← België

Beslissing ten gronde nr. 171/2023

1/11 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 171/2023 van 22 december 2023 Dossiernummer : DOS-2020-02242 Betreft: Klacht over de weigering van een zoekmachine om zoekresultaten te verwijderen De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Jelle Stassijns en Yves Poullet, leden, die de zaak in deze samenstelling behandelen; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna- "AVG"; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna "WOG"; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: de klager: de heer X, vertegenwoordigd door zijn raadsman meester Caroline Carpentier, advocaat, met kantoor gevestigd te 1050 Brussel, Congolaan 1, hierna: "de klager": Verweerders:Google LLC, een onderneming uit Delaware, met hoofdkantoor te 1600 Amphitheatre Parkway Mountain View, CA94043, Californië, Verenigde Staten van Amerika, hierna te noemen de "eerste verweerder"; Beslissing ten gronde 171/2023 – 2/11 SA Google Belgium, met maatschappelijke zetel te Etterbeeksesteenweg 180, 1040 Brussel (Etterbeek) en ingeschreven bij de Kruispuntbank van ondernemingen (KBO) onder nummer 0878.065.378, hierna: "tweede verweerder"; Beiden vertegenwoordigd door Mr. Gerrit Vandendriesssche en Mr. LouisDorsan Joly, advocaten, kantoorhoudende te Havenlaan 86C, B414, 1000 Brussel; Hierna samen genoemd "de verweerders". * I.

  1. Feiten en procedure De klacht betreft de weigering van de eerste verweerder om in te gaan op het verzoek van de klager om de onderstaande URL's te verwijderen uit de lijst met resultaten van een op de Google zoekmachine uitgevoerde zoekopdracht op basis van de naam en voornaam van de klager:
  2. - […] - […] Met betrekking tot deze zoekresultaten, meldt de klager dat de betrokken persuitgever in zijn elektronische edities voor bepaalde maanden van 2014 artikelen heeft gepubliceerd waarin ernstige beschuldigingen werden geuit tegen het bedrijf waarvan hij directeur was. De moraliteit van de directeuren van het bedrijf - waaronder de klager met naam en toenaam werd vermeld- werd direct in vraag gesteld, omdat de klager (net als anderen) werd beschuldigd van het mishandelen van bewoners van inrichtingen die door het bedrijf werden beheerd. Deze artikelen waren ook het onderwerp van een recht op weerwoord van de laatste. De klager meldde ook dat er een onderzoeksrapport was uitgevoerd door de autoriteit die verantwoordelijk is voor deze inrichtingen (Z) - een rapport dat hij als bewijsstuk ter ondersteuning van zijn klacht overlegde - en dat dit rapport de beschuldigingen in de genoemde artikelen volledig weerlegde.
  3. Op 16 maart 2020 stuurde de klager een dereferentieverzoek naar de zoekmachine Google, met het verzoek om de 2 in punt 2 vermelde URL's uit de zoekresultaten te verwijderen (verzoek nr. 2-4543000029445).
  4. Op 17 maart 2020 ontving klager een negatief antwoord op zijn verzoek op grond van het feit dat, na de beoordeling door de zoekmachine van de afweging van rechten, met inbegrip van factoren zoals de relevantie van de informatie voor het beroepsleven van klager, zijn verzoek om schrapping van de lijst niet kon worden ingewilligd. Beslissing ten gronde 171/2023 – 3/11
  5. Op 11 mei 2020 dient de klager bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) een klacht in tegen de verweerders. De klager voerde aan dat de persartikelen die 6 jaar eerder waren gepubliceerd - en die ontegenzeggelijk persoonsgegevens over hem bevatten - verouderd waren en gegevens verspreiden die niet langer adequaat, relevant of beperkt waren tot wat nodig was voor het publieke voorlichtingsdoel waarvoor ze werden verwerkt. In dit verband wijst klager enerzijds op het feit dat het recht op antwoord niet is gepubliceerd en anderzijds op het feit dat in het verslag van Z (punt 2 hierboven) wordt geconcludeerd dat de gewraakte schendingen niet zijn vastgesteld. Hij voegde daaraan toe dat hij geen enkele functie meer bekleedde in het betrokken bedrijf en dat op dat moment al 3 jaar niet meer had gedaan en dat hij nooit een bijzondere rol in het openbare leven had gespeeld en ook niet als een publieke figuur of mediafiguur kon worden beschouwd. Hij concludeert dat, gezien deze verschillende factoren, de publicatie van zijn voor- en achternamen niet langer van belang is voor het publiek. Hij is daarom van mening dat de zoekmachine Google ten onrechte heeft geweigerd de betwiste URL's te verwijderen, omdat het handhaven ervan aanzienlijke schade zou toebrengen aan zijn eer en professionele reputatie.
