← België

Beslissing ten gronde nr. 15/2021

1/33 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 15/2021 van 9 februari 2021 Dossiernr. : DOS-2018-06125 Betreft: klacht tegen een NV wegens onvoldoende gevolggeving aan een verzoek om uitoefening van het recht van inzage De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Yves Poullet en Christophe Boeraeve, leden, die de zaak in deze samenstelling in behandeling neemt; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit , hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: - de klager: de heer X, hierna "de klager" - de verwerende partij: de N.V. Y, hierna "de verweerder" 1. Historiek van de procedure Beslissing ten gronde 15/2021 - 2/33 1. Gelet op de klacht van 24 april 2018 die de klager bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) heeft ingediend; 2. Gelet op de beslissing van de Eerstelijnsdienst van 29 september 2018 om de klacht ontvankelijk te verklaren en deze aan de Geschillenkamer over te dragen; 3. Gelet op de doorverwijzing naar de Inspectiedienst per brief van 28 november 2018; 4. Gelet op het verslag en het proces-verbaal van het onderzoek van de inspecteur-generaal, die op 9 juli 2019 aan de Geschillenkamer zijn toegezonden; 5. Gelet op de brief van 25 juli 2019 van de Geschillenkamer waarin deze de partijen in kennis stelt van haar beslissing om het dossier op grond van artikel 98 WOG te beschouwen als klaar voor behandeling ten gronde, en een tijdschema voor de uitwisseling van de conclusies meedeelt; 6. Gelet op de conclusies van de verweerder, ontvangen op 6 september 2019; 7. Gelet op de per e-mail verstuurde opmerkingen van de klager waarin wordt aangegeven dat hij zich van een conclusie onthoudt, ontvangen op 7 oktober 2019; 8. Gelet op de conclusies van antwoord van de verweerder, ontvangen op 5 november 2019; 9. Gelet op de uitnodiging voor de hoorzitting die de Geschillenkamer aan de partijen toezond overeenkomstig artikel 46 van het reglement van interne orde van de GBA en artikel 93 van de WOG, meer bepaald gelet op de verhouding tussen artikel 15.4 van de AVG en overweging 63 van de AVG, alsmede de afweging tussen het recht van inzage en het verkrijgen van gegevens, en de rechten en vrijheden van anderen; 10. Gelet op de voorbereidende nota voor de hoorzitting van de verweerder van 4 september 2020; 11. Gelet op de hoorzitting tijdens de zitting van de Geschillenkamer van 14 september 2020 in aanwezigheid van mevrouw De Ridder, raadsman van de verweerder, in afwezigheid van de klager; 2. Feiten en voorwerp van de klacht 12. De verweerder is actief in de IT-adviessector. De klager trad in juni 2008 als werknemer in dienst bij de verweerder. Hij vervulde later de functie van senior consultant. Vanaf 2015 was de klager regelmatig afwezig. In 2016 wordt hij verkozen tot vertegenwoordiger van de werknemers. 13. In 2017 start de verwerende partij een procedure tegen de klager voor de arbeidsrechtbank, omdat deze informatie op een privéblog zou bekendmaken die door de verwerende partij nog niet officieel Beslissing ten gronde 15/2021 - 3/33 was gemaakt, een praktijk waarmee hij weigerde te stoppen, ondanks het verzoek van de verweerder in die zin. 14. In een arrest van 21 juni 2018 oordeelt het Arbeidshof dat de verweerder de klager niet op ernstige gronden kan ontslaan, waarna de klager op 27 juni 2018 zijn functie bij de verweerder weer opneemt. 15. Op 12 juli 2018 vraagt de klager zijn werkgever, de verweerder, om de uitoefening van zijn recht van inzage en/of kopie van alle over hem geregistreerde persoonsgegevens 1. De klager is van mening dat het antwoord van de verweerder ontoereikend is, en hij dient op 2 oktober 2018 een klacht in. 16. De klager wijst er eveneens op dat de verweerder foto's van de werknemers nam tijdens bedrijfsevenementen en die foto's op het intranet van het bedrijf publiceerde, zonder hiervoor de toestemming van de werknemers te vragen. 17. Op 18 januari 2019 sluiten de partijen een transactieovereenkomst tot beëindiging van de arbeidsverhouding. 3. Het inspectieverslag van 9 juli 2019 18. In een brief van 6 maart 2019 aan de klager, stelt de inspecteur-generaal de klager in kennis van de volgende elementen:  zijn verzoek om inzage en kopie wordt voor de volgende punten niet ingewilligd: o zijn e-mails en IT-logs, omdat artikel 15, punt 4, van de AVG bepaalt dat het recht van inzage geen afbreuk mag doen aan de rechten en vrijheden van anderen, en dat de kopie van al die e-mails en logs buiten de reikwijdte van het recht van inzage valt en haar doeleinde te buiten gaat; o  zijn foto's, aangezien hij daar toegang toe heeft. zijn verzoek om inzage en kopie wordt ingewilligd voor: o de aantekeningen in zijn personeelsdossier en zijn evaluaties. 19. De Inspectiedienst wijst de klager erop dat zijn voormalige werkgever gevolg heeft gegeven aan zijn verzoek om inzage en kopie, en hem heeft laten weten dat hij hem een kopie heeft gegeven van de gegevens waartoe de klager geen toegang heeft en waarvan de voormalige werkgever hem een kopie kan geven. 1 Zie punt 2.1, blz. 14 en 15. Beslissing ten gronde 15/2021 - 4/33 20. Zijn verzoek is niet nauwkeurig genoeg wat betreft het al dan niet gerichte karakter van de foto's van het personeel tijdens bedrijfsevenementen zoals het door de klager in zijn klacht wordt vermeld. 21. De inspecteur-generaal vraagt de klager ten slotte hem verschillende documenten te sturen om zijn klacht te onderbouwen (bewijs van de brief waarin hij de verweerder vraagt zijn rechten uit te oefenen, de daaropvolgende correspondentie met de verweerder, en de privacyverklaring van de verweerder). In zijn onderzoeksverslag van 9 juli 2019 concludeert de inspecteur-generaal : Vaststelling 1 De werkgever heeft gevolg gegeven aan het verzoek om inzage en kopie, en heeft laten weten dat hij de klager een kopie van de gegevens waartoe de klager geen toegang heeft en waarvan de werkgever hem een kopie kan geven, heeft gegeven. Vaststelling 2 De klager heeft de regelgeving inzake gegevensbescherming van werknemers in het kader van hun arbeidsovereenkomst (privacy policy) niet toegezonden, noch heeft hij er zich op beroepen. Op 14 september 2020 worden de partijen door de Geschillenkamer gehoord. Op 12 oktober 2020 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. Op 19 oktober 2020 ontvangt de Geschillenkamer de opmerkingen van de raadsman van de verweerder met betrekking tot het proces-verbaal, die zij beslist bij haar beraadslaging in aanmerking te nemen. 4. MOTIVERING 1. Wat betreft de procedure voor de Gegevensbeschermingsautoriteit, in het bijzonder voor de Geschillenkamer 22. In toepassing van artikel 4, §1, van de WOG, is de Gegevensbeschermingsautoriteit verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, als vervat in de AVG en andere wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens. Beslissing ten gronde 15/2021 - 5/33 23. Overeenkomstig artikel 33, § 1, van de WOG geschillenorgaan van de GBA. 2 is de Geschillenkamer het administratief Zij behandelt de klachten die de Eerstelijnsdienst (ELD) haar overeenkomstig artikel 62.1 van de WOG toezendt, d.w.z. klachten die ontvankelijk zijn indien zij overeenkomstig artikel 60, §2, van de WOG in een van de nationale talen zijn opgesteld, een uiteenzetting van de feiten bevatten en de nodige indicaties voor de identificatie van de verwerking van de persoonsgegevens waarop zij betrekking hebben, en zij tot de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit behoren. 24. Overeenkomstig de artikelen 51 e.v. van de AVG en artikel 4 van de WOG is het de taak van de Geschillenkamer als administratief geschillenorgaan van de GBA om een effectieve controle van de toepassing van de AVG uit te voeren en de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking te beschermen, alsmede het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie te vergemakkelijken. 25. Zoals de Geschillenkamer reeds eerder heeft uiteengezet 3 vinden gegevensverwerkingen plaats in vele sectoren, met name in een professionele context, zoals hier het geval is. 26. Desalniettemin is de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit in het algemeen en van de Geschillenkamer in het bijzonder, beperkt tot de controle op de naleving van de regelgeving die van toepassing is op de gegevensverwerking, ongeacht de sector waarin deze gegevensverwerking plaatsvindt. 27. Het is niet haar taak om de rechtbanken te vervangen bij de uitoefening van hun bevoegdheden, met name op het gebied van het arbeidsrecht. 28. Derhalve, zoals de verweerder trouwens opmerkt in zijn conclusies 4, is de Geschillenkamer niet bevoegd om zich uit te spreken over de naleving van de transactieovereenkomst tussen de partijen die hun contractuele relatie heeft beëindigd. 1.1.- Wat betreft het recht op een eerlijk proces en de procedurele waarborgen in het kader van de procedure van de GBA, en in het bijzonder voor de Geschillenkamer 29. De verweerder wijst op een schending van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, en met name van het beginsel van het strijden met gelijke wapens, het beginsel van 2 Het administratieve karakter van de geschillen voor de Geschillenkamer is bevestigd door het Marktenhof, de beroepsinstantie tegen de beslissingen van de Geschillenkamer. Zie met name het arrest van 12 juni 2019, gepubliceerd op de website van de GBA, evenals beslissing 17/2020 van de Geschillenkamer. 3 Zie beslissing 03/2020 van de Geschillenkamer, en meer in het algemeen de pagina op de website van de GBA i.v.m. de verwerking van persoonsgegevens van werknemers door hun werkgevers, beschikbaar op https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/professioneel/thema-s/privacy-op-de-werkplek/gegevens-vande-werknemers/verwerking-van-persoonsgegevens-van-werknemers-. 4 Beslissing 03/2020, punt 3.14, blz. 16. Beslissing ten gronde 15/2021 - 6/33 hoor en wederhoor, en het recht om te worden gehoord, in de procedure voor de GBA5. Hij voert in dit verband twee argumenten aan. 30. In zijn conclusies beweert de verweerder dat hij "(...) op geen enkel moment door de GBA in de loop van het onderzoek is gecontacteerd om te worden gehoord en zijn versie van de feiten te kunnen geven. Het onderzoek lijkt dus uitsluitend ten laste van de verweerder te zijn gevoerd. De GBA heeft bijgevolg de argumenten van de verweerder in het kader van haar onderzoek niet in aanmerking kunnen nemen. Als de verweerder zou zijn gecontacteerd in het kader van het onderzoek had hij voor de GBA bijkomende noodzakelijke inlichtingen kunnen verstrekken en kunnen helpen om licht op deze zaak te werpen." 