← België

Beslissing ten gronde nr. 34/2022

1/20 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 34/2022 van 10 maart 2022 Dossiernummer : DOS-2020-02237 Betreft: verzending door ex-werkgever van een e-mail met persoonsgegevens De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Romain Robert en Christophe Boeraeve; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG;Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; heeft de volgende beslissing genomen inzake: . De klager: mevrouw X, vertegenwoordigd door mr. Karen Rosier, hierna "de klager"; . . De verweerder: Y, vertegenwoordigd door mr. Marco Schoups en mr. Sara Cockx, hierna: "de verweerder". Beslissing ten gronde 34/2022 - 2/20 I. Feiten en procedure

  1. Op 7 juli 2020 diende de klager een klacht tegen de verweerder in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het voorwerp van de klacht betreft de mededeling door de verwerkingsverantwoordelijke (gewezen werkgever) van persoonsgegevens aan derden: privé-e-mailadres, nieuw zakelijk emailadres, privéhuisadres en een persoonlijke brief. De klacht betreft het niet naleven van beginselen van de AVG, met name: - Het finaliteitsbeginsel; - Het beginsel van minimale gegevensverwerking; - Het integriteits- en vertrouwelijkheidsbeginsel.
  2. De klacht bevat eveneens een uiteenzetting van feiten die als volgt kunnen worden samengevat. De klager was destijds als jurist in dienst bij de verweerder. Hij beschikte in die hoedanigheid over een bedrijfsvoertuig waarmee hij tijdens een privégebruik van het voertuig, een milieu-inbreuk in de gemeente (...) pleegde (ongeoorloofd achterlaten van een zak naast een glascontainer). Op 26 januari 2019 wordt door de Cel gemeentelijke administratieve sancties van de provincie VlaamsBrabant (hierna de Cel sancties) een brief met de vaststelling van de inbreuk naar de verweerder gestuurd, aangezien het voertuig op zijn naam is ingeschreven. Na ontvangst van die vaststelling van de inbreuk geeft de verweerder, overeenkomstig de gebruikelijke interne procedure, deze door aan de klager met het verzoek de nodige administratieve stappen te ondernemen. Uit andere stukken van het dossier blijkt dat de klager op 5 februari 2019 een brief in het Nederlands naar de Cel sancties heeft gestuurd waarin hij zich als dader van de overtreding meldt, waarbij hij zijn goede trouw bepleit en vraagt om te worden gehoord. Op 10 april 2019 stelt de Cel sancties de klager in kennis van haar beslissing hem een administratieve boete van 80 euro op te leggen. Op 23 april 2019 wordt door de gemeente (...) een factuur voor die boete naar de klager gestuurd. De klager betaalt deze boete per bankoverschrijving op 11 mei 2019 . Deze elementen waren ten tijde van de feiten niet bekend bij de verweerder. Op 23 april 2020 ontvangt de verweerder een factuur van de gemeente (...) voor een bedrag van 460 euro dat duidelijk betrekking heeft op de hierboven beschreven feiten. Bij de factuur is een uittreksel gevoegd van het register van de notulen van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente (...) van een vergadering van 16/03/2020, waarin is besloten de administratieve boete op te leggen. De verweerder antwoordt bij monde van zijn directeur per e-mail op die brief en Beslissing ten gronde 34/2022 - 3/20 stelt de gemeente daarbij in kennis van het feit dat de klager verantwoordelijk voor die overtreding is. De e-mail in kwestie wordt naar drie verschillende adressen van de gemeente (...) gestuurd, naar drie medewerkers van de verweerder in kopie, en naar het privé-e-mailadres en het nieuwe zakelijke e-mailadres van de klager, en luidt als volgt: “Geachte Mevrouw […], Geachte Mevrouw […], Ik kreeg deze morgen, via een scan als bijlage aan een email, Uw schrijven dd. 23/04/2020 – zie bijlage. Wij zijn op dit ogenblik in telewerk en ik ga slechts sporadisch naar het kantoor. Ik antwoord u per mail om die schuldvordering ten stelligste te betwisten wat haar verhaalbaarheid op de Y betreft. De inbreuk werd gepleegd door onze voormalige excellente juridisch adviseur X , die reeds maanden de Y heeft verlaten. Zij erkende de feiten in een brief die zij destijds naar het Provinciebestuur Vlaams-Brabant richtte en die ik in mijn globale Dropbox archieven teruggevonden heb. U vindt deze brief als bijlage – ik heb er een vrije vertaling bijgevoegd. Ik ben niet zeker dat zij dit schrijven effectief stuurde. Gezien de persoonlijke aard van de overtreding cc. ik deze mail naar de persoon in kwestie (…) zodat zij voor een vlotte administratieve afhandeling kan zorgen, waarvoor reeds dank. Gelieve bijgevolg de schuldvordering rechtstreeks naar haar te sturen : X Adres Ik dank u daar reeds bij voorbaat om en verblijf inmiddels, met de meeste hoogachting.”
  3. De e-mail bevat in de bijlage een in het Frans geschreven ontwerp van brief van de klager, waarin hij de feiten erkent (hierna het ontwerp van brief of de ontwerpbrief). Zoals aangegeven in de hierboven weergegeven e-mail verstrekt de verweerder een vrije vertaling van de ontwerpbrief naar het Nederlands. Hij preciseert dat hij niet weet of die brief door de klager naar de gemeente (...) is verzonden.
  4. Op 4 mei 2020 stuurt de klager per e-mail en per post een eerste brief naar zijn ex-werkgever (de verweerder). Hij verklaart verbaasd te zijn dat de gemeente de verweerder rechtstreeks contacteert, aangezien het gemeentebestuur al in het bezit is van zijn contactgegevens en het om feiten uit zijn privéleven gaat. Hij vraagt de verweerder te preciseren wat de rechtsgrond van de verwerking is, alsmede het doel ervan. Hij informeert hem ook dat hij van plan is contact op te nemen met de Gegevensbeschermingsautoriteit. Beslissing ten gronde 34/2022 - 4/20
  5. De directeur van de verweerder antwoordt per e-mail diezelfde dag met het verzoek dringend het nodige te doen om te voorkomen dat tegen de verweerder gerechtelijke stappen zouden worden ondernomen.
