1/9 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 170/2022 van 22 november 2022 Dossiernummer : DOS--2018-04762 Betreft: klacht over het gebruik van de dienst "Auvio" van de de RTBF De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Christophe Boeraeve Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), -hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, hierna WVG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Gelet op de beslissing 168/2022 van 22 november 2022 van de Geschillenkamer; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: dhr. X, hierna “de klager”; De verweerder: Radio Télévision Belge de la Communauté française (RTBF), autonoom overheidsbedrijf van culturele aard, Hierna "de RTBF" of “de verweerder”. Met als raadsmannen Meester Peter Craddock en Meester Eline Van Bogget, Beslissing ten gronde 170/2022 - 2/9 I. 1. Feiten en procedure Op 18 juni 2018 diende de klager bij de Gegevensbeschermingsautoriteit een klacht in tegen de verweerder. 2. In zijn klacht klaagt de klager erover dat de RTBF live-dienst (webstreaming - Auvio) op Belgisch grondgebied alleen toegankelijk is indien de bezoekers hun persoonsgegevens verstrekken (e-mailadres/inloggen via hun Facebook- of Google-accounts). Hij wijst er ook op dat het aanmeldingsproces met de live-dienst niet werkt als de gebruiker de cookies en trackers van derde bedrijven die door de RTBF-website worden gebruikt, uitschakelt. 3. Op 15 februari 2018 wordt de klacht ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van art. 62, §1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. De klager werd hiervan diezelfde dag op de hoogte gebracht. 4. Op 23 oktober 2018 beslist de Geschillenkamer op grond van artikelen 63. 2° en 94, 1° WOG een onderzoek te vragen aan de Inspectiedienst. 5. Op 29 februari 2018 werd het verzoek tot het verrichten van een onderzoek overeenkomstig artikel 96, §1 van de WOG bezorgd aan de Inspectiedienst. De klager werd hiervan diezelfde dag op de hoogte gebracht. 6. Op 28 januari 2020 werd het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, het verslag bij het dossier gevoegd en het dossier door de Inspecteur-generaal bezorgd aan de Voorzitter van de Geschillenkamer (art. 91, § 1 en § 2 WOG). Het onderzoeksverslag is gebaseerd op twee technische analyseverslagen van respectievelijk 1 juli 2019 en 9 januari 2020. 7. In zijn verslag deed de Inspecteur-generaal de volgende vaststellingen: - Wat betreft de rechtsgrondslag voor de verwerking van registratiegegevens enerzijds en van gegevens voor personalisering (profilering) anderzijds ( vaststelling 1): De ID merkt op dat de RTBF stelt dat zij de rechtmatigheid van de verwerking van registratiegegevens baseert op het gerechtvaardigd belang enerzijds en de rechtmatigheid van de verwerking van gegevens voor personalisering op het gerechtvaardigd belang en/of toestemming anderzijds. De ID herinnert eraan dat volgens artikel 6.1 van de AVG het gerechtvaardigde belang van de verwerkingsverantwoordelijke geen grondslag kan vormen voor de rechtmatigheid van de verwerking door overheidsinstanties bij de uitvoering van hun taken. De ID verwijst naar sectie 5 van de WVG, waarvan de definitie van "overheid" ruim is en verweerder als autonoom overheidsbedrijf lijkt te omvatten. De ID voegt eraan toe dat een beroep op het gerechtvaardigd belang een afweging van de betrokken belangen vereist en benadrukt dat verweerder niet heeft aangetoond dat deze afweging is gemaakt. Met Beslissing ten gronde 170/2022 - 3/9 betrekking tot de toestemming die naast de rechtmatigheid van de gegevensverwerking m.b.t. de personalisering wordt ingeroepen, herinnert de ID er ten slotte aan dat de verwerkingsverantwoordelijke niet van de rechtmatigheidsgrondslag van de toestemming kan overschakelen op die van het gerechtvaardigd belang. - Met betrekking tot de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens voor