← België

Beslissing ten gronde nr. 32/2020

1/11 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 32/2020 van 16 juni 2020 Dossiernr.: DOS-2019-04845 Betreft: Klacht van mevrouw X tegen de vzw Y - Uitoefening van het recht van bezwaar in het kader van direct marketing en een gebrek aan samenwerking met de Gegevensbeschermingsautoriteit De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna GBA), bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren J. Stassijns en C. Boeraeve, leden. De zaak is in deze samenstelling opgenomen. Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) (hierna AVG); Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna WOG); Gelet op het reglement van interne orde van de Gegevensbeschermingsautoriteit, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Beslissing ten gronde 32/2020 - 2/11 heeft de volgende beslissing genomen inzake: - de klager: mevr. X - de verwerkingsverantwoordelijke (verweerder): de vzw Y I. Feiten en historiek van de procedure 1. In zijn klacht van 17 september 2019 geeft de klager aan dat hij de verweerder meermaals heeft laten weten geen e-mails van hem te willen ontvangen - e-mails verstuurd naar zijn e-mailadres met info over verschillende diensten en animatie-activiteiten aangeboden door de verweerder. De klager vraagt bovendien om zijn persoonsgegevens uit de gegevensbank van de verweerder te verwijderen. 2. Op 25 maart 2019 meldt de klager via een e-mail aan de verweerder dat hij een klacht indient bij de GBA en herhaalt hij zijn verzoek om het in de paragraaf hierboven bedoelde type e-mails niet meer te ontvangen. 3. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de klager op 26 juli 2019 een e-mail heeft ontvangen die vergelijkbaar is met de hiervoor genoemde e-mails en die informatie bevat over de voorstellingen die de verweerder aanbiedt in de maanden november en december 2019. 4. Op 17 september 2019 heeft de klager een klacht ingediend bij de GBA. 5. Op 2 oktober 2019 werd die klacht ontvankelijk verklaard door de Eerstelijnsdienst (ELD) van de GBA op basis van artikel 58 en artikel 60 WOG. De klager werd hiervan op de hoogte gebracht krachtens artikel 61 WOG en de klacht werd op diezelfde datum overgemaakt aan de Geschillenkamer krachtens artikel 62, § 1 WOG. 6. Op 15 oktober 2019 heeft de Geschillenkamer, uit hoofde van artikel 58.2.

  1. c)van de AVG en van artikel 95, §1, 5° WOG, na beraadslaging beslist om: - de verweerder te gelasten om, voordat een beslissing ten gronde wordt genomen, binnen zeven dagen na de kennisgeving van de genoemde beslissing gevolg te geven aan het verzoek Beslissing ten gronde 32/2020 - 3/11 van de klager om zijn recht van bezwaar en zijn recht op gegevenswissing uit te oefenen (artikelen 21 § 2 en 17 § 1
  2. c)van de AVG) en bijgevolg elke verwerking van zijn persoonsgegevens voor prospectiedoeleinden stop te zetten (artikel 21 § 3 van de AVG); - de verweerder te gelasten om, voordat een beslissing ten gronde wordt genomen, binnen zeven dagen na de kennisgeving van de genoemde beslissing gevolg te geven aan de kennisgevingsplicht zoals voorzien in artikel 19 van de AVG, namelijk de uitgevoerde gegevenswissing te melden aan elke eventuele ontvanger aan wie de verweerder de persoonsgegevens van de klager zou hebben meegedeeld; - de verweerder te gelasten om de GBA (Geschillenkamer) in kennis te stellen van het gevolg dat aan deze bevelen wordt gegeven, en dit uiterlijk binnen zeven dagen na de kennisgeving van de genoemde beslissing; - de genoemde beslissing te publiceren op de website van de GBA krachtens artikel 95 § 1, 8° WOG, na anonimisering ervan. 7. Van deze beslissing van 15 oktober 2019 werden de partijen - waaronder de verweerder – in kennis gesteld per aangetekend schrijven van 17 oktober 2019. Er volgde geen reactie van de verweerder, die op geen enkele wijze contact heeft opgenomen met de GBA (Geschillenkamer) en de GBA (Geschillenkamer) ook niet, a fortiori, op de hoogte heeft gebracht van het gevolg dat aan deze beslissing werd gegeven, zoals was vereist. 8. Bijgevolg heeft de Geschillenkamer de procedure ten gronde voortgezet en overeenkomstig de artikelen 95 § 1 1°, 98 en 99 WOG, de partijen verzocht hun argumenten te doen gelden volgens een kalender meegedeeld op 7 en 26 november 2019. 9. De verweerder heeft gereageerd door op 26 november 2019 een e-mail te sturen naar de GBA met de volgende inhoud: “Meent u dit nu? Waar hebben we het hier over aub? Over mails? En dan verbaast men zich erover dat het niet goed gaat met de wereld.” 