31. Het tweede argument dat de verweerder aanvoert bestaat erin dat de klager meer tijd zou hebben gehad om zijn dossier voor te bereiden dan de verweerder. Dit argument zal hieronder in detail worden onderzocht (zie "1.1.1.6.- Wat betreft de grief dat de verweerder over minder tijd dan de klager zou hebben beschikt om zijn argumenten voor te bereiden"). 1.1.1. In rechte 1.1.1.1.- Wat betreft het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht van verdediging, voor de Geschillenkamer 32. De Geschillenkamer neemt er nota van dat de verweerder verwijst naar verschillende bepalingen van de AVG met betrekking tot het recht op een eerlijk proces en de procedurele waarborgen daarvoor. 33. Zijn conclusies verwijzen naar 6artikel 83.87 van de AVG en de overwegingen 1488 en 129. 34. De Geschillenkamer volgt de verweerder met betrekking tot het belang van de toepassing van de procedurele waarborgen voor een eerlijk proces in geschillen die bij haar aanhangig zijn gemaakt. Zij merkt ook op dat de genoemde beginselen voor de Geschillenkamer worden toegepast. Het 5De Geschillenkameer merkt op dat de syntheseconclusies (van 5 november 2019) die door Y zijn neergelegd, licht verschillen van de eerste ontvangen conclusies (van 6 september 2019) over dat onderwerp. In de eerste conclusies staat: "Het recht op verdediging en het recht op een eerlijk proces, dat door Y moet worden gewaarborgd, zijn derhalve geschonden", terwijl in de syntheseconclusies staat: "Het recht op verdediging en het recht op een eerlijk proces, dat door Y moet worden gewaarborgd, zijn derhalve in de beginstadia van de zaak geschonden" (wij onderstrepen). Deze precisering is niet onbelangrijk, zoals hierna duidelijk zal worden. 6 Punten 3.1 en 3.2, blz 12-13. 7"De uitoefening door de toezichthoudende autoriteit van haar bevoegdheden uit hoofde van dit artikel is onderworpen aan passende procedurele waarborgen overeenkomstig het Unierecht en het lidstatelijke recht, waaronder een doeltreffende voorziening in rechte en eerlijke rechtsbedeling." (wij onderstrepen) 8"Het opleggen van straffen, met inbegrip van administratieve geldboeten, moet onderworpen zijn aan passende procedurele waarborgen overeenkomstig de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest, waaronder een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijke rechtsbedeling. " (wij onderstrepen) Beslissing ten gronde 15/2021 - 7/33 beginsel van hoor en wederhoor, het beginsel van het strijden met gelijke wapens, en het recht om te worden gehoord, worden voor de Geschillenkamer immers nauwgezet nageleefd. 35. De partijen hebben vanaf het begin van de geschillenprocedure toegang tot alle stukken van het dossier (toegang waarop hen is gewezen in de brief met het verzoek om conclusies in te dienen, op 25 juli 2019 door de Geschillenkamer aan de partijen verstuurd). 36. Ook zijn de partijen in diezelfde brief met verzoek tot conclusies in kennis gesteld van hun recht om te worden gehoord. 37. De verweerder heeft de Geschillenkamer trouwens uit eigen initiatief laten weten dat hij niet gehoord wenste te worden, tenzij de Kamer dat nuttig zou achten. 9 38. Om te vermijden dat er een gebrek aan informatie over bepaalde aspecten van het geschil zou zijn, heeft de Kamer in deze zaak overigens gebruik gemaakt van het recht om de partijen op eigen initiatief bijeen te roepen ter hoorzitting van 14 september 2020. Het recht om te worden gehoord is bijgevolg wel degelijk geëerbiedigd. 39. Voor zover de partijen in het kader van de geschillenprocedure voor de Geschillenkamer over een gelijke termijn om conclusies neer te leggen en te antwoorden beschikken, zij allen toegang tot de dossierstukken hebben, en zij op gelijke wijze hun recht om te worden gehoord kunnen laten gelden, kan niet worden geconcludeerd dat de verweerder zich in een situatie van "duidelijk nadeel" ten aanzien van de klager bevindt.10 40. De verweerder kan niet worden gevolgd in zijn argumentatie dat het beginsel van hoor en wederhoor, het beginsel van het strijden met gelijke wapens, en het recht om te worden gehoord voor de Geschilllenkamer, niet worden geëerbiedigd. 41. De klacht dat de procedure voor de GBA, en meer bepaald voor de Geschillenkamer, het recht op een eerlijk proces schendt, wordt derhalve verworpen. 1.1.1.2.- Bijkomende overwegingen met betrekking tot de naleving van het recht op een eerlijk proces door de Geschillenkamer 42. Het Marktenhof heeft overigens reeds geoordeeld dat de burger over een afdoend rechtsmiddel tegen beslissingen van bestuurlijke organen beschikt, omdat hij beroep kan aantekenen bij het Marktenhof11. 9 Zie de brief van de raadsman van de verweerder van 13 november 2019. 10 Punt 3.2, blz. 13 van de conclusies van de verweerder. 11 “De wetgever heeft de burger een afdoend rechtmiddel tegen de handelswijze van bestuurlijke organen (te dezen de GBA) gegeven door precies een verhaal voor de Marktenhof te voorzien”, Hof van Beroep Brussel, sectie Marktenhof, 19de kamer A, kamer voor marktenzaken, 2019/AR/741, 12 juni 2019, p9. Beslissing ten gronde 15/2021 - 8/33 43. Het Hof heeft eraan toegevoegd dat een gebrek aan onpartijdigheid van een bestuurlijk orgaan niet noodzakelijk een schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens (hierna "EVRM") betekent, indien een rechtscollege met volle rechtsmacht dat zelf de waarborgen van artikel 6.1 EVRM biedt, de genoemde beslissing kan toetsen. 44. Volgens het Hof heeft een schending van het onpartijdigheidsbeginsel van een overheid in een voorafgaande fase niet noodzakelijk een schending van het recht op een eerlijk proces tot gevolg indien die schending in een latere fase kan worden rechtgezet. 45. Door beroep aan te tekenen bij een instantie die voldoet aan de waarborgen van artikel 6 EVRM worden dergelijke rechtzettingen mogelijk gemaakt 12 . 46. Specifiek met betrekking tot de Geschillenkamer van de GBA, heeft het Marktenhof onlangs beslist: « […] dan nog is deze rechtsbescherming door het rechtssubject slechts wettelijk afdwingbaar voor een rechter (die deel uitmaakt) van de rechterlijke macht [...]. De wettelijke mogelijkheid om beroep/verhaal in te stellen bij het Marktenhof strekt ertoe aan de rechtzoekende de waarborg te verlenen van artikel 6.1 EVRM en meer in het bijzonder van het verhaal voorzien in artikel 47 HGEU [Handvest van de grondrechten van de Europese Unie]. » 13 (de Geschillenkamer onderstreept). Vrije vertaling: « […] cette protection juridique par la personne concernée n'est juridiquement applicable que par un juge (qui fait partie) du pouvoir judiciaire [...]. La possibilité légale d'introduire un recours devant la Cour des Marchés vise à offrir au justiciable la garantie de l'article 6.1 CEDH et, plus particulièrement, du recours prévu à l'article 47 CDUE . » 47. Bijgevolg, in het geval van een gebrek aan onpartijdigheid bij de Geschillenkamer, wat hier niet zo is, en voor zover het Marktenhof met volle rechtsmacht de beslissingen van de Kamer toetst, kan niet feitelijk worden geconcludeerd dat het recht op een eerlijk proces is geschonden. 1.1.1.3.- Bijkomende overwegingen met betrekking tot de reikwijdte van het recht van verdediging en het beginsel van hoor en wederhoor “Een gebrek aan objectieve of structurele onpartijdigheid door een administratieve overheid houdt niet noodzakelijk een schending van artikel 6.1 EVRM in indien de beslissing van die overheid vervolgens kan worden getoetst door een rechtscollege met volle rechtsmacht dat zelfs alle waarborgen van artikel 6.1 biedt. Een schending van het onpartijdigheidsbeginsel in een eerdere fase leidt bijgevolg niet noodzakelijk tot een miskenning van het recht op een eerlijk proces indien deze schending nog kan worden rechtgezet in een latere fase. Het organiseren van een beroep door een instantie die voldoet aan alle waarborgen van artikel 6 EVRM strekt ertoe om dergelijke rechtzettingen mogelijk te maken”, Marktenhof, 2019/AR/741, 12 juni 2019, p10 12 13 Marktenhof. 2 september 2020, 2020/AR/329. Beslissing ten gronde 15/2021 - 9/33 48. Ten overvloede kunnen twee bijkomende opmerkingen worden gemaakt betreffende de reikwijdte van het recht van verdediging en het beginsel van hoor en wederhoor. 49. Als zou worden geconcludeerd dat het onderzoek zoals het door de Inspectiedienst (ID) is gevoerd (als GBA-orgaan dat zijn taak onafhankelijk van de Geschillenkamer uitvoert), niet beantwoordt aan de vereisten van een eerlijk proces, aangezien de ID tijdens het onderzoek een partij niet zou hebben gecontacteerd, zoals hierboven is aangegeven, moet eraan worden herinnerd dat de ID geen sanctionerende bevoegheid heeft. Zijn rol beperkt zich tot het doen van vaststellingen en het aan de Geschillenkamer overmaken daarvan door middel van zijn verslag. 50. Overigens en primair, maakt het recht van verdediging, waaronder het recht om te worden gehoord, deel uit van de grondrechten die de rechtsorde van de Unie uitmaken en die zijn verankerd in het Handvest14, en blijft het een feit dat, zoals uitgelegd door het HvJ-EU, het recht om te worden gehoord niet absoluut is en een eventuele beperking van dat recht in het algemene belang mogelijk is. Deze beoordeling moet in concreto worden gemaakt: "Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld dat de grondrechten, waaronder de eerbiediging van het recht van verdediging, geen absolute gelding hebben, maar beperkingen kunnen bevatten, mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast [...]. 34. Of sprake is van schending van het recht van verdediging moet bovendien worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van elk geval [...].15 » Meer specifiek met betrekking tot het recht op inzage van documenten en de eerbiediging van het beginsel van hoor en wederhoor, heeft het HvJ-Eu reeds aangegeven: "71. Dat een document niet is meegedeeld, levert slechts een schending van het recht van verdediging op wanneer de betrokken onderneming aantoont dat de Commissie dat document heeft gebruikt om haar punt van bezwaar betreffende het bestaan van een inbreuk te staven [...] en dit punt van bezwaar alleen met dat document kan worden bewezen [...]. 73. De betrokken onderneming dient dus aan te tonen dat de Commissie in haar beschikking tot een ander resultaat zou zijn gekomen indien een niet-meegedeeld document op grond waarvan de Commissie deze onderneming heeft beschuldigd, als belastend bewijsmiddel zou zijn uitgesloten. 14 Zie in die zin HvJ-EU, 18 julie 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, ECLI:EU:C:2013:518, punten 98 en 99. 