1/27 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 139/2021 van 10 december 2021 Het beroep ingesteld tegen deze beslissing werd onontvankelijk verklaard door het arrest 2022/AR/42 Dossiernummer: DOS-2020-04791 Onderwerp: Klacht ten gevolge van de weigering om een positief gevolg te geven aan de uitoefening van een recht op gegevenswissing met betrekking tot persartikels die in het online-archief van de uitgever beschikbaar zijn De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Jelle Stassijns en Christophe Boeraeve, leden, die in deze samenstelling de zaak overneemt; Gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) hierna "AVG" genoemd; Gelet op de Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna WOG genoemd); Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens (WVP); Gelet op het huishoudelijk reglement zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken in het dossier; . . . Beslissing ten gronde 139/2021- 2/27 heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: De heer X, Hierna "de klager"; Met als raadslieden meester Jean-François HENROTTE en meester Pauline LIMBREE, advocaten, met kantoor gevestigd te 4000 Luik, Boulevard d'Avroy 280. De verwerkingsverantwoordelijken: Y1, hierna "de eerste verweerder"; Y2, hierna "de tweede verweerder"; Hierna samen "de verweerders" genoemd; Beide met als raadsman meester Etienne WERY, advocaat, met kantoor gevestigd te 1000 Brussel, Kroonlaan 214. I. I.1. 1. Feiten en retroacta van de procedure De feiten De verweerders maken deel uit van een Franstalige Belgische pers- en mediagroep en geven respectievelijk de titels "....." uit in het geval van de eerste verweerder en "...." in het geval van de tweede verweerder. 2. De websites van deze kranten stellen hun archieven in digitaal formaat ter beschikking van hun abonnees. 3. In deze archieven hebben verschillende artikelen uit 2011 (artikel nr. 1 - zie hieronder), 2012 (artikel nr. 4 - zie hieronder) , 2013 (artikel nr. 2 - zie hieronder) en 2014 (artikel nr. 3 - zie hieronder) betrekking op feiten - waaronder persoonsgegevens - met betrekking tot de klager. 1. […] 2. […] 3. […] 4. […] Beslissing ten gronde 139/2021- 3/27 4. Ze bevatten met name informatie en persoonsgegevens betreffende feiten van het professionele leven van de klager die hebben geleid tot strafrechtelijke veroordelingen tegen hem door de hoven en rechtbanken in 2013 en 2014 en tot zijn schrapping als advocaat. 5. De klager verklaart dat hij strafrechtelijk werd veroordeeld [...]. De klager verklaart over deze feiten dat hij door een gerecht van de rechterlijke orde is veroordeeld tot een gevangenisstraf met uitstel van (...) jaar en tot een verbeurdverklaring. 6. De klager voegt daaraan toe dat de correctionele rechtbank van ( ...) , hem in 2014 ook heeft veroordeeld voor nieuwe feiten, waarbij hem opschorting van de uitspraak werd verleend. […]. 7. De klager benadrukt dat geen van deze rechterlijke uitspraken hem een verbod op het voeren van commerciële activiteiten oplegt en dat de modaliteiten van de opgelegde straf (straf met uitstel en opschorting van de uitspraak) tot doel hebben zijn sociale re-integratie te bevorderen, hetgeen onverenigbaar is met het online houden van de betwiste artikelen, die een permanent virtueel strafblad over hem vormen. 8. De klager verklaart dat hij zijn loopbaan verderzet als jurist bij een adviesbureau, de vennootschap Z. De verweerders wijzen erop dat op de website van dit bedrijf de ervaring van de klager als advocaat wordt vermeld. Dit wordt door laatstgenoemde niet betwist. 9. De klager heeft een brief van 17 maart 2017 overgelegd, dat wil zeggen een brief van vóór de inwerkingtreding van de AVG, ondertekend door de tweede verweerder, waarin deze aangeeft niet in te kunnen gaan op het aan hem gerichte verzoek, waarbij hij wijst op het specifieke karakter van met name de archieven van persuitgevers, alsmede op het feit dat in dit geval niet was voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van het recht op gerechtelijke vergetelheid waarop de klager zich destijds had beroepen. 