← België

Beslissing ten gronde nr. 30/2022

1/17 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 30/2022 van 4 maart 2022 Dossiernummer: DOS-2021-00495 Betreft: Klacht jegens FOD Financiën ten gevolge van de verwerking van onjuiste persoonsgegevens en de ongeoorloofde mededeling van persoonsgegevens aan derden De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter en de heren Dirk Van Der Kelen en Frank De Smet; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klaagster: Mevrouw X, hierna “de klaagster”; De verweerder: Federale Overheidsdienst Financiën, met maatschappelijke zetel te Koning Albert II-laan 33/015, met ondernemingsnummer 0308.357.159, hierna “de verweerder”. Beslissing ten gronde 30/2022 - 2/17 I. Feiten en procedure

  1. De klacht betreft de vermeende verwerking van onjuiste dan wel niet geactualiseerde gegevens over klaagster door het kantoor Team Invordering Natuurlijke Personen Gent Rand, met als gevolg dat haar persoonsgegevens van fiscale aard tot tweemaal toe op ongeoorloofde wijze zouden zijn onthuld aan haar ex-partner en diens levenspartner.
  2. Klaagster is een belastingplichtige natuurlijke persoon. Gedurende het belastbaar tijdperk (inkomstenjaar 2018) woonde zij wettelijk samen met haar ex-partner te […]. Dit wettelijk samenwonen werd op 26 juni 2019 beëindigd waarna klaagster op 20 juli 2019 verhuisde naar […] en nadien, met ingang van 20 februari 2020, naar haar huidige woonplaats te […].
  3. Op 29 oktober 2019 dienen klaagster en haar ex-partner een gezamenlijke aangifte in de personenbelasting in voor het aanslagjaar 2019, inkomstenjaar
  4. Op 13 mei 2020 wordt aan klaagster en haar ex-partner meegedeeld dat een gemeenschappelijke aanslag is gevestigd. Aan klaagster en haar ex-partner wordt gevraagd om het verschuldigde bedrag te betalen. Tevens worden zij gewezen op de mogelijkheid om een afbetalingsplan aan te vragen in geval van betalingsmoeilijkheden.
  5. Klaagster doet beroep op deze mogelijkheid en vraagt op 7 september 2020 aan de fiscale overheid om een afbetalingsplan toe te staan. Met een e-mail van 7 september 2020 van de fiscale overheid wordt aan klaagster meegedeeld dat haar verzoek om een afbetalingsplan is goedgekeurd. De aanspreektitel van dit bericht luidt “Mijnheer [...], mevrouw [...]1”, terwijl klaagster als bestemmeling van het bericht wordt vermeld, met haar huidige woonplaats.
  6. Op 16 september 2020 wordt aan de ex-partner van klaagster bericht dat er sprake is van een openstaand saldo. Met een bericht van 14 januari 2021 wordt vervolgens aan klaagster en haar ex-partner gevraagd om een saldo aan nalatigheidsinteresten te betalen. Dit bericht wordt verstuurd naar het (voormalige) adres waar klaagster wettelijk samenwoonde met haar ex-partner.
  7. Op 31 januari 2021 dient klaagster een klacht in bij de Eerstelijnsdienst van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Zij beklaagt zich erover dat haar ex-partner inzage heeft kunnen nemen in haar fiscale gegevens.
  8. Op 1 februari 2021 vraagt de Eerstelijnsdienst aan klaagster om de reeds gevoerde communicatie met de fiscale overheid — waaraan wordt gerefereerd in punt 4 — van het klachtformulier over te maken. Klaagster reageert hierop met een bericht van 2 februari 2021 waarin zij gegevens over het afbetalingsplan en uitwisselingen met de verweerder meedeelt. 1 De nieuwe partner van dhr. […]. Beslissing ten gronde 30/2022 - 3/17
  9. Met een e-mail van 3 februari 2021 licht de Eerstelijnsdienst haar vraag van 1 februari 2021 kort toe. Klaagster reageert met een e-mail van 12 februari 2021 waarin zij de e-mail van 31 januari 2021 gericht aan de fiscale overheid meedeelt aan de Eerstelijnsdienst en tevens bevestigt daarop geen reactie te hebben ontvangen.
  10. Op 15 februari 2021 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
  11. Op 11 maart 2021 beslist de Geschillenkamer op grond van de artikelen 63, 2° en 94, 1° WOG een onderzoek te vragen aan de Inspectiedienst.
  12. Op 12 maart 2021 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst, samen met de klacht en de inventaris van de stukken.
  13. Op 16 maart 2021 vraagt de Inspectiedienst aan klaagster om een aantal gegevens mee te delen. Klaagster reageert hierop met een e-mail van 22 maart 2021 waarin zij bovendien bevestigt niet op de hoogte te zijn van de mogelijkheid om haar persoonsgegevens, bijgehouden door verweerder, te doen aanpassen en dat zij hiertoe ondertussen een verzoek heeft gericht aan verweerder.
