1/17 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 24/2020 van 14 mei 2020 Dossiernummer : DOS-2019-02902 Betreft : Gebrek aan transparantie in de privacyverklaring van een verzekeringsmaatschappij. De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter en de heren Dirk Van Der Kelen en Jelle Stassijns, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; . . . Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 heeft de volgende beslissing genomen inzake: - X, hierna “klager”; - Y, hierna “verweerder”.
(47)De gerechtvaardigde belangen van een verwerkingsverantwoordelijke, waaronder die van een verwerkingsverantwoordelijke aan wie de persoonsgegevens kunnen worden verstrekt, of van een derde, kan een rechtsgrond bieden voor verwerking, mits de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene niet zwaarder wegen, rekening houdend met de redelijke verwachtingen van de betrokkene op basis van zijn verhouding met de verwerkingsverantwoordelijke. Een dergelijk gerechtvaardigd belang kan bijvoorbeeld aanwezig zijn wanneer sprake is van een relevante en passende verhouding tussen de betrokkene en de verwerkingsverantwoordelijke, in situaties waarin de betrokkene een klant is of in dienst is van de verwerkingsverantwoordelijke. In elk geval is een zorgvuldige beoordeling geboden om te bepalen of sprake is van een gerechtvaardigd belang, alsook om te bepalen of een betrokkene op het tijdstip en in het kader van de verzameling van de persoonsgegevens redelijkerwijs mag verwachten dat verwerking met dat doel kan plaatsvinden. De belangen en de grondrechten van de betrokkene kunnen met name zwaarder wegen dan het belang van de verwerkingsverantwoordelijke wanneer persoonsgegevens worden verwerkt in omstandigheden waarin de betrokkenen redelijkerwijs geen verdere verwerking verwachten. Aangezien het aan de wetgever staat om de rechtsgrond voor persoonsgegevensverwerking door overheidsinstanties te creëren, mag die rechtsgrond niet van toepassing zijn op de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitvoering van hun taken. De verwerking van persoonsgegevens die strikt noodzakelijk is voor fraudevoorkoming is ook een gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke in kwestie. De verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van direct marketing kan worden beschouwd als uitgevoerd met het oog op een gerechtvaardigd belang. Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 noodzakelijk is voor fraudevoorkoming een gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke is. 30. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat niettegenstaande de bewering van de verweerder dat geen gezondheidsgegevens worden verwerkt voor de doeleinden in 4.3. van de privacyverklaring, waaronder het doeleinde “het voorkomen van misbruik en fraude”, uit het toestemmingsformulier nochtans duidelijk blijkt dat de uitdrukkelijke toestemming wordt gevraagd om gezondheidsgegevens te verwerken voor o.a. “preventie, opsporing en onderzoek van verzekeringsfraude”. De Geschillenkamer stelt hier vast dat er een incoherentie is tussen wat de verweerder in zijn conclusie beweert en wat het toestemmingsformulier bepaalt en komt hierop terug bij de beoordeling van de transparantieverplichting die rust op de verweerder. 31. Het doeleinde opgenomen in onderdeel 8 van punt 4.3. van de privacyverklaring “het verstrekken van informatie, ongeacht de communicatiemiddelen, over de commerciële acties, producten en diensten van de verzekeringsmaatschappij en van de groep waartoe het behoort”, dat moet worden gekwalificeerd als direct marketing, is eveneens mogelijk op basis van het gerechtvaardigd belang3, maar moet samen worden gelezen met art. 21.2. AVG waarin is bepaald dat de betrokkene te allen tijde het recht heeft om bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens voor direct marketing, met inbegrip van profilering die betrekking heeft op direct marketing. Ook hierop komt de Geschillenkamer terug bij de beoordeling van de transparantieverplichting in hoofde van de verweerder. 32. Voor de overige doeleinden opgenomen in 4.3. van de privacyverklaring is de Geschillenkamer van oordeel dat er geen sprake is van een gerechtvaardigd belang in hoofde van de verweerder dat zwaarder zou wegen dan de belangen en de grondrechten van de klager tot bescherming van zijn persoonsgegevens. 33. Overweging 47 waarin staat dat een gerechtvaardigd belang aanwezig kan zijn wanneer er sprake is van een relevante en passende verhouding tussen de betrokkene en de verwerkingsverantwoordelijke, in situaties waarin de betrokkene een klant is, houdt volgens de Geschillenkamer niet in dat in het kader van die verhouding waarbij de klager optreedt als klant van de verweerder, een gegevensverwerking mogelijk zou zijn voor om het even welk doeleinde. De verweerder toont op geen enkele wijze aan waaruit zijn gerechtvaardigd belang dan wel zou bestaan en laat ook na aan te tonen in hoeverre zijn belang zwaarder zou 3 Overweging 47, laatste zin van de AVG Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 doorwegen dan de belangen en grondrechten van de klager, hoewel hij daartoe is gehouden op grond van zijn verantwoordingsplicht (art. 5.2. AVG). 