1/33 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 200/2025 van 28 november 2025 Dossiernummers : DOS-2021-01940 en DOS-2021-04314 Betreft : Klacht over verzoek tot inzage en de grondslag voor de verwerking bij een sollicitatieprocedure De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, hierna “de klager” De verweerders : Y1, vertegenwoordigd door Meesters Frederic Debusseré en Ruben Roex, hierna “de eerste verweerder” Y2, vertegenwoordigd door Meesters Yves Vandendriessche en Bram Baert, hierna “de tweede verweerder” Beslissing ten gronde 200/2025 - 2/33 I. Feiten en procedure 1. De klager was van 1 juni 2005 tot en met 14 november 2016 tewerkgesteld bij de eerste verweerder, Y1 (hierna ‘Y1’). Bij zijn ontslag sloten de klager en Y1 een dadingsovereenkomst die onder meer bepaalde dat Y1, haar management en haar aangestelden zich zouden onthouden van publieke negatieve commentaren over de klager, onder meer ten aanzien van toekomstige werkgevers. 2. Op 6 juli 2020 ontvangt Y1 een aangetekende brief waarin de klager beweert dat Y1 de dadingsovereenkomst zou hebben geschonden. De klager verwijst daarbij naar een e-mail van 2 juli 2020 die hij had ontvangen van de tweede verweerder, de vzw Y2 (hierna ‘Y2’), bij wie hij solliciteerde op 26 juni 2020. In voormelde e-mail deelt een personeelslid van Y2 de klager mee dat hij niet weerhouden wordt als kandidaat in de selectieprocedure. Daarbij wordt onder meer verwezen naar een contactopname met een manager van Y1: “Na ons gesprek van vorige week heb ik uw referenties nagegaan bij […] Y1. […]. De manager van Y1 gaf aan dat er twijfel was en u ook geen ervaring heeft met leiding geven. Op basis van deze info hebben wij beslist u niet te weerhouden voor de verdere selectieprocedure.”. De klager is derhalve van oordeel dat Y2 hem niet heeft aangeworven op basis van de door Y1 verstrekte informatie. 3. Op 8 juli 2020 ontvangt Y1 een e-mail van de klager waarin hij stelt dat de doorgifte van zijn persoonsgegevens aan Y2 in het kader van de referentiecheck een verwerking van persoonsgegevens uitmaakt waarvoor Y1 als verwerkingsverantwoordelijke moet worden beschouwd. De klager verzoekt Y1 tevens om informatie te verschaffen omtrent de verwerking van zijn persoonsgegevens en om een kopie te ontvangen van alle hem betreffende persoonsgegevens waarover zij beschikt, daarbij respectievelijk verwijzend naar artikelen 15.1 en 15.3 AVG. Tot slot vraagt de klager uitdrukkelijk naar de rechtsgrond zoals bedoeld in artikel 6.1 AVG waarop Y1 zich beroept voor de verwerking van zijn persoonsgegevens. 4. Op 9 juli 2020 laat Y1 per e-mail en telefonisch aan de klager weten dat een bijzondere gevolmachtigde werd aangesteld om met hem in overleg te treden. 5. Op 13 juli 2020 vindt, op vraag van de klager, buiten de kantoren van Y1 een gesprek plaats tussen de gevolmachtigde en de klager, waarbij wordt overeengekomen dat er een nieuw voorstel van dading door Y1 zal worden opgemaakt. Op 29 juli 2020 bezorgt Y1 een ontwerp van aangepaste dadingsovereenkomst aan de klager. Bij e-mail van 3 augustus 2020 bevestigt de klager het ontwerp te hebben doorgenomen en hierover overleg te willen plegen. Daaropvolgend trachten de klager en Y1 een datum vast te leggen. 6. In afwachting van een akkoord omtrent de datum voor het geplande overleg, geeft Y1 op 7 augustus 2020 gevolg aan het inzageverzoek van de klager. Y1 verstrekt daarbij evenwel Beslissing ten gronde 200/2025 - 3/33 slechts algemene informatie met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens binnen de onderneming. Y1 voegt geen kopie van de persoonsgegevens toe zoals bedoeld in artikel 15.3 AVG, maar verzoekt de klager om zijn inzageverzoek nader toe te lichten teneinde beter te kunnen beoordelen op welke persoonsgegevens en op welke verwerkingsactiviteiten het verzoek betrekking heeft. Daarnaast stelt Y1 nieuwe tijdstippen voor ten behoeve van verder overleg over het ontwerp van de dadingsovereenkomst. 7. Y1 voert aan dat er op 26 augustus 2020 een nieuw overlegmoment heeft plaatsgevonden, tijdens welk de klager te kennen gaf niet akkoord te gaan met het dadingvoorstel, reden waarom hij een eigen voorstel aan Y1 zou bezorgen. Deze bewering wordt niet betwist door de klager. 8. Op 8 september 2020 stelt de klager Y1 formeel in gebreke wegens het niet-naleven van haar verplichtingen uit hoofde van de artikelen 6.1, 15.1 en 15.3 AVG, alsmede wegens de overschrijding van de in artikel 12, lid 3 en lid 4 AVG vastgestelde termijnen voor het beantwoorden van zijn inzageverzoek en verzoek tot kopie van zijn persoonsgegevens. De klager voert nogmaals aan dat Y1 op 2 juli 2020, evenals tussen 8 juli en 29 juli 2020, zijn persoonsgegevens heeft gedeeld met derden, waardoor hij schade heeft geleden. De klager verduidelijkt dat hij een adequaat antwoord verwacht op de door hem gestelde vragen in zijn initiële verzoek van 8 juli 2020, en verzoekt tevens een volledige kopie van alle hem betreffende persoonsgegevens die in het bezit zijn van Y1, met inbegrip van alle rapporteringen en aanwervingsdocumenten die zij verkregen heeft ten tijde van zijn aanwerving, zoals onder andere zijn CV en de beoordeling van het rekruteringsbureau. 9. Op 28 september 2020 antwoordt Y1 bij brief van haar raadslieden op de ingebrekestelling, waarin zij de beweerde niet-naleving van voormelde AVG-artikelen in zijn geheel ontkent. Zij herhaalt dat zij het recht heeft de klager te vragen zijn inzageverzoek nader te specifiëren, opdat zij er een passend gevolg aan kan geven. 10. Op 22 oktober 2020 herhaalt de klager bij brief van zijn raadsman zijn aantijgingen jegens Y1 omtrent het laattijdige en onvoldoende antwoord op zijn inzageverzoek van 8 juli 2020. Hij wijst Y1 erop dat hij zijn inzageverzoek niet hoeft te specifiëren, en drukt opnieuw zijn wens uit om een kopie te krijgen van alle gegevens die in het bezit zijn van Y1. 11. Op 3 november 2020 herhaalt Y1 bij brief van haar raadslieden nogmaals haar standpunten. Op 26 januari 2021 herhaalt de klager bij brief van zijn raadsman alsnog zijn aantijgingen en verzoeken. 12. Bij gebrek aan nadere toelichting bij het inzageverzoek bezorgt Y1 de klager op 18 februari 2021 de persoonsgegevens “waarvan [zij] redelijkerwijze kon vermoeden dat ze betrekking hebben op zijn verzoek”. Y1 gaat ervan uit dat zij met het verschaffen van deze informatie Beslissing ten gronde 200/2025 - 4/33 volledig heeft voldaan aan de verplichtingen uit hoofde van artikel 15.3 AVG. Aan de overige verplichtingen uit artikel 15 AVG werd volgens Y1 reeds voldaan. 13. Gezien de klager zich niet kan verzoenen met de door Y1 verstrekte informatie en kopie en meent dat deze onvolledig zijn, dient hij op 24 maart 2021 via diens toenmalige raadsheer een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen Y1 (eerste verweerder). De klager is van oordeel dat Y1 niet over een geldige grondslag beschikt om zijn persoonsgegevens te verwerken, zowel tijdens als na afloop van de arbeidsovereenkomst, in overtreding van artikel 6.1 AVG, alsook dat Y1 zijn recht van inzage (art. 15 AVG) heeft geschonden door hem onvolledige informatie te bezorgen na het verstrijken van de termijn voorzien in artikel 12.3 AVG. Verder stelt de klager dat Y1 zijn rechten op rectificatie (art. 16 AVG), op verwijdering van zijn persoonsgegevens (art. 17 AVG), op beperking (art. 18 AVG) en op bezwaar (art. 21 AVG) heeft geschonden. Tot slot beweert de klager dat Y1 niet heeft voldaan aan de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie (art. 5.1.
- a)AVG juncto art. 12.1 AVG en 13 AVG), doelbinding (art. 5.1.
- b)AVG), minimale gegevensverwerking (art. 5.1.
- c)AVG) en juistheid (art. 5.1.
- d)AVG) ten aanzien van zijn persoonsgegevens. 14. Op 13 april 2021 wordt de klacht tegen Y1 door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 15. Op 21 april 2021 ontvangt de Eerstelijnsdienst een schrijven van de raadsheren van Y1 waarin zij de aantijgingen in de klacht weerleggen en haar verzoeken om alsnog tussen de partijen te bemiddelen. Tevens benadrukken de raadsheren van Y1 hun vermoeden “dat de uitoefening van zijn rechten onder AVG enkel een manier is voor de heer om zijn onderhandelingspositie voor het sluiten van een nieuwe dading te verbeteren en om een schadevergoeding te bekomen naar aanleiding van een (beweerde) schending van voormelde dading”. 16. Op 18 mei 2021 dient de klager via diens toenmalige raadsheer per aangetekende zending tevens een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen Y2 (tweede verweerder). Het voorwerp van de klacht betreft het nalaten tijdig gevolg te geven aan een verzoek tot inzage (art. 12 juncto 15 AVG), alsmede het ontbreken van een geldige grondslag (art. 6 AVG) voor de verzameling van persoonsgegevens van de klager bij Y1 in het kader van een sollicitatieprocedure en de daaropvolgende verwerking van deze persoonsgegevens. Beslissing ten gronde 200/2025 - 5/33 Tevens is de klager van oordeel dat Y2 zijn rechten op rectificatie (art. 16 AVG), op verwijdering van zijn persoonsgegevens (art. 17 AVG), op beperking (art. 18 AVG) en op bezwaar (art. 21 AVG) heeft geschonden. Tenslotte stelt de klager dat Y2 artikel 14 AVG heeft geschonden door hem onvoldoende informatie te verstrekken over de bron van de hem betreffende persoonsgegevens, als onderdeel van het antwoord op zijn inzageverzoek (ex artikel 15.1.
