2022 en ten slotte deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 4 april 2022. Beslissing ten gronde 134/2022 - 4/11 8. Op 7 december 2021 vraagt de klager een kopie van het dossier (artikel 95, §2, 3° WOG), dewelke hem werd overgemaakt op 16 december 2021. 9. Op 7 december 2021 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (artikel 95, §2, 3° WOG), dewelke hem werd overgemaakt op 16 december 2021. 10. Op 7 december 2021 aanvaardt de verweerder elektronisch alle communicatie omtrent de zaak en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. 11. Op 17 december 2021 aanvaardt de klager elektronisch alle communicatie omtrent de zaak en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. 12. Op 7 februari 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerder waarin een overzicht wordt gegeven van de concrete feiten in onderhavige zaak en de nog lopende fiscale procedure aangaande de klager en de voormelde betrokken vennootschappen. De verweerder stelt dat de verwerking in zijnen hoofde een behoorlijke en toegelaten gegevenswerking uitmaakt waarbij het doelmatigheids- en evenredigheidsbeginsel worden gerespecteerd. Verder voert de verweerder aan dat hij bevoegd is om de fiscale appreciatie ten gronde uit te voeren in overeenstemming met de principes van behoorlijk bestuur, in overeenstemming met de rechten van verdediging van de klager en de vennootschappen en overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake. Tot slot stelt de verweerder dat hij de informatie- en transparantieverplichtingen uit de artikelen 12, 13 en 14 AVG heeft nageleefd. 13. Op 14 maart 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager, waarin hij uiteenzet dat de onduidelijkheid over de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke in onderhavige zaak het gevolg is van de niet-naleving van de informatie- en transparantieverplichtingen zoals bepaald in de artikelen 5, 13 en 14 AVG. Daarna schetst de klager de voorafgaande procedure die werd gevoerd omtrent de verzamelde persoonsgegevens. Vervolgens stelt de klager dat, in tegenstelling tot de vaststellingen van de Inspectiedienst, de Geschillenkamer bevoegd is om toe te zien op verwerkingen door verweerder, ondanks het lopend fiscaal geschil. De klager zet vervolgens uiteen hoe de verweerder gebonden is door de principes van de AVG en waarbij noch een ruime basis om onderzoeksdaden te verrichten, noch het voeren van fiscale appreciaties een wettelijke toelating impliceren om af te wijken van deze principes. Daarbij stelt de klager dat de verwerkingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 5, 6 en 32 AVG. Hierbij spreekt de verweerder over drie litigieuze verwerkingen: a. De disproportionele inzameling van persoonsgegevens; b. Het richten van gevoelige vragen aan beide echtgenoten; Beslissing ten gronde 134/2022 - 5/11 c. Het onnodig detailleren en bekendmaken van gevoelige persoonsgegevens betreffende reizen van de klager die niet fiscaal in aftrek werden genomen. Vervolgens weerlegt de klager de vaststelling van de Inspectiedienst dat de klager de functionaris voor gegevensbescherming niet gevat heeft alvorens onderhavige klacht in de dienen. Tot slot voert de klager elementen aan die de ernst van de inbreuk en verzwarende omstandigheden moeten aantonen. De klager wijst op de volgende elementen: de litigieuze verwerking heeft betrekking op persoonsgegevens van uiterst gevoelige aard, ondanks herhaalde verzoeken werden geen maatregelen genomen om de vertrouwelijkheid van de gegevens te waarborgen, en de opzettelijke aard van de inbreuken op de AVG en de verregaande schadelijke gevolgen van de litigieuze verwerking. 14. Op 4 april 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van dupliek van de verweerder waarin hij zijn argumenten uit de conclusie van antwoord herneemt. Vervolgens wijst de verweerder erop dat er een duidelijke administratiefrechtelijke procedure voorhanden is die bevoegd is om geschillen in verband met het behandelen van verweer te beoordelen. Bovendien zijn de hoven en rechtbanken bevoegd om te waken over de rechten van de betrokkenen. De verweerder meent dan ook dat de klager niet aantoont waarom de bestaande administratieve en gerechtelijke procedures niet voldoende zouden zijn om de rechten en vrijheden van de betrokkenen afdoende te beschermen. Tot slot formuleert de verweerder argumenten – onder voorbehoud – omtrent de rechtmatigheid van de hierboven vermelde gevoelige vragen die werden gericht aan beide echtgenoten. 