1/23 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 150/2024 van 4 december 2024 Dossiernummer : DOS-2019-01738 Betreft : Gebruik van persoonsgegevens van leden en stagiairs van het BIBF De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Frank De Smet en Jelle Stassijns, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit 1, hierna “WOG”; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, hierna “de klager” De verweerder: Het Instituut voor de Belastingadviseurs en de Accountants (ITAA), als rechtsopvolger van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF) sinds de wet van 17 maart 2019 (in werking getreden op 30 september 2020) met maatschappelijke zetel te Emile Jacqmainlaan 135/2, 1000 Brussel, met ondernemingsnummer 0737.810.605, vertegenwoordigd door de raadslieden Mr. Ingrid De Poorter en Mr. Steven De Grave, hierna “de verweerder” 1 Zoals gewijzigd door de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit Beslissing ten gronde 150/2024— 2/23 I. 1. Feiten en procedure Op 20 maart 2019 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen verweerder, met het uitdrukkelijk verzoek om zijn anonimiteit te bewaren bij de behandeling van de klacht. 2. Het voorwerp van de klacht betreft de wijze waarop de verweerder, een beroepsorganisatie, omgaat met de verwerking van de persoonsgegevens van haar leden en stagiairs. De verweerder publiceerde de persoonsgegevens van de leden en stagiairs via een publieke zoekmotor op haar webapplicatie. De verweerder zou gebruik hebben gemaakt van de gegevens van haar leden en stagiairs in de periode voor de binnen de beroepsorganisatie georganiseerde verkiezingen, dit met het oog op direct marketing onder de vorm van o.a. het sturen van verkiezingsmails door diverse kandidaten voor de verkiezingen binnen de beroepsorganisatie alsook voor uitnodigingen voor events met commerciële bedrijven. 3. Op 12 juni 2019 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 4. Op 27 juni 2019 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst, samen met de klacht en de inventaris van de stukken. 5. Op 10 maart 2020 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het verslag bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de inspecteur-generaal overgemaakt aan de Voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG). Het verslag bevat samengevat de volgende vaststellingen: • De publicatie van de persoonsgegevens van de leden en stagiairs via de zoekmotor op de website heeft geen afdoende rechtsgrond zoals vereist onder artikel 6 AVG en daarmee samenhangend het eerlijkheidsbeginsel (artikel 5.1a) AVG). • Er werd oneigenlijk gebruik gemaakt van de persoonsgegevens van de leden en stagiairs door diverse kandidaten bij de verkiezingen binnen de organisatie van de verweerder, hetwelk een inbreuk uitmaakt in de zin van de artikelen 4. 12) juncto artikel 33 AVG. • Het zonder commercieel doel sturen van informatie door de verweerder in de vorm van interne of externe nieuwsbrieven of het sturen van uitnodigingen voor events (al dan niet in samenwerking met een externe commerciële partner) valt onder het ruime begrip van direct marketing. De Inspectiedienst stelt dat de betrokkenen niet afdoende werden geïnformeerd over hun recht van bezwaar waardoor de artikelen 12 en 21.3 AVG zijn geschonden. Volgens de Inspectiedienst wordt voor de Beslissing ten gronde 150/2024— 3/23 verzending van ongevraagde communicaties een (drie)dubbele rechtsgrond gehanteerd door de verweerder, wat niet in overeenstemming is met artikel 6 AVG en daarmee samenhangend het eerlijkheidsbeginsel (artikel 5.1a) AVG). • De Inspectiedienst stelt vast dat er sprake is van een gegevenslek en daarmee verband houdend een inbreuk werd gepleegd op de volgende bepalingen: artikel 32 AVG juncto artikel 5.2 AVG, en artikel 33.5 AVG. • Het gebrek aan verwerkersovereenkomsten met de uitgevers van publicaties leidt tot de vaststelling van de Inspectiedienst dat er een schending is van artikel 28.3 AVG. • Bij gebrek aan aanstelling van een functionaris voor gegevensbescherming is artikel 37 AVG geschonden. 6. Op 20 november 2020 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde en worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de klager werd daarbij vastgelegd op 11 december 2020, deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 4 januari 2021. 7. Op 27 november 2020 aanvaardt de verweerder elektronisch alle communicatie omtrent de zaak en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. Tevens vraagt de verweerder een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG), dewelke hem werd overgemaakt op 4 december 2020. 8. Op 7 december 2020 ontvangt de Geschillenkamer per e-mail de mededeling van de klager dat hij niets wenst toe te voegen aan het dossier. 9. Op 30 december 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek vanwege de verweerder. De verweerder zet daarin in essentie zijn argumentatie uiteen voor wat betreft de rechtsgronden waarop hij zich beroept zowel voor de publicatie van de persoonsgegevens van de leden en stagiairs via de publieke zoekmotor, als voor de verzending van nieuwsbrieven. Voor wat betreft de verkiezingsmails die door diverse kandidaten voor de verkiezingen binnen de beroepsorganisatie werden verzonden, beweert de verweerder hierbij niet te zijn betrokken. Daarnaast gaat de verweerder in op de vaststellingen van de Inspectiedienst omtrent het gegevenslek dat zou hebben plaatsgevonden, alsook op het afsluiten van een verwerkersovereenkomst met uitgevers en op de aanduiding van een functionaris voor de gegevensbescherming. Beslissing ten gronde 150/2024— 4/23 10. Op 13 november 2023 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 7 december 2023. 11. Op 5 december 2023 verzoekt de Geschillenkamer de partijen om haar de stavingsstukken over te maken indien zich sinds de neerlegging van het inspectieverslag wijzigingen zouden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de verweerder maatregelen heeft genomen om tegemoet te komen aan de bevindingen van de Inspectiedienst. Daarbij wordt de verweerder de mogelijkheid geboden tot het indienen van een aanvullende conclusie. De termijn daartoe wordt vastgelegd tegen uiterlijk 19 december 2023. De klager zal dan vervolgens de gelegenheid krijgen om daarop te repliceren tegen uiterlijk 5 januari 2024, met een laatste mogelijkheid tot repliek voor de verweerder uiterlijk 19 januari 2024. 12. Op 5 december 2023 geeft de klager te kennen dat hij anoniem wenst te blijven en afziet van deelname aan de hoorzitting. Hij voegt ook geen nieuwe elementen toe aan het dossier. 13. Op 5 december 2023 verzoekt de verweerder om verlenging van de termijn tot het verstrekken van bijkomende toelichting. 14. Ingevolge dit verzoek van de verweerder gaat de Geschillenkamer op 6 december 2023 over tot het vaststellen van een nieuwe datum van hoorzitting op 6 februari 2024, alsook een nieuwe datum voor het indienen van een aanvullende conclusie door de verweerder die wordt vastgelegd op uiterlijk 8 januari 2024, met mogelijkheid tot repliek voor de klager uiterlijk 19 januari 2024 en deze voor de verweerder uiterlijk 31 januari 2024. 15. Op 8 januari 2024 ontvangt de Geschillenkamer de aanvullende conclusie van de verweerder waarin het actuele gegevensverwerkingsbeleid van het ITAA als rechtsopvolger wordt geduid in het licht van de vaststellingen uit het verleden. Hierop volgt geen repliek van de klager en dus ook geen verdere repliek van de verweerder. 16. Op 6 februari 2024 wordt de verweerder gehoord door de Geschillenkamer. 17. Op 12 februari 2024 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd overeenkomstig artikel 54 van het reglement van interne orde 2. Hoewel de verweerder als aanwezige partij tijdens de hoorzitting schriftelijke opmerkingen kan maken om deze als bijlage te laten toevoegen bij het proces-verbaal, heeft de Geschillenkamer geen enkele opmerking bij het proces-verbaal ontvangen. 2 Het betreft het reglement van interne orde zoals van toepassing op klachten en procedures die zijn aangevat vóór 01/06/2024. Dit is het gevolg van de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, in werking getreden op 1 juni 2024, waardoor het reglement van interne orde werd aangepast voor procedures aangevat na deze datum van inwerkingtreding. Beslissing ten gronde 150/2024— 5/23 II. Motivering
