← België

Beslissing ten gronde nr. 146/2024

1/71 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 146/2024 van 28 november 2024 Deze beslissing werd bevestigd door arrest 2024/AR/2091 van het Hof van de Markten van 18 juni 2025, met uitzondering van de nalevingstermijnen die het voorwerp uitmaakten van een tweede beslissing van de geschillenkamer (zie link). Er is cassatieberoep ingesteld door Freedelity tegen arrest 2024/AR/2091 van 18 juni 2025, waarbij deze beslissing is vernietigd. Dossiernummer: DOS-2019-04308 Betreft: onderzoek van twee door Freedelity ingevoerde verwerkingen De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Yves Poullet en Romain Robert, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna "AVG"; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit 1 (hierna "WOG"); Gelet op het Reglement van orde zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019 2 ; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De verweerder: Freedelity, met maatschappelijke zetel te Rue Altiero Spinelli 7, 1401 Nijvel, ingeschreven onder ondernemingsnummer 0818.399.886, vertegenwoordigd 1 GBA herinnert eraan dat de herziene organieke wet op 1 juni 2024 in werking is getreden. Deze is alleen van toepassing op klachten, bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die vanaf die datum zijn gestart. Dossiers die vóór 1 juni 2024 zijn gestart, zoals het onderhavige dossier, vallen onder de bepalingen van de oude versie van de WOG, die hier te vinden is: https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/loi-organique-de-l-GBA.pdf 2 Het nieuwe Reglement van interne orde van de GBA als gevolg van de wijzigingen door de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de gegevensbeschermingsautoriteit (WOG), is op 01/06/2024 in werking getreden. Het is alleen van toepassing op klachten, bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die vanaf die datum zijn gestart. Dossiers die vóór 01/06/2024 zijn gestart, vallen onder de bepalingen van het huishoudelijk reglement zoals dat vóór die datum bestond. Beslissing ten gronde 146/2024 –2 /71 door meesters Christian Defauw, Alexandre Cassart, Etienne Wéry, Victoria Ruelle en Fanny Cotton, hierna: "de verweerder" Beslissing ten gronde 146/2024 –3 /71 I. Feiten en procedure 1. Op 8 juli 2019 publiceert de krant L'Echo een artikel met de titel "Freedelity stelt voor om het beheer van klantgegevens te delen"3 . Op 2 augustus 2019 stelt een lid van het Directiecomité aan de voorzitter van het Directiecomité voor om deze dienst te onderzoeken. 2. Het punt wordt op de agenda geplaatst van de vergadering van het Directiecomité van 20 augustus 2019. Tijdens deze vergadering beslist het Directiecomité een brief te sturen naar de verweerder om te informeren naar de werking van de dienst die in het artikel van L'Echo wordt beschreven. 3. Op 30 augustus 2019 stuurt de directeur van het Algemeen Secretariaat een brief met een reeks van ongeveer tien vragen naar de verweerder. Op 9 oktober 2019 bezorgt de verweerder zijn antwoorden naar het Algemeen Secretariaat. 4. Op basis van deze antwoorden stelt het Algemeen Secretariaat een brief op aan het Directiecomité met als titel "DIRCO-rapport – Voorafgaande informatiebrief – Freedelity". Op 6 december 2019 besluit het Directiecomité van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna "GBA") op basis van dit verslag om de Inspectiedienst te vragen een onderzoek in te stellen op grond van artikel 63.1° van de WOG. 5. Op 20 april 2022 wordt het onderzoek van de Inspectiedienst afgesloten, het verslag aan het dossier toegevoegd en het dossier door de inspecteur-generaal aan de voorzitter van de Geschillenkamer bezorgd (art. 91, §§ 1 en 2, van de WOG). De Inspectiedienst stelt in grote lijnen vast dat: - Vaststelling 1: Freedelity kan niet aantonen dat het een geldige toestemming heeft verkregen (overeenkomstig artikel 4.11 van de AVG), wat in strijd is met de artikelen 5.1.a, 6.1.a, 7 en 5.2 van de AVG. - Vaststelling 2: Freedelity kan niet aantonen dat er passende maatregelen zijn genomen om het intrekken van de toestemming te faciliteren, wat in strijd is met artikel 7.3 van de AVG, gelezen in het licht van het verantwoordingsbeginsel (artikelen 5.2, 24 en 25 van de AVG). - Vaststelling 3: Freedelity kan niet aantonen dat het passende maatregelen heeft genomen om de geldigheid en het verkrijgen van toestemming (in de zin van artikel 4.11. van 3 de AVG) te waarborgen voor verwerkingen waarbij Freedelity als Dit artikel is beschikbaar via de volgende link: https://www.lecho.be/entreprises/technologie/freedelity-propose-demutualiser-la-gestion-des-donnees-clients/10143718.html Beslissing ten gronde 146/2024 –4 /71 verwerkingsverantwoordelijke optreedt, hetgeen in strijd is met de artikelen 5.2., 24 en 25 van de AVG. - Vaststelling 4: Freedelity schendt het beginsel van minimale gegevensverwerking, zoals vastgelegd in artikel 5.1.

  1. c)van de AVG en artikel 25.1 van de AVG. - Vaststelling 5: Freedelity kan de bewaartermijnen van de gegevens die in strijd zijn met de artikelen 5.1.e), 5.2, 24 en 25.1 van de AVG niet rechtvaardigen. 6. Op 6 juli 2022 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 van de WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 7. Op dezelfde dag wordt de verweerder per aangetekende brief in kennis gesteld van de bepalingen zoals opgenomen in de artikelen 95, § 2, en 98 van de WOG. Hij wordt ook in kennis gesteld, op grond van artikel 99 van de WOG, van de termijnen voor het indienen van zijn conclusies. 8. De uiterste datum voor de ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder wordt vastgesteld op 31 augustus 2022. 9. Op 7 juli 2022 vraagt de verweerder om een kopie van het dossier (art. 95, § 2, 3° WOG), die hem op 12 juli 2022 wordt toegezonden. 10. Op 18 juli 2022 stemt de verweerder ermee in alle communicatie met betrekking tot de zaak elektronisch te ontvangen en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG. Hij verzoekt tevens om uitstel van de uiterste datum voor het indienen van conclusies tot 30 oktober 2022. 11. Op 2 augustus 2022 stemt de Geschillenkamer in met een uitstel van de deadline tot 21 september 2022. 12. Op 15 september 2022 verzoekt de verweerder om inzage in de papieren versie van het administratieve dossier. Hij verzoekt ook om een verlenging van de termijn voor het indienen van conclusies tot 21 oktober 2022. 13. Op 21 september 2022 stemt de Geschillenkamer in met een verlenging van de termijn voor het indienen van de conclusies met twee weken, tot 5 oktober 2022. Zij herinnert de verweerder eraan dat hij op zijn verzoek op 12 juli 2022 al een volledige digitale kopie van het administratieve dossier heeft ontvangen. Zij voegt er evenwel aan toe dat hij het dossier kan inzien door contact op te nemen met de griffie. 14. Op 28 september 2022 vindt de raadpleging van het papieren administratieve dossier plaats in de kantoren van de GBA. Beslissing ten gronde 146/2024 –5 /71 15. Op 5 oktober 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van de verweerder. Bij het indienen van zijn conclusie verzoekt de verweerder ook, alvorens recht te doen, om documenten die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn rechten van verdediging. Hij verzoekt ook om een nieuwe termijn voor het indienen van conclusies na ontvangst van deze documenten. 16. Op 2 mei 2023 stuurt de Geschillenkamer de verweerder talrijke documenten toe en geeft zij de verweerder ook toestemming om tot 17 mei 2023 te concluderen op basis van deze elementen. 17. Op 3 mei 2023 verzoekt de verweerder om de termijn voor het indienen van conclusies te verlengen tot 15 juni. 18. Op 8 mei 2023 stemt de Geschillenkamer ermee in om de termijn met een week te verlengen, tot 24 mei 2023. 19. Op 9 mei 2023 werden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting op 14 juni 2023 zal plaatsvinden. 20. Op 23 mei 2023 deelt de verweerder de Geschillenkamer mee dat hij een volledig afschrift wenst te ontvangen van het proces-verbaal van de vergadering van het Directiecomité van 6 december 2019. Hij vraagt om een kopie van het besluit tot opheffing van het mandaat van de voorzitter van de GBA in 2022 en, indien de GBA daar niet over beschikt, eist hij dat de GBA de nodige stappen onderneemt om dit te verkrijgen. Hij is van mening dat de hem toegekende termijnen voor het indienen van zijn conclusies onredelijk zijn, dat de hoorzitting voorbarig is en dat het dossier niet gereed is. 21. Op 24 mei 2023 ontvangt de Geschillenkamer de aanvullende conclusie van de verweerder. 22. Op 2 juni 2023 antwoordt de Geschillenkamer de verweerder dat de uittreksels uit het proces-verbaal van de vergadering van het Directiecomité alle informatie bevatten die betrekking heeft op deze zaak. Zij voegt hieraan toe dat zij alle documenten heeft verstrekt waarover zij beschikt en dat het aan de verweerder is om ter ondersteuning van zijn conclusies alle documenten over te leggen die hij nuttig acht. De Geschillenkamer concludeert dat het dossier in gereedheid is en dat de hoorzitting kan plaatsvinden. 23. Op 12 juni 2023 deelt de verweerder de Geschillenkamer mee dat hij bij de Commissie voor Toegang tot Bestuursdocumenten (hierna 'CTB') een vordering tegen de Geschillenkamer heeft ingesteld. Hij vraagt nogmaals uitstel van de zitting. 24. Op 12 juni 2023 herhaalt de Geschillenkamer het standpunt dat zij op 2 juni 2023 heeft ingenomen. Zij voegt eraan toe dat de GBA zich momenteel niet onderworpen acht aan de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Beslissing ten gronde 146/2024 –6 /71 25. Op 12 juni 2023 deelt de verweerder de Geschillenkamer mee dat een van zijn raadslieden wegens ziekte niet beschikbaar is en dat hij bijgevolg niet in staat is om de zaak op de geplande zittingsdatum te bepleiten. 26. Op 13 juni 2023 deelt de Geschillenkamer de verweerder mee dat de hoorzitting is verplaatst naar 29 juni 2023. 27. Op 15 juni 2023 stuurt de verweerder de Geschillenkamer een verzoek tot wraking van haar voorzitter op grond van artikel 828, 1° van het Gerechtelijk Wetboek 4 . 28. Op 19 juni 2023 wijst de voorzitter van de Geschillenkamer het verzoek tot wraking af, waarbij hij er met name op wijst dat het Gerechtelijk Wetboek niet op hem van toepassing is en dat de argumenten van de verweerder betreffende het gebrek aan onpartijdigheid van de voorzitter van de Geschillenkamer ongegrond zijn. 29. Op 20 juni 2023 dient de verweerder een verzoek tot wraking in bij het Marktenhof, dat de Geschillenkamer hiervan op 22 juni 2023 in kennis stelt. 30. Op 26 juni 2023 deelt de griffie van de Geschillenkamer de verweerder mee dat de voor 29 juni 2023 geplande hoorzitting wordt uitgesteld tot een nog te bepalen datum. 31. Op 27 juni 2023 stuurt de verweerder een e-mail naar de voorzitter van de Gegevensbeschermingsautoriteit. In deze e-mail herinnert de verweerder aan haar verschillende verzoeken met betrekking tot de documenten en geeft hij aan dat hij van mening is dat deze kwestie moet worden behandeld door de voorzitter van de GBA of het Directiecomité van de GBA en niet door de voorzitter van de Geschillenkamer. 32. Op 4 juli 2023 ontvangt de GBA advies nr. 2023-95 van de CTB. Deze laatste acht zich bevoegd om advies uit te brengen over een verzoek om toegang tot een document dat bij de GBA is ingediend. Zij is ook van mening dat het verzoek van de verweerder ontvankelijk is. 33. In haar advies stelt de CTB dat de GBA niet verplicht is om toegang te verlenen tot een document dat zij niet in haar bezit heeft, maar dat zij, indien zij over die kennis beschikt, de autoriteit moet aanwijzen die het gevraagde document in haar bezit heeft. Naar aanleiding van dit advies verzoekt de verweerder opnieuw om toegang tot documenten die hij noodzakelijk acht voor de uitoefening van zijn rechten van verdediging. 34. Op 11 juli 2023 antwoordt de Geschillenkamer de verweerder dat hij diens verzoek doorstuurt naar het Directiecomité van de GBA. 35. Op 18 juli 2023 antwoordt het Directiecomité de verweerder via de voorzitter van de GBA. Zij wijst er allereerst op dat het standpunt van de CTB een ommezwaai is ten opzichte van 4 Art. 828 van het Gerechtelijk Wetboek: "Ieder rechter kan worden gewraakt om de volgende redenen: 1° wegens wettige verdenking (...)" Beslissing ten gronde 146/2024 –7 /71 haar eerdere standpunt. Zij voegt eraan toe dat zij in dit stadium geen standpunt inneemt over de toepasselijkheid van de wet van 11 april 1994 op de GBA, maar dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat in deze zaak de agenda en het proces-verbaal van de vergadering van het Directiecomité van 6 december 2019 aan de verweerder worden verstrekt, met verwijdering van de informatie betreffende andere verwerkingsverantwoordelijken. 36. Op 31 oktober 2023 wijst het Marktenhof arrest 2023/7566 betreffende het verzoek tot wraking dat door de verweerder is ingediend tegen de voorzitter van de Geschillenkamer5 . In dit arrest verklaart het Marktenhof dat het zonder rechtsmacht is en niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot wraking dat door de verweerder is ingediend tegen de voorzitter van de Geschillenkamer. 37. Op 28 november 2023 wordt de verweerder meegedeeld dat de hoorzitting op 15 januari 2024 zal plaatsvinden. 38. Op 22 december 2023 dient de verweerder een verzoek tot kort geding in bij de Kamer van kort geding van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waarin hij verzoekt om de overlegging van alle documenten met betrekking tot Freedelity, op straffe van een dwangsom. 39. De Kamer van kort geding neemt op 12 februari 2024 een eerste beschikking waarin zij het verzoek van Freedelity ongegrond verklaart wat betreft de overlegging van het besluit tot opheffing van het mandaat van de voormalige voorzitter van de GBA en de documenten die geen verband houden met het besluit van het Directiecomité van 6 december 2019. Zij gelast de GBA om verschillende door de verweerder gevraagde documenten over te leggen. 40. Op 20 maart 2024 vaardigt de Kamer van kort geding een beschikking uit waarin zij het verzoek van Freedelity gedeeltelijk gegrond verklaart en de GBA gelast verschillende aanvullende documenten over te leggen, waaronder interne e-mails tussen medewerkers van de GBA die in de stukkenlijst waren opgenomen. 41. Op 22 maart 2024 verstrekt de GBA de aanvullende stukken aan Freedelity. Overeenkomstig de tweede beschikking van de Kamer van kort geding geeft zij Freedelity 15 dagen de tijd om te concluderen over alle door de GBA verstrekte stukken en nodigt zij Freedelity uit voor de hoorzitting die op 11 april zal plaatsvinden. 5 42. Op 9 april dient Freedelity zijn aanvullende conclusie in. 43. Op 11 april 2024 wordt de verweerder gehoord door de Geschillenkamer. Arrest van het Marktenhof van 31 oktober 2023, nr. 2023/AR/821 (niet-registreerbaar arrest) Beslissing ten gronde 146/2024 –8 /71 44. Op 29 april 2024 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de verweerder voorgelegd. 45. Op 3 mei 2024 deelt de verweerder de Geschillenkamer mee dat hij geen commentaar wenst te geven op het proces-verbaal van de hoorzitting en dat hij zich houdt aan zijn processtukken en pleidooien. II. Motivering II.1. Achtergrond 46. Sinds de oprichting in 2010 biedt Freedelity technologie aan die het verzamelen en bijwerken van persoonsgegevens vereenvoudigt, met name door gebruik te maken van de gegevens op de chip van de Belgische elektronische identiteitskaart (hierna "eID"). 47. De diensten van Freedelity maken het mogelijk om commerciële voordelen die door verschillende winkelketens aan consumenten worden aangeboden, evenals klantenkaarten of aankoopbewijzen van consumenten te centraliseren. Deze diensten worden zowel (