15. Op 25 mei 2022 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 24 juni 2022. 16. Op 24 juni 2022 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. 17. Op 28 juni 2022 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. 18. Op 5 juli 2022 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de verweerder enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. 19. Op 5 juli 2022 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de klager enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. II. Motivering II.1. Identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke 20. De Geschillenkamer stelt vast dat in de klacht de Algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie – Gewestelijke Directie Gent als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4.7 AVG werd geïdentificeerd. Tijdens de bevraging van de klager door de Inspectiedienst onder andere omtrent de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke, Beslissing ten gronde 134/2022 - 6/11 zou de klager in hypotheses geantwoord hebben, zonder een duidelijk standpunt in te nemen. Hij vermeldde daarnaast ook dat de bezwaren enkel overgemaakt werden aan de Gewestelijke Directie Gent, waarvan hij niet zeker is of deze de juiste of enige verwerkingsverantwoordelijke is. De Inspectiedienst neemt geen standpunt in over wie de verwerkingsverantwoordelijke in onderhavige zaak is. Het Inspectieverslag vermeldt hieromtrent: “[d]e voorgaande elementen wijzen er op dat het opstarten van een onderzoek tegen de FOD Financiën en/of de BBI of een andere bevoegde fiscale instantie zou ingaan tegen […]”. 21. Overeenkomstig artikel 4.7 AVG dient als verwerkingsverantwoordelijke te worden beschouwd: de “natuurlijke persoon of rechtspersoon, overheidsinstantie, dienst of ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt”. De Geschillenkamer is er zich van bewust dat het voor de klager niet altijd evident is om te bepalen wie er precies als verwerkingsverantwoordelijke optreedt. Het komt dan ook toe aan de Geschillenkamer om vast te stellen wie als verwerkingsverantwoordelijke gekwalificeerd moet worden. 22. Het Hof van Justitie “verwerkingsverantwoordelijke” heeft in zijn rechtspraak het begrip meermaals ruim uitgelegd teneinde een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen te verzekeren. 1 23. Overeenkomstig het Advies 1/2010 van de Groep Gegevensbescherming dient de hoedanigheid van de betrokken verwerkingsverantwoordelijke(
- n)in concreto te worden beoordeeld.2 Ook het Hof van Justitie heeft gesteld dat bij de beoordeling van het niveau van de verantwoordelijkheid rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het concrete geval.3 24. In casu stelt de Geschillenkamer vooreerst vast dat de verweerder een verwerking van persoonsgegevens uitvoerde in de zin van artikel 4.2 AVG, met name “een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens”. De Geschillenkamer wijst erop dat de verweerder de facto het doel en de middelen bepaalde van de betrokken 1 Zie o.a. HvJ, 5 juni 2018, C-210/16 - Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein, ECLI:EU:C:2018:388, overwegingen 27-29. 2 Zie Groep 29, advies 1/2010 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker”, 16 februari 2010 (WP 169), zoals verduidelijkt door de GBA in een nota “Overzicht van de begrippen verwerkingsverantwoordelijke/verwerker in het licht van de Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens (AVG) en enkele specifieke toepassingen voor vrije beroepen zoals advocaten”. 3 HvJEU Arrest van 29 juli 2019, Fashion ID, C-40/17, ECLI:EU:C:2019:629, par.70. Beslissing ten gronde 134/2022 - 7/11 verwerkingen van persoonsgegevens aangezien deze de verwerking initieerde door de persoonsgegevens van de klager te verzamelen via de uitgevoerde bedrijfsvisitatie, tijdens deze bedrijfsvisitaties ook bepaalde welke persoonsgegevens moesten verzameld worden, alsook de verzamelde gegevens op te nemen in de kennisgevingen die werden toegestuurd aan de betrokken vennootschappen. 