- a)Rechtsgrond 18. Publieke zoekmotor In het eerste onderdeel van de klacht voert de klager aan dat de verweerder de persoonsgegevens van de leden en stagiairs publiceerde via een publieke zoekmotor op haar webapplicatie. Zo stelt klager dat hij nooit zijn uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven aan de verweerder voor het kenbaar maken op diens website van zijn persoonsgegevens als verplicht lid van de organisatie van de verweerder. 19. Het verslag van de Inspectiedienst wijst erop dat de verweerder zich voor wat betreft de publicatie van de persoonsgegevens van de leden beroept op meerdere rechtsgronden voor eenzelfde verwerking, namelijk artikel 6.1 a), 6.1
- c)en 6.1
- f)AVG. 20. Uit het onderzoek van de Inspectiedienst is immers gebleken dat de verweerder zich baseert op de wettelijke verplichting (artikel 6.1
- c)AVG) om gegevens die werden opgenomen in haar intern register te publiceren en verwijst daarvoor inzonderheid naar artikel 44, lid 5 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen 3. De Inspectiedienst stelt dienaangaande vast dat voormelde bepaling weliswaar een rechtsgrond inhoudt voor het verwerken van persoonsgegevens van de leden en stagiairs in de vorm van een geautomatiseerde verwerking, maar er geen sprake is van een afdoende wettelijke rechtsgrond voor publicatie van deze persoonsgegevens in een openbaar register, raadpleegbaar via de publieke zoekmotor. 21. Het verslag van de Inspectiedienst stelt verder dat de privacyverklaring een andere rechtsgrond vermeldt voor de publicatie van diezelfde persoonsgegevens in het publiek te raadplegen register, namelijk het gerechtvaardigd belang van de verweerder (artikel 6.1
- f)AVG). 22. Naar aanleiding van het onderzoek van de Inspectiedienst omtrent het gebruik van de persoonsgegevens opgenomen in het openbaar register voor de verkiezing van de leden van de verweerder (zie hierna), heeft de verweerder aan de Inspectiedienst gemeld dat in de 3 Artikel 44, lid 5 van de wet van 22 april 1999: Het Beroepsinstituut houdt het tableau bij van de erkende boekhouders en erkende boekhouders-fiscalisten alsook de lijst van de stagiair boekhouders en de stagiair boekhouders-fiscalisten. Dit tableau en deze lijst van stagiairs bestaan enerzijds uit diegenen die hun beroep op zelfstandige basis voor rekening van derden uitoefenen, zijnde de externe leden en externe stagiairs, en anderzijds uit diegenen die het beroep uitsluitend uitoefenen in ondergeschikt dienstverband via een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, zijnde de interne leden en interne stagiairs. Naar deze categorieën wordt, indien zij specifiek geviseerd worden, hierna expliciet verwezen als zijnde respectievelijk de " externe beroepsbeoefenaars of externe stagiairs " of de " interne beroepsbeoefenaars of interne stagiairs. Deze bepaling werd opgeheven bij Koninklijk Besluit van 11 september 2020 tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur en tot opheffing van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, met uitzondering van sommige bepalingen. Beslissing ten gronde 150/2024— 6/23 toekomst de voorafgaande toestemming (artikel 6.1
- a)AVG) aan alle leden zal worden gevraagd alvorens deze te publiceren en raadpleegbaar te maken op de publieke zoekmotor. 23. De verweerder heeft in de conclusie van antwoord toegelicht dat de opname van de persoonsgegevens (naam, plaats van beroepsuitoefening en contactgegevens) in het interne register van de verweerder uitsluitend is gesteund op de wettelijke verplichting die de verweerder ter zake had als beroepsinstituut op grond van artikel 44 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. 24. Aangaande de publicatie via de zoekmotor geeft de verweerder aan dat zowel voor de publicatie van de naam en de plaats van beroepsuitoefening, als deze van de professionele contactgegevens van de betrokkenen, de verwerking initieel was gebaseerd op haar wettelijke verplichtingen. Ingevolge de vaststellingen van de Inspectiedienst werd de rechtsgrond evenwel gewijzigd. De publicatie via de zoekmotor van de persoonsgegevens, die volgens de verweerder een afzonderlijke verwerking betreft, wordt na de wijziging gesteund op het gerechtvaardigd belang voor wat betreft de naam en plaats van beroepsuitoefening van de betrokkenen. De publicatie van de contactgegevens van de betrokkenen werd stopgezet na de vaststelling door de Inspectiedienst dat de contactgegevens werden aangewend in het kader van de organisatie van de interne verkiezingen bij de verweerder. De publicatie van de contactgegevens van de betrokkenen werd vanaf dat ogenblik slechts mogelijk mits de voorafgaande toestemming van de betrokkene. De verweerder benadrukt dat voor de publicatie een afzonderlijke rechtsgrond wordt aangewend, aangezien de publicatie een afzonderlijk verwerkingsproces uitmaakt. 25. Hieromtrent merkt de Geschillenkamer op dat de rechtsgrond aldus door de verweerder post factum werd gewijzigd. De Geschillenkamer benadrukt dat wegens de verplichting om ten tijde van het verzamelen van persoonsgegevens de rechtsgrond te verstrekken waarop de verwerkingsverantwoordelijke een beroep doet (artikel 13.1
- c)AVG), de verweerder voor aanvang van de gegevensverwerking, moet beslissen welke rechtsgrond hiervoor geldt4. 26. De Geschillenkamer stelt vast dat op het ogenblik van de feiten die het voorwerp vormen van de klacht de verweerder artikel 6.1.
- c)AVG als rechtsgrond hanteerde, meer specifiek de wettelijke verplichtingen waren die op haar van toepassing waren als beroepsinstituut. Concreet beroept de verweerder zich daarbij op de artikelen 44 en 46 van de wet van 22 april 1999, in combinatie met artikel 3 van de wet van 25 februari 2023 tot wijziging van voormelde wet, waardoor de verweerder wettelijk is gehouden tot het bijhouden van het tableau van de erkende boekhouders en erkende boekhouders-fiscalisten, alsook de lijst van de stagiair boekhouders en de stagiair boekhouders-fiscalisten. Op basis hiervan ging de verweerder over tot het bijhouden van een register van voormelde personen die het 4 Zie in dat verband o.m. Beslissing ten gronde 133/2021 van 2 december 2021; Beslissing ten gronde 147/2022 van 17 oktober 2022; Beslissing ten gronde 105/2023 van 1 augustus 2023. Beslissing ten gronde 150/2024— 7/23 beroep uitoefenen, in de vorm van een computerbestand beschikbaar ter inzage op de zetel van de verweerder. Ter voorbereiding van het nieuwe Huishoudelijk Reglement van 2002 heeft de verweerder het publieke gedeelte van het register dat tot dan op de zetel beschikbaar was, omgezet naar een webmodule. Deze wijziging was volgens de verweerder ingegeven doordat meer en meer personen zonder erkenning zich profileerden als boekhouder of fiscalist, waarbij de publieke zoekmotor de functie kreeg om de (potentiële) klant te beschermen in het licht van het doeleinde zoals vooropgesteld in artikel 46 van de wet van 22 april 19995. De verweerder stelt dat het louter ter beschikking stellen van het register op de zetel immers niet langer dit vooropgestelde doeleinde bereikte. 27. De Geschillenkamer wijst erop dat de wettelijke bepalingen zoals van toepassing op het ogenblik van de klacht en waarop de verweerder zich beroept, niet de verplichting inhouden om de betreffende persoonsgegevens als dusdanig te publiceren en aldus raadpleegbaar te maken via een zoekmotor. Artikel 44 verplicht de verweerder er enkel toe het tableau van de erkende boekhouders en boekhouders-fiscalisten bij te houden, alsook de lijst van de stagiairs. Artikel 46 van diezelfde wet bepaalt dat niemand dit beroep mag uitoefenen zonder te zijn ingeschreven op het tableau of op de lijst van de stagiairs. 28. De verweerder achtte deze wettelijke bepalingen voldoende om de publieke zoekmotor te baseren op artikel 6.1
- c)AVG. De verweerder argumenteert daartoe dat meer en meer personen zich profileerden als boekhouder of fiscalist zonder over de vereiste erkenning te beschikken. Daarnaast gingen potentiële klanten steeds meer op zoek naar een boekhouder via internet waardoor het gevaar om met een niet-erkende boekhouder of fiscalist te werken maatschappelijk gezien aanzienlijk toenam. Om het beroep en de potentiële klanten te beschermen was de publieke zoekmotor voor de verweerder het meest opportuun, vermits naar diens oordeel het louter ter beschikking houden van het register op de zetel van de verweerder niet langer het door de wetgever vooropgestelde doeleinde bereikte (artikel 44 en 46 van de wet van 22 april 1999). 29. Aangaande de rechtsgrond opgenomen onder artikel 6.1
