1/60 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 169/2023 van 19 december 2023 Tegen deze beslissing is beroep aangetekend De beroepsprocedure is nog hangende voor het Marktenhof; aan het Hof van Justitie zijn prejudiciële vragen gesteld Dossiernummer: DOS-2021-01986 Betreft: Klacht wegens het nalaten om op passende wijze een verzoek tot verwijdering van persoonsgegevens uit het doopregister van de Rooms-Katholieke kerk in te willigen De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: GBA), samengesteld uit de heer HIELKE HIJMANS, voorzitter, en de heren YVES POULLET en JELLE STASSIJNS, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna “WOG”; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, hierna “de klager”, De verweerster: Bisdom Gent, met maatschappelijke zetel te Bisdomplein 1, 9000 Gent, met ondernemingsnummer 0409.677.223, hierna “de verweerster” Beslissing ten gronde 169/2023 — 2/60 I. 1. Feiten en procedure Het voorwerp van de klacht betreft het nalaten door de verweerster om de klager uit het doopregister van de verweerster te wissen, ten gevolge van de bezwaren die de klager maakte tegen de oorspronkelijke inschrijving in de voormelde registers van de verweerster, toen de klager nog minderjarig was. 2. Op 22 maart 2021 verzoekt de klager uitdrukkelijk, zowel per aangetekende brief als per email aan het adres bisdom.gent@kerknet.be, dat de verweerster elke verwijzing naar zijn persoon uit elk fysiek of digitaal register of archief zou schrappen. De klager verwijst hierbij expliciet naar de AVG, en vermeldt zijn volledige naam, geboortedatum en -plaats, alsook de datum van zijn doopsel bij de Rooms-Katholieke Kerk (hierna: R.-K. Kerk). Tevens eindigt de klager zijn verzoek met een uitdrukkelijk verzoek aan de verweerster om, na de schrapping “in de zin van complete vernietiging van de bestaande data”, alsnog gegevens over deze schrapping te bewaren. 3. Op 13 april 2021 ontvangt de klager een schrijven d.d. 7 april 2021 van de toenmalige Kanselier namens de verweerster, waarin aan de klager wordt medegedeeld dat zijn uittreding uit de R.-K. Kerk op 24 maart 2021 werd opgeschreven op de lijst van de kerkverlaters van de parochie Gent. Tevens wordt er melding gemaakt dat het de klager vrijstaat deze aantekening persoonlijk in het doopregister te verifiëren. 4. Op 14 april 2021 antwoordt de klager per brief en per e-mail dat hij zich niet tevreden kan stellen met het antwoord van de verweerster. Vooreerst betwist de klager dat er een kerkintreding door hemzelf zou hebben plaatsgevonden, vermits hij door derden (i.e. zijn ouders) en zonder enige inspraak werd ingeschreven in het doopregister. Hij schrijft dat er geen sprake kan zijn van een kerkuittreding, aangezien er volgens de klager nooit een kerkintreding heeft plaatsgevonden. Daarnaast dringt de klager er wederom op aan om elk gegeven verwijzend naar zijn persoon, met inbegrip van de informatie aangaande zijn uittreding uit de R.-K. Kerk, uit alle fysieke of digitale registers of archieven te schrappen, daar hij zelf nooit toestemming gaf voor de aanvankelijke inschrijving in de voormelde registers. 5. Op 14 april 2021 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen verweerster. 6. Op 22 april 2021 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. Beslissing ten gronde 169/2023 — 3/60 7. Op 28 juli 2021 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde, en worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. De verweerster wordt meer bepaald in kennis gesteld dat zij een mogelijke inbreuk heeft begaan op de artikelen 12.2, 12.4, 17.1 en 21.1 AVG wegens het nalaten om de klager uit alle registers van de verweerster te wissen, ten gevolge van de bezwaren die de klager maakte tegen de oorspronkelijke inschrijving, alsook het formeel verzoek tot verwijdering van elke verwijzing naar zijn persoon uit elk fysiek of digitaal register of archief van de verweerster. Daarnevens wordt de verweerster verzocht om nadere toelichting te geven aan de Geschillenkamer omtrent de wettelijke grondslag en doeleinde(
- n)voor de verwerking van de persoonsgegevens van de klager, met inbegrip van bijzondere categorieën van persoonsgegevens waaruit religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen kunnen blijken. Tot slot nodigt de Geschillenkamer de verweerster uit om de redenen waarom deze zich, naar aanleiding van het verzoek door de klager tot het schrappen van alle hem betreffende gegevens, ertoe heeft beperkt de uittreding uit de R.-K. Kerk louter aan te tekenen in het doopregister waarin de klager vermeld stond, alsmede deze uittreding te noteren op de lijst van de kerkverlaters van de parochie Gent. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerster werd daarbij vastgelegd op 24 september 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 15 oktober 2021 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerster op 5 november 2021. 8. Op 14 september 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerster, dewelke vooreerst betreurt dat de klager zich niet rechtstreeks tot de verweerster gewend heeft met zijn klacht, teneinde conform artikel 12.4 van de AVG een antwoord op zijn vragen te bekomen. Vervolgens verwijst de verweerster naar een uitvoerige nota betreffende het omgaan van de R.-K. Kerk met de gegevens in de parochieregisters. Deze nota zou volgens de verweerster reeds in december 2018 Bisschoppenconferentie — tevens de door de functionaris secretaris-generaal voor de van de bescherming van persoonsgegevens van de R.-K. Kerk van België — zijn bezorgd aan de GBA. De verweerster wijst erop dat deze brief tot op heden onbeantwoord bleef. 9. De middelen van de verweerster worden hieronder uiteengezet. Beslissing ten gronde 169/2023 — 4/60 I.1. 10. Verweer van de verweerster De verweerster dient tezamen met haar conclusies twee andere bijlagen in. Zo haalt zij een standaardantwoord aan dat vanwege de verweerster zou worden verzonden indien er een verzoek overeenkomstig artikel 17 AVG door een betrokkene wordt ingediend. Daarnaast voegt zij tevens een nota toe, getiteld “Centrale vraag: is het recht om vergeten te worden (art. 17 AVG) ook van toepassing op de parochieregisters van de Rooms-Katholieke Kerk?”, die zij reeds in 2018 heeft verstuurd aan de toenmalige voorzitter van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: GBA). Deze drie documenten maken samen de eerste conclusies van de verweerster uit. I.1.1. 11. Conclusies van de verweerster Toepassing van de AVG. Met betrekking tot de grieven van de klager verduidelijkt de verweerster vooreerst dat de toepassing van de AVG op de R.-K. Kerk niet in vraag wordt gesteld, alvorens te verklaren dat de verweerster, met uitzondering van de parochieregisters, de privacyregelgeving volledig naleeft voor alle digitale of papieren bestanden, websites en nieuwsbrieven. De Geschillenkamer neemt aan dat de verweerster met de laatste zinsnede ‘met uitzondering van de parochieregisters’ bedoelt dat bepaalde uitzonderingsgronden van de AVG van toepassing zijn, waardoor de verweerster meent dat het recht op gegevenswissing niet van toepassing is, en niet dat de AVG als zodanig niet van toepassing is op de eigenlijke registers. Dit blijkt ook uit de verduidelijkingen die de verweerster heeft gegeven op de hoorzitting van 27 november 2023. 12. Meer bepaald stelt de verweerster dat zij onmiddellijk ingaat op verzoeken van betrokkenen wanneer deze te kennen geven dat zij de R.-K. Kerk wensen te verlaten. Dit gebeurt aan de hand van een aantekening in het doopregister van de parochiekerk waar de betrokkene gedoopt werd. Dienaangaande herinnert de verweerster eraan dat dit register niet publiek is, noch toegankelijk voor derden, en daarnevens niet met andere instanties gedeeld wordt. De uittrede wordt nergens gepubliceerd, en eventuele schriftelijke correspondentie die met de betrokkenen gevoerd wordt na beëindiging ervan vernietigd. Beslissing ten gronde 169/2023 — 5/60 13. Geen absoluut recht op gegevenswissing. In tweede instantie poneert de verweerster dat het verzoek tot gegevenswissing van artikel 17 AVG zich te dezen verhoudt tot de rechten van de geloofsgemeenschap en derhalve geen absoluut recht is. In het bijzonder omvat de vrijheid van godsdienst van betrokkenen, zoals vastgelegd in de Belgische Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), een grondwettelijke vrijheid van eredienst alsmede een absolute vrijheid van interne organisatie die de geloofsgemeenschap — in casu, de R.-K. Kerk in België — geniet. De verweerster geeft mee dat deze vrijheid tevens erkend wordt door artikel 17 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie1 (hierna: VWEU), waaraan ook de uitvoering van de AVG moet worden getoetst. 14. Verder steunt de verweerster op de volgende argumenten om het gebrek aan volledige wissing van de persoonsgegevens van de klager te rechtvaardigen: ▪ De registratie van het heilig doopsel en de handhaving van deze registratie met het oog op identiteitsfraude zijn volgens de verweerster allebei noodzakelijk voor de geloofsgemeenschap, aangezien de doop volgens de vaste leer van de R.-K. Kerk niet herhaald kan worden. ▪ Het doopregister fungeert als het centrale register van de R.-K. Kerk en kan daarom als dusdanig volgens de verweerster niet vergeleken worden met eender welk register dat persoonsgegevens bevat, omdat “een aantal initiatiesacramenten die rechten toekennen aan de gedoopte” onlosmakelijk verbonden zijn aan het doopregister. ▪ De verwerking van de persoonsgegevens van betrokkenen bij hun doop is gegrond op artikel 6.1.
- f)van de AVG, met name het gerechtvaardigd belang van de verweerster, en niet op de toestemming van de betrokkene (6.1.
- a)AVG) noch op de uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en de verwerkingsverantwoordelijke (6.1.
- b)AVG), waardoor de intrekking van de ‘toestemming’ van de betrokkene geen gevolgen kan hebben voor de omstreden gegevensverwerking. 1 Artikel 17 VWEU — “1. De Unie eerbiedigt de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationaal recht in de lidstaten hebben, en doet daaraan geen afbreuk. 2. De Unie eerbiedigt tevens de status die de levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties volgens het nationaal recht hebben. 3. De Unie voert een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerken en organisaties, onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage.” Beslissing ten gronde 169/2023 — 6/60 ▪ Anders dan de klager opwerpt, geldt niet het recht van de betrokkene om vergeten te worden (cf. artikel 17.1 AVG) doch veeleer het recht voor de verweerster om de persoonsgegevens in het algemeen belang te archiveren. Doopgegevens vormen immers historische feiten, die volgens de verweerster als dusdanig behandeld moeten worden om te voorkomen dat het doopregister anders zijn objectieve historische waarde zou verliezen. Overigens dient ook de uittrede uit de R.-K. Kerk als een historisch feit te worden aangezien, met name dat er recht werd gedaan aan de wens van de betrokkene om uit de R.-K. Kerk te treden. ▪ Tot slot herinnert de verweerster aan het feit dat het Belgische en Europees recht niet automatisch primeren op het canoniek recht, alsmede dat de R.-K. Kerk geniet van een absolute vrijheid van interne organisatie krachtens het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat. In het bijzonder behelst het schrappen van een gelovige op diens verzoek uit het doopregister, door middel van een annotatie in de marge, een ambtshandeling die enkel door de pastoor of zijn medewerker kan verricht worden. Het onleesbaar maken van deze akten vormt daarentegen een handeling die door de pastoor of zijn helper volgens het geldend canoniek recht niet wettelijk gesteld kan worden. Afsluitend stelt de verweerster dat deze handelswijze “algemeen bekend” mag worden geacht, “zodat het niet kunnen schrappen van de doopgegevens niet als een verrassing kan komen” 2. I.1.2. 15. Standaardantwoord Bisdom Gent De verweerster voegt eveneens het standaardantwoord op verzoeken tot schrapping uit de doopregisters toe bij zijn eerste conclusies. In haar repliek onderstreept zij later dat dit het standaardantwoord zou zijn dat door alle Bisdommen wordt gebruikt. 16. Het standaardantwoord van de verweerster aan betrokkenen die hun recht op vergetelheid uitoefenen, luidt als volgt: “Geachte heer/mevrouw, Aan uw verzoek tot schrapping uit de doopregisters werd voldaan door een annotatie in de marge van het doopregister conform het van kracht zijnde canonieke recht van de katholieke Kerk. De inwerkingtreding van de AVG (GDPR) heeft aan deze werkwijze - anders dan u denkt - niets veranderd. 2 Verweerschrift van de verweerster d.d. 14 september 2021, p. 2. Beslissing ten gronde 169/2023 — 7/60 De gegevens in de parochieregisters zijn historische feiten. Het historisch feit van de doop heeft zowel betrekking op de dopeling zelf als op de katholieke Kerkgemeenschap als geheel. Schrapping van deze gegevens op eenzijdige vraag van de betrokkene die de kerkgemeenschap wenst te verlaten doet geen recht aan de rechten van de nog actieve leden van deze kerkgemeenschap, ook met het oog op mogelijke identiteitsfraude. Het belang van de correct bijgehouden doopregisters door de R.-K. Kerk als archief wordt in België ook na de invoering van het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat door de Grondwet in 1831 bevestigd door het feit dat deze na honderd jaar overgedragen worden aan het Rijksarchief (in de privaatrechtelijke archieven). Wanneer betrokkenen wijzigingen in deze archieven zouden mogen aanbrengen, verliezen deze archieven hun waarde voor het algemeen belang (cf. art. 17 3 d). Wanneer u het met dit standpunt niet eens bent, kunt u zich voor bemiddeling wenden tot de functionaris voor gegevensbescherming van de r.-k. Kerk in België, […], secretaris-generaal van de Belgische Bisschoppenconferentie, […] en of tot de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit die van ons standpunt op de hoogte is (nadere informatie en contactgegevens van de Gegevensbeschermingsautoriteit vindt u hier: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger/startpagina). Erop vertrouwend u met dit antwoord van dienst te zijn, groeten wij u vriendelijk en met de meeste hoogachting, […]” I.1.3. 17. Brief van 2018 In het kader van haar verdediging voegt de verweerster de nota van de Secretaris-generaal van de Bisschoppenconferentie toe aan haar conclusies die zij in 2018 reeds aan de GBA overgemaakt heeft, waardoor de Geschillenkamer deze als integraal deel uitmakend van diens verweermiddelen dient te beschouwen. Deze nota bevat in essentie dezelfde argumenten als aangedragen in haar verweerschrift en verduidelijkt een aantal aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met de voorliggende zaak. 18. Ten eerste meent de Secretaris-generaal dat de AVG in het licht van artikel 17 van het Verdrag inzake de Werking van de Europese Unie (VWEU) dient gelezen te worden, zoals bevestigd door Overweging 165 van de AVG: “Overeenkomstig artikel 17 VWEU eerbiedigt deze verordening de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het vigerende constitutioneel recht in de lidstaten hebben, en doet zij daaraan geen afbreuk.” Beslissing ten gronde 169/2023 — 8/60 19. Verder wordt aangehaald dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in zijn rechtspraak inzake de vrijheid van godsdienst en vrijheid van organisatie steeds het verband legt tussen de individuele en de collectieve aspecten in het bestaan van geloofsgemeenschappen, waarbij het vaste uitgangspunt inhoudt dat de vrijheid van vereniging en de godsdienstvrijheid — resp. artikel 11 en artikel 9 EVRM — nauw samenhangen (de Secretaris-generaal onderstreept): “Where the organisation of the religious community is at issue, Article 9 of the Convention must be interpreted in the light of Article 11, which safeguards associative life against unjustified State interference. Seen in this perspective, the believers’ right to freedom of religion encompasses the expectation that the community will be allowed to function peacefully, free from arbitrary State intervention. Indeed, the autonomous existence of religious communities is indispensable for pluralism in a democratic society and is thus an issue at the very heart of the protection which Article 9 affords. It directly concerns not only the organisation of the community as such but also the effective enjoyment of the right to freedom of religion by all its active members. Were the organisational life of the community not protected by Article 9 of the Convention, all other aspects of the individual’s freedom of religion would become vulnerable.” 3 20. Daarnaast wordt de nadruk gelegd op artikel 9.2.
