← België

Beslissing ten gronde nr. 163/2022

1/20 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 163/2022 van 16 november 2022 Dossiernummer : DOS-2020-06016 Betreft: Klacht voor ongewenste telemarketingoproepen De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Christophe Boeraeve, Romain Robert, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), -hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: dhr. X, hierna “de klager”; De verweerder: Y , hierna "de verweerder" "de verweerder". Beslissing ten gronde 163/2022 - 2/20 I. Feiten en procedure 1. Op 28 december 2020 diende de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen verweerder. De klacht had betrekking op telefoontjes naar de mobiele telefoon van klager om hem contracten voor energielevering aan te bieden (telemarketingactiviteiten). Na deze oproepen oefent de klager zijn rechten bij de verweerder uit om toegang te vragen tot zijn gegevens en om te vragen dat deze worden gewist. 2. Op 11 januari 2021 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en op grond van art. 62, §1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 3. Op 10 februari 2021 wordt overeenkomstig artikel 96, §1 WOG het verzoek van de Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst, samen met de klacht en de inventaris van de stukken. 4. Op 30 maart 2021 werd het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, het verslag bij het dossier gevoegd en het dossier door de Inspecteur-generaal bezorgd aan de Voorzitter van de Geschillenkamer (art. 91, § 1 en § 2 WOG). Het verslag bevat vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht en komt tot het besluit dat: 1. Een inbreuk is begaan op artikel 5, lid 1, onder a), en lid 2, artikel 6, lid 1, artikel 24, lid 1, en artikel 25, leden 1 en 2, van de AVG; 2. inbreuk is begaan op artikel 12, lid 2, artikel 15, lid 1 en lid 3 artikel 17, lid 1, artikel 24, lid 1 en artikel 25, lid 1 van de AVG. Het verslag bevat daarnaast vaststellingen die verder gaan dan het voorwerp van de klacht. De Inspectiedienst stelde vast dat: 1. een Inbreuk is begaan op artikel 12, lid 1 en lid 2, artikel 13, 1ste en 2de lid en artikel 14, 1ste en 2de lid van de AVG. 2. Inbreuk is begaan op artikel 30, 1ste en 3de lid van de AVG 5. Op 28 april 2021 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, §1, 1 ° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 6. Op 28 april 2021 worden de betrokken partijen in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2 en artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 van de WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. Beslissing ten gronde 163/2022 - 3/20 7. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van verweerder werd daarbij vastgelegd 9 juni 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 30 juni 2021 en deze voor de conclusie van repliek van verweerder op 21 juli 2021.. 8. Op 30 april 2021 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG), die hem wordt bezorgd op 4 mei 2021. 9. Diezelfde dag aanvaardt de verweerder om alle communicatie omtrent de zaak elektronisch te ontvangen en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG. 10. Op 9 juni 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusies van antwoord vanwege de verweerder over de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht. 11. Op 20 juli 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de verweerder. 12. Op 3 juni 2022 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 15 juni 2022. 13. Op 4 juni deelt de klager mee dat hij niet aan de hoorzitting zal deelnemen. 14. Op 15 juni 2022 wordt de verweerder door de Geschillenkamer gehoord. 15. Op 14 juli 2022 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. 16. Op 19 juli 2022 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de klager enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal die zij beslist mee op te nemen in haar beraad. II. Motivering II.1. De betwiste verwerking 17. De klacht heeft betrekking op telemarketingoproepen van verweerder aan de mobiele telefoon van klager. Verweerder wordt door de ID geïdentificeerd als Y, een onderneming die actief is in de callcenter- en energieconsultancysector. Het voert telefoongesprekken met potentiële klanten (prospects genoemd) namens de actoren op de energiemarkt. Tot 4 december 2021 heette Y Z. 18. Uit de uitwisselingen tussen klager en verweerder, alsmede uit de verklaringen van verweerder, blijkt dat verweerder de gegevens van de prospects aankoopt bij gegevensleveranciers. Onlangs heeft de verweerder ook een in Marokko gevestigde onderneming met de naam [...Center] ingehuurd. Uit de verschillende stukken in het dossier Beslissing ten gronde 163/2022 - 4/20 blijkt dat de gegevens van klager samen met andere gegevens van potentiële klanten zijn verkregen van [...Center], . 