34. De Geschillenkamer is bijgevolg van oordeel dat de inbreuk op art. 6.1. AVG is bewezen, aangezien de gegevensverwerking voor de doeleinden vermeld in de onderdelen 1, 2, 3 4, 6 en 7 van punt 4.3. van de privacyverklaring, zonder enig aangetoond gerechtvaardigd belang, gebaseerd dient te zijn op de toestemming van de klager bij gebrek aan enige andere mogelijk toepasselijke rechtsgrond in art. 6.1. AVG. De diversiteit van de doeleinden opgesomd in 4.3. van de privacyverklaring brengt de Geschillenkamer tot het besluit dat voor elk van die doeleinden afzonderlijk de mogelijkheid moet worden geboden aan de klager, en bij uitbreiding aan alle betrokkenen die gebruik maken van de dienst aangeboden door de verweerder, om al dan niet in te stemmen met de verwerking van zijn persoonsgegevens. De Geschillenkamer verwijst hieromtrent naar de Richtsnoeren inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/6794, waarin het volgende is bepaald: een dienst kan meerdere verwerkingsactiviteiten voor meerdere doeleinden omvatten. In dergelijke gevallen zouden betrokkenen vrij moeten kunnen kiezen welk doeleinde ze accepteren, in plaats van toestemming te moeten verlenen voor een pakket verwerkingsdoeleinden. In een bepaald geval kan het, volgens de AVG, gerechtvaardigd zijn om meerdere toestemmingen te moeten verkrijgen voor met het aanbieden van een dienst wordt begonnen.
- b)Doeleinden in punt 6. van de privacyverklaring – Verwerkingsgrond (art. 6.1. AVG) 35. Naast 4.3. van de privacyverklaring stelt de klager dat ook voor wat betreft punt 6 van de privacyverklaring, dat betrekking heeft op de doorgifte van persoonsgegevens aan derden, zich een probleem stelt omdat hij ook hier niet de keuze krijgt aangeboden om al dan niet met de doorgifte van zijn persoonsgegevens aan derden akkoord te gaan. De klager stelt dat doorgiften aan derden niet zonder toestemming zijn toegelaten, tenzij daarvoor een wettelijke verplichting bestaat. 4 Richtsnoeren van de Groep Gegevensbescherming Artikel 29 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679, blz. 11: Overweging 43 verduidelijkt dat de toestemming wordt geacht niet vrijelijk te zijn verleend als het proces/de procedure voor het verkrijgen van toestemming niet toestaat dat betrokkenen afzonderlijke toestemming verlenen voor verschillende persoonsgegevensverwerkingen (bijvoorbeeld alleen voor bepaalde verwerkingsactiviteiten en niet voor anderen), ondanks het feit dat dit in het individuele geval passend is. In Overweging 32 staat "De toestemming moet gelden voor alle verwerkingsactiviteiten die hetzelfde doel of dezelfde doeleinden dienen. Indien de verwerking meerdere doeleinden heeft, moet toestemming voor elk daarvan worden verleend". Indien de verwerkingsverantwoordelijke verschillende doeleinden voor verwerking heeft samengevoegd, en niet heeft getracht om voor elk doel afzonderlijke toestemming te krijgen, is er sprake van een gebrek aan vrijheid. Deze granulariteit is nauw verwant aan het vereiste dat toestemming specifiek moet zijn, zoals nader beschreven in paragraaf 3.2 hieronder. In het geval gegevensverwerking plaatsvindt ter verwezenlijking van verschillende doeleinden, ligt de oplossing om te voldoen aan de voorwaarden voor geldige toestemming in granulariteit, d.w.z. de scheiding van deze doeleinden en het verkrijgen van toestemming voor elk doel. Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 36. De verweerder voert aan zich niet alleen te beroepen op de toestemming als wettelijke grondslag voor de doorgifte van persoonsgegevens aan derden, maar zich daarentegen ook, naargelang het geval, te beroepen op de uitvoering van de overeenkomst, het gerechtvaardigd belang en de wettelijke verplichting en preciseert voor elk van de categorieën van derden, vermeld in 6. van de privacyverklaring, telkens op welke rechtsgrond de doorgifte is gebaseerd. 37. De verweerder stelt uitdrukkelijk dat in de mate dat het om een doorgifte van gezondheidsgegevens gaat, de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene is vereist. Dit is enkel het geval voor de doorgifte aan “Verzekeringstussenpersonen, voor gegevens over gezondheid, in schadevergoedingsoverzichten en in de kopie van het verzekeringscontract met eventuele uitsluitingen en/of bijpremies, als de betrokken persoon hen vooraf expliciet en geïnformeerd toestemming heeft gegeven” (punt 6, tweede onderdeel van de privacyverklaring). Bij de overige doorgiften vermeld in 6. van de privacyverklaring stelt de verweerder dat het andere persoonsgegevens dan gezondheidsgegevens betreft, zodanig dat de toestemming van de betrokkene daartoe niet is vereist. 38. De Geschillenkamer merkt op dat slechts in één enkel geval gezondheidsgegevens worden verwerkt en de verweerder daartoe de toestemming voor de doorgifte vermeld in punt 6, tweede onderdeel verkrijgt, zodanig dat zich op dit vlak geen probleem stelt en de verweerder handelt in overeenstemming met art. 9.2.
