1/22 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 181/2025 van 12 november 2025 Dossiernummer: DOS-2024-04138 Betreft: klacht met betrekking tot het gebruik van vaste bewakingscamera’s die gericht zijn op een erfdienstbaarheid die leidt naar een naburige eigendom De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (“GBA”); Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (hierna “AVG”); Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit zoals gewijzigd door de wet van 25 december 2023 (hierna “WOG”) 1; Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens; Gelet op de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera’s (hierna “camerawet”); Gelet op het Reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door het Directiecomité van de Gegevensbeschermingsautoriteit op 25 april 2024 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 31 mei 2024 (hierna “RIO”)2; Gelet op de stukken van het dossier, met inbegrip van de conclusies van antwoord en de syntheseconclusies van de partijen die regelmatig zijn uitgewisseld, en na de partijen te hebben gehoord tijdens de hoorzitting van 18 juni 2025; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, die wordt vertegenwoordigd door meester Julie NEURAY, hierna “de klager” 1 De WOG is de organieke wet van de GBA, dat wil zeggen dat zij de organisatie en de algemene werking van de GBA regelt. De WOG is hier beschikbaar: link. 2 Het RIO vormt een aanvulling op de WOG met betrekking tot bepaalde interne gedragsregels die van toepassing zijn op de GBA. Het RIO is hier beschikbaar: link. Beslissing ten gronde 181/2025 — 2/22 De verweerder: Y, die wordt vertegenwoordigd door en woonplaats heeft gekozen bij meester Alice LEBOUTTE, hierna “de verweerder” I. Feiten en procedure 1. Op 23 september 2024 dient de klager een klacht in bij de GBA tegen de verweerder. 2. De klager en de verweerder zijn buren. De klager hekelt de plaatsing van camera’s die hem en zijn gezin op indringende wijze zouden filmen bij hun komen en gaan aan hun woning. Hij beweert dat de eerste camera drie jaar geleden is geïnstalleerd; dat deze foto's, video's en geluidsopnames maakt; dat een tweede camera op minder dan een meter afstand van de slaapkamer van de klager is geïnstalleerd; dat de verweerder geen verwerkingsregister bijhoudt, en; dat op 14 september 2024 een pictogram met betrekking tot de aanwezigheid van de camera is aangebracht. 3. In de bijlagen bij zijn klacht is een schermafbeelding opgenomen van een Facebook-bericht waarin de verweerder het volgende heeft geschreven (vrije vertaling): “Wanneer je thuiskomt en je een kleine verrassing aantreft. Bedankt, maten. Ze hadden niet door dat er vlak naast hen een camera hing; grappig, ik moest lachen toen ik jullie hoorde lachen.” Bij dit bericht zou de verweerder ook verschillende beelden uit de opnames van zijn camera's hebben gevoegd. Op die manier wist de klager dat hij werd gefilmd en begreep hij welke zones werden gefilmd. 4. De klager maakt melding van een procedure bij de vrederechter met betrekking tot problemen in verband met de erfdienstbaarheid. Hij voegt eraan toe dat hij bij de politie een klacht heeft ingediend voor feiten die vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. 5. Op 22 oktober 2024 wordt de klacht ontvankelijk verklaard door de Eerstelijnsdienst (hierna “ELD”) op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG en op dezelfde dag wordt de klager hiervan op de hoogte gesteld overeenkomstig artikel 61 van de WOG. 6. Op dezelfde dag wordt de Geschillenkamer gevat op grond van artikel 92, 1°, van de WOG. 7. Op 13 maart 2025 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1°, en artikel 98 van de WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. II. Motivering II.1. Ontvankelijkheid van de klacht II.1.1. Standpunt van de klager 8. De klager stelt dat zijn klacht ontvankelijk is omdat hij zijn recht van inzage tweemaal in februari 2022 en eenmaal in maart 2025 op geldige wijze heeft uitgeoefend. Beslissing ten gronde 181/2025 — 3/22 II.1.2. Standpunt van de verweerder 9. De verweerder stelt dat de klacht niet ontvankelijk is, aangezien de klager geen bewijs levert van de communicatie waarin hij om inzage van de door de camera's van de verweerder gefilmde beelden zou hebben verzocht, dat wil zeggen bewijs dat hij zijn recht van inzage heeft uitgeoefend – de verweerder voert namelijk aan dat de ontvankelijkheid van een klacht afhankelijk is van de uitoefening van het recht van inzage. II.1.3. Beoordeling door de Geschillenkamer 10. Artikel 58 van de WOG bepaalt het volgende: “Eenieder kan schriftelijk, gedateerd en ondertekend een klacht of een verzoek indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit. [...]” 11. Artikel 60 van de WOG wijst het onderzoek van de ontvankelijkheid van deze klachten specifiek toe aan de ELD. In dit verband merkt de Geschillenkamer op dat de ELD de klacht op 22 oktober 2024 ontvankelijk heeft verklaard. 12. De artikelen 94 en 95 van de WOG bepalen dat de Geschillenkamer, eens gevat, moet beslissen over de opvolging van het dossier en dat zij in dat kader een of meer van de in deze artikelen strikt opgesomde beslissingen kan nemen. 13. Uit geen enkele bepaling van de WOG blijkt dat de Geschillenkamer bevoegd is om een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid van de klacht of om de wettelijkheid van een beslissing van de ELD te controleren. Bijgevolg zal deze kwestie niet door de Geschillenkamer worden onderzocht. II.2. Toepasselijkheid van de AVG en de camerawet 14. De Geschillenkamer merkt allereerst op dat de klacht betrekking heeft op de verwerkingen van persoonsgegevens door twee vaste camera's die zijn geplaatst op het privé-eigendom van de verweerder, dat wil zeggen een niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats3. 15. Krachtens artikel 4, § 1, eerste lid, van de WOG is de GBA “verantwoordelijk voor het toezicht op de toepassing van de Verordening 2016/679 en de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens teneinde de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens te beschermen [...]”. De camerawet behoort met name tot het corpus van wetgevende teksten waarop de GBA toezicht houdt. 