← België

Beslissing ten gronde nr. 29/2020

1/14 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 29/2020 van 8 juni 2020 Dossiernummer: DOS-2019-03885 Betreft: Klacht van de heer X tegen mevrouw Y - gebruik van een professioneel e- mailadres voor de correspondentie betreffende kosten voor alimentatie in het kader van een familiegeschil De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Christophe Boeraeve, leden, behandelt de zaak in deze samenstelling; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit , hierna WOG; Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, hierna ‘Wet inzake gegevensbescherming’; Gelet op het reglement van interne orde van de Gegevensbeschermingsautoriteit, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Beslissing ten gronde 29/2020 - 2/14 Heeft de volgende beslissing genomen inzake: - de klager en verweerder in reconventie: de heer X; - de verweerster en klaagster in reconventie: mevrouw Y. I. Historiek van de procedure Gelet op de klacht die door de heer X op 15 juli 2019 neergelegd werd bij de Gegevensbeschermingsautoriteit; Gelet op de beslissing van 6 augustus 2019 van de Eerstelijnsdienst van de Gegevensbeschermingsautoriteit waarin de klacht ontvankelijk werd verklaard en op dezelfde dag aan de Geschillenkamer werd overgemaakt; Gelet op de beslissing van 26 augustus 2019 van de Geschillenkamer om het dossier ten gronde te behandelen op grond van de artikelen 5 § 1, 1° en 98 van de WOG; Gelet op de aangetekende brief van 26 augustus 2019 via dewelke de Geschillenkamer enerzijds de klacht en de stukken aan de verweerder heeft overgemaakt en anderzijds de partijen heeft uitgenodigd om hun argumenten te formuleren volgens een vastgesteld tijdschema; Gelet op de e-mail van 12 september 2019 via dewelke de klager een kopie van het dossier eist en vraagt om alle communicatie via elektronische weg te ontvangen; Gelet op de kopie van het dossier die de Geschillenkamer hem via e-mail op 12 september 2019 heeft doorgestuurd; Gelet op de e-mail van 16 september 2019 waarin de verweerster vraagt om haar conclusies via elektronische weg mee te delen, en het antwoord, via e-mail, van de Geschillenkamer van 17 september 2019, met herhaling van de procedure die gevolgd dient te worden; Gelet op de eerste conclusies van de verweerster, ontvangen op 24 september 2019; Gelet op de conclusies van de klager, ontvangen op 14 oktober 2019; Gelet op het antwoord van de verweerster, ontvangen op 6 november

  1. Beslissing ten gronde 29/2020 - 3/14 II. Feiten en voorwerp van de klacht De klager, de heer X, ex-echtgenoot van de verweerster, mevrouw Y, heeft het hoederecht gekregen over hun dochter Z, na een vonnis van de familierechtbank, en organiseert de verdeling van de schoolkosten
  2. De klacht betreft het gebruik door de verweerster van het professionele e-mailadres van de klager om de trimestriële kostenstaat voor hun kind mee te delen, in het kader van de uitvoering van het vonnis
  3. In zijn klacht verklaart de heer X dat hij aan mevrouw Y, via een e-mail op 30 juni 2019 om 16 uur, gevraagd heeft om zijn e-mailadres X@V.com niet meer te gebruiken in kopie van e-mails over de kosten (met name medische kosten) en grieven betreffende de voogdij van hun kind. Hierbij heeft de heer X aan de verweerster uitgelegd dat het e-mailadres geraadpleegd wordt door derden, waardoor de communicatie van de klaagster via dit e-mailadres vanuit zijn standpunt een ernstige inbreuk op de AVG is: “Ik wil u vragen om het V-emailadres niet meer te gebruiken omdat ik al jaren niet meer bij dat bedrijf werk en uw berichten dus door de systeembeheerders gelezen worden (professioneel e-mailadres is eigendom van V). Hiermee begaat u een ernstige inbreuk op de AVG-regelgeving”. Vier uur later gebruikt de verweerster nog steeds het e-mailadres van het bedrijf V in cc van haar antwoord met nieuwe grieven betreffende de uitvoering van het vonnis. Hierop reageert de klager op 30 juni 2019 om 20.17 uur met een e-mail waarin hij herhaalt dat hij uitdrukkelijk gevraagd had om zijn oude werkgever buiten het e-mailverkeer te houden. Hij benadrukt dat het volgens hem over een verspreiding van vertrouwelijke gegevens betreffende een minderjarig kind aan derden gaat, en kondigt aan dat hij klacht gaat indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit. III. De conclusies van de verweerster 1 De Geschillenkamer neemt akte van het bestaan van dat vonnis, waar de partijen naar verwijzen, zonder het echter als stuk voor te leggen. De Geschillenkamer baseert zich dus op de omschrijving van de partijen betreffende de inhoud van dat vonnis en veronderstelt dat de manier waarop de kwartaalstatus van de uitgaven doorgegeven dient te worden niet in het vonnis vermeld wordt. 2 Gezien de tekst van het vonnis niet als stuk werd voorgelegd, baseert de Geschillenkamer zich op de - niet betwiste omschrijving van de partijen en begrijpt ze, gezien de aard van de klacht en de debatten die eruit voortvloeien, dat de communicatiemodaliteiten tussen de partijen niet vastgelegd zijn in dit vonnis, net zomin als in een ander document betreffende de scheidingsprocedure tussen de partijen. Beslissing ten gronde 29/2020 - 4/14 In haar conclusies van 24 september 2019, als antwoord op de klacht, legt de verweerster haar situatie als volgt uit: “De feiten die de heer X aanhaalt, zijn onjuist en buiten de context.