- a)AVG. 39. De verweerder baseert zich op de uitvoering van de overeenkomst (art. 6.1.
- b)AVG) als rechtsgrond voor de doorgifte aan volgende derden: “Ziekenfondsen, voor het mogelijk maken van vergoedingen; Eén of meerdere verzekeringsmaatschappijen in geval van medeverzekering, bijstand en/of terugvordering van kosten in geval van aansprakelijkheid van een derde partij bij het ontstaan van de schade; Bankinstellingen; Post-, transport- en bezorgbedrijven om onze post beter te kunnen verzenden” (6., derde, vierde, achtste en negende onderdeel van de privacyverklaring). De Geschillenkamer oordeelt dat deze doorgiften zijn gebaseerd op een geldige rechtsgrond. 40. Hetzelfde is het geval voor de doorgiften aan derden die gebaseerd zijn op een wettelijke verplichting (art. 6.1.
- c)AVG), nl. de doorgifte aan: “De verzekeringsombudsman in geval van een geschil; Belasting- en sociale administraties, vanwege de wettelijke verplichtingen van de zorgverzekeraar; De openbare toezichthoudende en controlerende autoriteiten vanwege de wettelijke verplichtingen van de verzekeringsmaatschappij” (punt 6., zevende, tiende, elfde en twaalfde onderdeel van de privacyverklaring). Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 41. Voor de doorgifte aan “Verzekeringstussenpersonen voor de statistische doeleinden van gecodeerde gegevens die zij op verzoek van de betrokken persoon zullen toelichten en produceren” (punt 6, eerste onderdeel van de privacyverklaring) voert de verweerder aan dat het louter om statistische informatie zou gaan die geen persoonsgegevens bevat. De Geschillenkamer beschikt over geen enkel stuk waaruit het tegendeel blijkt. 42. De Geschillenkamer stelt evenwel vast dat voor zowel de doorgifte aan “De maatschappijen van W waartoe de verzekeringsmaatschappij behoort, voor monitoring en rapportering”, als de doorgifte aan “Subcontractanten in de Europese Unie of daarbuiten, verantwoordelijk voor verwerkingsactiviteiten gedefinieerd door de verzekeringsmaatschappij”, de verweerder zich baseert op zijn gerechtvaardigd belang als rechtsgrond voor de verwerking. 43. De verweerder toont echter op geen enkele wijze aan waaruit zijn gerechtvaardigd belang zou bestaan en laat ook na aan tonen in hoeverre zijn belang zwaarder zou doorwegen dan de belangen en grondrechten van de klager, hoewel hij daartoe is gehouden op grond van zijn verantwoordingsplicht (art. 5.2 en 24 AVG). De Geschillenkamer wijst hierbij ook nogmaals op de vereisten voor het gebruik van de verwerkingsgrondslag gerechtvaardigd belang die voortvloeien uit de eerder aangehaalde rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. 5 44. De Geschillenkamer is bijgevolg van oordeel dat ook voor wat betreft de doorgifte van persoonsgegevens aan de derden de inbreuk op art. 6.1. AVG is bewezen, aangezien de gegevensverwerking voor de doorgiften aan derden vermeld in onderdeel 5 en 6 opgenomen onder 6. van de privacyverklaring, zonder enig aangetoond gerechtvaardigd belang, gebaseerd dient te zijn op de toestemming van de klager bij gebrek aan enige andere mogelijk toepasselijke rechtsgrond in art. 6.1. AVG.