15 HvJ-EU, 10 september 2013, C-383/13 PPU, zaak G. en R., ECLI:EU:C:2013:533, punten 33 e.v. Beslissing ten gronde 15/2021 - 10/33 74. Wat de niet-mededeling van een ontlastend document betreft, behoeft de betrokken onderneming daarentegen enkel aan te tonen dat de niet-overlegging daarvan het verloop van de procedure en de inhoud van de beschikking van de Commissie ten nadele van deze onderneming heeft kunnen beïnvloeden [...] » 16 51. De redenering van het Hof kan naar analogie op de onderhavige zaak worden toegepast. De Inspectiedienst is vrij om de partijen al dan niet te contacteren, en beslist hier autonoom over. In dit geval en zoals reeds hierboven is aangegeven, is het verslag van de Inspectiedienst trouwens volledig gunstig voor de verweerder. Deze ondervindt dus geenszins gevolgen van het feit dat de Inspectiedienst hem niet heeft gecontacteerd in het kader van zijn onderzoek. 1.1.1.4.- Wat betreft de autonomie van de Geschillenkamer ten opzichte van de andere organen van de GBA, met inbegrip van de Inspectiedienst 52. Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat de verweerder de rol en de prerogatieven van de Geschillenkamer lijkt te verwarren met die van de andere organen van de GBA. 53. Zoals hierboven vermeld, in toepassing van artikel 33, §1 van de WOG, is de Geschillenkamer het administratief geschillenorgaan van de GBA. Uit de bepalingen inzake de procedure voor de Geschillenkamer (zie artikel 92 t.e.m. 100 WOG) kan geenszins worden opgemaakt dat de Geschillenkamer gebonden zou zijn aan de vaststellingen van de ID. Bijgevolg is de Geschillenkamer geenszins gebonden aan de vaststellingen van de ID. 54. In het licht van het feit dat, zoals hierboven vermeld, de procedurele waarborgen verbonden aan het recht op een eerlijk proces in het kader van de procedure voor de Geschillenkamer worden geëerbiedigd, bevestigt deze vaststelling (van de autonomie van de Geschillenkamer ten opzichte van de ID) de hierboven genoemde redenering van de Geschillenkamer achter het verwerpen van de grief van de verweerder dat de procedure voor de Geschillenkamer het recht op een eerlijk proces zou schenden. 1.1.1.5.- Wat betreft het wettelijk kader van de door de Inspectiedienst verrichte onderzoeken 55. Ten overvloede moet eraan worden herinnerd dat de ID mag overgaan tot een onderzoek, een hoorzitting, en de informatie mag verzamelen die hij nuttig 17 acht, en niet onderworpen is aan een algemene verplichting om te horen, in het bijzonder gelet op het feit dat zijn tussenkomst in 16 HvJ-EU, 7 januari 2004, Aalborg Portland A/S e.a.tegen Commissie, zaak C-204/00, ECLI:EU:C:2004:6. 17 Zie artikelen 72 en 76 WOG "De inspecteur-generaal en de inspecteurs kunnen schriftelijk alle nuttige informatie opvragen bij personen die zij noodzakelijk achten. De inspecteur-generaal en de inspecteurs bepalen de termijn binnen dewelke het antwoord op een verzoek om informatie moet worden gegeven en kunnen te allen tijde aanvullende informatie vragen." (wij onderstrepen) Beslissing ten gronde 15/2021 - 11/33 de procedure erin bestaat vaststellingen te doen en dat hij geen bevoegheid heeft om een partij te sanctioneren. 56. In de onderhavige zaak, door zich te baseren op de door de klager ingediende documenten en de verweerder tijdens het onderzoek niet te contacteren, is de ID dus binnen het kader van de verplichte wettelijke voorschriften gebleven. 57. Een soortgelijke redenering is reeds gevoerd door het Marktenhof in een zaak waar de klager de Geschillenkamer verweet een conclusiekalender te hebben vooropgesteld, zonder voorafgaande neerlegging van bewijsstukken door de partijen. Het Hof oordeelde dat geen enkele wettelijke bepaling een dergelijke verplichting oplegt. 58. Het voegde er overigens aan toe dat voor zover de klager over de mogelijkheid beschikte om dat argument te laten gelden in het kader van zijn conclusies, niet kan worden geconcludeerd dat de procedure voor de Geschillenkamer onwettig is 18. 1.1.1.6.- Wat betreft de grief dat de verweerder over minder tijd dan de klager zou hebben beschikt om zijn argumenten voor te bereiden 59. De verweerder wijst op de wanverhouding tussen de manier waarop de klager en hijzelf behandeld zijn in het kader van het onderzoek, in de zin dat "de GBA en [de klager] over bijna 10 maanden beschikten om hun dossier samen te stellen en hun argumenten voor te bereiden in het kader van de behandeling ten gronde van het onderhavige dossier. De verweerder vernam daarentegen pas per brief van 25 juli 2019 dat een klacht over de -zogenaamde- onsuccesvolle uitoefening door een van zijn werknemers van zijn recht van inzage, klaar was voor behandeling ten gronde." 60. De Geschillenkamer leidt de eigenlijke geschillenprocedure in door de partijen een uitnodiging te sturen om conclusies neer te leggen, naar aanleiding van het indienen door de ID van zijn verslag (in het geval een dergelijk verslag door de Geschillenkamer is gevraagd of op eigen initiatief door de ID is opgesteld). 61. Die uitnodiging, verstuurd naar de klager en naar de verwerende partij op 27 juli 2019, stelde de conclusietermijn voor de verweerder vast op 6 september 2019. De verweerder beschikte dus over 6 weken (en niet minder dan een maand zoals vermeld in de conclusies van de verweerder). 62. Vervolgens werd een termijn van een maand (6 oktober 2019) aan de klager gegeven om zijn conclusie van antwoord in te dienen, gevolgd door een nieuwe termijn van een maand voor de conclusie van repliek van de verweerder. 63. Een termijn van 30 dagen is een standaardtermijn, met name bij een administratieve procedure. De aan de partijen toegestane termijnen voor het indienen van het verzoekschrift en tussen de verschillende conclusies voor de Raad van State (uitgezonderd administratief kort geding) 18 Zie Marktenhof, 2019/AR/741, 12 juni 2019, blz. 12, gepubliceerd op de website van de GBA. Beslissing ten gronde 15/2021 - 12/33 bedragen 30 dagen19. De Gechillenkamer is op geen enkele wijze verplicht zich aan een termijn van 30 dagen te houden - met name wanneer dat niet nodig is -, en kan enkel vaststellen dat de verweerder dus een langere termijn dan de standaardtermijn heeft gekregen. De klager kreeg vervolgens een termijn van 30 dagen om te antwoorden op de verweerder, waarna deze opnieuw over 30 dagen beschikte voor zijn conclusie van repliek. 64. Wat betreft het argument dat de brief waarin de partijen (waaronder de verweerder) worden verzocht om conclusies op te stellen geen ontwikkelingen ten gronde van de klacht bevat, wijst de Geschillenkamer erop dat diezelfde brief de partijen informeert over de mogelijkheid om het administratieve dossier te raadplegen, waarin de klacht is opgenomen. De verweerder heeft trouwens gebruik gemaakt van die mogelijkheid vanaf 1 augustus 2019, en het volledige dossier is hem op 5 augustus ter beschikking gesteld. 65. Het Marktenhof heeft reeds geoordeeld dat een conclusiekalender waarbij de partijen over een maand beschikken, en de verweerder het laatste recht op conclusie krijgt, overeenkomstig het recht van verdediging is. Deze grief is dus ongegrond. 1.2.- Wat betreft het argument van de verweerder dat de klacht ongerechtvaardigd zou zijn 66. De verwerende partij verwijt de klager het "misbruiken van het recht om een klacht in te dienen" 20. 67. De verweerder is van mening dat voor zover de klager drie klachten tegen hem heeft ingediend, in een periode die gelijk loopt met de periode waarin de besprekingen van de financiële modaliteiten van de transactie tussen de twee partijen plaatsvonden, de klager druk probeerde uit te oefenen op de verweerder. 68. Hij stelt dat de klacht "duidelijk ongerechtvaardigd" was 21. Die omstandigheid kan door de Geschillenkamer niet in aanmerking worden genomen, aangezien de klager vrij is op elk moment toegang te krijgen tot zijn persoonsgegevens. 69. Het recht om een klacht in te dienen wordt gewaarborgd door artikel 77 van de AVG en maakt deel uit van de grondrechten van de gegevensbescherming. Per definitie kan de uitoefening door een burger van dat recht niet "ongerechtvaardigd" worden genoemd. Deze grief wordt verworpen. 2. Wat betreft de motivering van de beslissing 19 Zie koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, artikelen 3, 13 en 14. 20 Zie conclusies van Y blz. 14, punten 3.7 en 3.8. 21 Ibid. Beslissing ten gronde 15/2021 - 13/33 2.1. Over het ingebreke blijven van de verweerder ten aanzien van zijn verplichting gevolg te geven aan de uitoefening van het recht van inzage van de klager 70. Als verwerkingsverantwoordelijke is de verweerder verplicht de gegevensbeschermingsbeginselen in acht te nemen en moet hij kunnen aantonen dat deze beginselen worden nageleefd. Bovendien moet hij daarvoor alle nodige maatregelen treffen (verantwoordingsplicht - artikelen 5.2 en 24 van de AVG). 71. Om te beginnen herinnert de Geschillenkamer eraan dat het recht van inzage een van de belangrijkste vereisten is van het recht op gegevensbescherming, het is de "toegangspoort" die de uitoefening mogelijk maakt van andere rechten die de AVG aan de betrokkene toekent, zoals het recht op rectificatie, het recht van inzage. 22 72. Volgens artikel 15.1 van de AVG heeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens. Indien dat het geval is, heeft de betrokkene het recht om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van informatie die in artikel 15.1

  1. a)-