- g)AVG). De klager is immers van mening dat Y2 ertoe verplicht is de naam en familienaam mee te delen van de persoon binnen Y1 die zijn persoonsgegevens met haar zou hebben gedeeld. 17. Op 4 juni 2021 wordt de klacht tegen Y2 door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 18. Ingevolge de twee voornoemde klachten die handelen over dezelfde feiten, werden derhalve twee dossiers aanhangig gemaakt bij de Geschillenkamer : DOS-2021-01940 en DOS-2021-04314. Op 2 augustus 2021 besluit de Geschillenkamer op basis van de voorgelegde stukken tot voeging van beide klachten, gelet op hun onderlinge verband. Deze beslissing doet uitspraak over beide klachten. Op 2 augustus 2021 beslist de Geschillenkamer eveneens op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 19. Op 2 augustus 2021 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 van de WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders werd daarbij vastgelegd op 27 september 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 18 oktober 2021 en deze voor de conclusie van dupliek van de verweerders op 8 november 2021. 20. Op 3 augustus 2021 bevestigen de partijen hun goede ontvangst van de voormelde aangetekende zending, alsmede hun akkoord voor verdere uitwisselingen omtrent de zaak langs elektronische weg. 21. Op 27 september 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusies van antwoord vanwege Y1 respectievelijk Y2. 22. Op 18 oktober 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. 23. Op 8 november 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusies van dupliek van Y1 respectievelijk Y2. 24. De Geschillenkamer is zich ervan bewust dat tussen de neerlegging van de laatste conclusie en de uitspraak in deze zaak een aanzienlijke periode is verstreken. Zij wenst zich Beslissing ten gronde 200/2025 - 6/33 hiervoor uitdrukkelijk te verontschuldigen bij de partijen. Ondanks dit tijdsverloop acht de Geschillenkamer het aangewezen om in deze zaak alsnog een gemotiveerde beslissing te nemen die geanonimiseerd gepubliceerd zal worden op haar website. Dit gebeurt niet enkel met het oog op een zorgvuldige behandeling van voorliggende klacht, maar ook met de bedoeling om bij te dragen aan een correct en uniform begrip van de geldende verplichtingen voor de betrokken actoren. Onderhavig geschil biedt immers een geschikte gelegenheid om de toepasselijke regels inzake de verwerking van persoonsgegevens in het kader van referentiechecks bij sollicitaties nader toe te lichten.. II. Motivering II.1. Omvang van het geschil 25. Ter inleiding stelt de Geschillenkamer vast dat deze zaak kadert binnen een ruimer geschil tussen de klager en Y1 (de eerste verweerder) omtrent de schending van een onderling afgesloten dadingsovereenkomst ten gevolge van het ontslag van de klager in november 2016. De bevoegdheid van de Geschillenkamer in de voorliggende zaak beperkt zich uiteraard tot vragen omtrent gegevensbescherming. De Geschillenkamer zal zich uitspreken omtrent de vermeend onrechtmatige verwerking van referenties betreffende de klager door beide verweerders (Sectie II.2.), alsook over de vermeende schending van zijn recht op inzage naar aanleiding van de verzoeken die de klager bij elk van beide verweerders indiende (Sectie II.3.). Voorts volgt een beoordeling van de Geschillenkamer omtrent de mogelijke schending van de andere rechten uit hoofde van de AVG door beide verweerders (Sectie II.4.), alsook van de vermeende schending van de basisbeginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens door Y1 (Sectie II.5.). II.2. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van een sollicitatieprocedure II.2.1. Het begrip “persoonsgegeven” — Art. 4.1) AVG 26. Allereerst dient de Geschillenkamer na te gaan in welke mate de verweerders persoonsgegevens aangaande de klager verwerkt hebben. 27. Artikel 4.1) AVG definieert het begrip “persoonsgegevens” als zijnde “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”. Deze definitie omvat dus vier constitutieve en cumulatieve elementen: Beslissing ten gronde 200/2025 - 7/33 a. “alle informatie” 28. De Geschillenkamer wijst erop dat het begrip “persoonsgegevens”, zoals uitgelegd in artikel 4.1) AVG juncto overweging 26 AVG, het Advies 4/2007 van de Groep Gegevensbescherming, alsook de rechtspraak van het Hof van Justitie, ruim dient te worden geïnterpreteerd en dat dit zowel objectieve als subjectieve informatie omvat, ongeacht of deze informatie al dan niet correct dan wel bewezen is.1 Het begrip “alle informatie” gehanteerd in artikel 4.1) AVG dient bijgevolg letterlijk te worden geïnterpreteerd, ongeacht de aard, de inhoud of vorm van de betrokken informatie. Overweging 26 AVG benadrukt overigens deze extensieve uitlegging van het begrip “persoonsgegevens”, door te stellen dat “de beginselen van gegevensbescherming voor elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare persoon [moeten] gelden”.2 29. Dit werd eveneens bevestigd door de Groep Gegevensbescherming in zijn Advies 4/2007 over het begrip persoonsgegeven, waarin deze hieromtrent het volgende stelt: “Wat de aard van de informatie betreft, omvat ‘persoonsgegeven’ alle soorten uitspraken over een persoon. Ook ‘subjectieve’ informatie, meningen en oordelen vallen eronder. […] Om als ‘persoonsgegeven’ te worden aangemerkt, is het niet nodig dat de informatie waar is of bewezen.”3 30. Voorgaande werd inmiddels meermaals benadrukt door het Hof van Justitie van de Europese Unie. In zijn arrest “Nowak” van 20 december 2017 stelt het Hof in dit verband meer bepaald: “Het gebruik van de woorden “iedere informatie’ in de definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ […] wijst er immers op dat het de bedoeling van de Uniewetgever was om een ruime betekenis te geven aan dit begrip, dat niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt tot elk soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie onder de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene ‘betreft’ ”.4 31. Meer specifiek oordeelde het Hof van Justitie in het arrest Nowak dat de evaluatie en opmerkingen van een examinator met betrekking tot een door de betrokkene afgelegd examen als persoonsgegevens in de zin van huidig artikel 4.1) AVG dienen te worden beschouwd. Het Hof wees er tevens op dat het niet-kwalificeren van deze gegevens als zijnde persoonsgegevens, deze informatie volledig zou onttrekken aan de bescherming van de beginselen en waarborgen inzake persoonsgegevens en meer bepaald aan de 1 A. FOCQUET (ED.), JULIE MANNEKENS EN SOFIE DEPREZ, Handboek Gegevensbescherming in de diepte en in de praktijk, LeA Uitgevers 2024, Leuven, p. 15 ; C. DOCKSEY en H. HIJMANS, “The Court of Justice as a Key Player in Privacy and Data Protection: An Overview of Recent Trends” in Case Law at the Start of a New Era of Data Protection Law, EDPL Review 2019, p. 302-304. 2 Onderlijning door de Geschillenkamer. 3 Groep Gegevensbescherming Artikel 29, Advies 4/2007, 20 juni 2007, p. 6 (onderlijning door de Geschillenkamer). 4 HvJEU, 20 december 2017, C-434/16, Nowak t. Data Protection Commissioner, ECLI:EU:C:2017:994, randnr. 34. Beslissing ten gronde 200/2025 - 8/33 rechten van toegang, rectificatie en verzet evenals het toezicht van de toezichthoudende autoriteiten.5 32. De Groep Gegevensbescherming en het Hof van Justitie verduidelijkten verder dat deze informatie zowel betrekking kan hebben op het persoonlijke leven van de betrokkene als diens professionele6 of publieke activiteiten: “ ‘Persoonsgegevens’ omvatten informatie die betrekking heeft op iemands privéleven of familie- en gezinsleven in strikte zin, maar ook informatie over allerlei activiteiten die iemand onderneemt, bijvoorbeeld over iemands beroepsrelaties of economisch of sociaal gedrag. Het gaat hier dus om informatie over personen, ongeacht de positie of de hoedanigheid van die personen (consument, patiënt, werknemer, klant, enz.).”7 33. Op grond van de bovenstaande elementen kan de Geschillenkamer tot het besluit komen dat het eerste constitutief element te dezen aanwezig is. b. “over” 34. Een tweede constitutief element van de definitie van het begrip “persoonsgegeven” uit artikel 4.1) AVG houdt in dat de informatie dient te gaan “over” een natuurlijke persoon, de betrokkene. In zijn Advies 4/2007 wijst de Groep Gegevensbescherming erop dat zulks zowel direct als indirect het geval kan zijn, in zoverre de informatie “verwijst naar de identiteit, de kenmerken of het gedrag van een persoon of indien dergelijke informatie wordt gebruikt om de wijze waarop die persoon wordt behandeld of beoordeeld te bepalen of te beïnvloeden”.8 35. De Groep Gegevensbescherming preciseert in dit verband dat informatie die niet direct betrekking heeft op een natuurlijke persoon alsnog als “informatie over” de betrokken natuurlijke persoon kan worden beschouwd in de volgende twee gevallen: a. Wanneer de gegevens worden gebruikt of naar verwachting kunnen worden gebruikt met als doel de betrokkene te beoordelen, op een bepaalde manier te behandelen of zijn status of gedrag te beïnvloeden; of b. Wanneer het gebruik van de gegevens naar verwachting een impact kan hebben op bepaalde personen, waarbij het irrelevant is of deze impact groot of klein is. 5 HvJEU, 20 december 2017, C-434/16, Nowak t. Data Protection Commissioner, ECLI:EU:C:2017:994, randnr. 49. 6 EHRM, 16 februari 2000, nr. 27798. 7 Groep Gegevensbescherming Artikel 29, Advies 4/2007, 20 juni 2007, p. 7. Cf. in diezelfde zin de conclusie van advocaatgeneraal E. Sharpston van 12 december 2013 in de gevoegde zaken C-141/12 en C-372/12 (Y.S.), randnr. 45. 8 Groep Gegevensbescherming Artikel 29, Advies 4/2007, 20 juni 2007, p. 10. Beslissing ten gronde 200/2025 - 9/33 36. De Groep Gegevensbescherming wijst er hierbij op dat, zolang de mogelijkheid bestaat dat de betrokkene bijvoorbeeld anders zal worden behandeld ten gevolge van de verwerking van de betrokken gegevens, er sprake is van een impact op de persoon. 