  14. Op 23 maart 2021 deelt de Dienst voor Informatieveiligheid en Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer van FOD Financiën (hierna: DIVBPL) aan klaagster mee niet bevoegd te zijn om haar verzoek te behandelen en verwijst haar door naar het Contactcenter van verweerder. Met een e-mail van 23 maart 2021 deelt klaagster voornoemde reactie van de DIVBPL mee aan de Inspectiedienst. I.
  15. Inspectieverslag
  16. Op 21 april 2021 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het verslag bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de inspecteur-generaal overgemaakt aan de Voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG). Het verslag bevat vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht en besluit dat het zou ingaan tegen het belang van een efficiënt en proportioneel onderzoek (artikel 64, § 2 WOG) evenals tegen overweging 1412 en artikel 57.1.f AVG3 om verder onderzoek te verrichten aangaande het bezwaar van de klaagster, aangezien: 2 Overweging 141 AVG: […] Het onderzoek dat naar aanleiding van een klacht wordt uitgevoerd, gaat niet verder dan in het specifieke geval passend is en kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing […]. 3 Artikel 57 AVG: Onverminderd andere uit hoofde van deze verordening vastgestelde taken, verricht elke toezichthoudende autoriteit op haar grondgebied de volgende taken: […] f) zij behandelt klachten van betrokkenen, of van Beslissing ten gronde 30/2022 - 4/17 i. de klaagster verduidelijkt heeft dat de klacht enkel gericht is jegens verweerder, en niet tegen haar ex-partner, aangezien ze zelf nooit werd aangeschreven en daarenboven derhalve nooit op de hoogte werd gehouden van openstaande saldo’s; ii. er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens, ook niet na een verdere bevraging van klaagster; iii. er onvoldoende concrete en ernstige aanwijzingen zijn die verder onderzoek toelaten tegen verweerder buiten het bezwaar van klaagster; iv. de klacht een andere problematiek betreft dan de toepassing van het gegevensbeschermingsrecht, namelijk een specifieke discussie over de vraag of klaagster als schuldenaar van fiscale schulden al dan niet correct werd geïnformeerd door de fiscus, en de vraag welke partijen in dat kader wel of niet expliciet moeten worden aangeschreven; v. deze vragen eerder kaderen in de fiscale wetgeving dan in het gegevensbeschermingsrecht, en het derhalve niet is aangetoond dat de GBA bevoegd is om het bezwaar van klaagster te onderzoeken.
  17. Op 20 augustus 2021 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
  18. Op 31 augustus 2021 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen.
  19. In het bijzonder verzoekt de Geschillenkamer de verwerende partij om in haar conclusies nadere toelichting te verstrekken aangaande de mogelijks ongeoorloofde mededeling van gegevens van fiscale en financiële aarde over klaagster aan haar ex-partner, gelet op het feit dat laatstgenoemde en klaagster sedert eind juni 2019 niet langer wettelijk samenwonend waren en overigens op twee verschillende adressen waren ingeschreven op het ogenblik van de aanvraag om een afbetalingsplan. Tevens vraagt de Geschillenkamer dat de beide partijen zouden toelichten in hoeverre het verzoek van klaagster tot uitoefening van haar recht op rectificatie inmiddels werd ingewilligd, en waarom de DIVBPL zich op 23 maart 2021 niet bevoegd achtte om het verzoek van klaagster te behandelen, gelet op een mogelijke overtreding van artikelen 12.2, 12.3 en 16 AVG juncto artikel 8 van de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van organen, organisaties of verenigingen overeenkomstig artikel 80, onderzoekt de inhoud van de klacht in de mate waarin dat gepast is (onderstreping door Geschillenkamer). Beslissing ten gronde 30/2022 - 5/17 persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten4, alsmede een potentiële inbreuk op artikel 7 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur
  20. Voorts verzoekt de Geschillenkamer de verwerende partij om in haar conclusies een standpunt in te nemen over de toepasselijkheid van de AVG op de fiscale wetgeving, gelet op de hiërarchie der normen waarbij het Unierecht in beginsel integraal voorgaat op het nationale recht.
  21. Voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht werd de uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder vastgelegd op 12 oktober 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klaagster op 2 november 2021 en ten slotte deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 23 november
  22. Op 2 september 2021 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG), dewelke hem elektronisch werd overgemaakt op 6 september
  23. 4 Artikel 8 — Binnen de Federale Overheidsdienst Financiën wordt een Dienst voor Informatieveiligheid en Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer opgericht die rechtstreeks onder de bevoegdheid van de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt geplaatst. Deze dienst staat de Functionaris voor gegevensbescherming bij in de uitvoering van zijn opdrachten bepaald in de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende een vrij verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG alsmede bij de maatregelen die zijn genomen om deze Verordening ten uitvoer te leggen. 5 Artikel 7 — Wanneer een persoon aantoont dat een bestuursdocument van een federale administratieve overheid onjuiste of onvolledige gegevens bevat die hem betreffen, is die overheid ertoe gehouden de nodige verbeteringen aan te brengen zonder dat het de betrokkene iets kost. De verbetering geschiedt op schriftelijke aanvraag van de betrokkene, onverminderd de toepassing van een door of krachtens de wet voorgeschreven procedure. De federale administratieve overheid die niet onmiddellijk op een aanvraag om verbetering kan ingaan of ze afwijst, geeft binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag aan de verzoeker kennis van de redenen van het uitstel of de afwijzing. In geval van uitstel kan de termijn niet met meer dan dertig dagen worden verlengd. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de gestelde termijn, wordt de aanvraag geacht te zijn afgewezen. Wanneer de vraag is gericht tot een federale administratieve overheid die niet bevoegd is om de verbeteringen aan te brengen, stelt deze de verzoeker daarvan onverwijld in kennis en deelt hem de benaming en het adres mee van de overheid die naar haar informatie daartoe bevoegd is. Beslissing ten gronde 30/2022 - 6/17 I.