- c)AVG vestigt de Geschillenkamer er de aandacht op dat deze enkel van toepassing is indien er sprake is van een gegevensverwerking die noodzakelijk is voor een wettelijke verplichting in hoofde van de verwerkingsverantwoordelijke. Dit betekent dat het nakomen van die verplichting vereist dat de verwerkingsverantwoordelijke overgaat tot gegevensverwerking zonder dienaangaande over enige keuzevrijheid te beschikken. In het licht hiervan is het van belang 5 Artikel 46 Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen: Niemand mag, als zelfstandige in hoofd- of bijberoep, het beroep van boekhouder uitoefenen of de beroepstitel voeren van " erkende boekhouder ", of van " stagiair-boekhouder " of een andere titel die tot verwarring zou kunnen leiden, als hij niet ingeschreven is op het tableau van titularissen van het beroep, of op de lijst van stagiairs gehouden door het Beroepsinstituut. Niemand mag bovendien de beroepstitel voeren van " erkende boekhouder-fiscalist " of " stagiair boekhouder-fiscalist " of een andere titel die tot verwarring zou kunnen leiden, als hij geen erkende boekhouder is en als hij niet ingeschreven is op het tableau van " erkende boekhouders-fiscalisten ", of op de lijst van " stagiairs boekhouders-fiscalisten " gehouden door het Beroepsinstituut. Beslissing ten gronde 150/2024— 8/23 te verwijzen naar overweging 41 AVG6 waarin is vermeld dat een wetgevingsmaatregel duidelijk en nauwkeurig dient te zijn, en de toepassing daarvan voorspelbaar moet zijn voor degenen op wie deze van toepassing is. Meer in het bijzonder stelt overweging 45 AVG7 dat er kan worden volstaan met eenzelfde wettelijke regeling die als basis fungeert voor verscheidene verwerkingen. 30. De toepasselijke wetgeving moet ook het doel van de verwerking bepalen, waarbij ook een nadere omschrijving kan worden gegeven van de algemene voorwaarden van de AVG waaraan de persoonsgegevensverwerking moet voldoen om rechtmatig te zijn, en specificaties kunnen worden vastgesteld voor het bepalen van de verwerkingsverantwoordelijke, het type verwerkte persoonsgegevens, de betrokkenen, de entiteiten waaraan de persoonsgegevens mogen worden vrijgegeven, de doelbinding, de opslagperiode en andere maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking (artikel 6.3 AVG)8. 31. De Geschillenkamer wijst er in dit verband op dat overeenkomstig voormeld artikel 6.3 AVG, gelezen in samenhang met artikel 22 van de Grondwet en in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Europees Grondrechtenhandvest, een wetgevende norm de essentiële kenmerken van een gegevensverwerking moet vastleggen die noodzakelijk is voor de uitvoering van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is toevertrouwd. De Geschillenkamer benadrukt dat de betrokken verwerking dient te worden omkaderd door een norm die voldoende duidelijk en nauwkeurig is waarvan de toepassing voor de betrokken personen voorzienbaar is. De Geschillenkamer wijst er in dit verband evenwel op dat taken van algemeen belang of 6 Overweging 41 AVG. Wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie („Hof van Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 7 Overweging 45 AVG. Indien de verwerking wordt verricht omdat de verwerkingsverantwoordelijke hiertoe wettelijk is verplicht of indien de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang dan wel voor een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag, dient de verwerking een grondslag te hebben in het Unierecht of het lidstatelijke recht. Deze verordening schrijft niet voor dat voor elke afzonderlijke verwerking specifieke wetgeving vereist is. Er kan worden volstaan met wetgeving die als basis fungeert voor verscheidene verwerkingen op grond van een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor verwerking die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang dan wel voor een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag. Het moet ook het Unierecht of het lidstatelijke recht zijn die het doel van de verwerking bepaalt. Voorts zou dat recht een nadere omschrijving kunnen geven van de algemene voorwaarden van deze verordening waaraan de persoonsgegevensverwerking moet voldoen om rechtmatig te zijn, en specificaties kunnen vaststellen voor het bepalen van de verwerkingsverantwoordelijke, het type verwerkte persoonsgegevens, de betrokkenen, de entiteiten waaraan de persoonsgegevens mogen worden vrijgegeven, de doelbinding, de opslagperiode en andere maatregelen om te zorgen voor rechtmatige en behoorlijke verwerking. Ook dient in het Unierecht of het lidstatelijke recht te worden vastgesteld of de verwerkingsverantwoordelijke die is belast met een taak van algemeen belang dan wel met een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag, een overheidsinstantie of een andere publiekrechtelijke persoon of, indien zulks is gerechtvaardigd om redenen van algemeen belang, waaronder gezondheidsdoeleinden zoals volksgezondheid, sociale bescherming en het beheer van gezondheidszorgdiensten, een privaatrechtelijke persoon, zoals een beroepsvereniging, moet zijn. 8 Zie in dat verband ook het Standaardadvies van de Gegevensbeschermingsautoriteit 65/2023 van 24 maart 2023 betreffende de redactie van normatieve teksten, inzonderheid randnr. 14, tweede punt: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-65-2023.pdf Beslissing ten gronde 150/2024— 9/23 openbaar gezag waarmee verwerkingsverantwoordelijken zijn belast, dikwijls niet gebaseerd zijn op nauwkeurig omschreven verplichtingen of wetgevende normen, meer bepaald het vastleggen van de essentiële kenmerken van de gegevensverwerking. Veeleer vinden verwerkingen plaats op basis van een meer algemene machtiging om te handelen, zoals voor de vervulling van de taak noodzakelijk is. Dit leidt ertoe dat de desbetreffende wettelijke basis in de praktijk veelal geen concreet omschreven bepalingen bevat omtrent de noodzakelijke gegevensverwerkingen. Verwerkingsverantwoordelijken die op basis van dergelijke wettelijke grondslag willen beroep doen op artikel 6.1
- e)AVG moeten dan zelf een afweging maken tussen de noodzakelijkheid van de verwerking voor de taak van algemeen belang en de belangen van de betrokkenen9. 32. Op grond van het bovenstaande oordeelt de Geschillenkamer dat de wettelijke bepalingen (artikel 44 en 46 van de wet van 22 april 1999) waarop de verweerder zich beroept, beperkt zijn tot het bepalen van het doeleinde van het register van de personen die het beroep uitoefenen, zijnde het bijhouden van het tableau van de erkende boekhouders en erkende boekhouders-fiscalisten, alsmede de lijst van de stagiair boekhouders en de stagiair boekhouders-fiscalisten. Zoals de verweerder aanvoert, hebben deze bepalingen tot doel de beroepsuitoefening te erkenningsvoorwaarden onderwerpen waardoor de aan een kwaliteit, strenge de deontologie professionaliteit en en de vertrouwensrelatie met de (toekomstige) klant te garanderen, te bevorderen en te beschermen. Hiertoe dient het openbaar register bij te dragen. Evenwel stelt de Geschillenkamer vast dat de betreffende wettelijke bepalingen niet voorzien in enige aanduiding waardoor de verweerder ertoe wordt verplicht het register van de betreffende beroepsbeoefenaars online te publiceren via de zoekmotor. De verweerder is daarentegen tot publicatie overgegaan louter op basis van een afweging die hij zelf heeft gemaakt, hetwelk hij ook erkent in de antwoordconclusie. De verweerder stelt dienaangaande uitdrukkelijk dat de wetgever zelf in geen enkele duidelijke modaliteit voorzag wat betreft de vorm van het register en de manier waarop dit exact raadpleegbaar moest zijn om het beoogde doeleinde te bereiken. De verweerder ging tot publicatie over omdat de beschikbaarheid van het register op de zetel volgens het eigen oordeel in het licht van de tijdsgeest niet het beoogde doel bereikte. De verweerder handelde aldus niet op grond van een door de wetgever opgelegde verplichting. 33. De Geschillenkamer dient dan ook te besluiten dat artikel 6.1
- c)AVG geen grondslag kon zijn voor de publicatie van de gegevens van de personen die het beroep van boekhouder, dan wel boekhouder-fiscalist uitoefenen. De correcte rechtsgrond waarop het BIBF zich diende te beroepen was de uitvoering van de haar opgedragen taak van algemeen belang (artikel 9 Zie onder meer: Beslissing ten gronde 124/2021 van 10 november 2021; Beslissing ten gronde 138/2021 van 8 december 2021; Beslissing ten gronde 24/2021 van 19 februari 2021; Beslissing 126/2022 van 18 augustus 2022; Beslissing ten gronde 162/2022 van 16 november 2022 Beslissing ten gronde 150/2024— 10/23 6.1