19. Op basis van het onderzoeksverslag heeft het onderzoek van de Geschillenkamer betrekking op de verwerking van de door de onderneming [...Center] aan verweerder verstrekte gegevens, in het bijzonder de naleving van het rechtmatigheidsbeginsel (punt II.2). De Geschillenkamer zal ook de eerbiediging van de rechten van de klager als betrokkene (punt II.3) en de eerbiediging van het transparantiebeginsel (II.4) onderzoeken. 20. Tijdens het onderzoek verstrekte de verweerder nadere achtergrondinformatie over de verwerking. Hij legde met name uit dat hij momenteel samenwerkt met drie in de EU gevestigde databrokers1, die hij als serieuze bedrijven beschouwt. Zij kunnen systematisch aantonen dat toestemming is verkregen wanneer daarom wordt verzocht2. De toestemming van de betrokkenen wordt verzameld via acties op het internet. Vervolgens wordt dit verkocht aan drie grote leveranciers. Verweerder voegt daaraan toe dat hij slechts bij uitzondering gebruik heeft gemaakt van de diensten van [...Center]. Aangezien de onderneming niet kon aantonen dat zij de toestemming van de betrokkenen had verkregen toen verweerder daarom vroeg, beëindigde verweerder alle commerciële betrekkingen met haar. Verweerder geeft ook aan welke maatregelen ter bescherming van persoonsgegevens hij de afgelopen jaren heeft genomen en welke maatregelen naar aanleiding van deze zaak zijn genomen. . II.2. Schending van artikel 5, lid 1, a), en lid 2, artikel 6, lid 1, artikel 24, lid 1, en artikel 25, leden 1 en 2, van de AVG. II.2.1. 21. Vaststelling va de ID Voor de ID moet verweerder voldoen aan artikel 5.1 van de AVG en dit kunnen aantonen op grond van artikel 24.1 van de AVG. Op grond van artikel 5.1.a van de AVG moet verweerder voldoen aan het rechtmatigheidsbeginsel en een rechtsgrondslag hebben op grond van artikel 6 van de AVG en dit ook kunnen aantonen op grond van artikel 24 van de AVG. 22. In het onderhavige geval is de IS op basis van de door verweerder verstrekte stukken en antwoorden van mening dat verweerder niet aangeeft welke rechtsgrondslag wordt gebruikt voor de verwerking van de gegevens van klager en andere betrokkenen. 1 In de opmerkingen van verweerder worden twee gegevensleveranciers met naam genoemd. Zij spreekt tijdens de hoorzitting echter van drie leveranciers. 2 Zie punt 25 hierna. Beslissing ten gronde 163/2022 - 5/20 Verweerder verwijst naar een due diligence en contractuele afspraken, die op zichzelf geen rechtsgrondslag vormen. De ID was echter van mening dat de verwijzing naar het contract met [...Center], dat een clausule bevatte waarin werd verwezen naar het verkrijgen van toestemming van de betrokkenen, niet voldoende was, omdat daaruit niet bleek dat klager in dit geval daadwerkelijk toestemming had gegeven. De ID stelt bijgevolg een schending vast van de artikelen 5.1,a), 5.2, 6.1, 24.1, 25.1 en 25.2 van de AVG. II.2.2. Argumenten van de verweerder 23. Verweerder betwist de bevindingen van de ID op verschillende punten, zowel in zijn conclusies als ter hoorzitting. Ten eerste is hij van mening dat de multinationale gegevensleveranciers waarmee hij werkt over de nodige contractuele garanties beschikken. Deze contractuele garanties garanderen dat de betrokkene ermee heeft ingestemd om voor commerciële doeleinden te worden benaderd. Deze toestemming wordt online verzameld via specifieke acties (wedstrijden, enquêtes enz.). De rechtsgrondslag voor de verwerking is derhalve de toestemming van de betrokkene. Verweerder voegt er in zijn conclusies aan toe dat het voor hem praktisch onmogelijk is om na te gaan of voor alle betrokken personen toestemming is verkregen. Tijdens de hoorzitting legde hij uit dat zijn leveranciers hem wel een bewijs van toestemming op zijn verzoek konden leveren. Dit bleek echter niet het geval te zijn voor [... Center]. Verweerder is daarom gestopt met het gebruik van de gegevens die deze onderneming verstrekt. Tijdens de hoorzitting verklaarde hij ook dat deze gegevens nog steeds op zijn servers stonden, maar niet meer actief werden gebruikt. Na de hoorzitting wenste verweerder deze verklaring te corrigeren door aan te geven dat de betrokken gegevens waren gewist. Verweerder verklaart dat hij naar aanleiding van dit incident zijn due diligence-procedures heeft versterkt. II.2.3. Standpunt van de Geschillenkamer 24. De Geschillenkamer herinnert eraan dat elke verwerking van persoonsgegevens moet voldoen aan het in de artikelen 5.1.a en 6 van de AVG opgenomen rechtmatigheidsbeginsel. Dit artikel wordt hierna gedeeltelijk overgenomen: “Artikel 6. Beslissing ten gronde 163/2022 - 6/20 Rechtmatigheid van de verwerking ”1.De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: (

  1. a)de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; [...]
  2. f)de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is." 25. Wat de rechtmatigheid van de verwerking van de gegevens van klager betreft, komen uit het dossier verschillende elementen naar voren. In de eerste plaats staat vast dat de gegevens door verweerder zijn verkregen van [...Center]. Verweerder betoogt dat de overeenkomst met [... Center] een bepaling bevat waarin staat dat de gegevens van de betrokkenen zijn verkregen op basis van toestemming, dat wil zeggen op basis van artikel 6.1.