3 Artikel 2, 3°, van de camerawet: “Niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats: elk gebouw of elke door een omsluiting afgebakende plaats die uitsluitend bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijke gebruikers.” Beslissing ten gronde 181/2025 — 4/22 16. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna “HvJ-EU”) heeft eerder bevestigd dat het vastleggen van beelden van personen, met name door bewakingscamera’s, valt onder het begrip “persoonsgegevens” in de zin van de Europeesrechtelijke normen inzake gegevensbescherming4. Bewaking met behulp van video-opnames van personen is een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 2.1 van de AVG 5. Verwerkingen van gegevens in die context dienen dus bescherming te genieten onder de AVG. 17. In het onderhavige geval verwijt de klager de verweerder dat hij hem, zijn partner, zijn jonge kind en zijn naasten filmt met behulp van twee afzonderlijke bewakingscamera's. Bijgevolg is de AVG van toepassing op de verwerkingen van de opnames die door de twee litigieuze bewakingscamera's worden gemaakt. 18. Wat de camerawet betreft, is deze van toepassing: a. op “bewakingscamera's” zoals gedefinieerd in artikel 2, 4°, van de camerawet, namelijk “elk vast, tijdelijk vast of mobiel observatiesysteem dat de bewaking en het toezicht van de plaatsen tot doel heeft en dat hiervoor beelden verwerkt”; b. wanneer deze bewakingscamera's een van de twee doelen nastreven die worden vermeld in de eerste paragraaf van artikel 3 van de camerawet, en met name wanneer ze worden gebruikt om “misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen, vast te stellen of op te sporen”. 19. Wanneer de bewakingscamera wordt geplaatst in een niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats, mag de verwerkingsverantwoordelijke die de beslissing neemt om een bewakingscamera te plaatsen en om de door deze camera vastgelegde beelden te verwerken, dit alleen doen wanneer het doeleinde (in de zin van de AVG en de camerawet) van de plaatsing en het gebruik ervan erin bestaat “[…] bewijzen te verzamelen van overlast of van feiten die een misdrijf opleveren of schade veroorzaken en daders, verstoorders van de openbare orde, getuigen of slachtoffers op te sporen en te identificeren”6. 20. In het onderhavige geval valt het doeleinde van de plaatsing en het gebruik van beide bewakingscamera's van de verweerder precies onder de hierboven beschreven hypothesen, aangezien de verweerder in zijn conclusie aangeeft dat hij met zijn camera's “de 4 Arrest HvJ-EU van 11 december 2014, František Ryneš t. Úřad pro ochranu osobních údajů, C-212/13, ECLI:EU:C:2014:242; (hierna: het arrest Ryneš), punt 22. 5 Vergelijk de analyse in het arrest Ryneš van de vervangen rechtsnorm mutatis mutandis, punt 25. 6 Artikel 7, § 3, tweede lid, van de camerawet. Beslissing ten gronde 181/2025 — 5/22 veiligheid van zijn eigendom tegen diefstal of andere vormen van vandalisme”7 (vrije vertaling) wil waarborgen. 21. De camerawet is dan ook van toepassing op deze situatie. 22. Bijgevolg zal de juridische beoordeling die de Geschillenkamer in de volgende delen zal uitvoeren, zowel op basis van de AVG als op basis van de camerawet gebeuren, binnen de grenzen van de procedurele waarborgen waarvan de partijen genieten. II.3. Vermeende inbreuk op de artikelen 5.1.
- a)en 6.1 van de AVG II.3.1. Standpunt van de klager 23. De klager is van oordeel dat de aangeklaagde verwerking onrechtmatig is en daarmee in strijd is met artikel 5.1.
- a)en artikel 6.1 van de AVG. 24. Hij wijst erop dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor de verwerking overeenkomstig artikel 6.1.
- a)van de AVG. 25. Hij voegt hieraan toe dat geen van de andere rechtmatigheidsgronden zoals vastgelegd in de punten
- b)tot en met
- e)van artikel 6.1 van de AVG in dit geval van toepassing zijn. 26. Hij concludeert dan ook dat alleen het gerechtvaardigde belang, op grond van artikel 6.1.
- f)van de AVG, als rechtmatigheidsgrond voor de litigieuze verwerking kan dienen. 27. In dit verband geeft de klager zijn eigen analyse van de mogelijkheid om de verwerking te baseren op het gerechtvaardigde belang van de verweerder, aan de hand van de driedelige toets van het gerechtvaardigde belang, namelijk: (
- i)de doeltoets; (
- ii)de noodzakelijkheidstoets, en; (iii) de afweging van de concurrerende belangen. (
- i)Doeltoets 28. De klager is van oordeel dat, hoewel de verweerder aanvoert dat het doeleinde van de verwerking het voorkomen van mogelijke inbraken is, de verweerder niet aantoont dat zijn belang actueel, niet hypothetisch en reëel is. De klager voert namelijk aan dat het belang van de verweerder deze kenmerken niet heeft, aangezien uit de stukken van het dossier blijkt dat slechts één e-mail verwijst naar vermeende diefstallen en dat deze e-mail dateert uit het jaar 2025, vier jaar na de plaatsing van de eerste camera. (
- ii)Noodzakelijkheidstoets 29. De klager splitst zijn analyse op in twee delen, waarbij elk deel betrekking heeft op een van de twee geplaatste camera’s. 7 Aanvullende en syntheseconclusie van de verweerder, p. 11. Beslissing ten gronde 181/2025 — 6/22
- a)Camera 1 30. De klager stelt vooreerst vast dat camera 1 gedurende meer dan twee jaar dagelijks de erfdienstbaarheid van doorgang heeft gefilmd die hij gebruikt om zijn eigendom te bereiken, evenals de openbare weg – hetgeen hij op 11 april 2023 aan de politie heeft gemeld. 31. Gelet op het door de verweerder als verwerkingsverantwoordelijke nagestreefde belang, is de klager van oordeel dat de camera in de eerste plaats enkel het niet met een erfdienstbaarheid bezwaarde eigendom van de verweerder zou mogen filmen, en dat de zijdelingse erfdienstbaarheid en de openbare weg, die hoogstens bijkomstig in beeld zouden mogen komen, door middel van een privacyzone zouden moeten worden afgeschermd. 32. Volgens de klager wordt zijn analyse niet ontkracht door het feit dat op de door de verweerder gefilmde beelden reeds een privacyzone zichtbaar is en dat deze laatste zich na het bezoek van een wijkagent in regel zou hebben gesteld, aangezien (
- i)hij geen garantie heeft dat deze privacyzone systematisch op alle opgenomen beelden wordt toegepast en (
- ii)deze zone kennelijk niet de volledige zijdelingse erfdienstbaarheid en de openbare weg afdekt.