- d)AVG als grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens in het doopregister. Immers, deze bepaling voorziet in uitzonderingen op het algemeen verbod om bijzondere categorieën van persoonsgegevens te verwerken, en stelt meer bepaald dat een dergelijk verbod niet van toepassing is wanneer de verwerking wordt verricht door een instantie zonder winstoogmerk die op godsdienstig gebied werkzaam is, in het kader van haar gerechtvaardigde activiteiten en met passende waarborgen, mits de verwerking uitsluitend betrekking heeft op de leden of de voormalige leden van de instantie, en de persoonsgegevens niet zonder de toestemming van de betrokkenen buiten die instantie worden verstrekt. 3 EHRM, 26 oktober 2000, nr. 30985/96 Hasan & Chaush/Bulgarije, randnr. 62; EHRM, 8 april 2014, nrs. 70945/11, 23611/12, 26998/12, 41150/12, 41463/12, 41553/12, 54977/12 en 56581/12, Magyar Keresztény Mennonita Egyhaz e.a./Hongarije, randnr. 77; EHRM, (GK) 12 juni 2014, nr. 56030/07, Fernandez Martinez/Spanje, randnr. 127. Beslissing ten gronde 169/2023 — 9/60 21. Met betrekking tot de vraag of het Wetboek van Canoniek Recht of de Codex Iuris Canonici (hierna: CIC), dat het eigen recht van de R.-K. Kerk bevat, aan de omschrijving van “wetgevingsmaatregel” door de Europese wetgever zou voldoen, verwijst de Secretarisgeneraal van de Bisschoppenconferentie van België naar Overweging 41 AVG. Deze overweging verduidelijkt namelijk dat het begrip “wetgevingsmaatregel” in de AVG niet per se een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling hoeft te zijn. Het moet echter wel gaan om een duidelijk en nauwkeurig omschreven rechtsgrond of wetgevingsmaatregel, waarvan de toepassing voorspelbaar moet zijn voor degenen op wie deze van toepassing is. 22. Tevens zou het voorkomen van identiteitsfraude in de Kerk gesteund worden door Overweging 47 AVG, dewelke expliciet verklaart dat de verwerking van persoonsgegevens die strikt noodzakelijk is voor fraudevoorkoming een gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke kan vormen. 23. Ook dient men volgens de Secretaris-generaal rekening te houden met de historische ontwikkeling van de parochieregisters, die vóór het invoeren van de burgerlijke stand de enige bron van registratie vormden “voor de overgrote meerderheid van de bewoners van steden en dorpen”. Het belang van de correct bijgehouden doopregisters door de R.-K. Kerk werd in België ook na de invoering van het beginsel van de scheiding van de Kerk en Staat in de Grondwet bevestigd, aldus de Secretaris-generaal, door het feit dat de doopregisters na honderd jaar overgedragen worden aan het Rijksarchief 4. Indien het voor betrokkenen toegestaan zou zijn om wijzigingen te laten aanbrengen in deze archieven, dan verliezen deze hun waarde voor het algemeen belang. 24. Daarnaast zou het argument dat een levenslange bewaring van de persoonsgegevens in de doopregisters niet in lijn ligt met de redelijke verwachtingen van betrokkenen volgens de Secretaris-generaal evenmin kunnen overtuigen. Het is immers de vaste leer van de R.-K. Kerk dat de doop het fundament is van het gehele christelijk leven en bijgevolg niet herhaald kan worden. In elke rooms-katholieke parochie is de canonieke pastoor — i.e., de priester die daar door de bevoegde diocesane Bisschop benoemd is in de parochie — conform het eigen recht van de R.-K. Kerk — zoals ook opgenomen in het meest recente Wetboek van Canoniek Recht van 1983 of de Codex Iuris Canonici (hierna: CIC) — verplicht om nauwkeurig de parochieregisters bij te houden. Een doopregister geeft overigens minstens één, maar meestal meerdere historische gebeurtenissen weer. Bijgevolg kan het register gezien worden als een akte vergelijkbaar met een notariële akte, waarbij de pastoor als kerkelijke beambte optreedt, in aanwezigheid van getuigen, in een voor de geloofsgemeenschap publieke handeling.5 4 5 In de privaatrechtelijke archieven. Het Franse Hof van Cassatie bevestigde in 2014 dat een katholieke doop geen privé doch een publieke gebeurtenis vormt: Cour de cassation, 1re Civ. 19/11/2014, pourvoi n° 13.25156. Beslissing ten gronde 169/2023 — 10/60 25. Voorts wordt opgeworpen dat het recht op vergetelheid in het kader van doopregister onvermijdelijk botst met het collectieve recht van de leden van de kerkgemeenschap op vrijheid van interne organisatie, conform artikelen 19 en 21 van de Grondwet6 en artikel 17 van het VWEU, alsmede met het verbod op schrapping van namen in de parochieregisters conform het CIC. Iemand die de R.-K. Kerk bij formele akte verlaten heeft, blijft volgens haar leer gedoopt, ongeacht of hij/zij een beroep doet op zijn/haar dooprechten of niet. Omdat het sacrament van de doop niet meermaals toegediend kan worden, zou het voor de R.-K. Kerk noodzakelijk blijven te weten of iemand al dan niet gedoopt werd. Dit standpunt zou bovendien gesteund zijn door Overweging 4 AVG (de Secretaris-generaal onderstreept): “De verwerking van persoonsgegevens moet ten dienste van de mens staan. Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de samenleving en moet conform het evenredigheidsbeginsel tegen andere grondrechten worden afgewogen. Deze verordening eerbiedigt alle grondrechten alsook de vrijheden en beginselen die zijn erkend in het Handvest zoals dat in de Verdragen is verankerd, met name de eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, woning en communicatie, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, en het recht op culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid.” 26. De Secretaris-generaal poneert overigens dat de R.-K. Kerk een gerechtvaardigd beroep kan doen op de uitzonderingen zoals geformuleerd in artikel 17.3.
- d)AVG, met name de ‘archivering in het algemeen belang’ in combinatie met het recht van absolute vrijheid van interne organisatie van levensbeschouwingen, voortvloeiend uit de vrijheid van godsdienst. 27. Het aangeven van de kerkverlating met een annotatie in de marge beantwoordt eveneens aan een praktische noodzaak, omdat er in alle Bisdommen voorbeelden zouden zijn van burgers die na enige tijd terugkomen op hun verzoek om geschrapt te worden uit de parochieregisters, en er aan zulke verzoeken enkel kan worden voldaan wanneer er een aantekening in de marge van het doopregister gemaakt werd. 6 Art. 19 Grondwet — “De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.” Art. 21 Grondwet — “De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken, onverminderd, in laatstgenoemd geval, de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking”. Beslissing ten gronde 169/2023 — 11/60 28. Daarenboven zou er volgens de nota van de Bisschoppenconferentie van België bij de handelswijze van de Kerk op geen enkele wijze sprake zijn van een “openbaarmaking” zoals bedoeld in artikel 21 Grondwet, aangezien de parochieregisters niet toegankelijk zijn voor derden en op geen enkele wijze door de Kerk bekendgemaakt of doorgegeven worden aan derden. 29. Tot slot neemt de Secretaris-generaal het standpunt in dat het maken van een notitie in de marge het maximaal haalbare is voor de R.-K. Kerk, aangezien er op deze wijze “zowel [wordt] voldaan aan de vraag van de betrokkene (het niet-actieve oud-lid) om de R.-K. Kerk bij formele akte te verlaten, als aan de wens van de actieve leden van de kerkgemeenschap om te blijven beschikken over de in de parochieregisters opgenomen persoonsgegevens – als historisch feit – verbonden met de initiatiesacramenten en de mogelijke gevolgen hiervan voor de kerkgemeenschap (b.v. in geval van het sluiten van een kerkelijk huwelijk)”. I.1.4. 30. Repliek van de klager Op 13 oktober 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. De klager benadrukt vooreerst dat zijn klacht drie onderdelen betreft, en met name: i. “het noteren (het bewaren in geschrifte) van valse verklaringen door gezaghebbende personen, deel uitmakend van de R.-K. Kerk en optredend in naam van de roomskatholieke kerk”; 31. ii. “het flagrant ontkennen van de wederrechtelijke aard van deze aantekeningen”; en iii. “de weigering om de onjuiste aantekeningen te verwijderen”. De klager stelt verder dat de verweerster niet ontkend heeft dat de omstreden aantekeningen in het doopregister in 1955 plaatsvonden, i.e. toen de klager zes dagen oud was en onder gezag van een bedienaar van de eredienst. Gelet op deze omstandigheden meent de klager dat hij geenszins bewust koos om in de R.-K. Kerk in te treden, met als gevolg dat de aantekeningen geen correcte weergave van de werkelijkheid zijn en de verweerster dus onjuiste gegevens verwerkt aangaande de klager, in overtreding met artikel 5.1.
- d)AVG. 32. Bijkomstig verwerpt de klager de door de verweerster aangevoerde middelen met betrekking tot artikelen 6.1.
- f)en 17.3.
- d)AVG, aangezien deze bepalingen uitsluitend van toepassing zouden zijn op de verwerking van juiste persoonsgegevens, terwijl de omstreden aantekeningen in de doopregisters volgens de klager niet aan deze voorwaarde vergenoegen en derhalve onherroepelijk verwijderd moeten worden. Beslissing ten gronde 169/2023 — 12/60 33. De klager poneert overigens dat de verweerster geen beroep kan doen op de uitzonderingsregels van artikel 9 AVG om zijn persoonsgegevens in de doopregisters te verwerken, aangezien: - de klager nooit toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn levensbeschouwelijke persoonsgegevens (artikel 9.2.
- a)AVG); - de klager van mening is dat hij nooit lid is geweest van de “vereniging” (artikel 9.2.
- d)AVG); - de bewaarde aantekeningen niet openbaar zijn gemaakt door de klager (artikel 9.2.
- e)AVG); - de archivering van de persoonsgegevens van de klager onmogelijk noodzakelijk zouden zijn voor het opstellen van statistieken, en er al evenmin een mogelijke rechtvaardiging zou zijn voor de bewaring van de persoonsgegevens voor wetenschappelijke doeleinden (artikel 9.2.
- j)AVG); en - de andere gronden in artikel 9.2 niet van toepassing zijn om de specifieke omstandigheden (9.2.b), c), f), g), h), en
- i)AVG). Voor zover artikel 9.2.
- j)AVG toch van toepassing zou zijn en de persoonsgegevens in het algemeen belang verder verwerkt worden, dan verzoekt de klager om overeenkomstig artikel 89.1 AVG de pseudonimisering van zijn persoonsgegevens te bekomen. 34. Vervolgens betwist de klager dat het overmaken van het standaardantwoord van de verweerster een klacht had kunnen voorkomen, dat hij om de wissing van zijn persoonsgegevens overeenkomstig artikel 17 AVG verzocht zou hebben, dat zijn klacht met de vrijheid van godsdienst verband houdt, alsook dat hij met zijn klacht voornemens zou zijn de rechten op autonome werking van de kerken of geloofsgemeenschappen te bestrijden. De nota die in 2018 aan een voormalige voorzitter van de GBA werd verzonden, zou volgens de klager irrelevant zijn ten aanzien van zijn klacht. 35. De klager werpt eveneens op dat de hem betreffende persoonsgegevens in werkelijkheid onjuist zijn en de verweerster zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan “valse verklaringen”, waardoor de klager meent te kunnen eisen “dat alle aantekeningen in het doopregister of enig andere (digitale of analoge) gegevensdrager aangaande zijn persoon onverwijld (onmiddellijk) en definitief verwijderd worden, zonder dat er het minste spoor van de aantekeningen of opgeslagen gegevens overblijft”. Het verwijderen van de digitale gegevens dient te gebeuren met het gebruik van ‘digital shredding’ zijnde een onomkeerbare verwijdering van de gegevens.” Beslissing ten gronde 169/2023 — 13/60 36. Tot slot meent de klager dat het door de verweerster aangehaalde gerechtvaardigd belang van de R.-K. Kerk onmogelijk zou kunnen opwegen tegenover de grondrechten en fundamentele vrijheden van een kind, dat ten tijde van zijn inschrijving of intrede bij de R.-K. Kerk geen inspraak had. Evenmin kan de vrijheid van interne organisatie leiden tot verminderde grondrechten voor betrokkenen in een rechtsstaat waar het principe van scheiding tussen Kerk en Staat heerst. I.1.5. 37. Repliek van de verweerster Op 4 november 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de verweerster. 38. Ten eerste zou de klager ten onrechte spreken van “valse verklaringen” en van een “register van personen die het rooms-katholieke geloof aanhangen”. Het doopregister is een register waarin het moment van de doop van een bepaalde persoon wordt opgenomen. Het vormt geen ledenregister en wordt evenmin gebruikt om het ledenaantal van de R.-K. Kerk vast te stellen. Het al dan niet (meer) lid zijn van de R.-K. Kerk doet volgens de verweerster niets af aan de juistheid van het moment waarop de doop plaatsvond en dus van de gegevens die zijn opgenomen in het doopregister. 39. Aangaande het gebrek aan inspraak van de klager ten tijde van het toedienen van de doop poneert de verweerster dat dit op uitdrukkelijk verzoek van de ouders c.q. familie van de klager geschiedde, wat niet alleen legitiem, maar ook legaal en conform de wetgeving gebeurde. Het is immers gebruikelijk dat ouders c.q. zij die het ouderlijk gezag uitoefenen keuzes kunnen maken alsmede rechtshandelingen kunnen stellen voor een minderjarige. 40. Betreffende de juistheid en het zo nodig actualiseren van de persoonsgegevens van de klager kan volgens de verweerster opgemerkt worden dat dit onverwijld na de aanvraag door de klager gebeurd is door middel van een annotatie in de marge van het doopregister, hetgeen in lijn is met de wens van de klager en tevens de archiefwaarde van het doopregister eerbiedigt. Behoudens de persoonsgegevens van de klager in het doopregister beschikt de R.-K. Kerk in het Bisdom Gent bovendien niet over andere bestanden waarin er persoonsgegevens van de klager worden opgeslagen. Beslissing ten gronde 169/2023 — 14/60 41. Vermits de verwerkte gegevens juist en rechtmatig verkregen werden, in tegenstelling tot wat de klager beweert, stelt de verweerster dat de R.-K. Kerk zich wel degelijk mag beroepen op de artikelen 6.1.