10. Geen van de partijen heeft argumenten doen gelden bij de Geschillenkamer. 11. Op 29 april 2020 heeft de Geschillenkamer de verweerder een e-mail gestuurd, waarin zij het bedrag van de voor hem voorziene geldboete meedeelt, evenals de redenen waarom de vastgestelde inbreuken op de AVG het genoemde bedrag van de geldboete rechtvaardigen. In dezelfde e-mail wordt de verweerder verzocht om verdedigingsmiddelen ten aanzien van het voorziene bedrag van de geldboete binnen een termijn van drie weken te doen gelden of, in voorkomend geval, een verlenging van de antwoordtermijn te vragen, met opgave van de redenen daarvoor. Beslissing ten gronde 32/2020 - 4/11 12. De Geschillenkamer heeft binnen de genoemde termijn van drie weken geen enkele reactie op deze e-mail ontvangen, noch een aanvraag tot verlenging van de termijn. IN RECHTE II. Over de motieven van de beslissing Betreffende de niet-naleving van de artikelen 21 §§ 2 en 3, en 17 § 1 c), gecombineerd met artikel 12.3. van de AVG (recht van bezwaar en recht op gegevenswissing), alsmede artikel 31 van de AVG (samenwerkingsplicht) 13. De AVG definieert niet wat moet worden verstaan onder ‘verwerking voor prospectiedoeleinden’ of ‘ten behoeve van direct marketing’, volgens de Engelse terminologie. In haar Aanbeveling 01/2020 van 17 januari 2020 betreffende de verwerking van persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden, geeft de GBA aan dat onder ‘direct marketing’ het volgende moet worden verstaan: ‘Elke communicatie, in welke vorm dan ook, gevraagd of ongevraagd, afkomstig van een organisatie of persoon en gericht op de promotie of verkoop van diensten, producten (al dan niet tegen betaling), alsmede merken of ideeën, geadresseerd door een organisatie of persoon die handelt in een commerciële of niet-commerciële context, die rechtstreeks gericht is aan een of meer natuurlijke personen in een privé- of professionele context en die de verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt.’ (blz. 8 van de aanbeveling – definitie). 14. De verwerking van het e-mailadres van de klager door de verweerder is, op basis van deze definitie, de verwerking van persoonsgegevens (artikel 4.1. van de AVG) voor prospectiedoeleinden (direct marketing) in de zin van artikel 21 § 2 van de AVG. De klager heeft dus terecht het recht van bezwaar uitgeoefend uit hoofde van artikel 21 § 2 van de AVG1. 15. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de verweerder aan de klager niet binnen de termijn van één maand vanaf de ontvangst van een dergelijk verzoek, zoals vereist door artikel 12.3. van de AVG 2, 1 Artikel 21 § 2 van de AVG – Recht van bezwaar 2. Wanneer persoonsgegevens ten behoeve van direct marketing worden verwerkt, heeft de betrokkene te allen tijde het recht bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens voor dergelijke marketing, met inbegrip van profilering die betrekking heeft op direct marketing. 3. Wanneer de betrokkene bezwaar maakt tegen verwerking ten behoeve van direct marketing, worden de persoonsgegevens niet meer voor deze doeleinden verwerkt. 2 Artikel 12.3. van de AVG – Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene Beslissing ten gronde 32/2020 - 5/11 informatie heeft verstrekt over de genomen maatregelen naar aanleiding van de uitoefening van zijn recht van bezwaar. 16. Uit de stukken van het dossier blijkt ook dat de verwerking van het e-mailadres van de klager voortgezet werd na het verstrijken van deze maand, nog steeds ten behoeve van dezelfde prospectiedoeleinden, en dit in strijd met artikel 21 § 3 3 van de AVG. Zoals aangehaald in de uiteenzetting van de feiten, werd het verzoek tot bezwaar van de verweerder de dato 25 maart 2019, immers gevolgd door een nieuwe ongewenste e-mail op 26 juli 2019. Bijgevolg heeft de verweerder artikel 21 §§ 2 en 3, gecombineerd met artikel 12.3. van de AVG niet nageleefd. 17. Als gevolg van de uitoefening van het recht van bezwaar op basis van artikel 21 § 2 van de AVG door de klager, was de verweerder ook verplicht, uit hoofde van artikel 17 § 1 c)4 van de AVG, om de persoonsgegevens van de klager zonder onredelijke vertraging te wissen, en dit uiterlijk binnen de termijn van één maand bedoeld in artikel 12.3. van de AVG. Uit de stukken van het dossier blijkt dat deze wissing niet heeft plaatsgevonden, aangezien de klager, zoals reeds aangehaald, nog een mail heeft ontvangen op 26 juli 2019, dat wil zeggen na het verstrijken van de termijn van één maand na ontvangst door de verweerder van het verzoek tot bezwaar van 25 maart 2019. Bijgevolg heeft de verweerder dus ook nagelaten artikel 17 § 1