  6. Op 12 mei 2020 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst (ELD) van de GBA op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG ontvankelijk verklaard, en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1, van de WOG toegestuurd aan de Geschillenkamer.
  7. Op 11 september 2020 beslist de Geschillenkamer, op grond van artikel 95, § 1 1°, en artikel 98 van de WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
  8. Op dezelfde datum worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2, alsook van deze in art. 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 van de WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun conclusies in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweersder werd daarbij vastgelegd op 23 oktober 2020, deze voor de conclusie van repliek van de klagers op 16 november 2020 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 8 december
  9. Op 23 september 2020 aanvaarden de klager en de eerste verweerder alle communicatie omtrent de zaak elektronisch te ontvangen, en geven zij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG.
  10. Op 8 oktober 2020 deelde de raadsman van de klager aan de Geschillenkamer mee dat zijn cliënt de klacht die hij tegen verweerders had ingediend, wenste in te trekken en de tegen hen ingestelde vorderingen wenste in te trekken. De klager stelt dat zijn klacht, na de verwijdering van de 2 betwiste URL's uit de zoekmachine, zonder voorwerp is geworden, zodat volgens hem de rechtsgrondslag om deze klacht verder te behandelen voor de Geschillenkamer is verdwenen. Beslissing ten gronde 171/2023 – 4/11
  11. Op 12 oktober 2020 hebben verweerders op hun beurt aan de Geschillenkamer laten weten dat eerste verweerder de url's waartegen de klacht was gericht inderdaad had gederefereerd in zijn zoekmachine op basis van een zoekopdracht naar de naam van klager. De verweerders voegen hieraan toe dat zij de intrekking van de klacht en de terugtrekking van de klager accepteren en dat zij het standpunt van de klager delen dat de klacht zonder voorwerp is geworden en moet worden afgewezen.
  12. Verweerders voegen daaraan toe dat zij gekant zijn tegen de publicatie, zelfs geanonimiseerd of gepseudonimiseerd, van enige beslissing van de Geschillenkamer in dit dossier. Ten slotte verklaren zij dat, mocht de Kamer besluiten de procedure in deze zaak voort te zetten, zij zich het recht voorbehouden zich schriftelijk en mondeling te verdedigen tijdens een hoorzitting.
  13. Op 22 oktober 2020 nodigde de Geschillenkamer de partijen uit om tot een conclusie te komen over hun verzoek om haar beslissing de zaak te seponeren, niet te publiceren (mocht dit inderdaad de beslissing zijn die aan het einde van de zaak wordt genomen). De termijnen voor het afsluiten van de zaak worden als volgt vastgelegd: 6 november 2020 voor de indiening van de conclusies van repliek van verweerders; 23 november 2020 voor de indiening van de conclusies van repliek van de klager en 8 december 2020 voor de indiening van de conclusie van repliek van verweerders.