- e)AVG), niet het gerechtvaardigd belang (artikel 6.1
- f)AVG waarop het BIBF de publicatie van de persoonsgegevens via de zoekmotor vervolgens, ingevolge de tussenkomst van de Inspectiedienst, meende te kunnen baseren. Niet alleen kan een rechtsgrond niet a posteriori worden gewijzigd10, maar kan een organisatie zich ook niet beroepen op het gerechtvaardigd belang als rechtsgrond binnen het kader van de uitoefening van haar taken van algemeen belang, indien niet aan alle vereisten van artikel 6.1
- e)AVG wordt voldaan. 34. De Geschillenkamer gaat echter niet voorbij aan het feit dat de wetgever deze onvolkomenheid, nl. de afwezigheid van een bepaling in de wet die de verweerder ertoe verplicht het register van de betreffende beroepsbeoefenaars online te publiceren via de zoekmotor, heeft verholpen door de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur. De verweerder is hierbij officieel opgegaan in het Instituut voor de Belastingadviseurs en de Accountants (Institute for Tax Advisors and Accountants, hierna” ITAA”) opgericht door artikel 61 van voormelde wet. Op grond hiervan is het ITAA in de rechten en verplichtingen van de verweerder getreden. Het ITAA kan zich thans beroepen op haar taak die is verankerd in een wettelijke norm (artikel 6.1
- c)AVG) overeenkomstig artikel 6.3 AVG. De opdracht van het ITAA wordt expliciet omschreven in artikel 62 van de wet van 17 maart 2019 11 met inbegrip van specifieke bepalingen inzake 10 Zie in dit verband ook Beslissing ten gronde 133/2021 van 2 december 2021; Beslissing ten gronde 147/2022 van 17 oktober 2022; Beslissing ten gronde 105/2023 van 1 augustus 2023. 11 Art. 62.§ 1. Het Instituut heeft als opdracht : 1° het beschermen van de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van de personen ingeschreven in het openbaar register; 2° het toezien op de toegang tot het beroep van gecertificeerd accountant en gecertificeerd belastingadviseur door het voorzien van een toelatingsexamen en een stage, alsook van een bekwaamheidsexamen; 3° het beheer van een openbaar register; 4° het toezien op de permanente vorming; 5° het toezicht op de beroepsuitoefening, met alle noodzakelijke waarborgen op het vlak van bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid door het voorzien van een tuchtregeling; 6° het verschaffen van de toegang tot het beroep voor beroepsbeoefenaars uit een andere lidstaat die in België de activiteiten als bedoeld in de artikel en 3 en 6 wensen uit te voeren; 7° het toezien op de naleving van de modaliteiten en voorwaarden door de personen die tijdelijk en occasioneel de beroepsactiviteiten in België, als bedoeld in artikel 23, uitoefenen; 8° in het kader van de administratieve samenwerking tussen lidstaten teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen, de beveiligde uitwisseling van informatie en gegevens met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, in het bijzonder via het Informatiesysteem voor de Interne Markt (IMI) met betrekking tot het beroep en de beroepsbeoefenaars, overeenkomstig de artikel en XV.49 en XV.52 van het Wetboek van economisch recht en de artikel en 27 en 27/1 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties; 9° het toezien op de naleving door de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van de modaliteiten en voorwaarden van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. § 2. Het Instituut verwerkt de persoonsgegevens die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten in overeenstemming met verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Het Instituut is de verwerkingsverantwoordelijke bedoeld in die verordening. De persoonsgegevens worden door het Instituut behandeld met het oog op : 1° de toepassing van het wettelijk, reglementair en normatief kader; 2° de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten in België of in andere landen; Beslissing ten gronde 150/2024— 11/23 gegevensbescherming. Zo wordt in artikel 62, §2 van deze wet het ITAA aangeduid als verwerkingsverantwoordelijke en is er aldus in die hoedanigheid toe gehouden de bepalingen van de AVG na te leven, met daarbij de verplichte aanduiding van een functionaris voor gegevensbescherming. Ook worden de doeleinden van de gegevensverwerking uitdrukkelijk vermeld in het betreffende artikel 62, §2. Daarnaast wordt eveneens het openbaar register op gedetailleerde wijze geregeld in de artikelen 2935 van de wet van 17 maart 2019, met bijzondere aandacht voor de categorieën van persoonsgegevens opgenomen in het register en de bewaartermijn ervan. Bovendien dient het openbaar register te worden bijgehouden onder de vorm van een elektronische databank en dienen de erin opgenomen gegevens openbaar te worden gemaakt overeenkomstig artikel 10 van het Koninklijk besluit van 11 september 2020 12. 35. Als gevolg van het wetgevend ingrijpen is de bestaande structuur gemoderniseerd en aangepast aan de actuele context. Hiermee zijn onder meer de regels inzake de toegang tot het beroep beter afgestemd op de maatschappelijke noodwendigheden. Specifiek aangaande het openbaar register bepaalt de Memorie van Toelichting bij de wet van 17 maart 2019 dat het openbaar register ertoe strekt om enerzijds ondernemingen de garantie te bieden dat de ingeschreven beroepsbeoefenaar de hoedanigheid heeft om de beroepsactiviteit uit te oefenen en dus over alle beroepskwalificaties voor die uitoefening beschikt, en anderzijds potentiële cliënten toe te laten om het openbaar register te raadplegen om aldus in contact te treden met de personen die de beroepsactiviteit uitoefenen13. 36. Deze doeleinden zijn weliswaar gelijklopend aan deze die door de verweerder werden nagestreefd (zie randnr. 26), maar met dien verstande dat de verweerder zich niet in de plaats kan stellen van de wetgever en op enig wetgevend initiatief kan anticiperen. Bijgevolg is de Geschillenkamer van oordeel dat de verweerder op ongeoorloofde wijze heeft 3° de opmaak van verslagen en statistieken die het Instituut toelaten zijn activiteiten te optimaliseren. Het Instituut duidt een functionaris voor gegevensbescherming aan die belast is met de functie en de opdrachten bedoeld in de algemene verordening gegevensbescherming. 12 Art. 10. In overeenstemming met artikel 32 van de wet houdt de Raad van het Instituut in het openbaar register onder de vorm van een elektronische databank de volgende gegevens bij over de natuurlijke personen en maakt ze openbaar: 1° de identificatiegegevens van de betrokken persoon, met name de naam, voornaam en de nodige contactgegevens, namelijk, het adres waar de natuurlijk persoon kantoor houdt, het professioneel telefoonnummer en het professioneel emailadres; 2° het inschrijvingsnummer en de hoedanigheid die het Instituut heeft toegekend aan de betrokken persoon en de vermeldingen opgenomen in het openbaar register; 3° de datum van toekenning van de hoedanigheid door het Instituut aan de betrokken persoon en de datum van de eerste inschrijving in het openbaar register; 4° de taal van de betrokken persoon, bedoeld in artikel 30, 7°, van de wet; 5° in voorkomend geval, de mandaten die de betrokken persoon vervult als lid van het bestuursorgaan van een rechtspersoon aan wie de hoedanigheid en/of de beroepstitel door het Instituut werd toegekend; 6° in voorkomend geval, het adres waar de beroepsbeoefenaar kantoor houdt en het of de netwerken waartoe de betrokken persoon behoort. 13 Memorie van Toelichting, Parlementair Document 54-3522, p. 27-28. Beslissing ten gronde 150/2024— 12/23 gehandeld door zich te beroepen op wettelijke bepalingen die geenszins de verplichting inhielden om over te gaan tot publicatie van de persoonsgegevens van de betrokkenen en deze raadpleegbaar te maken via een zoekmotor. Hoewel de verweerder als dusdanig een inbreuk heeft gepleegd op de AVG inzake de vereiste rechtsgrond (artikel 6 AVG), koppelt de Geschillenkamer hieraan uitzonderlijk geen sanctie en stelt zij verweerder buiten vervolging. Immers, ingevolge de tussenkomst van de wetgever bestaat sinds 30 september 202014 voor de verweerder wel de uitdrukkelijke verplichting om het openbaar register in de vorm van een elektronische databank bij te houden en de nader omschreven gegevens van de betrokkenen openbaar te maken. Rekening houdend met het wetgevend kader waarbinnen de verweerder sinds 30 september 2020 de persoonsgegevens van de betrokkenen verwerkt, vindt de publicatie van betreffende gegevens op de website thans plaats op grond van artikel 6.1