  3. c)van de AVG, gecombineerd met artikel 12.3. van de AVG na te leven. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, wordt de informatie indien mogelijk elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt. 3 Artikel 21 § 3 AVG – Recht van bezwaar 3. Wanneer de betrokkene bezwaar maakt tegen verwerking ten behoeve van direct marketing, worden de persoonsgegevens niet meer voor deze doeleinden verwerkt. 4 Artikel 17 van de AVG – Recht op gegevenswissing (‘recht op vergetelheid’) De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is: (…)
  4. c)de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2. Beslissing ten gronde 32/2020 - 6/11 18. Uit hoofde van artikel 19 van de AVG5 was de verweerder ook gehouden iedere ontvanger aan wie de persoonsgegevens van de klager zouden zijn verstrekt, in kennis te stellen van elke wissing van persoonsgegevens overeenkomstig met artikel 17, paragraaf 1
  5. c)van de AVG. 19. Naast de bovengenoemde tekortkomingen heeft de verweerder geen enkel gevolg gegeven aan het bevel van de Geschillenkamer van 15 oktober 2019 om op korte termijn zijn verplichtingen na te komen en de Geschillenkamer op zijn minst te informeren of al dan niet gevolg is gegeven aan dit bevel. 20. De Geschillenkamer stelt eveneens een gebrek aan medewerking vast bij de verweerder. De hierboven weergegeven mail “Meent u dit nu?” van 26 november 2019 getuigt daar met name van. De Geschillenkamer is van mening dat de houding van de verweerder een duidelijk gebrek aan waardering en medewerking weerspiegelt, in tegenstelling tot wat van een verwerkingsverantwoordelijke wordt verwacht uit hoofde van artikel 31 van de AVG6. 21. Krachtens artikel 3 WOG wordt een toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 51 van de AVG opgericht in België. Artikel 4 WOG bepaalt dat de aldus opgerichte Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van persoonsgegevens. Haar taken en bevoegdheden, waaronder die toegekend aan de Geschillenkamer (artikels 95 e.v. WOG), worden uitgeoefend onverminderd de bevoegdheden van de regeringen en parlementen van de gemeenschappen en gewesten, op het hele grondgebied van het koninkrijk. 22. Deze controle door een onafhankelijke autoriteit is een essentieel element van het grondrecht op de bescherming van de gegevens, dat specifiek aan bod komt in artikel 8 (§ 3) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie7. 5 Artikel 19 AVG – Kennisgevingsplicht inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking De verwerkingsverantwoordelijke stelt iedere ontvanger aan wie persoonsgegevens zijn verstrekt, in kennis van elke rectificatie of wissing van persoonsgegevens of beperking van de verwerking overeenkomstig artikel 16, artikel 17, lid 1, en artikel 18, tenzij dit onmogelijk blijkt of onevenredig veel inspanning vergt. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene informatie over deze ontvangers indien de betrokkene hierom verzoekt. 6 Artikel 31 van de AVG - ‘Medewerking met de toezichthoudende autoriteit’ De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker en, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers, werken desgevraagd samen met de toezichthoudende autoriteit bij het vervullen van haar taken. 7 Artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Unie (De bescherming van persoonsgegevens): 1. Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. Beslissing ten gronde 32/2020 - 7/11 23. In overeenstemming met artikel 58 van de AVG heeft de WOG aan de GBA de bevoegdheid verleend om sancties en andere corrigerende maatregelen op te leggen. Deze zijn bindend en zijn, behoudens uitzonderingen, uitvoerbaar bij voorraad (artikel 108 § 1 al. 2 en 3 WOG). Het is aan de verwerkingsverantwoordelijken om dergelijke sancties ernstig te nemen, ofschoon hen de mogelijkheid wordt geboden om beroep aan te tekenen tegen de beslissingen van de Geschillenkamer bij het Marktenhof (artikel 108 § 1 al.1 WOG). 