25. Ook de jure wordt de verweerder gekwalificeerd als de verwerkingsverantwoordelijke van de betrokken persoonsgegevens, meer bepaald door de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten (hierna: de wet van 3 augustus 2012).4 Deze artikelen luiden als volgt: “De Federale Overheidsdienst Financiën is de verantwoordelijke voor de in dit hoofdstuk bedoelde verwerking van persoonsgegevens.” “De Federale Overheidsdienst Financiën verzamelt en verwerkt persoonsgegevens om zijn wettelijke opdrachten uit te voeren. De verzamelde gegevens mogen door de Federale Overheidsdienst Financiën niet voor andere doeleinden dan voor de uitvoering van zijn wettelijk omschreven opdrachten worden gebruikt”. 26. De Geschillenkamer stelt vast dat enkel de verweerder verantwoordelijk is voor de diverse beoordelingen en keuzes die hij maakt, met hiermee gepaard gaande gegevensverwerkingen, in het kader van fiscale onderzoeken (de zogenoemde fiscale appreciatie). De verweerder betwist overigens zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke voor de betrokken persoonsgegevens niet. 27. Gelet op het bovenstaande oordeelt de Geschillenkamer dan ook dat de FOD Financiën in onderhavige zaak als verwerkingsverantwoordelijke gekwalificeerd moet worden in de zin van artikel 4.7 AVG. II.2. Verwerking van persoonsgegevens 28. Artikel 4.1 AVG definieert het begrip “persoonsgegevens” als zijnde “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”. Deze definitie 4 Wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten, BS 24 augustus 2012. Beslissing ten gronde 134/2022 - 8/11 omvat aldus vier constitutieve en cumulatieve elementen: “alle informatie”, “over”, “een geïdentificeerde of identificeerbare” en “natuurlijke persoon”. 29. De gegevens die worden verwerkt zowel tijdens de bedrijfsvisitatie als in de litigieuze kennisgevingen, zoals bijvoorbeeld de namen en de bestemmingen van het reisgenootschap zijn persoonsgegevens zijn in de zin van artikel 4.1 AVG. 30. Op basis van bovenstaande dient te worden besloten dat de litigieuze verwerkingen wel degelijk onder het toepassingsgebied van de AVG en, bijgevolg, de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit - en in het bijzonder de Geschillenkamer - vallen. 31. Artikel 4, §1, eerste lid WOG stelt immers: “De Gegevensbeschermingsautoriteit is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van persoonsgegevens.” 32. De Geschillenkamer wijst er in dit verband op dat overeenkomstig artikel 4, §1 WOG de Gegevensbeschermingsautoriteit bevoegd is voor “het toezicht op de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens” en dat het toezicht op de wet van 3 augustus 2012 bijgevolg eveneens onder haar bevoegdheid valt, daar deze integraal betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën. 33. De verwerkingsverantwoordelijke moet bij de verwerking van persoonsgegevens de beginselen uit artikel 5 AVG naleven en dat kunnen aantonen. Dat volgt uit de verantwoordingsplicht zoals begrepen in artikel 5, lid 2 j° artikel 24, lid 1 AVG. Op basis van artikelen 24 en 25 AVG moet elke verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen nemen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking plaatsvindt overeenkomstig de AVG. 34. In verdere uitwerking van dit basisprincipe stelt artikel 6, lid 1 AVG dat persoonsgegevens enkel mogen worden verwerkt op grond van een van de in dat artikel bepaalde rechtsgronden. De verweerder stelt dat hij zich beroept op artikel 6, lid 1,
- e)AVG als rechtsgrond voor de litigieuze verwerkingen. Dit artikel luidt als volgt: “Artikel 6 […]