- f)en 17.3.
- d)AVG. Ondanks het feit dat de klager betwist ‘ingetreden te zijn’ in de R.-K. Kerk, is het een onomstotelijk feit dat hij op verzoek van zijn ouders c.q. familie in 1955 gedoopt werd in de R.-K. Kerk. Door het toedienen van de doop wordt volgens de leer van de R.-K. Kerk de gedoopte vanaf dan als lid van de kerkgemeenschap beschouwd. Formeel is de klager dus op het moment van de doop opgenomen als lid van de R.-K. Kerk, ongeacht of hij dit later ooit als dusdanig heeft ervaren, en ongeacht of dit gewenst was of niet. De verwerking van de gegevens van de klager in het doopregister gebeurt overigens in het algemeen belang en dus conform de artikelen 9.2.
- j)en 89.1 AVG. Daarenboven herinnert de verweerster eraan dat deze archieven niet zonder meer toegankelijk zijn en dat er in de parochies alsook later, wanneer de archieven zijn overgedragen aan het Rijksarchief, in overeenstemming met artikel 89.1 AVG passende organisatorische maatregelen getroffen worden om de minimale gegevensverwerking te garanderen. 42. Betreffende het standaardantwoord dat in alle Belgische Bisdommen gebruikt wordt bij vragen om de volledige uitwissing van persoonsgegevens in de parochieregisters, benadrukt de verweerster dat de meeste personen hun acties staken van zodra zij geïnformeerd worden over de uitzonderingsgrond die volgens de verweerster van toepassing is. De relevantie van de brief van 2018, die eveneens werd toegevoegd aan het eerste verweerschrift van de verweerster kan bezwaarlijk in vraag worden gesteld, vermits deze brief volgens de verweerster argumenten conform het geldende Europees recht, het Belgische staatsrecht, het canoniek recht alsmede de katholieke theologie bevat. 43. Verder is de verweerster het oneens met de bewering dat de R.-K. Kerk de AVG niet naleeft door zonder toestemming persoonsgegevens te verwerken. De verweerster onderscheidt immers de verwerking van persoonsgegevens in het kader van digitale of papieren bestanden, websites en nieuwsbrieven, enerzijds, en de parochieregisters, anderzijds. Terwijl de eerste categorie van verwerkingen op de toestemming van betrokkenen gebaseerd is, steunt de tweede verwerkingsactiviteit op artikelen 6.1.
- f)juncto 9.2.
- j)AVG, zijnde het gerechtvaardigd belang van de R.-K. Kerk om “identiteitsfraude” te voorkomen. Beslissing ten gronde 169/2023 — 15/60 44. Doordat er een direct verband bestaat tussen parochieregisters en de toediening van sacramenten, meent de verweerster dat het, rekening houdend met de grondrechten van vrijheid van eredienst en van de scheiding van Kerk en Staat in België, allerminst vanzelfsprekend is dat een betrokkene op basis van bepaalde rechten toegekend door de AVG onherstelbare wijzigingen zou kunnen aanbrengen in een voor de interne werking van de R.-K. Kerk in België belangrijk register. Dienaangaande beklemtoont de verweerster wederom dat artikelen 19 en 21 van Belgische Grondwet de vrijheid van eredienst evenals een absolute vrijheid van interne organisatie toekennen aan de kerken, met als gevolg dat de Belgische Staat zich zou dienen te onthouden van het toepassen van de AVG indien dit invloed heeft op het interne leven van de R.-K. Kerk. 45. Ter afsluiting betoogt de verweerster dat in de huidige zaak de vraag of de klager zich al dan niet betrokken voelt bij de R.-K. Kerk niet ter discussie staat. Het enige wat in werkelijkheid telt, aldus de verweerster, is of de gegevens in het doopregister juist zijn, en of zij rechtmatig verkregen werden. I.1.6. 46. Hoorzitting Op 10 oktober 2023 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat een hoorzitting zal plaatsvinden op 27 november 2023. 47. Op 27 oktober 2023 ontvangen beide partijen een brief met bijkomstige vragen vanuit de Geschillenkamer. De partijen, in het bijzonder de verweerster, worden verzocht om ten laatste 17 november 2023 schriftelijk antwoord te geven op de gestelde vragen. Deze vragen hebben onder meer betrekking op de rechtsgrond die gebruikt wordt, aangezien in de eerdere conclusies meerdere rechtsgronden worden aangehaald. Ook wordt nagevraagd hoe de verwerkingsverantwoordelijkheid wordt gedeeld door de verschillende entiteiten binnen de R.-K. Kerk. Ten slotte vraagt de Geschillenkamer na hoe de registers precies bewaard worden. De antwoorden van de verweerster hierop zijn opgenomen in de huidige beslissing. 48. Op 27 november 2023 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. 49. De klager geeft op deze hoorzitting nogmaals aan dat hij acht nooit lid te zijn geweest van de R.-K. Kerk, waardoor hij de annotatie die werd toegevoegd door de verweerster als gevolg op zijn verzoek tot schrapping, alsook de inschrijving in het doopregister op zich als foutief ervaart. Hij benadrukt ten slotte dat hij tegen zijn wil is ingeschreven door diens ouders. Beslissing ten gronde 169/2023 — 16/60 50. De verweerster stipt aan dat de persoonsgegevens uit de doopregisters enkel kunnen worden bekomen indien dit door de betrokkenen zelf aangevraagd wordt en de nodige bijkomstige informatie (naam, geboortedatum en -plaats, naam ouders, adres, doopplaats en -datum) wordt gegeven. Daarnaast geven zij aan dat de kerkelijke verantwoordelijken wel degelijk rekening moeten houden met het Belgische (seculiere) recht, en dus ook de AVG. Ter antwoord op vragen van de leden geeft de verweerster eveneens aan dat indien de betrokkene niet zelf aangeeft waar en wanneer deze gedoopt is geweest, deze het bewijs van de doop niet altijd kan terugvinden. 51. Op 1 december 2023 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. 52. Op 3 december 2023 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de verweerster enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. 53. Op 7 december 2023 ontvangt de Geschillenkamer vervolgens vanwege de klager enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij eveneens beslist mee op te nemen in haar beraad. Beslissing ten gronde 169/2023 — 17/60 II. Motivering 54. De Geschillenkamer stelt, op basis van de stukken die de klacht staven, vast dat de klager middels een aangetekende brief zijn recht op gegevenswissing heeft uitgeoefend jegens de verweerster. De Geschillenkamer onderzoekt in II.2 van deze beslissing of de verweerster in casu alleen of gezamenlijk met een andere instantie de verwerkingsverantwoordelijkheid heeft. 55. Samengevat steunt de verweerster haar verweer dat de persoonsgegevens van de klager niet verwijderd kunnen worden uit het doopregister, op de volgende elementen: a. de verwerking van de persoonsgegevens van de klager in het doopregister is niet gegrond op de toestemming van de betrokkene noch van diens ouders, maar wel op het gerechtvaardigd belang van de verweerster alsmede van de kerkgemeenschap, daar deze verwerking beoogt (identiteits)fraude te voorkomen in het licht van de vaste leer van de R.-K. Kerk dat de doop slechts eenmalig kan geschieden; b. een doopregister heeft een objectieve historische waarde, met als gevolg dat het voor de R.-K. Kerk toegestaan is om de historische feiten van de doop alsmede van de uittrede uit de Kerk in het belang van de leden van haar geloofsgemeenschap voor archiveringsdoeleinden te bewaren; c. de R.-K. Kerk geniet vanwege het beginsel van scheiding van Kerk en Staat krachtens artikelen 19 en 21 van de Grondwet, evenals onder artikel 17 VWEU, van een absolute vrijheid van interne organisatie, met als gevolg dat het recht op vergetelheid voorzien in artikel 17 AVG geen toepassing zou hebben op de persoonsgegevens opgenomen in de doopregisters van de verweerster. Bovendien is het onleesbaar maken van de doopgegevens een handeling die door de pastoor of zijn helper volgens het geldend canoniek recht niet wettelijk gesteld kan worden, volgens de verweerster. 56. De Geschillenkamer zal de door de verweerster aangevoerde middelen in de volgende randnummers behandelen. Beslissing ten gronde 169/2023 — 18/60 II.1. Bevoegdheid van de Geschillenkamer 57. Volgens de artikelen 51 juncto 55 AVG is het vereist dat iedere lidstaat één of meer onafhankelijke overheidsinstanties inricht die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de verordening. Het doel hiervan is de bescherming van de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van hun persoonsgegevens. In navolging toezichthoudende instantie hiervan opgericht. In werd met de WOG een Belgische artikel 4 van deze wet wordt de toezichtsbevoegdheid van de GBA bevestigd. 58. Als sanctionerend orgaan van de GBA heeft de Geschillenkamer duidelijke bevoegdheden. Deze omvat het onderzoek van de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, met betrekking tot zowel de AVG als wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens. Krachtens artikel 57.1.
- f)AVG moet elke toezichthoudende autoriteit op haar grondgebied de klachten behandelen die overeenkomstig artikel 77.1 AVG kunnen worden ingediend, wanneer een betrokkene van oordeel is dat een verwerking van hem betreffende persoonsgegevens schending van de AVG oplevert. De autoriteit moet het voorwerp van die klachten voor zover als nodig onderzoeken.7 59. Hoewel in de bredere context van het onderhavige dossier verschillende grondrechten een rol spelen, zal de Geschillenkamer zich in casu specifiek uitspreken over de toepassing van de AVG en de impact van de verwerkingsactiviteiten op het recht op bescherming van persoonsgegevens, in lijn met de haar toegewezen bevoegdheden. Hierbij kan de Geschillenkamer in het kader van de toepassing van de AVG een oordeel te vellen over mogelijke afwegingen tussen verschillende grondrechten. 8 Het behoort echter niet tot de bevoegdheid van de Geschillenkamer hierbij te oordelen over bepaalde vragen van grondwettelijke aard, zoals de verhouding tussen het recht van de R.-K. Kerk en dat van de staat. Aangezien de Geschillenkamer deel uitmaakt van een administratieve autoriteit9, ontbreekt het haar bovendien aan de bevoegdheid om prejudiciële vragen te stellen aan instanties die wel in staat zijn om uitspraken te doen over mogelijke conflicten tussen grondrechten, meer bepaald aan het Grondwettelijk Hof of het Hof van Justitie van de Europese Unie. 7 Arrest HvJ van 7 december 2023, Gevoegde zaken C-26/22 en C-64/22, Schufa, ECLI:EU:C:2023:958, ro. 56. 8 Deze bevoegdheid is verduidelijkt in het op 14 december 2023 door de Kamer van Volksvertegenwoordigers aangenomen wetontwerp tot wijziging van de WOG (artikel 4 WOG, na wijziging). 9 Zie bijvoorbeeld Arrest Hof van Beroep van 1 december 2021, 2021/AR/1044. Beslissing ten gronde 169/2023 — 19/60 60. De verweerster wijst er meermaals in haar conclusies op dat er rekening moet worden gehouden met de scheiding tussen Kerk en Staat en de vrijheid van godsdienst, alsook de vrijheid van vereniging10, opgenomen in de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, artikel 17 van het VWEU en artikel 9.1 van het EVRM. Ook verwijst verweerster naar overweging 4 van de AVG die het volgende bepaalt: “De verwerking van persoonsgegevens moet ten dienste van de mens staan. Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de samenleving en moet conform het evenredigheidsbeginsel tegen andere grondrechten worden afgewogen. Deze verordening eerbiedigt alle grondrechten alsook de vrijheden en beginselen die zijn erkend in het Handvest zoals dat in de Verdragen is verankerd, met name de eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, woning en communicatie, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, en het recht op culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid.” De verweerster stelt dus dat de toepassing van de AVG moet worden afgewogen tegen de hierboven genoemde fundamentele rechten die van openbare orde zijn. 61. De Geschillenkamer neemt de relevante grondwettelijke en Europeesrechtelijke bepalingen die de vrijheid van organisatie voor religieuze groepen en de vrijheid van godsdienst en vereniging11 waarborgen in rekening. Deze bepalingen omvatten onder andere de artikelen 19 en 21 van de Grondwet en de artikelen 10 in combinatie met 12 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, alsook artikel 9 van het EVRM. Daarnaast neemt de Geschillenkamer de bijzondere status die wordt toegekend aan kerken, religieuze verenigingen en gemeenschappen in artikel 17, lid 1, VWEU, in beschouwing. 10 Zie hiervoor Arrest EHRM van 26 oktober 2000, nr. 30985/96 Hasan & Chaush t. Bulgarije, randnr. 62, alsook Arrest EHRM 8 april 2014, nrs. 70945/11, 23611/12, 26998/12, 41463/12, 14553/12, 54977/12 en 56581/12, Magyar Kerestény Mennonita Egyhaz e.a. t. Hongarije, randnr. 77, alsook Arrest EHRM 12 juni 2014, nr. 56030/07, Fernandez Martinez t. Spanje, randnr. 127. 11 Deze zijn, zoals verweerster ook aangeeft, verbonden met elkaar. Zie ook EHRM, 26 oktober 2000, nr. 30985/96 Hasan & Chaush/Bulgarije, randnr. 62; EHRM, 8 april 2014, nrs. 70945/11, 23611/12, 26998/12, 41150/12, 41463/12, 41553/12, 54977/12 en 56581/12, Magyar Keresztény Mennonita Egyhaz e.a./Hongarije, randnr. 77; EHRM, (GK) 12 juni 2014, nr. 56030/07, Fernandez Martinez/Spanje, randnr. 127. Zie o.m. Cass. RG C.93.0238.F, 20 oktober 1994 (Huard / B.). Beslissing ten gronde 169/2023 — 20/60 62. Hoewel de daad van het zich losmaken van de R.