(1)De heer X levert geen enkel bewijs dat hij voor bedrijf V gewerkt heeft en dat het adres hem toebehoort/toebehoorde en in welke functie. Voor de familierechtbank heeft hij nooit bevestigd dat hij bij dat bedrijf gewerkt heeft maar maakte hij gewag van een zeer laag inkomen in België. Bovendien werd er vanuit het e-mailadres geen enkel automatisch antwoord verstuurd. Bestaat het adres X@V.com nog, wordt het gecontroleerd, en indien ja, door wie? Het is op zijn zachtst gezegd vreemd dat een bedrijf van de omvang van V geen automatisch antwoord heeft ingesteld voor mensen die berichten naar dit e-mailadres sturen.
(2)De heer X heeft toegestemd om dit e-mailadres te gebruiken. Hij heeft nooit gereageerd of opmerkingen gemaakt en heeft zich nooit verzet in al die maanden dat ik dit e-mailadres gebruikte om met hem te communiceren. Zoals u in zijn bewijsstukken kunt zien, heeft hij zich sinds maart 2019 niet verzet. Het is pas vanaf eind juni 2019, nadat hij het vonnis van de familierechtbank in een zaak over onze dochter ontvangen heeft, dat hij zijn ongenoegen toont en met een gerechtelijke procedure dreigt.
(3)De heer X gebruikt mijn professionele adres Y@W.be (zoals u kunt zien in de stukken die door de heer X neergelegd zijn) zonder mijn akkoord met betrekking tot het dossier over mijn dochter. Ik heb hem nooit mijn professionele e-mailadres meegedeeld. Bij deze zou ik, in reconventie, klacht willen indienen tegen de heer X, aangezien hij sinds 2018 mijn professionele e-mailadres gebruikt om te communiceren over mijn minderjarige dochter Z.” Het tweede argument hieronder verwijst naar een e-mailcorrespondentie uit april 2019, door de verweerder vermeld in zijn klacht (stuk 1.2), en waarin gesproken wordt over de terugbetaling van verschillende zorgen, met gebruik van het e-mailadres X@V.com en Y@W.be. IV. De conclusies van de klager In zijn conclusies van 14 oktober 2019, als aanvulling op zijn klacht, verduidelijkt de klager dat het professionele e-mailadres waarvan sprake aan hem toegekend is door het bedrijf V in het kader van een in het verleden gesloten dienstenovereenkomst, en dat, volgens hem, het uitblijven van een antwoord of een foutmelding op de e-mails van de verweerster, bewijst dat het adres actief is en dat de e-mails die aan hem gericht zijn, gelezen worden door het bedrijf V met de bedoeling, veronderstelt hij, er relevante informatie voor zijn bedrijfsactiviteiten uit te halen. Beslissing ten gronde 29/2020 - 5/14 De klager toont niet aan dat hij zich vóór 30 juni 2019 over het gebruik van dit e-mailadres beklaagd zou hebben. De klager beweert overigens dat de verweerster hem nooit verboden heeft om het emailadres van het bedrijf W te gebruiken. Het professionele e-mailadres van mevrouw Y zou naar zijn weten enkel gelezen worden door mevrouw Y, aangezien deze persoon de enige bedrijfsleider van het bedrijf W is. Bijgevolg zou geen enkele informatie van de klager bij derden beland zijn, behalve als de verweerster die informatie zelf doorgestuurd zou hebben. De klager vraagt dus om “de verweerster te veroordelen tot de betaling van het hoogst mogelijke bedrag, met betrekking tot haar formeel en voldoende bewezen wil om zich vrijwillig en bewust te onttrekken aan de bepalingen van de Algemene verordening gegevensbescherming met het uitdrukkelijke doel om schade te berokkenen”. V. Het antwoord van de verweerster In een e-mail op 6 november 2019 formuleert de verweerster haar laatste antwoord als volgt: “De heer X geeft nog steeds geen enkel bewijs van zijn baan bij het bedrijf V. Bestaat dat e- mailadres wel echt? Werd het adres toegekend aan hem of aan een andere persoon met dezelfde naam? We weten evenmin iets over het gebruik van dit e-mailadres door de heer X. Wanneer en hoelang heeft hij voor het bedrijf V gewerkt? In welke functie? De heer X verbergt vrijwillig zijn baan als consultant voor externe bedrijven voor de familierechtbank. De heer X legt nog steeds niet uit waarom