  2. i)door Freedelity aan zijn klanten van het type "winkelketens" aangeboden (volgens een B2B-model, in het kader van de CustoCentrix-dienst), als (
  3. ii)door Freedelity aan consumenten (volgens een B2C-model). 48. Hoewel het artikel in L'Echo zich concentreerde op de presentatie van CustoCentrix, richtte het onderzoek zich vanaf de inspectiefase op het "Freedelity-bestand", dat door Freedelity als verwerkingsverantwoordelijke wordt bijgehouden 6 . Dit bestand wordt grotendeels gevoed door gegevens die door de winkelketens worden verzameld. 49. Zoals Freedelity in zijn antwoorden aan de Inspectiedienst (stuk 5 van het dossier) uitlegt, "maakt het Freedelity-bestand het inderdaad mogelijk om elke consument persoonlijk te identificeren, toegang te krijgen tot het Myfreedelity-portaal en het systeem van mutualisering van de bijgewerkte consumentengegevens tussen de klanten van Freedelity te beheren". 50. De Inspectiedienst heeft alleen de conformiteit van de verwerkingen in verband met het Freedelity-bestand geanalyseerd, en bijgevolg

(1)de verzameling van persoonlijke identificatie- en contactgegevens,
(2)de mutualisering van deze persoonlijke gegevens, en
(3)de overdracht van identiteitsgegevens uit het Freedelity-bestand aan derden zoals Z1 en Z
  1. De Geschillenkamer zal achtereenvolgens de rechtmatigheid van de verwerkingen
(1)en
(2)analyseren die worden genoemd in deel II.5 . Zij merkt echter op dat het onderzoeksverslag van de Inspectiedienst onvoldoende elementen bevat om een grondig onderzoek van de 6 De rol van Freedelity als verwerkingsverantwoordelijke voor dit bestand wordt niet betwist. Beslissing ten gronde 146/2024 –9 /71 verwerking
(3)mogelijk te maken, met name wat betreft de mogelijke wettelijke bases en de rol van de betrokken actoren. Bijgevolg heeft deze beslissing geen betrekking op deze verwerking
(3). II.2. Inleidende vraag: terugtrekking van de voorzitter van de Geschillenkamer 52. Bij wijze van inleiding verzoekt de verweerder de voorzitter van de Geschillenkamer zich terug te trekken vanwege de gerechtvaardigde twijfel die zou bestaan over zijn onpartijdigheid. Omwille van de leesbaarheid en de duidelijkheid van deze beslissing zal het antwoord van de Geschillenkamer op dit argument later in de beslissing worden behandeld, in het deel dat gewijd is aan de eerbiediging van de rechten van de verdediging, en meer in het bijzonder aan de onpartijdigheid van de leden van het Directiecomité, waaronder de voorzitter van de Geschillenkamer (deel II.4.1.1). II.3. Procedure: Stappen van de procedure 53. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder een groot aantal argumenten heeft aangevoerd met betrekking tot alle fasen van de procedure. Zonder vooruit te lopen op haar bevoegdheid en de reikwijdte van haar motiveringsplicht ten aanzien van de aangevoerde argumenten – kwesties die niet door het Marktenhof zijn beslecht –, wenst de Geschillenkamer hieronder op deze argumenten in te gaan met het oog op een goed begrip van de beslissing. II.3.1. De interpellatie van de directeur van het Algemeen Secretariaat (destijds tevens voorzitter van het Directiecomité) door de directeur van het Kenniscentrum 54. De verweerder is van mening dat de toenmalige directeur van het Kenniscentrum7 , niet bevoegd was om de directeur van het Algemeen Secretariaat te interpelleren, noch in haar hoedanigheid van lid van het Directiecomité, noch in haar hoedanigheid van directeur van het Kenniscentrum. 55. Voor alle duidelijkheid herinnert de Geschillenkamer eraan dat het Directiecomité bestaat uit de vijf directeurs van de GBA (artikel 12 van de WOG). In die hoedanigheid was de directeur van het Kenniscentrum, naast haar functie, lid van het Directiecomité op het moment van de interpellatie van de directeur van het Algemeen Secretariaat. Bovendien was de toenmalige directeur van het Algemeen Secretariaat ook voorzitter van de Gegevensbeschermingsautoriteit en bekleedde hij in die hoedanigheid het voorzitterschap van het Directiecomité overeenkomstig artikel 13, § 1, van de WOG. 7 Vanaf 1 juni 2024 heet deze dienst 'Autorisatie- en Adviesdienst'. Beslissing ten gronde 146/2024 –10 /71 56. Artikel 10, lid 1, van de WOG bepaalt: "Het directiecomité volgt de ontwikkelingen in de technologische, commerciële en ander domeinen die een weerslag hebben op de bescherming van persoonsgegevens volgt" (onderstreping toegevoegd). 57. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de directeur van het Kenniscentrum (lid van het Directiecomité) de voorzitter van het Directiecomité heeft voorgesteld om een dienst van Freedelity te onderzoeken waarvan de werking als innovatief werd omschreven in een artikel in L'Echo van 8 juli 2019, getiteld "Freedelity stelt voor om het beheer van klantgegevens te delen"8 . 58. GBA was via haar voorganger, de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna "CPVP"), op de hoogte van het bestaan van de door Freedelity aangeboden dienst, een innovatieve technologie waarmee men via zijn identiteitskaart toegang krijgt tot economische voordelen (bijvoorbeeld punten die op een klantenkaart zijn verzameld). Het artikel in L'Echo presenteerde echter een evolutie van de technologische dienst in kwestie: "Vandaag gaat het bedrijf uit Nivelles nog een stap verder. Met Custocentrix lanceert het een cloudplatform waarmee detailhandelaren alle persoonlijke en gedragsgegevens van hun klanten beter kunnen organiseren en bijhouden". 59. Opgemerkt moet worden dat een evolutie van een technologische dienst die wordt aangeboden door een particuliere onderneming en waarvoor het gebruik van de Belgische identiteitskaart vereist is, die een unieke, zeer gevoelige9 en gereglementeerde identificator bevat (het rijksregisternummer), gevolgen heeft voor de bescherming van persoonsgegevens in België. Hoewel de leden van het Directiecomité van de GBA op basis van een eenvoudig krantenartikel niet in staat waren om de reikwijdte van deze ontwikkeling te begrijpen, noch of de verwerking van het rijksregisternummer bij deze ontwikkeling betrokken was, hebben zij hun verantwoordelijkheid volledig genomen door te besluiten deze ontwikkeling te analyseren op basis van artikel 10 van de WOG. Elke andere interpretatie van dit artikel zou neerkomen op een beperking van deze bevoegdheid tot opvolging die specifiek aan de leden van het Directiecomité10 van de GBA is toegekend, en zou deze bevoegdheid van haar betekenis ontdoen. De directeur van het Kenniscentrum had dan ook alle reden om de voorzitter van het Directiecomité formeel te verzoeken deze discussie op de agenda van de vergadering van het Directiecomité van 20 augustus 2019 te plaatsen. 8 Het artikel van L'Echo is beschikbaar via de volgende link: https://www.lecho.be/entreprises/technologie/freedelitypropose-de-mutualiser-la-gestion-des-donnees-clients/10143718.html 9 Zonder echter te worden beschouwd als een bijzondere categorie van persoonsgegevens in de zin van artikel 9 van de AVG. 10 Opgemerkt moet worden dat de leden van het Directiecomité bijzonder gematigd gebruik maken van deze bevoegdheid tot opvolging die hun wordt toegekend door artikel 10 van de WOG. De bevoegdheid is opgenomen in de nieuwe versie van de WOG, zoals van toepassing op dossiers die na 01/06/2024 worden geopend. Beslissing ten gronde 146/2024 –11 /71 60. Onder de in de twee voorgaande punten genoemde voorwaarden heeft elk lid van het Directiecomité het recht om de voorzitter van het Directiecomité formeel te verzoeken een discussie over een dergelijke opvolging op de agenda van de vergaderingen van het Directiecomité te plaatsen. Voor de Geschillenkamer past deze interpellatie in het kader van de verplichting om de technologische ontwikkelingen op te volgen, die bij de GBA en dus in de eerste plaats bij de leden van het Directiecomité berust. Een dergelijke opvolging vereist de mogelijkheid van een interne interpellatie tussen de leden van het Directiecomité en is dus volkomen gerechtvaardigd. 61. Een lid van het Directiecomité wilde een discussie over de nieuwe dienst van Freedelity op de agenda zetten, zodat het Directiecomité deze technologische ontwikkeling kon opvolgen. Deze legitieme interpellatie valt onder artikel 10, § 1, van de WOG en is dus in overeenstemming met de wet. II.3.2. Verzending van een brief met een verzoek om informatie aan de verweerder door de voorzitter van het Algemeen Secretariaat (destijds ook voorzitter van het Directiecomité) 62. Ten eerste is de verweerder van mening dat het Algemeen Secretariaat, na het besluit van het Directiecomité om de dienst van Freedelity op te volgen, zijn bevoegdheden heeft overschreden door een brief met een verzoek om informatie naar de verweerder te sturen (stuk 2 van het dossier). Hij baseert zich daarbij met name op een rapport van de Rekenkamer waarin volgens hem kritiek wordt geuit op het feit dat het Algemeen Secretariaat zich een "rol van filter van dossiers" toekent. Ten tweede voert de verweerder aan dat het versturen van deze brief met het verzoek om informatie in het Nederlands aan de verweerder in strijd is met de wet op het taalgebruik in administratieve aangelegenheden en dat op grond van artikel 58 van de wet van 18 juli 1966 de nietigheid van deze handeling moet worden vastgesteld en bij uitbreiding die van de hele procedure. 63. Ten eerste wijst de Geschillenkamer erop dat de leden van het Directiecomité tijdens de vergadering hebben besloten dat er een brief kon worden verzonden op grond van artikel 20, § 1, 1°, van de WOG, na raadpleging van de dossiers die eerder over de verweerder waren geopend bij de Eerstelijnsdienst ("ELD"). De eerste brief werd opgesteld door het Algemeen Secretariaat en op 30 augustus 2019 naar de verweerder gestuurd. 64. De voorzitter van de GBA (en dus van het Directiecomité) werd bij de uitvoering van zijn taken bijgestaan door het Algemeen Secretariaat (artikel 13, § 3, van de WOG). Bovendien heeft het Algemeen Secretariaat een eigen taak om “toezicht” te houden op technologische ontwikkelingen die een impact hebben op de bescherming van persoonsgegevens (artikel 20, § 1, 1°, van de WOG). Deze taak overlapt duidelijk met die van het Directiecomité, dat de technologische ontwikkelingen die van invloed zijn op de Beslissing ten gronde 146/2024 –12 /71 bescherming van persoonsgegevens moet "volgen" (artikel 10 van de WOG). De taak van het Algemeen Secretariaat om “toezicht” 11 te houden op de technologische ontwikkelingen houdt echter a priori een actievere controle in dan “het volgen"12 van de technologische ontwikkelingen die tot de taken van het Directiecomité behoort. Bovendien heeft het Directiecomité geen eigen afdeling en kan het zijn opvolging niet uitvoeren zonder de hulp van een ander orgaan van de GBA, in dit geval het Algemeen Secretariaat, waarvan de directeur voorzitter was van het Directiecomité. 65. De Geschillenkamer deelt niet de interpretatie van de verweerder dat het Algemeen Secretariaat zich in deze zaak bevoegdheden zou hebben aangemeten om "onderzoek" te doen (een taak die uitsluitend aan de Inspectiedienst toekomt) of "dossiers te filteren". In deze zaak heeft het Algemeen Secretariaat een tiental neutrale vragen gestuurd over de werking van de nieuwe dienst van Freedelity, om meer te weten te komen over de werking ervan. Het Algemeen Secretariaat is namelijk bevoegd om een dergelijk toezicht uit te oefenen op grond van artikel 20, § 1, 1°, van de WOG, dat in alle opzichten verschilt van de onderzoeksbevoegdheid die is voorbehouden aan de Inspectiedienst (artikel 28 van de WOG). 66. De kritiek van de Rekenkamer dat het Algemeen Secretariaat een filterende rol zou spelen bij de dossiers, is dus niet relevant voor dit dossier, aangezien het dossier in dit geval op verzoek van een lid van het Directiecomité is geopend en het Directiecomité op 20 augustus 2019 heeft besloten een brief te versturen. Het Algemeen Secretariaat heeft zich beperkt tot het bijstaan van de voorzitter van het Directiecomité binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden en heeft het Directiecomité zo in staat gesteld de ontwikkelingen op het betreffende technologische gebied te volgen. 67. Als het Algemeen Secretariaat wordt verboden om contact op te nemen met de betrokken actoren over technologische ontwikkelingen om zijn "toezichthoudende" taak volledig te kunnen uitoefenen, zou betekenen dat de GBA een ander orgaan (bijvoorbeeld de Inspectiedienst) moet inschakelen om dit toezicht te verzekeren. Deze werkwijze zou volledig in strijd zijn met de geest van de WOG en met de logica van de interne bevoegdheidsverdeling tussen de organen van de GBA, zoals hierboven uiteengezet: niet alleen is in de tekst bepaald dat het Algemeen Secretariaat de technologische ontwikkelingen volgt, maar het is ook logisch dat het Algemeen Secretariaat het Directiecomité bijstaat bij de uitvoering van zijn taken, met name omdat artikel 13, § 3, van 11 Volgens het woordenboek van Larousse wordt de primaire betekenis van het woord "suveillance” (toezicht) gedefinieerd als "action de surveiller, de contrôler quelque chose, quelqu'un” (Het bewaken, controleren van iets of iemand). Zie hiervoor de online versie die beschikbaar is via de volgende link: https://www.larousse.fr/dictionnaires/francais/surveillance/75897 12 Volgens het woordenboek van Larousse wordt de primaire betekenis van de term "suivi” (opvolging) gedefinieerd als "ensemble d'opérations consistant à suivre et à contrôler un processus pour parvenir dans les meilleures conditions au résultat recherché” (een reeks handelingen die bestaan in het volgen en controleren van een proces om onder de beste omstandigheden het gewenste resultaat te bereiken). Zie hiervoor de onlineversie die beschikbaar is via de volgende link: https://www.larousse.fr/dictionnaires/francais/suivi/75313 Beslissing ten gronde 146/2024 –13 /71 de WOG bepaalt dat de voorzitter van de GBA – dus de voorzitter van het Directiecomité – bij de uitvoering van zijn taken wordt bijgestaan door het Algemeen Secretariaat. Bovendien kon de Inspectiedienst in dit stadium niet worden ingeschakeld, aangezien zijn inschakeling niet kan voortvloeien uit een verzoek van het Algemeen Secretariaat (artikel 63 van de WOG) en geen enkele procedure rechtvaardigt dat een onderzoek van de Inspectiedienst wordt gedeeld met het Algemeen Secretariaat, dat uit principe geheim moet blijven (artikel 28 van de WOG). 