  3. a)van de AVG. Enerzijds laat de met het gegevensbronbedrijf gesloten overeenkomst niet toe dat het zich aan de verplichtingen van de AVG onttrekt, maar verplicht het bedrijf hoogstens tot het betrachten van een zekere zorgvuldigheid bij het verkrijgen van de gegevens. Anderzijds merkt de Geschillenkamer op dat de bedoelde overeenkomst (getiteld "Bestelbon") gedateerd is op 1 januari 2021 3. Maar de gegevens van de klager zijn vóór die datum verkregen. Zij kan dus niet concluderen dat ten tijde van de verwerving van de gegevens van klager ook een dergelijke clausule in de bestelbon was opgenomen. Toen klager op 1 december 2020 zijn rechten bij verweerder uitoefende, antwoordde verweerder bovendien op dezelfde dag dat (de Autoriteit vertaalt): “...Center] krijgt de bases via software die het digitale web scant. Uw gegevens zijn er. De bron zelf is ons onbekend”4. Hieruit blijkt enerzijds dat verweerder niet consequent reageert en anderzijds dat de gegevens van de klager zijn verkregen door “Web scraping” en niet door het verkrijgen van toestemming. Tijdens de hoorzitting heeft verweerder verklaard dat [...Center] niet kon 3 Zie stuk 16 van het dossier, bijlage 2. 4 E-mail van de verweerder verstuurd op 1 december. Beslissing ten gronde 163/2022 - 7/20 aantonen dat hij de toestemming van de betrokkenen had verkregen en de bron van de gegevens niet kon verklaren.5 26. Uit bovenstaande informatie blijkt derhalve dat verweerder zich beroept op toestemming als basis voor rechtmatige verwerking, maar dat hij niet heeft kunnen aantonen dat die toestemming is verkregen in het geval van de persoonsgegevens van klager. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de artikelen 7.1, 24.1, 25.1 en 25.2 van de AVG vereisen dat de verwerkingsverantwoordelijke kan aantonen dat de betrokkene heeft ingestemd met de verwerking onder de voorwaarden als voorzien in de AVG 6. De Geschillenkamer stelt derhalve een schending vast van de artikelen 5.1.a), 6.1.a, 7.1, 24.1, 25.1 en 25.2 van de AVG. 27. Daarnaast acht de Geschillenkamer het nuttig te herinneren aan bepaalde beginselen met betrekking tot telemarketing, gezien de opdringerige en vaak ondoorzichtige aard van deze activiteit. De Geschillenkamer benadrukt met name de moeilijkheid voor een betrokkene om het verband te begrijpen tussen de verschillende economische actoren die zijn gegevens tijdens de verschillende verwerkingen hergebruiken. In dit verband herinnert zij eraan dat transparantie essentieel is voor het verkrijgen van geïnformeerde en dus geldige toestemming van de betrokkene. 28. Het onderhavige geval en telemarketing in het algemeen hebben het bijzondere kenmerk dat er verschillende partijen bij betrokken zijn (bedrijf dat toestemming verzamelt, databroker, telemarketingbedrijf) die de gegevens van de betrokken personen opnieuw gebruiken. Naleving van de beginselen en verplichtingen van de AVG door alle betrokken actoren is in dit geval essentieel om de rechtmatigheid van de gegevensverwerking door alle actoren te waarborgen. 29. Verweerder beroept zich op toestemming als grondslag voor de rechtmatigheid van de verwerking. Volgens de toelichting van verweerder wordt deze toestemming verzameld door een onderneming die promotionele acties op internet organiseert. Dit bedrijf zou dan de persoonsgegevens doorverkopen aan een "databroker". Verweerder verkrijgt deze gegevens van twee of drie "data brokers" en voert de telemarketinggesprekken namens een cliënt. Het is derhalve van belang de regels vast te stellen betreffende de naleving van het rechtmatigheidsbeginsel en het verband met de informatieplicht bij hergebruik van gegevens. 30. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de toestemming moet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 4.11 en 7 van de AVG. De toestemming moet “vrijelijk, 5 6 PV hoorzitting van 15 juni 2022, blz. 4 en 7. Zie in dit verband EDPB "Richtsnoeren 05/2020 inzake toestemming overeenkomstigVerordening 2016/679", aangenomen op 4 mei 2020. Beschikbaar op : https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_202005_consent_nl.pdf Beslissing ten gronde 163/2022 - 8/20 specifiek, geïnformeerd” zijn. Zie ook overweging 42 van de AVG [...] Opdat toestemming met kennis van zaken wordt gegeven, moet de betrokkene ten minste bekend zijn met de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke en de doeleinden van de verwerking van de persoonsgegevens. De EDPB schrijft in haar Richtsnoeren omtrent toestemming letterlijk “dat ingeval meerdere (gezamenlijke)verwerkingsverantwoordelijken zich op de gevraagde toestemming willen baseren of als de gegevens zullen worden doorgegeven aan of verwerkt door andere verwerkingsverantwoordelijken die zich op de oorspronkelijke toestemming willen baseren, al deze organisaties moeten worden genoemd”7. 31. In het onderhavige geval verklaart verweerder dat hij de verwerking op toestemming baseert. Wil deze toestemming geldig zijn, dan moet zij geïnformeerd en specifiek zijn. Dit houdt in dat de betrokkene op het moment dat hij via de internetactie toestemming geeft, moet worden geïnformeerd over de partners aan wie zijn gegevens zullen worden doorgegeven en over de doeleinden van de verwerking. 32. Wat de informatie aan de betrokkenen betreft, verwijst de Geschillenkamer naar punt 64 hieronder. II.3. Schending van de artikelen 12, lid 2, 15, leden 1 en 3, 17, lid 1, 24, lid 1, en 25, lid 1, van de AVG II.3.1. 33. Vaststelling van de ID De ID was van mening dat het antwoord op het verzoek van klager om zijn rechten uit te oefenen door de verwerkingsverantwoordelijke onvolledig was, aangezien verschillende in artikel 15 van de AVG bedoelde gegevens niet waren meegedeeld, er geen kopie van de gegevens was verstrekt en de VV het verzoek van klager in zijn activiteitenlogboek had bijgehouden, hetgeen in strijd zou zijn met het recht op wissen. II.3.2. Argumenten van de verweerder 34. Verweerder was van mening dat het niet nodig was om klager in kennis te stellen van de door de ID genoemde punten (die betrekking hebben op informatie over de mogelijkheid voor klager om zijn recht op bezwaar uit te oefenen en een klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit), aangezien klager in zijn verzoekmail reeds had gewezen op het bestaan van zijn rechten. Wat de verplichting tot het verstrekken van een kopie van de gegevens betreft, is verweerder van mening dat hij aan deze voorwaarde heeft 7 Richtsnoeren 5/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, §. 