  2. h)wordt vermeld, zoals het doeleinde van de verwerking van de gegevens en de eventuele ontvangers van de gegevens, evenals informatie over het bestaan van zijn rechten, waaronder het recht om rectificatie of wissing van zijn gegevens te vragen, of om een klacht bij de GBA in te dienen. 73. Krachtens artikel 15.3 van de AVG heeft de betrokkene bovendien het recht om een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die het voorwerp van de verwerking uitmaken. Artikel 15.4 van de AVG bepaalt dat het recht om een kopie te verkrijgen geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen mag doen. 74. Artikel 12 van de AVG over de wijze waarop de betrokkenen hun rechten kunnen uitoefenen, bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke de uitoefening van die rechten door de betrokkene (artikel 12.2 van de AVG) moet faciliteren, en hem onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek informatie moet geven over de maatregelen die naar aanleiding van zijn verzoek zijn genomen (artikel 12.3 van de AVG). Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke niet van plan is aan het verzoek te voldoen, moet hij zijn weigering binnen een maand meedelen, en de betrokkene informeren over de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen die weigering bij de toezichthoudende autoriteit voor gegevensbescherming (12.4 van de AVG). 75. De klager vroeg de verweerder hem alle geregistreerde persoonsgegevens over hem mee te delen, en gaf aan dat hij in het bijzonder informatie wenste over de redenen, doeleinden, 22 Zie met name beslissing 41/2020, punt 47, en meer in het algemeen de informatie over het recht van inzage op de website van de GBA, beschikbaar https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/professioneel/avg/rechten-van-de-burgers/het-recht-vaninzage. op Beslissing ten gronde 15/2021 - 14/33 bewaartermijnen enzovoort voor ieder bewaard persoonsgegeven. Hij maakte ook duidelijk dat zijn verzoek betrekking had op inzage en kopie van zijn persoonsgegevens, namelijk:      alle evaluaties die op hem betrekking hebben; alle foto's waarop hij zou kunnen worden geïdentificeerd; een kopie van de e-mails in zijn mailbox; elke notitie, aantekening, opmerking die deel uitmaakt van zijn personeelsdossier; de hem betreffende IT-logs. 76. De klager wijst er eveneens op dat de verweerder foto's van de werknemers nam tijdens bedrijfsevenementen en die foto's op het intranet van het bedrijf publiceerde, zonder hiervoor de toestemming van de werknemers te vragen. 77. Op 19 september 2018 stuurt de verweerder de klager het volgende:     een overzicht van zijn persoonsgegevens, met inbegrip van de doeleinden van de verwerking en de ontvangers van de gegevens; de inhoud van de persoonsgegevens over hem die door de verweerder worden verwerkt; cv's die hem betreffen; zijn door de verweerder geregistreerde pasfoto's. 78. Op 24 september 2018 informeert de klager de verweerder dat hij zijn antwoord onvolledig vindt, in de zin dat hem bepaalde gegevens niet zijn meegedeeld, en maant hij hem aan hem die andere gegevens uiterlijk 1 oktober 2018 mee te delen. De klager benoemt de gegevens waarvan hij vindt dat ze ontbreken als volgt:      de e-mails (waarin hij hetzij ontvanger hetzij afzender is); de foto's waarop hij geïdentificeerd kan worden; zijn evaluaties; de hem betreffende IT-logs; de aantekeningen of opmerkingen die deel uitmaken van zijn personeelsdossier. 79. Op 2 oktober 2018 antwoordt de verweerder de klager: "Een kopie van alle persoonsgegevens waartoe jij geen toegang hebt en waarvan we je een kopie moeten geven, is naar jou verstuurd. Dit punt is dus wat ons betreft afgesloten. ». 80. De verweerder betwist niet dat hij heeft geweigerd gevolg te geven aan het verzoek om inzage zoals door de klager in zijn e-mail van 24 september 2018 is gepreciseerd. 81. De Geschillenkamer zal in de hierna volgende paragrafen onderzoeken of die weigering in overeenstemming is met het recht op gegevensbescherming en privacy van de verweerder. 2.2. Wat betreft de door de verweerder ingeroepen belemmeringen voor het uitoefenen van het recht van inzage en kopie van de klager zoals deze het in zijn brief van 24 september heeft gepreciseerd. 82. De verweerder haalt verschillende belemmeringen aan voor het uitoefenen van het recht op inzage van de klager zoals deze het in zijn brief van 24 september 2018 heeft gepreciseerd. Die Beslissing ten gronde 15/2021 - 15/33 belemmeringen worden hieronder onderzocht per categorie van persoonsgegevens waarvan de klager inzage en/of kopie heeft gevraagd. 2.2.1.- Wat betreft de weigering van het recht op inzage van de aantekeningen en opmerkingen in het personeelsdossier van de klager 2.2.1.1. Het standpunt van de verweerder 83. De verweerder baseert zich in de eerste plaats op artikel 15.4 van de AVG, en meent dat de inzage van de klager van die gegevens een inbreuk zou vormen op de bescherming van de persoonsgegevens van de voormalige leidinggevenden en de personeelsverantwoordelijke van de klager die auteur zijn van die aantekeningen en opmerkingen. In zijn syntheseconclusies van 5 november 2019 voegt hij daar bovendien aan toe: "(de verweerder) bevestigt overigens dat de aantekeningen in kwestie hoe dan ook uit het personeelsregister zijn verwijderd. (de verweerder) kan die aantekeningen dus niet meedelen »23. 2.2.1.2. Standpunt van de Geschillenkamer a- Arrest Novak 84. Voor zover niet wordt tegengesproken noch in twijfel getrokken dat aantekeningen over de evaluatie van een werknemer persoonsgegevens zijn, is de AVG van toepassing. 85. De Geschillenkamer herinnert er in dat verband aan dat het begrip "persoonsgegevens" alle soorten informatie omvat: privé (intieme), openbare, professionele of commerciële informatie, objectieve of subjectieve informatie. 86. In het arrest Nowak24 stelt het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk dat het begrip "persoonsgegevens" zowel gegevens omvat die voortvloeien uit objectieve, verifieerbare en betwistbare elementen als subjectieve gegevens die een evaluatie of een oordeel over de betrokkene bevatten. 87. Dit is bijvoorbeeld het geval bij examenaantekeningen die de mening van de examinator of de beoordeling van de individuele prestaties van een kandidaat of de evaluatiegegevens van een werknemer weergeven, ongeacht of deze beoordeling wordt uitgedrukt in de vorm van punten, een waardeschaal of door het gebruik van andere evaluatieparameters.25 23 Punt 4.30 blz. 22 syntheseconclusies. 24 Arrest van HvJ-EU, 20 december 2017, C-434/16, Nowak, ECLI:EU:C:2017:994. 25 Ibid., punt 27. Beslissing ten gronde 15/2021 - 16/33 88. Naast het specifieke geval van het arrest Nowak (d.w.z. toegang tot een examen) heeft het arrest betrekking op elk advies of elke beoordeling betreffende de persoon in kwestie. 26 b- Definitie en reikwijdte van het recht van inzage 89. De Geschillenkamer herinnert eraan dat artikel 15.4 van de AVG het recht om een kopie 27 te verkrijgen beperkt met de volgende bewoordingen: "Het recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen". Overweging 63 van de AVG formuleert uitdrukkelijk in dat verband: "dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt. Die overwegingen mogen echter niet ertoe leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden (...). " (wij onderstrepen) 90. Met andere woorden de afweging tussen het recht om een kopie te verkrijgen en de rechten en vrijheden van anderen, mag er niet toe leiden dat geen enkele informatie aan de betrokkene wordt meegedeeld. 91. In zijn arrest YS tegen Minister voor Immigratie van 17 juli 2014, benadrukt het HvJ-EU28 de reikwijdte van het recht op inzage door te verwijzen naar de bescherming van het fundamentele recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, en de feitelijke bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkene. 92. Het Hof specificeert het recht op inzage als beperkt tot de eigen persoonsgegevens van de betrokkene. Het staat geen toegang toe tot informatie die met die gegevens samenhangt. De gegevens die in documenten voorkomen vormen immers persoonsgegevens (bijvoorbeeld naam, voornaam en professioneel mailadres), maar ten aanzien van de AVG is het document dat die gegevens draagt geen persoonsgegeven29. 93. Het HvJ-EU merkt op (punten 57-58) : "Hoewel richtlijn 95/46 de lidstaten aldus verplicht te waarborgen dat iedere betrokkene van de voor de verwerking van persoonsgegevens verantwoordelijke verstrekking kan verkrijgen van alle hem betreffende gegevens van deze aard die deze verantwoordelijke verwerkt, laat zij het aan de lidstaten over om te bepalen welke concrete materiële vorm die verstrekking moet krijgen, mits deze „begrijpelijk” is. Dat wil zeggen dat de betrokkene daardoor in staat wordt gesteld kennis te nemen van die gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in 26 Ibid., punt 24. 27 De beperking slaat niet op lid 1 van artikel 15, d.w.z. het recht van inzage. HvJ-EU, YS tegen Minister voor immigratie, ECLI:EU:C:2014:2081, punt 44. 28 17-7-2014, gevoegde zaken C-141/12 en C-372/12, Legris, L., Chenaoui, H., « 13. - Le DPO et le droit d’accès » in Le Data Protection Officer, Bruxelles, Bruylant, 2020, p. 166. 29 Beslissing ten gronde 15/2021 - 17/33 overeenstemming met deze richtlijn, opdat die betrokkene eventueel de hem verleende rechten kan uitoefenen [...]). Voor zover aan de met dat recht op inzage nagestreefde doelstelling volledig kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking, kan de betrokkene dus noch aan artikel 12, sub a, van richtlijn 95/46 noch aan artikel 8, lid 2, van het Handvest het recht ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin die gegevens staan. Teneinde de betrokkene geen toegang te geven tot andere informatie dan de hem betreffende persoonsgegevens, kan hij een afschrift krijgen van het originele document of bestand waarin die andere informatie onleesbaar is gemaakt." (wij onderstrepen). 94. De Geschillenkamer is van mening dat overeenkomstig de uitlegging van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de bovengenoemde arresten 30, artikel 15.3 niet vereist dat een kopie van het orginele document aan de betrokkene wordt verstrekt. 95. Artikel 15.3 vereist van de verwerkingsverantwoordelijke dat hij een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt aan de betrokkene verstrekt. Dat recht op het verkrijgen van een kopie van de gegevens slaat niet op het recht voor een betrokkene om een afschrift van het originele document dat de gegevens bevat, aangezien in sommige gevallen de mededeling van dat document afbreuk kan doen aan de rechten en vrijheden van anderen (zie hierboven vermeld artikel 15.4). 96. Dit is ook het standpunt van het Italiaanse Hof van Cassatie in een arrest van 14 december 2018, waarin het Hof van oordeel is dat het recht op toegang van een werknemer tot zijn evaluatiedocumenten hem niet mag worden onthouden om redenen dat die evaluaties ook persoonsgegevens in verband met derden zouden bevatten31. 97. Dat is overigens ook het standpunt dat de Franse Nationale Commissie voor informatica en vrijheid (CNIL) verdedigt. Zij herinnert er immers aan dat het feit dat persoonsgegevens in verband met derden onherkenbaar worden gemaakt voordat de uitoefening van het recht van toegang aan de betrokkene wordt toegestaan, overeenkomstig de vereiste van artikel 15.4 om geen afbreuk aan de rechten van derden te doen, is32. 98. In het onderhavige geval is de Geschillenkamer van mening dat het argument van de verweerder dat het recht van inzage afbreuk zou doen aan de gegevensbescherming en de privacy van de 30 C. Docksey en H. Hijmans, The Court of Justice as a Key Player in Privacy and Data Protection, European Data Protection Law Review, 3/2019, blz. 304. 