9 37. Dit werd tevens bevestigd door het Hof van Justitie, dat in dit verband stelde dat deze tweede voorwaarde “is vervuld wanneer de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon”.10 38. In casu stelt de Geschillenkamer vast dat de betrokken informatie — i.e. referenties omtrent de relevante ervaring en kwalificaties van de klager — onmiskenbaar kan herleid worden tot de klager en een impact kan hebben op hem, met als gevolg dat het tweede constitutieve element aanwezig is. c. “een geïdentificeerde of identificeerbare” “natuurlijke persoon” 39. Een persoon is “geïdentificeerd” wanneer die persoon individueel onderscheiden is van andere personen binnen een bepaalde groep, aan de hand van één of meerdere identificatoren.11 40. Gelet op het feit dat de uitwisseling van referenties over een individuele kandidaat noodzakelijkerwijze met zich meebrengt dat de betrokkene minstens onrechtstreeks identificeerbaar is voor de voormalige en toekomstige werkgever, stelt de Geschillenkamer vast dat de betrokkene onweerlegbaar werd geïdentificeerd en de door de verweerders uitgewisselde informatie in casu aldus betrekking heeft op een “geïdentificeerd of identificeerbaar persoon” in de zin van artikel 4.1) AVG. 41. Er dient bijgevolg te worden vastgesteld dat ook het derde en vierde constitutieve element van het begrip persoonsgegevens te dezen aanwezig zijn. De Geschillenkamer oordeelt derhalve dat de referenties omtrent de relevante ervaring en kwalificaties van de klager weldegelijk als hem betreffende persoonsgegevens moeten worden aanzien. II.2.2. Het begrip “verwerking” – Art. 4.2) AVG 42. Overeenkomstig artikel 2.1 juncto overweging 15 van de AVG, is zij van toepassing op de volledige dan wel gedeeltelijk geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens, evenals op de niet-geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen, dan wel bestemd zijn om daarin te worden opgenomen. 9 Groep Gegevensbescherming Artikel 29, Advies 4/2007, 20 juni 2007, p. 11-12. 10 HvJEU, 20 december 2017, C-434/16, Nowak t. Data Protection Commissioner, ECLI:EU:C:2017:994, randnr. 35 (eigen onderlijning). 11 Groep Gegevensbescherming Artikel 29, Advies 4/2007, 20 juni 2007, p. 13. Beslissing ten gronde 200/2025 - 10/33 Overeenkomstig artikel 4.2) AVG dient als een “verwerking” van persoonsgegevens te worden beschouwd: “een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens”. 43. In voorliggende zaak poneren beide verweerders dat het litigieuze telefoongesprek louter mondeling heeft plaatsgevonden, niet werd opgenomen of anderszins geregistreerd, noch op enigerlei wijze inhoudelijk werd verwerkt. Bijgevolg kan er geenszins sprake zijn van een verwerking in de zin van de AVG, aldus de verweerders. De klager meent daarentegen dat de AVG wel van toepassing is, gezien er volgens hem weldegelijk sprake is geweest van een verwerking van persoonsgegevens. Op 2 juli 2020 ontving Y2 immers persoonsgegevens van de klager via Y1, dewelke Y2 vervolgens heeft verwerkt in een e-mail aan de klager, wat een bestand is. 44. De Geschillenkamer wijst erop dat de doorgifte van persoonsgegevens tijdens een mondeling telefoongesprek weldegelijk een “verwerking” van persoonsgegevens uitmaakt in de zin van artikel 4.2) AVG. Dat artikel stipuleert immers duidelijk dat het “verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen”12 van persoonsgegevens, een “verwerking” in de zin van de AVG uitmaakt. De Geschillenkamer wijst tevens op het arrest Endemol Shine Finland, waarin het Hof van Justitie ondubbelzinnig heeft vastgesteld dat het begrip “verwerking” als bedoeld in artikel 4.2) AVG noodzakelijkerwijs de mondelinge verstrekking van persoonsgegevens omvat. 13 45. Aangezien een mondelinge verstrekking als zodanig een niet-geautomatiseerde verwerking is, moet de Geschillenkamer in onderhavig geval nagaan of de door Y1 verstrekte gegevens in een “bestand” zijn “opgenomen” of “bestemd zijn om daarin te worden opgenomen”. Volgens artikel 4.6) AVG dient het begrip “bestand” te worden uitgelegd als “elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid”. De Geschillenkamer wijst erop dat deze bepaling een ruime omschrijving geeft van het begrip “bestand”. Bovendien beoogt de vereiste dat het geheel van persoonsgegevens moet zijn “gestructureerd volgens bepaalde criteria”, uitsluitend ervoor te zorgen dat de persoonsgegevens gemakkelijk kunnen worden teruggevonden. Behalve dit vereiste bevat artikel 4.6) AVG 12 Onderlijning door de Geschillenkamer 13 HvJEU, 7 maart 2024, C-740/22, Endemol Shine Finland, ECLI:EU:C:2024:216, randnr. 32 Beslissing ten gronde 200/2025 - 11/33 geen enkele bepaling over de wijze waarop een bestand moet worden gestructureerd, en over de vorm die een dergelijk bestand moet hebben. 14 46. In casu voert Y1 aan dat zij geen enkel bestand, zoals het personeelsdossier van de klager, zou hebben geraadpleegd om de daarin opgenomen informatie aan Y2 te verstrekken. De Geschillenkamer merkt op dat zij niet dient te verifiëren of Y1 al dan niet een bestand heeft geraadpleegd waarin de persoonsgegevens van de klager zijn opgenomen. De Geschillenkamer oordeelt namelijk dat Y1 wist, of had moeten weten, dat de door haar meegedeelde informatie omtrent de klager zou worden opgenomen in een bestand door Y2, namelijk in het rekruteringsdossier dat deze laatste bijhoudt over de klager. Gelet op die omstandigheden, oordeelt de Geschillenkamer dat het mondeling verstrekken aan Y2 van informatie over de klager door Y1 een verwerking van persoonsgegevens vormt die binnen de materiële werkingssfeer van de AVG valt. 47. De Geschillenkamer acht het tevens voldoende bewezen dat Y2 de persoonsgegevens van de klager in het kader van de sollicitatieprocedure heeft verwerkt in de zin van artikel 4.2) AVG, en bovendien dat die persoonsgegevens werden opgenomen in een bestand. De Geschillenkamer stelt immers vast dat Y2 de inhoud van het gesprek, ofschoon niet verbatim, minstens wel in algemene termen, schriftelijk heeft vastgelegd in een e-mail aan de klager. 48. Bijgevolg zal de Geschillenkamer zich in een volgende sectie (II.2.3) moeten buigen over de rechtmatigheid van de verwerkingen door beide verweerders. II.2.3. Rechtmatigheid van de verwerkingen — Art. 6.1 AVG 49. Nu het vaststaat dat beide verweerders persoonsgegevens over de klager hebben verwerkt in de zin van de AVG, dient de Geschillenkamer zich te buigen over de rechtmatigheid van deze verwerkingen. Om een logische redenering te waarborgen, zal zij eerst de rechtmatigheid beoordelen van de verzameling en verdere verwerking van referenties door Y2 (de tweede verweerder). Aansluitend zal zij de rechtmatigheid onderzoeken van de doorgifte van de persoonsgegevens van de klager door Y1 (de eerste verweerder) a. De rechtmatigheid van de verzameling en verdere verwerking van referenties door Y2 (de tweede verweerder) 50. De Geschillenkamer stelt vast dat Y2 zich beroept op de toestemming van de klager voor de verzameling en verdere verwerking van referenties. Hiertoe brengt Y2 de door haar opgemaakte notulen van het sollicitatiegesprek aan, waaruit moet blijken dat de klager zijn 14 Zie ook HvJEU, 7 maart 2024, C-740/22, Endemol Shine Finland, ECLI:EU:C:2024:216, randnr. 37 ; HvJEU, 10 juli 2018, C-25/17, Jehovan todistajat, ECLI:EU:C:2018:551, randnrs. 57-58 Beslissing ten gronde 200/2025 - 12/33 toestemming heeft gegeven voor het contacteren van Y1.15 Daarnaast voert Y2 aan dat, gezien de klager Y1 uit eigen beweging in zijn CV heeft vermeld, dit kan gelden als een geldige toestemming. 51. De Geschillenkamer herinnert eraan dat uit de artikelen 4.11) en 7 AVG, samen gelezen met overweging 43 AVG, volgt dat in de context van een sollicitatieprocedure de toestemming van de betrokkene slechts in uitzonderlijke gevallen kan dienen als een rechtmatige rechtsgrond voor de verzameling en verdere verwerking van referenties. Het staat met name vast dat de verhouding tussen een potentiële werkgever en een sollicitant wordt gekenmerkt door de afhankelijke positie van laatstgenoemde, hetgeen leidt tot een veronderstelde wanverhouding waarbinnen toestemming in principe niet vrijelijk gegeven kan worden. 52. De Geschillenkamer aanvaardt daarentegen dat toestemming als rechtsgrond kan gebruikt worden, indien de verwerkingsverantwoordelijke de toestemming van de betrokkene heeft verkregen middels de ondertekening van een verklaring waarvan hij de draagwijdte duidelijk kon begrijpen en die ten minste volgende elementen bevat: a. De identiteit van de organisatie of de personen die de toekomstige werkgever wil raadplegen b. De aard van de opgevraagde gegevens c. De redenen voor het verzamelen van de gegevens d. De periode waarin de toestemming zal worden gebruikt De Geschillenkamer benadrukt dat dergelijke toestemming alleen als vrijelijk wordt beschouwd indien de betrokkene geen negatieve gevolgen riskeert wanneer hij zijn toestemming niet verleent.16 In de context van een sollicitatieprocedure betekent dit, bij wijze van voorbeeld, dat de potentiële werkgever in geen geval de verwachting mag wekken bij de sollicitant dat zijn kandidatuur ongunstig zal worden beoordeeld of niet in aanmerking zal komen wanneer hij geen toestemming verleent voor het opvragen van referenties. 53. De Geschillenkamer aanvaardt tevens dat toestemming als geldige rechtsgrond kan gebruikt worden indien de sollicitant spontaan, zonder vraag vanuit de potentiële werkgever, in zijn CV uitdrukkelijk een referentiepersoon aanduidt met de bedoeling deze te contacteren. De Geschillenkamer benadrukt dat, ook in dit geval, de verwerkingsverantwoordelijke haar informatieverplichtingen in artikel 14 AVG dient na te komen. 15 Stuk 4 bij de conclusies van antwoord van de tweede verweerder d.d. 27 september 2021 16 EDPB, Richtsnoeren 05/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679, versie 1.1., 4 mei 2020, p. 8-10 Beslissing ten gronde 200/2025 - 13/33 54. Gelet op bovenstaande en op de verweermiddelen van de partijen, oordeelt de Geschillenkamer dat Y2 niet aantoont dat de mondelinge toestemming van de klager die tijdens het sollicitatiegesprek werd verleend, voldoet aan de vereiste onder de AVG van een vrije wilsuiting. De notulen van een sollicitatiegesprek kunnen bij gebreke aan ondertekening door de betrokkene immers niet als een geldige toestemming dienen, om de eenvoudige reden dat de notulen niet door de betrokkene werden genomen. Uit de overgemaakte stukken blijkt tenslotte evenmin dat de klager Y1 als een referentiepersoon in zijn CV heeft vermeld, hetgeen desgevallend als geldige toestemming zou kunnen dienen. Y1 werd door de klager immers uitsluitend genoemd in het onderdeel ‘werkervaring’, maar wordt nergens expliciet genoemd als referentie. 55. Gelet op bovenstaande, oordeelt de Geschillenkamer dat Y2 niet rechtmatig kon steunen op de toestemming van de klager conform artikel 6.1.
- a)AVG voor het raadplegen en de daaropvolgende verwerking van referenties. 56. De Geschillenkamer stelt vast dat de Y2 zich voor de litigieuze verwerking tevens beroept op haar gerechtvaardigd belang conform artikel 6.1.