reclameprofilering en de mogelijkheid om bezwaar te maken ( vaststellingen 2, 3 en 4) : De ID merkt op dat het beheerscontract van RTBF weliswaar het gebruik van algoritmen voor het aanbevelen van inhoud toestaat, maar dat de definitie van deze term geen reclame omvat. De ID concludeert dat de rechtmatigheid van het reclameprofileringsdoel van RTBF (en dus de naleving van artikel 5.1.b van de AVG) derhalve in twijfel kan worden getrokken. Aangezien de gebruiker het opstellen van reclameprofielen niet kan weigeren op het moment van registratie en het platform het niet mogelijk lijkt te maken om zich daar na registratie gemakkelijk tegen te verzetten, concludeert de ID dat niet lijkt te zijn voldaan aan de bepalingen van de artikelen 12.2, 21 en 25 van de AVG. Ten slotte merkt de ID op dat de update van de doeleinden in het registratieformulier door opname van het reclameprofileringdoeleinde per 9 januari 2020 niet is uitgevoerd, hoewel verweerder had toegezegd dit te zullen doen. de ID concludeert dat dit onverenigbaar lijkt met de bepalingen van artikel 12.1. 13 en 14 van de AVG. - Wat betreft het gebruik van sociale netwerkgegevens voor aanmeldings- /registratiedoeleinden (vaststellingen 5 en 6): De ID concludeert dat het verschil tussen het mechanisme om in te loggen op Auvio enerzijds en de registratie op het platform via sociale netwerken (Facebook, Google) anderzijds duidelijkheid en uitleg mist, hetgeen in strijd is met de artikelen 12.1, 13 en 14 van de AVG. De ID voegt daaraan toe dat het gebruikte mechanisme (onder het mom van aanmelden via een Facebook-account) in feite de aanmaak is van een RTBF-account waarbij de Facebook-gegevens van de gebruiker worden verstrekt, zonder dat de gebruiker daarvan op de hoogte wordt gesteld. De ID concludeert dat deze procedure in strijd is met de artikelen 5.1.a), 5.1.
- b)en 5.1.
- c)van de AVG en met de artikelen 12.1, 13 en 14 van de AVG. 8. Op 17 maart 2020 beslist de Geschillenkamer op grond van art. 95, §1, 1° en art. 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 9. Op dezelfde datum worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2, alsmede van deze in artikel 98 van de WOG. Tevens worden zij overeenkomstig artikel 99 van de WOG in kennis gesteld van de termijnen voor het indienen van hun conclusies, te weten 14 april en 14 mei 2020 voor verweerder en 29 april voor klager. Beslissing ten gronde 170/2022 - 4/9 10. Op 19 maart 2020 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (artikel 95, §2, 3° WOG), die hem werd toegestuurd op 25 maart 2020. Hij gag ook te kennen door de Geschillenkamer te willen worden gehoord overeenkomstig artikel 51 van het Reglement van interne orde 11. Op 14 november 2020 ontving de Geschillenkamer de conclusie van repliek vanwege de verweerder. Op 14 mei 2020 ontving zij de samenvattende conclusies van deze laatste. Zijn betoog kan als volgt worden samengevat. Uit het eerste deel van de conclusies van verweerder blijkt dat de vaststellingen van het IDonderzoek buiten beschouwing moeten worden gelaten, aangezien de opstelling van dit verslag en van de technische analyseverslagen niet overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur is geschied. Ten gronde betwist verweerder dat er sprake is van plichtsverzuim. 12. Op 28 april 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliekvanwege de verweerder. In het algemeen hekelt de klager de houding van verweerder en wijst hij met name op de praktijk van cookies, het gebrek aan transparantie en de vraag naar de relevantie van het verzamelen van persoonsgegevens als verplichte stap om toegang te krijgen tot online-informatie-inhoud. II. Motivering 13. Overeenkomstig artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; Beslissing ten gronde 170/2022 - 5/9 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 14. Wanneer een klacht bij de Geschillenkamer wordt ingediend door de Eerstelijnsdienst (ELD), die de klacht ontvankelijk heeft verklaard, of door de ID na een onderzoeksverslag, zoals in het onderhavige geval, zal de Geschillenkamer eerst onderzoeken of het voor haar technisch mogelijk is zich over de klacht uit te spreken. Anders zal de klacht noodzakelijkerwijs om technische redenen worden afgewezen.1. 