-K. Kerk en het wissen van persoonsgegevens van een individu uit de doopregisters met elkaar verweven zijn, worden ze voor de doeleinden van de wetgeving inzake gegevensbescherming als twee afzonderlijke kwesties beschouwd.12 De Geschillenkamer merkt daarom ook op dat het niet kan tussenkomen in het proces van het verlaten van of uittreden uit de R.-K. Kerk; dit is, zoals de verweerster correct stelt, een aangelegenheid tussen de R.-K. Kerk en de individuele (voormalige) leden. 63. De Geschillenkamer is evenwel van mening dat de eerder genoemde fundamentele rechten niet inherent tegenstrijdig zijn. Zowel Overweging 165 als artikel 91 AVG geven bovendien helder aan dat er geen inherent conflict bestaat tussen, aan de ene kant, het bestaan van kerken en religieuze verenigingen zoals erkend door de lidstaten, en aan de andere kant, de bevestiging dat er een specifieke regeling geldt voor gegevensverwerking door die entiteiten.13 64. De doopregisters vallen bovendien onder het materieel toepassingsgebied van de AVG overeenkomstig artikel 2 en ingevolge de rechtspraak van het Hof van Justitie 14. 65. De verweerster betwist bovendien niet dat de AVG van toepassing is op de doopregisters. Dit vermeldt de kanselier van het Bisdom Gent ook expliciet in zijn brief van 14 september 2021 aan de voorzitter van de Geschillenkamer: “De toepassing van de GDPR door de R.-K. Kerk op persoonsbestanden vergelijkbaar met andere organisaties staat hier niet ter discussie. De Katholieke Kerk in België leeft de privacyregelgeving van de GDPR volledig na voor alle digitale of papieren bestanden, websites, nieuwsbrieven enz. met uitzondering van de parochieregisters […]”. 12 Zie ook H. KRANENBORG, “Article 8 – Protection of Personal Data” in S. PEERS, e.a., (eds.), The EU Charter of Fundamental Rights – A commentary, Hart Publishing, 2021, 242. 13 Opinie van de AG in HvJ, C-25/17, Jehovan Todistajat, EU:C:2018:551, §34. 14 Zie arrest HvJ C-25/17, Jehovan Todistajat, EU:C:2018:551. Beslissing ten gronde 169/2023 — 21/60 66. De AVG verstaat onder het begrip “persoonsgegevens” alle informatie over een geïdentificeerde natuurlijke persoon of een natuurlijke persoon die direct of indirect identificeerbaar is aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon. 15 Er bestaat geen twijfel over dat de gegevens die opgenomen zijn in doopregisters persoonsgegevens uitmaken overeenkomstig de AVG.16 De Geschillenkamer oordeelt vervolgens dat de klacht betrekking heeft op een bijzondere categorie van persoonsgegevens conform artikel 9 AVG, en met name persoonsgegevens waaruit religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen kunnen blijken. 67. Het materieel toepassingsgebied van de AVG wordt in artikel 2.1 daarvan omschreven als alle geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerkingen, alsmede verwerkingen van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen. Het feit dat de doopregisters volgens verweerster uitsluitend handmatig worden bijgehouden, impliceert niet dat zulke registers buiten het toepassingsgebied van de AVG blijven, gelet op de specifieke criteria volgens dewelke persoonsgegevens hierin op gestructureerde wijze (doopjaar, naam, voornaam, parochie, naam en voornaam van de meter/peter) worden opgeslagen. 17 Hieruit volgt dat de doopregisters kunnen worden gezien als een “bestand” 18 in de zin van artikel 2, lid 1, van de AVG. Dientengevolge oordeelt de Geschillenkamer dat de AVG daadwerkelijk van toepassing is op de verwerking van de persoonsgegevens van de klager door de verweerster, omdat er sprake is van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen. Dit geldt niet alleen voor de verweerster, maar ook voor alle entiteiten van de R.-K. Kerk die persoonsgegevens op een vergelijkbare wijze verwerken. 68. De Geschillenkamer concludeert dat de AVG van toepassing is op de verwerkingen van persoonsgegevens in de doopregisters van de R.-K. Kerk. Hieruit volgt dat de Geschillenkamer bevoegd is om te oordelen of de reactie van de verweerster op de uitoefening van het recht van gegevenswissing (cf. artikel 17 AVG) van de persoonsgegevens van de klager al dan niet conform de AVG verloopt. 15 Artikel 4.1 AVG. 16 De persoonsgegevens die worden verwerkt in het doopregister zijn de volgende: familie- en voornaam, datum doop, geboorteplaats, naam van de moeder/vader met aanduiding van hun parochie, naam van de peter/meter, eventuele toediening en datum van het sacrament van het vormsel en het huwelijk, handtekening van de peter/meter en ouders. 17 18 Overweging 15 AVG. HvJEU Arrest van 10 juli 2018, Tietosuojavaltuutettu et Jehovan todistajat – uskonnollinen yhdyskunta, C-25/17, ECLI:EU:C:2018:551, para. 52-62. Beslissing ten gronde 169/2023 — 22/60 II.2. Verantwoordelijkheid voor de verwerking van persoonsgegevens in doopregisters 69. Alvorens op de bezwaren van de klager in te gaan, onderzoekt de Geschillenkamer wie in dit geval verantwoordelijk is voor de gegevensverwerking. De AVG omschrijft een “verwerkingsverantwoordelijke” als de entiteit die, alleen of samen met anderen, het doel en de middelen voor de verwerking van de persoonsgegevens vaststelt. 19 Deze definitie moet worden geïnterpreteerd met het oog op de intentie van de wetgever om de primaire verantwoordelijkheid voor de bescherming van persoonsgegevens toe te kennen aan de entiteit die daadwerkelijk controle uitoefent over de gegevensverwerking. 70. In zijn Jehova’s getuigen-arrest20 geeft het Hof van Justitie een ruime uitleg aan het begrip van verwerkingsverantwoordelijke. Ook het Europees Comité voor Gegevensbescherming (hierna: de EDPB) volgt deze lijn.21 Dit is relevant en van toepassing op de onderhavige situatie, aangezien het verduidelijkt dat de definitie van verwerkingsverantwoordelijke ruim moet worden opgevat, teneinde een “doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen” te waarborgen.22 71. De EDPB heeft verduidelijkt dat het concept van verwerkingsverantwoordelijke betrekking heeft op de impact van de verwerkingsverantwoordelijke op de verwerking van gegevens, gebaseerd op een beslissingsbevoegdheid of controle over de verwerkingsactiviteiten. Zulke controle kan voortkomen uit wettelijke bepalingen, voortvloeien uit een impliciete bevoegdheid of gegrond zijn op de uitoefening een feitelijke invloed. 23 Er moet in beginsel dus naar de feitelijke activiteiten van een entiteit in een specifieke situatie worden gekeken, en niet (enkel) naar wie formeel wordt aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke (of verwerker). 19 Artikel 4
(7)van de AVG. 20 HvJEU Arrest van 10 juli 2018, Tietosuojavaltuutettu et Jehovan todistajat – uskonnollinen yhdyskunta, C-25/17, ECLI:EU:C:2018:
- 21 Zie EDPB Richtsnoeren 07/2020, ro.
- 22 HvJEU Arrest van 13 mei 2014, Google Spain SL t. Agencia Española de protección de Datos (AEPD) e.a., C-131/12, ECLI: EU:C:2014:317, para. 34; zie ook de bespreking omtrent de reikwijdte van het begrip in C. DOCKSEY en H. HIJMANS, “The Court of Justice as a Key Player in Privacy and Data Protection”, European Data Protection Law Review, 2019, afl. 3,
(300)304. 23 EDPB – Guidelines 07/2020 on the concepts of controller and processor in the GDPR, v. 2.0, 2021, para. 20 e.v;L.A. BYGRAVE & L. TOSONI, “Article 4
(7). Controller » in The EU General Data Protection Regulation. A Commentary, Oxford University Press, 2020, 148.; D. DE BOT, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context, Wolters Kluwer, 2020, para. 362. Beslissing ten gronde 169/2023 — 23/60 72. De R.-K. Kerk in België telt één kerkprovincie, die bestaat uit het aartsbisdom MechelenBrussel en zeven suffragane bisdommen, die alle op hun beurt verdeeld zijn in decanaten en parochies.24 Aangezien de klacht enkel gericht is tegen het Bisdom van Gent en – zoals hierna wordt uiteengezet – uit de omstandigheden en de feiten afdoende blijkt dat het Bisdom op zijn minst een deel van de verwerkingsverantwoordelijkheid draagt, zal de Geschillenkamer zich in haar beslissing uitsluitend richten tot het Bisdom van Gent. Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid dat andere entiteiten gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid hebben of betrokken zijn bij de verwerkingen in casu. 73. De R.-K. Kerk in België kent een hiërarchische, gelaagde structuur waarin de conferentie der Bisdommen naar voren komt als het overkoepelende orgaan boven alle individuele Bisdommen. Deze Bisschoppenconferentie vormt een permanent overlegplatform binnen de Belgische R.-K. Kerk, waarin alle Bisschoppen en hulpbisschoppen gezamenlijk het beleid van de Belgische kerkprovincie kunnen bepalen.25 Volgens de verweerster moet de conferentie der Bisdommen enkel gezien worden als een overlegorgaan, waarbij de werkelijke verwerkingsverantwoordelijkheid ligt bij de individuele Bisdommen die hier deel van uitmaken. 74. Als antwoord op een van de bijkomstige vragen die gesteld werden door de Geschillenkamer in voorbereiding op de hoorzitting geeft de verweerster het volgende mee: “Door hun toezichthoudende positie zijn de diocesane Bisschoppen ook betrokken bij de wijze waarop in concreto door de pastoors omgegaan wordt met de doopregisters in de parochies. Zij hebben de mogelijkheid alleen (voor hun Bisdom) of gezamenlijk met hun collegabisschoppen voor alle Bisdommen behorend tot een bepaalde kerkprovincie specifieke regels uit te vaardigen (het zogenoemde particuliere canoniek recht) binnen het grotere kader van het universeel kerkelijk recht. Dit gebeurde in België in 2017 toen de diocesane Bisschoppen met betrekking tot de kinderdoop bepaald hebben dat: “Vanaf 1 januari 2018 wordt het sacrament van het doopsel alleen nog ingeschreven in het doopregister van de parochie waar het doopsel plaatsvindt.” […] Concreet betekent dit dat de pastoor en de diocesane Bisschop gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke zijn voor de verwerking van persoonsgegevens in het doopregister. Voor de onderbouwing hiervan wordt tevens verwezen naar de uitgebreid gemotiveerde conclusie van de Data Protection Authority van Ierland aangaande deze vraag. […]” 24 Zie https://www.kerknet.be/bisschoppenconferentie/artikel/de-belgischekerkprovincie#:~:text=De%20Belgische%20kerkprovincie%2C%20bestaat%20uit,offici%C3%ABle%20naam%20van%20d e%20kerkprovincie.. 25 Zie https://www.kerknet.be/organisatie/bisschoppenconferentie. Beslissing ten gronde 169/2023 — 24/60 75. Wat de verweerster hierboven beweert, wordt bevestigd in de canons van het CIC zelf. Hoewel het CIC niet bepalend is om vast te stellen wie de werkelijke verwerkingsverantwoordelijkheid heeft, biedt dit wel inzicht in de organisatie en structuur van de R.-K. Kerk in België. 76. Canon 535, §1, CIC bepaalt dat er in elke parochie parochieboeken dienen te zijn, namelijk een doopregister, een huwelijksregister, een register van overledenen, en andere registers volgens de voorschriften van de Bisschoppenconferentie of de diocesane Bisschop; de pastoor dient er voor te zorgen dat die boeken nauwkeurig bijgehouden en zorgvuldig bewaard worden. De diocesane Bisschop (of diens gedelegeerde) wordt in Canon 535, §4, CIC verplicht om bij gelegenheid van de visitatie of op een andere geschikte tijd het bestaan van parochieboeken, alsook de vertrouwelijke opslag ervan te inspecteren. 77. Canon 515, §1, CIC bepaalt breder dat een parochie onder het gezag van de diocesane Bisschop staat. Deze Bisschop beschikt over de bevoegdheid om parochies op te richten/te veranderen/op te heffen26 en priesters aan te stellen27. Daarnaast valt uit de CIC af te leiden dat de diocesane Bisschop over een ruime beslissingsbevoegdheid beschikt voor wat betreft diens Bisdom.28 In canon 473, §1, van de CIC wordt bepaald dat “de diocesane Bisschop moet zorgen dat alle aangelegenheden die het beheer van het gehele Bisdom betreffen, naar behoren gecoördineerd en geordend worden om ze op de meest geëigende wijze ten goede te laten komen aan het hem toevertrouwde deel van het Volk Gods”. 78. Op grond van het bovenstaande concludeert de Geschillenkamer dat de verweerster correct aangeeft dat er een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid bestaat tussen enerzijds de Bisdommen en anderzijds de parochies zelf. Er is een zekere controle- en beslissingsbevoegdheid voor wat betreft de organisatie en het management van de parochies die bij de diocesane Bisschop ligt. Hoewel de parochies wel degelijk over een bepaalde mate van vrijheid blijken te beschikken volgens de CIC, wordt deze marge beteugeld door de diocesane Bisschop. Met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijkheid concludeert de Geschillenkamer dat de Bisdommen, waaronder het Bisdom van Gent – in casu de verweerster – gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijk zijn met elke afzonderlijke parochie binnen hun gewest. 79. Hoewel dat niet binnen het bereik van de klacht valt, benadrukt de Geschillenkamer in dit verband dat de verschillende entiteiten onderling taakverdelingsovereenkomsten moeten afsluiten zoals bepaald in artikel 26 AVG. 26 Canon 515, §2, CIC. 27 Canon 521, §3, CIC. 28 Zie bijvoorbeeld de canons 381, §1, 391, §§1-2, 392, §§1-2, 393, 473, §1, 491, §§1-3, CIC. Beslissing ten gronde 169/2023 — 25/60 II.3. Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens II.3.1. Informatieverplichting 80. Conform artikel 5.1.