10. De tweede verweerder benadrukt in de brief ook dat er geen sprake van kan zijn dat de pers de toegang tot de persarchieven voor wie dan ook beperkt of belemmert, zelfs niet via zoekmachines, door artikelen uit de index van zoekmachines te verwijderen. Op 8 april 2017 heeft de klager bezwaar gemaakt tegen het betoog van de tweede verweerder. In antwoord daarop deelde de tweede verweerder op 26 april 2017 mee dat hij bij zijn argumenten van 17 maart 2017 bleef. 11. Op 12 augustus 2019 (dus ditmaal nadat de AVG in werking was getreden) heeft de klager bij monde van zijn raadsman zijn "recht op digitale en gerechtelijke vergetelheid" bij de verweerders uitgeoefend, waarbij hij hen formeel heeft aangemaand om over te gaan tot het Beslissing ten gronde 139/2021- 4/27 verwijderen of althans anonimiseren van de betwiste artikelen nr. 1 tot en met 3. In zijn brief ontwikkelt de klager met name een reeks elementen die volgens hem aantonen dat het evenwicht tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie enerzijds en het recht op gegevensbescherming anderzijds (meer bepaald het recht op gegevenswissing dat hij aanvoert op grond van artikel 17.1
(1998)van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over het recht op privacy geeft een mogelijke definitie van "publieke personen". De resolutie bepaalt dat "publieke personen degenen zijn die openbare functies vervullen en/of openbare middelen gebruiken en, meer in het algemeen, allen die een rol spelen in het openbare leven, zij het politiek, economisch, artistiek, sociaal, sportief of anderszins". 69. Ter ondersteuning van deze overwegingen is de Geschillenkamer van oordeel dat de klager ten tijde van de feiten ongetwijfeld een rol speelde in het (lokale) openbare leven door zijn hoedanigheid als advocaat, gelet op zijn reputatie in zijn professioneel milieu en zijn rol als curator van andere vennootschappen die de aandacht trokken van de media, los van de strafbare feiten waarvan hij later werd beschuldigd. Zelfs in de veronderstelling dat de klager vandaag minder blootgesteld is, kan deze factor, om de hierboven uiteengezette redenen, de schrapping van de betrokken artikelen niet rechtvaardigen. 70. Wat de door klager aangevoerde maatregelen van uitstel en opschorting van de uitspraak van de hoven en rechtbanken van de gerechtelijke orde en het door hem aangevoerde professioneel verbod betreft, deze doen naar het oordeel van de Geschillenkamer niets af aan de ernst van de feiten en tasten het belang van het publiek om ook nu nog toegang tot deze informatie te hebben niet aan. 71. Ten slotte merkt de Geschillenkamer met betrekking tot de schade die ook door de klager is aangevoerd, zowel in zijn privéleven als in zijn beroepsleven, op dat klager zich beperkt tot het vermelden ervan. 72. Concluderend is de Geschillenkamer van oordeel dat de verweerders terecht hebben geweigerd en nog steeds weigeren in te gaan op het verzoek van de klager om gegevenswissing, zowel wat betreft de reeds in 2017 genoemde links nr. 1 tot en met 3 als wat betreft de in de loop van de onderhavige procedure aangevoerde link nr. 4. 2.4.2. Wat betreft het verzoek om anonimisering en pseudonimisering 73. Dezelfde argumenten leiden de Geschillenkamer niet tot een andere conclusie met betrekking tot het verzoek van de klager om anonimisering, noch met betrekking tot het verzoek om zijn identiteit te vervangen door initialen, zoals tijdens de hoorzitting is verzocht (punten 30-32). Beslissing ten gronde 139/2021- 20/27 74. Indien de identiteit van de klager niet wordt bekendgemaakt, verliezen de betwiste artikelen immers hun relevantie in termen van informatie aan het publiek, informatie waarover het, zoals hierboven is aangetoond, ook nu nog zou moeten kunnen beschikken. 