24. In het onderhavige geval werd de verweerder in kennis gesteld van een beslissing, wel voordat een beslissing ten gronde werd genomen, waarin hem werd gevraagd zich te conformeren aan de uitoefening van de rechten van de klager EN de Geschillenkamer te informeren over het gevolg dat aan deze beslissing werd gegeven. De Geschillenkamer heeft van de verweerder op deze eerste beslissing geen enkele reactie ontvangen, in welke vorm dan ook. Bovendien werd geen beroep aangetekend bij het Marktenhof. 25. Verder heeft de verweerder ook geen argumenten aangevoerd tegen het bevel dat hem werd opgelegd, zoals artikel 99 WOG hem toelaat (waarvan hij in kennis werd gesteld via aangetekend schrijven van de Geschillenkamer de dato 7 november 2019). De verweerder heeft zich beperkt tot het verzenden van het bericht “Meent u dit nu?” naar de Geschillenkamer. 26. De verweerder heeft ook niet gereageerd op de e-mail van 29 april 2020 van de Geschillenkamer waarin hij op de hoogte werd gebracht van het bedrag van de voorziene boete en de redenen voor deze sanctie. 27. Kortom, de Geschillenkamer is van mening dat de houding van de verweerder een duidelijk gebrek aan waardering en medewerking weerspiegelt, in tegenstelling tot wat van een verwerkingsverantwoordelijke wordt verwacht, met name uit hoofde van artikel 31 van de AVG8. 2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan. 3. Een onafhankelijke autoriteit ziet erop toe dat deze regels worden nageleefd. 8 Artikel 31 van de AVG - ‘Medewerking met de toezichthoudende autoriteit’ De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker en, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers, werken desgevraagd samen met de toezichthoudende autoriteit bij het vervullen van haar taken. Beslissing ten gronde 32/2020 - 8/11 III. Over de corrigerende maatregelen en sancties 28. Krachtens artikel 100 WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° de opschorting van de uitspraak uit te spreken; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 29. Het is belangrijk de context te schetsen van de niet-naleving van de artikelen 21 §§ 2 en 3, 17 § 1 c), 12. 3 en mogelijk 19 van de AVG, alsmede van artikel 31 van de AVG, om de meest aangewezen corrigerende maatregelen te bepalen. 30. Ook indien de verwerkte gegevens niet bijzonder gevoelig zijn, is de uitoefening van hun rechten door de betrokkenen een van de belangrijkste doelstellingen van het AVG. De schending van deze rechten vormt een ernstige inbreuk (artikel 83 § 2
  6. a)van de AVG). Het is immers essentieel dat de betrokkenen een doeltreffende controle kunnen uitoefenen op de over hen verwerkte gegevens en dat de verwerkingsverantwoordelijken hun verplichtingen nakomen die voortvloeien uit de erkenning van deze rechten. Dit geldt met name voor het recht van bezwaar, dat bovendien onvoorwaardelijk is, op het gebied van direct marketing. Het is essentieel dat de verwerkingsverantwoordelijken hieraan snel het gewenste gevolg geven, uiterlijk binnen de door de AVG voorgeschreven termijn van één maand. Hetzelfde geldt voor het verbod op verwerking na de uitoefening van dit recht en de gegevenswissing die moet volgen. Beslissing ten gronde 32/2020 - 9/11 31. Om die verschillende redenen heeft de Gegevensbeschermingsautoriteit van de naleving van de AVG in het kader van direct marketing een van de kernpijlers van haar strategisch plan 2020-2025 gemaakt. De tenuitvoerlegging van dit plan heeft zich al geconcretiseerd door de aanneming van de reeds genoemde Aanbeveling 01/2020 van 17 januari 2020 betreffende de verwerking van persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden. Toch is niet alles daarin nieuw. Sinds 2013 bestond er al een aanbeveling rond hetzelfde thema9, en artikel 12 § 1 al. 3 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, tot omzetting van artikel 14
  7. b)van de Richtlijn 95/46/EG 10, eiste al van een verwerkingsverantwoordelijke zoals de verweerder dat hij gevolg zou geven aan de - reeds onvoorwaardelijke - uitoefening van een recht van bezwaar in het kader van direct marketing. 32. De integratie van het thema ‘direct marketing’ in het strategisch plan 2020-2025 van de GBA betekent niet dat elke niet-naleving van artikel 21 van de AVG noodzakelijkerwijs met een boete moet worden bestraft. De Geschillenkamer onderzoekt altijd geval per geval. 33. In het onderhavige geval onderstreept de Geschillenkamer, naast het niet respecteren van de rechten van de klager, met name het totale gebrek aan medewerking van de verweerder, die niet alleen niet heeft gereageerd op het eerste bevel van de Geschillenkamer van 15 oktober 2019 (hoewel hierbij geen boete werd opgelegd), maar ook, in een tweede fase, blijk heeft gegeven van een reëel gebrek aan belangstelling voor de naleving van de AVG door aan de GBA de e-mail van 26 november 2019 “Waar hebben we het hier over?” te richten. De Geschillenkamer meent dat dit gedrag strijdig is met artikel 31 van de AVG en een verzwarende omstandigheid vormt in de zin van artikel 83 § 2