68. Om deze redenen is het Algemeen Secretariaat binnen de grenzen van zijn bevoegdheden gebleven door in het kader van zijn toezichthoudende taak contact op te nemen met Freedelity om zelf de impact van een technologische ontwikkeling op de gegevensbescherming te beoordelen, zoals bepaald in artikel 20, § 1, 1°, van de WOG, en om informatie in te winnen over de technologische ontwikkeling die de nieuwe dienst van Freedelity inhoudt, een dienst waarvan de impact zeker was vanwege het gevoelige karakter van de verwerking in kwestie, waarvoor het gebruik van de identiteitskaart vereist was. Het versturen van een brief met het verzoek om informatie over de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de nieuwe dienst van Freedelity is dan ook een evenredige maatregel in het kader van de toezichthoudende taak van de algemeen secretaris en het volgen van technologische ontwikkelingen die onder de bevoegdheid van het Directiecomité vallen. 69. Ten tweede, wat het taalgebruik betreft, heeft het Marktenhof reeds geoordeeld dat "Ondanks zijn karakter van de openbare orde, kan een eventuele onwettigheid in verband met de taal van een beslissing, geen aanleiding geven tot vernietiging indien deze onwettigheid niet van aard is om, te dezen, een invloed hebben op de richting van de beslissing, zij de belanghebbende partijen geen waarborg heeft ontzegd of zij niet het effect heeft gehad om van invloed te zijn op de bevoegdheid van de auteur van het besluit ."13 In deze zaak werd stuk 2 van het dossier zonder problemen door de verweerder behandeld en werd het verzonden vóór het onderzoek van de Inspectiedienst. 70. De Geschillenkamer wijst op de chronologie van de feiten: - Verzending van een brief met een verzoek om informatie in het Nederlands (stuk 2) 30.08.2019; 13 - Freedelity vraagt om in het Frans te mogen antwoorden – 10.09.2019; - GBA stemt ermee in dat het dossier in het Frans wordt behandeld - 20.09.2019; - Freedelity stuurt zijn antwoorden in het Frans - 09.10.2019 Arrest van het Marktenhof van 4 september 2019, 2018/AR/1446. Beslissing ten gronde 146/2024 –14 /71 71. De rest van het dossier wordt volledig in het Frans behandeld. De antwoorden van de verweerder op de brief met het verzoek om informatie in het Nederlands zijn door de verweerder in het Frans opgesteld, die dus perfect in staat was om de aan hem gestelde vragen te begrijpen. 72. Overeenkomstig het verzoek van de verweerder is de verdere procedure volledig in het Frans verlopen. De verweerder is dus op geen enkele wijze procedurele waarborgen ontzegd die van invloed zouden kunnen zijn op de onderhavige procedure. 73. Bijgevolg is de Geschillenkamer van oordeel dat het verzenden van een brief met een verzoek om informatie aan de verweerder door de voorzitter van het Algemeen Secretariaat (destijds tevens voorzitter van het Directiecomité) in overeenstemming is met de artikelen 10 en 20, § 1, 1°, van de WOG. Het feit dat deze brief in het Nederlands is opgesteld, doet geen afbreuk aan de procedure, aangezien de rechten van de verdediging hierdoor niet zijn geschaad. II.3.3. Verzending van een nota aan het Directiecomité door het Algemeen Secretariaat (“DIRCO-rapport – Voorafgaande informatiebrief – Freedelity” 74. Ten eerste bekritiseert de verweerder het feit dat het Algemeen Secretariaat op basis van de antwoorden van de verweerder een nota ("Voorafgaande informatiebrief ") voor het Directiecomité heeft opgesteld (stuk 6 van het dossier). Hij bekritiseert ook dat in deze nota gebruik wordt gemaakt van elementen uit de contacten tussen de CBPL en de antwoorden van Freedelity op de vragen van het Algemeen Secretariaat. Ten tweede beweert de verweerder dat het stuk met de titel "probe letter" dat bij het besluit van het Directiecomité van 6 december 2019 is gevoegd, niet in het dossier is opgenomen. Hij voegt daaraan toe dat het gebruik van de term "probe" wijst op het instellen van verkennende, onrechtmatige, oneerlijke en willekeurige procedures. Hij concludeert dat de GBA in deze zaak geen ernstige aanwijzingen had op het moment dat hij contact opnam met Freedelity. 75. Ten eerste merkt de Geschillenkamer op dat naar aanleiding van het antwoord van de verweerder op de brief met het verzoek om informatie, door het Algemeen Secretariaat voor het Directiecomité een advies is opgesteld op basis van de gegeven antwoorden (stuk 6 van het dossier). Op basis daarvan heeft het Directiecomité op 6 december 2019 besloten de Inspectiedienst te verzoeken een onderzoek in te stellen. 76. Zoals eerder vermeld, herinnert de Geschillenkamer eraan dat het Algemeen Secretariaat een toezichthoudende taak heeft (artikel 20, § 1, 1°, van de WOG). Wanneer deze toezichthoudende taak voortvloeit uit een verzoek om opvolging van het Directiecomité (artikel 10 van de WOG), is het logisch dat er op basis van de antwoorden op de gestelde vragen een document wordt opgesteld, zodat het Directiecomité de continuïteit van zijn opvolging up kan waarborgen (artikel 10 van de WOG). Beslissing ten gronde 146/2024 –15 /71 77. Om "de ontwikkelingen op technologisch gebied" (onderstreping toegevoegd) in de zin van artikel 10 van de WOG te volgen, moet het Directiecomité namelijk rekening houden met alle informatie die relevant is voor het begrijpen van dergelijke ontwikkelingen. Het Directiecomité heeft dus terecht de informatie die Freedelity ter beschikking heeft gesteld tijdens zijn contacten met de CBPL, waarvan de GBA de opvolger is, gecontroleerd en gebruikt. 78. Het beschikbaar stellen van de voor de opvolging benodigde informatie kan niet door het Directiecomité zelf worden gedaan, aangezien het, zoals reeds eerder vermeld, niet over een afdeling beschikt, en moet dus noodzakelijkerwijs door een orgaan van de GBA worden gedaan. In dit geval was het Algemeen Secretariaat de aangewezen afdeling van de GBA om dit te doen: het verzoek om informatie was al afkomstig van het Algemeen Secretariaat, dat logischerwijs de opvolging van zijn brief heeft verzorgd, nog afgezien van het feit dat dit orgaan krachtens artikel 10 van de WOG belast is met het toezicht op technologische ontwikkelingen. 79. De Geschillenkamer concludeert dat het Algemeen Secretariaat volkomen gerechtigd was om een advies voor het Directiecomité op te stellen door de informatie die hem ter beschikking stond te verzamelen, zodat het Directiecomité kon besluiten om naderhand een onderzoek in te stellen. Het Directiecomité kon trouwens alleen op basis van de door het Algemeen Secretariaat verstrekte informatie beoordelen welke verdere stappen in procedure moesten worden ondernomen. Het Directiecomité is niet gebonden aan enig advies of enige aanbeveling en is soeverein in zijn beoordeling. In dit geval heeft het Directiecomité besloten dat de procedure zou worden voortgezet overeenkomstig artikel 63, § 1, van de WOG. 80. Ten tweede is het document met de titel "probe letter", waarvan de verweerder de rechtmatigheid betwist, wel degelijk stuk 6 van de inventaris dat vanaf het begin van de zaak deel uitmaakte van het dossier en dat aan de verweerder werd verstrekt toen hij om een kopie van het dossier vroeg. 81. Bovendien wordt de term "probe", waarop de grief van Freedelity is gebaseerd, slechts één keer gebruikt door een juridisch adviseur die het advies aan het Directiecomité heeft geschreven, waarover dit laatste zich op 6 december 2019 heeft uitgesproken. De term wordt daarna nooit meer gebruikt en de brief heeft officieel als titel ("DIRCO-rapport – Voorafgaande informatiebrief – Freedelity"). 82. In haar interne communicatie gebruikt de GBA afwisselend de termen "monitoring" of "systeemtoezichtprocedure" met betrekking tot deze brief. Uit het loutere gebruik van deze termen kan niet worden afgeleid dat de GBA oneerlijk heeft gehandeld. Deze termen zijn namelijk overgenomen uit de brief van de WOG zelf en zijn hooguit in het Engels vertaald. De Geschillenkamer erkent hoogstens dat in de interne communicatie Beslissing ten gronde 146/2024 –16 /71 verschillende termen worden gebruikt om de procedure in kwestie aan te duiden, wat geen juridische gevolgen heeft voor de procedure. 83. De handelingen van het Algemeen Secretariaat vormen een noodzakelijke stap om het Directiecomité een volledig dossier te kunnen voorleggen, zodat het een weloverwogen beslissing kan nemen. De verweerder verwart ten onrechte enerzijds (
  1. i)de voorbereidende handelingen voor de opvolging van een dossier en het besluit van het Directiecomité, en anderzijds (
  2. ii)het onderzoek zelf. 84. De Geschillenkamer bevestigt nogmaals met klem dat een onderzoek alleen door de Inspectiedienst kan worden uitgevoerd (artikel 28 van de WOG). In tegenstelling tot de Inspectiedienst hebben noch het Algemeen Secretariaat, noch het Directiecomité de bevoegdheid om inbreuken of schendingen van de AVG vast te stellen voordat zij hun vaststellingen aan de Geschillenkamer voorleggen. 85. De verzending door het Algemeen Secretariaat van de betwiste nota ("DIRCO-rapport – Voorafgaande informatiebrief – Freedelity") aan het Directiecomité heeft rechtmatig plaatsgevonden op basis van de artikelen 10 en 20, § 1, 1° van de WOG. II.3.4. Vaststelling van ernstige aanwijzingen door het Directiecomité 86. Ten eerste voert de verweerder aan dat het Algemeen Secretariaat de zaak aan het Directiecomité heeft voorgelegd onder verwijzing naar artikel 63.1 van de WOG, terwijl het daarvoor geen ernstige aanwijzingen had en dus op onwettige wijze heeft besloten vragen te stellen aan de verweerder. Hij is van mening dat het artikel in L'Echo op zich niet voldoende was om een dossier te openen. Ten tweede voegt hij hieraan toe dat het Directiecomité in zijn besluit van 6 december 2019 geen ernstige aanwijzingen heeft vastgesteld, aangezien het slechts het rapport van het Algemeen Secretariaat heeft overgenomen. Hij verwijst met name naar het arrest van het Marktenhof van 22 februari 202314 om aan te voeren dat de motivering van het Directiecomité ontoereikend is. Ten derde is de verweerder van mening dat de GBA het gewettigd vertrouwen van de verweerder heeft geschonden door gebruik te maken van informatie uit dossiers uit 2014 tot 2016, terwijl de voorganger van de GBA, de CBPL, deze dossiers had gesloten. 87. Ten eerste verwijst de Geschillenkamer, wat de bevoegdheid van het Algemeen Secretariaat betreft, naar deel II.3.3 hierboven, waarin geen onrechtmatigheid wordt vastgesteld. Bovendien constateert de Geschillenkamer een leesfout van de verweerder. Het Algemeen Secretariaat heeft het Directiecomité niet bijgestaan op basis van artikel 63, 14 Arrest van het Marktenhof van 22 februari 2023, nr. 2022/AR/253, beschikbaar via de volgende link: https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-22-februari-2023-van-het-marktenhof-ar-953beschikbaar-in-het-frans.pdf. Beslissing ten gronde 146/2024 –17 /71 § 1, 1°, van de WOG, maar wel op basis van artikel 20, § 1, 1°, van de WOG, zoals duidelijk blijkt uit de stukken van het dossier. 88. Geschillenkamer herinnert eraan dat het op grond van de aan het Directiecomité toegekende bevoegdheden aan het Directiecomité is om de Inspectiedienst te verzoeken een onderzoek in te stellen indien er ernstige aanwijzingen zijn voor het bestaan van praktijken die aanleiding kunnen geven tot een schending van de fundamentele beginselen van gegevensbescherming (artikel 63, § 1, van de WOG). Zoals het Marktenhof heeft herinnerd, gaat het hier om een discretionaire bevoegdheid van de GBA 15 . 89. De elementen die in het rapport aan de orde komen, zijn in overeenstemming met de letter van de WOG, aangezien het doel van de opvolging of het toezicht juist de impact of de gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens is, zoals vereist in de artikelen 10 en 20, § 1, 1° van de WOG). De door het Algemeen Secretariaat in aanmerking genomen elementen waren inderdaad op een dergelijk doel gericht:
  3. a)Artikel 10 van de WOG heeft betrekking op technologische domeinen die een "weerslag hebben op de bescherming van persoonsgegevens"