- f)AVG. De Geschillenkamer heeft er in haar eerdere beslissingen reeds op gewezen dat de verwerkingsverantwoordelijke voorafgaand aan de verwerking één rechtmatigheidsgrond dient aan te wijzen op basis waarvan zij de verwerking van persoonsgegevens wenst uit te voeren. 17 De verschillende rechtmatigheidsgrondslagen brengen verschillende gevolgen met zich mee, met name wat de rechten van de betrokkenen betreft. Om voornoemde reden is het niet toegestaan dat een verwerkingsverantwoordelijke zich, afhankelijk van de omstandigheden, beroept op de ene, dan weer op de andere rechtsgrond voor éénzelfde verwerking. 57. Gezien Y2 voor de verzameling van referenties van de klager echter niet rechtmatig kon steunen op diens toestemming, gaat de Geschillenkamer alsnog na of zij op basis van haar gerechtvaardigd belang de persoonsgegevens van de klager kon verwerken. 58. Het Hof van Justitie heeft in haar rechtspraak 18 verduidelijkt dat moet voldaan zijn aan drie cumulatieve voorwaarden opdat een verwerkingsverantwoordelijke zich rechtmatig kan beroepen op artikel 6.1.
- f)AVG. Meer bepaald dient de verwerkingsverantwoordelijke aan te tonen dat:
- a)de belangen die deze met de verwerking nastreeft, als gerechtvaardigd kunnen worden beschouwd (de “doeltoets”); 17 Beslissing ten gronde 55/2021 d.d. 22 april 2021 van de Geschillenkamer, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-55-2021.pdf; Beslissing ten gronde 138/2021 d.d. 8 december 2021 van de Geschillenkamer, https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissingten-gronde-nr.-138-2021.pdf 18 HvJEU, 4 mei 2017, C-13/16, Valsts policijas Rīgas reģiona pārvaldes Kārtības policijas pārvalde tegen Rīgas pašvaldības SIA „Rīgas satiksme”, ECLI:EU:C:2017:336, randnr. 28 (“Arrest Rīgas”). Beslissing ten gronde 200/2025 - 14/33
- b)de beoogde verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze belangen (de “noodzakelijkheidstoets”); en
- c)de afweging van deze belangen ten opzichte van de belangen, fundamentele vrijheden en grondrechten van de betrokkene doorweegt in het voordeel van de verwerkingsverantwoordelijke (de “afwegingstoets”). 59. Wat betreft de eerste voorwaarde, de zogenaamde “doeltoets”, is de Geschillenkamer van oordeel dat het controleren van referenties in navolging van een sollicitatiegesprek inderdaad moet worden beschouwd als uitgevoerd met het oog op een gerechtvaardigd belang. Werkgevers hebben er immers alle belang bij om betrouwbare en gekwalificeerde werknemers aan te werven. De Geschillenkamer meent dat de raadpleging van werkgevers die eerder met de klager hebben samengewerkt een betrouwbaar en evenwichtig beeld kan vormen van diens functioneren in een professionele context. De Geschillenkamer stelt aldus vast dat aan de doeltoets werd voldaan. 60. Teneinde te voldoen aan de tweede voorwaarde, de “noodzakelijkheidstoets”, dient Y2 aan te tonen dat de verwerkingen in casu noodzakelijk waren om bovenvermeld gerechtvaardigd belang na te streven. De Geschillenkamer wijst erop dat bij de beoordeling of er sprake is van een “noodzakelijke” verwerking, de verwerkingsverantwoordelijke dient na te gaan of het nagestreefde gerechtvaardigde belang niet op een even doeltreffende wijze gerealiseerd kan worden met alternatieve middelen die minder ingrijpend zijn voor de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. Indien er redelijke en even doeltreffende, maar minder ingrijpende alternatieven bestaan, kan de verwerking niet als “noodzakelijk” worden aangemerkt.19 Y2 voert aan dat, hoewel zij beschikte over het curriculum vitae, de motivatiebrief, alsook over de informatie uit het sollicitatiegesprek met de klager, het voor haar noodzakelijk was om de door de klager geponeerde stellingen omtrent zijn ervaring en leiderschap te verifiëren. Y2 acht de raadpleging van referenties een noodzakelijke verwerking om een totaalbeeld van de klager te kunnen schetsen en te achterhalen hoe hij zich in een arbeidsomgeving werkelijk gedraagt, hetgeen niet kon worden afgeleid uit de volgens Y2 eenzijdige verklaringen van de klager in voormelde bronnen. De Geschillenkamer is van oordeel dat het verifiëren van referenties een gangbaar en redelijk middel is voor werkgevers om inzicht te krijgen in de professionele vaardigheden van een sollicitant, op voorwaarde dat zij de verzamelde informatie niet bij de klager zelf kan opvragen. Hierop gelet, acht de Geschillenkamer het in casu dan ook noodzakelijk voor Y2 om, middels de raadpleging van voormalige werkgevers van de klager, werkgerelateerde 19 HvJEU, 4 juli 2023, C-252/21, Meta t. Bundeskartellamt, ECLI:EU:2023:537, randnr. 108; EDPB, Guidelines 1/2024 on processing of personal data based on Article 6
(1)(
- f)GDPR, Version 1.0, 8 oktober 2024, randnr. 29 Beslissing ten gronde 200/2025 - 15/33 informatie te verzamelen die relevant is voor de beoordeling van diens geschiktheid voor de functie waarvoor hij solliciteerde, te meer nu Y2 twijfels had over de waarachtigheid van de beweringen van de klager. De Geschillenkamer wijst erop dat de betreffende informatie mogelijks niet op objectieve wijze bij de klager zelf kon worden verkregen. Aangezien de klager als sollicitant een duidelijk belang heeft bij een positieve voorstelling van zaken, ontbreekt de noodzakelijke onafhankelijkheid en verificatiemogelijkheid indien Y2 uitsluitend een beslissing moet nemen op basis van zijn verklaringen. In onderhavig geval acht de Geschillenkamer de raadpleging van referenties door Y2 dan ook een noodzakelijke verwerking van persoonsgegevens in het licht van het nagestreefde gerechtvaardigde belang, en komt zij aldus tot de conclusie dat ook aan de noodzakelijkheidstoets werd voldaan. 61. Teneinde na te gaan of aan de derde voorwaarde, de zogenaamde “afwegingstoets”, is voldaan, moet beoordeeld worden of het gerechtvaardigd belang van Y2 zwaarder weegt dan de fundamentele rechten en vrijheden van de klager. Overeenkomstig overweging 47 AVG dient bij die afweging tevens rekening gehouden te worden met de redelijke verwachtingen van de klager. Er dient meer bepaald te worden geëvalueerd of “de betrokkene op het tijdstip en in het kader van de verzameling van de persoonsgegevens redelijkerwijs mag verwachten dat de verwerking met dat doel kan plaatsvinden”. De Geschillenkamer herhaalt in dit verband dat het belang van Y2, als potentiële werkgever, om een zorgvuldig selectieproces te voeren, legitiem is, en dat het verifiëren van referenties in onderhavige zaak een proportioneel en noodzakelijk middel vormde om de betrouwbaarheid en geschiktheid van de klager te beoordelen. Tegenover dit belang staan de fundamentele rechten en vrijheden van de klager, wiens persoonsgegevens in navolging van een telefonisch gesprek zijn verwerkt. De Geschillenkamer oordeelt dat de verwerking beperkt is gebleven tot relevante, op de functie gerichte informatie, en plaatsvond in een context waarin de redelijke verwachtingen van de betrokkene niet zijn overschreden. De Geschillenkamer is immers van oordeel dat het binnen de redelijke verwachting van de klager valt dat voormalige werkgevers, die door hem worden vermeld in zijn CV en expliciet worden aangehaald tijdens het sollicitatiegesprek, door Y2 worden gecontacteerd voor het inwinnen of verifiëren van informatie. In het licht van deze redelijke verwachting, en gelet op de wijze waarop de verwerking heeft plaatsgevonden, stelt de Geschillenkamer vast dat het belang van Y2 in dit geval zwaarder weegt dan de rechten en vrijheden van de klager. 62. De Geschillenkamer concludeert dat Y2 rechtmatig kon steunen op artikel 6.1.