- b)Camera 2 33. De klager merkt vooreerst op dat camera 2 een deel van de zijdelingse erfdienstbaarheid en het eigendom van een derde (namelijk een andere buurman die geen partij is in de procedure) filmt, evenals “de erfdienstbaarheid van doorgang die dagelijks wordt gebruikt door de klager, zijn gezin en zijn naasten en bezoekers” (vrije vertaling). Hij stelt ook dat camera 2 “alle geluiden opneemt die afkomstig zijn van het eigendom van de klager” (vrije vertaling). Deze camera zou dus niet alleen een niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats filmen. 34. Hij voegt hieraan toe dat deze camera zich op een meter afstand van zijn slaapkamer bevindt, waardoor deze zou toelaten “de gesprekken van de klager met zijn naasten, zijn telefoongesprekken en meer in het algemeen alle andere geluiden die worden voortgebracht binnen zijn eigendom op enkele meters afstand van de camera, op te nemen [...]” (vrije vertaling). De camera zou het ook mogelijk maken om “de exacte vertrek- en terugkomsttijden van de bewoners van de woning, de eventuele afwezigheidsperiodes van [de klager] (die, ter herinnering, regelmatig op missie gaat voor het leger), en de identiteit of de kenmerken van de personen die hen bezoeken” (vrije vertaling), te achterhalen. De klager benadrukt dat hij vanwege zijn beroep regelmatig te maken heeft met gevoelige informatie die onder de nationale veiligheid valt. 35. Ten slotte wijst de klager erop dat hij een jong kind heeft, dat ook regelmatig door deze camera wordt gefilmd. Beslissing ten gronde 181/2025 — 7/22 36. De verweerder zou dus niet alleen zijn privacy schenden, maar op indirecte doch reële wijze ook zijn veiligheid in het gedrang brengen. (iii) Afweging van de concurrerende belangen 37. De klager is van oordeel dat de verwerkingen van persoonsgegevens door de verweerder ernstige en onevenredige inmengingen vormen in zijn grondrechten – het recht op privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens, zoals gewaarborgd door de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – aangezien deze verwerkingen bestaan uit het filmen van de erfdienstbaarheid en de openbare weg en het opnemen van zijn gesprekken, terwijl er andere middelen voorhanden zijn die in mindere mate afbreuk doen aan zijn rechten en vrijheden en die het mogelijk zouden maken hetzelfde door de verweerder nagestreefde doeleinde te bereiken, namelijk het filmen van zijn eigendom om veiligheidsredenen (bijvoorbeeld door de camera's zo te richten dat alleen het eigendom van de verweerder wordt gefilmd). II.3.2. Standpunt van de verweerder 38. De verweerder baseert de rechtmatigheid van zijn verwerking op artikel 6.1.
- f)van de AVG, dat wil zeggen op zijn gerechtvaardigd belang, dat hij eveneens onderbouwt aan de hand van de driedelige toets van het gerechtvaardigde belang, als volgt. (
- i)Doeltoets 39. Het door de verweerder nagestreefde doeleinde is het waarborgen van “de veiligheid van zijn eigendom tegen diefstal of andere vormen van vandalisme”8 (vrije vertaling). Dit is voor de verweerder een gerechtvaardigd doeleinde, waarbij hij zijn conclusie baseert op de beslissingen 138/2022 van 27 september 2022 en 187/2022 van 21 december 2022 van de Geschillenkamer. Hij benadrukt bovendien de afschrikkende werking van zijn camera's. 40. De verweerder vermeldt verder dat de politie na een inbraak de verweerder zou hebben gevraagd om inzage te krijgen van de beelden die door zijn camera's waren opgenomen. (
- ii)Noodzakelijkheidstoets 41. In de eerste plaats erkent de verweerder dat op het moment van de plaatsing van zijn camera's de verwerkingen van persoonsgegevens door deze camera's niet in overeenstemming waren met de ter zake geldende wetgeving. 8 Aanvullende en syntheseconclusie van de verweerder, p. 11. Beslissing ten gronde 181/2025 — 8/22 42. Hij preciseert echter dat hij zich in regel heeft gesteld na het bezoek van de politie. Hij voegt eraan toe dat de politie hem zou hebben bevestigd dat hij nu aan de regels voldoet. 43. In dit verband wijst hij erop dat hij pictogrammen heeft aangebracht die de aanwezigheid van zijn twee camera's aangeven, dat hij de geluidsopnamefunctie heeft uitgeschakeld en dat hij een systeem heeft geïnstalleerd waarmee de delen van de gefilmde beelden die geen deel uitmaken van zijn eigendom, kunnen worden afgeschermd. 44. De verweerder stelt aldus dat hij het komen en gaan van de klager niet filmt, dat hij geen geluidsopnames maakt van de gesprekken die deze met anderen voert, en dat hij enkel nog een deel van de binnenplaats van zijn woning en het gedeelte van zijn eigendom dat naar de achterkant van zijn woning leidt filmt, met uitsluiting van de zijdelingse erfdienstbaarheid en de openbare weg. (iii) Afweging van de concurrerende belangen 45. De verweerder is van oordeel dat er geen sprake is van inmenging in de rechten en vrijheden van de klager, aangezien zijn camera's alleen nog maar zijn eigen eigendom filmen. II.3.3. Beoordeling door de Geschillenkamer 46. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder twee afzonderlijke vaste en functionele bewakingscamera's heeft geplaatst. 47. Camera 1 is in de loop van 2021 geplaatst en bevindt zich aan de zijgevel van de woning van de verweerder. Deze camera filmde zowel de zijdelingse erfdienstbaarheid die erlangs loopt, het privé-eigendom van de verweerder, als een deel van de openbare weg. Bovendien neemt deze camera ook geluid op. De klager, zijn gezin en zijn naasten maken regelmatig gebruik van de erfdienstbaarheid, aangezien deze noodzakelijk is om zijn woning te bereiken. 48. Na het bezoek van de politie in april 2023 heeft de verweerder (