- c)Transparante informatie (art. 5.1. a), art. 12.1. en art. 13.1. en 13.2. AVG) - Punt 4.3. privacyverklaring 45. Ingevolge de AVG is de verwerkingsverantwoordelijke verplicht om de betrokkene op een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal te informeren (art. 5.1. a), art. 12.1. en art. 13.1. AVG). De Geschillenkamer 5 Zie voetnoot 1, hierboven. Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 stelt vast dat, met betrekking tot 4.3. en 6. van de privacyverklaring, de verweerder tekort komt aan die verplichting. 46. Vooreerst laat de verweerder na een duidelijk onderscheid te maken tussen de verwerking van gezondheidsgegevens enerzijds, en de verwerking van de andere ‘gewone’ persoonsgegevens anderzijds en dit zowel voor elk van de doeleinden van 4.3. van de privacyverklaring, als voor elk van de doorgiften van 6. van de privacyverklaring. Dergelijk onderscheid is nochtans van fundamenteel belang om te bepalen op welke rechtsgrond de verwerking kan worden gebaseerd voor een welbepaald doeleinde of doorgifte aan een derde (art. 13.1.
- c)AVG). 47. De verweerder bepaalt in 4. van de privacyverklaring: “Persoonsgegevens worden verwerkt voor de volgende doeleinden:” Gezondheidsgegevens zijn echter ook persoonsgegevens, dus kan er zoals de klager stelt wel degelijk uit worden afgeleid dat onderdeel 4.3. dan ook betrekking heeft op gezondheidsgegevens. De toestemming wordt immers gevraagd voor de verwerking van gezondheidsgegevens en vervolgens beroept de verweerder zich in 4.3. van de privacyverklaring op het gerechtvaardigd belang om “persoonsgegevens” te verwerken voor de daarin vermelde doeleinden. De verweerder maakt in 4.3. geen onderscheid tussen ‘gewone’ persoonsgegevens en gezondheidsgegevens. 48. Bovendien creëert de verweerder onduidelijkheid door te beweren geen gezondheidsgegevens te verwerken voor het in 4.3. vermelde doeleinde “het voorkomen van misbruik en fraude”, terwijl het toestemmingsformulier nochtans vermeldt dat de uitdrukkelijke toestemming wordt gevraagd om gezondheidsgegevens te verwerken voor o.a. “preventie, opsporing en onderzoek van verzekeringsfraude”. 49. Daarnaast vermeldt de privacyverklaring enkel dat voor de in 4.3. vermelde doeleinden persoonsgegevens worden verwerkt op basis van het gerechtvaardigd belang van de verweerder zonder aan te geven waaruit dat gerechtvaardigd belang dan precies zou bestaan, terwijl art. 13.1.
- d)AVG wel degelijk vereist dat de verwerkingsverantwoordelijke ertoe is gehouden om de betrokkene informatie te verstrekken omtrent zijn gerechtvaardigde belangen, indien de verwerking op artikel 6, lid 1, punt f), is gebaseerd. Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 50. De Geschillenkamer verwijst ook naar de Richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig Verordening (EU) 2016/6796, die benadrukken dat het specifieke belang in kwestie moet worden geïdentificeerd ten behoeve van de betrokkene. 51. Als beste praktijk kan de verwerkingsverantwoordelijke ook, voordat persoonsgegevens van de betrokkene worden verzameld, de betrokkene informatie verstrekken over de afweging die moet worden gemaakt om artikel 6, lid 1, onder f), als rechtsgrond voor de verwerking te kunnen gebruiken. Om informatiemoeheid te voorkomen kan deze informatie worden opgenomen in een gelaagde privacyverklaring/ mededeling.7 De aan betrokkenen verstrekte informatie moet duidelijk maken dat zij op verzoek informatie over de afweging kunnen ontvangen. Dit is essentieel voor een doeltreffende transparantie wanneer betrokkenen twijfels hebben over de billijkheid van de gemaakte afweging of een klacht willen indienen bij een toezichthoudende autoriteit. 52. De Geschillenkamer stelt daarenboven vast dat de privacyverklaring de mogelijkheid voor de betrokkene om zijn recht van bezwaar uit te oefenen niet vermeldt. Dit vormt een inbreuk op art. 12.1. AVG waarin is bepaald dat de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen dient te nemen om de betrokkene te informeren omtrent o.a. het in art. 21.2. AVG gewaarborgde recht op bezwaar. 53. Voor het doeleinde opgenomen in onderdeel 8 van 4.3. van de privacyverklaring “het verstrekken van informatie, ongeacht de communicatiemiddelen, over de commerciële acties, producten en diensten van de verzekeringsmaatschappij en van de groep waartoe het behoort”, dat moet worden gekwalificeerd als direct marketing, is op grond van art. 21.2. AVG vereist dat de betrokkene te allen tijde het recht heeft om bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens voor direct marketing, met inbegrip van profilering die betrekking heeft op direct marketing. Uit geen enkel stuk blijkt dat de klager werd geïnformeerd over zijn recht om bezwaar te maken tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens voor direct marketing. Aldus vormt dit een inbreuk op art. 13.2.