- f)AVG voor de verwerking van persoonsgegevens tijdens de raadpleging van referenties ten behoeve van een sollicitatieprocedure. De Geschillenkamer benadrukt dat een verwerkingsverantwoordelijke die zich in deze context beroept op artikel 6.1
- f)AVG, de Beslissing ten gronde 200/2025 - 16/33 betrokkene voorafgaand aan het opvragen van referenties moet informeren over diens recht om hiertegen bezwaar te maken, zoals bepaald in artikel 21.4 AVG. b. Rechtmatigheid van de doorgifte van de persoonsgegevens van de klager door de eerste verweerder (Y1). 63. Zoals uiteengezet heeft de Geschillenkamer vastgesteld dat het mondeling verstrekken van informatie van de klager door Y1 aan Y2 een verwerking van persoonsgegevens vormt waarvoor Y1 als verwerkingsverantwoordelijke moet worden aangemerkt. Derhalve diende Y1 voor die verwerking te beschikken over een rechtmatige rechtsgrond. Nu Y1 aanvoert dat voornoemde verwerking geen rechtsgrond behoefde, constateert de Geschillenkamer dat Y1 een inbreuk heeft gemaakt op artikel 6.1. AVG. 64. Bij wege van volledigheid wijst de Geschillenkamer erop dat het doorgeven van informatie over een voormalige werknemer aan een potentiële werkgever in het kader van een referentiecheck in de regel enkel mogelijk is op basis van de toestemming van de betrokkene. Wanneer de informatieverstrekker kan verifiëren dat de potentiële werkgever de informatie opvraagt op grond van voorafgaande, vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene, hoeft hij zelf geen bijkomende toestemming te vragen. Ontbreekt dergelijke toestemming, bijvoorbeeld omdat de potentiële werkgever handelt op basis van gerechtvaardigd belang, dan moet de informatieverstrekker zelf een afzonderlijke toestemming van de betrokkene verkrijgen vooraleer hij diens persoonsgegevens vrijgeeft. II.3. Wat betreft de uitoefening van het recht op inzage van de klager 65. In beide klachten meent de klager dat de respectievelijke verweerder naliet om tijdig en adequaat gevolg te geven aan een verzoek tot inzage in zijn persoonsgegevens. De Geschillenkamer onderzoekt in volgende secties derhalve enerzijds of de verweerders tijdig gevolg gaven aan het inzageverzoek van de klager (II.3.1), en anderzijds of de door de verweerders verstrekte informatie inhoudelijk in lijn ligt met de verplichtingen die voortvloeien uit de AVG (II.3.2). II.3.1. Behandelingstermijn van de verzoeken — Artikel 12 AVG 66. Uit de stukken in het dossier blijkt dat het verzoek tot inzage van de klager werd ingediend ten aanzien van Y1 (de eerste verweerder) op datum van 8 juli 2020. Op 7 augustus 2020 geeft Y1 gevolg aan het verzoek, waarbij zij evenwel slechts algemene informatie met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens binnen de onderneming meedeelt. Daarnaast deelde Y1 aan de klager mee dat, indien hij bijkomende informatie wenst, hij een beschrijving van de aard en de context van zijn verzoek moet toevoegen, zodat zij een Beslissing ten gronde 200/2025 - 17/33 betere beoordeling kan maken op welke persoonsgegevens en verwerkingsactiviteiten het inzageverzoek betrekking heeft. 67. Op 8 september 2020 stelt de klager Y1 formeel in gebreke wegens, onder andere, de overschrijding van de in artikel 12, lid 3 en lid 4 AVG vastgestelde termijnen voor het beantwoorden van zijn inzageverzoek en verzoek tot kopie van zijn persoonsgegevens. Op 28 september 2020 antwoordt Y1 bij brief van haar raadslieden op de ingebrekestelling, waarin zij o.a. stelt dat zij, in overeenstemming met artikel 12.3 AVG, de klager binnen de termijn van één maand heeft geïnformeerd over “welk gevolg” aan zijn inzageverzoek is gegeven. Y1 wijst de klager erop dat deze bepaling niet inhoudt dat zij het inzageverzoek ook binnen één maand integraal dient uit te voeren. Op 22 oktober 2020 ontkent de klager bij brief van zijn raadslieden deze interpretatie. Hij voert aan dat, gezien er binnen één maand geen adequaat antwoord werd geformuleerd op zijn inzageverzoek, en Y1 heeft nagelaten de klager binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis te stellen van een eventuele verlenging van die termijn, er een inbreuk is ontstaan op artikel 12, lid 3 en lid 4 van de AVG. 68. De Geschillenkamer herinnert eraan dat artikel 12.3 AVG vereist dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene onverwijld en in elk geval binnen één maand na ontvangst van een verzoek op grond van artikel 15 AVG informeert omtrent het gevolg dat aan dat verzoek wordt gegeven. Deze termijn kan met maximaal twee maanden worden verlengd, rekening houdend met de complexiteit en het aantal verzoeken, op voorwaarde dat de verwerkingsverantwoordelijke binnen één maand na ontvangst van het verzoek de betrokkene in kennis stelt van de redenen voor deze vertraging. Deze informatieverplichting met betrekking tot de verlenging van de termijn en de motivering daarvan mag niet worden verward met de afzonderlijke verplichting om, overeenkomstig artikel 12.4 AVG, de betrokkene zonder onredelijke vertraging en uiterlijk binnen één maand te informeren wanneer de verwerkingsverantwoordelijke besluit géén gevolg te geven aan het verzoek, evenals over de redenen voor dat besluit. 69. De Geschillenkamer stelt op basis van de verweermiddelen van Y1 vast dat zij op grond van artikel 15.4 AVG gedeeltelijk geweigerd heeft gevolg te geven aan het verzoek om inzage, zoals nader toegelicht in randnummer 99 van deze beslissing. Dit betekent dat zij de klager hier, conform artikel 12.4 AVG, onverwijld en uiterlijk binnen één maand van op de hoogte moest stellen, evenals van de redenen voor die weigering. De Geschillenkamer stelt vast dat Y1 heeft nagelaten dit te doen, en stelt aldus vast dat zij een inbreuk pleegde op artikel 12.4 AVG. 70. De Geschillenkamer wijst er tevens op dat de ontvangst van het inzageverzoek door de verwerkingsverantwoordelijke in beginsel het startpunt vormt van de termijn van één maand waarbinnen, overeenkomstig artikel 12.3 AVG, informatie moet worden verstrekt Beslissing ten gronde 200/2025 - 18/33 over het gevolg dat een het verzoek is gegeven.20 De Geschillenkamer preciseert dat dit, in de regel, betekent dat de informatie opgenomen in artikel 15, lid 1 en lid 2 AVG, alsook de kopie van de persoonsgegevens bedoelt in artikel 15.3 AVG, zonder onredelijke vertraging en uiterlijk binnen één maand integraal aan de betrokkene moeten worden verstrekt. In tegenstelling tot wat Y1 meermaals aanvoert, benadrukt de Geschillenkamer dat een loutere reactie binnen de termijn van één maand – bijvoorbeeld door simpelweg te stellen dat het verzoek behandeld zal worden – vanzelfsprekend niet voldoende is om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 12.3 AVG juncto artikel 15 AVG. 71. In onderhavig geval stelt de Geschillenkamer vast dat Y1 op 7 augustus 2020 inhoudelijk heeft gereageerd op het inzageverzoek van de klager, in overeenstemming met de in artikel 12.3 AVG bepaalde termijn. Met betrekking tot de kopie van persoonsgegevens heeft Y1 echter, in lijn met de mogelijkheid voorzien in overweging 63 AVG, de klager verzocht om zijn inzageverzoek nader te preciseren. 72. De Geschillenkamer herinnert eraan dat overweging 63 AVG in fine stelt dat “wanneer de verwerkingsverantwoordelijke een grote hoeveelheid gegevens betreffende de betrokkene verwerkt, […] hij de betrokkene voorafgaand aan de informatieverstrekking [moet] kunnen verzoeken om te preciseren op welke informatie of welke verwerkingsactiviteiten het verzoek betrekking heeft”. De Geschillenkamer wijst erop dat deze overweging in samenhang dient gelezen te worden met artikel 12.2 AVG, die bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht wordt de uitoefening van de rechten van de betrokkene te faciliteren. Hieruit volgt dat de verwerkingsverantwoordelijke een verzoek om specificatie mag doen indien het inzageverzoek in zeer algemene bewoordingen is gesteld, waardoor de hij geconfronteerd wordt met de uitdaging om een volledig antwoord te verstrekken, terwijl tegelijkertijd moet worden voorkomen dat een overvloed aan informatie wordt verstrekt die voor de betrokkene niet relevant is en die hij of zij niet doeltreffend kan verwerken.21 Gelet hierop, en in lijn met de richtsnoeren 01/2022 van de European Data Protection Board, wijst de Geschillenkamer erop dat in dergelijk geval de ingang van de in artikel 12.3 AVG bedoelde termijn wordt opgeschort tot het moment dat de betrokkene de gevraagde verduidelijking verstrekt. De verwerkingsverantwoordelijke kan in dat geval het antwoord van de betrokkene afwachten alvorens aanvullende informatie te verstrekken overeenkomstig diens wens.22 Hetzelfde geldt bijvoorbeeld wanneer 20 EDPB, Guidelines 01/2022 on data subject rights – Right of access – version 2.1, 28 maart 2023, randnr. 57 21 Ibid., randnr. 35 22 Ibid., randnr. 159 de Beslissing ten gronde 200/2025 - 19/33 verwerkingsverantwoordelijke contact onduidelijkheid over diens identiteit. 73. opneemt met de betrokkene vanwege 23 Het is belangrijk te benadrukken dat het verzoek om specificatie niet mag worden aangewend om de reikwijdte van het antwoord op het inzageverzoek te beperken, noch om informatie over de verwerking of persoonsgegevens van de betrokkene achter te houden. Indien de betrokkene, na te zijn verzocht om zijn verzoek nader te preciseren, bevestigt dat hij of zij alle persoonsgegevens wenst te ontvangen die op hem of haar betrekking hebben, dient de verwerkingsverantwoordelijke deze uiteraard volledig te verstrekken. 24 74. De Geschillenkamer stelt in casu vast dat de klager in zijn ingebrekestelling van 8 september 2020 voor het eerst ondubbelzinnig verduidelijkt waarop zijn inzageverzoek betrekking heeft. De klager preciseert immers dat hij een afdoend antwoord verwacht op de vragen die hij in zijn oorspronkelijk verzoek van 8 juli 2020 heeft gesteld, en verzoekt daarnaast een volledige kopie van alle hem betreffende persoonsgegevens die in het bezit zijn van Y1, met inbegrip van alle rapporteringen en aanwervingsdocumenten die zij verkregen heeft ten tijde van zijn aanwerving, zoals onder andere zijn curriculum vitae en de beoordeling van het rekruteringsbureau. Tevens bij brief van zijn raadsman van 22 oktober 2020, verduidelijkt de klager dat hij een kopie wil van alle gegevens dewelke Y1 over hem verwerkt en nog in haar bezit zijn. Tot slot, bij brief van zijn raadsman van 26 januari 2021 verduidelijkt de klager nogmaals dat hij een kopie wil van ieder bestand (document, tekst, intern rapport, e-mail, foto, video-opname, etc.) dewelke Y1 verwerkt en waarop hij identificeerbaar is.25 75. Derhalve komt de Geschillenkamer tot de conclusie dat Y1 de door haar gevraagde precisering voor het eerst op 8 september 2020 van de klager heeft ontvangen. De Geschillenkamer oordeelt bijgevolg dat de stelling van Y1 in haar brief van 3 november 2020 – namelijk dat de klager zijn verzoek weigerde te specificeren en dat dit de enige reden was waarom hij nog geen kopie van zijn persoonsgegevens had ontvangen – ongegrond is. Nu de klager reeds op 8 september 2020 verduidelijkt dat hij een volledige kopie wil van alle hem betreffende persoonsgegevens, diende Y1 hier uiterlijk op 8 oktober 2020 aan te voldoen. De Geschillenkamer stelt echter vast dat Y1 pas op 18 februari 2021 een kopie bezorgt aan de klager van de gegevens “waarvan [zij] redelijkerwijze kon vermoeden dat ze betrekking hebben op zijn verzoek”. 76. Gelet op bovenstaande, concludeert de Geschillenkamer dat werd aangetoond dat Y1 een inbreuk pleegde op artikel 12, lid 2 en lid 3 van de AVG. 23 Artikel 11.2 AVG juncto Artikel 12.6 AVG 24 EDPB, Guidelines 01/2022 on data subject rights – Right of access – version 2.1, 28 March 2023, randnr. 35 25 Onderlijning door de Geschillenkamer Beslissing ten gronde 200/2025 - 20/33 77. Het inzageverzoek gericht aan Y2 (de tweede verweerder), dateert eveneens van 8 juli 2020. De Geschillenkamer stelt vast dat Y2 op 27 juli 2020 getracht heeft om op dit verzoek te reageren, maar dat haar antwoord de klager op die datum niet heeft bereikt. Y2 verklaart immers dat haar antwoord, ten gevolge van een materiële vergissing, werd verstuurd naar een verkeerd e-mailadres dat nagenoeg identiek is aan dat van de klager. Y2 verklaart dat zij ervan uitging dat haar antwoord succesvol werd afgeleverd aangezien zij geen foutmelding ontving. Zij meende aldus te hebben voldaan aan het inzageverzoek van de klager. 78. Het is pas middels de ingebrekestelling van 8 september 2020 dat Y2 erop werd gewezen dat haar e-mail de klager niet had bereikt. In reactie daarop verstuurd Y2 op 10 september 2020 een nieuwe e-mail naar de klager, dit keer naar het juiste e-mailadres, waarin zij de in artikel 15.1 AVG opgesomde gegevens aan de klager verstrekt. Op 16 september 2020 verstuurt Y2 een mail naar de klager waarin zij uitlegt dat haar initieel antwoord hem niet heeft bereikt omdat deze per vergissing naar het verkeerde, doch een bestaand, emailadres werd verstuurd. Y2 geeft tevens aan dat zij de Gegevensbeschermingsautoriteit op de hoogte heeft gesteld van het gegevenslek, waarvan zij de ontvangstbevestiging kreeg op 14 september 2020. 79. Y2 voert aan dat, hoewel de gegevens werden doorgestuurd naar een foutief e-mailadres, zij weldegelijk tijdig reageerde op het verzoek van de klager, waardoor een schending van artikel 12.3 AVG niet kan worden weerhouden. 80. De Geschillenkamer herinnert er nogmaals aan dat artikel 12.3 AVG de verwerkingsverantwoordelijke verplicht om onverwijld en in ieder geval binnen één maand na ontvangst van het verzoek informatie te verstrekken over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. De Geschillenkamer wijst erop dat deze bepaling logischerwijs een daadwerkelijke bezorging van die informatie aan de betrokkene inhoudt. Een loutere verzending van een antwoord naar een verkeerd e-mailadres, zonder dat dit de betrokkene effectief bereikt, kan dan ook niet worden beschouwd als een tijdige reactie. 81. Gelet op bovenstaand, concludeert de Geschillenkamer dat Y2 een inbreuk pleegde op artikel 12.3 AVG. II.3.2. Behandeling van de inzageverzoeken — Artikel 15 AVG 82. De klager stelt dat Y1 (de eerste verweerder) zijn verzoek tot inzage ontoereikend heeft beantwoord. Nu de Geschillenkamer reeds heeft vastgesteld dat Y1 laattijdig heeft gereageerd26, zal zij zich in het vervolg van haar beoordeling uitsluitend buigen over de vraag of Y1 heeft voldaan aan haar materiële verplichtingen krachtens artikel 15, lid 1 en 3, 26 Zie randnummers 66 t.e.m. 76 van deze beslissing Beslissing ten gronde 200/2025 - 21/33 AVG – ongeacht of deze naleving binnen of buiten de termijn van één maand heeft plaatsgevonden.