15. Gelet op de volgende argumenten en op basis van de bevoegdheden die de wetgever haar krachtens artikel 100.1. van de WOG heeft toegekend, beslist de Geschillenkamer de zaak te seponeren overeenkomstig artikel 100.1.1° van de WOG. 16. De Geschillenkamer moet bij een seponering haar beslissing stapsgewijs motiveren en - een technisch sepot uitspreken indien het dossier geen of onvoldoende elementen bevat die tot een sanctie kunnen leiden of er een technische belemmering is waardoor geen beslissing kan worden genomen; - of een beleidssepot uitspreken indien, ondanks de aanwezigheid van elementen die tot een sanctie kunnen leiden, verder onderzoek van het dossier haar niet opportuun lijkt in het licht van haar prioriteiten. 17. Indien de seponering plaatsvindt op grond van meerdere redenen (respectievelijk technische of opportuniteitsredenen), worden de redenen voor de seponering in volgorde van belangrijkheid behandeld. 18. In het onderhavige geval spreekt de Geschillenkamer een technisch sepot uit op grond van artikel 100, §1, 1°, van de WOG en binnen de grenzen van de betrokken bezwaren, om de volgende redenen (punten 19 t.e.m. 27) . 19. Op 22 november 2022 heeft de Geschillenkamer beslissing 168/2022 ten aanzien van de verweerder genomen. Op grond van deze beslissing heeft de Geschillenkamer, gelet op de feiten die identiek zijn als deze die de klager in het tweede deel van zijn klacht aan de kaak stelt en gelet op de vaststellingen 1 (alleen met betrekking tot het opstellen van reclameprofielen), 1 Sepotbeleid van de Geschillenkamer, gepubliceerd op 3.1 juni 3.1 (beschikbaar https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf) op : Beslissing ten gronde 170/2022 - 6/9 2, 3 en 4 van het onderzoeksverslag van de ID - punt 7), een van de in artikel 100.1 van het LCA genoemde maatregelen genomen, namelijk een schikking (artikel 100.1.4° WOG). 20. De genoemde schikkingsbeslissing 168/2022 betreft "mogelijke inbreuken op de wet van 13 juni 2005 (van kracht ten tijde van de vaststellingen van de Inspectiedienst van de GBA in dit dossier2), en mogelijke inbreuken op de algemene verordening gegevensbescherming (AVG), met betrekking tot cookies en, meer in het algemeen, de opslag van en de toestemming voor het plaatsen en verder verwerken van informatie op het apparaat van de gebruiker als betrokkene. De schikkingsbeslissing heeft betrekking op de websites betrokken en vermeld in het dossier en betreft de partij tot wie het schikkingsvoorstel gericht is" 3. 21. Deze schikkingsbeslissing 168/2022 is gericht aan dezelfde partij als de verweerder van de onderhavige beslissing, namelijk RTBF. 22. Het voorwerp van de schikking heeft voorts, zoals reeds vermeld, betrekking op "mogelijke inbreuken op de algemene verordening gegevensbescherming (AVG), met betrekking tot verder verwerken van informatie op het apparaat van de gebruiker als betrokkene". De schikking heeft dus betrekking op de klacht over "cookies" als geheel, die de klager in zijn klacht (tweede deel) aan de orde stelt, alsmede op de vaststellingen 1 (alleen voor reclameprofielen), 2, 3 en 4 van het onderzoeksverslag van ID, zoals vermeld in punt 7 hierboven.. 23. tot slot stelt de beslissing 168/2022 "de schikking geldt slechts voor een welbepaalde periode: de periode van 25 mei 2018 tot en met 11 november 2020" 4, de datum van indiening van het aanvullende verslag van de Inspectiedienst. 24. Binnen de grenzen van beslissing 168/2022 heeft de Geschillenkamer dus haar bevoegdheid uitgeput ten aanzien van de door de klacht aan de kaak gestelde feiten en de daarmee samenhangende grieven. De Geschillenkamer seponeert de klacht van de klager dan ook om technische redenen, en dit binnen dezelfde materiële en temporele grenzen. 