  6. Op 5 mei 2020 dient de klager een verzoek om informatie in bij de GBA.
  7. Op 9 juni 2020 antwoordt de Eerstelijnsdienst de verweerder dat de uiteengezette feiten kunnen worden onderzocht ten aanzien van de volgende beginselen: doeleinde, minimale gegevensverwerking, integriteit en vertrouwelijkheid. De dienst wijst er tevens op dat de verwerkingsverantwoordelijke binnen de maand moet reageren op verzoeken om uitoefening van rechten.
  8. Op 15 juni 2020 stuurt de klager een nieuwe brief per post en per e-mail waarin hij verklaart geen antwoord op zijn eerste brief betreffende vragen in verband met de naleving van de AVG te hebben ontvangen en vraagt hij de verweerder aan te tonen dat de beginselen van minimale gegevensverwerking, doelbinding en integriteit en vertrouwelijkheid in deze zaak zijn geëerbiedigd.
  9. Op 7 juli 2020 dient de klager een klacht in tegen de verweerder bij de Gegevensbeschermingsautoriteit.
  10. Op 16 juli 2020 neemt de verweerder contact op met de gemeente (...) om te vragen of het dossier wat hem betreft kan worden afgesloten , aangezien de dader van de overtreding is geïdentificeerd.
  11. Hij stuurt diezelfde dag een ontvangstbevestiging naar de klager voor zijn brief van 15 juni
  12. Op 5 augustus 2020 antwoordt de verweerder op de in de brieven van 4 mei en 15 juni geformuleerde verzoeken van de klager. Hij herinnert met name aan de context van het dossier en verklaart zich te baseren op het gerechtvaardigd belang voor de gegevensverwerking, met als doel zich te verdedigen tegen de onterecht tot hem gerichte rechtsvervolging.
  13. Op 29 juli 2020 wordt de klacht op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG ontvankelijk verklaard door de Eerstelijnsdienst en overeenkomstig artikel 62, §1, van de WOG aan de Geschillenkamer overgemaakt.
  14. Op 19 oktober 2020 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, §1, 1°, en artikel 98 van de WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
  15. Dezelfde dag worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2, en in artikel 98 van de WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 van de WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd daarbij vastgelegd op 26 november 2020, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 17 december 2020 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 7 januari
  16. Beslissing ten gronde 34/2022 - 5/20
  17. Op 28 oktober 2020 aanvaardt de verweerder om alle communicatie omtrent de zaak elektronisch te ontvangen en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG. Hij vraagt eveneens een kopie van het dossier (artikel 95, §2, 3°, van de WOG), die hem op 29 oktober 2020 wordt toegezonden.
  18. Op 26 november 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord van de verweerder. De verweerder geeft aan dat er een verwerking van persoonsgegevens van de klager heeft plaatsgevonden, maar is van mening dat dit in overeenstemming met AVG is gebeurd. Wat de rechtmatigheid van de verwerking betreft, beroept de verweerder zich op de toepassing van artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG, aangezien de verwerking nodig was om te voldoen aan een wettelijke verplichting. Deze verplichting is gebaseerd op artikel 4.11 van het politiereglement van de gemeente (...) en op artikel 33.2 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties. Deze twee artikelen zijn op soortgelijke wijze geformuleerd en bieden de houder van een kentekenplaat de mogelijkheid om met alle rechtsmiddelen of op welke manier dan ook de identiteit van de chauffeur op het moment van de overtreding aan te tonen. Artikel 33.2 vermeldt tevens dat de houder van de kentekenplaat dan verplicht is de identiteit van de chauffeur mee te delen. De verweerder beroept zich tevens op artikel 10, §1, 1°, van de WVG, aangezien de verwerking noodzakelijk is voor het beheer van zijn eigen geschil. Hij voert aan dat een administratieve boete gelijkstaat aan een strafrechtelijke sanctie. De verweerder beroept zich ook op het gerechtvaardigd belang in artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG, aangezien het natuurlijk in zijn belang is de werkelijke pleger van de inbreuk te identificeren om te vermijden dat deze hem zal worden aangerekend. Wat het beginsel van doelbinding betreft, preciseert de verweerder dat zijn Gegevensbeschermingsbeleid bepaalt dat de persoonsgegevens van de werknemer in elk geval na een termijn van 10 jaar zullen worden gewist, tenzij het gaat om gegevens die noodzakelijk zijn voor eventuele lopende geschillen. Wat het beginsel van minimale gegevensverwerking betreft, wijst de verweerder erop dat alle gegevens in de e-mail nodig waren om elk risico en bijkomende kosten voor de betrokken partijen te vermijden. Hij is van mening dat de naam en het adres van de klager nodig waren, zodat de gemeente haar brief naar de betrokkene kon sturen. De e-mailadressen van de klager, die in kopie waren toegevoegd, waren ook noodzakelijk, aangezien als gevolg van de telewerksituatie door de COVID-19-pandemie een doorgifte van een papieren exemplaar van de brief niet mogelijk was. Het gebruik van het nieuwe zakelijke e-mailadres van de klager wordt gerechtvaardigd door het feit dat dit zich in de gegevensbank van de verweerder bevindt, aangezien de klager in dienst is bij een organisatie die lid is van de verweerder. De verzending van de door de klager opgestelde brief was Beslissing ten gronde 34/2022 - 6/20 ter zake dienend om met alle rechtsmiddelen aan te tonen dat de klager inderdaad de pleger van de inbreuk was, aangezien hij daarin de feiten erkende. De verweerder preciseert ook dat de personen die in kopie van de e-mail stonden, de financieel directeur, de directeur personeelszaken en de directe chef van de klager waren. Wat het beginsel van integriteit en vertrouwelijkheid betreft, onderstreept de verweerder een aantal maatregelen die zijn getroffen, met name het bestaan van een privacybeleid in overeenstemming met de AVG, en regelingen voor het beheer van toegang en wachtwoorden. De verweerder verzoekt de Geschillenkamer de klacht ongegrond te verklaren.