hij zich, gedurende vier maanden, niet verzet heeft tegen mijn weinige (drie in totaal) berichten naar dit e-mailadres. Hij heeft enkel en alleen klacht tegen mij ingediend nadat hij het vonnis van de familierechtbank gekregen heeft. Men moet zich de vraag stellen waarom hij pas in de zomer klacht tegen mij indient. De heer X ontkent niet dat hij mijn professionele e-mailadres gebruikt heeft. Hij vertelt niet waarom hij dat gedaan heeft. De heer X geeft niet aan welke schade hij geleden heeft doordat ik gebruik heb gemaakt van het e-mailadres in kwestie, waarvan we overigens nog steeds niet weten of het ooit van hem geweest is. De heer X vraagt wel een boete. Zijn verklaringen tonen eerder een persoonlijke frustratie tegen het vonnis van de familierechtbank en een gevoel van haat jegens mij. Ik verzoek de rechtbank stil te staan bij deze vraag, die vooral voortkomt uit persoonlijke haat.” VI. Wat betreft de redenen van de beslissing Wat betreft de context van de klacht en de mogelijkheid deze te behandelen Beslissing ten gronde 29/2020 - 6/14 De Geschillenkamer neemt nota van het feit dat de klacht geformuleerd is in het kader van de uitvoering van een vonnis van de familierechtbank en betrekking heeft op het communicatiekanaal, namelijk het professionele e-mailadres van de klager, dat de verweerster gekozen heeft om het vonnis uit te voeren en haar trimestriële kostenstaten aan de klager te versturen 3. De Geschillenkamer is van oordeel dat de klager er goed aan gedaan zou hebben om zich over dit onderwerp tot de Eerstelijnsdienst van de GBA te richten. Hij zou om een bemiddeling verzocht kunnen hebben om voor beide partijen uit te klaren welk communicatiekanaal het meest geschikt is om het vonnis uit te voeren. De Eerstelijnsdienst van de Gegevensbeschermingsautoriteit had, indien er een verzoek (informatievraag in de betekenis van artikel 22 § 2 van de WOG) en geen klacht ingediend zou zijn, beide partijen kunnen opleggen om in de toekomst hun persoonlijke en niet-professionele emailadressen te gebruiken. In het bijzonder zou de Eerstelijnsdienst de verweerster geïnformeerd kunnen hebben over de noodzaak om een geschikt kanaal voor communicatie met de andere partij (niet-professioneel) te kiezen om te vermijden dat de communicatie terechtkomt bij derden die geen kennismoeten hebben van de persoonsgegevens waar de klacht betrekking op heeft, met name de gegevens over het geschil met haar ex-man voor de familierechtbank en de gegevens over de gezondheid van haar dochter, welke gezondheidsgegevens overigens een bijzondere bescherming volgens artikel 9 van de AVG rechtvaardigen. In dit geval heeft de Geschillenkamer het aangewezen geacht om de argumenten van de partijen te horen, aangezien de feiten in de klachten met name betrekking hebben op de gezondheidsgegevens van een minderjarig kind en mogelijk schade kunnen berokkenen aan het professionele leven van de klager. De Geschillenkamer vindt het in het bijzonder belangrijk om opheldering te geven over de juiste werkwijze in situaties als deze, waarbij persoonsgegevens van minderjarigen in het kader van de uitvoering van de vonnissen van familierechtbanken betrokken zijn. De Geschillenkamer wil het indienen van klachten in deze context echter niet aanmoedigen en behoudt zich de mogelijkheid voor om, naargelang de gevallen, dergelijke klachten te seponeren om de partijen te verwijzen naar een bemiddelingsprocedure bij de Eerstelijnsdienst. Het is weliswaar de taak van de Gegevensbeschermingsautoriteit om de indiening van klachten te faciliteren (art. 57.2 van de AVG), maar niet om de overhaaste indiening van klachten aan te moedigen, zonder ruimte te laten voor bemiddeling en een voorafgaande denkoefening, zoals in het huidige geval waarin de klager zijn klacht bij de GBA indiende en dit, volgens de geleverde stukken, slechts enkele uren nadat hij de klaagster had verwittigd dat hij geen kostenstaten van zijn dochter meer wenste te ontvangen via