75. Wat meer in het bijzonder het verzoek om anonimisering betreft, beroept klager zich tijdens de hoorzitting van 13 september 2021 met name op het arrest Hurbain v. België van het EHRM van 22 juni 2021. In deze beslissing concludeerde het Hof dat de Belgische rechterlijke instanties, door de persuitgever te gelasten een aantal persartikels te anonimiseren, een juist evenwicht hadden gevonden tussen het recht op privacy van de betrokken bestuurder en het recht op vrijheid van meningsuiting. Volgens het Hof was deze anonimisering de meest doeltreffende maatregel die in casu beschikbaar was, zonder de vrijheid van meningsuiting onevenredig te schenden; met andere woorden, in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak was sprake van een juist evenwicht tussen de in het geding zijnde concurrerende rechten. 76. De Geschillenkamer is van mening dat de omstandigheden op basis waarvan het EHRM de beslissing Hurbain motiveert niet op het onderhavige geval kunnen worden getransponeerd. Terwijl de veroordeelde bestuurder persartikels over een auto-ongeval wilde laten anonimiseren, d.w.z. voor een nieuwsfeit dat losstaat van zijn beroepsleven, was het in deze zaak de integriteit van de klager in zijn hoedanigheid van advocaat die door het gerecht werd behandeld. De klager zet bovendien zijn carrière als jurist verder. De situatie van klager is in dit opzicht anders: zijn justitieel verleden behoort tot zijn beroepsleven, dat nog steeds wordt verdergezet, en het publiek heeft het recht kennis te nemen van dit verleden, niettegenstaande het legitieme verlangen van klager naar herintegratie. Het Hof wijst er ook op dat het belang van het gearchiveerde artikel betreffende de veroordeelde bestuurder statistisch is (verkeersovertredingen), waardoor het zich volgens de Geschillenkamer ook onderscheidt van de artikelen betreffende de klager. Het EHRM wijst tenslotte in het bijzonder op de anciënniteit van de gebeurtenissen (meer dan 20 jaar oud) en de schade die geleden werd door de veroordeelde bestuurder. In het onderhavige geval is betoogd dat de tijdsfactor en de schade geen afbreuk deden aan de noodzaak om de informatie van de klager toegankelijk te houden (punten 64-65 en 71) 2.4.3. Wat betreft het verzoek om de-indexering 77. Wat het verzoek om de-indexering dat de klager uiterst subsidiair heeft geformuleerd betreft, is de Geschillenkamer, in elk geval en onverminderd enig ander juridisch argument met betrekking tot de vraag of deze de-indexering daadwerkelijk de verantwoordelijkheid van de verweerders is, op grond van de reeds uiteengezette argumenten van oordeel dat deze Beslissing ten gronde 139/2021- 21/27 maatregel om dezelfde redenen de toegankelijkheid van de in de betwiste artikelen vervatte informatie te veel zou aantasten. 78. Wat de dereferentiëring betreft, die in voorkomend geval onder de verantwoordelijkheid van de zoekmachines zou vallen, verwijst de GK naar de beslissing die ze zal nemen met betrekking tot het andere onderdeel van deze klacht (punt 13). 2.4.4. Bijkomende overwegingen 79. Afgezien van het bovenstaande is de Geschillenkamer ervan op de hoogte dat de verweerders zich ter ondersteuning van hun weigering van de gegevenswissing hebben beroepen op artikel 24.1. van de WVP, genomen ter uitvoering van artikel 85.2. van de AVG. 80. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de nationale wetgever krachtens artikel 85.2 van de AVG uitzonderingen of afwijkingen, met name van de rechten van de betrokkenen (Hoofdstuk III van de AVG), kan stellen met betrekking tot verwerkingen voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen, indien deze noodzakelijk zijn om het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met de vrijheid van meningsuiting en van informatie. Grond 153 van de AVG verduidelijkt de doelstellingen van de Europese wetgever in dit verband door met name op deze noodzakelijkheidsvoorwaarde aan te dringen 12. Afgezien van het feit dat de tekst van artikel 12 Grond 153: "In de wetgeving van de lidstaten moeten de regels betreffende de vrijheid van meningsuiting en van informatie, met inbegrip van journalistieke, academische, artistieke en/of literaire uitdrukkingsvormen in overeenstemming worden gebracht met het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening. Voor de verwerking van persoonsgegevens enkel voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke en literaire uitdrukkingsvormen moeten afwijkingen van of uitzonderingen op een aantal bepalingen van deze verordening worden ingesteld, teneinde indien nodig het recht op bescherming van persoonsgegevens te verzoenen met het recht op de vrijheid van meningsuiting en van informatie, zoals dat in artikel 11 van het Handvest is vastgelegd. Dit dient met name te gelden voor de verwerking van persoonsgegevens voor audiovisuele doeleinden en in nieuws- en persarchieven. De lidstaten moeten derhalve wettelijke maatregelen treffen om de uitzonderingen en afwijkingen vast te stellen die nodig zijn om een evenwicht tussen die grondrechten tot stand te brengen. De lidstaten dienen dergelijke uitzonderingen en afwijkingen vast te stellen met betrekking tot de algemene beginselen, de rechten van betrokkenen, de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker, de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen of internationale organisaties, de onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten, samenwerking en coherentie, en betreffende specifieke situaties op het gebied van gegevensverwerking. Indien die uitzonderingen of afwijkingen per lidstaat verschillen, is het recht van de lidstaat waaraan de verwerkingsverantwoordelijke is onderworpen, van Beslissing ten gronde 139/2021- 22/27 85.2. van de AVG zeer duidelijk is over deze voorwaarde, wordt in de grond vermeld dat deze afwijkingen van lidstaat tot lidstaat kunnen verschillen, hetgeen de essentie van deze bepaling versterkt, namelijk dat er geen sprake van kan zijn dat de uitoefening van enig recht van de betrokkene eenvoudigweg wordt ingetrokken. 81. De Geschillenkamer vraagt zich dan ook af of artikel 24.2 van de WVP, dat bepaalt dat in geval van verwerking voor journalistieke doeleinden - journalistieke doeleinden worden beperkter gedefinieerd dan door het HvJEU 13 - de artikelen 7 tot en met 10, 11, lid 2, 13 tot en met 16, 18 tot en met 20 en 21.1. van de AVG niet in alle gevallen zuiver van toepassing zijn, wel in overeenstemming is met de AVG. De Geschillenkamer betwijfelt of deze nationale uitvoeringsbepaling in overeenstemming is met de AVG die, zoals zojuist is opgemerkt, vereist dat in concreto een afweging tussen de twee grondrechten wordt gemaakt. In dit verband zou de Geschillenkamer op grond van de jurisprudentie van het HvJEU kunnen besluiten artikel 24.1 van de WVP buiten toepassing te laten, indien zij van oordeel was dat dit artikel niet in overeenstemming was met de AVG14. 82. Niettegenstaande het voorgaande merkt de Geschillenkamer van meet af aan op dat artikel 17 van de AVG niet een van de rechten van de betrokkene is die de Belgische wetgever in het genoemde artikel 24.2 van de WVP zuiver en alleen uitsluit van uitoefening in geval van verwerking voor journalistieke doeleinden. toepassing. Gelet op het belang van het recht van vrijheid van meningsuiting in elke democratische samenleving, dienen begrippen die betrekking hebben op die vrijheid, zoals journalistiek, ruim te worden uitgelegd". 