  19. Op 27 november 2020 aanvaardt de klager alle communicatie met betrekking tot de zaak elektronisch te ontvangen en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG. Hij vraagt eveneens een kopie van het dossier (artikel 95, §2, 3°, van de WOG), die hem op 1 december 2020 wordt toegezonden.
  20. Op 16 december 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. De klager benadrukt eerst en vooral het privékarakter van het geschil tussen hem de gemeente (...). Wat het beginsel van doelbinding betreft, is de klager van mening dat dit niet is geëerbiedigd op minstens twee vlakken. Het eerste heeft betrekking op het gebruik van zijn huidige zakelijke emailadres, dat volgens de conclusie van de verweerder uit de gegevensbank van de verweerder komt. Dit gegeven is volgens de klager verwerkt voor andere doeleinden dan waarvoor het is verzameld, aangezien de verweerder enkel over dat gegeven beschikt door het feit dat de nieuwe werkgever van de klager een organisatie is die lid is van de verweerder en dat een vertegenwoordiger van zijn nieuwe werkgever zetelt in de regionale raad van de verweerder. Het tweede betreft het gebruik van een door de klager opgestelde ontwerpbrief die op de server van de verweerder zou zijn opgeslagen in een persoonlijk dossier. De klager is van mening dat deze brief door de verweerder nooit had mogen worden verwerkt, omdat hij betrekking had op een eigen geschil. Hij betwist het feit dat de verweerder het document juist in het kader van het beheer van zijn geschil heeft kunnen bewaren, aangezien het in een privédossier werd bewaard. Wat het beginsel van minimale gegevensverwerking betreft, is de klager in de eerste plaats van mening dat het voor de verweerder niet noodzakelijk was om op de brief van de gemeente te reageren. Het was voor hem voldoende geweest om deze volgens de gebruikelijke interne praktijk aan de klager over te maken. In de tweede plaats is de klager van mening dat het voor de verweerder voldoende was geweest om de identiteit en het huisadres van de klager mee te delen. De vermelding van zijn hoedanigheid van jurist en de verzending van de ontwerpbrief worden door de klager beschouwd als niet ter zake dienend en niet noodzakelijk voor de verwerking. Beslissing ten gronde 34/2022 - 7/20 Wat de schending van het beginsel van integriteit en vertrouwelijkheid betreft, benadrukt de klager dat volgens het eigen privacybeleid van de verweerder, de managers de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens van de werknemers moeten eerbiedigen. De klager is van mening dat dit beginsel is geschonden door zijn ontwerpbrief en nieuwe zakelijke adres in kopie te sturen naar drie leden van het personeel van de verweerder. Hij is van mening dat de toezending aan die drie personen niet gerechtvaardigd is, evenmin als de toezending aan drie verschillende adressen van de gemeente (...) (persoon die de beslissing ondertekent, financiële dienst en algemeen adres). Hij meent ook dat het zich toegang verschaffen tot persoonsgegevens van een voormalig werknemer om er een ontwerpbrief uit te halen die voor privédoeleinden is geschreven, gelijkstaat aan het doorzoeken van een persoonlijke digitale ruimte, meer dan een jaar na het einde van zijn contract. Volgens hem is dit een schending van het beginsel van integriteit en vertrouwelijkheid en de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie.
  21. Op 7 januari 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de verweerder. Naast de elementen die reeds in zijn conclusie aanwezig zijn, onderstreept hij dat aangezien de tweede factuur van de gemeente (...) met naam en toenaam aan hem is gericht, hij wel degelijk bij het geschil betrokken is. Wat minimale gegevensverwerking betreft, preciseert hij dat de gegevens van alle werknemers gedurende 5 jaar worden bewaard, zoals aangegeven in zijn privacybeleid en dat die periode door de burgerlijke en strafrechtelijke verjaringsregelingen wordt gerechtvaardigd. De verweerder corrigeert een bewering in zijn eerste conclusie. Hij wijst erop dat de ontwerpbrief niet uit een Dropbox-bestand van de algemeen directeur komt, maar hem is gegeven door een werknemer die de klager destijds had geholpen de brief naar het Nederlands te vertalen. De bewijskrachtige correspondentie is in het dossier 1 opgenomen, evenals een door de algemeen directeur ondertekende verklaring op eer waaruit dit blijkt. Subsidiair somt de verweerder verzachtende omstandigheden op en vraagt hij opschorting van de uitspraak of een beperking tot een waarschuwing of een berisping. In geval van publicatie van de beslissing, verzoekt hij om anonimisering van de identiteit van de partijen.
  22. Op 15 oktober 2021 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 29 november
  23. Op 29 november 2021 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer.
  24. Op 17 januari 2022 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. 1 In dat verband merkt de Geschillenkamer op dat de e-mailuitwisseling verduidelijkingen van de collega bevat waarin zij te kennen geeft niet te weten of de ontwerpbrief uiteindelijk naar de gemeente was gestuurd. Beslissing ten gronde 34/2022 - 8/20
  25. Op 22 januari 2022 ontvangt de Geschillenkamer enkele opmerkingen van de verweerder met betrekking tot het proces-verbaal. II. Motivering II.1 Wat betreft de verwerking en de feiten
  26. Een factuur van de gemeente (...) voor illegaal storten wordt naar de werkgever van de klager gestuurd. De illegale storting is door de klager gedaan met gebruikmaking van zijn bedrijfswagen. De werkgever (verweerder) verzoekt de klager de nodige stappen te ondernemen om de boete af te handelen. Bijna een jaar later stuurt de gemeente een hogere factuur voor dezelfde feiten naar de gewezen werkgever (de klager is ondertussen van werk veranderd). De gewezen werkgever antwoordt de gemeente door een e-mail te sturen naar drie verschillende adressen van de gemeente (persoon die de beslissing ondertekent, financiële dienst en algemeen adres), en drie van zijn medewerkers (namelijk de financieel directeur, de directeur personeelszaken en de gewezen hiërarchische chef van de klager) en de klager in kopie te zetten. De e-mail bevat verschillende persoonsgegevens van de klager: - zijn huisadres; - zijn nieuwe zakelijke e-mailadres; - zijn beroep als jurist; - een ontwerpbrief die de klager van plan was naar de gemeente te sturen, waarin hij onder andere de feiten toegeeft (die de ex-werkgever in zijn Dropbox-archief zegt te hebben gevonden. Een verklaring die is gecorrigeerd in de conclusie, waarin de ex-werkgever zegt deze brief te hebben gekregen van een ex-collega van de klager die hem destijds met de vertaling heeft geholpen). Deze verwerking vormt het voorwerp van het geschil.