  24. Conclusie van antwoord van de verweerder
  25. Op 11 oktober 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerder. I.2.
  26. Eerste middel — Geen ongeoorloofde mededeling van fiscale gegevens aan de expartner
  27. Verweerder verklaart allereerst dat er geenszins sprake is van een ongeoorloofde mededeling van fiscale gegevens aan de ex-partner van klaagster, aangezien de kwestieuze fiscale gegevens slaan op het inkomstenjaar 2018, het belastbaar tijdperk gedurende hetwelk klaagster nog wettelijk samenwonend was met haar ex-partner.
  28. Voorts stelt verweerder dat wettelijk samenwonenden inzake belastingen gelijkgesteld worden met gehuwden6, dat er lastens wettelijk samenwonenden in principe een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd 7 en dat in principe beide partners met hun eigen en gemeenschappelijke middelen hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de belastingschuld op het inkomen van één van de partners
  29. Bijgevolg is de ex-partner, met betrekking tot de fiscale schuld, geen derde omdat hij (samen met klaagster) hoofdelijk gehouden is tot voldoening ervan ongeacht het feit dat de wettelijke samenwoning ondertussen is beëindigd.
  30. Het feit dat klaagster overigens zelf geen bericht zou hebben ontvangen van de fiscale overheid over het openstaand saldo van de belastingschulden en over de nalatigheidsinteresten, slaat volgens verweerder eerder op een fiscaalrechtelijke kwestie, en niet een probleem over de toepassing van de AVG. I.2.
  31. Tweede middel — Geen verzoek tot rectificatie voorafgaand aan het indienen van de klacht bij de GBA
  32. Aangaande de vraag van klaagster om rectificatie en de reactie van de DIVBPL, leidt verweerder uit het dossier af dat klaagster klacht heeft neergelegd zonder eerst aan verweerder concreet te vragen om haar gegevens te wijzigen of aan te passen. Meer bepaald stelt verweerder dat klaagster, op dezelfde dag waarop zij haar klacht op digitale wijze neerlegde, enkel haar beklag heeft gedaan en kritiek heeft geuit over de werking van de fiscale overheid.
  33. Het is pas na het bericht van 16 maart 2021 van de Inspectiedienst, waarin aan klaagster wordt gevraagd of zij de fiscale overheid heeft verzocht om haar gegevens aan te passen, dat klaagster heeft gereageerd met een bericht gericht aan de fiscale overheid. Meer 6 Artikel 2, § 1, 2° en 3°, van het wetboek van de inkomstenbelastingen
  34. 7 Art. 126, § 1, van het wetboek van de inkomstenbelastingen
  35. 8 Art. 394, § 1, eerste lid, van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; art. 10, § 1, lid 1, van het wetboek van 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen. Beslissing ten gronde 30/2022 - 7/17 bepaald heeft klaagster slechts op 22 maart 2021, en dus na de neerlegging van de klacht, de fiscale overheid verzocht om haar gegevens te controleren en indien nodig aan te passen.
  36. De reden waarom de DIVBPL aan klaagster meedeelde niet bevoegd te zijn om haar verzoek te behandelen, is volgens verweerder te wijten aan het feit dat de DIVBPL de vraag van klaagster onderzocht en beoordeeld heeft en, na vaststelling dat de gegevens van klaagster correct waren geregistreerd, klaagster heeft verwezen naar het Contactcenter van de FOD Financiën om zodoende de inningsdiensten te bereiken, ervan uitgaande dat er misschien een vergissing is gebeurd in de bestanden van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering waartoe de DIVBPL geen toegang heeft.
  37. Verweerder verklaart tevens dat de adresgegevens in de fiscale databanken bijgehouden worden aan de hand van externe gegevens (kruispuntbank ondernemingen, rijksregister, mededelingen van de gemeenten…) maar ook aangepast worden op eenvoudige vraag daartoe van de betrokken belastingplichtige gericht aan de belastingdienst die het fiscaal dossier beheert.
  38. Afsluitend bevestigt verweerder dat de gegevens van klaagster inmiddels werden aangepast door de fiscale diensten. I.2.