- a)van de AVG moet een verwerking van persoonsgegevens behoorlijk, transparant en rechtmatig zijn. De verplichting tot transparantie in dit beginsel moet in samenhang worden gelezen met de verplichting opgenomen in artikel 13 AVG, die de informatie specifieert die moet worden meegedeeld door de verwerkingsverantwoordelijke aan de betrokkene. 81. Tijdens de hoorzitting van 27 november 2023 kwam aan de orde hoe de betrokkenen geïnformeerd worden over de verwerkingen die plaatsvinden met betrekking tot de doop. De verweerster gaf mee dat de betrokkene (meer precies zijn ouders of voogd) een formulier krijgt dat tevens een privacyverklaring bevat. Dit formulier, waarvan een actuele versie aan de Geschillenkamer werd overgemaakt 29, zou tot op heden nog gebruikt worden. Bovendien gaf verweerster aan dat er geen andere documenten worden overgemaakt aan de betrokkenen omtrent de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van de doop en de (eventueel) daaropvolgende sacramenten. 82. In het formulier staat het volgende opgenomen in verband met de verwerkingen van persoonsgegevens in doopregister(s): “Mijn persoonsgegevens evenals de gegevens van mijn kind mogen verwerkt worden in een bestand met het doel de doop, de eerste communie of het vormsel van mijn kind mogelijk te maken.” Er wordt verder geen informatie verschaft overeenkomstig de vereisten in artikel 13 AVG. 83. Aangezien er verder geen bijkomende informatie wordt verschaft, en dit ook wordt bevestigd op de hoorzitting van 27 november 2023, is de betrokkene niet op de hoogte van de elementen die in de eerste en tweede paragraaf van artikel 13 AVG zijn opgesomd. Er wordt tevens niet verwezen naar plekken waar er wel afdoende informatie kan worden terug gevonden, hoewel deze er wel zijn; er blijken immers privacyverklaringen raadpleegbaar te zijn via onder andere www.kerknet.be30. Bovendien stelt de Geschillenkamer vast dat op het moment van het nemen van deze beslissing, niet alle informatievereisten van artikel 13.2 zijn opgenomen in deze online privacyverklaring. Er is bijvoorbeeld geen sprake van een uiteenzetting van de periode waarin de persoonsgegevens zullen worden opgeslagen. 29 https://www.kerknet.be/sites/default/files/20220516%20Aanvraag%20initiatiesacramenten%20Print.pdf 30 Zie bijvoorbeeld https://www.kerknet.be/www.bisdomgent.be/privacyverklaring. Beslissing ten gronde 169/2023 — 26/60 84. Dit is niet enkel van belang voor wat betreft het al dan niet vervullen van de informatieverplichting, maar eveneens voor wat de betrokkenen (of hun ouders c.q. voogd) redelijk kunnen verwachten van een verwerking van persoonsgegevens. 85. De Geschillenkamer stelt daarom vast dat de informatieverplichting uit artikel 13 AVG niet naar behoren wordt nageleefd door de verweerster. Ten tijde van de doop worden de betrokkenen immers niet geïnformeerd over welke verwerkingen zullen plaatsvinden, voor welke doeleinden en op basis van welke rechtsgrond. Uiteraard beseft de Geschillenkamer dat de doop van de klager plaatsvond in 1955, toen er nog geen sprake was van regelgeving omtrent de verwerkingen van persoonsgegevens. Het is echter wel degelijk de verantwoordelijkheid van de verweerster om zich, na het in werking treden van een dergelijke regelgeving, in regel te stellen. Voor de dopen die na de inwerkingtreding van de AVG plaatsvinden volstaat de huidige regeling inzake het informeren van de betrokkenen evenmin om te voldoen aan de informatieverplichting van de verweerster. 86. Tijdens de hoorzitting gaf de verweerster aan dat er artikelen geschreven werden in het trimesterieel tijdschrift Intercontact, dat uitgaat van het Interdiocesaan Centrum. In enkele van de artikelen die werden meegedeeld aan de Geschillenkamer komen bovenstaande aspecten wel aan bod, maar de Geschillenkamer blijft van mening dat dit niet voldoet aan de informatieverplichting van artikel 13 AVG. Des te meer omdat deze tijdschriften enkel tegen betaling verkrijgbaar zijn.31 87. De Geschillenkamer stelt daarom een overtreding van de artikelen 5.1.
- a)(transparantie) en 13 AVG vast. 88. Naast de algemene informatieverplichting die is opgenomen in artikel 13 AVG, bevat artikel 12.1, 12.3 en 12.4 AVG een verplichting tot informeren wanneer een verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 wordt ingediend door een betrokkene. 89. Op het verzoek van de klager wordt door de verweerster gereageerd met de volgende mededeling: “Ik kan u meedelen dat uw uittreding uit de Katholieke Kerk werd genoteerd op de lijst van de kerkverlaters van de parochie Gent op 24 maart 2021. (1955 nr. 536) doopregister Toevlucht van Maria. Het staat u vrij deze aantekening persoonlijk in het doopregister te verifiëren.” 90. De Geschillenkamer oordeelt dat in dit antwoord niet de vereiste informatie overeenkomstig artikel 12.1, 12.3 en/of 12.4 AVG is opgenomen. 31 Zie https://www.interdio.be/?menu=overons&tl=nl. Beslissing ten gronde 169/2023 — 27/60 91. De verweerster geeft in diens eerste conclusies echter aan dat zij beschikt over een “standaardantwoord” om te reageren op verzoeken van gegevenswissing van betrokkenen en dat dit niet het antwoord is dat de klager aanvankelijk werd opgestuurd. Dit standaardantwoord voegt verweerster toe bij diens eerste conclusies. Dit antwoord bevat wel degelijk de reden waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven (i.e. de exceptie in artikel 17.3.
- d)AVG), alsook de mogelijkheid om de Gegevensbeschermingsautoriteit te contacteren in geval van onenigheid. Met andere woorden, er wordt hier wel voldaan aan de informatieverplichting die is opgenomen in artikel 12.4 AVG. 92. Hoewel het bestaan van een dergelijk standaardantwoord mogelijk is, moet de Geschillenkamer vaststellen dat deze in het onderhavige dossier niet verzonden is naar de klager toen deze een verzoek tot schrapping indiende. 93. De verweerster schrijft het volgende in verband met artikel 12.4 AVG: “Het is jammer dat u [de klager] zich niet tot het Bisdom Gent gewend heeft met uw klacht. In dat geval zou u direct conform art. 12.4 GDPR onderstaande informatie bezorgd zijn en had een beroep op de Geschillenkamer wellicht voorkomen kunnen worden (zie bijlage 1 [dit bevat het standaardantwoord]).” Aangezien de betrokkenen reeds geïnformeerd zouden moeten worden conform artikel 12.3 of 12.4 AVG na het eerste verzoek tot schrapping (of eender welk ander verzoek krachtig de artikelen 16 tot en met 22 AVG) en zij hier in principe niet eerst nog extra bijkomende vragen over zou moeten stellen vooraleer de nodige informatie te kunnen bekomen, stelt de Geschillenkamer een schending van artikel 12.4 AVG vast. Beslissing ten gronde 169/2023 — 28/60 II.3.2. Integriteit en vertrouwelijkheid 94. Artikel 5.1.
- f)AVG vereist dat er passende technische en organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden genomen dat een passende beveiliging kan worden gewaarborgd, en dat de persoonsgegevens onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging. 95. Volgens het canonieke recht dient iedere parochie te beschikken over een bewaarplaats of archief waarin de parochieboeken bewaard worden, tezamen met de brieven van de Bisschoppen en andere documenten, die noodzakelijkerwijze of omdat het nuttig is, bewaard moeten worden; de pastoor dient erover te waken dat dit alles, dat door de diocesane Bisschop of diens gedelegeerde bij gelegenheid van de visitatie of op een andere geschikte tijd geïnspecteerd moet worden, niet in handen van buitenstaanders komt. 32 In lijn met deze verplichting dienen ook de oudere parochieboeken een dergelijke zorgvuldige bewaring te genieten.33 96. De verweerster benadrukt herhaaldelijk in haar verweer dat de dooparchieven voorzien zijn van de nodige beveiligingsmaatregelen. De toegang tot de archieven zou beperkt zijn tot de priester of diens gemachtigde, en een afschrift van het bewijs van de doop zou alleen worden verstrekt op verzoek van de betrokkene zelf. Daarnaast meldt de verweerster ook dat de feitelijke uitvoering van deze maatregelen afhangt van de priester in de betreffende parochie. Het is aan hem om deze maatregelen in de praktijk ook daadwerkelijk te implementeren. 97. De verweerster benadrukt herhaaldelijk dit aspect in zijn argumentatie om de Geschillenkamer te overtuigen dat de verwerking van persoonsgegevens veilig en vertrouwelijk plaatsvindt. Tevens wordt aangevoerd dat de impact op het recht op bescherming van de persoonsgegevens minimaal is, aangezien deze persoonsgegevens niet worden medegedeeld aan of beschikbaar gemaakt voor derden. De Geschillenkamer heeft echter niet de mogelijkheid om te verifiëren of dergelijke maatregelen ook daadwerkelijk in de praktijk worden toegepast. Daarom constateert zij dat de genomen maatregelen met betrekking tot het beginsel van integriteit en vertrouwelijkheid, zoals bedoeld in artikel 5.1.
- f)AVG, door de Geschillenkamer prima facie als adequaat worden beschouwd. Dit element zal worden meegenomen in de latere belangenafwegingen in deze beslissing. 32 Canon 535, §4, CIC. 33 Canon 535, §5, CIC. Beslissing ten gronde 169/2023 — 29/60 II.4. Rechtmatigheid van de verwerking 98. Artikel 5.1.
- a)AVG vereist dat persoonsgegevens “worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (“rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”).” Het principe van rechtmatigheid is een van de belangrijkste beginselen van de AVG en dient als een voorwaarde voor de toepassing van de overige beginselen van de AVG met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. 99. In het geval dat er een verwerking van categorieën van bijzondere persoonsgegevens overeenkomstig artikel 9.1 AVG plaatsvindt, dient de verwerkingsverantwoordelijke een rechtsgrond overeenkomstig artikel 6 AVG én een uitzonderingsgrond uit artikel 9.2 AVG aan te duiden om te kunnen spreken van een rechtmatige verwerking. Deze cumul van een grond uit artikel 6 én 9.2 AVG vloeit voort uit onder meer het arrest Meta (C-252/21) van het Hof van Justitie34 waarin uitdrukkelijk wordt geoordeeld door het Hof dat het verwerken van gevoelige persoonsgegevens slechts is toegelaten indien een dergelijke verwerking als rechtmatig kan worden aangemerkt onder artikel 6.1 AVG. Ook het advies 2/2019 van de EDPB35 en het advies 06/2014 van de Groep Gegevensbescherming Artikel 29 36 verwijzen consequent naar de toepassing van zowel artikel 6 van de AVG als artikel 9 AVG in het geval van een verwerking van een categorie van bijzondere persoonsgegevens. Overweging 51 AVG geeft ten slotte duidelijk aan dat artikel 6 steeds toegepast dient te worden. 100. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om te bepalen welke rechtmatigheidsgrond passend is ten aanzien van het doel van de verwerking. 37 Aangezien uit de ene of de andere rechtmatigheidsgrondslag verschillende gevolgen voortvloeien, met name wat de rechten van de betrokkenen betreft, is het niet toegestaan dat de verwerkingsverantwoordelijke zich, afhankelijk van de omstandigheden, op de ene of de andere rechtsgrond beroept. Indien er eenmaal gekozen is voor een bepaalde rechtsgrond is het niet de bedoeling dat er onderling nog gewisseld wordt of er, wanneer de gekozen rechtsgrond ophoudt te gelden, teruggevallen wordt op een andere rechtsgrond voor dezelfde verwerkingsactiviteit, voor dezelfde doeleinden.38 34 HvJEU Arrest van 4 juli 2023, Meta, C-252/21, ECLI:EU:C:2023:537, para. 90. 35 Advies 2/2019 (EDPB) over de vragen en antwoorden over de wisselwerking tussen de verordening betreffende klinische proeven (VKP) en de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) (artikel 70, lid 1, onder b)) van 23 januari 2019. 36 Advies 06/2014 (WP 29) over het begrip “gerechtvaardigd belang van de voor de gegevensverwerking verantwoordelijke” in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG. 37 Zie ook beslissing 77/2023, §74, van de Geschillenkamer. 38 Zie bijvoorbeeld beslissingen 38/2021, 54/2023 en 77/2023 van de Geschillenkamer. Beslissing ten gronde 169/2023 — 30/60 101. Dit staat overigens duidelijk ingeschreven in de AVG. Artikel 5.1.
- b)AVG vereist dat persoonsgegevens “voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en […] vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; […] (“doelbinding”)”. Wanneer één verwerking verschillende doeleinden rechtmatigheidsgrond. nastreeft, moet elk doel gebaseerd zijn op een 39 102. De verweerster geeft in haar conclusies de volgende rechtsgronden als basis voor de verwerkingen van persoonsgegevens in de doopregisters: artikel 6.1.
- f)AVG in samenhang gelezen met artikel 9.2.
- d)(en artikel 9.2.j)) AVG. De Geschillenkamer bespreekt deze gronden hieronder. II.4.1. Gerechtvaardigd belang voor de verwerking in doopregisters persoonsgegevens die verband houden met geloofsovertuigingen van 103. In artikel 6.1.
- f)AVG wordt bepaald dat de verwerking rechtmatig is indien “de verwerking […] noodzakelijk [is] voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is”. 104. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist dat een beroep op artikel 6.1.
- f)van de AVG aan drie cumulatieve voorwaarden voldoet “te weten, in de eerste plaats, de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derde(
- n)aan wie de gegevens worden verstrekt, in de tweede plaats, de noodzaak van de verwerking van de persoonsgegevens voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang, en, in de derde plaats, de voorwaarde dat de fundamentele rechten en vrijheden van de bij de gegevensbescherming betrokken persoon niet prevaleren”.40 39 40 Zie ook beslissing 77/2023, §77, van de Geschillenkamer. HvJEU Arrest van 4 mei 2017, Rīgas Satiksme, C-13/16 ECLI:EU:C:2017:336, para. 28, en HvJEU Arrest van 7 december 2023, Gevoegde zaken C-26/22 en C-64/22, Schufa, ECLI:EU:C:2023:958, para. 74.. Beslissing ten gronde 169/2023 — 31/60 105. De verwerkingsverantwoordelijke dient met andere woorden aan te tonen dat: a. de belangen die hij met de verwerking nastreeft, als gerechtvaardigd kunnen worden erkend (‘de doeltoets’); b. de beoogde verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze belangen (‘de noodzakelijkheidstoets’); en c. de afweging van deze belangen tegen de fundamentele belangen, vrijheden en grondrechten van de betrokkenen in het voordeel van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde is (‘de afwegingstoets’). 106. De Geschillenkamer zal hieronder nagaan of aan deze drie cumulatieve voorwaarden is voldaan opdat de verweerster zich kan beroepen op artikel 6.1.