  27. Bovendien blijkt uit de stukken van het dossier dat de klager wel degelijk correct had gezorgd voor de afhandeling van de eerste boete en deze had betaald, hetgeen de werknemer niet wist. Ook blijkt uit het dossier dat de klager de brief die met de hulp van zijn collega was geschreven had gebruikt, en deze met kleine wijzigingen naar de gemeente had gestuurd. Deze verzending was ook niet bekend bij de werkgever, die niet wist of de ontwerpbrief door de klager was gebruikt. De redenen voor de verzending van de factuur van 460 EUR konden in de procedure voor de Geschillenkamer niet worden opgehelderd. Beslissing ten gronde 34/2022 - 9/20 II.2 Wat betreft de inbreuken die door de Geschillenkamer zijn onderzocht II.2.1 Rechtmatigheidsbeginsel
  28. Het rechtmatigheidsbeginsel in artikel 5, lid 1, punt a), van de AVG bepaalt dat elke verwerking van persoonsgegevens moet worden gebaseerd op een van de rechtmatigheidsgronden in artikel 6, lid 1, van de AVG. Dit artikel luidt als volgt: "
  29. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: (a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen; c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen; e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. Beslissing ten gronde 34/2022 - 10/20 De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.”
  30. De verweerder beroept zich op de toepassing van drie verschillende rechtmatigheidsgronden (artikel 6, lid 1, punten c) en f), en artikel 10 van de AVG). Hij beroept zich voor alles op de toepassing van artikel 6, lid 1, punt c) van de AVG, namelijk voldoen aan een wettelijke verplichting. Deze verplichting is gebaseerd op artikel 4.11 van het politiereglement van de gemeente (...) en op artikel 33.2 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties. Deze twee artikelen zijn op soortgelijke wijze geformuleerd en bieden de houder van een kentekenplaat de mogelijkheid om met alle rechtsmiddelen of op welke manier dan ook de identiteit van de chauffeur op het moment van de overtreding aan te tonen. Artikel 33.2 vermeldt tevens dat de houder van de kentekenplaat dan verplicht is de identiteit van de chauffeur mee te delen.
  31. Voor de Geschillenkamer bevatten de twee ingeroepen artikelen in wezen geen wettelijke verplichting, maar een wettelijke bevoegdheid. Volgens de doctrine heeft artikel 6, lid 1, punt c) betrekking op gevallen van een wettelijke verplichting en niet op loutere machtigingen.
  32. In dat verband bepaalt de doctrine bijvoorbeeld: "Wat artikel 6, lid 1, punt c), niet duidelijk dekt zijn de juridische bepalingen die de rechtssubjecten slechts machtigen of de bevoegdheid geven om iets te doen. Dergelijke gevallen zouden moeten worden aangemerkt als gevallen van artikel 6, lid 1, punt e) wanneer zij overheidsinstanties toestaan activiteiten uit te oefenen die de verwerking van gegevens met zich brengen, of als gevallen van artikel 6, lid 1, punt f), wanneer particuliere instanties wordt toegestaan bepaalde gegevensverwerkingactiviteiten uit te oefenen." 2 De Geschillenkamer onderschrijft deze interpretatie en is derhalve van mening dat de verwerkingsverantwoordelijke zich in deze zaak moest beroepen op artikel 6, lid 1, punt f), of een andere rechtsgrond voor rechtmatigheid.
  33. De verweerder beroept zich in het onderhavige geval op het gerechtvaardigd belang in artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG, aangezien het in zijn belang is de werkelijke pleger van de inbreuk te identificeren om te vermijden dat deze hem zal worden aangerekend. De verweerder beroept zich eveneens op de toepasselijkheid van artikel 10 van de AVG. Uit dit artikel blijkt echter dat een rechtmatigheidsgrond als in artikel 6, lid 1, noodzakelijk is voordat de toepasselijkheid van artikel 10 kan worden overwogen. De Geschillenkamer zal bijgevolg de rechtmatigheid van de verwerking op grond van artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG onderzoeken.