- i)een privacyzone 9 in zijn camera ingesteld om de openbare weg en de zijdelingse erfdienstbaarheid af te schermen, zodat alleen het gedeelte van het privé-eigendom van de verweerder dat niet door de erfdienstbaarheid wordt belast, op de gefilmde beelden verschijnt, en (
- ii)de geluidsopname uitgeschakeld. Uit de stukken van het dossier en de verklaringen van de verweerder blijkt echter dat een deel van de zijdelingse erfdienstbaarheid nog steeds wordt gefilmd, aangezien de raadsman van de verweerder tijdens de hoorzitting zelf heeft erkend dat de klager wel degelijk gefilmd zou kunnen worden wanneer hij dicht langs de muren van de straat loopt. Bovendien worden de deur van de woning met nummer (..), een woning die 9 Zones waarmee bepaalde delen van de gefilmde beelden kunnen worden verborgen. Beslissing ten gronde 181/2025 — 9/22 grenst aan die van de partijen, alsook een deel van de zone vóór die deur, niet door een privacyzone afgeschermd, waarbij de verweerder zich beroept op een toestemming die hij op 11 maart 2025 in dit verband heeft verkregen van de eigenaar van de betrokken woning. 49. Camera 2 is in juni 2023 geplaatst en filmt de achterkant van de woning van de verweerder. De camera is aan de achterkant van zijn woning geplaatst en bevindt zich in de buurt van het slaapkamerraam van de klager. Aan de achterkant van zijn woning bevinden zich vier ramen, maar geen deuren. De raadsman van de verweerder heeft tijdens de hoorzitting voor de Geschillenkamer erkend dat de klager systematisch door deze camera wordt gefilmd wanneer hij de voordeur van zijn woning gebruikt; hij heeft echter aangegeven dat dit het gevolg is van een door de klager gecreëerde situatie. Hij wijst er namelijk op dat de erfdienstbaarheid van doorgang niet geldt voor het gehele oppervlak achter de woning van de verweerder, maar alleen voor de twee meter in de buurt van de achtergevel van de woning van de verweerder. De klager heeft echter onlangs een hek geplaatst tussen de achtergevel van de woning van de verweerder en zijn eigen woning, waardoor hij een omweg moet maken, buiten de erfdienstbaarheid van doorgang komt en in het gezichtsveld van deze camera terechtkomt, die in feite alleen het eigendom van de verweerder bestrijkt dat niet met een erfdienstbaarheid is bezwaard. 50. Bijgevolg verschilt de onderhavige situatie in veel opzichten van tal van andere zaken met betrekking tot soortgelijke feiten, aangezien de klager in het onderhavige geval systematisch door de verweerder wordt gefilmd. 51. Artikel 5.1.
- a)van de AVG bepaalt dat persoonsgegevens moeten worden “verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (“rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”)”. 52. Artikel 5.1.
- c)van de AVG bepaalt het volgende: “Persoonsgegevens moeten toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking”).” 53. Artikel 6 van de AVG somt in het eerste lid zes verschillende rechtmatigheidsgronden op. Daarin wordt met name gesteld dat de verwerking rechtmatig is indien deze “noodzakelijk [is] voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is”. Dit is de rechtmatigheidsgrond waarop de verweerder zich beroept. 54. De Geschillenkamer gaat bijgevolg over tot haar eigen onderzoek van het gerechtvaardigde belang door de volgende cumulatieve voorwaarden te analyseren waarmee dit belang wordt Beslissing ten gronde 181/2025 — 10/22 gevormd: (
- i)de doeltoets; (
- ii)de noodzakelijkheidstoets, en; (iii) de afweging van de concurrerende belangen. (
- i)Doeltoets 55. Overeenkomstig overweging 47 van de AVG “is een zorgvuldige beoordeling geboden om te bepalen of sprake is van een gerechtvaardigd belang, alsook om te bepalen of een betrokkene op het tijdstip en in het kader van de verzameling van de persoonsgegevens redelijkerwijs mag verwachten dat verwerking met dat doel kan plaatsvinden”. 56. In deze zaak heeft de verweerder de twee bewakingscamera's geplaatst om “de veiligheid van zijn eigendom tegen diefstal of andere vormen van vandalisme”10 te waarborgen. 57. De EDPB heeft bovendien aangegeven dat inbraak, vandalisme en diefstal voorbeelden zijn van situaties die videobewaking kunnen rechtvaardigen, evenals de bescherming van de lichamelijke integriteit. In deze zaak staat voor de Geschillenkamer dan ook vast dat de verwerkingen van persoonsgegevens voor de door de verweerder nagestreefde doeleinden gebaseerd zijn op een gerechtvaardigd belang. 58. Ten overvloede merkt de Geschillenkamer op dat de politie, naar aanleiding van een inbraak in de wijk waar de partijen wonen, de verweerder heeft gevraagd om de beelden van zijn camera's te mogen bekijken, waaraan de verweerder in oktober 2023 gevolg heeft gegeven11. Bovendien heeft een van de eigenaren van een woning in de buurt van die van de partijen verwezen naar inbraken die plaatsvonden in het jaar 2022, alsook rond het einde van het jaar 2023 en het begin van het jaar 2024. Dit toont voldoende aan dat er een reëel veiligheidsprobleem bestaat in de wijk. Dit kan niet in twijfel worden getrokken door het feit dat, zoals de klager in zijn conclusie heeft opgemerkt, er slechts een beperkt aantal diefstallen in zijn wijk zou hebben plaatsgevonden. (
- ii)Noodzakelijkheidstoets 59. De verwerking van persoonsgegevens is noodzakelijk wanneer het gerechtvaardigde belang dat daarmee wordt nagestreefd “redelijkerwijs niet even doeltreffend kan worden bereikt met andere middelen die in mindere mate afbreuk doen aan de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkenen”12. In die zin is de voorwaarde van noodzakelijkheid zo nauw verbonden met het beginsel van minimale gegevensverwerking zoals vastgelegd in artikel 5.1.