  14. Op 5 november 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van de verweerders. Daarin stellen verweerders dat zij het niet opportuun achten een hoorzitting te houden, aangezien de procedure, gelet op de toezeggingen die de partijen in hun vertrouwelijke schikking hebben gedaan, zonder voorwerp is geraakt. Met betrekking tot de publicatie van de beslissing verklaren zij dat hun belangrijkste verzoek is dat de beslissing niet wordt gepubliceerd en, subsidiair, dat de beslissing wordt gepubliceerd met hun gegevens gepseudonimiseerd.
  15. Verweerders baseren hun verzoeken op de volgende overwegingen:

(1)Krachtens artikel 100 van het WOG is bekendmaking van de beslissing een sanctie die de Geschillenkamer per geval kan vaststellen. Verweerders zijn van mening dat een dergelijke sanctie in het onderhavige geval niet gerechtvaardigd zou zijn, gelet op de intrekking van de klacht en het daaruit voortvloeiende verlies van het voorwerp van de klacht. Indien de publicatie een informatief doel zou dienen, zou dit volgens verweerders niet meer gerechtvaardigd zijn, aangezien het publiek er geen belang bij zou hebben om te worden geïnformeerd over een beslissing die is genomen aan het einde van een procedure die zonder voorwerp is gevallen. Beslissing ten gronde 171/2023 – 5/11
(2)subsidiair, indien de beslissing zou worden gepubliceerd, zou de nietgepseudonimiseerde publicatie ervan in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, aangezien zij een bijkomende sanctie zou vormen in vergelijking met de gepseudonimiseerde publicatie die de Geschillenkamer gewend is te bevelen. In dit verband beroepen verweerders zich op artikel 7bis van het Strafwetboek (op grond waarvan de bekendmaking of verspreiding van een beslissing een sanctie is die van toepassing is op strafbare feiten gepleegd door rechtspersonen), de WOG en de voorbereidende werken daarvan en de wet van 5 mei 20191 (waarin volgens hen het beginsel is verankerd dat gegevens die de rechtstreekse identificatie van de partijen en andere bij de zaak betrokken personen mogelijk maken, moeten worden weggelaten) om te concluderen dat alleen een gepseudonimiseerde bekendmaking van de beslissing rechtmatig zou zijn.
  1. Eveneens op 5 november deelde de klager de Geschillenkamer mee dat hij niet van plan was een standpunt in te nemen ten aanzien van de vraag of de beslissing al dan niet op de website van de GBA moest worden gepubliceerd en verwees hij naar de soevereine beslissing die de Geschillenkamer in dit verband zou nemen. II. Motivering
  2. In de zaak die aan de Geschillenkamer is voorgelegd, gaat het om de uitoefening door de klager van zijn recht op gegevenswissing. Het verzoek heeft betrekking op de links in de zoekresultaten die door de door verweerders geëxploiteerde zoekmachine worden aangeboden wanneer op de naam van de klager wordt gezocht.
  3. Zoals hierboven is uitgelegd, heeft de zoekmachine het verzoek van de klager niet ingewilligd op basis van de redenering die in punt 4 is samengevat. Na deze weigering diende de klager een klacht in bij de GBA.
  4. Zoals ook is uiteengezet, heeft klager in de loop van de procedure zijn klacht ingetrokken en hebben verweerders deze intrekking aanvaard (punten 10 en 11). De betwiste URL-links zijn verwijderd. 1 De Geschillenkamer begrijpt dat de verweerders verwijzen naar de wet van 5 mei 2019 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Gerechtelijk Wetboek voor wat betreft de publicatie van vonnissen en arresten. Beslissing ten gronde 171/2023 – 6/11
  5. In dit geval baseert de Geschillenkamer zich op haar Sepotbeleid, die bepaalde aspecten van de procedure verduidelijkt en prioriteiten vastlegt, om de onderhavige klacht te seponeren op basis van artikel 100, § 1, 1° WOG.
  6. Meer in het bijzonder beroept de Geschillenkamer zich op criterium A.
  7. van haar sepotbeleid waarvan deze zaak een voorbeeld is.