- f)AVG als rechtsgrond voor het verwerken van persoonsgegevens in doopregisters. 107. De doeltoets. Vooreerst moet de Geschillenkamer nagaan of de belangen die met de verwerking worden nagestreefd gerechtvaardigd zijn. 41 De verweerster geeft aan dat het doeleinde van de verwerking het vermijden van identiteitsfraude is voor wat betreft het uitvoeren van sacramenten. Immers, zo verklaart de verweerster: “de doop moet gezien worden als het fundament van heel het christelijk leven en kan niet herhaald worden, vandaar de noodzaak van registratie en handhaving van de registratie met het oog op identiteitsfraude”. De doop moet bijgevolg worden aanzien als de manier van toetreding tot de R.-K. Kerk. Zij benadrukt bovendien dat het doopregister het centrale register voor de R.K. Kerk is en dat dit niet zomaar vergelijkbaar is met andere registers, omdat de doop rechten toekent aan de betrokkenen. 108. Bovendien wijst de verweerster op de bepalingen die zijn opgenomen in de CIC. Zo zou het doopregister naast de doopgegevens ook informatie moeten bevatten over de inschrijving bij de R.-K. Kerk, het vormsel, en de canonieke status van de gelovige met betrekking tot huwelijk, adoptie, heilige wijding, professie voor het leven in een instituut van gewijd leven, en verandering van ritus. Deze informatie moet ook worden vermeld op het doopbewijs.42 41 Zie Advies 06/2014, p. 29 e.v. over het begrip "gerechtvaardigd belang van de voor de gegevensverwerking verantwoordelijke" in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG (WP217), waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen een doeleinde en een belang: “Het begrip "belang" is nauw verwant aan, maar verschilt van, het begrip "doeleinde" dat wordt genoemd in artikel 6 van de richtlijn. In de context van gegevensbescherming is het "doeleinde" de specifieke reden waarom de gegevens worden verwerkt: de doelstelling of de bedoeling van de gegevensverwerking. Het belang is echter een ruimer begrip en ziet op de waarde voor de voor de verwerking verantwoordelijke van de verwerking of het voordeel dat de voor de verwerking verantwoordelijke, of de maatschappij, bij de verwerking kan hebben. 42 Canon 535, §2, CIC. Deze registers dienen vervolgens overeenkomstig de voorschriften van canon 535, §4, CIC worden bewaard. Beslissing ten gronde 169/2023 — 32/60 109. Hoewel de CIC dus geen eigenlijke doelstelling omtrent het bewaren en bijhouden van de doopregister bevat, is uit bovenstaande canons volgens de Geschillenkamer op te maken dat de parochieboeken inderdaad dienen om sacramenten te kunnen toedienen en per gelovige een correct overzicht te kunnen raadplegen over welke sacramenten al dan niet hebben plaatsgevonden. Zo is het bijvoorbeeld ook mogelijk voor de priester om een getuigafschrift van de doopstatus van de betrokkene te produceren om te staven dat sacramenten in het verleden werden toegediend. 110. De Geschillenkamer stelt bovendien vast dat wanneer er uiting wordt gegeven aan een fundamenteel recht of vrijheid, dit als een gerechtvaardigd belang moet worden gezien.43 Aangezien verweerster zich tevens baseert op de vrijheid van godsdienst en van vereniging - twee grondrechten die eveneens zijn opgenomen in het EVRM, het Handvest van de Grondrechten van de EU en de Belgische Grondwet - staat vast dat er een gerechtvaardigd belang wordt nagestreefd. Het opstellen en bijhouden van een doopregister zou immers dienen om een correcte toediening van de sacramenten in de R.-K. Kerk te kunnen toedienen, en valt bijgevolg onder het organiseren van een geloofsgemeenschap, wat als legitiem kan worden aangemerkt volgens de Geschillenkamer. 111. Daarnaast is het voorkomen van identiteitsfraude, zoals de verweerster ook terecht aangeeft in haar conclusies, opgenomen in overweging 47 van de AVG als een mogelijk gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke. Er is dus, volgens de Geschillenkamer, aan de doeltoets voldaan. 112. De verweerster benadrukt daarnaast dat de doop een openbaar evenement is dat om historische en archiveringsdoeleinden moet worden gedocumenteerd. Het doopregister of het vermelden van een doop hierin zou fungeren zoals een register met notariële akten, waarbij de pastoor als kerkelijke beambte optreedt, in aanwezigheid van getuigen, in een voor de geloofsgemeenschap publieke handeling. 44 Doordat de priester melding maakt van de doop in het doopregister, ontstaat er een document van historische waarde, aldus de verweerster. De verweerster gaf tijdens de hoorzitting aan dat er wel degelijk onderzoek plaatsvindt op de doopregisters, onder meer genealogisch onderzoek. 43 Zie o.m. W. KOTSCHY, “Article 6 Lawfulness of processing”, in C. KUNER, e.a., (eds.), The EU General Data Protection Regulation (GDPR). A Commentary, Oxford University Press, 2020, 337. 44 Het Franse Hof van Cassatie bevestigde in 2014 dat een katholieke doop geen privé doch een publieke gebeurtenis vormt: Cour de cassation, 1re Civ. 19/11/2014, pourvoi n° 13.25156. Beslissing ten gronde 169/2023 — 33/60 113. Hoewel een dergelijk register volgens de Geschillenkamer wel degelijk van historisch belang kan zijn, kan niet ontkend worden dat het belang van de verweerster in casu het bijhouden van persoonsgegevens is teneinde de toediening van sacramenten conform de leer van de R.-K. Kerk te laten verlopen en te vermijden dat een betrokkene tweemaal gedoopt wordt. De archiveringswaarde die gekoppeld wordt aan het doopregister kan volgens de Geschillenkamer aldus niet beschouwd worden als een afzonderlijk doeleinde. Het archiveren met als enige doel archiveren, of in de hoop dat er mogelijk in de toekomst een onderzoek kan plaatsvinden op de bewaarde persoonsgegevens, kan niet worden beschouwd als een gerechtvaardigd belang. De Geschillenkamer zal hier dieper op ingaan in II.4.4. 114. Aangezien het vermijden van het toedienen van sacramenten aan niet-gerechtigden als een gerechtvaardigd belang worden aangemerkt door de Geschillenkamer, doorstaat de verwerking de doeltoets. 115. De noodzakelijkheidstoets. De verwerkingen van persoonsgegevens die zijn gebaseerd op het gerechtvaardigd belang moeten noodzakelijk zijn overeenkomstig de betekenis die (o.m.) het Hof van Justitie aan deze term heeft gegeven. 45 In haar Rīgas arrest onderstreepte het Hof van Justitie dat de term noodzakelijkheid eng moet worden geïnterpreteerd.46 Deze toets gaat hand in hand met het beginsel van doelbinding dat is opgenomen in artikel 5.1.
- b)AVG en het data minimalisatie-beginsel dat staat ingeschreven in artikel 5.1.
- c)AVG. Zo is de voorziene verwerkingsactiviteit niet toegestaan wanneer er minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn om het doel van de verwerking te bereiken en mogen enkel de persoonsgegevens verwerkt worden die noodzakelijk, toereikend en relevant zijn voor het doel of de doelen.47 116. Momenteel beschikt de R.-K. Kerk over doopregisters die per parochie worden bijgehouden. Hierin worden de volgende persoonsgegevens opgeslagen: familie- en voornaam, datum doop, geboorteplaats, naam van de moeder/vader met aanduiding van hun parochie, naam van de peter/meter, eventuele toediening en datum van het sacrament van het vormsel en het huwelijk, handtekening van de peter/meter en ouders. 48 De registers bestaan enkel op papier. Er zijn geen digitale versies beschikbaar. 45 HvJEU Arrest van, 16 december 2008, Heinz Huber t. Bundesrepublik Deutschland, C-524/06, ECLI:EU:C:2008:724, para. 52. 46 HvJEU Arrest van 4 mei 2017, Rīgas Satiksme, C-13/16 ECLI:EU:C:2017:336, para. 30. 47 Opinion WP29 03/2013 on purpose limitation van 2 april 2013, p. 15. 48 Uittreksel van het doopregister werd door de verweerster aan de Geschillenkamer overgemaakt. Beslissing ten gronde 169/2023 — 34/60 117. Aan de hand van een formulier “aanvraag van een afschrift uit het doopboek” of “petitur extractum e libro baptismorum” kan een bewijs worden gevraagd van de doop van een betrokkene aan de parochie waar de doop heeft plaatsgevonden. In een dergelijk formulier worden de volgende persoonsgegevens meegegeven die het mogelijk zouden moeten maken om in een andere parochie na te gaan of de betrokkene gedoopt is geweest: de familie en voornaam, de geboorteplaats en -datum, namen van de moeder en vader, adres van de ouders ten tijde van de geboorte, datum en plaats van de doop. Op deze manier kan de priester of deken in de parochie waar de doop zou hebben plaatsgevonden nagaan of de doop daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. 118. De verweerster geeft aan dat wanneer een betrokkene zich aanmeldt om een nieuw sacrament te ondergaan, deze vrijwillig de nodige persoonsgegevens verstrekt om te controleren dat deze de relevante sacramenten (nog niet) heeft ondergaan. 119. Echter, de Geschillenkamer constateert dat zonder de medewerking van een betrokkene dergelijke controles niet mogelijk zijn. Aangezien de doopregisters steeds per parochie worden bijgehouden, zijn interparochiale (laat staan grensoverschrijdende) opzoekingen afhankelijk van de medewerking van de betrokkenen die zelf moet aangeven waar zijn/haar doop heeft plaatsgevonden. Het is immers onmogelijk om zonder de nodige aanknopingspunten het bewijs van de doop terug te vinden, aangezien het gaat om papieren registers die per parochie worden bewaard. De verweerster benadrukt op de hoorzitting van 27 november 2023 dat de huidige werkwijze tot nu toe nooit tot problemen heeft geleid. Indien een betrokkene een nieuw sacrament wenst te ondergaan, zoals bijvoorbeeld het huwelijk, dan kan deze in de meeste gevallen een bewijs verkrijgen van voorgaande sacramenten, opdat het sacrament conform de voorschriften van de R.-K. Kerk kan worden uitgevoerd. 120. Hoewel de Geschillenkamer erkent dat een betrokkene aan de hand van de doopregisters kan aantonen dat deze bijvoorbeeld gedoopt is, moet zij evenwel vaststellen dat dit geenszins vermijdt dat een betrokkene tweemaal eenzelfde sacrament ondergaat, hoewel dit verboden is door de leer van de R.-K. Kerk. De Geschillenkamer stelt vast dat in de praktijk geen controle mogelijk is, zonder de medewerking van de betrokkenen. Daarbij is het mogelijk dat — dit geeft de verweerster ook zelf aan op de hoorzitting van 27 november 2023 — ook indien de betrokkene meewerkt, het bewijs van de doop niet wordt teruggevonden (bijvoorbeeld wanneer de betrokkene niet zeker is van de precieze parochie). Zo zou het in het bijzonder in grotere steden moeilijk zijn om de inschrijving in het doopregister van waar deze betrokkene gedoopt is terug te vinden. Beslissing ten gronde 169/2023 — 35/60 121. Daarnaast neemt de Geschillenkamer canon 869 CIC in overweging. Volgens deze canon wordt, in geval van twijfel over de geldigheid van de doop of de vraag of iemand überhaupt is gedoopt, een doop onder voorwaarde toegediend. Hieruit volgt dat het mogelijk is om, zij het onder bepaalde voorwaarden, een tweede keer gedoopt te worden. 122. Op basis hiervan concludeert de Geschillenkamer dat de huidige verwerking van persoonsgegevens niet als noodzakelijk kan worden beschouwd, overeenkomstig de AVG zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof van Justitie, om het beoogde doel (voorkomen van identiteitsfraude bij dopen) te bereiken. Deze verwerking is immers niet geschikt om met zekerheid te kunnen vaststellen of iemand reeds gedoopt is. 123. Ten slotte wijst de Geschillenkamer op de annotatie die wordt gemaakt bij het aangeven van de wens van de betrokkene om (geen)(niet langer) lid te zijn van de R.-K. Kerk. De verweerster geeft aan dat in het doopregister wordt genoteerd dat de betrokkene op datum van uittreding “de Kerkgemeenschap heeft verlaten”. Wanneer een betrokkene aldus aangeeft niet langer deel te willen uitmaken van de R.-K. Kerk wordt een annotatie toegevoegd. Dit is relevant in casu omdat een dergelijk verzoek tot uittreding vaak gepaard gaat met een verzoek tot schrapping uit alle registers van de R.-K. Kerk. De Geschillenkamer stelt vast dat indien een betrokkene ervoor kiest om niet langer deel te nemen aan de R.-K. Kerk en een verzoek tot schrapping indient, er aldus bijkomende gegevens worden verwerkt. Bovendien kunnen deze gegevens mogelijk als nog gevoeliger worden beschouwd, aangezien ze betrekking hebben op de uittreding uit de R.-K. Kerk, wat getuigt van een doorgaans weloverwogen beslissing van de betrokkene om zich te distantiëren van deze religieuze gemeenschap. 124. De verweerster geeft aan dat de verwerkingen van persoonsgegevens noodzakelijk blijven, aangezien er een kans bestaat dat de ‘kerkverlater’ zich later bedenkt en alsnog een “herintreding” verzoekt. Hierdoor moet het proces van uittreding omkeerbaar zijn, wat verklaart waarom de persoonsgegevens levenslang bewaard blijven, ook indien de betrokkene uitgetreden is. Het vooropgestelde doel, zijnde het controleren van de identiteit en het correct kunnen toedienen van sacramenten, is immers nog steeds noodzakelijk, volgens de verweerster. Beslissing ten gronde 169/2023 — 36/60 125. De Geschillenkamer oordeelt dat het belang op zich wel gerechtvaardigd is (zie supra), maar dat de manier waarop dit wordt nagestreefd niet in lijn is met dit noodzakelijkheidsvereiste. Rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie die benadrukt dat dit noodzakelijkheidsvereiste eng dient te worden geïnterpreteerd en rekening houdend met de vereisten dat de verwerking van de persoonsgegevens relevant, toereikend en zo minimaliserend mogelijk moet zijn, oordeelt de Geschillenkamer dat het noodzakelijkheidsvereiste in casu niet vervuld is. Indien het vooropgestelde belang is om te vermijden dat betrokkenen tweemaal eenzelfde sacrament (in het bijzonder de doop) toegediend krijgen, maar dit in de praktijk niet controleerbaar blijkt te zijn, dan is de verwerking niet noodzakelijk, aangezien zoals gezegd deze verwerking niet geschikt is om met zekerheid te kunnen vaststellen of iemand reeds gedoopt is. Er kan wel een bevestiging worden bekomen van de status van de betrokkene, met diens medewerking, maar dit is geen waterdichte methode die toelaat dat er steeds zekerheid bestaat over de status van de betrokkene met betrekking tot bepaalde sacramenten. Het is immers steeds mogelijk dat de betrokkene niet teruggevonden wordt of dat deze doelbewust (te kwader trouw) aspecten achterhoudt. 126. Bovendien is de Geschillenkamer van oordeel dat er meer persoonsgegevens worden bijgehouden dan strikt noodzakelijk, in het bijzonder wanneer de betrokkene reeds een wens tot uittreding heeft overgemaakt. Zo is het bijvoorbeeld niet noodzakelijk om de persoonsgegevens van de peter en meter bij te houden, of de datum van uittreding te noteren, wanneer het doel is om na te gaan of een sacrament is toegediend. Volgens de Geschillenkamer moet er minstens een afgeslankte versie van het ‘profiel’ van een betrokkene kunnen bestaan, waardoor niet langer alle persoonsgegevens worden bijgehouden. Dit geldt des te meer wanneer de betrokkene een verzoek overeenkomstig artikel 17 AVG aan de verwerkingsverantwoordelijke heeft gericht. De Geschillenkamer is aldus van mening dat wanneer een betrokkene geen lid van de R.-K. Kerk meer is, het niet noodzakelijk is om alle persoonsgegevens te bewaren. Momenteel worden alle persoonsgegevens blijvend bewaard, maar dit is niet conform het beginsel van dataminimalisatie en proportionaliteit. In principe kan het enkel van belang zijn om te weten of een betrokkene ooit bepaalde sacramenten heeft ondergaan. 127. De Geschillenkamer oordeelt daarom dat het noodzakelijkheidsvereiste niet vervuld is en dat er bovendien een schending is van het beginsel van doelbinding (artikel 5.1.