- c)van de AVG dat ze in samenhang moeten worden onderzocht13. 10 Aanvullende en syntheseconclusie van de verweerder, p. 11. 11 Stuk 7 van het dossier met stukken van de verweerder. 12 HvJ-EU, 12 september 2024, C-17/22 en C-18/22, ECLI:EU:C:2024:738, punt 51; zie ook overweging 39 van de AVG. 13 HvJ-EU, 4 juli 2023, C-252/21, Meta t. Bundeskartellamt, ECLI:EU:C:2023:537, punt 109. Beslissing ten gronde 181/2025 — 11/22 60. Aangezien de verweerder twee afzonderlijke camera's heeft geplaatst, die weliswaar hetzelfde belang nastreven maar aanzienlijke materiële verschillen vertonen, onderzoekt de Geschillenkamer de noodzakelijkheid van de verwerkingen van persoonsgegevens voor elk van deze camera's.
- a)Camera 1 61. De verweerder verklaart dat tussen de plaatsing van camera 1 in 2021 en het bezoek van de politie in april 2023 de verwerkingen van persoonsgegevens door deze camera niet in overeenstemming waren met de AVG en de overige toepasselijke wetgeving ter zake. Uit de stukken van het dossier blijkt immers dat deze camera systematisch de zijdelingse erfdienstbaarheid filmde (die regelmatig door de klager, zijn partner, zijn jonge kind en zijn naasten wordt gebruikt om de woning van de klager te bereiken). Bovendien nam deze camera ook geluid op. De inmenging in het recht op privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens van de klager was dan ook duidelijk en was, naar eigen zeggen van de verweerder, ongerechtvaardigd – de verwerkte persoonsgegevens waren immers duidelijk buitensporig in verhouding tot het nagestreefde belang, aangezien het volstond de camera anders te richten en deze onder meer in te stellen met privacyzones om de verwerking te beperken tot wat strikt noodzakelijk was voor het bereiken van het nagestreefde belang. 62. Zoals echter in de punten 42 en 44 van deze beslissing is opgemerkt, heeft de verweerder zijn camera ingesteld met een privacyzone. Derhalve moet worden onderzocht of de verwerkingen van persoonsgegevens door camera 1 noodzakelijk zijn voor het nagestreefde belang sinds de wijzigingen die zijn aangebracht na het bezoek van de politie in april 2023. 63. In dit verband merkt de Geschillenkamer op dat de erfdienstbaarheid niet volledig door een privacyzone wordt afgeschermd en dat de klager op deze manier nog steeds door camera 1 kan worden gefilmd wanneer hij zich in de buurt van de muren bevindt. 64. Bovendien valt de voordeur van de naburige woning met nummer (..) niet onder de privacyzone en is deze dus ook zichtbaar op de beelden die door de camera's worden opgenomen. De Geschillenkamer merkt in dit verband op dat de toestemming van een derde wiens persoonsgegevens in dit kader niet worden verwerkt, geen geldige toestemming is. Aangezien de toestemming is verkregen van de eigenaar van de woning en niet van de bewoner die door de bewakingscamera wordt gefilmd, is de toestemming niet verkregen van de betrokkene. 65. De Geschillenkamer herinnert er nogmaals aan dat de camera vast is en continu beelden filmt van een erfdienstbaarheid die de klager moet gebruiken om zijn woning te bereiken en te verlaten. Het is dan ook onvermijdelijk dat de klager regelmatig op de door camera 1 gefilmde beelden verschijnt en dat zijn persoonsgegevens dus vaak worden verwerkt. De Beslissing ten gronde 181/2025 — 12/22 inmenging in het recht op privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens van de klager is dan ook duidelijk. 66. De verweerder rechtvaardigt de noodzaak van een dergelijke verwerking niet. Hij licht immers niet toe waarom het voor het nagestreefde belang noodzakelijk is om de erfdienstbaarheid systematisch te filmen, noch waarom hij de erfdienstbaarheid in de door camera 1 opgenomen beelden niet volledig had kunnen afschermen om het door zijn gerechtvaardigd belang nagestreefde doeleinde te bereiken. 67. Bijgevolg concludeert de Geschillenkamer dat de verwerkingen van persoonsgegevens door de verweerder met behulp van camera 1, ongeacht of deze plaatsvonden vóór of na de aanpassingen die werden doorgevoerd na het bezoek van de politie in april 2023, voor zover deze nog steeds de erfdienstbaarheid van doorgang en een deel van een naburige woning van een derde bij de procedure filmen, niet noodzakelijk waren en zijn voor het nagestreefde belang, aangezien de verweerder niet heeft kunnen aantonen waarom het noodzakelijk was om de litigieuze zones te filmen om inbraken en vandalisme te voorkomen. Bijgevolg waren en zijn de verwerkingen van persoonsgegevens door het gebruik van camera 1 onrechtmatig, in strijd met de artikelen 5.1.a), 5.1.