  4. b)Artikel 20, § 1, 1° van de WOG vereist toezicht op technologische ontwikkelingen die een "impact hebben op de bescherming van persoonsgegevens" 90. Een rapport over een technologie die een weerslag of een impact heeft op de bescherming van persoonsgegevens, kan ernstige aanwijzingen bevatten voor het bestaan van een praktijk die aanleiding kan geven tot een inbreuk op de fundamentele beginselen van de bescherming van persoonsgegevens (artikel 63.1 van de WOG). 91. Ten tweede merkt de Geschillenkamer met betrekking tot verwijzing naar een referentie op dat de Raad van State verwijzing naar een referentie als motivering aanvaardt, op voorwaarde dat het document waarnaar wordt verwezen deel uitmaakt van het dossier 16 . Dat is in dit geval zo, aangezien stuk nummer 6, dat het advies van het Algemeen Secretariaat bevat ("DIRCO-rapport – Voorafgaande informatiebrief – Freedelity"), als bijlage bij het besluit van het Directiecomité is gevoegd en altijd deel heeft uitgemaakt van het dossier. Het besluit van het Directiecomité luidt als volgt: " De vaststellingen in bijlage gevoegd bevatten aanwijzingen betreffende niet conform handelen inzake de volgende principes: het verkrijgen van de toestemming, profilering en 15 Arrest van het Marktenhof van 22 februari 2023, nr. 2023/1527, blz. 40, beschikbaar via de volgende link: https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-22-februari-2023-van-het-marktenhof-ar-953beschikbaar-in-het-frans.pdf. 16 Arrest van de Raad van State van 7 mei 2013, nr. 223.44. Beslissing ten gronde 146/2024 –18 /71 delen van gegevens, gegevensminimalisatie, bewaartermijn en ontvangers van de gegevens."17 92. Het Directiecomité motiveert zijn beslissing dan ook door te verwijzen naar de nota die het heeft ontvangen en baseert zich daarop om ernstige aanwijzingen voor schendingen van de volgende beginselen vast te stellen: 93. - het verkrijgen van toestemming, - profilering en het delen van gegevens, - minimale gegevensverwerking, - de bewaartermijn, - en de ontvangers van de gegevens. Ten derde, wat betreft het argument van de verweerder dat het raadplegen en gebruiken van de informatie in de dossiers die waren geopend bij de CBPL, de voorganger van de GBA, in strijd zou zijn met het beginsel van gewettigd vertrouwen, herinnert de Geschillenkamer eraan dat zij, zoals elke overheidsinstantie, onderworpen is aan de zorgvuldigheidsplicht die haar verplicht om "een grondig onderzoek naar de feiten te verrichten, de voor de besluitvorming noodzakelijke informatie te verzamelen en rekening te houden met alle elementen van het dossier om een weloverwogen beslissing te nemen, na alle elementen die voor de oplossing van het specifieke geval relevant zijn, op redelijke wijze te hebben beoordeeld"18 (vrije vertaling). 94. Deze zorgvuldigheidsplicht houdt in dat de GBA, wanneer zij een beslissing wil nemen die een burger betreft, moet nagaan of en in hoeverre er al dossiers tegen diezelfde burger zijn geopend. Dit onderzoek is ook noodzakelijk om ervoor te zorgen dat het beginsel non bis in idem wordt nageleefd. De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat het Algemeen Secretariaat volkomen bevoegd was om alle dossiers betreffende de verweerder, met inbegrip van de afgesloten dossiers, te raadplegen, zodat het Directiecomité een weloverwogen beslissing kon nemen. 95. De Geschillenkamer herinnert eraan dat volgens de Raad van State het beginsel van gewettigd vertrouwen "betekent dat de burger moet kunnen rekenen op een duidelijk en welomschreven gedragslijn van de overheid of, in principe, op beloften die de overheid hem in een concreet geval zou hebben gedaan. De schending van het algemene beginsel van gewettigd vertrouwen veronderstelt drie voorwaarden, namelijk een fout van de overheid, een door deze fout op wettige wijze gewekte verwachting en het ontbreken van een reden om op de erkenning terug te komen. Dit beginsel kan niet worden ingeroepen op basis van 17 Uittreksel uit het proces-verbaal van het Directiecomité van 6 december 2019. Stuk 7 van het dossier. 18 Arrest van de Raad van State van 6 december 2021, nr. 252.324, blz. 13. Beslissing ten gronde 146/2024 –19 /71 handelingen van een andere autoriteit dan die welke de betwiste handeling heeft vastgesteld."19 (vrije vertaling) 96. De Geschillenkamer stelt vast dat het Algemeen Secretariaat in zijn analyse 20 vijf aanwijzingen voor non-conformiteit heeft vastgesteld. Twee van deze aanwijzingen (aanwijzingen 3 en 5) zijn uitsluitend gebaseerd op de antwoorden die de verweerder in zijn brief van 9 oktober 2019 heeft gegeven. Deze aanwijzingen zijn op geen enkele wijze gebaseerd op elementen uit oudere dossiers. De drie andere aanwijzingen voor nonconformiteit zijn gebaseerd op een vergelijking tussen de elementen in een brief van de verweerder aan de CBPL van 26 november 2015 en het antwoord van 9 oktober 2019. Het Algemeen Secretariaat heeft in zijn drie instanties een verandering in de praktijk van de verweerder geconstateerd die volgens hem een inbreuk op de beginselen van de bescherming van persoonsgegevens zou kunnen vormen. Het Algemeen Secretariaat moest deze controle uitvoeren om het Directiecomité in staat te stellen de "ontwikkelingen te volgen", zoals hierboven uiteengezet, en te beslissen de Inspectiedienst in te schakelen. 97. In zijn analyse stelt het Algemeen Secretariaat dat de bewaartermijn van de gegevens door de verweerder tussen 2015 en 2019 zou zijn verlengd van 5 tot 8 jaar. Het schrijft ook dat de verweerder voortaan profilering zou uitvoeren op basis van de verzamelde gegevens, wat hij eerder had aangegeven niet te doen. 98. Volgens de Geschillenkamer blijkt uit de analyse van het Algemeen Secretariaat geen verandering in het standpunt van de GBA, noch een onjuiste interpretatie van haar kant. Deze analyse heeft dan ook geen invloed op de procedure. Uit de analyse van de Kamer blijkt namelijk dat wanneer het Algemeen Secretariaat informatie uit vroegere dossiers gebruikt, dit is om deze te vergelijken met de huidige praktijken die de verweerder hem heeft meegedeeld. Deze vergelijking heeft het Directiecomité in staat gesteld om de opvolging ervan te verzekeren (artikel 10 van de WOG). 99. Voor de Geschillenkamer betekent het beginsel van gewettigd vertrouwen, zelfs indien de CBPL de betrokken verwerkingen door de verweerder had toegestaan, quod non, niet dat de overheid bij nieuwe feiten en ontwikkelingen in de praktijk een gedragslijn moet blijven volgen die zij in het verleden heeft uitgedragen op basis van feiten die aanzienlijk verschilden. De verweerder beroept zich dus ten onrechte op een schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen. 100. Gelet op het bovenstaande concludeert de Geschillenkamer dat het besluit van het Directiecomité in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 63.1 van de WOG. 19 Arrest van de Raad van State van 8 mei 2024, nr. 259.704. 20 Stuk 6 van het dossier. Beslissing ten gronde 146/2024 –20 /71 II.3.5. Inschakeling van de Inspectiedienst door het Directiecomité (geldigheid van het proces-verbaal) 101. Ten eerste legt de verweerder uit dat uit de versies van het proces-verbaal die hem zijn toegezonden, niet kan worden afgeleid of de voorzitter van de Geschillenkamer, die zich bij de stemming van het Directiecomité over dit punt van stemming heeft onthouden, aan de discussie heeft deelgenomen. Bovendien is zij van mening dat niet is aangetoond dat de meerderheid van de leden van het Directiecomité aanwezig was, noch dat een meerderheid van de leden vóór heeft gestemd overeenkomstig artikel 3 van het ROI. Ten slotte is de verweerder van mening dat er twijfel bestaat of er een proces-verbaal van het besluit van het Directiecomité is opgesteld en ondertekend door de voorzitter van het Directiecomité, hetgeen een schending van artikel 16 van de WOG zou vormen. 102. Ten tweede voert de verweerder ook aan dat dit besluit in het Nederlands is genomen en daarmee in strijd is met de wet op het taalgebruik in administratieve aangelegenheden, aangezien de verweerder in een Franstalig gebied is gevestigd. 103. Ten eerste herinnert de Geschillenkamer eraan dat de processen-verbaal van het Directiecomité tal van onderwerpen behandelen, waaronder strategische beslissingen van de GBA, en dat zij persoonsgegevens bevatten. Overeenkomstig het beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 5.1.
  5. c)van de AVG) en het beginsel van vertrouwelijkheid dat van toepassing is op de leden van het Directiecomité (art. 48 WOG), stuurt de Geschillenkamer processen-verbaal van het Directiecomité niet in hun geheel door aan de bij een procedure betrokken partijen, maar alleen een uittreksel van dat proces-verbaal, zodat de partijen bij een procedure kunnen beoordelen of deze voor hen relevant is. 104. De verweerder beschikte vanaf het begin van de procedure ten gronde over een uittreksel van het proces-verbaal van het Directiecomité betreffende de activering van artikel 63.1° tegen hem. Op zijn verzoek werd hem op 2 mei 2023 een uitgebreider uittreksel verstrekt. Een volledige versie van het proces-verbaal werd hem op 18 juli 2023 door de voorzitter van de GBA verstrekt. 105. De verweerder heeft in het proces-verbaal kunnen vaststellen dat ten eerste alle leden van het Directiecomité aanwezig waren tijdens de vergadering van het Directiecomité, maar dat de voorzitter van de Geschillenkamer zich voor dit agendapunt heeft onthouden, ten tweede dat er geen bezwaar van een van de leden van het Directiecomité is genoteerd, ten derde dat het proces-verbaal wel degelijk door de voorzitter van het Directiecomité was ondertekend, en ten vierde dat het Directiecomité had besloten de Inspectiedienst in te schakelen op grond van artikel 63.1° van de WOG. Aan de voorwaarden van de artikelen 15 en 16 van de WOG is dus voldaan. Het argument van de verweerder om het bestaan van een proces-verbaal en de naleving van de vormvereisten ervan te betwisten, is dus niet gegrond. Beslissing ten gronde 146/2024 –21 /71 106. Wat betreft de grief betreffende de partijdigheid van de leden, verwijst de Geschillenkamer naar haar onderzoek in deel II.4.1 hieronder. 107. Bijgevolg kunnen noch de geldigheid van het proces-verbaal van het Directiecomité, noch de deelname van de directeurs in twijfel worden getrokken. De procedure voldeed aan de rechtmatige vereisten en er werd geen bewijs van partijdigheid geleverd. 108. Ten tweede heeft het Marktenhof in een arrest van 7 juli 202121 eraan herinnerd dat de GBA moet worden beschouwd als een centrale dienst in de zin van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken en dat zij als zodanig de artikelen 40 en volgende van deze wet moet naleven. 109. Het besluit van het Directiecomité om de Inspectiedienst in te schakelen is echter geen communicatie met particulieren in de zin van artikel 41 van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken, maar een interne communicatie; het gebruik van het Frans door het Directiecomité was dus niet vereist. 110. De verwijzing naar de Inspectiedienst door het proces-verbaal van het Directiecomité is dus geldig en voldoet aan de voorschriften van de artikelen 15 en 16 van de WOG, en artikel 3 van het RIO. II.3.6. Procedure voor de Inspectiedienst 111. De verweerder voert aan dat het door de GBA gebruikte dossiernummer hetzelfde is als dat in de eerste brief van het Algemeen Secretariaat, wat erop wijst dat er binnen de GBA een vaste procedure voor "voorinspecties" bestond. Hij voegt hieraan toe dat de Inspectiedienst de correspondentie tussen het Algemeen Secretariaat en Freedelity heeft overgenomen onder de noemer "Toezicht door het Algemeen Secretariaat". De verweerder is bovendien van mening dat er geen bewijs is dat een inspecteur die aan het dossier heeft gewerkt ("betrokken inspecteur") de eed heeft afgelegd, terwijl deze laatste aan het onderzoek heeft meegewerkt. 112. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder geen conclusies trekt uit de eerste twee genoemde argumenten met betrekking tot de referentie en de titel van het dossier. Voor zover nodig verwijst zij in dit verband naar de eerdere uiteenzettingen over dit punt (zie punt 822 ). 113. Wat betreft de eedaflegging heeft de Geschillenkamer op verzoek van de verweerder hem op 2 mei 2023 een document verstrekt met als onderwerp "aanwijzing van inspecteurs van de Inspectiedienst". Dit document, ondertekend door de inspecteur-generaal en de 21 Arrest van het Marktenhof van 7 juli 2021, nr. 2021/AR/320, beschikbaar via de volgende link: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-7-juli-2021-van-het-marktenhof-ar-320.pdf. Beslissing ten gronde 146/2024 –22 /71 directeur van het Algemeen Secretariaat, is gedateerd op 25 juni 2019. Het vermeldt dat "alleen de namen van de onderstaande functionarissen van de gegevensbeschermingsautoriteit die op 19 november 2018 de eed hebben afgelegd, de hoedanigheid van inspecteur van de Inspectiedienst behouden". " Daarna volgt een lijst van functionarissen waarvan de namen om privacyredenen door de Geschillenkamer zijn weggelaten, met uitzondering van de naam van de betrokken inspecteur die in de lijst voorkomt. 114. Voor de Geschillenkamer blijkt uit dit document dat de betrokken inspecteur op 19 november 2018 de eed heeft afgelegd en dat de GBA op 25 juni 2019 van mening was dat hij de hoedanigheid van inspecteur van de Inspectiedienst behield. Op de datum waarop het Directiecomité de zaak op 6 december 2019 aan de Inspectiedienst voorlegde, had de betrokken inspecteur wel degelijk de eed afgelegd en was hij nog steeds inspecteur. 115. De Geschillenkamer herinnert er ook aan dat dit soort verzoeken op geen enkele wettelijke basis berust. De wet bepaalt namelijk dat inspecteurs de eed afleggen (artikel 30, § 1, van de WOG), wat als een vaststaand feit moet worden beschouwd, behalve in geval van ernstige twijfel, waarvan het bewijs door de verweerder moet worden geleverd. De verweerder kan zich dus op geen enkele wettelijke basis beroepen om de overdracht van deze documenten te eisen. 116. De Geschillenkamer concludeert dat de procedure voor de Inspectiedienst niet ongeldig is. II.3.7. Inschakeling van de Geschillenkamer door de Inspectiedienst 117. De verweerder voert aan dat de Geschillenkamer niet geldig kon worden ingeschakeld, aangezien de Inspectiedienst zelf niet geldig was ingeschakeld. 118. De Geschillenkamer heeft geen onregelmatigheid vastgesteld in de aanhangigmaking door de Inspectiedienst. Bijgevolg acht zij zich rechtmatig ingeschakeld op grond van artikel 92.3° van de WOG. 119. De zaak is op grond van artikel 92.3° van de WOG op rechtmatige wijze aanhangig gemaakt bij de Geschillenkamer. II.4. Procedure: eerbiediging van de rechten van de verdediging II.4.1. Onpartijdigheid van de leden van het Directiecomité en van het Comité zelf 120. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de door de verweerder geuite grieven die betrekking hebben op de leden van het Directiecomité en die welke betrekking hebben op het Directiecomité zelf. II.4.1.1. De voorzitter van de Geschillenkamer Beslissing ten gronde 146/2024 –23 /71 Standpunt van de verweerder 121. Inleidend, en zoals uiteengezet in deel II.2 , verzoekt de verweerder de voorzitter van de Geschillenkamer zich terug te trekken vanwege de gerechtvaardigde twijfel die zou bestaan over zijn onpartijdigheid. Bij gebrek aan een specifieke procedure die is vastgelegd in de WOG, stelt de verweerder dat artikel 828, 1° van het Gerechtelijk Wetboek naar analogie van toepassing zou moeten zijn. 122. Volgens de verweerder maakt de mogelijkheid om de wraking van een rechter te vragen integraal deel uit van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dezelfde waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zouden voortvloeien uit artikel 52 van de AVG, dat in Belgisch recht is omgezet door artikel 36 van de WOG. 123. Indien de Geschillenkamer van oordeel is dat het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling in de wet betekent dat wraking niet mogelijk is, verzoekt de verweerder om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 124. Hij is van mening dat deze partijdigheid of schijn van partijdigheid voortvloeit uit de volgende elementen:
  6. a)Ten eerste heeft de voorzitter van de Geschillenkamer kennisgenomen van verschillende documenten betreffende Freedelity die hebben geleid tot het besluit van het Directiecomité van 6 december 2019, en ondanks zijn wraking tijdens de behandeling van dit punt, is het onmogelijk te weten wat zijn rol was tijdens deze vergadering.