- b)AVG) en het dataminimalisatie-beginsel (artikel 5.1.
- c)AVG). Beslissing ten gronde 169/2023 — 37/60 128. De afwegingstoets. Ten slotte, om het gerechtvaardigd belang te kunnen inroepen dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van de verwerkingsverantwoordelijke en de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkenen. De afweging hangt af van de bijzondere omstandigheden van een concreet geval en de rechten van de betrokken klagers ingevolge artikel 7 en 8 van het Handvest van de Europese Unie met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming. 49 Concreet moet er worden nagegaan wat de impact van de verwerking is op de betrokkene(
- n)en of deze geen disproportionele impact ondervinden.50 129. Volgens overweging 47 AVG moet het bestaan van een gerechtvaardigd belang zorgvuldig worden beoordeeld. Bij het bepalen of het gerechtvaardigd belang zwaarder weegt dan het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene dient onder meer rekening te worden gehouden met de redelijke verwachtingen op basis van zijn verhouding met de verwerkingsverantwoordelijke51, alsook met de gevolgen van de verwerking voor de betrokkene52. 130. Wat dit betreft dient in de ogen van de Geschillenkamer een opdeling in de verwerkingsactiviteiten te worden gemaakt. Zo is er een verschil tussen de redelijke verwachtingen van betrokkenen die gedoopt zijn en nog altijd lid zijn van de R.-K. Kerk, enerzijds, en de betrokkenen die uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven dat zij niet langer wensen deel uit te maken van de R.-K. Kerk, anderzijds. 131. De Geschillenkamer beoordeelt uitsluitend de redelijke verwachtingen van de betrokkenen zelf en niet die van derden.53 In zijn conclusies verwijst de verweerster naar het collectieve aspect van het recht op godsdienst. Het recht op godsdienst omvat tevens het recht op een vrije uitoefening van een godsdienst door alle actieve leden in de religieuze gemeenschap. Bijvoorbeeld, zij zouden met zekerheid moeten kunnen vaststellen of een persoon is gedoopt of dat een persoon niet eerder voor de R.-K. Kerk is gehuwd. De Geschillenkamer benadrukt echter dat bij deze beoordeling, in lijn met de tekst van artikel 6.1) AVG, enkel rekening moet worden gehouden met de redelijke verwachtingen van de betrokkenen, en niet van derden. Zij zal dus ook niet de collectieve redelijke verwachtingen van de leden van de R.-K. Kerk nagaan. 49 HvJEU Arrest van 24 november 2011, Asociación Nacional de Establecimientos Financieros de Crédito, C-468/10 en C-469/10, EU:C:2011:777, para. 51 ; Richtsnoeren EDPB 3/2019, para. 32-35. 50 WP29 Opinion 06/2014 on the notion of legitimate interests, p. 41. 51 EDPB Richtsnoeren 3/2019, para. 36. 52 HvJEU Arrest van 7 december 2023, Schufa, Gevoegde zaken C-26/22 en C-64/22, ECLI:EU:C:2023:958, para. 78. 53 Dit wordt ook bevestigd in het arrest HvJEU Arrest van 7 december 2023, Schufa, Gevoegde zaken C-26/22 en C-64/22, ECLI:EU:C:2023:958, para. 87. Beslissing ten gronde 169/2023 — 38/60 132. De klager zet uiteen dat het niet redelijk is dat, indien hij niet zelf kon beslissen of hij al dan niet gedoopt werd, zijn persoonsgegevens vervolgens voor de rest van zijn leven bewaard blijven in de parochieregisters, ook indien hij te kennen geeft niet langer deel uit te willen maken van de R.-K. Kerk. 133. De verweerster weerlegt dit door te argumenteren dat de doop volgens de vaste leer van de R.-K. Kerk het fundament is van heel het christelijk leven en bijgevolg niet herhaald kan worden. Het zou volgens de verweerster vanzelfsprekend zijn dat bij een doop de persoonsgegevens verwerkt worden, waardoor de redelijke verwachtingen ook niet in een andere richting zouden gaan. 134. Bovendien voegt de verweerster hieraan toe dat de doopregisters niet dienen beschouwd te worden als ledenlijsten van de R.-K. Kerk. Het is dan ook geenszins mogelijk om zich hieruit te laten verwijderen. Het doopregister of het vermelden van een doop hierin zou fungeren zoals een register met notariële akten, waarbij de pastoor als kerkelijke beambte optreedt, in aanwezigheid van getuigen, in een voor de geloofsgemeenschap publieke handeling. 54 De verweerster benadrukt dat dit een openbaar evenement is dat om historische en archiveringsdoeleinden moet worden gedocumenteerd. Het is bijgevolg conform de redelijke verwachtingen van gedoopten dat hun persoonsgegevens niet zomaar kunnen worden geschrapt uit de parochieboeken. 135. De Geschillenkamer stelt vast dat de klager nooit zelf heeft kunnen beslissen of zijn persoonsgegevens al dan niet verwerkt zouden worden, aangezien hij op zeer jonge leeftijd gedoopt werd. Op dit punt moet de Geschillenkamer echter instemmen met de verweerster en vaststellen dat het ouderlijke gezag (cf. artikel 372 e.v. Oud Burgerlijk Wetboek55), samen met de mogelijkheid voor ouders c.q. voogden om namens hun kinderen in te stemmen (zie artikel 8 AVG), nu eenmaal faciliteert dat ouders c.q. voogden beslissingen maken in naam en voor rekening van minderjarigen. Hoewel de verwerking van persoonsgegevens in dit geval niet gebaseerd is op toestemming conform artikel 6.1.
- a)AVG, illustreert dit wel dat volgens de wetgever de beslissingsbevoegdheid over de persoonsgegevens van minderjarigen bij de ouders dan wel voogd(
- en)ligt. 54 Het Franse Hof van Cassatie bevestigde in 2014 dat een katholieke doop geen privé doch een publieke gebeurtenis vormt: Cour de cassation, 1re Civ. 19/11/2014, pourvoi n° 13.25156. 55 Artikel 372 OBW: “Een kind blijft onder het gezag van zijn ouders tot aan zijn meerderjarigheid of zijn ontvoogding.” Beslissing ten gronde 169/2023 — 39/60 136. Wat de redelijke verwachtingen van de betrokkenen betreft blijkt duidelijk uit het huidige dossier dat de voormalige leden van de R.-K. Kerk die specifiek hebben verzocht om uit te treden en hun recht uit te oefenen overeenkomstig artikel 17 AVG, redelijkerwijs zouden kunnen verwachten dat de over hen verzamelde persoonsgegevens niet langer in de doopregisters worden opgenomen. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de informatie die werd verschaft aan de betrokkenen, wat hen een inzicht zou moeten geven omtrent de omvang of duur van de verwerking. Aangezien reeds mankementen werden vastgesteld in het kader van de informatieverplichting van de verweerster, moet de Geschillenkamer vaststellen dat de redelijke verwachtingen van de klager niet inhouden dat diens verzamelde persoonsgegevens levenslang worden bewaard, in het bijzonder indien deze uittreedt uit de R.-K. Kerk. Dit geldt a fortiori aangezien deze onbeperkte retentieperiode niet werd meegedeeld ten tijde van de inzameling van de persoonsgegevens. 137. Daarnaast moet een verwerking altijd proportioneel of evenredig zijn. Hiervoor zijn substantiële en dwingende redenen nodig die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkenen. Er moet een afweging worden gemaakt tussen het gerechtvaardigde belang van de verwerkingsverantwoordelijke, i.e. het vermijden van identiteitsfraude en een ‘dubbele doop’, en het recht op bescherming van persoonsgegevens van de betrokkenen. De Geschillenkamer concludeert dat hoewel het oorspronkelijke doel van de verwerking legitiem is, het levenslange bewaren van de in casu verzamelde persoonsgegevens van de klager disproportioneel is. Wanneer een betrokkene aangeeft geen deel meer uit te maken van de R.-K. Kerk, acht de Geschillenkamer deze rechtvaardiging ontoereikend voor het zonder meer voortzetten van de verwerking van al de persoonsgegevens van de klager en als dusdanig dan ook disproportioneel. 138. Hoewel het mogelijk is dat een voormalig lid besluit om opnieuw lid te worden van de R.-K. Kerk of om (opnieuw) sacramenten te ondergaan, is de kans dat dit daadwerkelijk gebeurt gering. Een dergelijk scenario rechtvaardigt niet het blijvend verwerken van àlle voorheen verzamelde persoonsgegevens van alle kerkverlaters die zich uitdrukkelijk distantiëren van de R.-K. Kerk. A fortiori gaat een dergelijke redenering niet op wanneer deze uitdrukkelijke distantiëring resulteert in het aanvullend verwerken van persoonsgegevens door het toevoegen van een annotatie (zie supra). Dit leidt tot de verwerking van méér persoonsgegevens, met een mogelijk nog hogere gevoeligheid dan oorspronkelijk het geval was. De Geschillenkamer oordeelt dat deze blijvende verwerking op onevenredige wijze de fundamentele rechten en vrijheden van de klager - die zijn verankerd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest - schendt. Beslissing ten gronde 169/2023 — 40/60 139. Uit het bovenstaande leidt de Geschillenkamer af dat de verweerster in strijd met de artikelen 5.1.
- a)en 6.1.
- f)AVG handelt en geen rechtsgrond voor de verwerking heeft onder artikel 6.1 AVG, aangezien de verwerkingen in concreto noch de noodzakelijkheidstoets, noch de afwegingstoets doorstaan, voor wat betreft de verdere verwerking van persoonsgegevens nadat de betrokkene niet langer lid is van de R.-K. Kerk. 140. De Geschillenkamer sluit daarbij niet uit dat wanneer er voldoende aandacht wordt besteed aan het beginsel van dataminimalisatie en proportionaliteit, waardoor eventueel zowel de noodzakelijkheids- als de afwegingstoets wordt vervuld, het mogelijk is dat zij tot een ander oordeel komt. Desondanks constateert de Geschillenkamer op basis van de conclusies van de verweerster dat er momenteel geen beroep kan worden gedaan op artikel 6.1.
- f)AVG. Aangezien de verweerster geen andere rechtsgronden uit artikel 6 AVG aanhaalt, worden deze ook niet onderzocht door de Geschillenkamer. 141. De verweerster maakt ook melding van historische archiveringsdoeleinden. Hoewel de Geschillenkamer akkoord gaat dat de doopregisters van historische waarde kunnen zijn, acht zij de initiële motivatie tot registratie van de doop geheel te kunnen kaderen in het toedienen van sacramenten aan gelovigen. De eventuele archivering en bewaring voor historische doeleinden is slechts een verdere verwerking die enkel kan geschieden indien er een rechtmatige grondslag voor de verwerking bestaat in eerste instantie. Dit is volgens de Geschillenkamer in casu niet het geval. II.4.2. Bijzondere categorieën van persoonsgegevens 142. In het geval dat een verwerking van categorieën van bijzondere persoonsgegevens overeenkomstig artikel 9.1 AVG plaatsvindt, dient de verwerkingsverantwoordelijke een rechtsgrond overeenkomstig artikel 6 AVG én een uitzonderingsgrond uit artikel 9.2 AVG aan te duiden.56 143. In artikel 9.1 AVG wordt een algemeen verbod opgenomen waardoor “de verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, een verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid […] verboden [zijn]”. 56 Zie randnummer 99 van deze beslissing. Beslissing ten gronde 169/2023 — 41/60 144. In lid 2 van deze bepaling worden uitzonderingsgronden opgenomen die een verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens alsnog toestaan. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om aan te tonen dat een dergelijke uitzonderingsgrond van toepassing is. 145. De Geschillenkamer onderzoekt hieronder of de aangebrachte uitzonderingsgronden van artikel 9.2 AVG van toepassing kunnen zijn op de verwerkingen in casu. II.4.3. Verwerking van de persoonsgegevens van (voormalige) leden van een godsdienstige organisatie 146. Het tweede lid van artikel 9 AVG voorziet in uitzonderingsgronden op het verbod opgenomen in het eerste lid. Zo is dit eerste lid op grond van artikel 9.2.
- d)AVG niet van toepassing indien de “verwerking wordt verricht door een stichting, een vereniging of een andere instantie zonder winstoogmerk die op politiek, levensbeschouwelijk, godsdienstig of vakbondsgebied werkzaam is, in het kader van haar gerechtvaardigde activiteiten en met passende waarborgen, mits de verwerking uitsluitend betrekking heeft op de leden of de voormalige leden van de instantie of op personen die in verband met haar doeleinden regelmatig contact met haar onderhouden, en de persoonsgegevens niet zonder de toestemming van de betrokkenen buiten die instantie worden verstrekt”. 147. De klager stelt dat hij niet als een voormalig lid kon worden beschouwd, aangezien hij nooit akkoord zou zijn gegaan met een toetreding. Zoals eerder door de Geschillenkamer aangegeven, beschouwt de Geschillenkamer dit niet als een geldig argument. 57 De ouder c.q. voogd heeft nu eenmaal de beslissingsbevoegdheid in deze kwestie en de klager is bijgevolg lid geweest van de R.-K. Kerk door het ondergaan van het sacrament van de doop. 148. De Geschillenkamer oordeelt dat de verweerster zich rechtmatig kan baseren op artikel 9.2.
- d)AVG voor de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Deze bepaling specifieert dat de verwerkingsactiviteiten gelimiteerd moeten zijn tot de gerechtvaardigde activiteiten van de instelling. Dit betekent dat de verwerking rechtstreeks verband moet houden met de religieuze activiteiten van de organisatie. 149. De verweerster geeft aan dat de parochieregisters worden gebruikt om de doopstatus van leden van de R.-K. Kerk te controleren en annotaties aan te brengen in het geval er andere sacramenten worden toegediend. De Geschillenkamer beschouwt dit als passend binnen de gerechtvaardigde activiteiten. De Geschillenkamer benadrukt daarbij dat in beginsel de toets of een activiteit gerechtvaardigd is vergelijkbaar is met de toets omtrent het gerechtvaardigd karakter van een belang, overeenkomstig artikel 6.1.
- f)AVG. De hier bedoelde activiteiten zijn dus gerechtvaardigd. 57 Zie randnummer 135 van deze beslissing. Beslissing ten gronde 169/2023 — 42/60 150. Het is echter aangewezen de vraag opnieuw te stellen of het opslaan van persoonsgegevens van voormalige leden nog steeds onder de gerechtvaardigde activiteiten van een organisatie valt, ook wanneer deze betrokkenen expliciet hebben aangegeven geen banden meer te willen met de R.-K. Kerk. De verweerster geeft aan dat het bijhouden van persoonsgegevens relevant blijft voor het geval de betrokkenen besluiten om terug te komen op hun besluit om uit de kerkgemeenschap te treden. Hij voegt hieraan toe dat ieder Bisdom al gevallen heeft gekend waarbij een “kerkverlater” later tot inkeer komt (het Bisdom van Gent zou er circa tien kennen). Indien dit het geval is, wordt de annotatie die eerder werd toegevoegd opnieuw aangepast zodat duidelijk is dat de betrokkene weer lid wenst te zijn van de R.-K. Kerk. Aangezien deze verwerking nog altijd kadert in het kunnen vermijden van identiteitsfraude, ook bij voormalige leden die nadien potentieel terugkeren in de geloofsgemeenschap, zou deze verwerking volgens de verweerster alsnog gerechtvaardigd moeten zijn. 151. Aangezien artikel 9.2.