13 In artikel 24.1. van de WVP heeft de Belgische wetgever bepaald dat onder "verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden" wordt verstaan de voorbereiding, het verzamelen, opstellen, voortbrengen, verspreiden of archiveren ten behoeve van het informeren van het publiek, met behulp van elke media en waarbij de verwerkingsverantwoordelijke zich de naleving van journalistieke deontologische regels tot taak stelt. 14 In recente richtsnoeren heeft het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) gewezen op de rol van gegevensbeschermingsautoriteiten met betrekking tot wetgeving die niet in overeenstemming is met de voorschriften van de AVG. Ter ondersteuning van artikel 58.5. van de AVG herinnerde het Europees Comité voor gegevensbescherming er onder verwijzing naar overweging 50 van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-378/17 aan dat "according to the principle of supremacy of EU law, the duty to disapply national legislation that is contrary to EU law is owed not only by national courts but also by all organs of the State – including administrative authorities – called upon, within the exercise of their respective powers, to apply EU law" (EDPB, Guidelines 10/2020 on restrictions under article 23 GDPR, aangenomen op 13 oktober 2021, punt 73). Beslissing ten gronde 139/2021- 23/27 83. Aldus zou het door de klager ingeroepen artikel 17.1.
- c)van de AVG, zelfs indien het volgt op de uitoefening van een recht van bezwaar (artikel 21.1. van de AVG), dat weliswaar is opgenomen in de lijst van uitgesloten rechten) volledig van toepassing zijn, weliswaar binnen de grenzen van artikel 17.3. van de AVG. Het oordeel, zoals de verweerders aanvoeren, dat aangezien artikel 21.1. van de AVG wegens artikel 24.2. van de WVP rechtens niet van toepassing is, artikel 17.1.
- c)van de AVG niet van toepassing zou kunnen zijn, zou in strijd zijn met het beginsel dat moet worden uitgegaan van de consistentie van de wetgever (die in artikel 24.2. van de WVP niet artikel 17 van de AVG heeft geviseerd). Artikel 17 van de AVG wordt niet geviseerd door artikel 24.2. van de WVP, en kan dus niet worden aangetast door het feit dat dit wel het geval is voor artikel 21.1.. Het argument van de verweerders zou ook elke mogelijkheid ontnemen om het recht op gegevenswissing uit te oefenen wanneer de gegevensverwerking voor journalistieke doeleinden in de zin van de WVP is gebaseerd op artikel 6.1.e), of artikel 6.1.
- f)van de AVG, wat precies de grondslag is voor de gegevensverwerking van persuitgevers (het recht van bezwaar kan alleen worden uitgeoefend wanneer de verwerking waartegen de betrokkene bezwaar wenst te maken, is gebaseerd op deze rechtmatige gronden). 84. Bovenstaande overwegingen zijn echter overbodig nu de Geschillenkamer in dit geval tot de conclusie is gekomen dat bij toepassing van artikel 17.3 van de AVG 15 het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie voorrang dient te krijgen en dat de verweerders derhalve terecht hebben geweigerd (en nog steeds weigeren) in te gaan op de verzoeken van de klager. 85. Onverminderd deze conclusie wenst de Geschillenkamer ten slotte het volgende te verduidelijken. 86. Overeenkomstig artikel 12.3. van de AVG is de verwerkingsverantwoordelijke verplicht de betrokkene zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek informatie te verstrekken over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven om de krachtens de artikelen 15 tot en met 22 genoemde rechten uit te oefenen, met inbegrip van een verzoek om gegevenswissing op grond van artikel 17 van de AVG, zoals in het onderhavige geval. Overeenkomstig artikel 12.1. van de AVG moet deze mededeling in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal worden gedaan. 