  39. Derde middel — Toepasselijkheid van de AVG en rechtmatigheidsgrond voor de verwerking
  40. Ten aanzien van de toepasselijkheid van de AVG op de fiscale wetgeving, verduidelijkt verweerder tot slot dat de Algemene Administratie van de Inning en Invordering op grond van artikel 3 van het wetboek van 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen wettelijk verplicht is om belastingen te innen. Bovendien vormt belastinginning een taak van algemeen belang aangezien het de publieke middelen treft en die taak door de wetgever is opgedragen aan verweerder. Voorts stelt verweerder dat de verwerking in voorliggende zaak noodzakelijk was om de vitale belangen van een andere persoon dan klaagster, namelijk haar ex-partner die hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de belastingschuld met al zijn eigen middelen, te beschermen. Daar de belastinginning ook de middelen treft van de ex-partner, niettegenstaande de wettelijke samenwoning ondertussen beëindigd is, stelt verweerder dat hij ertoe gehouden was om ook de ex-partner in te lichten over de fiscale schuld, het openstaand saldo en de nalatigheidsinteresten.
  41. De Geschillenkamer ontving geen conclusie van repliek van klaagster.
  42. Op 18 november 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van verweerder. Aangezien verweerder geen conclusie van repliek ontving van klaagster, neemt verweerder aan dat klaagster geen conclusie van repliek heeft neergelegd. Beslissing ten gronde 30/2022 - 8/17 Bijgevolg blijft verweerder bij het standpunt zoals ingenomen in de conclusie van antwoord van 11 oktober
  43. II. Motivering II.
  44. Ongeoorloofde mededeling van persoonsgegevens van klaagster aan haar ex-partner
  45. In de klacht van 31 januari 2021 wordt aan verweerder verweten minstens tweemaal fiscale informatie over klaagster te hebben meegedeeld aan de ex-partner waardoor deze laatste ten onrechte inzage zou hebben gekregen in fiscale gegevens over klaagster.
  46. De Geschillenkamer wijst er in dit verband allereerst op dat alle geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens, alsmede bepaalde handmatige verwerkingen, binnen het toepassingsgebied van de AVG vallen, tenzij een — voor deze zaak niet relevante — uitzondering van artikel 2 van de AVG van toepassing is. Dit betekent onder meer dat een verwerking moet zijn gebaseerd op één van de rechtsgrondslagen, als bedoeld in artikel 6 AVG.
  47. Overeenkomstig artikel 4, § 1 WOG is de GBA bevoegd voor “het toezicht op de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens” en het toezicht op de wet van 3 augustus 2012 valt bijgevolg eveneens onder haar bevoegdheid, daar deze integraal betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën. In tegenstelling tot de vaststelling van de Inspectiedienst, stelt de Geschillenkamer vast dat de litigieuze verwerking wel degelijk onder de bevoegdheid van de GBA — en in het bijzonder de Geschillenkamer — valt
  48. Dit vloeit eveneens voort uit het bepaalde in artikel 8 van het Europees Grondrechtenhandvest alsmede uit artikel 51 van de AVG.
  49. In zijn arrest van 1 december 2021, inzake een beslissing gericht tegen de FOD Financiën (dezelfde verwerkingsverantwoordelijke), heeft het Marktenhof bepaald dat er in bepaalde situaties wel sprake kan zijn van een rechtsmisbruik in hoofde van een klager. De Geschillenkamer merkt hierover ten algemene titel op dat rechtsmisbruik in hoofde van een klager niet eenvoudig kan worden vastgesteld. Een andere opvatting zou er toe kunnen leiden dat het nuttig effect van het in de AVG en de WOG vastgelegde klachtrecht — een wezenlijk element van het recht van een natuurlijke persoon op gegevensbescherming — in een concreet geval in gevaar zou kunnen komen
  50. 9 Beslissing ten gronde 66/2021 van 4 juni 2021, para. 65-
  51. 10 Arrest Hof van Beroep Brussel (Sectie 19A, Marktenhof) van 1 december 2021, FOD Financiën t. GBA, 2020/AR/582, pp. 25-
  52. Beslissing ten gronde 30/2022 - 9/17
  53. In deze concrete zaak heeft de Geschillenkamer onderzocht of er in casu sprake zou kunnen zijn van rechtsmisbruik in hoofde van de klaagster. Dienaangaande benadrukt de Geschillenkamer allereerst dat klaagster geenszins de bedragen betwist die zij aan verweerder schuldig is, maar zich erover beklaagt dat haar fiscale gegevens verkeerdelijk werden verstrekt aan derden. Het feit dat klaagster niet uitdrukkelijk om een wijziging van haar gegevens heeft verzocht bij de bevoegde dienst van verweerder, voorafgaand aan het indienen van een klacht bij de Eerstelijnsdienst, kan volgens de Geschillenkamer niet worden aangezien als een indicatie en al zeker niet als sluitend bewijs dat klaagster misbruik maakt van haar klachtrecht onder de AVG.
  54. In casu kon klaagster, toen zij de goedkeuring van haar afbetalingsplan ontving en merkte dat haar ex-partner en diens huidige partner in de aanspreektitel vermeld werden, er redelijkerwijs van uitgaan dat verweerder niet over de juiste persoonsgegevens beschikte. Deze problematiek staat bovendien los van de vaststelling dat klaagster geen bericht zou hebben ontvangen van de fiscale overheid over het openstaand saldo van de belastingschulden en over de nalatigheidsinteresten. Gelet op het voorgaande stelt de Geschillenkamer vast dat de klacht geen rechtsmisbruik uitmaakt.