- b)AVG. - Punt 6. privacyverklaring 54. Ook in punt 6. van de privacyverklaring wordt niet steeds de rechtsgrond vermeld voor de doorgifte aan elk van de onderscheiden categorieën van derden. Enkel in punt 6., tweede onderdeel wordt de toestemming vermeld als rechtsgrond (art. 6.1.
- a)AVG); in punt 6., tiende 6 Richtsnoeren van de Groep gegevensbescherming artikel 29 inzake transparantie overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, goedgekeurd op 29 november 2017, laatstelijk herzien en goedgekeurd op 11 april 2018, blz. 42. 7 Zie paragraaf 35 van de richtsnoeren bedoeld in voetnoot 6. Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 en elfde onderdeel wordt verwezen naar de wettelijke verplichtingen van de verweerder, in punt 6., twaalfde onderdeel wordt verwezen naar de wettelijke verplichting waaraan de betrokkene desgevallend onderworpen is voor de betaling van de internationale belasting (art. 6.1.
- c)AVG). 55. In de overige gevallen van doorgiften aan derden wordt in punt 6. van de privacyverklaring geen melding gemaakt van de rechtsgrond. 56. Dit is wel het geval in de conclusie die de verweerder in het kader van de procedure voor de Geschillenkamer heeft bezorgd en waarin telkens de verwerkingsgrondslag wordt vermeld voor elke doorgifte vermeld in 6. van de privacyverklaring. Met het oog op transparantie moet de verwerkingsgrondslag voor alle doorgiften in de privacyverklaring worden vermeld opdat de verweerder zijn verplichting op grond van art. 13.1
- c)AVG zou naleven. Dit is evenwel niet het geval, zodat de Geschillenkamer van oordeel is dat er sprake is van een inbreuk op art. 13.1.
- c)AVG. 57. Ook voor wat betreft 6. van de privacyverklaring geeft de verweerder in zijn argumentatie niet aan waaruit zijn gerechtvaardigd belang, waarop hij zich beroept, zou bestaan om persoonsgegevens van de klager te verwerken met als doeleinde de doorgifte aan “De maatschappijen van W waartoe de verzekeringsmaatschappij behoort, voor monitoring en rapportering” en “Subcontractanten in de Europese Unie of daarbuiten, verantwoordelijk voor verwerkingsactiviteiten gedefinieerd door de verzekeringsmaatschappij”. Nochtans vereist art. 13.1.
- d)AVG wel degelijk dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene informatie dient te verstrekken omtrent zijn gerechtvaardigde belangen, indien de verwerking op artikel 6, lid 1, punt f), is gebaseerd. De Geschillenkamer verwijst daarbij opnieuw naar de Richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 8 en het daaromtrent hierboven gestelde. 58. Al deze vaststellingen leiden ertoe dat de Geschillenkamer van oordeel is dat de verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van art. 13.1,
- c)en
- d)AVG, alsook art. 13.2.
- b)AVG doordat hij niet de vereiste informatie heeft verstrekt aan de klager en heeft nagelaten de passende maatregelen te nemen opdat de klager de in de artikelen 13 bedoelde informatie en de in art. 21.2 AVG bedoelde communicatie in verband met de verwerking zou ontvangen, zoals voorgeschreven door art. 12.1. AVG. 8 Zie voetnoot 6. Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 59. Hieruit volgt dat de verweerder het basisbeginsel dat persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (art. 5.1.
- a)AVG), niet heeft gerespecteerd. Bovendien, in zoverre de verweerder zich beroept op zijn gerechtvaardigd belang als rechtsgrond voor de hierboven gepreciseerde gegevensverwerkingen, voldoet hij niet aan zijn verantwoordingsplicht (art. 5.2. AVG) en kan het gerechtvaardigd belang dus niet als geldige rechtsgrond worden beschouwd in de zin van art. 6.1. AVG.