- c)AVG. 37. Verkiezingen Het tweede onderdeel van de klacht heeft betrekking op het feit dat de klager op zijn professionele e-mailadres is benaderd door verscheidene kandidaten voor de verkiezingen binnen de organisatie van de verweerder. 38. Naar aanleiding van het onderzoek door de Inspectiedienst daaromtrent deelde de verweerder mee dat informatie uit de online raadpleegbare tableaulijst werd gebruikt door kandidaten voor de verkiezingen om de stemgerechtigde leden aan te schrijven in het kader van de verkiezingen. De Inspectiedienst stelt dat deze vaststelling tot gevolg heeft dat er sprake is van een inbreuk op de verplichting tot beveiliging van de gegevensverwerking (artikel 32 AVG) en de verplichting tot melding van een gegevenslek (artikelen 32-33 AVG ). 39. Op basis van de bevindingen van de Inspectiedienst heeft de verweerder op 29 november 2019 melding gedaan van het gegevenslek, waarop de Gegevensbeschermingsautoriteit op 4 december 2019 reageerde met de mededeling dat het onderzoek naar dit gegevenslek niet diende te worden verdergezet, zonder nadere motivering ervan. 40. Naar aanleiding van het verzoek tot inlichtingen dat door de verweerder werd gericht aan alle kandidaten voor de verkiezingen, hebben diverse kandidaten bevestigd dat rechtstreeks of onrechtstreeks (via beroepsverenigingen) informatie uit de online raadpleegbare tableaulijst werd gebruikt om de stemgerechtigde leden aan te schrijven in het kader van de verkiezingen. Aangezien het globaal kopiëren van contactgegevens op de website van de verweerder onmogelijk was door een zogenaamde “captcha” bij elke zoekopdracht, hebben diverse kandidaten en beroepsverenigingen één voor één de contactgegevens van leden gekopieerd om nadien de verkiezingsmail te versturen. 14 Datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur Beslissing ten gronde 150/2024— 13/23 41. Uit geen enkel stuk blijkt dat de verweerder op ook maar enig moment ledenlijsten heeft overgemaakt aan kandidaten voor de verkiezingen of hun beroepsverenigingen. De verweerder stelt dan ook niet te zijn betrokken bij de verzending van verkiezingsmails. In die zin bevestigt het verslag van de Inspectiedienst dat het verzenden van verkiezingsmails geen verwerking uitmaakt in hoofde van de verweerder, maar daarentegen wel oneigenlijk (het hergebruik van publiek raadpleegbare persoonsgegevens is immers niet vrij 15) gebruik uitmaakt van de gepubliceerde persoonsgegevens van de leden en stagiairs door diverse kandidaten bij de verkiezingen. In die zin is er dan ook volgens de Geschillenkamer geen inbreuk in verband met persoonsgegevens in de zin van artikel 4. 12) AVG16 in hoofde van verweerder. Er kan niet van een gegevenslek in de zin van artikel 32 en 33 juncto artikel 4, 12) AVG worden gesproken, aangezien de verweerder de gegevens zelf heeft gepubliceerd via de zoekmotor. Het hergebruik voor verkiezingsdoeleinden was niet te wijten aan een inbreuk op de beveiliging in de zin van artikel 4. 12 AVG bij gebrek aan passende technische en organisatorische maatregelen. De verweerder heeft echter niets te maken en is dus geen verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens hergebruikt voor verkiezingsdoeleinden. Er was een gebrek aan rechtsgrond voor de publicatie, dit is een inbreuk op zich en brengt niet met zich mee dat daaruit ook een gebrek aan beveiligingsmaatregelen kan worden afgeleid om ook tot een inbreuk op art. 32 en 33 te besluiten. Er is daarentegen wel oneigenlijk gebruik gemaakt van de gepubliceerde persoonsgegevens van de leden en stagiairs door diverse kandidaten bij de verkiezingen, maar dus niet door de verweerder. Aldus werd door de verweerder geen inbreuk gepleegd op de artikelen 32 en 33.5 AVG. 42. De verweerder voert in de conclusie van antwoord aan dat zowel formele en schriftelijke verzoeken als informele en mondelinge vragen van kandidaten om te mogen beschikken over e-maillijsten van stemgerechtigde leden pertinent en uitdrukkelijk werden geweigerd, aangezien dit niet zou kaderen binnen de verwerkingsdoeleinden van de tableaulijsten. Dienaangaande wijst de Geschillenkamer erop dat ongeacht enig verzoek uitgaande van een kandidaat, de verweerder als verwerkingsverantwoordelijke voor de tableaulijsten de naleving van de beginselen in artikel 5.1 AVG, waaronder het doelbindingsbeginsel, moet kunnen aantonen op grond van de artikelen 5.2 AVG en 24 AVG. Dit houdt in concreto in dat de verweerder erover moet waken dat de door hem verwerkte gegevens in de tableaulijsten niet worden gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met het doeleinde. Hieruit volgt dat de verweerder alle redelijk inzetbare middelen dient aan te wenden om enig onverenigbaar gebruik van de persoonsgegevens opgenomen in de tableaulijsten te voorkomen. Het 15 Zie in dat verband ook Beslissing ten gronde 35/2020 van 30 juni 2020 16 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] 12) „inbreuk in verband met persoonsgegevens”: een inbreuk op de beveiliging die per ongeluk of op onrechtmatige wijze leidt tot de vernietiging, het verlies, de wijziging of de ongeoorloofde verstrekking van of de ongeoorloofde toegang tot doorgezonden, opgeslagen of anderszins verwerkte gegevens; Beslissing ten gronde 150/2024— 14/23 volstaat daartoe niet om de verstrekking van ledenlijsten te weigeren ingeval van een verzoek om dergelijke lijst te verkrijgen. De verweerder dient in de mate van het mogelijke te verhinderen dat de gegevens worden verwerkt voor onverenigbare doeleinden door onder meer te voorzien in een degelijke informatieverstrekking omtrent de doeleinden waartoe de gegevens opgenomen in de tableaulijsten kunnen worden aangewend. De Geschillenkamer verwijst hiertoe naar overweging 78 van de AVG 17. 43. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder de publicatie van de contactgegevens via de publieke zoekmotor heeft stopgezet zodra de verweerder via de Inspectiedienst kennis kreeg van het gebruik van deze contactgegevens voor de verzending van verkiezingsmails. Vanaf dat ogenblik werd als standaard gehanteerd dat de contactgegevens van de leden niet raadpleegbaar waren en werd de publicatie van de contactgegevens van de leden enkel mogelijk mits de voorafgaande toestemming waardoor deze gegevens niet langer standaard raadpleegbaar waren op de publieke zoekmotor. Deze maatregel was erop gericht de verwerking te minimaliseren (artikel 5.1
- c)AVG) en liet de betrokkene eveneens toe om controle uit te oefenen op de gegevensverwerking, vermits zijn contactgegevens niet langer werden gepubliceerd zonder zijn toestemming (artikel 6.1
- a)AVG). De Geschillenkamer stelt dat de verweerder deze maatregel van bij aanvang had moeten toepassen en daarnaast ook in de vereiste transparantie (artikel 5.1
- a)AVG) omtrent de gegevensverwerking (zie voetnoot 11) had moeten voorzien waarbij de kandidaten van de verkiezingen vooraf worden geïnformeerd dat de contactgegevens niet kunnen worden gebruikt voor verkiezingsdoeleinden, aangezien dit onverenigbaar is met het initiële doeleinde (artikel 5.1
- b)AVG). 44. Omwille van het gebrek aan vaststelling door de Inspectiedienst van de niet-naleving van zowel het beginsel inzake transparantie, doelbinding en minimale gegevensverwerking (artikel 5.1 a),
- b)en