  55. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de fiscale informatie waarvan de volgens klaagster ongeoorloofde mededeling ten laste wordt gelegd aan de verweerder, de volgende zaken betreft: a. de goedkeuring van een verzoek om afbetalingsplan, dd. 7 september 2020; b. een bericht over het saldo van de belastingschuld, dd. 16 september 2020; c. een verzoek om betaling van nalatigheidsinteresten, dd. 14 januari
  56. De Geschillenkamer zal vervolgens ten aanzien van elk van deze verwerkingen nagaan of deze rechtmatig geschiedden. II.1.
  57. Goedkeuring van een verzoek om afbetalingsplan, dd. 7 september 2020
  58. De Geschillenkamer begrijpt op grond van de door verweerder voorgelegde stukken dat klaagster de goedkeuring van haar verzoek om een afbetalingsplan (a), met vermelding van haar huidige woonplaats doch met de naam en voornaam van haar ex-partner en diens toenmalige partner in de aanspreektitel van dit bericht, zelf heeft ontvangen op 7 september
  59. Vermits deze eerste berichtgeving geenszins aantoont dat de persoonsgegevens van klaagster eveneens aan derden werden bekendgemaakt, oordeelt de Geschillenkamer dat de klacht ongegrond is aangaande deze eerste berichtgeving, voor Beslissing ten gronde 30/2022 - 10/17 wat betreft de ongeoorloofde mededeling van persoonsgegevens van klaagster aan derden
  60. II.1.
  61. Bericht over het saldo van de belastingschuld, dd. 16 september 2020
  62. Ten aanzien van het bericht over het saldo van de belastingschuld (b), dat klaagster op 16 september 2020 ontving van haar ex-partner, stelt de Geschillenkamer vast dat dit bericht kennelijk slaat op het openstaande saldo in het kader van het afbetalingsplan voor de gemeenschappelijke aanslag voor het aanslagjaar 2019, inkomstenjaar 2018, met name toen klaagster en haar ex-partner nog wettelijk samenwonend waren te […].
  63. Verweerder verklaart in zijn verweermiddelen dat de verwerking van persoonsgegevens die gepaard gaan met de inning van belastingen ten eerste voortvloeit uit een wettelijke verplichting die op hem rust, zijnde artikel 3 van het wetboek van 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet fiscale schuldvorderingen
  64. Vervolgens verklaart verweerder dat de belastinginning “een taak van algemeen belang [is] omdat het de publieke middelen betreft” alsmede dat het versturen van een bericht aan een belastingplichtige over een belastingschuld “noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang die aan verweerder is opgedragen”
  65. Tot slot verklaart verweerder dat de verwerking in voorliggende zaak “bovendien noodzakelijk [is] om de vitale belangen van een andere persoon dan klaagster (nl. de ex-partner die hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de belastingschuld met al zijn eigen middelen) te beschermen”
  66. Op grond van de stukken in dit dossier alsmede de conclusies ingediend door verweerder, begrijpt de Geschillenkamer dat verweerder in casu op rechtmatige wijze de persoonsgegevens van klaagster heeft verwerkt, in die mate dat de verwerking voortvloeit uit en noodzakelijk is voor de wettelijke verplichting om fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen in te vorderen, waarmee verweerder is belast krachtens artikel 2 van de Wet van 3 augustus 2012 alsmede artikel 3 van het wetboek van 13 april
  67. Derhalve oordeelt de Geschillenkamer dat de klacht betreffende een ongeoorloofde mededeling van persoonsgegevens van klaagster aan derden ongegrond is, aangezien de berichtgeving dd. 16 september 2020 aan de ex-partner kadert binnen de inning van de verschuldigde belastingschuld ten gevolge van een gemeenschappelijke aanslag voor de inkomsten van 2018 (aanslagjaar 2019)
  68. 11 De Geschillenkamer verwijst voor het overige naar haar sepotbeleid, afdeling 3.1, A.2, beschikbaar op de website van de GBA: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf. 12 Conclusie van antwoord van verweerder, p.
  69. 13 Ibidem, p. 7-
  70. 14 Ibidem, p.