- d)Gegevensbeschermingseffectbeoordeling 60. De klager wenst inzage te krijgen in de gegevensbeschermingseffectbeoordeling (hierna GBEB) van verweerder. Volgens de klager is een GBEB verplicht voor verweerder aangezien het gaat om verwerkingen die een hoog risico impliceren voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen. 61. De verweerder benadrukt echter er niet toe gehouden te zijn een GBEB uit te voeren, aangezien zij reeds sedert jaar en dag gezondheidsgegevens verwerkt in het kader van haar verzekeringsactiviteiten en voor reeds bestaande verwerkingen een GBEB in beginsel slechts is vereist indien de risico’s voor de rechten en vrijheden voor natuurlijke personen na 25 mei 2018 veranderen. De verweerder voert aan dat er geen wijziging in die zin heeft plaatsgevonden. De verweerder baseert zich daarvoor op de Aanbeveling van de Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 01/2018 van 28 februari 2018 met betrekking tot de gegevensbeschermingseffectbeoordeling en voorafgaande raadpleging 9, en de Richtsnoeren voor gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en bepaling of een verwerking “waarschijnlijk een hoog risico inhoudt” in de zin van Verordening 2016/679 10. 62. De Geschillenkamer is van oordeel dat in zoverre de verweerder gezondheidsgegevens verwerkt, het inderdaad gaat om een bestaande verwerking met een hoog risico, maar dat er geen indicatie is dat de risico’s voor de rechten en vrijheden voor natuurlijke personen na 25 mei 2018 zijn gewijzigd, rekening houdend met de aard, de omvang, de context en de doeleinden van de verwerking, waardoor een GBEB noodzakelijk zou zijn. Van enige inbreuk op art. 35 en/of art. 36 AVG is dan ook geen sprake. 63. De Geschillenkamer voegt hieraan evenwel toe dat zij ook op dit punt de voormelde Richtsnoeren voor gegevensbeschermingseffectbeoordelingen volgt, waarin is opgenomen dat 9 https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/sites/privacycommission/files/documents/aanbeveling_01_2018_0.pdf 10 https://ec.europa.eu/newsroom/article29/item-detail.cfm?item_id=611236 Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 het een goede praktijk is om een gegevensbeschermingseffectbeoordeling continu te herzien en regelmatig opnieuw te beoordelen. Zelfs als een gegevensbeschermingseffectbeoordeling niet vereist is op 25 mei 2018, is het derhalve nodig dat de verwerkingsverantwoordelijke op het juiste moment een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uitvoert als onderdeel van zijn algemene verantwoordingsplicht. 64. Aangaande het verzoek van de klager om desbetreffende GBEB te ontvangen, wijst de Geschillenkamer erop dat verwerkingsverantwoordelijke de AVG geen verplichting tot het publiceren van bevat een voor de GBEB. De verwerkingsverantwoordellijke beslist autonoom om de GBEB al dan niet te publiceren, met als doel het vertrouwen te wekken in de verwerkingen van de verwerkingsverantwoordelijke, en om blijk te geven van verantwoording en transparantie zonder dat daartoe evenwel de volledige GBEB wordt gepubliceerd11. De Geschillenkamer is evenwel van oordeel dat het een bijzonder goede praktijk is dat verwerkingsverantwoordelijken overwegen om ten minste delen te publiceren, zoals een samenvatting of een conclusie van hun gegevensbeschermingseffectbeoordeling. 65. Het feit dat er geen verplichting tot communicatie van de GBEB is in hoofde van de verweerder en daarmee gepaard gaand er ook geen recht voor de klager is om inzage te krijgen in een GBEB, kan de Geschillenkamer derhalve niet ingaan op het verzoek van de klager waardoor hij de GBEB zou kunnen verkrijgen.
- e)Inbreuken op de AVG en op te leggen sancties 66. De gevolgen van de niet-nakomingen van de verantwoordelijkheden als verwerkingsverantwoordelijke, vormen een risico voor de rechten en vrijheden van de klager. Overweging 75 AVG stelt dat elk ‘maatschappelijk nadeel’ als gevolg van de persoonsgegevensverwerking relevant kan worden geacht onder de AVG. 67. De Geschillenkamer stelt vast dat een inbreuk op art. 5.1. a), art. 5.2., art. 6.1., art. 12.1., art. 13.1.
- c)en
- d)en 13.2.
- b)AVG, is bewezen en het passend is te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht met deze artikelen van de AVG (art. 58.2.