65. Het is de Geschillenkamer die onderlijnt, beschikbaar op https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_202005_consent_nl.pdf Beslissing ten gronde 163/2022 - 9/20 voldaan. Hij is van mening dat er geen sprake is van een inbreuk met betrekking tot het register, aangezien hij niet verplicht was er een bij te houden maar toch heeft besloten dat te doen, en dat hij de ontvangen klachten moet kunnen inventariseren en van het verleden moet kunnen leren. II.3.3. Standpunt van de Geschillenkamer 35. De Geschillenkamer onderscheidt in het onderzoeksverslag drie verschillende punten. De eerste betreft de kwaliteit van het antwoord van de verweerder. De tweede is de verstrekking van een kopie van de gegevens. De derde betreft het behoud van de naam en de aanvraag van klager in het register van verwerkingsactiviteiten van verweerder, ondanks de verwijdering van de gegevens van klager. 36. Over de eerste vraag merkt de Geschillenkamer op dat klager zijn recht op toegang heeft uitgeoefend op grond van artikel 15 van de AVG, waarvan de uitoefening ook verband houdt met artikel 12.2 van de AVG. Deze twee artikelen worden hieronder gedeeltelijk weergegeven : Artikel 12. Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene […] 2. De verwerkingsverantwoordelijke faciliteert de uitoefening van de rechten van de betrokkene uit hoofde van de artikelen 15 tot en met 22. In de in artikel 11, lid 2, bedoelde gevallen mag de verwerkingsverantwoordelijke niet weigeren gevolg te geven aan het verzoek van de betrokkene om diens rechten uit hoofde van de artikelen 15 tot en met 22 uit te oefenen, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke aantoont dat hij niet in staat is de betrokkene te identificeren. Art. 15. Recht van inzage van de betrokkene Beslissing ten gronde 163/2022 - 10/20 "1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
  4. a)de verwerkingsdoeleinden;
  5. b)de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
  6. c)de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers gevestigd in derde landen of internationale organisaties;
  7. d)indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
  8. e)dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
  9. f)dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
  10. g)wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
  11. h)het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.” […]» 37. De Geschillenkamer stelt vast dat verweerder op dezelfde dag op het verzoek van klager om toegang heeft geantwoord. In dit op 1 december verzonden antwoord heeft verweerder aan klager onder meer het doel van de verwerking, de categorieën van gegevens, de ontvangers van de gegevens en de duur van de bewaartermijn aangegeven. Met Beslissing ten gronde 163/2022 - 11/20 betrekking tot de rechten waarover de klager beschikt, heeft verweerder hem de volgende informatie verstrekt (de Autoriteit vertaalt): "Rechten: recht op wijziging, verwijdering of vernietiging. […] Mag ik u ook om een uitdrukkelijk bevel vragen om alles te vernietigen? (uw gegevens, uw e-mailbericht en mijn antwoord op uw e-mail natuurlijk) " 38. Artikel 15.1.e), van de AVG bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene moet informeren over het bestaan van de volgende rechten : rectificatie, schrapping, beperking en bezwaar. Het door de verwerkingsverantwoordelijke geformuleerde antwoord is in dit opzicht onvolledig, aangezien het noch het recht van bezwaar, noch het recht van beperking vermeldt8. Het antwoord van verweerder is derhalve niet in overeenstemming met artikel 15.1.
  12. e)van de AVG. Op basis van deze elementen is de Geschillenkamer van oordeel dat het antwoord van verweerder aan klager van 1 december niet volledig is omdat het niet gedetailleerd is. Verweerder heeft derhalve artikel 15.1.
  13. e)van de AVG geschonden. 39. De Geschillenkamer merkt echter op dat verweerder in zijn e-mail aan klager van 1 december tweemaal heeft vermeld dat hij om verwijdering van de gegevens kon verzoeken. Toen klager bevestigde dat hij de gegevens verwijderd wilde zien, antwoordde verweerder bovendien nog dezelfde dag dat hij de gegevens had verwijderd. 40. Voorts voegde verweerder in zijn opmerkingen toe dat hij zijn standaardantwoord op dergelijke verzoeken had aangepast om de ontbrekende informatie te verstrekken. Om deze redenen heeft de Geschillenkamer de schending van artikel 12.2 van de AVG die de ID in zijn onderzoeksverslag had aangevoerd en in het onderhavige geval onvoldoende gemotiveerd achtte, niet bevestigd. 41. De Geschillenkamer stelt ook schending vast van op artikel 15.1.
  14. g)van de AVG. Verweerder kon namelijk geen goede uitleg geven over de bron van de gegevens van klager. Hoewel hij in zijn eerste antwoord aangaf dat de gegevens waren verkregen via "web scraping", gaf hij tijdens de hoorzitting aan dat hij geen informatie had kunnen verkrijgen over de bron van de gegevens (zie punt 25 hierboven). Verweerder heeft derhalve artikel 15.1.
  15. g)van de AVG geschonden. 42. Artikel 15.1.f), bepaalt ook dat de verweerder de betrokkene moet meedelen dat hij het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit. Uit de uitwisselingen tussen klager en verweerder blijkt dat laatstgenoemde deze informatie niet heeft 8 De Geschillenkamer begrijpt dat verweerder met de term " modification " in feite doelt op het recht van rectificatie. Beslissing ten gronde 163/2022 - 12/20 meegedeeld. Verweerder betwist dit niet, maar is van mening dat deze mededeling onnodig was, aangezien klager in zijn verzoek om toegang al had aangegeven dat hij zich het recht voorbehield om contact op te nemen met de Gegevensbeschermingsautoriteit. 43. Voor de Geschillenkamer is een duidelijke en gestandaardiseerde lijst van de in artikel 15 van de AVG genoemde informatie nodig om ervoor te zorgen dat de betrokkenen volledig en correct worden geïnformeerd. In dit verband is hij van mening dat de verwijzing naar artikel 15.1.