- c)AVG), als de verantwoordingsplicht van de verweerder (artikel 5.2 AVG) voor wat betreft het hergebruik door haar leden van de contactgegevens opgenomen in de tableaulijsten door de kandidaten voor de verkiezingen, beperkt de Geschillenkamer zich tot deze opmerking en wordt hiervoor geen sanctie opgelegd. - 17 Direct marketing Zie in dat verband overweging 78 AVG: Ter bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens zijn passende technische en organisatorische maatregelen nodig om te waarborgen dat aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan. Om de naleving van deze verordening aan te kunnen tonen, moet de verwerkingsverantwoordelijke interne beleidsmaatregelen nemen en maatregelen toepassen die voldoen aan met name de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen. Dergelijke maatregelen kunnen onder meer bestaan in het minimaliseren van de verwerking van persoonsgegevens, het zo spoedig mogelijk pseudonimiseren van persoonsgegevens, transparantie met betrekking tot de functies en de verwerking van persoonsgegevens, het in staat stellen van de betrokkene om controle uit te oefenen op de informatieverwerking en uit het in staat stellen van de verwerkingsverantwoordelijke om beveiligingskenmerken te creëren en te verbeteren. […] (eigen onderlijning) Beslissing ten gronde 150/2024— 15/23 45. Het derde onderdeel van de klacht betreft het gebruik van de persoonsgegevens van de leden en stagiairs voor direct marketing in hoofde van de verweerder, alsook voor direct marketing in hoofde van commerciële bedrijven die in het kader van organisatie van events de e-mailadressen van de leden en stagiairs gebruiken. 46. Het uitgangspunt van de Inspectiedienst is dat het sturen van informatie door de verweerder, zelfs zonder het nastreven van een commercieel doel, in de vorm van interne of externe nieuwsbrieven of het sturen van uitnodigingen voor events – al dan niet in samenwerking met een externe commerciële partner – onder het begrip valt van direct marketing. Daarnaast hanteert de verweerder volgens de Inspectiedienst ook meerdere rechtsgronden voor eenzelfde verwerking (artikel 6.1 c),
- e)en
- f)AVG). 47. De verweerder voert elementen aan om de stelling dat er sprake is van direct marketing te weerleggen. Zo benadrukt de verweerder dat het louter informatieve berichten betreft die zijn verzonden in haar hoedanigheid van beroepsorganisatie, hetwelk valt binnen haar wettelijke voorziene taak om de leden en stagiairs te informeren op grond van artikel 44 van de wet van 22 april 1999, zoals op het ogenblik van de feiten van toepassing. Ingevolge deze wettelijke bepaling dient de verweerder erop toe te zien dat de leden en stagiairs de toevertrouwde opdrachten naar behoren uitvoeren en ter zake ook over de nodige bekwaamheid beschikken. De verweerder beklemtoont dat het doeleinde van de door haar verzonden berichten enkel en alleen was gericht op informatieverstrekking teneinde de leden en stagiairs op te leiden; deze communicaties hadden niet tot doel iets te promoten of te verkopen. 48. Aangaande deze berichten maakt de verweerder een onderscheid tussen interne en externe nieuwsbrieven. Met betrekking tot de ‘interne’ nieuwsbrieven die enkel zijn gericht aan de leden en stagiairs, preciseert de verweerder dat deze belangrijke informatie betreffen over wijzigingen en feiten omtrent in hoofdorde essentiële, inhoudelijke elementen voor de uitoefening van het beroep en betreffende de werking van de beroepsorganisatie. De voorbeelden die daarbij worden aangehaald zijn: het doorgeven van mededelingen vanwege de fiscale administratie omtrent aangiftes of aangiftetermijnen, de uitnodiging tot betaling van de bijdragen en de inwerkingtreding van reglementen of richtlijnen. Voor wat betreft de ‘externe’ nieuwsbrieven die worden gericht aan zowel leden als belanghebbende personen, betreft het informatieverstrekking aan hen die zich daarvoor hebben ingeschreven. 49. In het licht van aanbeveling nr. 01/2020 van 17 januari 2020 betreffende de verwerking van persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden waarin het begrip ‘direct marketing’18 18 Elke communicatie, in welke vorm dan ook, gevraagd of ongevraagd, afkomstig van een organisatie of persoon en gericht op de promotie of verkoop van diensten, producten (al dan niet tegen betaling), alsmede merken of ideeën, geadresseerd door een organisatie of persoon die handelt in een commerciële of niet-commerciële context, die rechtstreeks gericht is aan een of meer natuurlijke personen in een privé- of professionele context en die de verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt. Beslissing ten gronde 150/2024— 16/23 wordt omschreven, is de Geschillenkamer van oordeel dat in casu de nieuwsbrieven van de verweerder niet kunnen worden beschouwd als direct marketing. Hoewel het begrip direct marketing ruim dient te worden geïnterpreteerd, is in casu het doeleinde dat vooropstaat bij de verzending van de nieuwsbrieven louter het opleiden van de leden en het waken over hun beroepsbekwaamheid, waarbij informatieverstrekking centraal staat zonder dat daarbij enige promotie van goederen, diensten, merken of ideeën wordt beoogd. De nieuwsbrieven vormen enkel een instrument dat bijdraagt aan het vervullen van de wettelijke opdracht van de verweerder om te voorzien in de opleiding van haar leden die behoren tot de betreffende beroepsgroep. Het stelt de verweerder in staat de volledige doelgroep op een eenvoudige manier te bereiken waardoor op een toegankelijke wijze de meest actuele, essentiële informatie wordt verstrekt die aan de leden toelaat hun beroep uit te oefenen met de meest actuele, vereiste kennis. De specificiteit van dergelijke nieuwsbrieven is gelegen in een wettelijke opdracht in hoofde van de verweerder tot het opleiden en het verzekeren van de bekwaamheid van haar leden. Dit is aldus te onderscheiden van nieuwsbrieven die doorgaans promotionele mededelingen bevatten. 50. Dit neemt echter niet weg dat de verzending van nieuwsbrieven door de verweerder een verwerking van persoonsgegevens meebrengt en dus dient te zijn gebaseerd op één van de rechtsgronden uit artikel 6.1 AVG. 51. De wettelijke opdracht tot het opleiden van de leden en stagiairs betekent niet ipso facto dat er ook een wettelijke verplichting is om nieuwsbrieven te verzenden, waardoor de verweerder zich op van artikel 6.1
- c)AVG als rechtsgrond zou kunnen beroepen. 52. Voor de interne nieuwsbrieven baseert de verweerder zich op de wettelijke verplichting in de zin van artikel 6.1
- c)AVG als rechtsgrond. In concreto verwijst de verweerder naar artikel 44 e.v. van voormelde wet van 22 april 1999 die de verplichting inhoudt om zijn leden te informeren, als onderdeel van zijn ruimere verplichtingen inzake het verzekeren van de beroepsbekwaamheid en de permanente vorming. In bepaalde gevallen diende specifiekere wetgeving als rechtsgrond. Zo wordt voor wat betreft de verkiezingsberichten verwezen naar het Koninklijk besluit van 28 november 2018 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, voor communicaties over de richtlijnen van de Raad in verband met de antiwitwasverplichtingen naar artikel 86, §2 van de wet van 18 september 201719 en voor de communicatie over de verplichte seminaries voor stagiairs naar artikel 17 van het stagereglement van de verweerder zoals goedgekeurd bij KB van 10 april 2015 20. 19 Wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. 20 Koninklijk besluit van 10 april 2015 tot goedkeuring van het stagereglement van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten. Beslissing ten gronde 150/2024— 17/23 53. Voor de interne nieuwsbrieven die buiten het wettelijk kader vallen, duidt de verweerder aan dat dit eerder beperkte communicaties zijn die zijn gebaseerd op de gerechtvaardigde belangen als beroepsinstituut om zijn leden, stagiairs en stakeholders te informeren en upto-date te houden in de vorm van specifieke communicaties die (on)rechtstreeks bijdroegen aan de doelstellingen van het instituut. 54. De externe nieuwsbrieven werden daarentegen enkel verstuurd aan personen die zich daarvoor hadden ingeschreven via het daartoe voorziene formulier op de website van de verweerder. De rechtsgrond die de verweerder hiervoor inroept, was de toestemming van de betrokken personen. 55. De Geschillenkamer stelt vast dat met betrekking tot de interne nieuwsbrieven waarvoor de verweerder zich beroept op de wettelijke verplichting (artikel 6.1c) AVG), de verweerder zelf erkent dat artikel 44 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, niet steeds even voldoende precies is waar het artikel niet expliciet voorziet dat de verweerder communicaties naar haar leden moet uitsturen. De verweerder gaat er verder vanuit dat om de doelstelling van artikel 44 te bereiken, het inherent en noodzakelijk is dat de leden worden geïnformeerd. De verweerder acht het onmogelijk de beroepsbekwaamheid te verzekeren en de permanente vorming van haar leden en stagiairs te bereiken zonder communicatie omtrent nieuwe wetgeving of permanente vorming. 56. Deze redenering kan evenwel niet worden gevolgd door de Geschillenkamer. Zoals reeds uiteengezet in deze beslissing (zie randnr. 32) wijst de Geschillenkamer erop dat artikel 44 van de wet van 22 april 1999 niet voorziet in enige aanduiding waardoor de verweerder ertoe wordt verplicht nieuwsbrieven in de vorm van e-mailberichten aan de leden en stagiairs te richten. De verweerder is daarentegen tot dergelijke persoonlijke adressering van communicaties overgegaan louter op basis van een afweging die hij zelf heeft gemaakt. De verweerder handelde ten tijde van de klacht aldus niet op grond van een door de wetgever opgelegde verplichting. De Geschillenkamer dient dan ook te besluiten dat artikel 6.1