31 Corte Suprema Di Cassazione, 14 december 2018, nr. 17153/2014, in FOCQUET, A. en DECLERCK, E., Gegevensbescherming in de praktijk, Intersentia, Antwerpen, 2019, 93. 32 Legris, L., Chenaoui, H., « 13. - Le DPO et le droit d’accès » in Le Data Protection Officer, Bruxelles, Bruylant, 2020, p. 173. Beslissing ten gronde 15/2021 - 18/33 voormalige leidinggevenden en de personeelsverantwoordelijke die auteur zijn van de aantekeningen in het personeelsdossier van de klager, niet in aanmerking kan worden genomen. Het was de verweerder immers toegestaan de klager, als antwoord op zijn verzoek, de hem betreffende gegevens mee te delen door de naam en elk persoonsgegeven van de auteurs van die aantekeningen te anonimiseren. c- Conclusie wat betreft het recht op inzage van de klager van de evaluaties in zijn personeelsdossier 99. Voor zover de rechtspraak van het HvJ-EU leert dat het feit dat persoonsgegevens in verband met derden onleesbaar worden gemaakt voordat de betrokkene zijn recht op inzage mag uitoefenen, strookt met de vereiste van artikel 15.4 geen afbreuk aan de rechten van derden te doen, en voor zover in het Belgisch recht geen wetgevende bepaling bestaat die een beperking inhoudt van het recht van een werknemer op inzage van hem betreffende persoonsgegevens die door zijn (ex)werkgever33 worden verwerkt, wordt het argument van de verweerder dat de inzage door de klager van zijn gegevens een inbreuk zou vormen op de bescherming van de persoonsgegevens van de voormalige leidinggevenden en de personeelsverantwoordelijke van de klager die auteur zijn van die aantekeningen of opmerkingen, verworpen. 100. Door te weigeren gevolg te geven aan het verzoek van de klager om inzage van de aantekeningen in zijn personeelsdossier, heeft de verweerder derhalve de artikelen 15.1 en 3 overtreden. e- Herinnering aan het beginsel van de verantwoordingsplicht 101. De Geschillenkamer onderstreept overigens dat in uitvoering van het beginsel van de verantwoordingsplicht (artikelen 5.2 en 24 van de AVG), het aan de verwerkingsverantwoordelijke is om de interne procedures te ontwikkelen om de daadwerkelijke uitoefening van hun rechten door de betrokkenen mogelijk te maken. Het komt eveneens op hem neer, in toepassing van artikel 25 van de AVG, om de naleving van de regels van de AVG voorafgaand in zijn handelingen en procedures op te nemen. 102. Bij gebreke hiervan zou het voor een verwerkingsverantwoordelijke volstaan zich zonder verdere overweging te beroepen op het auteursrecht, wat artikel 15 van de AVG niet toestaat. 103. Voor zover notities die door een werkgever (of kaderleden of leden van de personeelsdienst) worden gemaakt met betrekking tot het personeelsbeheer in de meeste gevallen persoonsgegevens zijn, moeten de waarborgen van de AVG hierop van toepassing zijn. Die gegevens houden vaak verband met de identiteit van de werknemer, de opleiding, het 33 Zie hierna punt "b.2- Het argument op grond van de bescherming van het zakengeheim van de verweerder en de restrictieve uitlegging van de beperkingen van het recht op inzage". Beslissing ten gronde 15/2021 - 19/33 loopbaanbeheer, of de professionele evaluatie. Zoals hierboven vermeld is de werkgever dus verplicht toereikende interne procedures te ontwikkelen. 104. Die interne procedures in het kader van het personeelsbeheer kunnen van verschillende aard zijn. 105. Er kan bijvoorbeeld een plaats zijn voor "opmerkingen" in het kader van de evaluatie van loontrekkenden. De informatie die daar wordt opgenomen moet objectief, ter zake dienend, toereikend en niet buitensporig zijn. Een systeem met een drop-down menu of het filteren op trefwoorden kan dit bijvoorbeeld vergemakkelijken. De auteurs van de aantekeningen moeten er trouwens rekening mee houden dat de werknemers op ieder moment toegang kunnen krijgen tot de hen betreffende informatie. 106. De werkgever is overigens als verwerkingsverantwoordelijke gebonden aan alle andere verplichtingen krachtens de AVG. 2.2.2.- Wat betreft de weigering van het recht op inzage van de IT-logs betreffende de klager 2.2.2.1.- De verplichting tot beveiliging van persoonsgegevens en de registratie van ITlogs a- De reikwijdte van de verplichting tot beveiliging 107. Op grond van artikel 5,
  3. f)van de AVG moeten persoonsgegevens "door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging". 108. Bij gebrek aan passende maatregelen om de persoonsgegevens van de betrokkenen te beveiligen, kan de doeltreffendheid van het fundamentele recht op privacy en de bescherming van de persoonsgegevens niet worden gewaarborgd34,, des te meer in het licht van de cruciale rol die de informatie- en communicatietechnologieën in onze samenleving spelen. 34 De cruciale rol die gegevensbeveiliging speelt voor de doeftreffende uitoefening van de rechten van de betrokkenen is met name vastgelegd door het EHRM in zijn arrest van 17 juli 2008, I. tegen Finland, nr. 20511/03, waarin het Hof unaniem een schending vaststelde van artikel 8 door de Finse autoriteiten, op basis van een onvoldoende beveiliging tegen de ongeoorloofde toegang tot het medische dossier van een seropositieve verpleegster. Het arrest is beschikbaar via de link: https://hudoc.echr.coe.int/fre#{%22itemid%22:[%2200187510%22]} Beslissing ten gronde 15/2021 - 20/33 109. Er zij op gewezen dat de beginselen van integriteit, vertrouwelijkheid 35 en beschikbaarheid36, bedoeld in artikel 5.1.f), thans in de AVG op hetzelfde niveau zijn opgenomen als de grondbeginselen van rechtmatigheid, transparantie, behoorlijkheid. 110. De verplichtingen van verwerkingsverantwoordelijken in verband met de beveiliging van de verwerking zijn gebaseerd op de artikelen 32 en volgende van de AVG. 111. De klassieke onderdelen van de aanbevelingen in verband met informatiebeveiliging , zoals vervat in de ISO27xxx-serie37 , zijn de vertrouwelijkheid van gegevens, hun integriteit en hun beschikbaarheid. Hieraan wordt het begrip "toerekenbaarheid" toegevoegd "dat toelaat voor alle gedane handelingen de personen, de systemen of processen te identificeren die eraan voorafgaan (identificatie) en de auteur en de handeling te volgen (traceerbaarheid)" 38 . De toerekenbaarheid komt concreet tot uiting door het bijhouden van logbestanden volgens het principe van het loggen van de toegang. 112. Het loggen bestaat in het registreren van relevante informatie over de gebeurtenissen in een informaticasysteem (toegang tot het syteem of een van de dossiers ervan, wijziging van een bestand, overdracht van gegevens...) in bestanden, genaamd "logbestanden". De opgenomen informatie bestaat onder andere uit de geraadpleegde gegevens, de datum, het soort van gebeurtenis, de gegevens aan de hand waarvan de auteur van de gebeurtenis kan worden geïdentificeerd, evenals de reden van die toegang. Dit maakt het mogelijk elke onrechtmatige raadpleging van persoonsgevens te identificeren, of om de raadpleging voor een niet-legitiem doeleinde, of de oorsprong van een incident vast te stellen. 113. Al wordt het loggen niet uitdrukkelijk in de AVG vermeld 39, toch vormt het bijhouden van logbestanden een technische en organisatorische maatregel die in artikel 32 van de AVG wordt 35 Volgens de Groep 29 kan integriteit worden gedefinieerd als "de eigenschap dat gegevens authentiek zijn en niet al dan niet opzettelijk zijn gewijzigd tijdens de verwerking, opslag of overdracht. Het begrip integriteit kan worden uitgebreid naar IT-systemen en vereist dat de verwerking van persoonsgegevens op deze systemen ongewijzigd blijft." Groep 29, WP 196, Advies 05/2012 over cloud computing, blz. 18. 36Onder beschikbaarheid wordt verstaan "de eigenschap van informatie, systemen en processen om op verzoek van een bevoegde entiteit toegankelijk en bruikbaar te zijn", CBPL, "note relative à la sécurité des données à caractère personnel (in Dumortier, F., Vander Geeten, V., Dargent, M., Docquir, B. et Forget, C., Knockaert, M., « Introduction » in Les obligations légales de cybersécurité et de notifications d’incidents, Bruxelles, Politeia, 2019, p. 9 ). Het begrip beschikbaarheid wordt door de Groep artikel 29 via de "schending van de beschikbaarheid" uitgelegd, die niet enkel de/het accidentele of ongeoorloofde vernietiging of verlies van persoonsgegevens omvat, maar ook het accidentele of ongeoorloofde verlies van de toegang hiertoe, waarbij de toegang een intrinsiek aspect van de beschikbaarheid van gegevens is. (wij onderstrepen) 37 De ISO27xxx norm is een van de belangrijkste internationale informatiebeveiligingsnormen. 38 Dumortier, F., « Chapitre 4 - Cybersécurité, vie privée, imputabilité, journalisation et log files » in Les obligations légales de cybersécurité et de notifications d’incidents, Bruxelles, Politeia, 2019, p. 187, en GBA "Nota inzake de beveiliging van persoonsgegevens" blz. 2. 39 Richtlijn (EU) 2016/680 hecht daarentegen bijzonder belang aan de raadpleging en openbaarmaking (de meest courante verwerkingen), en verplicht tot de identificatie van de auteur van de verwerking, en van de ontvangers in geval van openbaarmaking, het exacte tijdstip, en de rechtvaardiging van de verwerking (van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door Beslissing ten gronde 15/2021 - 21/33 bedoeld. Het is een goede praktijk die voor iedere verwerkingsverantwoordelijke aangeraden is. Deze maatregelen moeten aan de risico's worden aangepast. 114. De voorganger van GBA (de Privacycommissie - hierna CBPL) wees in haar Richtsnoeren met betrekking tot informatiebeveiliging van persoonsgegevens 40 en in haar aanbevelingen41 aan de steden en gemeenten42 over logboeken, reeds op het feit dat het loggen een essentieel onderdeel uitmaakt van elk informatiebeveiligingsbeleid, en dat het de traceerbaarheid van de toegang tot informatiesystemen mogelijk maakt. 43. b- Verband tussen de beveiligingsverplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke en de beginselen van verantwoording en transparantie. 115. De Geschillenkamer herinnert eraan dat artikel 32 AVG moet worden gelezen in combinatie met artikel 5.2 AVG, op grond waarvan de verwerkingsverantwoordelijke onderworpen is aan het verantwoordingsbeginsel. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om aan te tonen dat hij de bepalingen van de AVG naleeft door passende technische en organisatorische maatregelen te nemen, op transparante en traceerbare wijze, zodat hij in het geval van controle het bewijs van de toegepaste waarborgen kan leveren. 116. Het verantwoordingsbeginsel, gelezen in samenhang met het transparantiebeginsel (artikel 5.1.