  16. f)systematisch moet worden opgenomen, ook al lijkt deze overbodig. Verweerder heeft derhalve artikel 15.1.
  17. f)van de AVG geschonden. Verweerder heeft derhalve artikel 15.1.
  18. f)van de AVG geschonden. 44. Wat de tweede vraag betreft, die betrekking heeft op de kopie van de gegevens die door verweerder zijn verstrekt, merkt de Geschillenkamer op dat verweerder in zijn antwoord op het verzoek om toegang heeft aangegeven dat hij naam, adres en telefoonnummer van klager verwerkt en deze heeft verstrekt. Uit het onderzoeksverslag van de ID blijkt niet hoe het antwoord van verweerder niet in overeenstemming zou zijn met artikel 15.3 van de AVG. De Geschillenkamer kan derhalve op dit punt geen schending vaststellen. 45. De derde vraag betreft het bewaren van de naam van klager en de informatie over zijn verzoek om verwijdering in het register van verwerkingsactiviteiten van verweerder na verwijdering. De ID is van mening dat deze informatie niet vereist is op grond van artikel 30 van de AVG en dat het bewaren ervan een inbreuk vormt op artikel 17 van de AVG. Verweerder is van mening dat hij niet verplicht is een activiteitenregister bij te houden, maar dat hij daartoe vrijwillig heeft besloten. Hij is van mening dat het onevenredig zou zijn om hem te bestraffen omdat hij meer zorgvuldigheid had betracht dan wettelijk vereist. Hij voegde daaraan toe dat het register echter was gewijzigd en dat de naam van klager was verwijderd. 46. Voor de Geschillenkamer vormen de opname van de naam van de klager en het bestaan van zijn verzoek om verwijdering in het register van verwerkingsactiviteiten, nadat de gegevens zijn gewist, niet ipso facto een schending van artikel 17 van de AVG. 47. Artikel 24.1 AVG stelt dat “de verwerkingsverantwoordelijke (
  19. de)passende technische en organisatorische maatregelen (treft) om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met deze verordening wordt uitgevoerd”9. Dit houdt in dat de verwerkingsverantwoordelijke moet kunnen aantonen dat hij gevolg heeft gegeven aan verzoeken van betrokkenen om hun rechten uit te oefenen. Dit roept uiteraard vragen op over het recht op wissen, dat inhoudt dat de gegevens van de betrokkene moeten worden gewist. 9 Het is de Geschillenkamer die onderlijnt. Beslissing ten gronde 163/2022 - 13/20 48. De Geschillenkamer herinnert er echter aan dat het recht om gegevens te wissen niet absoluut is en dat het gebaseerd moet zijn op een van de in artikel 17.1 van de AVG genoemde gronden en dat het kan worden geweigerd in de in artikel 17.3 van de AVG genoemde omstandigheden. Dit artikel bepaalt onder meer dat het wissen van gegevens kan worden geweigerd om aan een wettelijke verplichting te voldoen (artikel 17.3 c)) of om redenen die verband houden met de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte (artikel 17.3.e)). 49. Deze uitzonderingen, gelezen in samenhang met artikel 24 van de AVG, staan a priori niet in de weg dat een verwerkingsverantwoordelijke een register bijhoudt van de uitvoering van verzoeken om gegevenswissing, wanneer een dergelijk register noodzakelijk is voor de verwerkingsverantwoordelijke om aan te tonen dat hij zijn verplichtingen uit hoofde van de AVG nakomt. Deze verwerking moet in dat geval voldoen aan de beginselen van de minimale gegevensverwerking (artikel 5.1.
  20. c)van de AVG), doel van de verwerking (artikel 5.1.
  21. b)en transparantie (artikel 5.1.a).10. 50. De Geschillenkamer voegt daaraantoe dat artikel 12, lid 3, bepaalt: "De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven.” Krachtens dit artikel is de verwerkingsverantwoordelijke verplicht aan te geven welke maatregelen hij naar aanleiding van een verzoek om schrapping heeft genomen. Dit houdt in dat de verwerkingsverantwoordelijke na een verzoek om verwijdering de betrokkene duidelijke informatie moet verstrekken over de gegevens die verder zullen worden verwerkt, alsmede over de rechtsgrondslag voor de verdere verwerking van die gegevens. De Geschillenkamer oordeelde dat dit in casu niet het geval was en dat verweerder derhalve artikel 17, lid 1, juncto artikel 12.3 van de AVG had geschonden.. 51. Op basis van de in de punten 38 tot en met 50 hierboven uiteengezette elementen, die betrekking hebben op de kwaliteit van het door verweerder verstrekte antwoord, stelt de Geschillenkamer vast dat er sprake is van schending van de artikelen 1.1.e),
  22. g)en f), en 17.1 gelezen in samenhang met artikel 12.3 van de AVG. II.4. Schending van artikel 12, lid 1 en artikel 13, lid 1 en 2 en artikel 14, lid 1 en lid 2 II.4.1. 10 Vaststelling va de ID Voor een toepassing van dit beginsel op het recht van bezwaar, zie de CNIL-richtsnoeren"Comment utiliser une liste repoussoir pour respecter l’opposition à la prospection commerciale ?" , gepubliceerd op 17 januari 2022. Beschikbaar op: : https://www.cnil.fr/fr/comment-utiliser-une-liste-repoussoir-pour-respecter-lopposition-la-prospection-commerciale Beslissing ten gronde 163/2022 - 14/20 52. De ID stelt vast dat verweerder op 22 februari 2021 geen privacybeleid op zijn website had staan, terwijl dit op grond van de artikelen 12, 13 en 14 van de AVG wel vereist is. De ID stelde vast dat verweerder op 9 maart 2021 een privacybeleid aan zijn website had toegevoegd. De ID is van oordeel dat dit beleid onvolledig is om de volgende redenen: - Het is alleen beschikbaar in het Frans, hoewel de verweerder in het Nederlandse taalgebied gevestigd is; - De rechtsgrondslag voor de verwerking wordt niet vermeld (artikelen 13.1.