87. In dit geval wordt niet betwist dat de tweede verweerder aan wie de klager zijn verzoek had gericht, heeft geantwoord op 17 maart 2017, dat wil zeggen op een datum waarop de AVG nog 15 Zelfs indien, overeenkomstig artikel 24.2. van de WVP, de toepassing van artikel 17.1.c), zou worden uitgesloten, zou deze uitsluiting slechts betrekking kunnen hebben op artikel 17.1.c), als gevolg van het feit dat artikel 21.1. rechtens niet van toepassing is op grond van artikel 24.2. van de WVP. Deze uitsluiting zou niet gelden voor artikel 17.3. van de AVG. Beslissing ten gronde 139/2021- 24/27 niet in werking was getreden. Vervolgens verwees de tweede verweerder, toen hij in 2019 opnieuw werd aangesproken, de klager naar dit antwoord van 17 maart 2017, hoewel de AVG intussen in werking was getreden (punten 9-12). De Geschillenkamer is van mening dat het een goede praktijk zou zijn geweest om de inhoud van de motivering opnieuw te specificeren in het licht van artikel 17 van de AVG. Aangezien er door de klager geen klacht was ingediend dat artikel 12.1 of artikel 12.3 van de AVG niet is nageleefd, en aangezien dit aspect niet de kern van de klacht vormt, heeft de Geschillenkamer niet geconcludeerd dat de verweerders deze bepalingen niet hadden nageleefd. III. Wat betreft corrigerende maatregelen en sancties 88. Volgens artikel 100 van de WOG is de Geschillenkamer bevoegd om: 1° de klacht zonder gevolg te klasseren; 2° nietig te verklaren; 3° een opschorting van de uitspraak uit te spreken; 4° een transactie voor te stellen; 5° waarschuwingen of berispingen te formuleren; 6° tegemoet te komen aan de verzoeken van de betrokkene om deze rechten uit te oefenen; 7° te gelasten dat de betrokken persoon op de hoogte wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° de bevriezing, beperking of tijdelijk of permanent verbod van de verwerking te gelasten; 9° te gelasten dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht met de voorschriften; 10° de rechtzetting, beperking of verwijdering van gegevens en de mededeling daarvan aan de ontvangers van de gegevens te gelasten; 11° de intrekking van de accreditatie van de certificeringsinstanties te gelasten; 12° sancties op te leggen; 13° administratieve boetes op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere staat of internationale instantie te gelasten; 15° het dossier door te sturen naar het parket van de Procureur des Konings van Brussel, dat het de hoogte zal brengen van het gevolg dat aan het dossier is gegeven; Beslissing ten gronde 139/2021- 25/27 16° geval per geval te beslissen om haar besluiten te publiceren op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 89. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het niet aan de klager is om de Geschillenkamer te verzoeken een bepaalde corrigerende maatregel of sanctie te gelasten 16. Indien de klager desondanks de Geschillenkamer zou verzoeken een of andere maatregel en/of sanctie uit te spreken, is het niet aan de Geschillenkamer om te motiveren waarom zij een of ander verzoek van de klager niet zou inwilligen. Deze overwegingen laten onverlet dat de Geschillenkamer de keuze van de maatregelen en sancties die zij passend acht om de partij(
- en)in het geschil te veroordelen (uit de lijst van maatregelen en sancties die haar ter beschikking worden gesteld door artikel 58 van de AVG en de artikelen 95.1 en 100.1 van de WOG) moet motiveren. 90. Niettemin wil de Geschillenkamer het argument van de verweerders weerleggen dat de Geschillenkamer in ieder geval niet bevoegd zou zijn om een bevel tot anonimisering op te leggen (als zij daartoe zou besluiten, wat in het onderhavige geval niet het geval is, zie punt 73), aangezien deze maatregel niet is opgenomen in de lijst van corrigerende maatregelen en sancties van het eerder genoemde artikel 100 van de WOG (punt 88). De Geschillenkamer is van mening dat, hoewel de lijst in artikel 100 van de WOG limitatief is, zij niettemin het recht heeft om, wanneer zij bijvoorbeeld kiest voor een bevel tot overeenstemming met de AVG of een bevel om gevolg te geven aan de uitoefening van het recht van een betrokkene, aan te geven hoe dit bevel zich moet vertalen. Het bevel tot overeenstemming kan dus bestaan in anonimisering als dit de beste manier is om in concreto aan de AVG te voldoen. Wat de door de klager gevraagde dwangsom betreft, beperkt de Geschillenkamer zich ertoe hier te herinneren aan haar betreffende nota17. 