- d)AVG en art. 100, §1 9° WOG), alsook om naast deze corrigerende maatregel een administratieve geldboete op te leggen (art. 83.2. AVG; art. 100, §1, 13° WOG en art. 101 WOG). 11 Richtsnoeren van de Groep Gegevensbescherming artikel 29 voor gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en bepaling of een verwerking “waarschijnlijk een hoog risico inhoudt” in de zin van Verordening 2016/679 Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 68. Meer in het bijzonder stelt de Geschillenkamer de volgende inbreuken vast: Inbreuk op art. 6.1. AVG : o de gegevensverwerking voor de doeleinden vermeld in de onderdelen 1, 2, 3 4, 6 en 7 van punt 4.3. van de privacyverklaring, zonder enig aangetoond gerechtvaardigd belang, is ten onrechte niet gebaseerd op toestemming van de klager bij gebrek aan enige andere mogelijk toepasselijke rechtsgrond in art. 6.1. AVG. o de gegevensverwerking voor de doorgiften aan derden vermeld in onderdeel 5 en 6 opgenomen onder 6. van de privacyverklaring, zonder enig aangetoond gerechtvaardigd belang, is ten onrechte niet gebaseerd op toestemming van de klager bij gebrek aan enige andere mogelijk toepasselijke rechtsgrond in art. 6.1. AVG. Inbreuk op de in artikel 5.2. AVG vastgelegde verantwoordingsplicht, in zoverre de verweerder zich beroept op zijn gerechtvaardigd belang als rechtsgrond voor de hierboven gepreciseerde gegevensverwerkingen. Inbreuk op art. 12.1., art. 13.1,
- c)en
- d)AVG, alsook op art. 13.2.
- b)AVG, in zoverre de verweerder niet de vereiste informatie heeft verstrekt aan de klager en heeft nagelaten de passende maatregelen te nemen opdat de klager de in de artikelen 13 bedoelde informatie en de in art. 21.2 AVG bedoelde communicatie in verband met de verwerking zou ontvangen, in het bijzonder. o de punten 4.3 en 6 van de privacyverklaring geen duidelijk onderscheid maken tussen de verwerking van gezondheidsgegevens enerzijds, en de verwerking van de andere ‘gewone’ persoonsgegevens anderzijds. o geen informatie wordt verstrekt aan de betrokkene omtrent zijn gerechtvaardigde belangen. o geen passende maatregelen zijn genomen om de betrokkene te informeren omtrent o.a. het in art. 21.2. AVG gewaarborgde recht op bezwaar. o de verwerkingsgrondslag voor alle doorgiften niet in de privacyverklaring worden vermeld. Inbreuk op het in art. 5.1.
- a)vastgelegde basisbeginsel dat persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is. 69. Naast de corrigerende maatregel om de verwerking in overeenstemming te brengen met artikel 5.1. a), artikel 5.2., artikel 6.1., artikel 12.1., artikel 13.1.
- c)en
- d)en artikel 13.2.
- b)AVG, beslist de Geschillenkamer ook tot het opleggen van een administratieve geldboete die er niet toe strekt om een gemaakte overtreding te beëindigen, maar wel met het oog op een krachtige handhaving van de regels van de AVG. Zoals blijkt uit Overweging 148, verlangt de Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 AVG dat bij ernstige inbreuken straffen, met inbegrip van administratieve geldboeten, naast of in plaats van passende maatregelen worden opgelegd. 12 De Geschillenkamer doet dit in toepassing van artikel 58.2
- i)AVG. Het instrument van administratieve boete heeft dus geenszins tot doel inbreuken te beëindigen. Daartoe voorzien de AVG en de WOG in een aantal corrigerende maatregelen, waaronder de bevelen genoemd in artikel 100, §1, 8° en 9° WOG. 70. Rekening houdend met artikel 83 AVG en de rechtspraak 13 van het Marktenhof, motiveert de Geschillenkamer het opleggen van een administratieve sanctie in concreto: - De ernst van de inbreuk: uit de voorgaande motivering blijkt de ernst van de inbreuk.. - De duur van de inbreuk: uit hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht in de procedure voor de Geschillenkamer blijkt niet dat de inbreuk is beëindigd en dus voort heeft geduurd tot 25 januari 2020. Daarbij houdt de Geschillenkamer geen rekening met aanpassingen verricht nadat de debatten omtrent de vaststellingen zijn gesloten. - De nodige afschrikwekkende werking om verdere inbreuken te voorkomen. 71. Wat de aard en de ernst van de inbreuk betreft (art. 83.2
- a)AVG) benadrukt de Geschillenkamer dat de naleving van de beginselen bepaald in art. 5 AVG – in voorliggend geval inzonderheid verantwoordingsplicht het – transparantieessentieel is, en omdat rechtmatigheidsbeginsel, het fundamentele alsook de beginselen van gegevensbescherming betreft. De Geschillenkamer beschouwt de inbreuken van de verweerder op het rechtmatigheidsbeginsel dat wordt gepreciseerd in art. 6 AVG en het transparantiebeginsel dat concreet is vastgelegd in de artikelen 12 en 13 AVG, dan ook als een ernstige schending. 