- a)In feite 83. In zijn verzoek van 8 juli 2020 wijst de klager Y1 op het feit dat zij persoonsgegevens hem betreffende zou hebben gedeeld met Y2. Daarnaast wijst hij erop dat hij van juni 2005 tot november 2016 bij Y1 werkzaam was, aanvankelijk via een selectiebureau en nadien in rechtstreeks dienstverband. Vervolgens vraagt de klager alle informatie te verkrijgen die wordt opgesomd in artikel 15.1 AVG, en drukt hij zijn wens uit om een kopie van alle gegevens te verkrijgen in het bezit van Y1 conform artikel 15.3 AVG. Ten slotte verzoekt hij Y1 om mee te delen op welke rechtsgrond, zoals bedoeld in artikel 6.1 AVG, de verwerking van zijn persoonsgegevens berust, en – voor zover deze verwerking op toestemming is gebaseerd – hem een kopie van die toestemming te verstrekken. 84. In haar antwoord van 7 augustus 2020 op het inzageverzoek van de klager deelt Y1 slechts algemene informatie mee over de verwerking van persoonsgegevens binnen de onderneming. Gelet op de verweermiddelen van Y1, stelt de Geschillenkamer vast dat Y1 enkel de informatie heeft verstrekt zoals opgenomen in haar privacyverklaring die van toepassing is op actieve werknemers. Ter illustratie wijst de Geschillenkamer op het voorbeeld waarbij Y1, met betrekking tot de verwerkingsdoeleinden, onder andere stelt dat de persoonsgegevens van de klager zouden worden verwerkt “ter uitvoering en opvolging van de arbeidsovereenkomst en het correct beheer van het personeelsdossier”. Tevens met betrekking tot de verwerkingsgronden (art. 6.1. AVG), de betrokken categorieën van persoonsgegevens (art. 15.1
- b)AVG) en de ontvangers van persoonsgegevens (art. 15.1
- c)AVG), verwijst Y1 naar de algemene informatie zoals opgenomen in haar privacyverklaring die van toepassing is op haar actieve werknemers. Tot slot verzoekt Y1 de klager om een beschrijving van de aard en de context van het verzoek bij te voegen, zodat zij een betere beoordeling kan maken op welke persoonsgegevens en verwerkingsactiviteiten het verzoek betrekking heeft. 85. In haar antwoord van 28 september 2020 op de ingebrekestelling van de klager voegt Y1 toe dat zij tevens persoonsgegevens van de klager verwerkt op basis van artikel 6.1
- f)AVG, meer bepaald op basis van haar gerechtvaardigd belang ter vrijwaring van haar bewijsvoering in het kader van lopende geschillen. In haar antwoord van 18 februari 2021 voegt Y1 conform artikel 15.1
- d)AVG daaraan toe dat zij de persoonsgegevens van de klager zal blijven verwerken (opslaan) voor zolang dat noodzakelijk is ter bewijsvoering in het kader van lopende geschillen. Beslissing ten gronde 200/2025 - 22/33 86. In datzelfde antwoord van 18 februari 2021 wijst Y1 erop dat, voor wat betreft de informatie over de rechten vermeldt in artikelen 15.1
- e)AVG en 15.1
- f)AVG, zij deze in haar initiële antwoord niet aan de klager heeft verstrekt, nu het duidelijk bleek dat de klager reeds kennis had van deze rechten aangezien hij ze letterlijk citeerde in zijn inzageverzoek van 8 juli 2020. Wat betreft de informatie in de artikelen 15.1
- g)AVG en 15.1
- h)AVG legt Y1 uit dat zij hierover niets kon meedelen, gezien deze bepalingen in casu niet van toepassing zijn. Bij een gebrek aan verduidelijking vanwege de klager omtrent de reikwijdte van zijn inzageverzoek, voegt Y1 tevens een kopie toe van persoonsgegevens van de klager “waarvan [zij] redelijkerwijze mag aannemen dat zij het voorwerp vormen van het verzoek tot inzage”. 87. Met het verschaffen van die informatie geeft Y1 de klager te kennen dat zij volledig heeft voldaan aan haar verplichtingen uit artikel 15, lid 1 en lid 3 van de AVG.
- b)Standpunt van Y1 (de eerste verweerder) 88. In haar verweer voert Y1 aan dat de essentie van de tegen haar ingediende klacht terug te brengen is tot verschillende beweerde schendingen van de AVG die zij zou hebben begaan bij een doorgifte van persoonsgegevens aan Y2 in het kader van een sollicitatieprocedure. Volgens Y1 is dit de reden waarom de klager zijn inzageverzoek aan haar richtte, en zij heeft het verzoek van de klager ook in deze context begrepen. Zoals nader toegelicht in sectie II.2.2 van deze beslissing, voert Y1 aan dat de louter telefonische doorgifte van persoonsgegevens geen verwerking uitmaakt waarop de AVG van toepassing is. Het was volgens Y1 dan ook onmogelijk om aan het verzoek van de klager tegemoet te komen, aangezien de persoonsgegevens waarnaar hij op zoek was niet bestonden en de beweerde verwerking nooit had plaatsgevonden. Om die reden heeft Y1 in haar brief van 7 augustus 2020 algemene informatie verschaft over de verwerkingen van persoonsgegevens die typisch kaderen in een arbeidsrelatie en zoals deze omschreven worden in haar privacyverklaring van toepassing op haar werknemers.27 89. Aangezien de verwerking waar de klager naar verwees niet bestond, en het verzoek volgens Y1 bijgevolg onduidelijk was, nodigde zij de klager uit om bijkomende informatie te verschaffen over de aard en de context van zijn verzoek, in overeenstemming met overweging 63 in fine van de AVG. Volgens Y1 was deze vraag om verduidelijking tevens gerechtvaardigd, aangezien de klager 11 jaar voor haar heeft gewerkt, waardoor zij onvermijdelijk nog een substantiële hoeveelheid persoonsgegevens verwerkt, ondanks het feit dat zij ook heel wat persoonsgegevens van de klager heeft gewist, zoals zijn mailbox. 28 27 Y1, conclusie van dupliek van d.d. 8 ,november 2021, p. 7-9 28 Y1, conclusie van dupliek van d.d. 8 ,november 2021, p. 9-11 Beslissing ten gronde 200/2025 - 23/33 90. Y1 voert aan dat, ondanks haar herhaald aandringen, de klager in daaropvolgende communicatie elke verduidelijking omtrent zijn inzageverzoek weigerde. Volgens Y1 bleef de klager immers halsstarrig verzoeken om informatie over een vermeende, maar nietbestaande verwerking, en om een kopie van persoonsgegevens die zij niet had verwerkt, namelijk de mondelinge doorgifte van persoonsgegevens tijdens het telefoongesprek met Y2.29 91. Niettemin is Y1 van mening dat zij als verwerkingsverantwoordelijke ertoe gehouden is om, binnen de mate van het mogelijke en het redelijke, een gevolg te geven aan het verzoek van de klager. Om die reden heeft zij bij brief van 3 november 2020 de klager een voorstel gedaan om een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens die zij nog in haar gearchiveerde personeelsdossier heeft, alsook de e-mailcommunicatie te verstrekken betreffende de klager die naar aanleiding van onderhavige zaak werd gedaan. Daarbij maakt Y1 echter het voorbehoud dat zij geen e-mails zal verstrekken die al in het bezit zijn van de klager. Y1 voert aan dat, hoewel de klager in zijn brief van 26 januari 2021 instemde met dit voorstel, hij zijn verzoek tot inzage op dat moment heeft uitgebreid door tevens te verzoeken om een kopie van ieder bestand (document, tekst, intern rapport, e-mail, foto, video-opname, etc.) dat Y1 verwerkt en waarop hij identificeerbaar is. Y1 voert aan dat zij op 18 februari 2021 integraal en volledig gevolg heeft gegeven aan dit verzoek. Daarbij heeft zij echter de verstrekking van een kopie van de persoonsgegevens beperkt, door zich te beroepen op artikel 12.5 en artikel 15.4 AVG juncto overweging 63 AVG. Vooreerst betoogt Y1 dat zij geen kopie moet verstrekken van de e-mails die de klager zelf naar haar heeft gestuurd in het kader van onderhavige zaak, gezien de klager logischerwijze reeds integraal over deze persoonsgegevens beschikt. Dit zou volgens Y1 immers volledig voorbijgaan aan het doel van het inzagerecht: de klager is al op de hoogte van het feit dat Y1 de door hem gestuurde e-mails verwerkt en voor welk doel ze dat doet. Ten tweede voert Y1 aan dat zij geen kopie heeft verstrekt van de interne communicatie en communicatie met haar raadslieden die betrekking hebben op het geschil met de klager, aangezien dit haar rechten van verdediging zou aantasten. Tot slot voert Y1 aan dat het haar eveneens is toegelaten om interne rapportages en e-mails die betrekking hebben op bedrijfscijfers en -aangelegenheden, en die om die reden als zakengeheim moeten worden beschouwd, niet te verstrekken aan de klager. Volgens Y1 beschikte zij aldus op grond van artikel 15.4 AVG en 12.5 AVG over het recht om voornoemde informatie uit de verstrekte kopie aan de klager te weren. 30 29 Ibid., p. 14-16 30 Ibid., 17-22 Beslissing ten gronde 200/2025 - 24/33
- c)Oordeel van de Geschillenkamer 92. Vooreerst onderstreept de Geschillenkamer het belang van de mogelijkheid tot uitoefening van het recht op inzage voor betrokkenen. Het algemene doel van dit recht bestaat erin om betrokkenen voldoende, transparante en gemakkelijk toegankelijke informatie te verstrekken over de verwerking van hun persoonsgegevens. Hierdoor kunnen betrokkenen zich informeren over het bestaan en de aard van de verwerking, en krijgen zij de mogelijkheid om de rechtmatigheid ervan alsook de juistheid van de verwerkte gegevens te beoordelen. Voorts onderstreept de Geschillenkamer dat de uitoefening van het recht op inzage functioneert als een essentiële, doch geen noodzakelijke, voorwaarde voor de effectieve uitoefening van andere rechten die de AVG aan betrokkenen toekent, zoals het recht op rectificatie en het recht op gegevenswissing. 31 93. Daarnaast wijst de Geschillenkamer erop dat betrokkenen in geen geval verplicht zijn om hun inzageverzoek te motiveren of te rechtvaardigen. Zolang aan de vereisten van artikel 15 AVG wordt voldaan, moeten de doeleinden achter het verzoek als irrelevant worden beschouwd.32 De Geschillenkamer wijst er in casu dan ook op dat de vooringenomenheid in hoofde van Y1 omtrent de reikwijdte van het inzageverzoek – namelijk dat deze enkel betrekking zou hebben op de mondelinge doorgifte van persoonsgegevens aan Y2 – geen rechtvaardiging kan vormen om het verzoek tot inzage onvolledig of in algemene termen te beantwoorden. De Geschillenkamer oordeelt dat, hoewel de klager in zijn initiële inzageverzoek inderdaad verwijst naar de doorgifte van persoonsgegevens aan Y2, het Y1 niet vrijstaat om eenzijdig de omvang van het verzoek te beperken tot die specifieke verwerking. De Geschillenkamer stelt immers vast dat de klager zijn verzoek tevens in algemene termen omschrijft, bijvoorbeeld door te stellen dat hij duidelijke informatie wenst over “alle bepalingen onder artikel 15, lid 1 AVG”, evenals door te stellen dat hij “een kopie van alle gegevens in uw bezit” wenst zoals gewaarborgd in artikel 15.3 AVG. Om die reden acht de Geschillenkamer het argument van Y1, namelijk dat zij van oordeel was dat het inzageverzoek van de klager beperkt was tot de doorgifte van persoonsgegevens aan Y2, niet overtuigend. 