  23. c)en 14.1.
  24. f)van de AVG) ; - Doorgiften naar derde landen en garanties in dit verband worden niet vermeld, terwijl deze doorgiften wel worden vermeld in het register van verwerkingsactiviteiten (artikel 13.1.f), van de AVG; - De rechten van personen worden opgesomd, maar zijn niet voldoende gedetailleerd (artikel .2.
  25. b)en artikel 14.2.c), gelezen in samenhang met artikel 12.1 van de AVG). II.4.2. Argumenten van de verweerder 53. Ten eerste geeft verweerder toe dat hij ten tijde van het onderzoek geen privacybeleid had. Zij verduidelijkt dat het toegevoegde beleid als vastgesteld door de ID alleen betrekking heeft op gegevens die door bezoekers van de website zouden worden verstrekt. Sindsdien is een tweede beleid toegevoegd, dat betrekking heeft op wie het doelwit is van telefoongesprekken. In de tweede plaats stelt verweerder dat de onderneming haar diensten alleen aan een Franstalig publiek verleent, hetgeen het gebruik van alleen de Franse taal voor het privacybeleid rechtvaardigt. Hij voegt eraan toe dat er geen verplichting is om een privacybeleid in het Nederlands te publiceren, ook al is de onderneming in Vlaanderen gevestigd. Voorts is hij van mening dat de grondslag voor de rechtmatigheid van de verwerking voldoende duidelijk is in het privacybeleid en dat het om toestemming gaat. Met betrekking tot de doorgifte van gegevens verklaart verweerder dat het door de ID geanalyseerde privacybeleid alleen betrekking heeft op de website en op cookies. het beleid dat later is toegevoegd betreft de personen waarop de oproepen zijn gericht. Zij voegde daaraan toe dat het door de ID geanalyseerde beleid een paragraaf bevat over de doorgifte van gegevens aan derden. Ten slotte is verweerder van mening dat de rechten van personen voldoende zijn uitgewerkt, aangezien er geen verplichting is om deze verder uit te werken. Hij gebruikt het Beslissing ten gronde 163/2022 - 15/20 voorbeeld van verschillende websites van de federale overheid waar de rechten even weinig of minder ontwikkeld zijn dan op zijn site. II.4.3. Standpunt van de Geschillenkamer 54. Volgens het onderzoeksverslag en de conclusies van verweerder had verweerder vóór het ID-onderzoek geen privacybeleid op zijn website. Een eerste beleid inzake gegevensverwerking met betrekking tot de website (hierna : privacybeleid voor de website) werd toegevoegd nadat het onderzoek van de IDwas opgestart. Dit privacybeleid heeft echter geen betrekking op cookies of prospectgegevens, die in andere documenten worden beoogd. Vervolgens is volgens verweerder een ander privacybeleid met betrekking tot prospectgegevens en telemarketinggesprekken gepubliceerd (hierna : privacybeleid voor telefoonoproepen). De ID had vastgesteld dat er geen privacybeleid was voor de website. 55. De Geschillenkamer acht het, in eerste instantie, noodzakelijk de op elk van haar privacybeleid toepasselijke bepalingen te verduidelijken. Aangezien verweerders eerste privacybeleid alleen betrekking heeft op de verwerking van gegevens in verband met het gebruik van zijn website, volgt daaruit dat de gegevens in deze situatie rechtstreeks bij de betrokkenen worden verzameld. Dit privacybeleid is derhalve onderworpen aan de verplichtingen van artikel 13 van de AVG. De gegevens die worden gebruikt om telemarketingoproepen te doen, worden volgens de verklaringen van verweerder daarentegen verkregen van databrokers Zij zijn niet bij de betrokkene verzameld en vallen derhalve onder artikel 14 van de AVG. 56. Ten tweede herinnert de Geschillenkamer eraan dat de G29 in haar richtsnoeren inzake transparantie onder meer stelt dat "elke onderneming met een website een privacyverklaring of -mededeling op haar website moet publiceren. Een rechtstreekse link naar deze verklaring of mededeling over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zou duidelijk zichtbaar moeten zijn op elke pagina van de website, onder een algemeen gebruikte term (bv. "Vertrouwelijkheid", "Vertrouwelijkheidsbeleid" of "Mededeling inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer".»11 57. De Geschillenkamer acht deze verplichting des te belangrijker voor telemarketingbedrijven zoals verweerder, die aan telefonische direct marketing doen. De website is immers vaak de enige manier waarop een betrokkene zelf informatie over het bedrijf dat hem contacteert, kan vinden. Dat is hier het geval, aangezien klager op die manier met 11 Groep Gegevensbescherming Artikel 29, Richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, herziene versie en aangenomen op 11 april 2018 (beschikbaar op https://ec.europa.eu/newsroom/article29/items/622227), punt 11. Beslissing ten gronde 163/2022 - 16/20 verweerder in contact is gekomen en informatie heeft kunnen inwinnen over de verwerking van zijn gegevens. 