  34. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist dat een beroep op artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG aan drie cumulatieve voorwaarden moet voldoen “te weten, in de eerste plaats, de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking 2 L. Georgieva “Processing of personal data relating to criminal convictions and offences”, in : Ch. Kuner, The EU General Data Protection Regulation (GDPR)

(2020), blz. 333. Vrije vertaling. Beslissing ten gronde 34/2022 - 11/20 verantwoordelijke of van de derde(
  1. n)aan wie de gegevens worden verstrekt, in de tweede plaats, de noodzaak van de verwerking van de persoonsgegevens voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang, en, in de derde plaats, de voorwaarde dat de fundamentele rechten en vrijheden van de bij de gegevensbescherming betrokken persoon niet prevaleren" 3. 33. De verwerkingsverantwoordelijke dient met andere woorden aan te tonen dat: 1) de belangen die hij met de verwerking nastreeft, als gerechtvaardigd kunnen worden erkend (de “doeltoets”); 2) de beoogde verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze belangen (de “noodzakelijkheidstoets”); en 3) de afweging van deze belangen tegen de fundamentele belangen, vrijheden en grondrechten van de betrokkenen in het voordeel van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde is (de “afwegingstoets”). 34. Wat de eerste voorwaarde betreft (de doeltoets), is de Geschillenkamer van mening dat de afhandeling van de procedures, overtredingen en administratieve boetes duidelijk een gerechtvaardigd belang vormt bij de verweerder. Deze laatste heeft een gerechtvaardigd belang aangezien hij een sanctionerende administratieve autoriteit wil informeren dat een inbreuk is gepleegd, niet door hemzelf, maar door een van zijn (ex-)werknemers. 35. Om te voldoen aan de tweede voorwaarde, moet worden aangetoond dat de verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doeleinden. Dit betekent meer bepaald dat de vraag moet worden gesteld of hetzelfde resultaat kan worden bereikt met andere middelen, zonder verwerking van persoonsgegevens of zonder een voor de betrokkenen onnodige ingrijpende verwerking . 36. De Geschillenkamer concludeert in dit verband dat de identificatiegegevens van de klager noodzakelijk zijn om de gemeente in te lichten over de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor de inbreuk. Hiervoor volstaan het huisadres en eventueel het persoonlijke e-mailadres. Het zakelijke e-mailadres van de verweerder is dus niet nodig. De hoedanigheid van jurist van de klager is niet noodzakelijk voor het doel van de verwerking. Wat betreft de door de klager geschreven ontwerpbrief waarin de feiten worden toegegeven, is deze niet noodzakelijk om de persoon die verantwoordelijk voor de inbreuk is, te identificeren, aangezien deze reeds in de email en door toezending van zijn contactgegevens is geïdentificeerd. 37. Wat de verzending naar de drie verschillende e-mailadressen van de gemeente betreft, is de Geschillenkamer van mening dat de verzending naar de persoon die de beslissing heeft ondertekend noodzakelijk is, evenals de verzending naar een functioneel e-mailadres om er zeker 3 Hof van Justitie van de Europese Unie (-C-13/16 (arrest Rigas), §28. Beslissing ten gronde 34/2022 - 12/20 van te zijn dat de e-mail door de gemeente wordt ontvangen. Een toezending aan het algemeen adres van de gemeente lijkt echter niet noodzakelijk. 38. Het laatste punt betreft de verzending in kopie van de e-mail naar drie personeelsleden, namelijk de financieel directeur, de directeur personeelszaken en de gewezen chef van de klager. De Geschillenkamer is van mening dat de toezending aan de financieel directeur en de directeur personeelszaken gerechtvaardigd is uit overwegingen van controle en interne organisatie. De toezending aan de gewezen chef is niet gerechtvaardigd, aangezien zij geen verband houdt met het werk en de prestaties van de werknemer, die de organisatie inmiddels heeft verlaten. 39. De verwerking is dus noodzakelijk voor het persoonlijke e-mailadres en het huisadres van de klager, en voor sommige e-mailadressen van de gemeente en van twee van haar medewerkers. 40. Wat de derde voorwaarde betreft, dat wil zeggen de afweging van de belangen van de verwerkingsverantwoordelijke ten opzichte van de belangen, vrijheden en fundamentele rechten van de betrokkenen, is de Geschillenkamer van mening dat de identificatiegegevens van de klager geen bijzonder risico voor diens belangen, vrijheden en fundamentele rechten inhouden. De verzending van de ontwerpbrief is door de Geschillenkamer eerder als onnodig vastgesteld. Zij is van mening dat de toezending van de ontwerpbrief van de klager ook de belangen van de betrokkene schaadt. 41. De ontwerpbrief is immers in vertrouwen tussen de klager en een van zijn collega's uitgewisseld, zodat deze laatste hem kon helpen met het nalezen en vertalen van de ontwerpbrief. Het hergebruik van die brief door de ex-werkgever van de klager houdt een gegevensverwerking in die deze laatste waarschijnlijk niet had verwacht. De Geschillenkamer herinnert er in dit verband aan dat overweging 47 van de AVG met name de volgende zinnen bevat: "In elk geval is een zorgvuldige beoordeling geboden om te bepalen of sprake is van een gerechtvaardigd belang, alsook om te bepalen of een betrokkene op het tijdstip en in het kader van de verzameling van de persoonsgegevens redelijkerwijs mag verwachten dat verwerking met dat doel kan plaatsvinden. De belangen en de grondrechten van de betrokkene kunnen met name zwaarder wegen dan het belang van de verwerkingsverantwoordelijke wanneer persoonsgegevens worden verwerkt in omstandigheden waarin de betrokkenen redelijkerwijs geen verdere verwerking verwachten."4 De Geschillenkamer wijst er tevens op dat deze ontwerpbrief een bekentenis van de klager bevatte en dat de verweerder deze ontwerpbrief naar de gemeente heeft gestuurd, met volledige kennis van dat feit. Deze overdracht vormt een schending van de belangen van de klager, aangezien de 4 De Kamer markeert. Beslissing ten gronde 34/2022 - 13/20 verweerder welbewust een ontwerpbrief met een bekentenis verstuurde, terwijl hij niet wist of de klager de overtreding bij de administratieve autoriteit al had erkend. Door dit te doen wist of had de verweerder moeten weten dat hij de klager in een moeilijk parket kon brengen in het geval deze de overtreding wilde betwisten of een andere aanpak dan die in de brief wilde hanteren. 42. De Geschillenkamer stelt derhalve een schending van artikel 6, lid 1, punt