94. Zoals eerder aangehaald, stelt de Geschillenkamer vast dat Y1 met betrekking tot de verwerkingsdoeleinden, de categorieën van verwerkte persoonsgegevens en de (categorieën van) ontvangers aan wie deze gegevens zijn of zullen worden verstrekt, uitsluitend verwijst naar informatie die kenmerkend is voor een arbeidsrelatie, zoals beschreven in de privacyverklaring die van toepassing is op haar werknemers. De 31 HvJEU, 7 mei 2009, C-553/07, College van burgemeesters en wethouders van Rotterdam t. M.E.E. Rijkeboer, ECLI:EU:C:2008:773, randnrs. 49 en 51; HvJEU, 17 juli 2014, gevoegde zaken C-141/12 en C-372/12, YS e.a. t. Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, ECLI:EU:C:2014:2081, randnr. 44 32 HVJEU, 26 oktober 2023, C-307/22, FT (Copies du dossier médical), ECLI:EU:C:2023:811, randnr. 38 Beslissing ten gronde 200/2025 - 25/33 Geschillenkamer merkt in dit verband op dat de verstrekte algemene informatie niet volstaat om te voldoen aan de verplichtingen die de AVG oplegt, aangezien de klager op het moment van zijn verzoek reeds vijf jaar niet meer bij Y1 in dienst was. Een verwijzing naar een privacyverklaring die uitsluitend geldt voor actieve werknemers is in dat geval niet alleen irrelevant, maar ook onjuist. De Geschillenkamer onderstreept dat een verwerkingsverantwoordelijke, in het kader van een verzoek om inzage, alle beschikbare informatie dient te actualiseren en af te stemmen op de concrete verwerkingen die daadwerkelijk plaatsvinden met betrekking tot de betrokkene die het verzoek indient. De Geschillenkamer wijst Y1 er derhalve op dat zij gehouden was om enkel informatie te verstrekken over de persoonsgegevens van de klager die op het moment van zijn inzageverzoek daadwerkelijk worden verwerkt of bewaard. 33 95. Aangaande de bewaartermijnen stelt de Geschillenkamer vast dat Y1 aangeeft de persoonsgegevens van de klager te blijven bewaren “voor zolang dat noodzakelijk is ter bewijsvoering in het kader van lopende geschillen”. Hiertoe merkt de Geschillenkamer op dat Y1 in haar verweermiddelen uitdrukkelijk stelt dat zij, omwille van de lange arbeidsrelatie met de klager, onvermijdelijk nog een substantiële hoeveelheid persoonsgegevens verwerkt. Hieruit, alsmede uit de stukken in het dossier, leidt de Geschillenkamer af dat Y1 nog voor andere doeleinden persoonsgegevens van de klager verwerkt. In dat verband benadrukt de Geschillenkamer dat, indien er voor de persoonsgegevens van de klager verschillende bewaartermijnen gelden, zij die termijnen dient te preciseren voor alle verwerkingsactiviteiten en/of gegevenscategorieën, hetgeen zij nagelaten heeft te doen.34 96. Met betrekking tot de informatie opgenomen in artikel 15.1
- e)en
- f)AVG, stelt de Geschillenkamer vast dat Y1 deze niet in haar initiële antwoord aan de klager heeft verstrekt, nu het volgens haar duidelijk was dat de klager reeds kennis had van deze rechten. Zij stelt tevens vast dat Y1 in haar antwoord van 18 februari 2021 het nalaat deze informatie aan de klager mede te delen. De Geschillenkamer wijst Y1 erop dat de AVG een objectieve informatieverplichting oplegt aan de verwerkingsverantwoordelijke, hetgeen betekent dat zij de informatie uit artikel 15.1 AVG volledig aan de betrokkene moet verstrekken, zonder een inschatting te maken van diens voorkennis. Gelet op de verplichting om de uitoefening van de rechten van de betrokkene te faciliteren op grond van artikel 12.2 AVG, moet de verwerkingsverantwoordelijke in staat zijn om per verwerkingsactiviteit de klager te informeren over zijn rechten, dewelke zullen afhangen 33 EDPB, Guidelines 01/2022 on data subject rights – Right of access – version 2.1, 28 maart 2023, randnr. 113 34 EDPB, Guidelines 01/2022 on data subject rights – Right of access – version 2.1, 28 maart 2023, randnr. 118 Beslissing ten gronde 200/2025 - 26/33 van de rechtsgrond. Informatie over rechten die niet van toepassing zijn op de betrokkene in een specifieke situatie, moet worden vermeden.35 97. Gelet op bovenstaande oordeelt de Geschillenkamer dat Y1 een inbreuk pleegde op artikel 15.1
- a)t.e.m.
- f)van de AVG. 98. Aangaande de verplichting in hoofde van Y1 om overeenkomstig artikel 15.3 AVG een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens die zij verwerkt, stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder op 18 februari 2021 een kopie verstrekt aan de klager “van de persoonsgegevens waarvan [zij] redelijkerwijze mag aannemen dat zij het voorwerp vormen van het verzoek tot inzage”. De Geschillenkamer merkt echter op dat geen der partijen die kopie als stuk heeft overgemaakt aan de Griffie van de Geschillenkamer, waardoor zij geen kennis kan nemen van de inhoud ervan. 99. De Geschillenkamer stelt daarnaast vast dat Y1 zich beroept op artikel 12.5 AVG, 15.4 AVG juncto overweging 63 AVG om bepaalde documenten, die persoonsgegevens van de klager bevatten, niet te verstrekken. Het gaat met name om: - E-mails die de klager zelf naar Y1 heeft gestuurd naar aanleiding van onderhavig geschil; - Interne communicatie en communicatie met haar raadslieden die betrekking hebben op onderhavig geschil, gezien de verstrekking daarvan de rechten van verdediging van Y1 zou aantasten. - Interne rapportages en e-mails die betrekking hebben op bedrijfscijfers en – aangelegenheden en die om die reden als zakengeheim beschouwd moeten worden. 100. De Geschillenkamer herinnert eraan dat artikel 15.4 van de AVG het recht om een kopie te verkrijgen beperkt met de volgende bewoordingen: "Het recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen". Overweging 63 van de AVG specifieert uitdrukkelijk in dat verband: "dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt.” Artikel 15.3 AVG kan daarnaast tevens worden beperkt op grond van artikel 12.5 AVG in geval van “kennelijk ongegronde of buitensporige verzoeken”. 101. Derhalve wijst de Geschillenkamer erop dat noch artikel 12.5 AVG, noch artikel 15.4 AVG, het een verwerkingsverantwoordelijke toelaat om het recht om een kopie te verkrijgen te beperken op grond van het feit dat de betrokkene reeds in het bezit zou zijn van die persoonsgegevens. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het in artikel 15 neergelegde recht van inzage, waarvan het recht om een kopie te verkrijgen integraal deel uitmaakt, het 35 Ibid., randnr. 119 Beslissing ten gronde 200/2025 - 27/33 de klager in staat moet stellen zich ervan te vergewissen dat de hem betreffende persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt, zelfs indien deze persoonsgegevens vervat zitten in e-mails die hij zelf naar de verwerkingsverantwoordelijke heeft verzonden. 102. Met betrekking tot artikel 15.4 AVG Juncto overweging 63 AVG merkt de Geschillenkamer op dat het inzagerecht geen afbreuk mag doen aan de rechten of vrijheden van anderen, waarbij “anderen” moet worden begrepen als elke andere natuurlijke persoon of rechtspersoon dan de betrokkene die het inzagerecht uitoefent. Het is bijgevolg mogelijk dat het recht om een kopie te verkrijgen wordt beperkt indien dat recht afbreuk zou doen aan de rechten of vrijheden van de verwerkingsverantwoordelijke zelf, zoals in casu wordt aangevoerd.36 103. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het recht op inzage een fundamenteel recht is, verankerd in artikel 8, lid 2 van het Handvest van de Grondrechten van de EU. Dit heeft tot gevolg dat het slechts beperkt mag worden in overeenstemming met artikel 52, lid 1 van het Handvest, dat vereist dat elke beperking op een EU-grondrecht “evenredig” is. Artikel 15.4 van de AVG moet dan ook worden geïnterpreteerd in het licht van het Handvest, hetgeen impliceert dat tegenstrijdige rechten per geval zorgvuldig moeten worden afgewogen ten opzichte van het inzagerecht van de betrokkene.37 Zoals nader toegelicht in overweging 63 van de AVG, mag deze afweging er niet toe leiden dat aan de betrokkene alle informatie wordt onthouden. De verwerkingsverantwoordelijke is er daarom toe gehouden om, waar mogelijk, de gevraagde persoonsgegevens alsnog te verstrekken op een wijze die geen afbreuk doet aan de rechten of vrijheden van anderen. In de onderhavige zaak betekent dit dat Y1 ertoe gehouden is om de persoonsgegevens van de klager aan deze te verstrekken. De Geschillenkamer wijst Y1 er derhalve op dat zij aan haar verplichting onder artikel 15.3 AVG kan voldoen door, bijvoorbeeld: (
- i)gedeeltelijke toegang te verlenen tot de bestanden, waardoor de klager enkel toegang kan verschaffen tot zijn eigen persoonsgegevens, (
- ii)anonimisering of blokkering van gegevens toe te passen om gevoelige bedrijfsinformatie te beschermen, of (iii) een contextuele samenvatting te verlenen van de verwerkte persoonsgegevens van de klager. Dergelijke maatregelen zijn inderdaad passend wanneer volledige inzage afbreuk zou doen aan de rechten van verdediging van Y1, dan wel haar zakengeheimen zou blootgeven. 104. De Geschillenkamer stelt echter vast dat Y1 op geen enkele wijze aantoont dat zij een afweging heeft gemaakt tussen haar eigen rechten en het recht op inzage van de klager, dan wel heeft getracht de klager een kopie van zijn persoonsgegevens te verstrekken op 36 EDPB, Guidelines 01/2022 on data subject rights – Right of access – version 2.1, 28 maart 2023, randnr. 171 37 Ibid., randnr. 173 Beslissing ten gronde 200/2025 - 28/33 een wijze die geen afbreuk doet aan haar eigen rechten en vrijheden. Voorts oordeelt de Geschillenkamer, meer in het algemeen, dat een kopie van de persoonsgegevens “waarvan [zij] redelijkerwijze mag aannemen dat zij het voorwerp vormen van het verzoek tot inzage”, onvoldoende is in het licht van artikel 15.3 AVG. Zoals bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, houdt het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke een kopie te verkrijgen immers in dat de betrokkene een getrouwe en begrijpelijke reproductie moet krijgen van alle persoonsgegevens die zij verwerkt.38 Dit impliceert derhalve dat de verwerkingsverantwoordelijke de reikwijdte van de kopie niet op eigen initiatief kan beperken, alsook dat het niet kan volstaan dat louter een kopie wordt verstrekt van de persoonsgegevens waarvan zij aanneemt dat zij het voorwerp uitmaken van het verzoek. 105. Om de redenen hierboven opgesomd, concludeert de Geschillenkamer dat Y1 een inbreuk pleegde op artikel 15.3 AVG. 106. De klager stelt ook dat Y2 (de tweede verweerder) zijn verzoek tot inzage ontoereikend heeft beantwoord. Nu de Geschillenkamer reeds heeft vastgesteld dat Y2 laattijdig heeft gereageerd39, zal zij zich in het vervolg van haar beoordeling uitsluitend buigen over de vraag of Y2 heeft voldaan aan haar materiële verplichtingen krachtens artikel 15, lid 1 en 3, AVG – ongeacht of deze naleving binnen of buiten de termijn van één maand heeft plaatsgevonden.