  7. b)Ten tweede zou de voorzitter van het Algemeen Secretariaat uit zijn functie zijn ontheven, met name vanwege "voorinspecties" zoals die in deze zaak zijn uitgevoerd. De voorzitter van de Geschillenkamer heeft echter voor de Commissie Justitie getuigd naar aanleiding van de opheffing van het mandaat van de voorzitter van de GBA voor de Kamer van volksvertegenwoordigers en is bovendien tussenbeide gekomen in de hoogdringende vordering tot opschorting die de voorzitter van de GBA voor de Raad van State heeft ingesteld tegen het besluit tot opheffing van het mandaat. Hij heeft zelf een vordering tot opschorting van het besluit tot opheffing van het mandaat ingesteld bij de Raad van State. Volgens de verweerder verdedigt de voorzitter van de Geschillenkamer het gedrag van de voorzitter van de GBA, dat aanleiding zou hebben gegeven tot de opheffing van zijn mandaat.
  8. c)Ten derde kon de voorzitter van de Geschillenkamer het verzoek van de verweerder om toegang te krijgen tot het besluit tot opheffing van het mandaat van Beslissing ten gronde 146/2024 –24 /71 de voorzitter van de GBA niet weigeren op grond dat hij niet over dit document beschikte, aangezien hij in verschillende procedures voor de Raad van State over dit besluit was opgetreden en er dus noodzakelijkerwijs toegang toe had.
  9. d)Ten vierde heeft de voorzitter van de Geschillenkamer geweigerd bepaalde door de verweerder gevraagde documenten te verstrekken en heeft hij een standpunt ingenomen over de bevoegdheid van de CTB met betrekking tot verzoeken om toegang tot documenten die in het bezit zijn van de GBA.
  10. e)Ten vijfde is de verweerder ook van mening dat het feit dat men schuldeiser is, een reden voor wraking is, wat in dit geval zou gelden voor de voorzitter van de Geschillenkamer, aangezien de voorzitter in het kader van de door Freedelity voor het Marktenhof ingestelde wrakingsprocedure een rechtsplegingsvergoeding heeft gevraagd en gekregen, waarvan hij in feite nog geen betaling heeft geëist. Onderzoek door de Geschillenkamer 125. Vooreerst betwist de Geschillenkamer niet dat het beginsel van onpartijdigheid van toepassing is op administratieve autoriteiten. Er moet echter worden benadrukt dat het beginsel van onpartijdigheid "verenigbaar moet zijn met de structuur van het actieve bestuur"22, zoals hieronder zal worden beschreven in de punt 127 . 126. De Geschillenkamer van de GBA wordt voorgezeten door de heer Hijmans. Voor de goede werking van de Geschillenkamer en de GBA is het noodzakelijk dat de voorzitter beschikbaar is en kan zetelen bij beslissingen ten gronde (artikelen 33, § 1, en 92 tot en met 107 van de WOG), alsmede in het Directiecomité, zoals blijkt uit de dubbele bevoegdheid van de directeurs van de organen van de GBA, vastgelegd in artikel 12 van de WOG. 127. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State: "moet het algemene beginsel van onpartijdigheid worden toegepast op elk orgaan van het actieve bestuur. Het volstaat dat een schijn van partijdigheid bij de verzoeker een gerechtvaardigde twijfel heeft doen rijzen over het vermogen om zijn zaak in alle onpartijdigheid te behandelen. Dit beginsel is echter alleen van toepassing voor zover het verenigbaar is met de specifieke aard en met name met de structuur van het actieve bestuur. Bovendien kan de onpartijdigheid van een collegiaal orgaan alleen in twijfel worden getrokken indien, enerzijds, specifieke feiten die een vermoeden van partijdigheid doen rijzen ten aanzien van een of meer leden van dat college rechtmatig kunnen worden vastgesteld en, anderzijds, uit de omstandigheden blijkt dat de partijdigheid van dat lid of die leden het hele college heeft kunnen beïnvloeden. Het is aan degene die beweert dat de 22 RvS., 25 april 2023, 256.341, Di Livio. Beslissing ten gronde 146/2024 –25 /71 autoriteit niet onafhankelijk, onpartijdig en nauwgezet heeft gehandeld, om dit te bewijzen"23 . 128. Het is dus aan de partij die zich beroept op schending van het beginsel van onpartijdigheid om aan te tonen dat er specifieke feiten zijn waaruit kan worden geconcludeerd dat het beginsel van onpartijdigheid is geschonden. Indien de feiten betrekking hebben op een lid van een collegiaal orgaan, dient de partij die zich op de schending van het beginsel van onpartijdigheid beroept, aan te tonen dat de door haar aangevoerde feiten niet alleen de onpartijdigheid van de dader, maar ook die van ten minste een meerderheid van de leden van het betrokken collegiale orgaan hebben kunnen beïnvloeden 24 . - De partijdigheid van de voorzitter van de Geschillenkamer als lid van het Directiecomité of van de Geschillenkamer, die uit drie leden bestaat. 129. Ten eerste heeft de kritiek betrekking op het feit dat de voorzitter van de Geschillenkamer vóór de vergadering van het Directiecomité van 6 december 2019 documenten over de verweerder zou hebben ontvangen. De verweerder toont niet aan waarom het ontvangen van deze documenten zou wijzen op partijdigheid van de voorzitter van de Geschillenkamer, temeer daar deze op geen enkel moment op deze documenten heeft gereageerd en zich tijdens de bespreking van dit punt heeft onthouden, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de vergadering. Evenmin is aangetoond hoe deze partijdigheid, indien bewezen, de andere leden van het Directiecomité zou hebben kunnen beïnvloeden. 130. Ten tweede is de Geschillenkamer van oordeel dat de onpartijdigheid van de voorzitter van de Geschillenkamer evenmin in twijfel kan worden getrokken door het feit dat hij in eigen naam beroep heeft ingesteld tegen het besluit tot opheffing van het mandaat van de voorzitter van de GBA, aangezien dit beroep werd ingesteld omdat hij van mening was dat dit besluit een risico vormde voor zijn persoonlijke onafhankelijkheid als voorzitter van de Geschillenkamer25. Bovendien heeft de voorzitter van de GBA in deze zaak geen "voorinspecties" uitgevoerd (zie deel II.3.2 van de beslissing) en voert de verweerder argumenten aan zonder bewijs voor zijn beweringen, noch een verklaring waardoor de Geschillenkamer zijn redenering zou kunnen volgen. - De partijdigheid van de voorzitter van de Geschillenkamer die alleen zitting houdt 131. Ten derde is het feit dat de voorzitter van de Geschillenkamer aan de verweerder heeft geantwoord dat de GBA niet beschikt over het besluit tot opheffing van het mandaat van de voorzitter van de GBA een feitelijke opmerking die geen blijk geeft van partijdigheid. 23 RvS, 30 november 2022, 255.145, Lemaire en Loslever; zie ook RvS, 19 januari 2022, 252.684, XXX. Zie met name het Marktenhof, 7 december 2022, 2022/AR/556, beschikbaar via de volgende link: https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/arret-du-7-decembre-2022-de-het-Marktenhof-ar-556.pdf. 24 25 C.E. nr. 256.827 van 19 juni 2023, § 8. Beslissing ten gronde 146/2024 –26 /71 Deze bewering werd overigens bevestigd door de voorzitter van de GBA in haar brief van 18 juli 2023. 132. Het feit dat de voorzitter van de Geschillenkamer kennis zou kunnen hebben genomen van dit document is niet relevant, aangezien dit plaatsvond in het kader van zijn privéactiviteiten, aangezien hij voor de Raad van State optrad "op eigen titel, zonder daartoe te zijn gemachtigd door de Gegevensbeschermingsautoriteit"26. Er kan redelijkerwijs niet worden gesteld dat het verzoek om toegang tot documenten dat de verweerder bij de GBA heeft ingediend, ook betrekking heeft op documenten die de directeurs buiten hun f unctie bij de GBA om in hun bezit zouden kunnen hebben. 133. De Geschillenkamer wijst er bovendien op dat de toegang tot dit document ook door de Kamer van volksvertegenwoordigers is geweigerd toen de verweerder om toegang had verzocht. In haar beschikking van 12 februari 2024 heeft de Kamer van kort geding van de rechtbank van eerste aanleg het verzoek van de verweerder om overlegging van dit document eveneens afgewezen. 134. Ten vierde betekent het feit dat de voorzitter van de Geschillenkamer toegang heeft verleend tot bepaalde documenten en niet tot andere documenten waarom de verzoeker had gevraagd niet dat hij daardoor onpartijdig is geweest. De voorzitter van de Geschillenkamer moet in het kader van de organisatie van de procedure een aantal handelingen verrichten die hij legitiem acht en die geen afbreuk doen aan zijn persoonlijke beoordeling van de zaak ten gronde. 135. Overigens wordt de partijdigheid van de voorzitter van de Geschillenkamer evenmin aangetoond door het antwoord op het verzoek om overlegging van documenten dat door de verweerder is gedaan op grond van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. In haar antwoord geeft de Geschillenkamer namelijk aan dat de GBA zich momenteel niet onderworpen acht aan de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Dit standpunt bewijst niet de partijdigheid van de voorzitter van de Geschillenkamer, aangezien het het standpunt is van het Directiecomité in zijn geheel en de CTB zelf dit standpunt in het verleden deelde 27 . 136. In dit verband leert de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat er geen sprake is van een probleem in verband met een gebrek aan rechterlijke onpartijdigheid wanneer de rechter in andere stadia van de procedure reeds formele en procedurele beslissingen heeft genomen28. Dit probleem kan zich daarentegen wel 26 RvS van 17 augustus 2022, nr. 254.326. 27 Zie met name CTB, advies 2018-14, beschikbaar op: https://www.ibz.rrn.fgov.be/fileadmin/user upload/fr/com/publicite/avis/2018/ADVIES-2018-14.pdf 28 Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), zaak George-Laviniu Ghiurău tegen Roemenië, 16/06/2020, verzoekschrift nr. 15549/16, § 67. Beslissing ten gronde 146/2024 –27 /71 voordoen wanneer de rechter zich in andere stadia van de procedure al heeft uitgesproken over de schuld van de verdachte29 . 137. In het onderhavige geval houdt hetgeen de voorzitter van de Geschillenkamer wordt verweten echter geen enkel standpunt in van diens kant over de grond van de zaak en, in het bijzonder, over het gedrag of de verantwoordelijkheid van de verzoeker. 138. Deze uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft betrekking op rechters; zij geldt des te meer voor leden van een bestuurscollege. 139. Ten vijfde handelt de voorzitter van de Geschillenkamer in deze zaak niet op persoonlijke titel. De procedurevergoeding waarvan sprake werd aangevraagd in het kader van de uitoefening van zijn functie binnen de GBA, dat wil zeggen als voorzitter van de Geschillenkamer. Hij heeft geen persoonlijk of financieel belang bij deze vordering. 140. Het gebrek aan onpartijdigheid van de voorzitter van de Geschillenkamer is dan ook niet aangetoond. Er is geen geldige reden om hem van deze zaak te ontheffen. II.4.1.2. De directeur van het Kenniscentrum 141. De verweerder voert aan dat de toenmalige directeur van het Kenniscentrum in het kader van haar vorige functie met Freedelity zou hebben samengewerkt en hun juridische model zou hebben gevalideerd. De verweerder is van mening dat deze overeenkomsten onder het beroepsgeheim, het bedrijfsgeheim en geheimhoudingsovereenkomsten vielen en dat deze informatie werd gedeeld met de GBA, die zich medeplichtig zou hebben gemaakt aan de schending van deze vertrouwelijkheid. 142. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de leden van het Directiecomité gebonden zijn aan het beginsel van onpartijdigheid (artikel 43 van de WOG), dat hen verbiedt aanwezig te zijn bij beraadslagingen of beslissingen over dossiers waarin zij een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Volgens de doctrine: "Het persoonlijk en rechtstreeks belang kan van morele aard zijn, onder andere wanneer een of meer leden van de beslissende overheid eerder al een duidelijk standpunt hebben ingenomen of een eigen mening hebben gevormd en niet zonder gezichtsverlies daarop zouden kunnen terugkomen."30 143. Dit beginsel houdt in dat geen enkel lid van het Directiecomité een persoonlijk belang mag hebben bij een bepaalde beslissing (nemo iudex in causa sua). Met name het feit dat het moreel onmogelijk is om een eerder standpunt te herzien, houdt het risico in dat leden van 29 Gómez de Liaño y Botella tegen Spanje, 22/07/2008, verzoekschrift nr. 21369/04, § 67-72. Zie ook EHRM, Gids over artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, Recht op een eerlijk proces – strafrechtelijk aspect, https://www.echr.coe.int/documents/guide art 6 criminal fra.pdf. 30 Wolters Kluwer – Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht, “Partijdigheid en belangenconflicten bij het actief bestuur: de sluipweg van het gelijkheidsbeginsel”, Lise Van den Eynde, 2024, punt 4. “De meest klassieke en wellicht bekendste categorie is de persoonlijke of subjectieve onpartijdigheid. Het komt erop neer dat iemand met een persoonlijk en rechtstreeks belang zich moet onthouden van deelname aan het besluitvormingsproces.” Beslissing ten gronde 146/2024 –28 /71 de administratie die hun mening al (in het openbaar) hebben geuit, de zaak niet meer volledig objectief kunnen beoordelen31 . Bovendien merkt de Geschillenkamer op dat de verweerder niet aantoont waarom de situatie voldoet aan de definitie van een belangenconflict zoals bedoeld in artikel 58 van het RIO. 144. In dit geval heeft de directeur van het Kenniscentrum nooit bij Freedelity gewerkt en bevond zij zich dus niet in een situatie waarin uit haar vorige functie een persoonlijk en direct belang bij Freedelity of een belangenconflict kon worden afgeleid. Het feit dat de directeur van het Kenniscentrum het juridische model van Freedelity kende en dit in het verleden heeft "goedgekeurd", bewijst niet dat zij een persoonlijk en direct belang had bij de beslissingen van het Directiecomité op basis van de artikelen 10 en 63.1° van de WOG. De directeur van het Kenniscentrum heeft nooit in het openbaar een negatieve mening over Freedelity geuit. Hoogstens heeft de directeur van het Kenniscentrum in het kader van haar vroegere functies in het verleden een positieve mening over Freedelity geuit. Als de directeur van het Kenniscentrum daadwerkelijk gebruik had gemaakt van informatie die zij in het kader van haar vroegere functies had verzameld, had zij alleen maar tot de conclusie kunnen komen dat de dienst van Freedelity geldig was. 145. Bovendien is er, in tegenstelling tot wat Freedelity beweert, geen bewijs in het dossier dat de directeur van het Kenniscentrum vertrouwelijke informatie heeft gebruikt of gedeeld met de GBA. De enige vermelding waarop Freedelity zich baseert, is de volgende: "Toen ik een jaar geleden het aanbod van Freedelity analyseerde, bleek het in meerdere opzichten een duidelijke schending van de privacywetgeving te zijn."32 146. Er is geen andere zin of informatie van de directeur van het Kenniscentrum te vinden in de daaropvolgende correspondentie, adviezen en stukken in het dossier. De Geschillenkamer kan dan ook niet concluderen dat het om vertrouwelijke informatie ging die door de verweerder werd aangehaald, en de hele procedure is uitsluitend gebaseerd op informatie die op legitieme wijze door de GBA is verzameld. 