  2. f)en artikel 5, lid 1, punt a), vast. Voorts geeft de verweerder ook aan dat hij zich beroept op artikel 10, §1, 1°, van de wet van 30 juli 2018 (dat verwijst naar artikel 10 van de AVG), aangezien de verwerking nodig was voor het beheer van zijn eigen geschil. Hij voert op basis van de Europese en Belgische rechtspraak aan dat een administratieve boete gelijkstaat aan een strafrechtelijke sanctie. De eerste vraag die door de Geschillenkamer moet worden onderzocht is dus of het gaat om een verwerking "van persoonsgegevens met betrekking tot strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen". Indien dit het geval is, moet de verwerking voldoen aan de voorwaarden van artikel 10 van de AVG. Volgens dit artikel mag een verwerking van dit soort gegevens alleen op grond van een van de rechtmatigheidsgronden in artikel 6, lid 1, van de AVG. De Geschillenkamer heeft eerder vastgesteld dat een deel van de in de e-mail verwerkte gegevens rechtmatig is verwerkt, in strijd met artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG. 43. Het geschil in kwestie betreft een administratieve geldboete. In tegenstelling tot wat de verweerder betoogt, zijn niet alle administratieve boetes strafrechtelijke sancties. Om te bepalen of deze boete een strafbaar feit vormt, moet worden verwezen naar de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat in dat verband drie relevante criteria heeft vastgesteld5. Het eerste is de juridische kwalificatie van de overtreding in het nationaal recht, het tweede de aard van overtreding zelf en het derde de aard en de zwaarte van de sanctie die kan worden opgelegd. 44. Het Europees Hof van Justitie past deze criteria eveneens toe en vat deze op de volgende manier samen: "Het eerste Engel-criterium heeft betrekking op indeling van een bepaling bij het strafrecht volgens nationaal recht. Die nationale kwalificatie beschouwt het EHRM echter niet van doorslaggevend belang, maar alleen als een uitgangspunt bij de beoordeling6. In het kader van het tweede Engel-criterium onderzoekt het EHRM allereerst tot wie een regeling die een bepaalde overtreding strafbaar stelt, gericht is. Is de adressaat het algemene publiek en 5 Zie met name Eur. Hof R. M. arrest Engel e.a. t. Nederland van 8 juni 1976, serie A nr. 22, § 80 t.e.m. 82, en arrest Zolotukhin t. Rusland van 10 februari 2009, nr. 14939/03, § 52 en 53). 6 Arrest Engel t. Nederland (aangehaald, § 82). Beslissing ten gronde 34/2022 - 14/20 niet — zoals in het tuchtrecht — een groep die een bepaalde status heeft, dan pleit dit voor de strafrechtelijke aard van de sanctie 7. Daarnaast kijkt het EHRM naar het doel van de in de strafbepaling voorziene sanctie. Er is geen sprake van een strafsanctie wanneer de sanctie alleen maar strekt tot vergoeding van financiële schade 8. Bestaat het doel ervan echter in repressie en preventie, dan is de sanctie van strafrechtelijke aard9. Vervolgens besteedt het EHRM in zijn recentere rechtspraak aandacht aan de vraag of de bestraffing van de overtreding tot doel heeft rechtsgoederen te beschermen waarvan de bescherming normaliter door strafrechtelijke bepalingen wordt gewaarborgd10. Al deze elementen dienen in globo te worden beoordeeld 11. Het derde Engel-criterium heeft betrekking op de aard en de zwaarte van de op te leggen straf 12. Bij vrijheidsstraffen geldt algemeen het vermoeden dat de sanctie van strafrechtelijke aard is, en dat vermoeden kan slechts in uitzonderingsgevallen worden weerlegd 13. Ook bij geldboeten, met een vervangende vrijheidsstraf bij niet-betaling14 of een vermelding op het strafblad, wordt normaliter aangenomen dat sprake is van een strafrechtelijke procedure 15. » De Geschillenkamer stelt vast dat de overtreding waarvan sprake in het dossier een administratieve boete is (eerste criterium). Deze norm is van toepassing op het algemene publiek, hetgeen pleit voor de strafrechtelijke aard van de sanctie (tweede criterium). Het doel van de boete is het sanctioneren van het illegaal storten van afval, hetgeen een repressief en preventief karakter heeft. Het doel van dit strafbare feit is de bescherming van de volksgezondheid (derde criterium). 16 45. De Geschillenkamer is derhalve van mening dat de boete in kwestie "strafrechtelijk" is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. Door gegevens te verwerken met als doel de klager als verantwoordelijke voor dit strafbare feit aan te wijzen, kan de verweerder worden beschouwd als verwerker van "persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten" in de zin van artikel 10 van de AVG, waardoor de AVG van toepassing wordt. 7 Eur. Hof R. M., arrest Öztürk t. Duitsland van 21 februari 1984, nr. 8544/79, serie A nr. 73, § 53, en arrest Lauko t. Slovakije van 2 september 1998, Receuil des arrêts et décisions 1998-VI, nr. 26138/95, § 58. 8 Eur. Hof R. M., arrest Jussila t. Finland van 23 november 2006, Recueil des arrêts et décisions 2006-XIII, nr. 73053/01, § 38. 9 Zie onder andere, Eur. Hof R. M. arrest Zolotukhin t. Rusland van 10 februari 2009, nog niet gepubliceerd in Recueil des arrêts et décisions, nr. 14939/03, § 55, onder verwijzing naar het arrest Ezeh en Connors t. Verenigd Koninkrijk van 9 oktober 2003, Receuil des arrêts et décisions 2003-X, nrs. 39665/98 en 40086/98, § 102 en 105, en arrest Maresti t. Kroatië, § 59. 10 Arrest Zolotukhin t. Rusland (aangehaald, § 55) en arrest Maresti t. Kroatië, § 59. 11 Eur. Hof R. M. arrest Bendenoun t. Frankrijk van 24 februari 1994, nr. 12547/86, serie A, nr. 284, § 47, en arrest Ezeh en Connors t. Verenigd Koninkrijk, § 103. 12 Arrest Zolotukhin t. Rusland (aangehaald, § 56). 13 Arrest Engel e.a. t. Nederland (aangehaald, § 82), en arrest Ezeh en Connors t. Verenigd Koninkrijk (aangehaald, § 126). 14 Eur. Hof R. M. arrest Zugic t. Kroatië van 31 mei 2011, nog niet gepubliceerd in Receuil des arrêts et décisions, nr. 3699/08, § 68. 15 Arrest Zugic t. Kroatië (aangehaald, § 68). 16 Deze conclusies zijn niet relevant voor de rol van de Geschillenkamer zelf, en het eventuele strafrechtelijke karakter van de door haar opgelegde sancties, krachtens artikel 100 van de WOG, gelezen in samenhang met artikel 58, lid 2, van de AVG. Beslissing ten gronde 34/2022 - 15/20 46. In uitvoering van artikel 10 van de AVG bepaalt artikel 10 van de wet van 30 juli 2018 in zijn eerste paragraaf: "[...] de verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafrechtelijke inbreuken of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen [wordt] uitgevoerd: 1° door natuurlijke personen of door privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen voor zover dat noodzakelijk is voor het beheer van hun eigen geschillen". 