- c)AVG geen grondslag kon en kan zijn voor de verzending per e-mail van de interne nieuwsbrieven waardoor aldus op het ogenblik van de feiten een inbreuk op artikel 6.1 AVG werd gepleegd. 57. Aangaande de interne nieuwsbrieven die volgens de verweerder buiten het wettelijk kader vallen, duidt de verweerder aan dat dit eerder beperkte communicaties zijn die zijn gebaseerd op haar gerechtvaardigde belangen. Doordat de verweerder een bij wet opgerichte instelling is die een taak van algemeen belang uitoefent, kan zij zich voor de uitoefening van de haar opgedragen taak tot informatieverstrekking aan haar leden en het voorzien in hun permanente vorming niet beroepen op de rechtsgrond opgenomen in artikel 6.1,
- f)AVG, zodanig dat ook voor wat betreft dit type van interne nieuwsbrieven een inbreuk op artikel 6.1 AVG moet worden vastgesteld. Beslissing ten gronde 150/2024— 18/23 58. De Geschillenkamer stelt vast dat artikel 44, al. 1 van de wet van 22 april 1999 21 aan de verweerder de opdracht geeft om de opleiding en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren, zodanig dat deze hun werkzaamheden uitvoeren met alle vereiste waarborgen inzake bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid. Aangezien de Geschillenkamer van oordeel is dat het opleiden van de leden die behoren tot een bepaalde beroepsgroep teneinde te waarborgen dat het beroep met accurate kennis en vaardigheid wordt beoefend, een taak van algemeen belang vormt in de zin van artikel 6.1
- e)AVG, was en is dit de te hanteren rechtsgrond ook in het licht van de actueel van toepassing zijnde wet van 17 maart 2019, inzonderheid artikel 62, §122, waarbij de verweerder in de uitoefening van haar taak van algemeen belang interne nieuwsbrieven per e-mail verzendt. 59. De Geschillenkamer heeft geen opmerkingen omtrent de externe nieuwsbrieven die door de verweerder worden verzonden, aangezien deze steeds enkel worden gericht aan de betrokkenen die daartoe hun voorafgaande, vrije, uitdrukkelijke, geïnformeerde toestemming hebben gegeven (artikel 6.1
- a)AVG).
- b)Verwerkersovereenkomsten 21 Art. 44, al. 1 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen: Het Beroepsinstituut heeft als opdracht toe te zien op de opleiding en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren, die bekwaam zijn de in artikel 49 bepaalde werkzaamheden uit te voeren met alle vereiste waarborgen inzake bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid. Het Beroepsinstituut ziet er tevens op toe dat de aan zijn leden, en aan de personen die onderworpen zijn aan zijn toezicht en tuchtbevoegdheid, toevertrouwde opdrachten, behoorlijk worden uitgevoerd. 22 Art. 62.§ 1. Het Instituut heeft als opdracht : 1° het beschermen van de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van de personen ingeschreven in het openbaar register; 2° het toezien op de toegang tot het beroep van gecertificeerd accountant en gecertificeerd belastingadviseur door het voorzien van een toelatingsexamen en een stage, alsook van een bekwaamheidsexamen; 3° het beheer van een openbaar register; 4° het toezien op de permanente vorming; 5° het toezicht op de beroepsuitoefening, met alle noodzakelijke waarborgen op het vlak van bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid door het voorzien van een tuchtregeling; 6° het verschaffen van de toegang tot het beroep voor beroepsbeoefenaars uit een andere lidstaat die in België de activiteiten als bedoeld in de artikel en 3 en 6 wensen uit te voeren; 7° het toezien op de naleving van de modaliteiten en voorwaarden door de personen die tijdelijk en occasioneel de beroepsactiviteiten in België, als bedoeld in artikel 23, uitoefenen; 8° in het kader van de administratieve samenwerking tussen lidstaten teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen, de beveiligde uitwisseling van informatie en gegevens met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, in het bijzonder via het Informatiesysteem voor de Interne Markt (IMI) met betrekking tot het beroep en de beroepsbeoefenaars, overeenkomstig de artikel en XV.49 en XV.52 van het Wetboek van economisch recht en de artikel en 27 en 27/1 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties; 9° het toezien op de naleving door de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van de modaliteiten en voorwaarden van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. [eigen onderlijning] Beslissing ten gronde 150/2024— 19/23 60. Het verslag van de Inspectiedienst stelt dat geen verwerkersovereenkomsten werden gesloten met de drie uitgevers die instaan voor de verzending van publicaties van de verweerder waardoor niet werd gehandeld in overeenstemming met artikel 28.3 AVG. 61. De verweerder stelt vooreerst dat de analyse of een verwerkersovereenkomst diende te worden afgesloten nog lopende was tijdens het onderzoek van de Inspectiedienst. De verweerder stelt zich de vraag of de betrokken uitgevers als verwerkers dienen te worden beschouwd, aangezien de dienst die zij verlenen erin bestaat dat zij de publicaties van de verweerder drukken en deze distribueren zowel aan de leden en stagiairs van de verweerder als aan personen die deze rechtstreeks bij hen bestellen. Daarnaast worden de publicaties ook zelfstandig aangeboden door de betrokken uitgevers. De verweerder voegt daaraan toe dat ingevolge het onderzoek van de Inspectiedienst alsnog verwerkersovereenkomsten werden gesloten met elk van de uitgevers. 62. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de rol van een verwerker niet voortvloeit uit de aard van een entiteit die gegevens verwerkt, maar wel uit haar concrete activiteiten in een specifieke context. Eenzelfde entiteit kan tegelijkertijd optreden als een verwerkingsverantwoordelijke voor bepaalde verwerkingsactiviteiten en als een verwerker voor andere; de kwalificatie als verwerkingsverantwoordelijke of verwerker moet worden beoordeeld met betrekking tot de specifieke gegevensgroepen of -verwerkingen. De aard van de dienst bepaalt of de verwerkingsactiviteit neerkomt op een verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van art. 4.8 AVG. In navolging gegevensbescherming van 23 de Richtsnoeren van het Europees Comité voor is de Geschillenkamer van oordeel dat de door de uitgevers verleende dienst bestaat uit het drukken van de publicaties en distribueren van het drukwerk. Deze dienst is niet specifiek gericht op de verwerking van persoonsgegevens, maar is in hoofdzaak gericht op het drukken en distribueren van de publicaties van de verweerder en slechts in ondergeschikte orde op de verwerking van de ontvangers van de publicaties, zijnde de leden en stagiairs. 63. In voorliggend geval moeten de uitgevers dan ook als afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijken worden beschouwd die in staat zijn zelfstandig het doel en de middelen te bepalen voor de verwerking die is vereist om de dienst te verlenen. Dit blijkt ook uit het feit dat de publicaties zelfstandig worden aangeboden door de betrokken uitgevers, onder meer via hun webshop, waar niet alleen leden en stagiairs van de verweerder, maar ook andere personen rechtstreeks bij de uitgever een bestelling kunnen plaatsen. Dit geldt in de mate dat het aanbod van de publicaties gepaard gaat met de 23 Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG: https://www.edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guidelines/guidelines-072020-concepts-controller-andprocessor-gdpr en, inzonderheid blz. 31-32. Beslissing ten gronde 150/2024— 20/23 gegevensverwerking van de personen die een bestelling hebben geplaatst teneinde hen de bestelde publicatie te kunnen bezorgen. 64. Dit brengt de Geschillenkamer tot het besluit dat er geen inbreuk op artikel 28.3 AVG werd gepleegd door het BIBF. Voor wat betreft het ITAA blijkt op basis van de elementen van het dossier dat verwerkersovereenkomsten werden afgesloten met de onderscheiden partners, voornamelijk IT-gerelateerde communicatiepartners, partners voor events en erkende beroepsverenigingen voor opleidingsdoeleinden, zodanig dat er evenmin sprake is van een inbreuk op artikel 28.3 AVG.