het professionele e-mailadres @V.com, en terwijl uit de eigen stukken 3 Gezien de tekst van het vonnis niet als stuk werd voorgelegd, baseert de Geschillenkamer zich op de omschrijving ervan door de partijen en begrijpt ze, gezien de aard van de klacht, dat de communicatiemodaliteiten tussen de partijen niet vastgelegd zijn in dit vonnis. Beslissing ten gronde 29/2020 - 7/14 van de klager blijkt dat hij in april 2018 de communicatie betreffende de kostenstaten van zijn dochter zowel naar het hotmail-adres als naar het @W.be-adres van de verweerster verstuurde (stuk 1.2 van de klacht), en het tijdens de procedure bovendien gebleken is dat het e-mailadres @W.be een professioneel e-mailadres is dat toegewezen is aan de bvba waarvan de verweerster de bedrijfsleider is. Wat betreft de bevoegdheid van de Geschillenkamer om kennis te nemen van de vordering in reconventie die door de verweerster bij conclusie is ingediend De Geschillenkamer acht het aangewezen om meer duiding te geven bij de reikwijdte van haar bevoegdheid wat betreft de sanctie die de verweerster bij conclusie 'in reconventie' voor de klager heeft gevraagd. De procedureregels van de Geschillenkamer, zoals vastgelegd in de WOG en het reglement van interne orde, geven niet de mogelijkheid om dergelijke verzoeken in te dienen. Het betreft een mechanisme beschreven en omkaderd in het Gerechtelijk Wetboek (artikelen 807 en volgende), dat als dusdanig niet aanvullend van toepassing is op de Geschillenkamer, waarvan de procedure specifiek is, eerder van onderzoekende dan van beschuldigende aard, om de redenen uitgelegd in de beslissing ten gronde nr. 17/2020 van 28 april 2020. De Geschillenkamer is een administratief orgaan van de Gegevensbeschermingsautoriteit en behoort als dusdanig niet tot de hoven en rechtbanken van de gerechtelijke orde, zoals verduidelijkt in artikel 4 § 2 van de WOG. De Geschillenkamer is het 'administratief geschillenorgaan' van de Gegevensbeschermingsautoriteit (art. 32 van de WOG). De geschillenbeslechtingsprocedure is van administratieve en niet van jurisdictionele aard4. De beslissingen van de Geschillenkamer zijn onderworpen aan een beroep in volledige rechtsmacht bij een rechtbank van rechterlijke orde, namelijk het Marktenhof. Die beroepsprocedure garandeert dat de rechten van de verdediging worden nageleefd omdat de Geschillenkamer, als orgaan van administratieve aard, punten van burgerlijk recht kan aansnijden en hierdoor niet onderworpen is aan het Gerechtelijk Wetboek5. Hoewel het mechanisme van reconventionele vorderingen van het Gerechtelijk Wetboek niet tot de competenties van de Geschillenkamer behoort, kan de Geschillenkamer wel rekening houden met de feiten of grieven die later via een conclusie door de partijen zijn uitgewerkt, voor zover het gaat om juridische feiten of argumenten die verband houden met de vermeende inbreuk die aanleiding heeft gegeven tot de klacht en voor zover de rechten van de verdediging gerespecteerd worden. De 4 Zie advies 61 267/AV van de Raad van State van 15 juni 2017 over de aard van de Geschillenkamer als een jurisdictioneel of administratief orgaan. Het wetsontwerp betreffende de WOG is gewijzigd om elke onzekerheid betreffende het administratieve karakter van dit orgaan uit te sluiten, zowel wat betreft de samenstelling als de procedurele dimensie (DOC 54 2648, p. 8). 5 HvB Brussel, 23 oktober 2019, 2019/AR/1234, blz. 17, noot 1 onderaan de bladzijde. Beslissing ten gronde 29/2020 - 8/14 bevoegdheid van de Geschillenkamer is gebaseerd op de feitelijke elementen die in de klacht zijn aangehaald, krachtens artikel 92, 1° van de WOG. De Geschillenkamer is echter niet bevoegd om een auto-saisine uit te voeren over de feiten of grieven die geen verband houden met de feiten en grieven van de oorspronkelijke klacht. In die zin, als de verweerster het opportuun zou achten om haar eigen grieven ten aanzien van de klager in te dienen, moet ze een nieuwe klacht bij de Eerstelijnsdienst