47. Dit doel komt overeen met het door de verweerder aangevoerde verwerkingsdoel. Hieruit volgt dat de gegevensverwerking die gedeeltelijk als rechtmatig werd beschouwd op grond van artikel 6, lid 1, punt f), eveneens conform de vereisten van artikel 10 van de AVG is, ten uitvoer gelegd door artikel 10 van de wet van 30 juli 2018. Er zij op gewezen dat artikel 10, §2, van de wet van 30 juli 2018 verplicht de verwerking van persoonsgegevens te beperken tot specifieke categorieën van personen voor wie de verwerking deel uitmaakt van hun functieomschrijving en die door een wettelijke, statutaire of gelijkwaardige contractuele verplichting gehouden zijn de vertrouwelijkheid van de betrokken gegevens te respecteren. 48. De verweerder heeft de Geschillenkamer geen lijst van deze categorieën van personen bezorgd. De Geschillenkamer is van mening dat het op het eerste gezicht logisch lijkt dat de financieel directeur en de directeur personeelszaken onder deze categorie van personen vallen. Zij betwijfelt echter of het nodig is de gewezen hiërarchische chef van de klager erin op te nemen. II.2.2 Doelbinding 49. Het beginsel van doelbinding is vastgelegd in artikel 5, lid 1, punt b), van de AVG. Het is hieronder weergegeven: "1. Persoonsgegevens moeten: […]
  3. b)voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd (doelbinding);" 50. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om het doel van de verwerking te bepalen. De Geschillenkamer heeft geen aanwijzingen dat de verweerder dit heeft gedaan, maar begrijpt uit het dossier dat het doel is "het beheer van zijn eigen geschil te verzekeren", door de gemeente (...) te informeren dat de klager de dader van de overtreding is. De schending van het beginsel van doelbinding wordt door de klager aangevoerd met betrekking tot twee verschillende gegevens. Beslissing ten gronde 34/2022 - 16/20 Ten eerste met betrekking tot zijn nieuwe zakelijke e-mailadres. Vervolgens met betrekking tot de ontwerpbrief van antwoord aan de gemeente die hij met een collega had gedeeld. 51. Wat het gebruik van het nieuwe zakelijke e-mailadres betreft, wijst de verweerder erop dat "het logisch was dat dit zich in de gegevensbank van Y bevond. Zijn nieuwe werkgever is immers lid van Y". 52. De Geschillenkamer begrijpt dus dat de verweerder het nieuwe zakelijke e-mailadres van de klager heeft verkregen nadat deze laatste zijn functie bij de verweerder had verlaten. Het is enkel omdat de nieuwe werkgever van de klager lid is van de verwerende partij dat de verweerder over het nieuw e-mailadres beschikt. 53. De verweerder heeft het nieuwe e-mailadres van de klager dus verkregen in het kader van zijn activiteiten als belangenorganisatie voor zijn leden en niet in het kader van zijn activiteiten als werkgever. Voor de Geschillenkamer is het doeleinde van de verzameling van gegevens in elk van deze situaties verschillend. 54. Dit verschil wordt door de verweerder goed begrepen, aangezien hij een privacybeleid heeft voor zijn werknemers en een ander voor zijn leden. Het is duidelijk dat het nieuwe e-mailadres van de klager onder het privacybeleid voor de leden valt. 55. Dit privacybeleid beschrijft de doeleinden als volgt: De doeleinden van deze verwerkingen zijn de uitvoering van de overeenkomsten met onze geaffillieerde ondernemingen en het beheer daarvan, de boekhouding, het beheer van geschillen en rechtszaken, evenals direct-marketingactiviteiten zoals de verzending van promotionele of commerciële informatie of informatie over opleidingen. De rechtsgronden zijn de uitvoering van een contract, de naleving van wettelijke en reglementaire verplichtingen en/of ons gerechtvaardigd belang. 56. Voor de Geschillenkamer is het duidelijk dat de formulering "beheer van geschillen en rechtszaken" verwijst naar eventuele geschillen en rechtszaken tussen de verweerder en de geaffilieerde ondernemingen. Zij verwijst niet naar geschillen die de verweerder zou kunnen hebben met een van de werknemers van een geaffilieerde onderneming in het kader van een eerdere arbeidsverhouding. 57. Het gebruik door de verweerder van het nieuwe e-mailadres van de klager is derhalve een verdere verwerking van gegevens, die wordt geregeld in artikel 6, lid 4, van de AVG, dat hieronder is weergegeven: « Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige Beslissing ten gronde 34/2022 - 17/20 maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met:
  4. a)ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking;
  5. b)het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke betreft;
  6. c)de aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10;
  7. d)de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen;
  8. e)het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering. » 58. De verweerder toont op geen enkel moment aan dat in dit geval aan een van de vijf in dit artikel opgesomde voorwaarden is voldaan. Hij toont dus niet aan dat het gegeven verder op rechtmatige wijze is verwerkt. 59. Wat de voor de gemeente geschreven ontwerpbrief betreft, blijkt uit de stukken van het dossier dat deze brief destijds door de klager aan een collega was doorgegeven, zodat deze laatste hem kon helpen met het nalezen en vertalen van de brief. De verzending vond dus plaats tussen de klager en een van zijn collega's, in vertrouwen. 60. Dit gegeven is dus door de verweerder bij een van zijn werknemers verzameld. Overeenkomstig artikel 5, lid 1, punt b), van de AVG moeten de gegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld. In de onderhavige situatie was het doel van de verzameling het verkrijgen van de brief om "het beheer van zijn eigen geschil te verzekeren" door de gemeente (...) te informeren dat de klager de dader van de overtreding is. In het onderhavige geval is de Geschillenkamer van mening dat het door de werkgever verzamelen van een in vertrouwen tussen de klager en een van zijn collega's uitgewisselde ontwerpbrief, die een bekentenis van de feiten bevat, met als doel deze naar een sanctionerende administratieve autoriteit te sturen, een onrechtmatig doel vormt, te meer omdat de verweerder uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij niet wist of de klager die brief uiteindelijk in zijn communicatie met de gemeente had gebruikt. 