147. De Geschillenkamer concludeert dat de directeur van het Kenniscentrum het beginsel van onpartijdigheid dat van toepassing is op de leden van het Directiecomité (artikel 43 van de WOG) niet heeft geschonden. II.4.1.3. De directeur van het Algemeen Secretariaat (voorzitter van het Directiecomité) 148. Ten eerste verwijt de verweerder de GBA ook dat zij hem het besluit tot opheffing van het mandaat van de voorzitter van de GBA niet heeft meegedeeld. Ten tweede stelt de 31 Zie supra. 32 E-mail van de voorzitter van het Kenniscentrum van 2 augustus 2019. Beslissing ten gronde 146/2024 –29 /71 verweerder dat de directeur van het Algemeen Secretariaat bevooroordeeld was omdat hij het initiatief had genomen tot het verzoek om inlichtingen aan de verweerder. Ten derde voert de verweerder aan dat de procedure die het Directiecomité in deze zaak heeft gevolgd, de oorzaak zou zijn van de opheffing van zijn mandaat. Hij baseert zich daarbij op persartikelen en arresten van de Raad van State in zaken betreffende het besluit tot opheffing van het mandaat. 149. Ten eerste blijft de Geschillenkamer erbij dat de GBA niet beschikt over het besluit tot opheffing van het mandaat van haar voormalige voorzitter. 150. Ten tweede herinnert de Geschillenkamer eraan dat situaties van partijdigheid niet kunnen voortvloeien uit de normale toepassing van de wet 33 . De wet bepaalt echter dat de directeur van het Algemeen Secretariaat het voorzitterschap van het Directiecomité kan bekleden (artikel 13, § 2, van de WOG) en dat de voorzitter van het Directiecomité bij de uitvoering van zijn taken wordt bijgestaan door het Algemeen Secretariaat (artikel 13, § 3, van de WOG). Voor het overige verwijst de Geschillenkamer naar de eerdere uiteenzettingen over dit punt (zie deel II.3.2 ). 151. Ten derde verwijst slechts één van de negen door de verweerder verstrekte persartikelen (bewijsstuk 28 van het dossier van de verweerder) kort (één zin in een artikel van vier pagina'
  11. s)naar een mogelijke overschrijding van de bevoegdheden door de voorzitter van de GBA. Het dossier in kwestie had betrekking op vragen die aan een school in Gent waren gesteld over een mogelijk gebruik van biometrische gegevens. Er wordt geen ander dossier vermeld. 152. De verweerder levert geen bewijs dat dit element, alleen of samen met andere elementen, daadwerkelijk aanleiding heeft gegeven tot de opheffing van het mandaat van de voorzitter van de GBA. Hij legt evenmin uit waarom de vaststelling van bevoegdheidsoverschrijding door de Kamer van volksvertegenwoordigers in de door de pers genoemde zaak van toepassing zou zijn op de onderhavige zaak of zelfs maar relevant zou zijn voor de behandeling ervan. 153. Uit de uittreksels van de arresten van de Raad van State blijkt evenmin dat het mandaat van de voorzitter van de GBA zou zijn opgeheven wegens feiten die verband houden met de onderhavige zaak of met de procedures die zijn ingesteld voor de activering van artikel 63.1 van de WOG. De elementen die uit de geciteerde uittreksels naar voren komen, zijn namelijk zeer algemeen en verwijzen naar ernstige tekortkomingen en ongeschiktheden die niet nader worden gepreciseerd. Bovendien is, zoals hierboven is aangetoond, deze zaak door een andere directeur dan de voorzitter van de GBA aan het Directiecomité voorgelegd. Het versturen van de eerste brief aan de verweerder en het verzoek om een onderzoek in te 33 Zie het arrest van de Raad van State van 11 mei 2021, nr. 250.571 Beslissing ten gronde 146/2024 –30 /71 stellen, zijn door het Directiecomité besloten. Deze elementen lijken moeilijk te rijmen met de beweringen dat de voorzitter van de GBA zijn bevoegdheden heeft overschreden. 154. De Geschillenkamer concludeert dat geen van de door de verweerder aangevoerde elementen hem in staat stelt te concluderen dat het Algemeen Secretariaat of de directeur ervan bevooroordeeld zou zijn geweest of zijn bevoegdheden zou hebben overschreden. II.4.1.4. De directeur van de Inspectiedienst (de inspecteur-generaal) 155. Ten eerste voert de verweerder aan dat de inspecteur-generaal (tevens lid van het Directiecomité) Freedelity in het verleden zou hebben ontmoet en onderzocht toen hij voor de CBPL werkte, en dat hij bovendien zou hebben meegewerkt aan de opstelling van het dossier en zou hebben besloten de zaak zelf aanhangig te maken. Hij stelt dat de betrokkenheid van de inspecteur-generaal bij de voorbereiding van het dossier voor behandeling door het Directiecomité van invloed is op zijn eigen aanhangigmaking en de ontvankelijkheid van zijn werkzaamheden. 156. Ten tweede stelt hij ook dat de inspecteur-generaal geen standpunt kan innemen over de activering van artikel 63.1 van de WOG door het Directiecomité zonder dat dit zijn onpartijdigheid aantast. 157. Ten eerste verwijst de Geschillenkamer, wat de argumenten over de partijdigheid van de inspecteur-generaal betreft, naar haar eerdere uitspraken over de analyse van situaties van partijdigheid (zie punten 142 -143 ) en herinnert zij eraan dat een situatie van partijdigheid niet kan voortvloeien uit de normale toepassing van de wet. Het feit dat de inspecteurgeneraal zitting heeft in het Directiecomité tijdens de fase van besluitvorming over het volgen van technologische ontwikkelingen (artikel 10 van de WOG) of de fase van vaststelling van ernstige aanwijzingen (artikel 63.1° van de WOG), is van rechtswege voorzien om verenigbaar te zijn met zijn functie van inspecteur-generaal (artikel 12 van de WOG). 158. Bovendien kan de activering van artikel 63.1 van de WOG (of artikel 63.6) in geen geval worden gelijkgesteld met een aanklacht- of onderzoeksprocedure, zoals de verweerder beweert. Het gaat om een voorafgaande stap aan het instellen van een onderzoek, die geen definitieve vaststelling inhoudt en die de Inspectiedienst geenszins belet om haar onderzoek vervolgens op onpartijdige wijze voort te zetten. Zoals in het verleden is gebleken, is de Inspectiedienst perfect in staat om een onderzoek te voeren dat Beslissing ten gronde 146/2024 –31 /71 concludeert dat er geen sprake is van overtredingen, ondanks de vaststellingen van ernstige aanwijzingen door het Directiecomité34 . 159. Het feit dat een lid van het Directiecomité een of meer personeelsleden van een bedrijf heeft "ontmoet", betekent op zich nog niet dat hij bevooroordeeld is ten opzichte van dat bedrijf. Vooringenomenheid moet concreet worden aangetoond, wat inhoudt dat specifieke feiten of gedragingen aan het licht moeten worden gebracht. 35 Dit heeft uiteraard niets te maken met het feit dat hij in het verleden aan een dossier heeft gewerkt of bij die gelegenheid iemand heeft ontmoet. 160. Voor de Geschillenkamer is de uitwisseling van informatie binnen de GBA een noodzakelijke voorwaarde voor de goede uitvoering van haar taak om toe te zien op de naleving van de gegevensbescherming. Een afscherming van informatie tussen diensten vindt alleen plaats wanneer dit bij wet is bepaald. Dit is het geval in artikel 64.3 van de WOG, dat bepaalt dat het onderzoek geheim is. 161. De WOG voorziet geen andere beperkingen op de uitwisseling van informatie binnen de GBA wanneer deze uitwisseling noodzakelijk is voor haar werking. Informele uitwisselingen tussen directeurs tijdens de voorbereiding van een besluit zijn normale en onmisbare stappen in het besluitvormingsproces. Van dossiers die bij het ELD zijn geopend met betrekking tot de verweerder en de informatie waarover de inspecteur-generaal, die destijds als jurist bij deze dossiers betrokken was, beschikt, zijn zeer relevant om te beoordelen of er reden is om een onderzoek tegen de verweerder te vragen. De GBA zou nalatig zijn geweest als zij geen gebruik had gemaakt van de informatie over de verweerder waarover zij beschikt om haar besluit te onderbouwen. 162. Als de inspecteur-generaal namelijk geen dossiers zou mogen behandelen waarbij hij vóór zijn benoeming als inspecteur-generaal als jurist betrokken was geweest, zou dit de Inspectiedienst de facto beletten zijn bevoegdheden ten aanzien van een groot aantal verwerkingsverantwoordelijken uit te oefenen. Dit is zeker niet de bedoeling van de Kamer van volksvertegenwoordigers, die de inspecteur-generaal heeft benoemd in de volle kennis van het feit dat hij jurist was geweest bij de CBPL. Volgens de Geschillenkamer kan in deze situatie zijn onpartijdigheid niet in twijfel worden getrokken. 163. Ten tweede overtuigt het argument dat de inspecteur-generaal geen standpunt kan innemen over de activering van artikel 63.1 van de WOG door het Directiecomité zonder zijn onpartijdigheid in het gedrang te brengen, de Geschillenkamer evenmin. Het 34 Zie met name de beslissing van de Geschillenkamer 77/2020, waarin het Directiecomité de Inspectiedienst had verzocht een onderzoek in te stellen. Deze stelde vast dat de ten laste gelegde activiteit "niet leidt tot tot de verwerking van persoonsgegevens". Het dossier werd dan ook geseponeerd. 35 Zie in dit verband het arrest van het Marktenhof van 7 december 2022, 2022/AR/556, beschikbaar via de volgende link: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-7-december-2022-van-het-marktenhof-ar-556beschikbaar-in-het-frans.pdf, blz. 21. Wat geldt voor collegiale organen, geldt ook voor een lid van een bestuursorgaan. Beslissing ten gronde 146/2024 –32 /71 Directiecomité is namelijk niet de enige die op basis van ernstige aanwijzingen een onderzoek kan vragen, aangezien artikel 63.6° van de WOG bepaalt dat de Inspectiedienst op eigen initiatief een onderzoek kan instellen als er ernstige aanwijzingen zijn voor een overtreding. Als de wet bepaalt dat de Inspectiedienst, en dus de inspecteur-generaal, alleen kan beslissen dat er ernstige aanwijzingen voor een overtreding zijn, kan hij dat logischerwijs ook collegiaal beslissen in het kader van het Directiecomité, zonder dat dit zijn onpartijdigheid bij het uitvoeren van het onderzoek aantast. 164. De WOG maakt bovendien een duidelijk onderscheid tussen de onderzoeksbevoegdheid, die aan de Inspectiedienst is voorbehouden, en de sanctiebevoegdheid, die aan de Geschillenkamer is voorbehouden. 165. In het onderhavige geval concludeert de Geschillenkamer dat er geen aanwijzingen zijn voor partijdigheid van de inspecteur-generaal, die zich heeft beperkt tot het vervullen van de taken die hem krachtens de WOG zijn opgedragen. II.4.1.5. Het Directiecomité 166. De verweerder voert aan dat, aangezien de meerderheid van de leden van het Directiecomité bevooroordeeld was, het Directiecomité zelf ook bevooroordeeld was. 167. Zoals de Geschillenkamer in deze beslissing al herhaaldelijk heeft opgemerkt, kan kritiek op partijdigheid, overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Raad van State, niet worden gebaseerd op een situatie die voortvloeit uit de normale toepassing van de wet 36 . 168. Bovendien "kan de onpartijdigheid van een collegiaal orgaan alleen in twijfel worden getrokken indien, enerzijds, specifieke feiten die aanleiding geven tot een vermoeden van partijdigheid ten aanzien van een of meer leden van dat college rechtmatig kunnen worden vastgesteld en, anderzijds, uit de omstandigheden blijkt dat de partijdigheid van dat lid of die leden het hele college heeft kunnen beïnvloeden. Het is aan degene die beweert dat de autoriteit niet onafhankelijk, onpartijdig en zorgvuldig heeft gehandeld, om hiervan het bewijs te leveren."37 (vrije vertaling) 169. Het Marktenhof preciseert dat de vermeende partijdigheid van een collegiaal orgaan concreet moet worden aangetoond, wat inhoudt dat specifieke feiten of gedragingen met betrekking tot dit orgaan, en dus door zijn leden, aan het licht moeten worden gebracht 38 . 36 Arrest van de Raad van State van 11 mei 2021, nr. 250.571. 37 C.E., 30 november 2022, 255.145, Lemaire en Loslever; zie ook C.E., 19 januari 2022, 252.684. 38 Arrest van het Marktenhof van 7 december 2022, 2022/AR/556, beschikbaar via de volgende link: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-7-december-2022-van-het-marktenhof-ar-556beschikbaar-in-het-frans.pdf. Beslissing ten gronde 146/2024 –33 /71 170. Het Directiecomité is samengesteld uit de directeurs van de GBA (artikel 12 WOG). Elke directeur staat aan het hoofd van een orgaan, zoals blijkt uit de bevoegdheden die zijn vastgelegd in de WOG. Het Directiecomité is bevoegd om de Inspectiedienst in te schakelen wanneer er ernstige aanwijzigingen zijn voor het bestaan van een praktijk die mogelijk in strijd is met de fundamentele beginselen van de bescherming van persoonsgegevens (artikel 63.1° van de WOG). 171. Volgens de Geschillenkamer moet de verweerder dus voor elk van de leden van het Directiecomité tegen wie hij deze beschuldiging uit, aantonen dat hij enerzijds partijdig is geweest en anderzijds de andere leden van het college heeft kunnen beïnvloeden. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat het feit dat een lid van het Directiecomité blijk zou hebben gegeven van een gebrek aan onpartijdigheid – quod non in het onderhavige geval – op zich niet volstaat om een besluit van het Directiecomité ongeldig te maken.39 172. Zoals echter is uitgelegd in de delen II.4.1.1 ,II.4.1.2 ,II.4.1.3 en II.4.1.4 , is de partijdigheid van de leden niet aangetoond. Bovendien, zelfs als de partijdigheid van een lid van het Directiecomité zou worden aangetoond, zou dit geen afbreuk doen aan de beslissingen van het Directiecomité, die geldig zijn op voorwaarde dat de "meerderheid" van de leden aanwezig was (artikel 15 van de WOG). 