- a)In feite 107. De klager oefent op 8 juli 2020 zijn recht van inzage uit ten aanzien van Y2, waarin hij informatie vraagt omtrent de verwerking van zijn persoonsgegevens overeenkomstig artikel 15.1 AVG, meer bepaald de informatie opgenomen in onderdelen
- a)tot en met
- g)van dat artikel. Op 10 september 2020 stuurt Y2 een e-mail naar de klager, waarin zij een antwoord formuleert op alle voornoemde onderdelen van artikel 15.1 AVG. 108. De klager voert aan dat Y2 een inbreuk pleegde op artikel 15.1
- g)AVG, alsook op artikel 14.1
- a)en
- b)AVG, gezien zij weigert de identiteit van de persoon binnen Y1 mede te delen die zij heeft gecontacteerd om zijn persoonsgegevens te verkrijgen in het kader van de sollicitatieprocedure. De klager voert aan dat een loutere verwijzing naar Y1 als firma in zijn geheel, onvoldoende is in het licht van deze bepalingen. 38 HvJEU, 4 mei 2023, C-487/21, F.F. t. Österreichische Datenschutzbehörde, ECLI:EU:C:2023:369, randnr. 45 39 Zie punten 77 t.e.m. 81 van deze beslissing Beslissing ten gronde 200/2025 - 29/33
- b)Standpunt van Y2 (de tweede verweerder) 109. Y2 ontkent een inbreuk gepleegd te hebben op voormelde artikelen. Zij stelt immers dat zij reeds in haar mail van 2 juli 2020, waarin de klager werd geïnformeerd dat hij niet weerhouden werd voor de verdere selectieprocedure, heeft aangegeven dat de manager van Y1 werd gecontacteerd. Bovendien heeft zij ook in haar antwoord op het inzageverzoek aan de klager meegegeven dat zijn persoonsgegevens werden vergaard bij Y1. 110. Y2 voert aan dat zij conform artikel 14.1
- a)en
- b)heeft gehandeld, alsook dat artikel 15.1
- g)nergens bepaalt dat in casu de manager van Y1 met naam en voornaam zou moeten worden genoemd.
- c)Oordeel van de Geschillenkamer 111. De Geschillenkamer brengt in herinnering dat, overeenkomst artikel 15.1
- g)AVG, de betrokkene het recht heeft alle beschikbare informatie te verkrijgen over de bron van zijn persoonsgegevens indien deze niet bij de betrokkene zelf werden verzameld. 112. De Geschillenkamer benadrukt dat het gebruik van de bewoording “alle beschikbare informatie” duidt op een hoge mate van specificiteit ten aanzien van de bronnen waaruit de verwerkingsverantwoordelijke de gegevens heeft verkregen. Zo is het niet alleen belangrijk dat de verwerkingsverantwoordelijke informatie verstrekt omtrent de identiteit van de bron, maar ook welke persoonsgegevens uit welke bron zijn verkregen. De verwerkingsverantwoordelijke is er tevens toe gehouden de betrokkene te informeren omtrent de vorm waarin de gegevens werden verkregen.40 113. Echter, vergelijkbaar met de informatie over de (categorieën) van ontvangers die op grond van artikel 15.1
- c)AVG aan de betrokkene moet worden verstrekt, is het doel van de informatieplicht onder 15.1
- g)AVG om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten onder de AVG effectief uit te oefenen, zowel jegens de verwerkingsverantwoordelijke zelf, als rechtstreeks bij de persoon of entiteit die de persoonsgegevens heeft verstrekt (i.e. “de gegevensbron”). Toegepast op onderhavige zaak, concludeert de Geschillenkamer dat Y2 niet verplicht was om de naam en voornaam van de referentiepersoon binnen Y1 mede te delen aan de klager. In dit geval volstond het dat Y2 aan de klager meedeelde dat diens persoonsgegevens werden verkregen via Y1 “als onderneming”, gelet op het feit dat deze informatie voldoende was om de klager in staat te stellen zijn rechten bij Y1 uit te oefenen, hetgeen hij in casu dan ook heeft gedaan. 40 EDPB, Guidelines 01/2022 on data subject rights – Right of access – version 2.1, 28 maart 2023, randnr. 120 Beslissing ten gronde 200/2025 - 30/33 114. Gelet op bovenstaand, besluit de Geschillenkamer dat Y2 geen inbreuk pleegde op artikel 15.1
- g)AVG, noch een inbreuk pleegde op artikel 14.1
- a)en
- b)AVG. II.4. Wat betreft de vermeende schending van andere rechten uit hoofde van de AVG door beide verweerders 115. In beide klachten voert de klager aan dat, naast zijn recht op inzage, respectievelijke verweerders tevens zijn andere rechten uit hoofde van de AVG hebben miskend. Meer bepaald voert de klager aan dat beide verweerders zijn recht op rectificatie (artikel 16 AVG), op gegevenswissing (artikel 17 AVG), op beperking (artikel 18 AVG) en op bezwaar (artikel 21 AVG) hebben geschonden. 116. De Geschillenkamer stelt echter vast dat de klager noch ten aanzien van Y1, noch ten aanzien van Y2, zijn rechten krachtens voornoemde artikelen heeft uitgeoefend. Hoewel de Geschillenkamer herhaalt dat de uitoefening van het recht op inzage functioneert als een essentiële voorwaarde voor de effectieve uitoefening van de andere rechten die de AVG aan betrokkenen toekent, oordeelt zij dat een miskenning van het recht op inzage niet automatisch leidt tot een schending van andere rechten onder de AVG. 117. Gelet op bovenstaande, oordeelt de Geschillenkamer dat niet werd aangetoond dat de verweerders in casu de rechten van de klager zoals opgenomen in de artikelen 17, 18, 19 en 21 AVG hebben miskend. II.5. Wat betreft de vermeende schending van de basisbeginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens door Y1 (de eerste verweerder) 118. Aangezien reeds is vastgesteld dat Y1 (de eerste verweerder) heeft gehandeld in strijd met artikel 6.1 AVG, acht de Geschillenkamer het niet langer opportuun om nader te onderzoeken of zij tevens een inbreuk pleegde op de basisbeginselen inzake gegevensverwerking conform artikel 5.1 AVG. De Geschillenkamer besluit dit onderdeel van de klacht te seponeren. III. Sancties 119. Overeenkomstig artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; Beslissing ten gronde 200/2025 - 31/33 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8. te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 120. De Geschillenkamer wenst eraan te herinneren dat het haar soevereine verantwoordelijkheid is als onafhankelijke administratieve autoriteit om, met inachtneming van de relevante artikelen van de AVG en de WOG, de passende corrigerende maatregel(
- en)en sanctie(
- s)te bepalen. 121. De Geschillenkamer oordeelde dat Y1 (de eerste verweerder) inbreuken heeft gepleegd op de artikelen 6, lid 1 AVG, 12, lid 2 t.e.m. 4 AVG, 15, lid 1 en lid 3 AVG. De Geschillenkamer wijst erop dat er geruime tijd is verstreken tussen het neerleggen van de laatste conclusie in dit dossier en het nemen van de voorliggende beslissing. De Geschillenkamer neemt dit verstrijken van tijd in rekening bij het bepalen van de gepaste maatregel in dit dossier. Desalniettemin is het nog steeds – minstens om herhalingen van inbreuken in de toekomst te vermijden – gepast de historische inbreuken vast te stellen en de verweerder te wijzen op haar verantwoordelijkheid ter zake. Op deze verantwoordelijkheid is te dezen voldoende gewezen door het aanwenden van de berisping als sanctie. 122. De Geschillenkamer oordeelde dat de Y2 (de tweede verweerder) een inbreuk heeft gepleegd op artikel 12, lid 3 AVG. De Geschillenkamer merkt echter op dat die inbreuk onopzettelijk gebeurde en het gevolg was van een éénmalige menselijke fout. Daarom beslist de Geschillenkamer dat het volstaat om een berisping te formuleren voor bovenvermelde inbreuk. Beslissing ten gronde 200/2025 - 33/33 overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.42, dan wel via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.). (Get). Hielke HIJMANS Directeur van de Geschillenkamer 42 Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.