- d)AVG uitdrukkelijk voorziet in een uitzonderingsgrond voor voormalige leden58, concludeert de Geschillenkamer dat het mogelijk moet blijven om, ook nadat de leden bewust zijn uitgetreden, hun persoonsgegevens te verwerken. Hierbij moet echter benadrukt worden dat de uitzonderingsgronden uit artikel 9.2 AVG strikt dienen te worden geïnterpreteerd. De Geschillenkamer is daarom van mening dat de term “gerechtvaardigde activiteiten” eveneens eng geïnterpreteerd dient te worden. Artikel 9.2.
- d)AVG spreekt weliswaar van “voormalige leden”, maar dit moet in zijn juiste draagwijdte worden gelezen. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat er nog een aantal zaken moeten geregeld worden t.a.v. een gewezen lid (zoals de afhandeling van een geschil) die nopen tot het tijdelijk aanhouden van de verwerking gedurende een zekere tijd na het lidmaatschap. Maar deze bepaling kan geen basis vormen om na het uittreden nog langdurig, laat staan levenslang, de tijdens het lidmaatschap verzamelde gevoelige persoonsgegevens bij te houden tegen de uitgedrukte wil van de betrokkene in. De Geschillenkamer is met andere woorden niet van oordeel dat het bewaren an sich van persoonsgegevens van voormalige leden kan kwalificeren als een “gerechtvaardigde activiteit” van de R.-K. Kerk. 58 In artikel 8.2.
- d)van de Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens worden de voormalige leden niet mee opgenomen in de uitzonderingsgrond. Het is dus de wil van de wetgever geweest om de rechtsgrond ook te laten gelden voor voormalige leden. Artikel 9 is gebaseerd op artikel 8 van Richtlijn 95/46/EG (zie: voorstel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming)). Beslissing ten gronde 169/2023 — 43/60 152. Daarnaast voorziet de uitzonderingsgrond in artikel 9.2.
- d)AVG in een belangenafweging. De grond bevat immers expliciet de beperking dat een dergelijke verwerking enkel mogelijk is in het kader van de “gerechtvaardigde activiteiten” van een in artikel 9.2.
- d)AVG opgesomde entiteit. Hoewel het vermijden van identiteitsfraude en het correct toedienen van sacramenten kan worden gezien als een gerechtvaardigd belang van de verweerster, acht de Geschillenkamer dat het blijvend bewaren van de persoonsgegevens van kerkverlaters niet onder de noemer “gerechtvaardigde activiteiten” valt wanneer er sprake is van een uitdrukkelijke uittreding en er bovendien een verzoek tot gegevenswissing heeft plaatsgevonden. 153. Dit dient bovendien in samenhang met de beginselen uit artikel 5 AVG te worden gelezen. In het bijzonder benadrukt de Geschillenkamer het beginsel van dataminimalisatie (artikel 5.1.
- c)AVG) dat inhoudt dat persoonsgegevens toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. 154. Dit indachtig komt de Geschillenkamer tot het besluit dat het niet geheel uit te sluiten valt dat de verweerster zich kan baseren op artikel 6.1.
- f)en 9.2.
- d)AVG als basis voor de verwerking van persoonsgegevens van gewezen leden. Zij concludeert echter dat deze beide gronden niet kunnen worden gebruikt als rechtsgrond voor het blijvend verder verwerken van de persoonsgegevens van “kerkverlaters”, bijvoorbeeld door deze integraal te behouden in een doopregister, zoals in casu het geval is.. 155. Hierbij laat de Geschillenkamer in het midden of, indien de verweerster een werkwijze hanteert die wel proportioneel en data-minimaliserend is, zij niet alsnog bepaalde persoonsgegevens kan verwerken. Het belang van de verweerster is immers wel degelijk gerechtvaardigd.59 Niettemin is het de overtuiging van de Geschillenkamer dat de voortdurende verwerkingen, zoals die volgens de huidige praktijk plaatsvinden, niet kunnen worden gerechtvaardigd op basis van artikel 6.1.
- f)en 9.2.
- d)AVG. 59 Zie randnummers 107 e.v. van deze beslissing. Beslissing ten gronde 169/2023 — 44/60 II.4.4. Archivering in het algemeen belang of met het oog op wetenschappelijk/historisch onderzoek 156. Het doelbindingsbeginsel (artikel 5.1.
- b)AVG) vereist dat het doel van de verwerking wordt gedefinieerd op het moment dat de gegevens worden verzameld en schrijft als uitgangspunt voor dat alle opeenvolgende verwerkingen het gedefinieerde doel niet mogen overschrijden. Deze regel wordt gespecifieerd en uitgebreid door te erkennen dat het toepassingsgebied van één gedefinieerd doel verwerkingen omvat die “verenigbaar” zijn met het oorspronkelijk genoemde doel. Artikel 6.4 AVG bevat de elementen waarmee de verwerkingsverantwoordelijke rekening dient te houden vooraleer een dergelijke verdere verwerking plaatsvindt. 157. In het bijzonder wat betreft de verdere verwerking van persoonsgegevens na het uittreden van de betrokkene uit de R.-K. Kerk, kan ook worden gekeken naar het doel van archivering in het algemeen belang of met het oog op wetenschappelijk/historisch onderzoek. In zijn repliek geeft de verweerster aan dat de verwerking ook plaatsvindt op basis van artikel 6.1.
- f)AVG in combinatie met artikel 9.2.
- j)en artikel 89.1 AVG. Hoewel de verweerster tijdens de hoorzitting op 27 november 2023 artikel 6.1.
- f)in combinatie met artikel 9.2.
- d)AVG naar voren bracht als rechtsgronden voor de gegevensverwerking, zal de Geschillenkamer onderzoeken of het mogelijk is om de persoonsgegevens te verwerken met het oog op archivering in het algemeen belang of voor wetenschappelijk onderzoek, ook omdat in eerdere stellingnamen van de verweerster naar deze gronden wordt verwezen. 158. Primair gebruik. Allereerst onderzoekt de Geschillenkamer of de verdere bewaring van de doopregisters mogelijk is op basis van artikel 6.1.
- f)j° 9.2.
- j)AVG, indien de persoonsgegevens rechtstreeks worden verzameld voor onderzoeksdoeleinden (primair gebruik). 60 Indien de persoonsgegevens in de doopregisters worden verzameld met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek maakt dit een afzonderlijke verwerkingsactiviteit uit, losstaand van de verwerking die gebeurt met het oog op het correct toedienen van sacramenten. De Geschillenkamer moet echter vaststellen dat dit laatste niet het geval is. De persoonsgegevens worden oorspronkelijk immers verzameld met als doeleinde om te beschikken over een overzicht van de toegediende sacramenten per betrokkene om identiteitsfraude te kunnen vermijden. 60 Richtsnoeren EDPB 3/2020 inzake de verwerking van gezondheidsgegevens voor wetenschappelijk onderzoek in het kader van de COVID-19-uitbraak van 21 april 2020. Beslissing ten gronde 169/2023 — 45/60 159. Volgens de Geschillenkamer kan er niet langer sprake zijn van archivering van de doopregisters in het algemeen belang. Hoewel de verweerster aangeeft dat de doopregisters mogelijk in het verleden een algemeen nut dienden, zijn deze volgens verweerster nu vervangen door de registers van het Rijksarchief. Immers, als de registers van algemeen belang zijn, moeten deze ook in functie van dit algemeen belang moeten kunnen worden ingezet. Het valt de Geschillenkamer echter op dat de verweerster erkent dat de registers niet publiek zijn, niet toegankelijk zijn voor derden en bovendien niet worden gedeeld met andere instanties. Dit kadert immers in het beginsel van vertrouwelijkheid dat tevens in acht moet worden genomen. De Geschillenkamer is ten slotte van mening dat het niet mogelijk is dat een private entiteit, zoals de R.-K. Kerk, archieven onder zich houdt in het algemeen belang, zonder dat deze hiertoe een Unierechtelijke of statelijke verplichting heeft in de wet.61 Tot slot is de Geschillenkamer van oordeel dat de verweerster niet aantoont welk specifiek algemeen belang wordt gediend met het archiveren. Het louter kunnen beschikken over een archief is volgens de Geschillenkamer niet voldoende om aan te tonen dat er sprake is van archivering in het algemeen belang. 160. Daarnaast zou de verwerking tevens moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 9.2.
- j)AVG, aangezien er in casu sprake is van een bijzondere categorie van persoonsgegevens. De Geschillenkamer stelt in de randnummers 166 e.v. hieronder vast dat hieraan niet is voldaan. 161. Secundair gebruik. De Geschillenkamer is van oordeel dat het aanvankelijke doeleinde van het verzamelen van de persoonsgegevens het vermijden van identiteitsfraude is en niet de archivering in het algemeen belang of voor wetenschappelijk/historisch onderzoek op zich. De AVG staat echter toe dat er een verdere verwerking van de persoonsgegevens kan plaatsvinden in het geval deze doeleinden verenigbaar zijn met deze waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk werden verzameld. 62 61 De archieven zouden na honderd jaar overgedragen worden aan het Rijksarchief, maar deze overdracht is gestoeld op een overeenkomst tussen de Belgische staat en de R.-K. Kerk. Er is dus geen wettelijke verplichting van toepassing. 62 Zie artikel 6.4 AVG. Beslissing ten gronde 169/2023 — 46/60 162. Overweging 50 preciseert dat een verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden als een met de aanvankelijke doeleinden rechtmatige verwerking moet worden beschouwd. Zij benadrukt bovendien dat de oorspronkelijke verwerking aan alle voorschriften inzake rechtmatigheid van de oorspronkelijke verwerking moet voldoen. Aangezien dit in casu niet het geval is63, kan er ook geen sprake zijn van een verdere verwerking. Desalniettemin gaat de Geschillenkamer na of, indien er wel sprake zou zijn van een rechtmatige verwerking doordat de verweerster aanpassingen deed aan de huidige praktijk, deze beroep zou kunnen doen op artikel 6.4 AVG om de archivering van de doopregisters te kunnen rechtvaardigen. Immers, naast het argument van de verweerster dat de doopregisters dienen om na te gaan welke sacramenten reeds zijn toegediend aan een betrokkene, haalt deze ook aan dat het archiveren van de persoonsgegevens in de doopregisters in het algemeen belang gebeurt. 163. Zoals reeds uiteengezet oordeelt de Geschillenkamer dat een archivering in het algemeen belang in casu niet mogelijk is.64 164. De verweerster werpt daarnaast ook op dat er wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt aan de hand van de doopregisters.65 Dit zou bijvoorbeeld genealogisch onderzoek zijn.66 Concrete voorbeelden van dergelijk onderzoek schuift de verweerster niet naar voren. 165. Hoewel dit als een verenigbaar doel kan worden aanzien, moet er nog steeds rekening worden gehouden met de overige bepalingen van de AVG. Zo dient de verwerking proportioneel en data-minimaliserend te zijn, in lijn met artikel 89 AVG, en moet het belang van de onderzoeker nog altijd afgewogen worden tegen de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De Geschillenkamer oordeelt dat een levenslange bewaring van de persoonsgegevens van kerkverlaters zoals die nu plaatsvindt, nadat de betrokkene te kennen heeft gegeven niet langer lid te zijn van de R.-K. Kerk en bovendien geschrapt te willen worden, niet als proportioneel en data-minimaliserend kan worden gezien. Dit is des te meer het geval wanneer de mogelijke toekomstige onderzoeken nog nader te bepalen zijn en er geen technische of organisatorische maatregelen zijn genomen om de inachtneming van het beginsel van minimale gegevensverwerking te garanderen. De Geschillenkamer benadrukt dat nog steeds veel onderzoek mogelijk is bij weglating of anonimisering of pseudonimisering van bepaalde persoonsgegevens. 63 Zie randnummers 103 e.v. (i.h.b. randnummer 139) van deze beslissing. 64 Zie randnummer 159 van deze beslissing. 65 Overweging 51 AVG. 66 Overweging 160 AVG bepaalt uitdrukkelijk dat dit ook onder de term ‘wetenschappelijk onderzoek’ valt. Beslissing ten gronde 169/2023 — 47/60 166. Bovendien slaat een verdere verwerking overeenkomstig artikel 6.4 AVG op de rechtsgrond die vereist is in artikel 6.1 AVG. Aangezien het in casu een categorie van gevoelige persoonsgegevens betreft, moet er daarnaast echter ook nog een uitzonderingsgrond in artikel 9.2 AVG van toepassing zijn. De verweerster beroept zich vervolgens op artikel 9.2.
- j)AVG. Deze bepaling maakt een verwerking mogelijk indien deze noodzakelijk is met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89.1 op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de belangen van de betrokkene. 167. Wat betreft de waarborgen overeenkomstig artikel 89 AVG die in casu door de verweerster zijn genomen, is de Geschillenkamer van oordeel dat deze niet volstaan. De Geschillenkamer is van oordeel dat er op een manier te werk kan worden gegaan die het beginsel van minimale gegevensverwerking beter garandeert (zoals bijvoorbeeld anonimisering of pseudonimisering van bepaalde persoonsgegevens). 168. Daarnaast is er geen sprake van een grond in het Unie- of lidstatelijke recht. De verweerster heeft een “beslissing van de Bisschoppenconferentie van België betreffende de bewaring en raadpleging van diocesane archieven” opgenomen in haar laatste verduidelijkingen, waarin wordt meegegeven dat de privacygevoelige documenten kunnen worden geraadpleegd overeenkomstig de wet van 21 december 2018 betreffende de raadpleging van registers van de burgerlijke stand en de bevolkingsregisters voor genealogische, wetenschappelijke of historische doeleinden 67. Het Koninklijk besluit over de genealogische opzoekingen in de akten van de burgerlijke stand en tot verlening van de toegang tot de DABS68 aan het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën van 17 maart 2021 geeft uitvoering aan deze wet.69 De Geschillenkamer moet in dit verband echter vaststellen dat deze wetgevende instrumenten niet van toepassing zijn op de diocesane archieven. 67 Wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, B.S. 31 december 2018, art. 166-198. Zie ook de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, B.S. 2 juli 2018. 68 69 Databank van de Akten van de Burgerlijke Stand. KB van 17 maart 2021 over de genealogische opzoekingen in de akten van de burgerlijke stand en tot verlening van de toegang tot de DABS aan het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën, BS 31 maart 2021 (ed. 1). Beslissing ten gronde 169/2023 — 48/60 169. In haar conclusies geeft de verweerster aan dat de CIC een wetgevingsmaatregel conform overweging 41 AVG i