173. Bijgevolg is noch de partijdigheid van de leden van het Directiecomité, noch die van het Directiecomité zelf aangetoond. De Geschillenkamer concludeert dat de argumenten van de verdediging inzake partijdigheid niet geldig zijn. II.4.2. Behandeling binnen een redelijke termijn en nuttige termijn om de verdediging voor te bereiden 174. De verweerder voert aan dat de procedure bijna vijf jaar heeft geduurd na de eerste litigieuze brief, wat de redelijke termijn overschrijdt, en dat hij niet de gelegenheid heeft gehad om zich naar behoren te verdedigen. Hij beschuldigt de GBA ervan opzettelijk tijdens vakantieperiodes schriftelijke bijdragen van de verweerder te hebben gevraagd. Hij verwijst met name naar een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, waarin wordt bepaald dat een dossier dat twee jaar lang stil heeft gelegen, de redelijke termijn overschrijdt. 175. De verweerder beroept zich op niet-gerefereerde rechtspraak om aan te voeren dat de rechten van de verdediging vanuit het oogpunt van de nuttige termijn en het recht op een redelijke termijn van toepassing zijn op de GBA. 176. De Geschillenkamer bevestigt dat zij inderdaad onderworpen is aan de eerbiediging van de rechten van de verdediging, waaronder het recht op een redelijke termijn, die worden 39 Arrest van het Marktenhof van 7 december 2022, 2022/AR/556, , beschikbaar via de volgende link: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-7-december-2022-van-het-marktenhof-ar-556beschikbaar-in-het-frans.pdf. Beslissing ten gronde 146/2024 –34 /71 beschermd door artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 177. Wat de redelijke termijn betreft, verwijst de verweerder naar een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, waarin het Hof zou hebben vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden in een dossier dat twee jaar lang stil had gelegen. Dit arrest is niet aan de Geschillenkamer voorgelegd. Zij kan er dus geen rekening mee houden. 178. De Geschillenkamer herinnert eraan dat volgens de rechtspraak van de Raad van State "het beginsel van de redelijke termijn, dat is afgeleid van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en rechtszekerheid, kan worden toegepast op alle administratieve beslissingen. De redelijke termijn waarbinnen elke administratieve autoriteit ervoor moet zorgen dat zij een beslissing neemt, begint pas te lopen vanaf het moment dat zij daartoe in staat is. De beoordeling of de duur van een procedure al dan niet redelijk is, is een kwestie die per geval moet worden bekeken en die met name afhangt van de omstandigheden van de zaak, en meer in het bijzonder van het respectieve gedrag van de autoriteit en de betrokken persoon."40 (vrije vertaling) 179. De Inspectiedienst heeft in juni en oktober 2020 brieven met vragen naar de verweerder gestuurd. Vervolgens heeft hij technische vaststellingen gedaan en in oktober 2021 nieuwe vragen aan Freedelity gesteld. Tussen december 2021 en februari 2022 heeft hij nieuwe technische vaststellingen gedaan. In april 2022 heeft hij zijn verslag naar de Geschillenkamer gestuurd. 180. De Geschillenkamer oordeelt dat een onderzoek dat ongeveer twee jaar heeft geduurd, niet langer is dan redelijk is, als gedurende die twee jaar talrijke onderzoeksacties zijn uitgevoerd, wat in dit geval zo is. Bovendien stelt de Geschillenkamer in deze zaak geen periode van inactiviteit vast van bijna twee jaar. 181. De Geschillenkamer heeft de verweerder op de hoogte gesteld van haar voornemen om de zaak in juli 2022, drie maanden na de indiening ervan, inhoudelijk te behandelen. De periode tussen deze beslissing om de zaak ten gronde te behandelen en de vaststelling van deze beslissing werd gekenmerkt door opeenvolgende verzoeken om overlegging van documenten41, een verzoek bij de CTB, een verzoek tot wraking gevolgd door een procedure voor het Marktenhof en een dagvaarding in kort geding, verzoeken om uitstel van de zitting42, en talrijke verzoeken om opschorting van de uitspraak, met name in afwachting van de publicatie van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie 43, 40 Arrest van de Raad van State, 13 september 2022, nr. 254.469, blz. 16. 41 Zie stuk 94 van het dossier. 42 Zie stuk 94 van het dossier. 43 Zie met name stukken 87 en 136 van het dossier en de volgende pagina's van de aanvullende conclusies van de verweerder: (
  12. i)pagina 163, "De Geschillenkamer moet haar uitspraak over dit punt aanhouden in afwachting van de uitkomst van zaak C154/21 die aanhangig is bij het Hof van Justitie". Beslissing ten gronde 146/2024 –35 /71 verzoeken die allemaal door de verweerder zijn ingediend. Gelet op deze talrijke procedures, die tot gevolg hadden dat de hoorzitting verschillende malen werd uitgesteld, kan redelijkerwijs niet worden gesteld dat de zaak abnormaal lang heeft stilgelegen of dat de Geschillenkamer in staat was om sneller een beslissing te nemen. 182. Wat het recht op een nuttige termijn voor de verdediging betreft, heeft het Marktenhof in een arrest van 12 juni 2019 geoordeeld: "Het opstellen van een conclusiekalender waarbij elke partij over ongeveer één maand beschikt en waarbij de verwerende partij de laatste termijn verkrijgt, is conform aan de regels van inzake de rechten van de verdediging."44 183. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder tijdens het onderzoek van de Inspectiedienst altijd een antwoordtermijn van ten minste 30 kalenderdagen en maximaal 45 dagen heeft gehad, wat in overeenstemming is met de rechtspraak van het Marktenhof. De Geschillenkamer kan dan ook niet concluderen dat het recht op een redelijke termijn voor de verdediging in het onderzoeksstadium is geschonden. 184. Wat betreft de termijnen die aan de verweerder zijn toegekend tijdens de procedure ten gronde, herinnert de Geschillenkamer eraan dat deze in alle zaken die zij ten gronde behandelt identiek zijn en dat zij in juli en augustus met twee weken worden verlengd. De verweerder beschikte dus over een termijn van acht weken, die identiek is aan die welke aan elke andere verweerder zou zijn toegekend in een procedure op basis van een onderzoeksverslag. Deze termijn werd vervolgens op verzoek van de verweerder met drie weken verlengd. Op zijn verzoek werd hij nogmaals met twee weken verlengd, waardoor de totale termijn op 13 weken kwam. 185. Toen de verweerder op zijn verzoek aanvullende documenten kreeg, kreeg hij twee weken45 de tijd om zijn conclusies aan te passen (deze termijn werd op zijn verzoek met een week verlengd). De verweerder kan dan ook redelijkerwijs niet beweren dat de termijnen die hem door de Geschillenkamer zijn toegekend en die op zijn verzoek herhaaldelijk zijn verlengd, hem niet voldoende tijd hebben gegeven om zijn verdediging voor te bereiden. 186. De Geschillenkamer concludeert dat er in deze zaak geen sprake is geweest van overschrijding van de redelijke termijn, noch van schending van het recht op een nuttge termijn. II.4.3. Het beginsel van de tegenspraak 44 Arrest van het Marktenhof van 12 juni 2019, nr. 2019/AR/741, beschikbaar via de volgende https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-12-juni-2019-van-het-marktenhof.pdf. 45 link: De Geschillenkamer merkt in dit verband op dat toen de Kamer van Beroep van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de GBA gelastte om aanvullende documenten aan de verweerder te verstrekken, zij ook van oordeel was dat een termijn van 15 dagen voldoende was om de verweerder in staat te stellen te concluderen over de documenten (termijn die door de GBA aan de verweerder werd toegekend). Beslissing ten gronde 146/2024 –36 /71 187. De verweerder is van mening dat de GBA, door herhaaldelijk en consequent te weigeren bepaalde door hem opgevraagde documenten te verstrekken, het beginsel van de tegenspraak en de rechten van de verdediging heeft geschonden. De verweerder is van mening dat de GBA herhaaldelijk heeft geweigerd om doorslaggevende elementen in het dossier en in zijn verdediging te verstrekken. 188. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de WOG de samenstelling van het administratieve dossier niet definieert. Dit dossier bestaat uit alle beslissingen en officiële stukken die verband houden met een zaak (beslissingen van de ELD, onderzoeksverslag van de ID, beslissingen van de GK, enz.). De Geschillenkamer heeft Freedelity het volledige administratieve dossier toegezonden toen deze daarom verzocht. 189. De verweerder heeft vervolgens de overlegging geëist van interne documenten van de GBA die traditioneel niet in een administratief dossier voorkomen. De verzoeken van de verweerder zijn herhaaldelijk gewijzigd en werden op verschillende gronden ingediend. 190. Op 2 mei 2023 heeft de Geschillenkamer alle door Freedelity gevraagde aanvullende documenten aan Freedelity verstrekt, voor zover de GBA daarover beschikte. 191. Op 18 juli 2023 heeft de GBA Freedelity nogmaals bepaalde documenten toegezonden naar aanleiding van het advies van de CTB46, namelijk de agenda van de vergadering van het Directiecomité van de GBA van 6 december 2019 en een volledigere versie van het proces-verbaal van die vergadering. 192. Pas op 22 december 2023 heeft Freedelity (bij de rechtbank) via een eerste dagvaarding in kort geding een ruimere toegang gevraagd dan eerder was gevraagd en verkregen. 193. De GBA gaf gevolg aan dit nieuwe verzoek door Freedelity de meest recente stukken uit het administratieve dossier toe te sturen – stukken die overigens allemaal al bekend waren bij Freedelity – aangezien het ging om correspondentie tussen Freedelity en de GBA. 194. De GBA heeft op eigen initiatief op 12 januari 2024 nog aanvullende stukken aan Freedelity toegezonden, die volgens haar relevant konden zijn in het kader van de kritiek die Freedelity wilde uiten op de manier waarop GBA de zaak betreffende Freedelity in behandeling had genomen. 195. Vervolgens zijn Freedelity en de GBA in het kader van de procedure in kort geding overeengekomen dat de GBA bepaalde aanvullende stukken zou verstrekken. 196. Ten slotte heeft de GBA, naar aanleiding van de beschikking van de Kamer van kort geding, aanvullende stukken verstrekt, waaronder voorbereidende stukken, zoals interne communicatie tussen medewerkers van de GBA. 46 De Geschillenkamer herinnert er in dit verband aan dat de adviezen van de CTB geenszins bindend zijn. Zie RvS, 15 november 2002, 111.522, Poncin. Beslissing ten gronde 146/2024 –37 /71 197. Uit de bovenstaande chronologische beschrijving blijkt dat de GBA herhaaldelijk en vrijwillig aanvullende documenten aan de verweerder heeft verstrekt. Zij heeft ook gevolg gegeven aan de beschikking van de Kamer van kort geding toen deze haar opdroeg bepaalde aanvullende documenten te verstrekken. 198. Het feit dat een partij in een zaak om de overlegging van aanvullende documenten bij het administratieve dossier verzoekt, betekent niet dat de Geschillenkamer verplicht is hieraan gevolg te geven zonder de noodzaak van een dergelijke overlegging te kunnen betwisten. 199. Het feit dat de GBA voor bepaalde documenten de noodzaak van overlegging heeft betwist, kan geen schending van het beginsel van tegenspraak en het recht van de verdediging inhouden. De GBA heeft zich terecht verzet tegen de overlegging van bepaalde documenten en zowel de CTB als de Kamer van kort geding hebben Freedelity de toegang tot bepaalde stukken geweigerd. Bovendien konden alle stukken het voorwerp uitmaken van een debat op tegenspraak, met name tijdens de hoorzitting. 200. Wat meer bepaald de beslissing tot opheffing van het mandaat van de voormalige voorzitter van de GBA betreft, verwijst de Geschillenkamer naar de bovenstaande uiteenzettingen (zie de delen 130 -133 en deel II.4.1.3 ). 201. Bovendien stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder uiteindelijk alle documenten heeft kunnen verkrijgen die nodig waren voor zijn verdediging, aangezien hij zijn bezwaren met betrekking tot de rechtmatigheid van de procedure volledig heeft kunnen formuleren. 202. De Geschillenkamer kan in deze zaak geen schending van het beginsel van de tegenspraak en het recht van de verdediging vaststellen. II.4.4. Schendingen van de beginselen van behoorlijk bestuur 203. De verweerder is van mening dat de GBA de “plicht tot fair play", de “zorgplicht” en de motiveringsplicht niet is nagekomen, zonder deze grieven nader te specificeren. 204. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder niet uitlegt wat hij verstaat onder "plicht tot fair play" en "zorgplicht", geen bronnen vermeldt en niet motiveert waarom de GBA de motiveringsplicht niet zou hebben nageleefd. 205. Wat de “plicht tot fair play" en de "zorgplicht" betreft, luiden de grieven van de verweerder als volgt: "De Autoriteit schiet ernstig tekort in haar plicht tot fair play en zorgplicht, die volwaardige beginselen van goed bestuur vormen.” De Geschillenkamer kan alleen maar tot de vaststelling komen dat er geen feitelijke argumenten zijn die de niet-naleving van deze plichten kunnen staven. 206. De Geschillenkamer kan dan ook niet op deze argumenten ingaan en verwijst voor zover nodig naar haar overwegingen hierboven met betrekking tot het beginsel van de tegenspraak en de toegang tot de bovengenoemde dossiers (zie deel II.4.3 ). Beslissing ten gronde 146/2024 –38 /71 207. De Geschillenkamer is van oordeel dat de beginselen van behoorlijk bestuur zijn nageleefd. II.5. Ten gronde II.5.1. Wat betreft de betrokken verwerkingen, de verantwoordelijkheid voor de verwerkingen en de rechtsgronden 1. Wat betreft de betrokken verwerkingen 208. Artikel 4.2 van de AVG definieert verwerking als "een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens". 209. In het onderhavige geval stelt de Geschillenkamer op basis van de door Freedelity aan de Inspectiedienst verstrekte informatie vast dat de volgende gegevensverwerkingen plaatsvinden: 210. Ten eerste, het verzamelen van persoonsgegevens47 :
  13. a)rechtstreeks verstrekt door de klanten door het lezen van de eID-kaart. Het lezen van de eID-kaart kan gebeuren via eID-lezers, via een terminal die bij de klanten van Freedelity is geïnstalleerd, of via elk ander type terminal. Voor personen die geen Belgische eID-kaart hebben of deze niet willen gebruiken, kunnen dezelfde gegevens handmatig worden ingevoerd op het scherm van een terminal of via de website van de partner door de betrokkene zelf of door het personeel van de klanten van Freedelity, op basis van de door de betrokkene verstrekte informatie.