72. Hoewel er geen gezondheidsgegevens van de betrokkenen worden verwerkt zonder de daartoe vereiste uitdrukkelijke toestemming en de verweerder zich beroept op een andere verwerkingsrechtsgrond voor wat betreft de gegevens die niet vallen onder een bijzonder beschermingsregime in de AVG, is de Geschillenkamer van mening dat de relatief grote impact van de vastgestelde inbreuken die alle verzekerden betreffen die zich via een hospitalisatieverzekering aangesloten hebben bij de verzekeringsmaatschappij, in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de administratieve geldboete. 12 Overweging 148 bepaalt: “Met het oog op een krachtiger handhaving van de regels van deze verordening dienen straffen, met inbegrip van administratieve geldboeten, te worden opgelegd voor elke inbreuk op de verordening, naast of in plaats van passende maatregelen die door de toezichthoudende autoriteiten ingevolge deze verordening worden opgelegd. Indien het gaat om een kleine inbreuk of indien de te verwachten geldboete een onevenredige last zou berokkenen aan een natuurlijk persoon, kan in plaats van een geldboete worden gekozen voor een berisping. Er dient evenwel rekening te worden gehouden met de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, met het opzettelijke karakter van de inbreuk, met schadebeperkende maatregelen, met de mate van verantwoordelijkheid, of met eerdere relevante inbreuken, met de wijze waarop de inbreuk ter kennis van de toezichthoudende autoriteit is gekomen, met de naleving van de maatregelen die werden genomen tegen de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, met de aansluiting bij een gedragscode en met alle andere verzwarende of verzachtende factoren. Het opleggen van straffen, met inbegrip van administratieve geldboeten, moet onderworpen zijn aan passende procedurele waarborgen overeenkomstig de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest, waaronder een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijke rechtsbedeling. 13 Hof van Beroep Brussel (sectie Marktenhof), Arrest 2020/1471 van 19 februari 2020. Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 73. Het geheel van de hierboven uiteengezette elementen rechtvaardigt een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie als bedoeld in art. 83 AVG, rekening houdend met de daarin bepaalde beoordelingscriteria. De Geschillenkamer wijst erop dat de andere criteria van art. 83.2. AVG in dit geval niet van aard zijn dat zij leiden tot een andere administratieve geldboete dan die welke de Geschillenkamer in het kader van deze beslissing heeft vastgesteld.
- f)Wetgevend kader: verhouding tussen vrije toestemming en verstrekken van gezondheidsgegevens in het kader van hospitalisatieverzekering 74. Volledigheidshalve wenst de Geschillenkamer de aandacht te vestigen op de bredere problematiek die moet worden aangekaart in samenhang met de klacht, namelijk de verzameling van gezondheidsgegevens door verzekeraars bij de potentiële verzekeringnemers via hun uitdrukkelijke toestemming (art. 9.2.
- a)AVG) in het kader van het afsluiten en uitvoeren van een hospitalisatieverzekering en de daarmee gepaard gaande vraag in welke mate de toestemming van die verzekeringnemers vrij kan zijn. De vraag rijst of er anders dan de uitdrukkelijke toestemming, andere mogelijke verwerkingsgronden zijn op basis waarvan de gezondheidsgegevens door verweerder in de uitvoering van de hospitalisatieverzekering verwerkt kunnen worden. 75. Artikel 9 lid 4 van de AVG bepaalt dat de lidstaten bijkomende voorwaarden mogen stellen met betrekking tot de verwerking van onder andere gezondheidsgegevens. In de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot verwerking van persoonsgegevens, waarin uitvoering is gegeven aan de AVG, zijn geen specifieke bepalingen opgenomen waarin de verwerking van gevoelige persoonsgegevens in het kader van verzekeringen nader wordt geregeld. De verweerder merkt op dat een nationaal wetgevend kader in deze ontbreekt. Op dit ogenblik kan de Geschillenkamer dit standpunt enkel bijtreden en opmerken dat de wetgever in dat verband zou moeten tussenkomen om specifiek voor de verzekeringssector een wettelijke basis te voorzien die toelaat om binnen welomschreven grenzen gezondheidsgegevens in te zamelen in het kader van de (pre)contractuele verhouding tussen verzekeraar en verzekeringnemer.
- g)Publicatie van de beslissing 76. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de Beslissing ten gronde 24/2020- 17/17 Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt. OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om: - op grond van art. 100, §1, 9° WOG, de verweerder te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht met art. 5.1.a); art. 5.2., art. 6.1., art. 12.1. en 13.1.
- c)en
- d)en 13.2.
- b)AVG. - op grond van art. 100, §1, 13° WOG en art. 101 WOG een administratieve geldboete op te leggen van 50.000 EUR. Tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, §1 WOG, beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. (get.) Hielke Hijmans Voorzitter van de Geschillenkamer kennisgeving, bij het Marktenhof, met de