- c)en 6.1 van de AVG. Aangezien de voorwaarden voor de driedelige toets van het gerechtvaardigde belang cumulatief zijn 14, is het niet nodig om verder te gaan met het onderzoek met betrekking tot de verwerkingen van persoonsgegevens door camera 1, aangezien niet kon worden aangetoond dat de verwerking “noodzakelijk” is.
- b)Camera 2 68. Camera 2 filmt de achterkant van de woning van de verweerder, waar zich vier ramen bevinden die bijvoorbeeld door inbrekers kunnen worden gebruikt als toegangspunten. 69. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder camera 2 zodanig heeft gericht dat deze geen beelden vastlegt van de erfdienstbaarheid aan de achterkant van de woning van de verweerder, die zich uitstrekt over twee meter vanaf de achtergevel van de woning van de verweerder en die de klager in staat stelt de voordeur van zijn woning te gebruiken. Bovendien registreert camera 2 geen andere beelden dan die van het privéterrein van de verweerder. De Geschillenkamer merkt verder op dat de klager een hek heeft geplaatst tussen zijn woning en die van de verweerder, dat zo lang is dat hij, vanwege de noodzakelijke omweg, het met de erfdienstbaarheid bezwaarde deel van het terrein moet verlaten en daarmee in het gezichtsveld van camera 2 komt. 14 HvJ-EU, 4 oktober 2024, C-621/22, Koninklijke Nederlandse Lawn Tennisbond t. Autoriteit Persoonsgegevens, ECLI:EU:C:2024:858, punt 37. Beslissing ten gronde 181/2025 — 13/22 70. Camera 2 maakt geen geluidsopnames. 71. De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat de verweerder, door camera 2 in te stellen zoals hierboven beschreven, niet meer gegevens verwerkt dan nodig is voor het bereiken van het nagestreefde belang. 72. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat zij niet bevoegd is om kwesties met betrekking tot de erfdienstbaarheid van doorgang te behandelen, aangezien dit onder de bevoegdheid van de vrederechter valt15. De Geschillenkamer merkt echter op dat de klager en de verweerder, parallel aan deze procedure, partij zijn in een procedure bij een vrederechter met betrekking tot de erfdienstbaarheid van doorgang die de klager gebruikt. Derhalve moet de verweerder erop worden gewezen dat, indien de vrederechter de erfdienstbaarheid van doorgang zou uitbreiden, hij het gezichtsveld van zijn camera's dienovereenkomstig zou moeten aanpassen, zodat deze niet meer van de erfdienstbaarheid filmen dan nodig is voor zijn gerechtvaardigd belang. (iii) Afweging van de concurrerende belangen 73. Aangezien uit punt 61 en volgende van deze beslissing blijkt dat de verwerkingen van persoonsgegevens door camera 1 niet noodzakelijk zijn voor het nagestreefde belang, is het niet nodig om de concurrerende belangen in dit verband af te wegen. 74. De volgende afweging van de concurrerende belangen heeft dan ook alleen betrekking op de verwerkingen van persoonsgegevens door camera 2. 75. In de eerste plaats merkt de Geschillenkamer op, zoals zij reeds heeft gedaan, dat camera 2 de achterkant van de woning van de verweerder filmt, waarlangs de klager systematisch passeert om zijn eigen woning te bereiken of te verlaten. De verweerder heeft tijdens de hoorzitting erkend dat de klager systematisch op de beelden van deze camera verschijnt wanneer hij zijn woning probeert te bereiken of te verlaten. De inmenging in het recht op privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens van de klager is dan ook duidelijk, aangezien hij systematisch wordt gefilmd wanneer hij de voordeur van zijn woning gebruikt. Deze systematische videobewaking vormt een dagelijkse bron van stress voor de klager, zoals hij ontegensprekelijk aangeeft. De Geschillenkamer houdt ook rekening met het feit dat de klager een jong kind heeft en dat hij zijn woning regelmatig verlaat of betreedt in het gezelschap van zijn partner of naasten. 15 Artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Beslissing ten gronde 181/2025 — 14/22 76. De Geschillenkamer herinnert er echter aan dat de verweerder camera 2 zo heeft gericht dat alleen beelden van zijn privéterrein worden gefilmd, en niet van de erfdienstbaarheid van doorgang, en dat als de klager systematisch door camera 2 wordt gefilmd telkens wanneer hij zijn woning betreedt of verlaat, dit komt doordat hij een hek heeft geplaatst waardoor hij een omweg moet maken en in het gezichtsveld van camera 2 terechtkomt. De situatie die de klager aan de kaak stelt, is dus door hemzelf veroorzaakt. 77. Bijgevolg is de Geschillenkamer van oordeel dat het door de verweerder nagestreefde belang, namelijk de bescherming van zijn woning tegen diefstal of andere vormen van vandalisme, niet dient te wijken voor het recht op privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens van de klager, aangezien de door hem aangeklaagde verwerking slechts onvermijdelijk is geworden door een situatie die hij zelf heeft gecreëerd door zich ertoe te verplichten het strikt private gedeelte van het terrein van de verweerder te betreden. 78. Derhalve is de Geschillenkamer van oordeel dat de verwerkingen van persoonsgegevens door camera 2 van de verweerder op een rechtmatigheidsgrond berusten, namelijk het gerechtvaardigde belang, overeenkomstig de artikelen 5.1.
- a)en 6.1.