25. In diezelfde zin preciseert de beslissing 168/2022 het volgende : "De schikking put de bevoegdheden van de Geschillenkamer uit om corrigerende maatregelen te nemen ten aanzien van mogelijke inbreuken binnen de grenzen van de hierboven en in het schikkingsvoorstel beschreven juridische elementen en bepalingen , alsmede binnen de bovengenoemde termijn. De Geschillenkamer benadrukt dat de schikking geen afbreuk doet aan de bevoegdheden van de hoven en rechtbanken of andere autoriteiten om in voorkomend geval strafbare feiten te 2 De schikkingsbeslissing wordt genomen in het kader van een onderzoek dat door de Inspectiedienst op eigen initiatief is gevoerd naar de problematiek van gegevensverwerkingen via cookies in de Belgische mediasector, waaronder die van de verweerder. 3 Zie punt 19 van de Beslissing 168/2022 van de Geschillenkamer. 4 Zie punt 20 van de Beslissing 168/2022 van de Geschillenkamer. Beslissing ten gronde 170/2022 - 7/9 onderzoeken. De schikking in deze zaak is alleen bindend voor de Geschillenkamer van de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit5. 26. Zoals hierboven vermeld is het voorwerp van de bij beslissing 168/2022 geformaliseerde schikking, beperkt tot de periode van 25 mei 2018 tot en met 20 november 2020, de datum waarop de ID zijn vaststellingen in het genoemde dossier heeft afgesloten, die verder gaan dan de datum van 28 juni 2020 waarop de ID zijn onderzoek dat naar aanleiding van de klacht van de klager was ingesteld, heeft afgesloten (punt 7). 27. Voor de periode van 20 november 2020 tot vandaag heeft de Geschillenkamer dus geen vaststellingen die de door de klager aangevoerde grieven ondersteunen. Daarom is de Geschillenkamer ook niet in staat enige schending door de verweerder vast te stellen en seponeert zij de klacht om deze technische reden, tevens ondersteund door criterium A.1. van haar nota Sepotbeleid6. 28. Met betrekking tot de klachten over de gegevensverwerking in verband met de aanmelding en registratie op het Auvio-platform (eerste deel van de klacht van klager en de vaststellingen 1 (wat de registratie betreft), 5 en 6 van het inspectieverslag) heeft de Geschillenkamer besloten de behandeling ervan voort te zetten, aangezien deze klachten niet onder haar schikkingsbeslissing 168/2022 vielen. Aangezien verweerder heeft verzocht om in deze zaak te worden gehoord, zal de Geschillenkamer te zijner tijd een hoorzitting in aanwezigheid van partijen plannen. 29. Met betrekking tot de schikkingsbeslissing (168/2022) waarvoor zij heeft gekozen, alsmede de beslissing om de onderhavige klacht te seponeren, herinnert de Geschillenkamer eraan dat het haar soevereine verantwoordelijkheid is om als onafhankelijke administratieve autoriteit - met inachtneming van de relevante artikelen van de AVG en de WOG - de passende corrigerende maatregel(
- en)en sanctie(
- s)vast te stellen. 30. Het is dus niet aan de klager om de Geschillenkamer te verzoeken een bepaalde corrigerende maatregel of sanctie te gelasten. Indien ondanks het voorgaande de klager de Geschillenkamer toch verzoekt een of andere maatregel en/of sanctie op te leggen , is het dus niet aan de Geschillenkamer om te motiveren waarom zij een van de verzoeken van de klager niet zou inwilligen. Deze overwegingen laten de verplichting van de Geschillenkamer onverlet om de keuze van de maatregelen en sancties die zij passend acht (uit de lijst van maatregelen en sancties die haar krachtens artikel 58 van de AVG en de artikelen 95.1 en 100.1 van de WOG) 55 6 Zie punt 21 van de Beslissing 168/2022 van de Geschillenkamer. In die zin laat beslissing 168/2022, evenals de onderhavige beslissing tot seponering, de bevoegdheid van de GBA onverlet om zich voor de periode na 20 november 2020 uit te