van de Gegevensbeschermingsautoriteit indienen. In een dergelijke hypothese kan de Geschillenkamer dan beslissen om die klachten als samenhangend geheel te behandelen, indien ze onderling zo nauw verbonden zijn dat het beter is om ze samen te onderzoeken en te beslechten, om tegenstrijdige oplossingen te voorkomen 6. In dit geval heeft de verweerster, als antwoord op de klacht, een nieuw feit onder de aandacht van de Geschillenkamer gebracht, met name het feit dat de klager haar professionele adres gebruikt heeft om te communiceren over de uitvoering van het vonnis van de familierechtbank. De Geschillenkamer kan er niet mee akkoord gaan om dit nieuwe feit te behandelen als een reconventionele vordering om de klager te bestraffen. De Geschillenkamer is evenwel bevoegd om dit nieuwe feit in verband met de feiten van de klacht te onderzoeken, om te bepalen of er al dan niet sprake zou zijn van verzachtende of verzwarende omstandigheden ten aanzien van de verweerster, in de zin van artikel 83 van de AVG, al naargelang het al dan niet bewezen is dat de klager tegenover haar hetzelfde gedrag zou hebben aangenomen als het gedrag dat hem in de feiten van de klacht verweten wordt, en voor zover de Geschillenkamer het opportuun acht om een sanctie op te leggen. Wat betreft de inbreuken op de AVG Het gebruik van een e-mailadres voor het versturen van berichten betreft een verwerking van persoonsgegevens. Er moet dan ook een gepaste rechtsgrond voor zijn, gebaseerd op de mogelijkheden van artikel 6 van de AVG (bijvoorbeeld de uitvoering van een wettelijke verplichting, een gerechtvaardigd belang, een toestemming, enz.). In dit geval, volgens de gegevens die aan de Geschillenkamer zijn overgemaakt, heeft het vonnis van de familierechtbank opgelegd aan de klager een trimestriële kostenstaat te sturen, zonder het hiervoor gebruikte communicatiemiddel te preciseren. Standaard dient die informatie verstuurd te worden naar het postadres van de klager (in principe een openbaar persoonsgegeven) of het e-mailadres dat hij 6 De Geschillenkamer sluit niet uit dat de wetgever het op een dag opportuun acht om dit procedurepunt te verklaren in een koninklijk besluit ter verduidelijking van de WOG op dat punt. Een dergelijke bepaling werd bijvoorbeeld ingediend bij het koninklijk besluit van 26 januari 2018 tot vastlegging van de procedure voor geschillenbeslechting vermeld in artikel 4 van de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector (BS 8 februari 2018). Beslissing ten gronde 29/2020 - 9/14 daarvoor meegedeeld heeft, normaal gezien zijn privé-e-mailadres. In die omstandigheden is de Geschillenkamer van oordeel dat de enige juiste rechtsgrond voor de verwerking van dat professionele e-mailadres het toestemmingsprincipe (art. 6.1, a van de AVG) zou zijn, en dat de verweerster zich niet kan beroepen op een gerechtvaardigd belang (art. 6.1, f van de AVG) om de gegevensverwerking te verantwoorden, zoals hieronder verder wordt uiteengezet.  Ontbreken van een wettelijke grondslag voor de verwerking van de betrokken persoonsgegevens Het is aan de verweerster om aan te tonen dat ze toestemming gekregen zou hebben om het professionele e-mailadres @V.com van de klager te gebruiken voor het versturen van de kostenstaten van haar dochter. De verweerster geeft geen bewijs van een dergelijke toestemming. Op basis van de feitelijke elementen die aan haar zijn overgemaakt, stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerster minstens één keer het professionele e-mailadres van de verweerder heeft gebruikt zonder over de noodzakelijke toestemming te beschikken, namelijk door op 30 juni 2019 de uitdrukkelijke vraag van de klager om dit adres niet te gebruiken, te negeren. Hierdoor heeft de verweerster een inbreuk gepleegd op artikel 6.1 van de AVG. In de beide gevallen leveren de partijen geen bewijs van het bestaan van een betwisting over het gebruik van hun respectieve professionele adressen (@V.com en @W.