  71. 15 De Geschillenkamer verwijst voor het overige naar haar sepotbeleid, afdeling 3.1, A.2, beschikbaar op de website van de GBA: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf. Beslissing ten gronde 30/2022 - 11/17
  72. De Geschillenkamer wenst evenwel te benadrukken dat de vereiste dat elke gegevensverwerking moet berusten op een van de rechtmatigheidsgronden voorzien in artikel 6 van de AVG16 ook deel uitmaakt van de beginselen van eerlijkheid en transparantie die de verwerkingsverantwoordelijke moet toepassen (artikel 5.1.a, van de AVG – als toegelicht in overweging 39 van de AVG)
  73. Daarnaast herinnert de Geschillenkamer eraan dat de verwerking die op artikel 6.1.d AVG berust noodzakelijk moet zijn “ter bescherming van de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon”. Naast het feit dat het aan de verwerkingsverantwoordelijke toebehoort om tevoren een passende rechtsgrond te bepalen, dienen de voorwaarden van artikel 6.1.d AVG tevens strikt geïnterpreteerd te worden, met als gevolg dat de toepassing van deze bepaling doorgaans beperkt is tot verwerkingen die kennelijk niet op een andere rechtsgrond kunnen worden gebaseerd 18 en in levensbedreigende omstandigheden
  74. De Geschillenkamer besluit daarom dat artikel 6.1.d AVG slechts in hoogst uitzonderlijke gelegenheden kan worden aangewend als grondslag voor belastinginning.
  75. Gelet op deze strikte voorwaarden en aangezien verweerder evenmin aantoont dat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de inning van belastingen noodzakelijk is voor de bescherming van de fysieke integriteit of leven van klaagster dan wel haar expartner, besluit de Geschillenkamer dat verweerder zich in casu miskent in het gebruik van artikel 6.1.d AVG als rechtmatigheidsgrond voor de verwerkingen die kaderen binnen de wettelijke opdracht van verweerder. Het zou immers volstaan om de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen met het oog op belastinginning te rechtvaardigen op grond van artikel 6.1.c dan wel 6.1.e AVG. Aangezien de voorgaande elementen — meerdere grondslagen voor eenzelfde verwerking en een onterecht beroep op artikel 6.1.d AVG — geen voorwerp hebben uitgemaakt van een tegensprekelijk debat, besluit de Geschillenkamer op deze punten geen sanctie op te leggen. II.1.
  76. Verzoek om betaling van nalatigheidsinteresten, dd. 14 januari 2021 16 De rechtmatigheidsgrond moet bestaan zolang de verwerking voortduurt. Indien een verwerkingsverantwoordelijke de rechtmatigheidsgrond tijdens de verwerking zou moeten wijzigen, kan hij dit enkel doen op voorwaarde dat hij aan alle toepassingsvoorwaarden van die grond voldoet en moet hij ook de betrokkene daarvan in kennis stellen, en alle andere toepasselijke bepalingen van de AVG naleven, alsof hij als het ware van nul af aan zou beginnen met betrekking tot die verwerking. Zie ook beslissing 38/2021 van 23 maart 2021, beschikbaar op de website van de GBA. Indien de rechtsgrond toestemming is, dan is het niet toegelaten om van rechtsgrond te veranderen. Zie para. 31 in de beslissing 3/2021 van 13 januari 2021, beschikbaar op de website van de GBA. 17 Zie in dat verband artikel 13.1.c, en artikel 14.1.c, van de AVG. 18 Zie overweging 46 AVG: “De verwerking van persoonsgegevens dient ook als rechtmatig te worden beschouwd indien zij noodzakelijk is voor de bescherming van een belang dat voor het leven van de betrokkene of dat van een andere natuurlijke persoon essentieel is. Verwerking van persoonsgegevens op grond van het vitale belang voor een andere natuurlijke persoon is in beginsel alleen toegestaan indien de verwerking kennelijk niet op een andere rechtsgrond kan worden gebaseerd. […]”. 19 Zie ook https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/professioneel/avg/rechtsgronden/vitaal-belang. Beslissing ten gronde 30/2022 - 12/17
  77. De Geschillenkamer stelt ten slotte vast dat het verzoek van 14 januari 2021 om betaling van nalatigheidsinteresten (c), die de ex-partner van klaagster per post ontving, eveneens gericht was tot klaagster en haar ex-partner, op hetzelfde adres waar beide betrokkenen wettelijk samenwoonden tijdens het aanslagjaar
  78. Aldus besluit de Geschillenkamer dat er evenmin voor deze laatste berichtgeving gesteld kan worden dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan een ongeoorloofde mededeling van persoonsgegevens van klaagster. De Geschillenkamer oordeelt derhalve dat ook voor deze verwerking de klacht ongegrond is.
  79. Wat betreft het feit dat klaagster niet werd aangeschreven door verweerder, oordeelt de Geschillenkamer dat dit niet valt onder haar bevoegdheden, aangezien er ergo geen verwerking van haar persoonsgegevens heeft plaatsgevonden.
  80. Het geheel van de hierboven uiteengezette elementen rechtvaardigt volgens de Geschillenkamer dat in voorliggende zaak vooreerst wordt overgegaan tot het nemen van een beslissing op grond van artikel 100, § 1, 1° WOG, meer bepaald de klacht te seponeren ten aanzien van de mededeling van fiscale gegevens over klaagster aan haar ex-partner, aangezien de klacht kennelijk ongegrond is
  81. II.
  82. Verwerking van onjuiste persoonsgegevens over klaagster en verzoek tot rectificatie
  83. Op basis van het onderzoeksverslag begrijpt de Geschillenkamer eveneens dat klaagster een formeel verzoek tot rectificatie van haar persoonsgegevens heeft gericht tot de DIVBPL van de FOD Financiën, doch deze zich niet bevoegd achtte voor het behandelen van haar vraag en de klaagster doorverwees naar de dienst Contactcenter van de FOD Financiën.