- c)Functionaris voor gegevensbescherming 65. De Inspectiedienst heeft vastgesteld dat op het ogenblik van de feiten die het voorwerp vormen van de klacht de verweerder niet beschikte over een functionaris voor gegevensbescherming. Dit gaat volgens de Inspectiedienst in tegen wat reeds eerder werd vastgesteld in het advies nr. 140/2018 van 19 december 2018 van de Gegevensbeschermingsautoriteit waarin is opgenomen dat niet alleen het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants (ITAA), maar ook reeds het voormalige Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF) een beroepsorganisatie van publiek recht met rechtspersoonlijkheid is24 en bijgevolg reeds diende te beschikken over een functionaris voor gegevensbescherming. De Inspectiedienst preciseert dat de ITAA en de BIBF beroepsorganisaties zijn die bij wet zijn ingesteld. Bovendien wijst de Inspectiedienst erop dat op de website van het BIBF 25 zelf staat vermeld dat zij een publiekrechtelijke instelling is. Aangezien het BIBF een rechtspersoon van publiek recht is in de zin van artikel 5.2° van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, besluit de Inspectiedienst dat de verweerder artikel 37 AVG heeft geschonden doordat werd nagelaten een functionaris voor gegevensbescherming aan te stellen. 66. De verweerder daarentegen volhardt in de overtuiging geen overheidsinstelling te zijn op het ogenblik van de toepassing van de wet van 22 april 1999 en zich aldus te kunnen beroepen op artikel 6.1
- f)AVG. De verweerder beweert dat de Inspectiedienst niet grondig motiveert waarom zij onder de notie “overheid” van de wet van 30 juli 2018 26 zou vallen, behalve dat de Inspectiedienst louter vaststelt dat de verweerder een beroepsorganisatie van publiek recht met rechtspersoonlijkheid is. De verweerder voegt daaraan toe dat zij op dat ogenblik niet afhankelijk was van de federale staat daar haar werking volledig werd gefinancierd door middel van bijdragen van de leden en stagiairs. Het leidinggevend orgaan 24 Zie randnr. 35 Advies nr. 140/2018 van 19 december 2018 voorontwerp van wet betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur 25 26 http://www.bibf.be Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens Beslissing ten gronde 150/2024— 21/23 was evenmin aangewezen door een overheid, maar wel door democratische stemming onder de leden. De verweerder haalt ook aan dat het voor haar niet duidelijk is op welke manier haar beheer onderworpen zou zijn geweest aan overheidstoezicht. Deze elementen, alsmede de vaststelling van de verweerder dat zij ook niet onder één van de andere gevallen viel waarin de aanstelling van een functionaris voor gegevensbescherming is verplicht en het gebrek aan een specifieke wettelijke bepaling die de aanduiding van een functionaris voor gegevensbescherming verplicht stelde, doen de verweerder besluiten dat zij er niet toe was gehouden om een functionaris voor gegevensbescherming aan te stellen. 67. De Geschillenkamer stelt vast dat op grond van artikel 37.1
- a)AVG juncto artikel 5, al. 2, 2° van de wet van 30 juli 201827 de verweerder door de Inspectiedienst wordt aangemerkt als een overheid, aangezien de verweerder als beroepsorganisatie door de wet werd opgericht en over rechtspersoonlijkheid beschikt ingevolge artikel 43 van de wet van 22 april 1999, en dus over een functionaris voor gegevensbescherming dient te beschikken. Voormelde bepaling stelt dat een Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten wordt opgericht dat rechtspersoonlijkheid geniet. Het doel van deze beroepsorganisatie wordt omschreven in artikel 44 van de betreffende wet en bestaat in essentie uit het toezicht op de opleiding en de permanente organisatie van de leden en stagiairs, zodanig dat deze het beroep uitoefenen met de vereiste waarborgen inzake bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid. 68. Rechtspersonen die door de wet zijn opgericht zijn publiekrechtelijke rechtspersonen. Door te voorzien in de wettelijke oprichting wordt aan die rechtspersoon, in voorliggend geval de verweerder, een taak van algemeen belang toevertrouwd. Het staat immers vast dat het maatschappelijk belang is gebaat bij het voorzien van de nodige garanties inzake het financiële verkeer. De Geschillenkamer volgt hierbij niet de redenering van de Inspectiedienst dat – door toepassing van artikel 5, al. 2, 2° van de wet van 30 juli 2018 - de verweerder reeds onder de wet van 22 april 1999 als overheid diende te worden beschouwd en over een functionaris voor gegevensbescherming diende te beschikken, zodat er dan ook geen sprake is van een inbreuk op artikel 37.1
- a)AVG.op het ogenblik van de feiten. 69. De Geschillenkamer is, in afwijking van de bevindingen van de Inspectiedienst, van oordeel dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 buiten toepassing dient te worden gelaten omdat de definitie van overheid die daar wordt gegeven enkel van toepassing is binnen de wet van 30 juli 2018 zelf en dus niet dient om het begrip overheid te definiëren in de zin van art. 37.1
- a)AVG. Hoewel de verweerder als dusdanig geen inbreuk heeft gepleegd op artikel 37.1
- a)AVG merkt de Geschillenkamer op dat de AVG aan overheden de verplichting oplegt tot aanstelling van een functionaris voor gegevensbescherming, dewelke naar analogie als goede praktijk ook geldt voor organisaties die een taak van algemeen belang vervullen, zoals 27 Wet betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens Beslissing ten gronde 150/2024— 22/23 de betreffende beroepsorganisatie. Volledigheidshalve merkt de Geschillenkamer op dat de verweerder erkent een overheid te zijn sinds de inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019. Dit volgt volgens de verweerder uit het loutere feit dat artikel 62, §2, al. 3 van de wet van 17 maart 2019 de uitdrukkelijke verplichting bevat om een functionaris voor gegevensbescherming aan te duiden. De Geschillenkamer acht het van belang te benadrukken dat een dergelijke uitdrukkelijke verplichting tot aanstelling van een functionaris voor gegevensbescherming in de nationale wetgeving die specifiek op de rechtspersoon van toepassing is, geen absolute voorwaarde kan zijn voor de toepassing van artikel 37.1 AVG. Immers, artikel 37.1 AVG staat op zich zonder dat de nationale wetgever voor de betrokken rechtspersoon expliciet de aanduiding van een functionaris voor gegevensbescherming dient te voorzien. III. Over de corrigerende maatregelen en straffen 70. Het is aan de Geschillenkamer om op basis van de mogelijkheden waarover zij beschikt op grond van artikel 100, § 1 WOG de meest geschikte sanctie te bepalen voor de inbreuk op artikel 6.1 AVG. Daarbij houdt de Geschillenkamer in belangrijke mate rekening met de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur, dewelke ertoe heeft bijgedragen dat lacunes in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, werden verholpen. In het licht van de huidige wetgeving die van toepassing is op de verweerder oordeelt de Geschillenkamer dat de actueel gebruikte rechtsgrond voor de verzending van interne nieuwsbrieven in strijd is met het bepaalde in artikel 6.1 AVG. Gelet op de beperkte omvang van de inbreuk, beslist de Geschillenkamer enkel een waarschuwing te geven. Dit biedt de verweerder de kans de nodige actie te ondernemen om zich aan te passen en in de nodige transparantie te voorzien aangaande de correcte rechtsgrond, namelijk artikel 6.1
- e)AVG, teneinde te vermijden dat in de toekomst daaromtrent nog onduidelijkheid zou heersen onder de leden en stagiairs. IV. Publicatie van de beslissing 71. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit.. De identificatiegegevens van de verweerder blijven daarbij behouden. De specificiteit van de nationale wetgeving die op de verweerder van toepassing is, is immers bepalend voor de context en de inhoud van de beslissing. Dit leidt ertoe dat de verwijzing naar de toepasselijke wetgeving, waardoor meteen ook de identiteit van de verweerder komt vast te staan, niet kan worden weggelaten en brengt noodzakelijkerwijs met zich mee dat de onderhavige beslissing enkel kan worden gepubliceerd mits daarbij ook de identiteit van de verweerder kenbaar wordt gemaakt.