  1. be)vóór de e-mailuitwisseling van 30 juni 2019 die aanleiding heeft gegeven tot de klacht. De Geschillenkamer neemt echter nota van de nadere omschrijving van elke partij betreffende hun wens om hun professionele adres in de toekomst niet meer te gebruiken in het kader van de uitvoering van het vonnis van de familierechtbank waarvan sprake. Het is de verantwoordelijkheid van de verweerster om over een juiste wettelijke grondslag te beschikken voor het versturen, via e-mail, van persoonsgegevens van haar kind, waaronder gegevens over haar gezondheid. In dit geval konden de gegevens in kwestie rechtmatig verwerkt worden in het kader van de uitvoering van het vonnis tussen de partijen, voor zover het ging om een verwerking die 'noodzakelijk was om te voldoen aan een wettelijke verplichting' waaraan de verweerster, de verwerkingsverantwoordelijke van die gegevens, onderworpen is, met name, het doorsturen van de kostenstaten aan de klager (art. 6.1, c van de AVG). Het is overigens toegestaan om gegevens over gezondheid te verwerken als die verwerking 'noodzakelijk' is voor de uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering (art. 9.1, f van de AVG). Dezelfde verplichting inzake wettelijke grondslag geldt voor het versturen, via e-mail, van persoonsgegevens betreffende een familiegeschil met de tegenpartij. In dit geval konden de gegevens in kwestie ook rechtmatig verwerkt worden in het kader van de uitvoering van het vonnis tussen de Beslissing ten gronde 29/2020 - 10/14 partijen, aangezien het eveneens ging om een verwerking die ‘noodzakelijk was om te voldoen aan een wettelijke verplichting” waaraan de verweerster onderworpen is (art. 6.1, c van de AVG). Zoals inderdaad aangegeven in de klacht dient de verweerster ‘trimestrieel een kostenstaat over het gemeenschappelijke kind van de partijen op te stellen en te versturen’. Deze verwerkingen van persoonsgegevens dienen echter beperkt te worden tot het nagestreefde doel, namelijk de uitvoering van een gerechtelijk bevel (art. 5.1 van de AVG). De verwerkingen moeten bovendien uitgevoerd worden met inachtneming van de beveiliging (vertrouwelijkheid) van die gegevens (art. 32 van de AVG). Dat houdt onder meer in dat er geen persoonsgegevens, a fortiori gegevens over de gezondheid, gecommuniceerd mogen worden op een manier dat ze mogelijk verspreid worden aan derden die er geen kennis van moeten hebben. Een dergelijke overdracht van persoonsgegevens aan derden is in strijd met de beveiliging en het doeleinde van de verwerking, zoals toegestaan door de artikelen 6.1, a en c juncto 9.1, f van de AVG, namelijk de uitvoering van het vonnis. Het is de taak van beide partijen om ervoor te zorgen dat de gebruikte communicatiemethode een gepast beveiligingsniveau (vertrouwelijkheid) garandeert voor de gegevens van de tegenpartij en de gezondheidsgegevens van het betrokken kind, enerzijds, en anderzijds, dat de aldus meegedeelde gegevens verenigbaar zijn met en beperkt zijn tot de beoogde doelstelling, namelijk de communicatie tussen de partijen over de kostenstaten, in uitvoering van het vonnis van de familierechtbank. In haar hoedanigheid van verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens van haar minderjarige dochter in het kader van het geschil, is de verweerster ertoe gehouden de beginselen van de bescherming van persoonsgegevens na te leven en dient ze in staat te zijn om aan te tonen dat die beginselen nageleefd worden (verantwoordingsbeginsel – artikel 5.2. van de AVG). Ze dient overigens alle noodzakelijke maatregelen in dat opzicht te nemen (artikel 24 van de AVG), met name de passende organisatorische en beveiligingsmaatregelen wat betreft de verwerking van dergelijke gegevens via e-mails, om in het bijzonder te kunnen vermijden dat ze gelezen worden door derden die er geen kennis van moeten hebben. In dit geval laat de klager op 30 juni 2019 via e-mail duidelijk aan de verweerster weten dat de persoonsgegevens die verstuurd werden naar het adres @V.com mogelijk gelezen kunnen worden door derden. Het behoort de verweerster, uit voorzorg, toe om geen gegevens over de gezondheid van haar dochter naar dit adres te sturen, afgezien van de verplichting - zoals hierboven besproken om de wil van de klager betreffende het al dan niet gebruiken van dit communicatiekanaal na te leven.  