  4. a)AVG) maakt het voor de betrokkenen mogelijk hun rechten uit te oefenen en de overeenstemming bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens). 40Beschikbaar via de link https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/richtsnoeren-metbetrekking-tot-informatiebeveiliging.pdf.. 41 Aanbeveling aan de steden en gemeenten over de registratie van de reden voor de raadpleging van het Rijksregister door hun personeelsleden (CO-AR-2017-013), 30 augustus 2017, blz. 7. 42 In haar aanbeveling aan de steden en gemeenten over het bijhouden van logbestanden, onderstreept de CBPL het belang van het logboek als "essentieel onderdeel van elk informatiebeveiligingsbeleid" en wijst op: « 21. De uitwerking van een gedegen informatieveiligheidsbeleid is noodzakelijk om maatregelen te treffen die ongeoorloofde toegang uitsluiten en dit op een gedocumenteerde manier die de gemeente toelaat om aan haar verantwoordingsplicht te voldoen. In haar referentiemaatregelen inzake beveiliging die van toepassing zijn op elke verwerking van persoonsgegevens, heeft de Commissie reeds benadrukt dat het instellen van een selectief zoek- en logmechanisme een essentieel onderdeel uitmaakt van elk informatiebeveiligingsbeleid. (...) deze richtsnoeren bepalen dat elke toegang tot een computersysteem traceerbaar moet zijn om na te gaan wie toegang heeft gehad, wanneer, waartoe en om welke reden.. (…) 23. Tot slot heeft ook de Commissie zelf herhaaldelijk aangegeven dat het van cruciaal belang is om de reden van de raadpleging van het Rijksregister te registreren. In haar aanbevelingen met betrekking tot het toegangsen gebruikersbeheer in de overheidssector en het verkrijgen van informatie uit de bevolkingsregisters onderstreept de Commissie het belang van een volledige tracing (wie, wat, waar, wanneer, waarom) die elke raadpleging van de bevolkingsregisters logt zodat de raadpleging van de gegevens voor een niet-legitiem doeleinde of ten persoonlijke titel kan worden gedetecteerd en gesanctioneerd. Bij uitbreiding geldt deze verplichting ook voor de raadpleging en bijwerking van het Rijksregister. » (blz. 8) (de Geschillenkamer onderstreept) 43 Deze aanbeveling richt zich tot gemeenten en steden, maar de redenering is van toepassing op andere soorten gegevensverwerkingen, des te meer indien het gaat om gevoelige gegevens. Beslissing ten gronde 15/2021 - 22/33 van de verwerkingen die met hun persoonsgegevens zijn verricht te controleren. Dit laat toe de verantwoordelijkheid te nemen44. 117. Bovendien voegt overweging 63 AVG hier eveneens aan toe dat dit recht op inzage dient te worden opgevat als een controlemechanisme: “Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren.” 118. Deze beginselen van verantwoording en transparantie zijn verweven met artikel 15 van de AVG, dat het recht van inzage van de betrokkene van zijn verwerkte persoonsgegevens waarborgt. De CBPL is reeds tot een eenduidige conclusie over het loggen gekomen: « Indien de logfile onvolledig is en niet de reden van de raadpleging vermeldt, schaadt dit de nuttige uitoefening van het inzage- en controlerecht waarover de betrokkene beschikt. Bovendien frustreert dit eveneens de uitoefening van andere rechten zoals het recht op rectificatie (artikel 16 van de AVG), het recht op vergetelheid (artikel 17 van de AVG) en het recht op de beperking van het gebruik van onrechtmatig verwerkte gegevens (artikel van de 18 AVG). "(blz. 10) (wij onderstrepen)45 119. De Geschillenkamer beveelt het bijhouden van een logboek als goede praktijk aan, voor zover het loggen nuttig is voor de verwerkingsverantwoordelijke, in de zin dat het hem toelaat het beginsel van beschikbaarheid te concretiseren, die zelf nauw verbonden is met de beginselen van vertrouwelijkheid en integriteit van de gegevens. 120. Zoals hierboven vermeld hangt de doeltreffendheid van de grondrechten van de privacy en de bescherming van de persoonsgegevens in grote mate af van de maatregelen die zijn getroffen om de beveiliging ervan te verzekeren 46. Het bijhouden van een logboek wordt derhalve sterk aangeraden door de Geschillenkamer, gezien de goede praktijken die door een aantal ondernemingen worden gevolgd. 2.2.2.2. Wat betreft het weigeren van de verweerder om gevolg te geven aan het verzoek van de klager om inzage van zijn IT-logs 121. Met betrekking tot het verzoek van de klager om inzage van hem betreffende IT-logs, rechtvaardigt de verweerder zijn weigering met twee argumenten. Hij wijst in een eerste argument (met betrekking tot de inzage van aantekeningen in het personeelsdossier van de klager) op het 44 Zie overweging 78 van de AVG. 45 In dezelfde zin, zie beslissing van het Sectoraal Comité van het Rijksregister van 11/01/2012. 46 Dumortier, F., Vander Geeten, V., Dargent, M., Docquir, B. et Forget, C., Knockaert, M., « Introduction » in Les obligations légales de cybersécurité et de notifications d’incidents, Bruxelles, Politeia, 2019, p. 9 p 141. Beslissing ten gronde 15/2021 - 23/33 recht op privacy van de auteurs van de IT-logs als reden om het recht van de klager op inzage van de hem betreffende IT-logs te weigeren. 122. Na inzage van de rechtspraak van het HvJ-EU volgens welke het feit van het onleesbaar maken van de persoonsgegevens van derden voordat de betrokkene zijn recht van inzage mag uitoefenen, beantwoordt aan de vereiste van artikel 15.4 AVG geen afbreuk te doen aan de rechten van derden, en voor zover er in het Belgisch recht geen bepaling bestaat die het recht van inzage van een werknemer van de persoonsgegevens die door zijn (ex-)werkgever zijn verwerkt, beperkt, wordt het argument van de verweerder dat de inzage door de klager van hem betreffende IT-logs een inbreuk zou vormen op de bescherming van persoonsgegevens van de auteurs, verworpen. 47 123. De verweerder geeft als tweede argument voor het weigeren om gevolg te geven aan het verzoek om inzage van alle IT-logs betreffende de klager, het onevenredige werk dat dit van de verweerder vraagt, vanwege de enorme hoeveelheid logs en informatie die daarvoor moet worden gecontroleerd. 124. Het HvJ-EU heeft zich in zijn arrest Rijkeboer uitgesproken over het evenwicht dat moet worden gezocht tussen het recht van inzage van de betrokkenen en de last die de verplichting tot naleving van dat recht met zich brengt voor de verwerkingsverantwoordelijke. Meer bepaald ging het om de vraag "vanaf wanneer de uitoefening van het recht van inzage van informatie over het verleden wettelijk kan worden verlamd door de wissing van die informatie. En hoe lang moeten de personen die in het bezit van die gegevens zijn, de sporen van handelingen die in het verleden met die gegevens zijn verricht, bewaren"48. 125. Alhoewel de vraag in deze zaak was hoe lang een verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens moet bewaren, kan de redenering van het Hof op het onderhavige geval worden toegepast, gelet op de omvang van het verzoek van de klager, dat alle hem betreffende IT-logs betreft. De Geschillenkamer wijst op het belang van het vinden van "[...] een billijk evenwicht tussen enerzijds het belang van de betrokkene zijn privacy te beschermen, met name door middel van de interventie- en beroepsprocedures waarin is voorzien in de richtlijn, en anderzijds de last die de verplichting om die informatie te bewaren voor de verwerkingsverantwoordelijke vormt". 126. De parameters aan de basis van dit evenwicht mogen de verwerkingsverantwoordelijke uiteraard geen onevenredige verplichtingen en buitensporige lasten opleggen. 47 Zie punt 2.2.1.2. c), blz. 24. 48 C. de Terwangne, « L’étendue dans le temps du droit d’accès aux informations sur les destinataires de données à caractère personnel », note sous C.J.U.E., 22 décembre 2010, R.D.T.I., n° 43, 2011, p. 73 in Tombal, T., « Section 2. – Droit d’accès (article 15 RGPD) » in Le règlement général sur la protection des données (RGPD/GDPR), Bruxelles, Éditions Larcier, 2018, p. 432-447. Beslissing ten gronde 15/2021 - 24/33 127. In het onderhavige geval benadrukt de verweerder dat het systematisch doorzoeken van alle ITlogs betreffende de klager, vanaf zijn indiensttreding in juni 2008 tot de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met de verweerder in 2019, een onevenredige werklast zou betekenen. De klager heeft overigens geen uitleg gegeven over het belang voor hem van dit verzoek. Hij heeft geen conclusies ingediend en is niet op dit punt teruggekomen in zijn e-mail aan de Geschillenkamer, nadat de verweerder zijn conclusies had ingediend. De Geschillenkamer ziet dan ook geen specifiek belang ter rechtvaardiging van de grote werklast die het systematisch doorzoeken in het kader van het verzoek van de klager om inzage van alle hem betreffende ITlogs, zou vormen. 128. In deze omstandigheden volgt de Geschillenkamer de verweerder in zijn redenering dat gevolg geven aan het verzoek van de klager hem een onevenredige verplichting zou opleggen ten aanzien van het belang van de klager zijn recht op gegevensbescherming uit te oefenen. Derhalve is er geen inbreuk van de verweerder op het recht op inzage van de IT-logs betreffende de klager. 2.2.3.- Wat betreft het weigeren van het recht op inzage van de evaluaties van de klager 129. De klager verzoekt bovendien om inzage en kopie van zijn evaluaties. De verweerder stelt in dit verband dat voor zover de klager regelmatig afwezig is geweest vanaf oktober 2015 (hij heeft minder dan 30 dagen gewerkt in 2016, minder dan de helft van het jaar in 2017, een dertigtal dagen in 2018 en geen enkele dag in 2019), is er sinds 2013 geen evaluatie geweest, noch heeft er een functioneringsgesprek plaatsgevonden. De verweerder had in dat opzicht dus geen enkel persoonsgegeven aan de klager mee te delen. 130. In deze omstandigheden en voor zover de verweerder niet kan worden verweten geen gevolg te geven aan het verzoek om inzage en kopie van niet bestaande persoonsgegevens, wordt de grief van de klager verworpen. 2.2.4.- Wat betreft de weigering van het verzoek om een kopie van de e-mails te verkrijgen 131. In zijn conclusies rechtvaardigt de verweerder zijn weigering om gevolg te geven aan het verzoek om een kopie te verkrijgen van de e-mails waarvan de klager de ontvanger of afzender is (de klager had toegang tot de mails in kwestie op het moment van zijn verzoek), op basis van artikel 15.4 van de AVG, zijnde het recht op privacy van de andere ontvangers of afzenders die bij de emails in kwestie betrokken zijn. In zijn schriftelijke opmerkingen voor de hoorzitting van 14 september 2020 voert de verweerder bijkomende argumenten aan. 132. Hij onderstreept allereerst dat de klager op het moment van zijn verzoek toegang had tot al die e-mails. Vervolgens wijst hij op hij het recht op privacy van de andere afzenders of ontvangers Beslissing ten gronde 15/2021 - 25/33 van de e-mails, evenals van de verweerder als rechtspersoon, d.w.z. zijn recht op bescherming van het zakengeheim. Ten slotte wijst de verweerder op het elektronisch correspondentiegeheim dat van toepassing is op de betrokken e-mails. Het feit dat de klager toegang tot de e-mails had doet geen afbreuk aan zijn recht er een kopie van te verkrijgen. 133. De verweerder geeft als hoofdreden voor het weigeren gevolg te geven aan het verzoek van de klager om een kopie van de e-mails te verkrijgen (waarin hij afzender of ontvanger is), het feit dat de klager er toegang toe had (op het moment van zijn verzoek). 134. De Geschillenkamer wijst er echter op dat de klager in zijn klacht heeft uitgelegd om welke specifieke reden hij om een kopie van de e-mails vraagt. Hij legt uit dat om redenen van vertrouwelijkheid (het veiligheids- en privacybeleid van de verweerder verbiedt het uitdrukkelijk) en om technische redenen (de e-mails worden bewaard in een cloudsysteem en niet op de computer van de klager), ook al had hij toegang tot die e-mails vanaf zijn professionele computer, hij er onmogelijk een kopie van kon maken. 135. Al blijkt uit de lezing van de klacht dat de klager niet om toegang tot zijn e-mails heeft gevraagd, maar enkel om een kopie ervan, merkt de Geschillenkamer ten overvloede op dat de omstandigheid dat een klager op de hoogte is van de hem betreffende persoonsgegevens die door de verwerkingverantwoordelijke worden verwerkt, voor deze laatste geen geldige reden is om de toegang te weigeren. 136. In artikel 15 van de AVG is immers geen sprake van een uitzondering die te vergelijken is met die in artikel 13.4 van de AVG (geen verplichting informatie te verstrekken wanneer en voor zover de betrokkene reeds over de informatie beschikt), of in artikel 14.5.