  84. Gelet op artikelen 12.2, 12.3, 12.4 en 16 AVG dient de Geschillenkamer te beoordelen of verweerder op passende wijze gevolg heeft gegeven aan het verzoek van klaagster tot verbetering van haar persoonsgegevens. Hierbij verwijst de Geschillenkamer eveneens naar artikel 8 van de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten alsook de privacyverklaring van de verweerder, juncto artikel 7 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur.
  85. De Geschillenkamer stelt vast dat klaagster ten tijde van haar klacht nog geen concreet verzoek tot gegevenswijziging had ingediend bij verweerder. Dienaangaande heeft de Geschillenkamer evenwel reeds geoordeeld dat de klacht slechts een ‘vertrekpunt’ is, en bijkomende grieven ook gedurende de procedure kunnen worden aangebracht, op 20 De Geschillenkamer verwijst voor het overige naar haar sepotbeleid, afdeling 3.1, A.2, beschikbaar op de website van de GBA: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf. Beslissing ten gronde 30/2022 - 13/17 voorwaarde dat de verwerende partij de kans krijgt om zich hiertegen te verdedigen
  86. Het feit dat klaagster pas na haar klacht bij de ELD, meer bepaald tijdens het onderzoek door de Inspectiedienst, een verzoek tot aanpassing van haar gegevens heeft ingediend bij de bevoegde dienst van verweerder, sluit derhalve niet uit dat de Geschillenkamer in het kader van deze uitoefening van haar rechten alsnog overtredingen van de AVG door verweerder zou kunnen vaststellen.
  87. Voorts verklaart verweerder dat de DIVBPL de vraag van klager dd. 22 maart 2021 heeft onderzocht en beoordeeld alvorens, na vaststelling dat de gegevens van klaagster correct waren geregistreerd, klaagster te verwijzen naar het contactcenter van verweerder, aangezien de DIVBPL geen toegang heeft tot de bestanden van verweerder.
  88. De Geschillenkamer merkt hieromtrent allereerst op dat het antwoord van de DIVBPL aan klaagster onvoldoende toelicht op welke wijze de DIVBPL haar verzoek heeft onderzocht. Het staat namelijk vast dat klaagster op 22 maart 2021 haar recht tot verbetering van haar persoonsgegevens heeft uitgeoefend, door een attest van haar hoofdverblijfplaats te voegen aan de onderstaande aanvraag gericht aan dataprotection@minfin.fed.be : “Geachte heer, mevrouw, In bijlage bezorg ik u een attest hoofdverblijfplaats. Aangezien in het verleden problemen zijn opgedoken in de communicatie met de FOD Financiën, zou ik u willen vragen mijn gegevens na te kijken en zo nodig te verbeteren. ”
  89. De DIVBPL antwoordde de dag nadien als volgt: “Geachte, De Dienst voor Informatieveiligheid en Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer (DIVBPL) is niet bevoegd om uw verzoek te behandelen. Indien u nog verdere vragen hebt kan u contact opnemen met het ContactCenter van de FOD Financiën. Via volgende link vindt u de nodige informatie : https://financien.belgium.be/nl/Contact/contactcenter Met vriendelijke groeten, De DIVBPL”
  90. De privacyverklaring van verweerder legt overeenkomstig artikel 13 AVG uit over welke rechten betrokkenen beschikken, alsmede op welke wijze deze kunnen uitgeoefend worden: 21 Nota inzake de positie van de klager in de procedure bij de Geschillenkamer, p. 4, beschikbaar op de website van de GBA (https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/nota-inzake-de-positie-van-de-klager-in-de-procedurebij-de-geschillenkamer.pdf) ; zie ook beslissingen nrs. 17/2020 en 41/
  91. Beslissing ten gronde 30/2022 - 14/17
  92. Vermits klaagster het bewijs aanleverde — met name haar attest van hoofdverblijfplaats met historiek — dat haar persoonsgegevens in het Rijksregister correct waren, besluit de Geschillenkamer dat klaagster terecht en redelijkerwijs kon verwachten dat verweerder over dezelfde gegevens zou moeten beschikken, in overeenstemming met het beginsel van eenmalige gegevensverstrekking 22 en zoals op de website van verweerder uitdrukkelijk is vermeld:
  93. Ten overvloede wijst de Geschillenkamer erop dat verweerder in zijn verweermiddelen zelf aangeeft dat “de adresgegevens in de fiscale databanken bijgehouden worden aan de hand van externe gegevens (kruispuntbank ondernemingen, rijksregister, mededelingen van de 22 Zie para. 59 e.v. in deze beslissing. Beslissing ten gronde 30/2022 - 15/17 gemeenten…) maar ook aangepast worden op eenvoudige vraag daartoe van de betrokken belastingplichtige gericht aan de belastingdienst die het fiscaal dossier beheert”.