Verduidelijking bij de wettelijke grondslag 'gerechtvaardigd belang' Beslissing ten gronde 29/2020 - 11/14 De Geschillenkamer wil erop wijzen dat de verweerster volgens haar geen enkel gerechtvaardigd belang heeft op basis van artikel 6.1, f van de AVG, om persoonsgegevens, waaronder gegevens over de gezondheid van haar dochter, te versturen naar het professionele e-mailadres van de klager om haar betwisting betreffende het bedrag van het ontvangen alimentatiegeld mogelijk te ondersteunen7. Artikel 6.1, f van de AVG geeft toestemming voor de verwerking van persoonsgegevens wanneer de verwerking ”noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is” . De jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist bovendien dat de verwerkingsverantwoordelijke die artikel 6.1, f van de AVG8 wil inroepen, beantwoordt aan ”drie cumulatieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is, te weten, in de eerste plaats, de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derde(
  2. n)aan wie de gegevens worden verstrekt, in de tweede plaats, de noodzakelijkheid van de verwerking van de persoonsgegevens voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang, en, in de derde plaats, het feit dat de fundamentele rechten en vrijheden van de bij de gegevensbescherming betrokken persoon niet prevaleren”.9 In dit geval beweert de verweerster niet en toont ze a fortiori niet aan dat ze een dergelijk gerechtvaardigd belang kan inroepen. De Geschillenkamer benadrukt dat het belang van de verweerster om haar verdediging voor de familierechtbank of in beroep te staven, niet als rechtvaardiging gebruikt kan worden voor het doorsturen aan derden van persoonsgegevens van haar dochter die a fortiori minderjarig was op het moment van de feiten. De Geschillenkamer is van oordeel dat het fundamentele recht van het kind op bescherming van zijn persoonsgegevens - a fortiori omdat het over gezondheidsgegevens gaat - prevaleert boven het eventuele belang van de moeder om de klager te laten reageren over het al dan niet bestaan van zelfstandige activiteiten binnen het bedrijf V, voor zover een dergelijke gegevensverwerking noodzakelijk is voor het inroepen van een gerechtvaardigd belang, hetgeen niet is aangetoond. 7 De Geschillenkamer verwijst in dat opzicht naar het laatste antwoord van de verweerster en de gestelde vragen over de professionele activiteiten van de klager “De heer X geeft nog steeds geen enkel bewijs van zijn baan bij het bedrijf V. Bestaat dat e-mailadres wel echt? Werd het adres toegekend aan hem of aan een andere persoon met dezelfde naam? We weten evenmin iets over het gebruik van dit e-mailadres door de heer X. Wanneer en hoelang heeft hij voor het bedrijf V gewerkt? In welke functie? De heer X verbergt vrijwillig zijn baan als consultant voor externe bedrijven voor de familierechtbank.” (laatste antwoord van de verweerster, e-mail van 6 november 2019). 8 Het voormalige artikel 7, punt f van richtlijn 95/46, vermeld in het arrest van het Hof, betreffende richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PB L 281 van 23/11/1995, blz. 0031, vervangen door de AVG. 9 HJEU, 4 mei 2017, C-13/16, Rīgas, ECLI:EU:C:2017:336, para 28, ECLI:EU:C:2019:1064, en 11 december 2019, C-708/18, Asociaţia de Proprietari bloc M5A-ScaraA “M5A-ScaraA”, para 40. Beslissing ten gronde 29/2020 - 12/14 Dezelfde redenering gaat trouwens op voor de overdracht van gegevens betreffende het geschil dat de verweerster en de klager voor de familierechtbank tegenover elkaar plaatst. Tot slot, bij het ontbreken van een gerechtvaardigd belang, houdt de Geschillenkamer rekening met de vrijheid van de klager om als zelfstandige medewerker zaken te doen10 met bedrijf V, en de mogelijke schade aan de eventuele toekomstige professionele relaties met dit bedrijf door de herhaaldelijke overdracht van persoonsgegevens betreffende een geschil in het familierecht. Over dit discussiepunt is de Geschillenkamer eveneens van oordeel dat het fundamentele recht van de klager om zijn persoonsgegevens te beschermen en zijn recht op vrij ondernemen, prevaleren boven het eventuele belang van de verweerster om de klager te laten reageren over het al dan niet bestaan van zelfstandige activiteiten binnen het bedrijf V, voor zover een dergelijke gegevensverwerking noodzakelijk is voor het inroepen van een gerechtvaardigd belang, hetgeen niet is aangetoond. Door via e-mail, naar het adres @V.com, gegevens door te sturen betreffende de gezondheid van haar dochter, evenals gegevens betreffende haar geschil met de klager, nadat ze van laatstgenoemde de duidelijke informatie had gekregen dat het e-mailadres in kwestie door derden gelezen zou kunnen worden, begaat de verweerster een inbreuk op de artikelen 5.1, 6.1 (
  3. a)en (