  14. b)door Freedelity: - via zijn platform of zijn MyFreedelity-applicatie, met inbegrip van cookies die zijn geïntegreerd in e-mails en andere digitale interfaces, of - door de gegevens die door de betrokkene zijn verstrekt in het kader van zijn vrijwillige inschrijving in het Freedelity-bestand te registreren. 211. In zijn antwoorden op de vragen van de Inspectiedienst48 geeft Freedelity aan dat de gegevens grotendeels worden verzameld via Freedelity-terminals49 . Een kleiner deel van de gegevens wordt verzameld via een door de klant van Freedelity gemachtigde verkoper 47 Zie pagina 24 van de aanvullende conclusies. 48 Zie pagina 11 van de antwoorden van Freedelity aan de Inspectiedienst op 29 oktober 2020. 49 Freedelity verzamelt de informatie op de eID-kaart alleen via de door hem verspreide terminals en lezers (zie pagina 14 van de antwoorden van Freedelity aan de Inspectiedienst op 29 oktober 2020). Beslissing ten gronde 146/2024 –39 /71 en in zeer zeldzame gevallen worden de gegevens verzameld door het invullen van een onlineformulier. 212. Ten tweede bestaat de mutualisering van persoonsgegevens50 uit het automatisch delen en bijwerken van de informatie van een gemeenschappelijke consument tussen verschillende winkelketens die zich hebben aangemeld voor de Custocentrix-dienst en waarmee de consument een relatie heeft, waarbij wordt gegarandeerd dat degenen die al over zijn gegevens beschikken, toegang hebben tot deze updates als de persoonsgegevens van de consument zijn gewijzigd. Om deze verwerking te begrijpen, is het essentieel om te onthouden dat de meeste elektronische gegevens op de identiteitskaart worden bijgewerkt in geval van wijzigingen in de persoonlijke gegevens 51. Zoals de verweerder in zijn conclusie aangeeft, kan, indien een winkelketen A over recentere informatie beschikt over een consument die ook klant is bij winkelketen B, deze bijgewerkte gegevens door middel van de mutualisering worden doorgegeven aan winkelketen B. Alleen bedrijven die al een commerciële relatie met de consument hebben (d.w.z. dat zij, voordat ze de kaart verstrekken, deze consument in hun databank hebben staan) hebben via deze mutualisering toegang tot de bijgewerkte gegevens. 213. De Geschillenkamer is van mening dat de verwerkingen van het verzamelen en het mutualiseren van gegevens onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, aangezien het verzamelen van gegevens uit de elektronische identiteitskaart tot doel heeft het Freedelity-bestand te voeden, dat een nauwkeurige en voortdurend bijgewerkte databank is. Zoals Freedelity benadrukt52 , "De registratie in het Freedelity-bestand heeft geen andere specifieke doeleinden dan die welke verband houden met het beheer van het Freedelity-bestand. Het gaat om één en dezelfde verwerking. Deze gegevensstromen komen tot ons via de verschillende methoden voor gegevensverzameling en toestemming zoals hierboven beschreven". Deze zullen in de volgende punten gezamenlijk worden onderzocht. 214. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder niet betwist dat hij de in de voorgaande punten beschreven verwerkingen uitvoert. 2. Wat betreft de verantwoordelijkheid voor de verwerkingen 215. Een verwerkingsverantwoordelijke wordt gedefinieerd als "een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van 50 Zie pagina 14 van de aanvullende conclusies van de verweerder. 51 Belgische burgers hebben bijvoorbeeld acht dagen de tijd om hun nieuwe adres door te geven aan de dienst Bevolking van de gemeente waar ze gaan wonen. Dit nieuwe adres wordt door de gemeente geregistreerd op hun elektronische identiteitskaart, ook al staat dit gegeven niet op het officiële (fysieke) document. 52 Zie pagina 3 van de antwoorden van Freedelity aan de Inspectiedienst op 29 oktober 2020. Beslissing ten gronde 146/2024 –40 /71 persoonsgegevens vaststelt " (artikel 4.7 van de AVG) (onderstreping toegevoegd). Het gaat om een autonoom begrip dat eigen is aan de regelgeving inzake gegevensbescherming en dat moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die daarin zijn vastgelegd: het bepalen van de "doeleinden" en de "middelen" van een verwerking bestaat erin te beslissen over het "waarom" (de reden of het doel van de verwerking) en het "hoe" (de wijze waarop dat doel zal worden bereikt) 53 . 216. In sommige gevallen wordt de verantwoordelijkheid als gezamenlijk beschouwd. Om te spreken van gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de verwerking van gegevens, is het noodzakelijk dat twee of meer entiteiten samen deelnemen aan het bepalen van de doeleinden en de middelen van de verwerking. Deze deelname kan tot uiting komen in een gezamenlijk besluit of in convergerende besluiten die elkaar aanvullen en essentieel zijn voor de uitvoering van de verwerking. Een belangrijk criterium is dat de verwerking niet zou kunnen plaatsvinden zonder de bijdrage van elke partij, wat betekent dat de verwerkingen onscheidbaar zijn en onlosmakelijk met elkaar verbonden54 . 217. De Geschillenkamer herinnert eraan dat in geval van gezamenlijke verantwoordelijkheid artikel 26 van de AVG de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken verplicht om door middel van een overeenkomst te waarborgen dat zij de AVG wederzijds naleven. 218. Volgens de richtsnoeren van het EDPB over de begrippen "verwerkingsverantwoordelijke" en "verwerker"55 "Gezamenlijke deelname kan de vorm aannemen van een gezamenlijk besluit van twee of meer entiteiten of het resultaat zijn van convergerende besluiten van twee of meer entiteiten, wanneer de besluiten elkaar aanvullen en noodzakelijk zijn om de verwerking op zodanige wijze te laten plaatsvinden dat zij een tastbaar effect hebben op de vaststelling van het doel en de middelen van de verwerking. Een belangrijk criterium is dat de verwerking niet mogelijk zou zijn zonder de deelname van beide partijen, in die zin dat de verwerking door elke partij onscheidbaar, d.w.z. onlosmakelijk met die van de andere verbonden is. De gezamenlijke deelname moet de vaststelling van het doel enerzijds en de vaststelling van de middelen anderzijds omvatten." (onderstreping toegevoegd) 219. De Geschillenkamer zal achtereenvolgens de situaties van gezamenlijke deelname in het kader van de vaststelling van de doeleinden (
  15. a)en de vaststelling van de middelen (
  16. b)analyseren.
  17. a)Vaststelling van de doeleinden 53 EDPB, Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG (v.2), vastgesteld op 7 juli 2021, (hierna "Richtsnoeren 07/2020"), punt 35. 54 EDPB, Richtsnoeren 07/2020, blz. 3. 55 EDPB, Richtsnoeren 07/2020, blz. 3. Beslissing ten gronde 146/2024 –41 /71 220. Ten eerste stelt de Geschillenkamer vast dat het doel van het verzamelen en mutualiseren van persoonsgegevens het voeden van het gedeelde Freedelity-bestand is om een unieke en actuele identificatie van consumenten mogelijk te maken. 221. Freedelity meent dat het uitsluitend controle heeft over dit doel, aangezien de winkelketens alleen betrokken zijn bij de wijze van verzameling en geen beslissingen nemen over de uiteindelijke doeleinden van de verwerking. In die zin is Freedelity van mening dat gezamenlijke verantwoordelijkheid niet van toepassing is. 222. In tegenstelling tot wat de verweerder beweert, is de Geschillenkamer van mening dat dit doel zowel Freedelity als de winkelketens dient. Dit doel is namelijk noodzakelijk om Freedelity in staat te stellen zijn databank te verrijken en zo winkelketens aan te trekken die geïnteresseerd zijn in een betrouwbare en actuele identificatie van hun klanten. Het is ook onmisbaar voor winkelketens die verwarring tussen hun klanten willen voorkomen en zo de accumulatie van verouderde gegevens willen tegengaan. 223. Het feit dat deze verwerkingen na elkaar plaatsvinden, heeft geen invloed op de kwalificatie van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke. Het Hof van Justitie van de Europese Unie benadrukt dat " het bestaan van een gezamenlijke verantwoordelijkheid zich niet noodzakelijkerwijs uit in een gelijkwaardige verantwoordelijkheid van de verschillende ondernemers die betrokken zijn bij de verwerking van persoonsgegevens. Deze ondernemers kunnen juist in verschillende stadia en in verschillende maten bij deze verwerking betrokken zijn, zodat het niveau van verantwoordelijkheid van elk van hen moet worden beoordeeld in het licht van alle relevante omstandigheden van het geval."56 224. Om elke dubbelzinnigheid weg te nemen, preciseert de Geschillenkamer dat de onderhavige beslissing geen betrekking heeft op de specifieke verwerkingsdoeleinden van de winkelketens (zoals de inschrijving voor loyaliteitsprogramma's voor consumenten, het versturen van digitale facturen enz.), waarvoor Freedelity geen gezamenlijke verantwoordelijkheid draagt. Het is belangrijk om deze specifieke doeleinden van de winkelketens niet te verwarren met het gemeenschappelijke doel in kwestie, namelijk het verzamelen en mutualiseren van gegevens om het Freedelity-bestand bij te werken. Het verwarren van deze verschillende doeleinden, zoals de verweerder doet, leidt tot een verkeerde kwalificatie van de rollen van de partijen. Bovendien betwist de Geschillenkamer evenmin dat wanneer een winkelketen zijn samenwerking met Freedelity beëindigt, Freedelity de enige verwerkingsverantwoordelijke blijft voor toekomstige verwerkingen, ook al zijn de gegevens oorspronkelijk verzameld door de winkelketen die zijn contract met Freedelity heeft opgezegd. 56 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2018, Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein, C 210/16, EU:C:2018:388, punt 43. Beslissing ten gronde 146/2024 –42 /71
  18. b)Vaststelling van de middelen 225. Ten tweede herinnert de Geschillenkamer met betrekking tot de middelen aan de richtsnoeren van het EDPB57 : "Het kan ook zo zijn dat een van de betrokken entiteiten de middelen voor de verwerking levert en deze beschikbaar stelt voor activiteiten op het gebied van de verwerking van persoonsgegevens door andere entiteiten. De entiteit die besluit van die middelen gebruik te maken, zodat persoonsgegevens voor een bepaald doel kunnen worden verwerkt, neemt ook deel aan de vaststelling van de middelen voor de verwerking. Dit scenario kan zich met name voordoen in het geval van platforms, gestandaardiseerde instrumenten of andere infrastructuren die de partijen in staat stellen dezelfde persoonsgegevens te verwerken en die op een bepaalde manier door een van de partijen zijn opgezet om te worden gebruikt door andere partijen, die ook kunnen beslissen hoe ze worden opgezet." 226. In het onderhavige geval worden de middelen voor de verwerking ook gezamenlijk bepaald: de verzameling wordt voornamelijk uitgevoerd door de klanten via apparatuur die door Freedelity wordt geleverd en door de winkelketens wordt aangeboden (met name via terminals). Wat de middelen betreft, centraliseert Freedelity de gegevens in een door het bedrijf ontwikkelde technische infrastructuur, maar het mutualiseren zelf wordt mogelijk gemaakt door de voortdurende bijdragen van de klanten, die regelmatig identiteitsgegevens doorgeven om de informatie te kunnen actualiseren. 227. Bovendien legt Freedelity uit dat de inhoud van de terminal per winkelketen verschilt om rekening te houden met de verschillende klanttrajecten en acties in verband met het verzamelen van persoonsgegevens, alsook met de verwachtingen van zijn klanten wat betreft de inachtneming van hun eigen specifieke kenmerken, met name hun identiteit en hun grafische charters58 . Wat de handmatige formulieren betreft, legt Freedelity uit dat de formulieren van klant tot klant kunnen verschillen (d.w.z. het uiterlijk en de inhoud van de tekst). Voor sommige klanten verzorgt Freedelity zelfs de opmaak namens de klant59 . 228. Met betrekking tot dit laatste punt heeft de Inspectiedienst om aanvullende verduidelijking gevraagd. Freedelity heeft geantwoord: "Het proces is vergelijkbaar met dat van het ontwerp van de formulieren die in de kiosken worden gebruikt wanneer wij worden belast met het opstellen van het formulier. We vinden het wiel niet voor elke klant opnieuw uit, wat verklaart waarom de onderliggende logica vergelijkbaar blijft."60 (vrije vertaling) 57 EDPB, Richtsnoeren 07/2020, punten 64 en 65. 58 Zie pagina 8 van de antwoorden van Freedelity op de vragen die de Inspectiedienst op 29 oktober 2020 heeft gesteld. 59 Zie pagina 9 van de antwoorden van Freedelity op de vragen van de Inspectiedienst van 29 oktober 2020. 60 Zie pagina 15 van de antwoorden van Freedelity op de aanvullende vragen die de Inspectiedienst op 29 oktober 2021 heeft gesteld. Beslissing ten gronde 146/2024 –43 /71 229. In een document dat bestemd is voor winkelketens, onthult Freedelity, na gezamenlijke aansprakelijkheid te hebben uitgesloten, een niet-uitputtende lijst van gevallen waarin een duidelijke samenwerking tussen Freedelity en de winkelketens moet plaatsvinden, wat de analyse van de Geschillenkamer dat het om een geval van gezamenlijke verantwoordelijkheid gaat, nog versterkt.61 Deze niet-uitputtende lijst verwijst onder meer naar: - de validatie van formulieren en processen voor het verzamelen van persoonsgegevens via terminals, kassasystemen of andere digitale interfaces, - het opstellen en verstrekken van folders om consumenten te informeren, - het informeren van consumenten bij het verkrijgen van hun toestemming voor de verwerking van hun gegevens door middel van mondelinge uitleg, ondersteund door de overhandiging van een informatieve folder met uitleg, - het aanbieden van alternatieven voor het scannen van de identiteitskaart om te kunnen profiteren van voordelen of het loyaliteitsprogramma. - de expliciete vermelding van het gebruik van de diensten van Freedelity in de voorwaarden en het privacybeleid, - de validatie van de robuustheid van de verwerking van gegevensstromen tussen de applicaties van klanten en CustoCentrix, - de verplichte en onmiddellijke coördinatie in geval van vastgestelde lekken van persoonsgegevens, - de coördinatie als reactie op verzoeken van bepaalde consumenten om wissing van hun gegevens, - het opzetten van informaticasystemen die de vereiste IT-beveiliging garanderen. 230. Concluderend kan worden gesteld dat, hoewel het verzamelen van gegevens voornamelijk een taak is van de winkelketens en het mutualiseren van gegevens door Freedelity wordt uitgevoerd, deze activiteiten onscheidbaar zijn en onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien het tweede niet mogelijk zou zijn zonder het eerste. Met andere woorden, de mutualisering van gegevens door Freedelity is alleen mogelijk door de samenwerking met de winkelketens bij het verzamelen van identiteitsgegevens. 231. Deze technische infrastructuur, geconfigureerd door Freedelity maar voornamelijk geïntegreerd in de omgeving van de klanten, toont een convergentie van de middelen voor de verwerking en de doeleinden die worden nagestreefd om deze te verwezenlijken. De 61 “Whitepaper” van Freedelity, editie 2020. Beslissing ten gronde 146/2024 –44 /71 Geschillenkamer is, net als de Inspectiedienst, van mening dat het hier gaat om een geval van gezamenlijke verantwoordelijkheid. 232. Freedelity is samen met zijn klanten gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke voor het verzamelen en mutualiseren van identiteitsgegevens. 3. Wat betreft de rechtsgronden voor de verwerking 233. Artikel 5.1.
  19. a)van de AVG vereist dat gegevens op rechtmatige, behoorlijke en transparante wijze worden verwerkt, wat met name inhoudt dat er een rechtsgrond moet worden gewaarborgd voor de uitvoering van de gegevensverwerking. 234. Volgens artikel 6.1 van de AVG kan de verwerkingsverantwoordelijke verschillende rechtsgronden aanvoeren, waaronder toestemming: "De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: 235.
  20. a)de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; 236. [...]". 237. Het verzamelen en mutualiseren van persoonsgegevens moet gebeuren in overeenstemming met het toepasselijke recht, met name artikel 6, § 4, van de wet van 199162 en de AVG. Dit artikel van de wet van 1991 vereist dat vooraf "vrije, specifieke en geïnformeerde" toestemming wordt verkregen voor het elektronisch lezen van de gegevens op de identiteitskaart. De CBPL (voorganger van de GBA) heeft op 25 mei 2011 een aanbeveling63 uitgebracht waarin zij het volgende adviseerde "dat in het kader van een getrouwheidssysteem, de voorafgaande, geïnformeerde, vrije en specifieke toestemming moet worden verkregen van de klant vooraleer zijn elektronische identiteitskaart mag worden gelezen. Er moet aan de klant eveneens een alternatief voor het gebruik van zijn identiteitskaart worden voorgesteld.” (onderstreping toegevoegd) 238. Deze criteria sluiten rechtstreeks aan bij de criteria voor geldige toestemming in de zin van de AVG64 en moeten voldoen aan de voorwaarden voor toestemming van artikel 6.1.
  21. a)van de AVG, zoals bepaald in artikel 4.11 van de A

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.