58. In dit geval had verweerder ten tijde van het onderzoek geen privacybeleid, noch voor websitegegevens noch voor gegevens over telefoongesprekken. De Geschillenkamer concludeert derhalve een schending van de artikelen 12.1, 13.1, 13.2, 14.1 en 14.2 van de AVG. 59. De ID deed ook vier aanvullende vaststellingen met betrekking tot het privacybeleid voor de website, die in punt 52 hierboven worden uiteengezet. Voor deze vier vaststellingen kijkt de Geschillenkamer alleen naar het privacybeleid met betrekking tot de website. Het privacybeleid inzake telefoongesprekken werd immers pas na het onderzoek van de ID door verweerder bekendgemaakt en niet aan het dossier toegevoegd. Derhalve kon dit niet door de Geschillenkamer worden onderzocht. 60. Wat de taal van het privacybeleid betreft, beschikt de Geschillenkamer niet over voldoende informatie om verweerder te verplichten zijn privacybeleid zowel in het Nederlands als in het Frans te publiceren. Het enkele feit dat verweerder, die zijn diensten alleen op afstand verricht en dus geen voor het publiek toegankelijke winkel of kantoor heeft, in een Nederlandstalig gebied is gevestigd, is geen voldoende reden om hem te verplichten documenten in het Nederlands te vertalen. De G29 verduidelijkt in haar richtsnoeren het volgende «Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke zich richt tot betrokkenen die een andere taal spreken, moet een vertaling in die talen worden verstrekt »12. Volgens verweerder zijn zijn activiteiten alleen gericht op Franstalige betrokkenen, hetgeen prima facie rechtvaardigt dat het privacybeleid alleen in het Frans is opgesteld. 61. Wat betreft de vaststelling van de ID dat de grondslag van de rechtmatigheid in het privacybeleid niet is vermeld, merkt de Geschillenkamer op, zoals verweerder aangeeft, dat het privacybeleid van de door de ID geanalyseerde website de volgende verklaringen bevat (de Autoriteit vertaalt) : «Door onze website te gebruiken, stemt u uitdrukkelijk in met de verwerking van uw gegevens zoals beschreven in deze privacyverklaring» en «Wij verzamelen alleen de gegevens die u ons verstrekt en waarvoor u ons toestemming geeft om ze te verwerken »13. 12 Groep Gegevensbescherming Artikel 29, Richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, herziene versie en aangenompen op 11 april 2018 (beschikbaar op https://ec.europa.eu/newsroom/article29/items/622227), punt 13. 13 Verslag van het onderzoek, screenshots, blz. 14-15. Beslissing ten gronde 163/2022 - 17/20 Voor de Geschillenkamer bevat het privacybeleid dus wel degelijk een verwijzing naar de rechtmatigheidsgrondslag van de verwerking. Hoewel dit niet stricto sensu deel uitmaakt van de doorverwijzing, begrijpt de Geschillenkamer uit de bewoordingen van de hierboven geciteerde passages dat verweerder " further browsing uitoefent of uitoefende. Zij herinnert er echter aan dat deze praktijk niet in overeenstemming is met de AVG aangezien «het koppelen van de toestemming van de internetgebruiker aan zijn keuze om de dienst te blijven gebruiken geen afzonderlijke en specifieke toestemming mogelijk maakt zoals vereist door artikel 4.11 van de AVG»14. Zij verzoekt verweerder derhalve ervoor te zorgen dat hij zowel in de praktijk als in de informatie in zijn privacybeleid het rechtmatigheidsbeginsel in acht neemt. In dit verband herinnert zij aan het structurele verband tussen de rechtmatigheidsgrondslag van de verwerking en de informatie die aan de betrokkenen moet worden verstrekt 15. 62. De ID verwijt verweerder ook dat hij geen informatie over doorgiften naar derde landen heeft opgenomen. De vaststelling van de ID is gebaseerd op het enige privacybeleid dat ten tijde van het onderzoek beschikbaar was en dat bleek het privacybeleid van de website te zijn. De doorgifte aan derde landen betreft echter alleen gegevens die worden gebruikt voor telemarketing of eventueel gegevens in verband met cookies. Voor de Geschillenkamer is het dus terecht dat het privacybeleid van de website geen melding maakt van doorgiften. Deze moeten echter worden vermeld in het privacybeleid voor telemarketing en, indien van toepassing, in het cookiebeleid. 63. Ten slotte, wat betreft de vaststelling van de ID dat de rechten van de betrokkenen onvoldoende zijn uitgewerkt, stelt de Geschillenkamer vast dat het privacybeleid de betrokkenen informeert dat zij de volgende rechten hebben : toegang, rectificatie, schrapping, beperking, bezwaar en overdraagbaarheid. In het privacybeleid staat ook dat betrokkenen hun toestemming te allen tijde kunnen intrekken en dat zij een klacht kunnen indienen bij de gegevensbeschermingsautoriteit. Stricto sensu voldoet het privacybeleid van verweerder derhalve aan de verplichtingen van artikel 1.2.