  4. c), 9.1 (f), 24 et 32 van de AVG. VII. Wat betreft de corrigerende maatregelen en de sancties Overeenkomstig artikel 100 WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 10 De vrijheid van ondernemerschap wordt vermeld in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en maakt deel uit van de fundamentele rechten en vrijheden waaraan het belang van de verwerkingsverantwoordelijke of derde persoon getoetst moet worden om te komen tot een beslissing over het al dan niet bestaan van een gerechtvaardigd belang om persoonsgegevens in een bijzondere omstandigheid te behandelen (zie Groep 29, Advies 06/2014 van 9 april 2014 over het begrip gerechtvaardigd belang van de voor de gegevensverwerking verantwoordelijke in artikel 7 van richtlijn 95/46/EG, WP217, blz. 38). Beslissing ten gronde 29/2020 - 13/14 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. In dit verband houdt de Geschillenkamer, op het moment van de bepaling van de sanctie, rekening met het feit dat de klager ook gebruikmaakte van het professionele adres van de verweerster11 om haar zijn antwoorden en grieven betreffende de uitvoering van het vonnis van de familierechtbank door te sturen. De verweerster heeft de ernst van de inbreuk dus mogelijk verkeerd ingeschat toen ze vrijwillig besloot om geen rekening te houden met de eis van de klager om zijn professionele emailadres niet meer te gebruiken voor het doorsturen van de kostenstaten van hun dochter. Zoals eerder al werd aangegeven is de Geschillenkamer evenwel niet bevoegd om ten aanzien van de klager een beslissing of sanctie te nemen betreffende het 'reconventionele' deel van de grieven van de verzoekster, namelijk het gebruik door de klager van het professionele e-mailadres van de verweerster. De Geschillenkamer is echter van oordeel, onder voorbehoud, dat de klager er goed aan zou doen om het professionele e-mailadres van de verzoekster in de toekomst niet meer te gebruiken. Het feit dat het adres gekoppeld is aan een bedrijf waarvan de verweerster afgevaardigd bestuurder is, verhindert niet dat deze gegevens mogelijk door derden (bv. secretaris, enz.) geraadpleegd kunnen worden. De Geschillenkamer spreekt dan ook ten aanzien van de verweerster een waarschuwing voor de toekomst uit: elk nieuw gebruik van dit professionele adres in het kader van de uitvoering van dit vonnis (met name voor het versturen van trimestriële kostenstaten) zal een schending van de hierboven vermelde artikelen van de AVG betekenen. Indien de Geschillenkamer weet krijgt van nieuwe gelijkaardige feiten, zou zij een verbod voor de verwerking kunnen bevelen en een boete kunnen uitspreken, aangezien beide partijen nu voldoende geïnformeerd zijn over de na te leven AVG-regels binnen de context van de uitvoering van de beslissing van de familierechtbank met betrekking tot het versturen van de kostenstaten van het kind van de partijen. 11 E-mail van de klager aan de verweerster van 18 april, stuk 1.2 van de klager. Beslissing ten gronde 29/2020 - 14/14 De Geschillenkamer vraagt de klager en de verweerster om elke escalatie van dit familiale conflict te vermijden en te kiezen voor bemiddeling voor de verwerking van gegevens met betrekking tot de uitvoering van dit vonnis van de familierechtbank, in het duidelijke belang van alle betrokken partijen, en van hun kind, van wie de gezondheidsgegevens verwerkt zijn in strijd met de basisprincipes van de AVG. Rekening houdend met het belang van de transparantie van het besluitvormingsproces en de beslissingen van de Geschillenkamer, zal deze beslissing gepubliceerd worden op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit, waarbij de directe identificatiegegevens van de genoemde partijen en personen, zowel rechtspersonen als natuurlijke personen, worden verwijderd. OM DIE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om: - Ten aanzien van de verweerster een waarschuwing uit te spreken op basis van artikel 100 § 1e, 5° van de WOG: elk nieuw gebruik van het professionele e-mailadres van de klager door de verweerster in het kader van de uitvoering van het vonnis van de familierechtbank tussen de partijen, met name voor het versturen van de trimestriële kostenstaten, zal een schending van de artikelen 5.1; 6.1, a en c, 9.1, f, 24 en 32 van de AVG betekenen. Tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, §1 WOG beroep worden aangetekend bij het Marktenhof, binnen een termijn van 30 dagen vanaf de kennisgeving Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. (get.) Hielke Hijmans Voorzitter van de Geschillenkamer ervan, met de

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.