  8. f)en
  9. k)van de AVG. Het door de Geschillenkamer beoogde bedrag moet vooral een ontmoedigend effect hebben. 34. In het licht van alle hierboven vermelde elementen die specifiek zijn voor deze zaak, met name de ernst van het niet-uitoefenen van de rechten van de betrokkene (artikel 83, 2,
  10. a)van de AVG) en de verzwarende omstandigheid in verband met het gedrag van de verweerder (artikel 83, 2,
  11. f)en
  12. k)van de AVG), bovendien een schending van artikel 31 van de AVG, is de Geschillenkamer van oordeel dat een berisping die gepaard gaat met een geldboete van 1000 euro een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie is in de zin van artikel 83 van de AVG. 9 Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, Aanbeveling 02/2013 van 30 januari 2013 ‘Direct marketing en bescherming van persoonsgegevens’. 10 Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens Beslissing ten gronde 32/2020 - 10/11 35. Gezien het belang van transparantie met betrekking tot het besluitvormingsproces en de beslissingen van de Geschillenkamer zal deze beslissing gepubliceerd worden op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit, waarbij de directe identificatiegegevens van de genoemde partijen en personen, zowel natuurlijke personen als rechtspersonen) zullen worden verwijderd. OM DIE REDENEN, DE GESCHILLENKAMER11 - gelast de verweerder, krachtens artikel 100, 1, 6° en 10° WOG, om binnen een termijn van één maand12 vanaf de kennisgeving van dit schrijven13: o zich te conformeren aan het verzoek tot recht van bezwaar van de klager, in overeenstemming met artikel 21 §§ 2 en 3 van de AVG; o zich te conformeren aan het verzoek tot gegevensschrapping van de klager, in overeenstemming met artikel 17 § 1
  13. c)van de AVG; o alsmede, in voorkomend geval, zich te conformeren aan artikel 19 van de AVG door de uitgevoerde gegevenswissing te melden aan elke eventuele ontvanger aan wie de gegevens van de klager zouden zijn meegedeeld. 11 De vzw Y stelt zich op haar website voor als een internationaal bureau dat artistieke prestaties aanbiedt in België en in een ander buurland. Op diezelfde website staat één vestiging (maatschappelijke zetel) in België vermeld. Aangezien de klacht betrekking heeft op een verwerking die volgens de Geschillenkamer niet kan worden aangemerkt als ‘grensoverschrijdend’ in de zin van artikel 4.23
  14. b)van de AVG (aangezien niet kan worden gesteld dat deze verwerking betrokkenen in verschillende lidstaten wezenlijk beïnvloedt of kan beïnvloeden), is artikel 56 van de AVG in dit geval niet toegepast (zie ook overweging 135 van de AVG evenals de richtlijnen WP 244 van de Groep 29, die door het Europees Comité voor Gegevensbescherming zijn bekrachtigd: https://ec.europa.eu/newsroom/article29/item-detail.cfm?item_id=611235 ). 12 Deze termijn houdt rekening met de huidige uitzonderlijke omstandigheden en de eventuele organisatorische maatregelen die de verweerder in deze context heeft genomen (Ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken en zijn opeenvolgende wijzigingen). 13 De verzenddatum van deze beslissing door de griffie geldt als datum van kennisgeving. Beslissing ten gronde 32/2020 - 11/11 - gelast de verweerder om de GBA (Geschillenkamer: litigationchamber@apd-gba.
  15. be)te informeren over het gevolg dat zal worden gegeven aan deze bevelen, en dit uiterlijk binnen een maand14 na de kennisgeving15 van deze beslissing; - legt de verweerder een berisping op, samen met een administratieve geldboete ten bedrage van 1.000 euro (duizend euro) uit hoofde van de artikelen 100, 5° en 13°, en 101 WOG, alsmede artikel 83 van de AVG. Krachtens artikel 108 § 1 WOG kan tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (Hof van Beroep van Brussel) binnen een termijn van 30 dagen vanaf de kennisgeving ervan, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. (get.) Hielke Hijmans Voorzitter van de Geschillenkamer 14 Idem noot 11. 15 Idem noot 12.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.