  5. a)van de AVG (geen informatie te verstrekken in het geval die indirect is verkregen, wanneer de betrokkene reeds over die informatie beschikt). Het recht van inzage laat de betrokkene toe zich ervan te vergewissen dat geen enkel gegeven over hem wordt verwerkt zonder dat hij daarvan op de hoogte is, en is een eerste stap naar de eventuele uitoefening van zijn recht op rectificatie, wissing of bezwaar. De bedoeling van het recht op inzage gaat dus veel verder dan enkel de kennisneming van de verwerkte gegevens, en daarom is de omstandigheid dat de verwerkte gegevens bij de betrokkene bekend zijn, niet van belang. 137. Het argument van de verweerder om te weigeren op het verzoek om een kopie in te gaan, op grond van het feit dat de klager toegang had tot de e-mails in kwestie, is niet relevant en kan dus niet worden gevolgd. Het recht op privacy van de andere afzenders of ontvangers in die e-mals Beslissing ten gronde 15/2021 - 26/33 138. Voor de weigering om gevolg te geven aan het verzoek om een kopie van de e-mails, baseert de verweerder zich op het recht op privacy van de andere afzenders of ontvangers in die e-mails, op grond van artikel 15.4 van de AVG. 139. De Geschillenkamer verwijst naar de redenering in verband met de aantekeningen in het personeelsdossier van de klager49. 140. Aangezien de rechtspraak van het HvJ-EU leert dat het feit dat persoonsgegevens in verband met derden onleesbaar worden gemaakt voordat de betrokkene zijn recht op inzage 50 mag uitoefenen, strookt met de vereiste van artikel 15.4 van de AVG om geen afbreuk aan de rechten van derden te doen, en voor zover in het Belgisch recht geen wetgevende bepaling bestaat die een beperking inhoudt van het recht van een werknemer op inzage en kopie van persoonsgegevens over hem die door zijn (ex)-werkgever worden verwerkt, wordt het argument van de verweerder dat de inzage door de klager van de e-mails waarin hij verzender of ontvanger is, en het geven van kopieën van die e-mails, een inbreuk zou vormen op de bescherming van de persoonsgegevens van de andere ontvangers of verzenders van de e-mails in kwestie, verworpen. De bescherming van het zakengeheim van de verweerder en de restrictieve uitlegging van de beperkingen van het recht op inzage 141. Om te beginnen herinnert de Geschillenkamer eraan dat het recht op inzage (dat noodzakelijkerwijs het recht op kopie inhoudt, dat daarvoor een vereiste
  6. is)een van de grondslagen is van het recht op gegevensbescherming, het is de "toegangspoort" die de uitoefening mogelijk maakt van andere rechten die de AVG aan de betrokkene toekent. In die zin, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie 51 52, en zoals bepaald in de richtsnoeren van het EDPB 53, moet elke uitzondering op het recht op bescherming van gegevens en op eerbiediging van het privéleven restrictief worden uitgelegd. Een beperking van het recht op inzage, in het geval die zich zou voordoen, moet bijgevolg restrictief worden uitgelegd. 49 Zie punt 2.2.1.2.
  7. c)blz. 24. 50 Er zij op gewezen dat aangezien het recht op kopie intrinsiek verbonden is aan het recht van inzage dat noodzakerlijkerwijs daaraan voorafgaat, deze redenering evenzeer van toepassing is op het recht van inzage als op het recht op kopie. 51In zijn arrest van 11 december 2014, Ryneš (C-212/13, EU:C:2014:2428) wijst het Hof van Justitie erop dat "de bescherming van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vereist dat de uitzonderingen op de bescherming van persoonsgegevens en de beperkingen ervan binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven. Aangezien de bepalingen van richtlijn 95/46/EG, die voor de verwerking van persoonsgegevens een regeling vaststelt die afbreuk kan doen aan de fundamentele vrijheden, en in het bijzonder aan het recht op een privéleven, noodzakelijkerwijs moeten worden uitgelegd in het licht van de grondrechten die in het Handvest zijn opgenomen, dient de uitzondering die is voorzien in artikel 3, lid 2, tweede streepje, van die richtlijn, strikt te worden uitgelegd" (punten 27-29) 52 Zie ook het arrest van 6 oktober 2015 (Grote kamer), Schrems (C-362/14, EU:C:2015:650), punt 92. 53 Richtsnoeren 10/2020 over beperkingen krachtens artikel 23 AVG, beschikbaar op https://edpb.europa.eu/our- work-tools/public-consultations-art-704/2020/guidelines-102020-restrictions-under-article-23_en. Beslissing ten gronde 15/2021 - 27/33 142. Met betrekking tot die beperkingen, heeft het HvJ-EU in zijn arrest Nowak eraan herinnerd dat "(...) de lidstaten wetgevende maatregelen mogen nemen om de reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in artikel 6, lid 1, en artikel 12 van die richtlijn te beperken, op voorwaarde dat die beperking een noodzakelijke maatregel is ter waarborging van de rechten en vrijheden van anderen. " (punt 60). Artikel 23.1 van de AVG bepaalt dat : « De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 en artikel 34, alsmede in artikel 5 kan, voor zover de bepalingen van die artikelen overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 20, worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van [een belangrijke doelstelling van algemeen belang] » 143. Deze bepaling moet worden gelezen in samenhang met artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat de beperking van de rechten van de betrokkenen regelt. 144. Het HvJ-EU stelt dat een dergelijke beperking van een fundamenteel recht bij wet moet worden gesteld, "de wezenlijke inhoud van die rechten moet eerbiedigen, en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk moet zijn en daadwerkelijk moet beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang (...)", en herinnert eraan dat "de uitzonderingen en beperkingen op die rechten binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke moeten blijven" 54. 145. De Groep 29 verduidelijkt met betrekking tot de voorwaarde dat de beperking bij wet moet worden gesteld (de zogenaamde legaliteitsvereiste) dat elke inmenging in het fundamentele recht zoals het recht op de bescherming van persoonsgegevens bij wet moet worden gesteld in duidelijke, nauwkeurige en toegankelijke taal, waarvan de gevolgen voor de betrokkene voorspelbaar zijn. 146. Wat betreft de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de arbeidsverhouding, bepaalt artikel 88 van de AVG: "Bij wet of bij collectieve overeenkomst kunnen de lidstaten nadere regels vaststellen ter bescherming van de rechten en vrijheden met betrekking tot de verwerking van de persoonsgegevens van werknemers in het kader van de arbeidsverhouding (...)". Voor zover wij weten zijn dergelijke bepalingen er niet. 54Arrest van 9 november 2010 (Grote kamer) Volker und Markus Schecke en Eifert (C-92/09 en C-93/09, EU:C:2010:662), punt 65 en arrest van 27 september 2017, Peter Puskar, (ECLI:EU:C:2017:725) punt 116. Beslissing ten gronde 15/2021 - 28/33 147. De Geschillenkamer stelt vast dat er in België geen wetgevende bepaling is die het recht op inzage van een werknemer van de gegevens die door zijn (ex)-werkgever worden verwerkt, beperkt. 148. In het licht van de bovenstaande ontwikkelingen, voor zover het zakengeheim ertoe neigt het fundamentele recht op gegevensbescherming te beperken, moet dit derhalve restrictief worden uitgelegd. De Geschillenkamer is echter van mening dat een analyse geval per geval moet worden verricht, met name wanneer het risico voor het zakengeheim voldoende is aangetoond. 149. Bovendien zij eraan herinnerd dat overweging 63 van de AVG bepaalt dat het recht op inzage "geen afbreuk mag doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt. Die overwegingen mogen echter niet ertoe leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden. " (wij onderstrepen) 150. De Geschillenkamer merkt ook op dat Richtlijn (EU) 2016/943 betreffende het zakengeheim 55 in zijn overwegingen 34 en 35 het belang onderstreept van het eerbiedigen van het recht op gegevensbescherming, in het bijzonder het recht op inzage, waaraan het zakengeheim geen afbreuk mag doen: "

(34)Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name worden erkend door het Handvest, met name het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van beroep en het recht om te werken, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, het recht op behoorlijk bestuur, met name het recht op toegang tot documenten en het zakengeheim, waarbij het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging worden geëerbiedigd.
(35)Het is belangrijk dat het recht op eerbiediging van het privé- en het gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens van personen wier persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de houder van dat bedrijfsgeheim wanneer deze stappen onderneemt om een bedrijfsgeheim te beschermen, of van personen die betrokken zijn bij een gerechtelijke procedure betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen en wier persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn worden verwerkt, worden geëerbiedigd. Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad
(10)regelt de verwerking van persoonsgegevens zoals die in het kader van deze richtlijn plaatsvindt in de lidstaten en onder toezicht van de bevoegde instanties van de lidstaten, met name de door de lidstaten aangewezen onafhankelijke instanties. Deze 55 Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (Voor de EER relevante tekst). Beslissing ten gronde 15/2021 - 29/33 richtlijn mag dus geen afbreuk doen aan de rechten en verplichtingen die zijn vastgesteld in Richtlijn 95/46/EG, in het bijzonder de rechten van degene wiens persoonsgegevens worden verwerkt op toegang tot die persoonsgegevens en op rectificatie, uitwissing of afscherming van onjuiste of onvolledige gegevens noch, in voorkomend geval, aan de verplichting om gevoelige gegevens overeenkomstig artikel 8, lid 5, van Richtlijn 95/46/EG te verwerken. " (wij onderstrepen)
  1. De Geschillenkamer verwijst overigens naar de redenering van de Groep 29 betreffende het recht op overdraagbaarheid van gegevens (artikel 20 AVG), waarvan de uitoefening geen afbreuk mag doen aan de rechten en vrijheden van anderen (artikel 20.4 AVG), net als het recht op inzage en kopie (artikel 15.4 AVG). De formulering van die beperking in die twee artikelen is identiek. In zoverre, en rekening houdend met het feit dat zowel het recht van inzage en kopie, als het recht op overdraagbaarheid van gegevens deel uitmaken van de fundamentele bouwstenen van de AVG, is de Geschillenkamer van mening dat de redenering van de Groep 29 over de beperking ook op het recht van inzage en kopie kan worden toegepast.