- e)de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;” Beslissing ten gronde 134/2022 - 9/11 35. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder een ruime onderzoeksbevoegdheid heeft op basis van artikel 316 WIB. Op basis van dit artikel bepaalt de verweerder het doel, de middelen en de wijze van het fiscaal onderzoek. De beslissing om een bedrijfsvisitatie uit te voeren en welke persoonsgegevens tijdens deze bedrijfsvisitatie verzameld moeten worden, behoort dus tot de bevoegdheden van de verweerder. Op basis van onder andere deze informatie heeft de verweerder de betrokken vennootschappen gekwalificeerd als “verbonden vennootschappen”. De kennisgevingen aan deze betrokken vennootschappen zijn dan ook een wettelijk gevolg van deze kwalificatie. Zoals reeds uiteengezet verzet de klager zich tegen de bedrijfsvisitaties en de manier waarop (te veel) persoonsgegevens zouden verwerkt zijn. Daarnaast verzet de klager zich ook tegen de kwalificatie als ‘verbonden vennootschappen’ en de daarop volgende kennisgevingen. 36. De Geschillenkamer volgt echter het standpunt van de Inspectiedienst. Overeenkomstig haar sepotbeleid, merkt de Geschillenkamer op dat zij niet als prioriteit heeft om tussen te komen in een lopende administratieve procedure. 5 Zij kan de fiscale (ir)relevantie van persoonsgegevens die werden verwerkt tijdens de bedrijfsvisitaties en het “privaat” of “professioneel” karakter van deze specifieke persoonsgegevens (reisgegevens) niet onderzoeken laat staan kwalificeren als een mogelijke inbreuk op de AVG, noch kan zij een beslissing nemen over de kwalificatie van verbonden vennootschappen zoals gebeurd door de verweerder. Deze beslissingen vallen onder de fiscale appreciatie ten gronde die enkel toekomt aan de verweerder. Hoewel de beoordeling of de verwerkte gegevens noodzakelijk zijn voor het fiscaal onderzoek (en dus voor de taak van algemeen belang opgedragen aan de verweerder) behoort tot de bevoegdheid van de Geschillenkamer, dient zij zich hierbij uiterst terughoudend op te stellen. De Geschillenkamer controleert de toepassing van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in het kader van de WOG en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens (artikel 4, §1 WOG) en kan zich niet in de plaats stellen van de FOD Financiën die in het kader van zijn opdrachten in eerste instantie zelf een appreciatie moet verrichten welke gegevens noodzakelijk zijn om een degelijk fiscaal onderzoek uit te voeren. De FOD Financiën heeft daarbij een ruime discretionaire bevoegdheid die nodig is om effectief haar taken te kunnen uitvoeren. De fiscale procedure en de gemaakte fiscale beoordelingen, inclusief de eventuele gevolgen op vlak van de bescherming van persoonsgegevens, kunnen bovendien steeds ter beoordeling worden voorgelegd aan de rechter ten gronde. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het niet haar taak is om de bevoegde rechtbanken te vervangen bij de uitoefening van hun bevoegdheden op het gebied van het fiscaal recht.6 5 Zie punt 3.2.2.B.2 van het Sepotbeleid van de Geschillenkamer, gepubliceerd op 18 juni 2021, beschikbaar op https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf 6 Zie o.a. met betrekking tot het arbeidsrecht: beslissing ten gronde 76/2021 van 9 juli 2021. Beslissing ten gronde 134/2022 - 10/11 III. Publicatie van de beslissing 37. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit, en dit met vermelding van de identificatiegegevens van de verweerder, gelet op het algemeen belang van onderhavige beslissing, enerzijds, en de onvermijdelijke heridentificatie van de verweerder in geval van pseudonimisering anderzijds. OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om: Op grond van artikel 100, §1 WOG, 100, §1, 1° WOG, de klacht te seponeren Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. Beslissing ten gronde 134/2022 - 11/11 Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 7. Het verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.8, dan wel via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.). (get). Hielke HIJMANS Voorzitter van de Geschillenkamer 7 8 Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid: 1° de dag, de maand en het jaar; 2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of ondernemingsnummer; 3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen; 4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt; 6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.