  8. Volgens het bovengenoemde sepotbeleid wordt de zaak in principe gesloten als een klager zijn of haar klacht intrekt, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de zaak niet wordt geseponeerd.
  9. Immers, het toezicht door de Geschillenkamer is niet zozeer gericht op het beslechten van geschillen tussen partijen, maar is één van de instrumenten van de GBA om toe te zien op de naleving van de regels inzake gegevensbescherming, in overeenstemming met het bepaalde in de EU Verdragen, de AVG en de WOG. Als een klacht is ingediend en vervolgens als ontvankelijke klacht ter behandeling aan de Geschillenkamer is overgedragen, moet de Geschillenkamer beoordelen of de gerelateerde feiten een inbreuk vormen op een van de wettelijke bepalingen waarvan de GBA de naleving moet controleren. Deze controle strekt zich ook uit tot de beoordeling van strafbare feiten die de klager niet rechtstreeks zelf heeft aangegeven en die de Kamer vervolgens overeenkomstig het beginsel van tegenspreekbaarheid zou vaststellen. Het loutere feit dat de klager zijn klacht intrekt (of dat de schending in de loop van de procedure is hersteld, bijvoorbeeld2) neemt niet weg dat de verwerkingsverantwoordelijke mogelijk een schending heeft begaan, noch ontneemt dit de bevoegde organen van de GBA, met inbegrip van de Geschillenkamer, de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden.
  10. Met andere woorden, het intrekken van de klacht door de klager ontslaat de Geschillenkamer niet van rechtsbevoegheid over de zaak. Deze intrekking is een element die de Kamer overweging zal nemen bij haar beslissing om de klacht te seponeren (zie punt 22 hierboven). Omstandigheden die specifiek zijn voor deze zaak kunnen derhalve rechtvaardigen dat de Geschillenkamer, ondanks de intrekking van de klacht, deze blijft onderzoeken in het kader van de uitoefening van haar bevoegdheid zoals uiteengezet in punt 23 hierboven.
  11. De zaak betreft de uitoefening door klager van zijn recht op gegevenswissing. Dit recht moet worden gezien als een belangrijke bescherming voor de betrokken personen. Het hangt ongetwijfeld nauw samen met de wens van de klager om zijn of haar rechten uit te oefenen. Tegelijkertijd kan dit recht, in het geval van een verzoek tot verwijdering van persartikelen uit een zoekmachine, alleen worden uitgeoefend na een analyse waarin het recht van de klager op gegevensbescherming wordt afgewogen tegen het publieke belang van toegang 2 Zie in vergelijkbare zin, Beslissing 41/2020 van de Geschillenkamer (punt 12). Beslissing ten gronde 171/2023 – 7/11 tot deze informatie. Afhankelijk van het feit of het ene of het andere recht voorrang krijgt bij de afweging, zal het verzoek tot verwijdering (derefereren) al dan niet worden ingewilligd. Met andere woorden, het is niet alleen een kwestie van het uitoefenen van een individueel recht, maar ook van het algemeen belang van het publiek om gemakkelijk toegang te hebben tot deze informatie.
  12. In dit verband wijst de Geschillenkamer erop dat eerste verweerder, in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke, op 17 maart 2020 tot de conclusie is gekomen (punt 4) dat voorrang moet worden gegeven aan de toegang van het publiek tot de betrokken informatie.
  13. Zoals hierboven uiteengezet, heeft de klager zijn klacht ingetrokken nadat er een schikkingsovereenkomst met de verweerders was bereikt nadat de klager een beroep bij de GBA had ingesteld. De Geschillenkamer weet niets over de inhoud van deze overeenkomst en de voorwaarden waaronder deze terugtrekking heeft plaatsgevonden, in het bijzonder welke tegenprestatie eventueel is geleverd (financiële of overlegging van documenten door de klager ?) en zo ja, op welke gronden, nadat de klacht was ingediend bij de GBA, de balans van de rechten was omgeslagen ten gunste van de klager en niet ten gunste van het recht op openbare informatie in het algemeen belang, waarbij de klager aangaf dat de betwiste koppelingen waren verwijderd. In dit opzicht is de Geschillenkamer gekant tegen elke praktijk die bestaat uit het onderhandelen over het intrekken van een klacht in ruil voor financiële compensatie.