  94. Gelet op deze verklaringen evenals het beginsel van juistheid krachtens artikel 5.1.d AVG, stelt de Geschillenkamer zich vragen bij de vermelding van onjuiste persoonsgegevens door de administratieve diensten van verweerder in het kader van de goedkeuring van het afbetalingsplan, dd. 7 september 2019
  95. Overeenkomstig het beginsel van de unieke gegevensinzameling24 in de werking van de diensten en instanties die behoren tot of taken uitvoeren voor de overheid, komt het in principe niet toe aan klaagster om zich te moeten verzekeren dat de persoonsgegevens die de overheid over haar verwerkt accuraat zijn. Dat beginsel is tweeledig: vooreerst wordt vermeden dat elke administratie de persoonsgegevens van de burgers afzonderlijk verzamelt en verwerkt; daarnevens vermindert zulke netwerkvorming de administratieve last voor de burger, die slechts eenmalig persoonsgegevens aan een overheidsinstantie hoeft te verstrekken. Echter, in zijn conclusie van antwoord stelt verweerder dat klaagster werd "verwezen naar het Contactcenter van de FOD Financiën om zodoende de inningsdiensten te bereiken ervan uitgaande dat er misschien een vergissing is gebeurd in de bestanden van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering waartoe de DIVBPL geen toegang heeft", wat aangeeft dat het uitoefenen van haar recht op rectificatie waarschijnlijk niet zonder voorwerp was. De Geschillenkamer aanziet deze stelling meer bepaald als een indicatie dat het beginsel van unieke gegevensinzameling onvoldoende in acht werd genomen door verweerder.
  96. Ongeacht of de Geschillenkamer bevoegd is met betrekking tot de voorwaarden voor de toepassing van het beginsel van unieke gegevensinzameling, aan hetwelk verweerder en zijn interne diensten in beginsel onderworpen zijn, dient elke verwerkingsverantwoordelijke zich krachtens artikel 5.1.d AVG te verzekeren van de juistheid van de persoonsgegevens die onder diens beheer staan. In die mate dat een verwerkingsverantwoordelijke mogelijks niet ten allen tijde de voorgaande verplichting kan naleven, voorziet artikel 16 AVG eveneens in het recht voor betrokkenen om zelf de verwerkingsverantwoordelijke te informeren over inaccurate persoonsgegevens, en de verwerkingsverantwoordelijke desgevallend te verzoeken om de onjuiste of onvolledige persoonsgegevens te laten rectificeren.
  97. De Geschillenkamer oordeelt dus dat verweerder, door klaagster louter door te verwijzen naar zijn contactcenter, heeft nagelaten de uitoefening van de rechten van betrokkenen te faciliteren en derhalve artikelen 12.2 en 16 AVG heeft geschonden. Meer bepaald besluit de 23 24 Zie para. 40 van deze beslissing. Ook gekend als principe van "eenmalige gegevensverstrekking", dit beginsel vloeit voort uit artikel 8, §§ 3-5 van de wet van 15 augustus 2012 houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator, B.S., 29 augustus
  98. Beslissing ten gronde 30/2022 - 16/17 Geschillenkamer dat verweerder mevr. X had moeten inlichten over de redenen die door verweerder voor de eerste maal worden uiteengezet in zijn verweermiddelen, en dat verweerder bovendien haar aanvraag — die uiteindelijk afgehandeld werd door de fiscale diensten25 — meteen had kunnen meedelen aan de bevoegde fiscale diensten. Met betrekking tot het onvoldoende vergemakkelijken van de uitoefening van hun rechten door betrokkenen, beslist de Geschillenkamer om op grond van artikel 100, § 1, 5° WOG een berisping te formuleren ten aanzien van verweerder. Overeenkomstig artikel 12.2 tot en met 12.4 AVG dient verweerder de uitoefening van toekomstige verzoeken te faciliteren, inbegrepen door onverwijld de redenen mee te delen aan de betrokkenen waarom hun verzoek zonder gevolg is gebleven. Ten overvloede verwijst de Geschillenkamer erop dat zij niet bevoegd is om een administratieve geldboete op te leggen aan overheidsorganen, overeenkomstig artikel 221, § 2 van de Gegevensbeschermingswet
  99. III. Publicatie van de beslissing
  100. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit, en dit met vermelding van de identificatiegegevens van de verweerder gelet op het algemeen belang van onderhavige beslissing, enerzijds, en de onvermijdelijke heridentificatie van de verweerder in geval van pseudonimisering, anderzijds. 25 26 Conclusie van antwoord van verweerder, p. 6, para.
  101. Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, B.S., 5 september
  102. Beslissing ten gronde 30/2022 - 17/17 OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om: - op grond van artikel 100, § 1, 1° WOG, de klacht te seponeren ten aanzien van de mededeling van fiscale gegevens over klaagster aan haar ex-partner; - op grond van artikel 100, § 1, 5° WOG, een berisping te formuleren ten aanzien van verweerder met betrekking tot de wijze waarop verzoeken van betrokkenen tot uitoefening van hun rechten behandeld worden. Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, § 1 WOG, beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. (Get). Hielke HIJMANS Voorzitter van de Geschillenkamer

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.