91. De Geschillenkamer werd in deze zaak, in het licht van de door klager ingediende klacht, verzocht te beslissen of de verweerders terecht weigerden in te gaan op het verzoek van de klager om wissing van de betwiste artikelen. Uit de bovenstaande analyse volgt dat de verweerders inderdaad terecht hebben geweigerd om in te gaan op het verzoek van de klager om de betwiste artikelen waarvoor zij verwerkingsverantwoordelijken zijn, te verwijderen, net zoals zij terecht mogen blijven weigeren dit te doen, en om deze artikelen te anonimiseren en te pseudonimiseren en ze uit de zoekmachines te verwijderen De Geschillenkamer kan in dit verband geen inbreuken in hun hoofde vaststellen (punten 53-78). 16 Zie de noot over de positie van de klager in de procedure voor de Geschillenkamer: https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/note-relative-a-la-position-du-plaignant-dans-laprocedure-au-sein-de-la-chambre-contentieuse.pdf 17 Zie de nota van de Geschillenkamer over het beleid inzake dwangsommen: https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/politique-en-matiere-d-astreinte.pdf Beslissing ten gronde 139/2021- 26/27 92. In het licht van het voorgaande en op basis van de bevoegdheden die de wetgever haar op grond van artikel 100.1. van de WOG heeft verleend, besluit de Geschillenkamer derhalve de zaak overeenkomstig artikel 100.1., 1° van de WOG te seponeren op grond van de hiervoor aangevoerde redenering. 93. In geval van een seponering moet de Geschillenkamer haar beslissing per stap met redenen omkleden en: - een technische seponering uitspreken indien het dossier onvoldoende elementen bevat die tot een sanctie kunnen leiden of indien er een technische belemmering is waardoor ze geen beslissing kan uitspreken; - of de zaak seponeren indien, ondanks de aanwezigheid van elementen die tot een sanctie kunnen leiden, verder onderzoek van de zaak niet opportuun lijkt, gelet op de prioriteiten ervan. 94 Indien de klacht op grond van verschillende redenen wordt geseponeerd (technische redenen, respectievelijk opportuniteitsredenen), moeten de redenen voor het seponeren in volgorde van belangrijkheid worden behandeld. 95. In casu heeft de Geschillenkamer dan ook beslist de klacht te seponeren overeenkomstig artikel 100, lid 1, 1° van de WOG, aangezien de Geschillenkamer, na onderzoek van de klacht en de daarin vervatte feiten, tot de conclusie is gekomen dat deze geen elementen bevat die kunnen leiden tot de vaststelling van een schending van de AVG door de verweerders IV. Bekendmaking van de beslissing 96. Gezien het belang van transparantie met betrekking tot het besluitvormingsproces en de beslissingen van de Geschillenkamer wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de GBA met verwijdering van de directe identificatiegegevens van de genoemde partijen en personen, zowel natuurlijke als rechtspersonen. Beslissing ten gronde 139/2021- 27/27 OM DEZE REDENEN, Beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging: - deze klacht te seponeren op technische gronden overeenkomstig artikel 100, lid 1, 1° van de WOG. Op grond van artikel 108.1 van de WOG kan tegen deze beslissing binnen 30 dagen na de kennisgeving ervan beroep worden ingesteld bij het Marktenhof (Hof van Beroep van Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. (get.) Hielke Hijmans, Voorzitter van de Geschillenkamer