spreken, indien de zaak opnieuw bij haar aanhangig zou worden gemaakt, over eventuele schendingen die nog bestaan ten aanzien van de in de klacht aan de orde gestelde feiten. Beslissing ten gronde 170/2022 - 8/9 te motiveren om de verweerder te veroordelen 7. In het onderhavige geval verwijst de Geschillenkamer naar de punten 19-27 hierboven met betrekking tot haar beslissing om de klacht van de klager om technische redenen te seponeren. III. Publicatie van de beslissing 31. Gezien het belang van transparantie met betrekking tot het besluitvormingsproces en de beslissingen van de Geschillenkamer, zal deze beslissing worden gepubliceerd op de website van de GBA, waarbij de directe identificatiegegevens van de klager en de genoemde personen, zowel natuurlijke als rechtspersonen, uitgezonderd deze van de verweerder, worden verwijderd. 32. De Geschillenkamer is van oordeel dat de identificatie van de verweerder noodzakelijk is, aangezien de onderhavige beslissing verwijst naar beslissing 168/2022 die door de Geschillenkamer ten aanzien van de verweerder is genomen en waarvan het dictum (schikking) aan de basis ligt van de onderhavige beslissing tot technische sepot. Aangezien de identiteit van de verweerder in deze beslissing 168/2022 is bekendgemaakt, zou het weglaten van de identiteit van dezelfde verweerder in de onderhavige beslissing geen zin hebben. De uitdrukkelijke vermelding ervan maakt een beter begrip en een betere samenhang van deze twee beslissingen van de Geschillenkamer mogelijk. OM DIE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging: - de klacht op grond van artikel 100.1.1° van de WOG te seponeren voor de grieven waarop beslissing 168/2022 van de geschillenkamer betrekking heeft - voor het overige, het onderzoek van de gegrondheid van de klacht voort te zetten (punt 28 hierboven). Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, §1, van de WOG, beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep van Brussel), binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving ervan, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. 7 Geschillenkamer, beslissing ten gronde 81/2020. Zie ook de nota van de Geschillenkamer over de positie van de klager (punt D. blz. 4 in fine).https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/nota-inzake-de-positie-van-de-klagerin-de-procedure-bij-de-geschillenkamer.pdf: "De verweermiddelen van de klager dienen over de inhoud van de klacht te handelen en bijvoorbeeld niet over de aard van de sanctie die de Geschillenkamer volgens de klager dient op te leggen. Uiteraard staat het de klager vrij een oordeel te geven over de op te leggen sanctie, maar de Geschillenkamer is niet verplicht om dit oordeel over te nemen en ook niet om de argumenten van de klager betreffende het opleggen van de sanctie te weerleggen." Beslissing ten gronde 170/2022 - 9/9 Een dergelijk beroep kan worden aangetekend door middel van een interlocutoir verzoekschrift dat de in artikel 1034 ter van het Gerechtelijk Wetboek genoemde inlichtingen moet bevatten. 8. Het interlocutoir verzoekschrift moet bij de griffie van het Marktenhof worden ingediend overeenkomstig artikel 1034 quinquies van het Ger.W.9, of via het informatiesysteem e-Deposit van het Ministerie van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.). (get.) Hielke HIJMANS Voorzitter van de Geschillenkamer 8 9 Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid: 1° de dag, de maand en het jaar; 2° de naam, de voornaam, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of ondernemingsnummer; 3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen; 4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt; 6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. Het verzoekschrift, met de bijlage, wordt in evenveel exemplaren als er partijen zijn, per aangetekende brief aan de griffier van de rechtbank toegezonden of bij de griffie neergelegd.