  26. b)van de AVG. De Geschillenkamer is echter van mening dat de terminologie "restraindre le traitement", ook al kan deze worden begrepen als een verwijzing naar het recht om de verwerking te beperken, verwarrend kan zijn. De Geschillenkamer acht het daarom passend om de specifieke terminologie van het AVG te gebruiken en zo nodig aanvullende informatie toe te voegen om deze begrippen te verduidelijken. 64. Met betrekking tot gegevens die worden gebruikt voor telemarketing (waarop artikel 14 van de AVG van toepassing
  27. is)herinnert de Geschillenkamer er voorts aan dat artikel 14.3.
  28. b)14 Gegevensbeschermingsautoriteit, Beslissing 103/2022 van 16 juli 2022, punt 15. Beschikbaar https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-103-2022.pdf 15 Betreffende de rechtmatigheidsgrondslag van de verwerking, zie punten 24 en volgende. op: Beslissing ten gronde 163/2022 - 18/20 bepaalt dat de in de artikelen 14.1 en 14.2 bedoelde informatie aan de betrokkene moet worden verstrekt «ten laatste op het moment van de eerste communicatie met de betrokkene». De verwerkingsverantwoordelijke is derhalve verplicht deze informatie aan de betrokkenen te verstrekken voordat hij met hen communiceert of uiterlijk wanneer hij voor het eerst met hen communiceert. Voor de Geschillenkamer kan deze informatieplicht op verschillende manieren gebeuren, hetzij door middel van een sms, hetzij door middel van aan de exploitanten opgelegde scripts, hetzij door de activering van een toets op hun telefoontoetsenbord16. Deze verschillende vormen van informatie kunnen de betrokkene ook verwijzen naar het verantwoordelijkheidsbeginsel privacybeleid van artikel op 24 de van de website. Volgens het AVG het de is aan verwerkingsverantwoordelijke om te bepalen wat de meest geschikte manier is om de betrokkenen te informeren, met dien verstande dat hij moet kunnen aantonen dat aan dit vereiste is voldaan. III. Sancties 65. Overeenkomstig artikel 100 § 1 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° de opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 16 Voor een soortgelijke beslissing, zie beslissing SAN-2021-010 van 20 juli 2021 van de Franse toezichthoudende autoriteit (" Commission nationale de l'informatique et de libertés "). Beschikbaar op: https://www.legifrance.gouv.fr/cnil/id/CNILTEXT000043829617?isSuggest=true Beslissing ten gronde 163/2022 - 19/20 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 66. Op basis van haar analyse van de verschillende elementen van het dossier heeft de Geschillenkamer een schending vastgesteld van de volgende artikelen van de AVG: - de artikelen 5.1.a, 6.1.a, 7.1, 24.1, 25.1 en 25.2 ; - de artikelen 12.1, 13.1, 13.2, 14.1 en 14.2 ; - en de artikelen 15.1.e), 15.1.g), 15.1.f), en 17.1 gelezen in samenhang met artikel 12.3 van de AVG. 67. Op basis van de haar bij artikel 100, §1, 9° van het WOG verleende bevoegdheden, en gelet op de volgende elementen : - De in deze beslissing vastgestelde schendingen zijn talrijk en hebben betrekking op fundamentele beginselen van de AVG, zoals het rechtmatigheidsbeginsel, alsook het recht op informatie en het recht op toegang ; - Verweerder had reeds een due diligence-programma opgezet en in contractuele garanties enige aandacht besteed aan gegevensbescherming. Ook heeft hij naar aanleiding van de klacht zijn procedures aangescherpt. Verweerder is ook een zeer kleine onderneming; - Verweerder is in het verleden niet onderworpen geweest aan sancties van de Geschillenkamer; - Het feit dat verweerder reeds verschillende schendingen heeft hersteld zonder de eindbeslissing van de Geschillenkamer af te wachten en prompt heeft gereageerd op de verzoeken van de klager. Verweerder heeft zich ook constructief en coöperatief opgesteld tegenover de GBA; De Geschillenkamer beslist om verweerder een berisping op te leggen. IV. Publicatie van de beslissing 68. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze Gegevensbeschermingsautoriteit. beslissing Het is gepubliceerd evenwel niet op de nodig website dat identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt. van de daartoe de Beslissing ten gronde 163/2022 - 20/20 OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging: - Op grond van artikel 100, §1, 9° van de WOG, een berisping te geven aan de verweerder voor schendingen van de artikelen 5.1.a), 6.1.a, 7.1, 24.1, 25.1 en 25.2 ; de artikelen 12.1, 13.1, 13.2, 14.1, en 14.2 ; en de artikelen 15.1.e), 15.1.g), 15.1.f), en artikel 17.1, gelezen in samenhang met artikel 12.3 van de AVG. - om krachtens artikel 100, § 1, 1° van de WOG, het dossier om technische redenen te seponeren; Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, §1, van de WOG, beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep van Brussel), binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving ervan, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. Een dergelijk beroep kan worden aangetekend door middel van een interlocutoir verzoekschrift dat de in artikel 1034 ter van het Gerechtelijk Wetboek genoemde inlichtingen moet bevatten 17. Het interlocutoir verzoekschrift moet bij de griffie van het Marktenhof worden ingediend overeenkomstig artikel 1034 quinquies van het Ger.W.18, of via het informatiesysteem e-Deposit van het Ministerie van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.). (get.) Hielke HIJMANS Voorzitter van de Geschillenkamer 17 Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid: 1° de dag, de maand en het jaar; 2° de naam, de voornaam, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of ondernemingsnummer; 3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen; 4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt; 6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. 18 Het verzoekschrift, met de bijlage, wordt in evenveel exemplaren als er partijen zijn, per aangetekende brief aan de griffier van de rechtbank toegezonden of bij de griffie neergelegd.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.