  14. Bij gebrek aan inzage in de inhoud van de overeenkomst en de voorwaarden waaronder deze is verkregen, kan de Geschillenkamer niet anders dan vaststellen dat er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een nader onderzoek van deze grief in de klacht rechtvaardigen. Met andere woorden, de Geschillenkamer is van mening dat in dit geval het feit dat de klager haar op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om zijn recht niet langer uit te oefenen - via de voornoemde conclusies van intrekking - het dossier heeft gezuiverd van de juridische kwesties met betrekking tot dit punt
  15. Zoals hierboven uitgelegd, kan de Geschillenkamer in andere zaken van dit type tot een andere conclusie komen.
  16. Concluderend is de Geschillenkamer na bestudering van de zaak van oordeel dat deze, gelet op alle grieven waarover wordt geklaagd, niet behoort tot de categorie van gevallen waarin sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat de klacht niet wordt afgewezen.
  17. Bijgevolg heeft de Geschillenkamer besloten de zaak te sluseponeren iten om de hierboven uiteengezette redenen. 3 De Geschillenkamer wijst erop dat dit niet het geval is met betrekking tot de overeenkomst tussen de partijen over de bekendmaking van de beslissing, die uitsluitend tot haar eigen prerogatieven behoort (zie titel IV hieronder). Beslissing ten gronde 171/2023 – 8/11 III. Wat betreft de corrigerende maatregelen en sancties
  18. Volgens de bewoordingen van artikel 100.1 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
  19. Bij een seponering moet de Geschillenkamer haar beslissing stapsgewijs motiveren en4: - een technisch sepot uitspreken indien het dossier geen of onvoldoende elementen bevat die tot een sanctie kunnen leiden of er een technische belemmering is waardoor geen beslissing kan worden genomen; 4 Marktenhof (hof van beroep te Brussel). 2 september 2020, 2020/KB/329, p.
  20. Beslissing ten gronde 171/2023 – 9/11 - of een beleidssepot uitspreken indien, ondanks de aanwezigheid van elementen die tot een sanctie kunnen leiden, verder onderzoek van het dossier haar niet opportuun lijkt in het licht van de prioriteiten van de GBA, zoals uiteengezet en geïllustreerd in het Sepotbeleid van de Geschillenkamer
  21. Indien er meerdere gronden zijn voor het sepot (respectievelijk beleidssepot) dienen de sepotgronden in volgorde van technisch en/of belangrijkheid te worden behandeld
  22. In deze zaak heeft de Geschillenkamer besloten om de zaak te seponeren op technische gronden op basis van artikel 100.1.1° van de WOG als gevolg van de intrekking van de klacht door de klager en de onmogelijkheid om enige schending van de AVG of enige andere norm aan te tonen die de GBA moet bewaken en die kan worden toegeschreven aan de verweerders. IV. Publicatie van de beslissing
  23. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit gepubliceerd.
  24. De Geschillenkamer kan het verzoek van de partijen om deze beslissing niet te publiceren niet inwilligen.
  25. In overeenstemming met haar beleid inzake de publicatie van de beslissingen7, publiceert de Geschillenkamer elk van haar beslissingen met het oog op het verzekeren van openbaarheid van bestuur, wat vereist is zowel krachtens haar taken als Gegevensbeschermingsautoriteit (artikel 57.10.b) en d), gelezen in samenhang met artikel 51 van de AVG) als krachtens haar hoedanigheid van administratieve autoriteit die onderworpen is aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Het is in dit licht dat deze beslissing wordt gepubliceerd. In dit verband zorgt de Geschillenkamer ervoor om haar beslissing tot publicatie onder te brengen in de rubriek "Publicatie" en niet in de rubriek "Corrigerende maatregelen en sancties".