  2. De Groep 29 preciseert wat betreft de beperking van het recht op overdraagbaarheid door het zakengeheim dat "een potentieel risiso voor het bedrijf op zichzelf, echter geen grond kan zijn voor de weigering om op een verzoek tot overdraagbaarheid in te gaan"56 (vrije vertaling). Het risico voor het zakengeheim moet dus duidelijk door de verwerkingsverantwoordelijke worden aangetoond. In het onderhavige geval, al is dit niet uiteengezet in de schriftelijke stukken van de verweerder, heeft de raadsman van de verweerder er tijdens de hoorzitting uitdrukkelijk op gewezen dat wegens zijn kaderfunctie de klager kennis heeft van de identiteit van de klanten van de verweerder, de bedragen van de bestellingen en de facturen aan de klanten, wat mogelijk gevoelige informatie is over het bedrijf van de verweerder. De verweerder heeft er ook op gewezen dat de klager op een privéblog nog vertrouwelijke informatie heeft gepubliceerd, voordat de directie deze via de officiële kanalen had bekendgemaakt (feiten die gedeeltelijk of volledig aan de basis liggen van het geschil voor het Arbeidshof tussen hemzelf en de klager). De Geschillenkamer neemt ook akte van het feit dat de klager een kopie vraagt van alle e-mails waarin hij ontvanger of afzender is.
  3. Zoals hierboven vermeld, al moet het zakengeheim restrictief worden uitgelegd indien het een beperking van het fundamentele recht van gegevensbescherming inhoudt, is de Geschillenkamer in het onderhavige geval van mening dat, gezien de potentieel gevoelige informatie in de e-mails in kwestie, het risico voor het zakengeheim van de verweerder voldoende is bewezen.
  4. De Geschillenkamer is derhalve van oordeel dat de verweerder artikel 15, punten 1 en 3, niet heeft geschonden door te weigeren gevolg te geven aan het verzoek van de klager om een kopie te verkrijgen van de e-mails waarin hij ontvanger of verzender is. 56 Groep 29, Richtsnoeren over de overdraagbaarheid van gegevens, WP 242, 13 april 2017, blz.
  5. Beslissing ten gronde 15/2021 - 30/33
  6. Ten overvloede voegt de Geschillenkamer eraan toe dat in de gevallen waarin het risico niet is aangetoond, de leer van de rechtspraak van het HvJ-EU (zie hierboven) moet worden toegepast, volgens welke het feit dat persoonsgegevens van derden onleesbaar worden gemaakt voordat de betrokkene zijn recht van inzage mag uitoefenen, beantwoordt aan de vereiste van artikel 15.4 om geen afbreuk te doen aan de rechten van derden. c- Het argument van het elektronisch correspondentiegeheim van andere ontvangers of verzenders van de betrokken e-mails
  7. De verweerder brengt voorts artikel 124 van de wet van 13 juni 2015 betreffende de elektronische communicatie te berde, als laatste argument ter rechtvaardiging van zijn weigering om gevolg te geven aan het verzoek van de klager om inzage en kopie van de e-mails waarin hij ontvanger of verzender is.
  8. Deze bepaling is echter enkel van toepassing ten aanzien van derden bij de elektronische communicatie in kwestie, en niet ten aanzien van een persoon die partij is bij de communicatie, zoals het Hof van Cassatie duidelijk maakte in zijn arrest van 22 april 2015
  9. Dit argument is niet overtuigend en wordt dus verworpen. d- Conclusie wat betreft de weigering van de verweerder om gevolg te geven aan het verzoek van de klager om een kopie van de e-mails te verkrijgen
  10. De argumenten van de verweerder ter rechtvaardiging van zijn weigering niet in te gaan op het verzoek om een kopie van de betrokken e-mails te krijgen, op grond van het recht op privacy van de andere ontvangers of verzenders van de e-mails, alsmede het elektronisch correspondentiegeheim, zijn niet overtuigend, en worden dus verworpen. Toch is het argument van het zakengeheim van de verweerder in het onderhavige geval relevant. Er is bijgevolg geen schending van artikel 15.3 van de AVG. 2.2.5.- Wat betreft de weigering van het recht een kopie te krijgen van de foto's waarop de klager identificeerbaar is
  11. In dit deel van zijn klacht benadrukt de klager dat hij zich niet beroept op de schending van het recht van inzage of kopie, maar op het recht op zijn afbeelding. Hij zegt dat tijdens bedrijfsevenementen foto's van de werknemers zijn gemaakt zonder hun toestemming, en dat die zonder toestemming zijn verspreid (op het intranet van het bedrijf van de verweerder).
  12. In een brief van 6 maart 2019 wijst de Inspectiedienst van de GBA de klager erop dat zijn klacht onduidelijk is over het al dan niet gerichte karakter van de foto's van de personeelsleden tijdens de bedrijfsevenementen, en vraagt hij om meer duidelijkheid op dat vlak. 57 Cass. (2e kamer), 22 april 2015, JT, 2015, blz. 1021 en
  13. Beslissing ten gronde 15/2021 - 31/33
  14. Voor het maken en verspreiden van gerichte foto's is een rechtsgrond nodig, maar dat is niet het geval voor niet gerichte foto's (waarop de personeelsleden niet duidelijk kunnen worden geïdentificeerd). In een e-mail van 8 juni beweert de klager dat er tijdens evenementen portretfoto's zijn gemaakt, en dat geen voorafgaande toestemming is gevraagd, noch voor het maken van de foto, noch voor de verspreiding ervan.
  15. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder zijn werknemers die niet wensen dat foto's waarop zij staan, geregistreerd of verspreid worden via het intranet, vraagt de DPO (Data Protection Representative - functionaris voor gegevensbescherming) te contacteren om hem daarvan op de hoogte te brengen, en dat hij zich ertoe verbindt die eventuele foto's te verwijderen.58
  16. De klager heeft geen bewijs geleverd van het bestaan en/of de verspreiding van (een) gerichte foto('s) van hem, en zegt niet dat er dergelijke foto's of portretfoto's van hem tijdens door de verweerder georganiseerde bedrijfsevenementen zijn gemaakt. In zoverre stelt de Geschillenkamer geen schending van het recht op afbeelding van de klager vast.
  17. Corrigerende maatregelen en sancties
  18. Op basis van de bovenstaande analyse is de Geschillenkamer van mening dat het weigeren van het recht van de klager op inzage en/of kopie van de aantekeningen in zijn personeelsdossier, de verwerkingsverantwoordelijke artikel 15, punten 1 en 3, van de AVG heeft geschonden. Krachtens artikel 100 WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 58 Analyse van stuk 37 van de verweerder (een e-mail van 04/10/2018 gericht aan alle personeelsleden). Beslissing ten gronde 15/2021 - 32/33 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is belangrijk de niet-naleving van de artikelen 15, punten 1 en 3, van de AVG in de juiste context te plaatsen om de meest geschikte sancties en/of corrigerende maatregelen vast te stellen.
  19. Zoals hierboven vermeld, is het recht van inzage (artikel 15.1) een van de grondslagen van de AVG. Wat betreft het niet-naleven van het recht op een kopie (artikel 15.3) onderstreept de Geschillenkamer dat het verkrijgen van een kopie van de gegevens de belangrijkste bijdrage van de AVG in termen van het recht van inzage is. Het moet de controle van de betrokkenen op de hem betreffende gegevens versterken. De informationele zelfbeschikking die in de AVG besloten ligt, komt zeer sterk tot uiting in deze nieuwe versie van het recht van inzage (met inbegrip van het recht om een kopie te verkrijgen).
  20. Door de klager de medeling van gegevens over hem te weigeren, heeft de verweerder de klager het recht ontnomen dat hem krachtens artikel 15 van de AVG wordt toegekend, en heeft hij, in bredere zin, een inbreuk gepleegd op diens informationele autonomie door hem geen kennis van die gegevens te laten nemen.
  21. Een bevel om gevolg te geven aan het verzoek om inzage van de aantekeningen in het personeelsdossier over de betrokkene kan echter niet worden gegeven, voor zover de verweerder die aantekeningen na het verzoek van de klager heeft verwijderd. De Geschillenkamer beveelt de verweerder in dat verband haar een verklaring op eer toe te zenden van het feit dat die aantekeningen zijn verwijderd na het verzoek van de klager, via het adres litigationchamber@apdgba.be, binnen een termijn van 30 dagen vanaf de kennisgeving van deze beslissing.
  22. De Geschillenkamer neemt er overigens nota van dat de verweerder een middelgrote onderneming is, met 40 à 50 werknemers, en dat hij hiervoor nooit eerder onderworpen is geweest aan sancties vanwege de GBA.
  23. De Geschillenkamer wijst er tevens op dat de verweerder heeft gereageerd en gevolg heeft gegeven aan de verzoeken van de klager, waarvan sommige betrekking hebben op een grote waaier aan gegevens, zij het op onvolledige wijze.
  24. Ook wordt rekening gehouden met de inspanningen op het gebied van informatiebeveiliging en gegevensbescherming die de verweerder in zijn conclusies aanvoert. Bijgevolg beslist de Geschillenkamer geen geldboete of berisping op te leggen.
  25. Gezien het belang van transparantie met betrekking tot het besluitvormingsproces en de beslissingen van de Geschillenkamer, zal deze beslissng worden gepubliceerd op de website van Beslissing ten gronde 15/2021 - 33/33 de Gegevensbeschermingsautoriteit, met verwijdering van de directe identificatiegegevens van de genoemde partijen en personen, zowel natuurlijke als rechtspersonen. OM DEZE REDENEN, DE GESCHILLENKAMER Beslist na beraadslaging: - De verweerder op te leggen de Geschillenkamer een verklaring op eer toe te zenden van het feit dat de aantekeningen in het personeelsdossier over de klager zijn verwijderd na zijn verzoek om inzage, via het adres litigationchamber@apd-gba.be, binnen een termijn van 30 dagen vanaf de kennisgeving van deze beslissing; - De verweerder op te leggen de verwerking in verband met de aantekeningen in de personeelsdossiers van zijn personeel in overeenstemming te brengen met artikel 15 van de AVG. Tegen deze beslissing kan beroep worden aangetekend op grond van art. 108, § 1 WOG, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de betekening van de kennisgeving, bij het Marktenhof, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. Hielke Hijmans Voorzitter van de Geschillenkamer

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.