- f)van de AVG. II.4. Vermeende inbreuk op de artikelen 5.1.a), 12 en 13 van de AVG en artikel 7, § 2, zesde lid, van de camerawet II.4.1. Standpunt van de klager 79. De klager merkt op dat de verweerder pas een pictogram heeft aangebracht dat camerabewaking aangeeft nadat hij een klacht had ingediend bij de politie en deze in september 2024 had ingegrepen. 80. Hij voegt hieraan toe dat de verweerder gedurende drie jaar persoonsgegevens heeft verwerkt zonder de betrokkenen hiervan op de hoogte te stellen. 81. Bovendien beweert de klager dat hij in 2022 tweemaal zijn recht van inzage bij de verweerder heeft uitgeoefend, zonder dat deze daarop heeft gereageerd. II.4.2. Standpunt van de verweerder 82. De verweerder betwist dat de klager ooit een verzoek tot inzage bij hem heeft ingediend. 83. Hij voegt hieraan toe dat hij de klager herhaaldelijk op de hoogte heeft gesteld van de aanwezigheid van zijn bewakingscamera's, waarover de klager zich nooit zou hebben beklaagd. Bovendien beweert de verweerder dat de klager hem zou hebben gevraagd om in de beelden van zijn camera's te zoeken naar elementen die verband houden met een ongepast incident dat zich voor zijn hek zou hebben voorgedaan. Beslissing ten gronde 181/2025 — 15/22 84. De verweerder is dan ook van oordeel dat de klager op de hoogte was van de aanwezigheid van de bewakingscamera's en dat deze camera's persoonsgegevens van de klager konden verwerken door hem te filmen. 85. In ieder geval wijst de verweerder erop dat hij, na het bezoek van de politie, een pictogram heeft aangebracht dat wijst op de videobewaking door zijn bewakingscamera's. II.4.3. Beoordeling door de Geschillenkamer 86. Artikel 5.1.
- a)van de AVG bepaalt dat persoonsgegevens moeten worden “verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (“rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”)”. 87. Artikel 12.1 van de AVG bepaalt het volgende: “De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is.” 88. Artikel 13 van de AVG bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke op het moment van de verzameling van de gegevens alle volgende informatie aan de betrokkene moet verstrekken: “
- a)de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke;
- b)in voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;
- c)de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd, alsook de rechtsgrond voor de verwerking;
- d)de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, indien de verwerking op artikel 6, lid 1, punt f), is gebaseerd;
- e)in voorkomend geval, de ontvangers of categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens;
- f)in voorkomend geval, dat de verwerkingsverantwoordelijke het voornemen heeft de persoonsgegevens door te geven aan een derde land of een internationale organisatie; of er Beslissing ten gronde 181/2025 — 16/22 al dan niet een adequaatheidsbesluit van de Commissie bestaat; of, in het geval van in artikel 46, artikel 47 of artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, welke de passende of geschikte waarborgen zijn, hoe er een kopie van kan worden verkregen of waar ze kunnen worden geraadpleegd.” 89. In Belgisch recht bepaalt artikel 7, § 2, zesde lid, van de camerawet het volgende: “De verwerkingsverantwoordelijke plaatst bij de toegang tot de niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats een pictogram dat aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt. [...] Dit pictogram wordt niet aangebracht voor de bewakingscamera of camera's die door een natuurlijke persoon worden aangewend voor persoonlijk of huiselijk gebruik, binnen een privéwoning.” De praktische modaliteiten met betrekking tot pictogrammen die aangeven dat er camerabewaking plaatsvindt, worden bepaald door het koninklijk besluit van 10 februari 2008 tot vaststelling van de wijze waarop wordt aangegeven dat er camerabewaking plaatsvindt 16. 90. In het onderhavige geval geeft de verweerder toe dat hij, voordat de politie hem hiervan op de hoogte bracht, niet op de hoogte was van de vereiste met betrekking tot de wijze waarop wordt aangegeven dat er camerabewaking plaatsvindt. Iedereen wordt echter geacht de wet te kennen. 91. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de verweerder de artikelen 5.1.a), 12 en 13 van de AVG en artikel 7, § 2, vijfde lid, van de camerawet heeft geschonden, aangezien hij vóór september 2024 geen pictogram had aangebracht om de aanwezigheid van zijn bewakingscamera's aan te geven. 92. Aangezien dit pictogram echter is aangebracht en de klager dit erkent, moet met dit element rekening worden gehouden bij het vaststellen van de op te leggen voorlopige en corrigerende maatregelen (zie punt 106). 93. Overigens zal de Geschillenkamer, met inachtneming van het beginsel van de rechten van de verdediging, het argument met betrekking tot het verzoek tot inzage niet onderzoeken. Bij gebrek aan door de klager voorgelegde bewijzen waaruit blijkt dat hij zijn recht van inzage daadwerkelijk bij de verweerder heeft uitgeoefend, werd deze vermeende schending niet opgenomen in de lijst van grieven waarover de partijen werden uitgenodigd standpunten uit te wisselen. 16 Beschikbaar via: https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi loi/article.pl?language=nl&lg txt=n&type=&sort=&numac search=&cn search=20080 21041&caller=SUM&&view numac=2008021041fx. Beslissing ten gronde 181/2025 — 17/22 II.5. Vermeende inbreuk op artikel 30 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 7, § 2, vijfde lid, van de camerawet II.5.1. Standpunt van de klager 94. De klager verwijt de verweerder dat hij niet beschikt over een register van de verwerkingsactiviteiten, zoals vereist door artikel 30 van de AVG. II.5.2. Standpunt van de verweerder 95. De verweerder erkent in zijn conclusie dat hij niet over een register van de verwerkingsactiviteiten beschikte, aangezien hij vóór deze procedure niet op de hoogte was van deze verplichting. 96. Hij beweert nu een register van de verwerkingsactiviteiten bij te houden en levert hiervoor bewijs. II.5.3. Beoordeling door de Geschillenkamer 97. Artikel 30, lid 1, van de AVG bepaalt het volgende “Elke verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke houdt een register van de verwerkingsactiviteiten die onder hun verantwoordelijkheid plaatsvinden. Dat register bevat alle volgende gegevens:
- a)de naam en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en eventuele gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke en van de functionaris voor gegevensbescherming;
- b)de verwerkingsdoeleinden;
- c)een beschrijving van de categorieën van betrokkenen en van de categorieën van persoonsgegevens;
- d)de categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, onder meer ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
- e)indien van toepassing, doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie, met inbegrip van de vermelding van dat derde land of die internationale organisatie en, in geval van de in artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, de documenten inzake de passende waarborgen;
- f)indien mogelijk, de beoogde termijnen waarbinnen de verschillende categorieën van gegevens moeten worden gewist; Beslissing ten gronde 181/2025 — 18/22
- g)indien mogelijk, een algemene beschrijving van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 32, lid 1.” 98. In Belgisch recht bepaalt artikel 7, § 2, vijfde lid, van de camerawet het volgende: “De verwerkingsverantwoordelijke houdt een register bij met de beeldverwerkingsactiviteiten van bewakingscamera's uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid, tenzij het gaat om een natuurlijke persoon die een bewakingscamera plaatst en gebruikt voor persoonlijk of huiselijk gebruik, binnen een privéwoning. Dit register bestaat in schriftelijke, al dan niet elektronische vorm. Op verzoek stelt de verwerkingsverantwoordelijke dit register ter beschikking van de Gegevensbeschermingsautoriteit en van de politiediensten. De Koning bepaalt de inhoud van dit register, de modaliteiten en de bewaartermijn ervan, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.” De praktische modaliteiten met betrekking tot dit register worden bepaald door het koninklijk besluit van 8 mei 2018 betreffende de aangiften van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's en betreffende het register van de beeldverwerkingsactiviteiten van bewakingscamera's17. 99. In het onderhavige geval erkent de verweerder dat hij vóór de onderhavige procedure niet over een register van de verwerkingsactiviteiten beschikte, aangezien hij niet op de hoogte was van deze vereiste. Iedereen wordt echter geacht de wet te kennen. 100. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de verweerder artikel 30 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 7, § 2, vijfde lid, van de camerawet, heeft geschonden, aangezien hij niet beschikte over een register van de verwerkingsactiviteiten. 101. De verweerder heeft echter tijdens de procedure een register van de verwerkingsactiviteiten opgesteld en dit op 10 juni 2025, als bijlage bij zijn aanvullende en syntheseconclusie, aan de klager en aan de Geschillenkamer meegedeeld. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij het vaststellen van de op te leggen voorlopige en corrigerende maatregelen (zie punt 106). III. Voorlopige en corrigerende maatregelen 102. Overeenkomstig artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° de opschorting van de uitspraak te bevelen; 17 Beschikbaar via: https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi loi/article.pl?language=nl&lg txt=n&type=&sort=&numac search=&cn search=201805 0818&caller=SUM&&view numac=2018050818f. Beslissing ten gronde 181/2025 — 19/22 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 103. Samengevat heeft de verweerder de volgende bepalingen geschonden: a. de artikelen 5.1.
- a)en 6.1 van de AVG (inbreuk 1); b. de artikelen 5.1.a), 12 en 13 van de AVG en artikel 7, § 2, zesde lid, van de camerawet (inbreuk 2), en; c. artikel 30 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 7, § 2, vijfde lid, van de camerawet (inbreuk 3). 104. Wat inbreuk 1 betreft, beveelt de Geschillenkamer de verweerder om camera 1 zodanig in te stellen dat de verwerkingen van persoonsgegevens worden beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor het bereiken van het nagestreefde belang. Dit houdt concreet in dat de privacyzone moet worden uitgebreid, zodat de delen van de gefilmde beelden die betrekking hebben op de erfdienstbaarheid van doorgang en op de voorkant van de deur van de naburige woning met nummer (..) volledig worden afgeschermd (zie punt 64 van deze beslissing). Beslissing ten gronde 181/2025 — 20/22 105. De verweerder beschikt over een termijn van één maand18 om hieraan te voldoen. 106. Wat de inbreuken 2 en 3 betreft, geeft de Geschillenkamer de verweerder een berisping voor de langdurige inbreuk op de bovengenoemde bepalingen tussen het jaar 2021 en de maand september 2024 wat betreft inbreuk 2, en tussen het jaar 2021 en de maand juni 2025 wat betreft inbreuk 3. Aangezien (
- i)de verweerder reeds aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan, (
- ii)het aantal verwerkte persoonsgegevens vrij beperkt is, (iii) het aantal betrokkenen op wie de verwerking betrekking heeft eveneens zeer beperkt is en (
- iv)de persoonsgegevens niet bijzonder gevoelig waren, is het niet nodig een zwaardere sanctie op te leggen. 107. Voor het overige moet, wat de verwerkingen van persoonsgegevens door camera 2 betreft, de buitenvervolgingstelling worden bevolen, aangezien deze verwerkingen op een adequate rechtmatigheidsgrond berusten, namelijk het gerechtvaardigde belang (zie de punten 46 tot en met 78). IV. Publicatie van de beslissing 108. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze Gegevensbeschermingsautoriteit. beslissing Het is gepubliceerd evenwel niet op de nodig website dat van de daartoe de identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt. 18 Artikel 127 van het RIO: “Voor wat betreft de berekening van de termijnen zijn artikelen 52, 53 en 54 van het Gerechtelijk Wetboek, van overeenkomstige toepassing.” Beslissing ten gronde 181/2025 — 22/22 overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.20, of via het e-Deposit informatiesysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.). (get.) Hielke HIJMANS Directeur van de Geschillenkamer 20 Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.