  26. Deze publicatie heeft ook tot doel zichtbaarheid te geven aan het werk van de GBA (informatie- en bewustmakingsrol ten aanzien van bedrijven en burgers, met inbegrip van de 5 https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf. . 6 Sepotbeleid van de Geschillenkamer, 18/06/2021, punt 3 ("In welke gevallen zal mijn klacht waarschijnlijk worden geseponeerd door de Geschillenkamer?"), beschikbaar op https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf. 7 - naar het beleid van de Geschillenkamer van de Autoriteit betreffende publicaties van beslissingen : https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/politique-de-publication-des-decisions-de-la-chambrecontentieuse.pdf Beslissing ten gronde 171/2023 – 10/11 pers), werk waarvoor de GBA publieke verantwoording moet afleggen (zowel aan politieke besluitvormers als aan het grote publiek). De onafhankelijke administratieve aard van de autoriteit en haar uitgebreide taken en bevoegdheden, rechtvaardigen dat zij openbare verantwoording moet afleggen over haar werk en dat zij aan eenieder een gemakkelijke en transparante toegang tot haar standpunten moet bieden. Tot slot is een van de taken van de Geschillenkamer het opbouwen van een coherente jurisprudentie. Daartoe, en om het geïnteresseerde publiek in staat te stellen er kennis van te nemen, is het van essentieel belang dat zij haar beslissingen publiceert, met inbegrip van de onderhavige beslissing. De anciënniteit van de zaak en het feit dat publicatie van deze beslissing nieuw licht zou kunnen werpen op de klager, die specifiek verzocht om de bovengenoemde persartikelen van de lijst te verwijderen, zijn argumenten waarmee de Geschillenkamer rekening heeft gehouden, niet door de beslissing niet te publiceren, maar door de directe identificatiegegevens van de klager weg te laten (zie hieronder) en, voor zover mogelijk en binnen de grenzen die zijn beschreven in haar Sepotbeleid door de indirecte identificatiegegevens van de klager weg te laten, gezien, specifiek in dit geval, de anciënniteit van de zaak en de intrekking van de klacht.
  27. Zoals in het bovengenoemde beleid wordt benadrukt, is, in tegenstelling tot de bekendmaking van de beslissing als een "sanctie", de kwestie van het identificeren van de partijen minder belangrijk in de context van bekendmaking met het oog op transparantie zoals in de onderhavige zaak. Het gewenste doel kan worden bereikt, ongeacht of de partijen nu wel of niet zijn geïdentificeerd. De Geschillenkamer wijst er niettemin op dat publicatie van de identificatiegegevens van rechtspersonen soms gerechtvaardigd is in het algemeen belang, vanwege de positie van de verantwoordelijke in de samenleving of het belang van de beslissing voor het algemene publiek.
  28. In dit verband is de Geschillenkamer van mening dat met de publicatie van de onderhavige beslissing met de identificatie van de verweerders verschillende doelstellingen worden nagestreefd. Ten eerste heeft het een doel van algemeen belang, gezien het belang van de Google-zoekmachine voor een zeer groot aantal internetgebruikers en het feit dat een zeer groot aantal mensen die in België wonen op de een of andere manier door die zoekmachine worden gereferentieerd. De Geschillenkamer acht het gepast om deze beslissing bekend te maken om internetgebruikers bewust te maken van hun rechten onder de AVG, zelfs als de zaak wordt geseponeerd. Als zodanig is de beslissing, zelfs als het alleen direct betrekking heeft op de klager (wiens identificatiegegevens niet worden gepubliceerd), ook van belang voor een groot deel van het algemene publiek. De identificatie van de verweerder is ook noodzakelijk voor het goede begrip van de beslissing en dus de verwezenlijking van het doel van transparantie dat wordt nagestreefd met het beleid van de Geschillenkamer om haar beslissingen te publiceren.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.