61. Bijgevolg is de Geschillenkamer van oordeel dat artikel 5, lid 1, punt b), is geschonden. II.2.3 Minimale gegevensverwerking Beslissing ten gronde 34/2022 - 18/20 62. Volgens het beginsel van minimale gegevensverwerking, vastgelegd in artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG, moeten persoonsgegevens toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Overweging 39 van de AVG voegt hieraan toe: "Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt indien het doel van de verwerking niet redelijkerwijs op een andere wijze kan worden verwezenlijkt." 63. De Geschillenkamer wijst er in de eerste plaats nogmaals op dat het doel van de verwerking voor de verweerder is "het beheer van zijn eigen geschil te verzekeren" door de gemeente (...) te informeren dat de klager de dader van de overtreding is. 64. Voor dat doel was de mededeling van de identiteit van de klager toereikend en ter zake dienend, evenals de mededeling van zijn persoonlijke e-mailadres. 65. De Geschillenkamer is echter van mening dat het nieuwe zakelijke e-mailadres van de klager hiervoor op zich niet relevant is, aangezien er geen verband is tussen het geschil en zijn nieuwe werk. Datzelfde geldt voor het feit dat de klager jurist is, omdat deze informatie in deze zaak niet relevant is. 66. Wat de ontwerpbrief betreft, is de Geschillenkamer van mening dat dit gegeven niet als relevant voor de verwezenlijking van het doel kan worden beschouwd, aangezien het gaat om een ontwerpbrief die bekentenissen van de klager bevat, maar waarvan de verweerder niet wist wat er verder mee was gebeurd. Met andere woorden, door deze brief naar de gemeente (...) te sturen, zonder te weten of deze schriftelijke bekentenis uiteindelijk door de klager was afgerond en gebruikt in zijn communicatie met de gemeente, heeft de verweerder een gegeven verwerkt dat niet relevant was. 67. De Geschillenkamer stelt derhalve een inbreuk van artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG vast. II.2.4 Integriteit en vertrouwelijkheid 68. Het beginsel van integriteit en vertrouwelijkheid is vastgelegd in artikel 5, lid 1, punt f), van de AVG, dat als volgt geformuleerd is: "Persoonsgegevens moeten door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging ("integriteit en vertrouwelijkheid"). 69. Overweging 39 van de AVG voegt daaraan toe: "Persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een manier die een passende beveiliging en vertrouwelijkheid van die gegevens waarborgt, ook ter voorkoming van ongeoorloofde toegang tot of het ongeoorloofde gebruik van persoonsgegevens en de apparatuur die voor de verwerking wordt gebruikt. Beslissing ten gronde 34/2022 - 19/20 70. Voor de Geschillenkamer moeten drie kwesties in verband met het beginsel integriteit en vertrouwelijkheid worden onderzocht. De naleving van dit beginsel is aan de orde ten aanzien van de verzending van de ontwerpbrief, ten aanzien van de verzending van de e-mail naar drie verschillende adressen van de gemeente en ten slotte ten aanzien van de verzending in kopie naar drie medewerkers van de verweerder. 71. Wat de verzending van de ontwerpbrief naar de gemeente betreft, verwijst de Geschillenkamer naar punt 41, lid 3, waarin staat dat de verweerder ervan in kennis was gesteld dat de ontwerpbrief door de klager in vertrouwen was gedeeld met een van zijn collega's. De verweerder heeft bij de toezending van de e-mail aan de gemeente overigens uitdrukkelijk vermeld dat hij niet wist of de klager uiteindelijk gebruik van de brief had gemaakt of niet. 72. Op grond van deze elementen is de Geschillenkamer van mening dat de verweerder het beginsel van vertrouwelijkheid, als vervat in artikel 5, lid 1, punt f), van de AVG, heeft geschonden, aangezien de ontwerpbrief niet zodanig is verwerkt dat een passende vertrouwelijkheid was verzekerd en ongeoorloofde toegang tot de gegevens werd voorkomen. Deze vaststelling wordt bevestigd door het feit dat de ontwerpbrief in kwestie een bekentenis van de klager bevat, en dat de verweerder deze naar de gemeente doorstuurde zonder erbij stil te staan of de klager deze bekentenis uiteindelijk tegenover de gemeente had geuit. 73. De Geschillenkamer concludeert derhalve dat artikel 5, lid 1, punt f), is geschonden. 74. Het volgende punt betreft de verzending naar drie e-mailadressen van de gemeente, namelijk het adres van de persoon die de beslissing bij de gemeente (...) heeft ondertekend, de financiële dienst, maar ook een algemeen adres (...). De Geschillenkamer beschikt over geen enkel element om te oordelen dat de doorgifte aan die adressen een inbreuk op het beginsel van integriteit en vertrouwelijkheid vormt. 75. Hetzelfde geldt voor het derde punt betreffende de verzending van de e-mail die in kopie werd gericht aan drie medewerkers van de verweerder, namelijk de financiële directeur, de directeur personeelszaken en de gewezen hiërarchische chef van de klager. III. Sanctie en publicatie 76. Op grond van de hierboven genoemde elementen concludeert de Geschillenkamer dat er sprake is van een schending van artikel 5, lid 1, punt a), gelezen in combinatie met artikel 6, lid 1, punt f), en van artikel 5, lid 1, punten b),
  9. c)en f). Zij is van mening dat de berisping, namelijk de sanctie in artikel 100, §1, 5°, van de WOG en artikel 58, lid 2, punt b), van de AVG, in dit geval de meest passende sanctie is. Beslissing ten gronde 34/2022 - 20/20 77. De Geschillenkamer is van oordeel dat het opleggen van een geldboete, die een sanctie is als bedoeld in artikel 100, §1, 13), van de WOG en in artikel 58, lid 2, punt i), van de AVG, niet nodig is. Zij baseert deze beoordeling op verschillende elementen. Ten eerste blijkt uit het dossier dat de inbreuken in kwestie niet opzettelijk zijn gepleegd, maar het gevolg lijken te zijn van een beoordelingsfout van de verwerkingsverantwoordelijke. Verder beschikt de Geschillenkamer over geen enkel element op basis waarvan zij kan zeggen dat het om structurele schendingen gaat. De schendingen lijken integendeel nauw verband te houden met het specifieke karakter van het dossier. 78. De Geschillenkamer betreurt echter dat het dossier een conflictueuze wending heeft genomen, die waarschijnlijk vermeden had kunnen worden als de verweerder de klager gewoon had gecontacteerd om hem te vragen of hij de nodige stappen had ondernomen voor de afhandeling van de eerste geldboete. 79. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt. OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, op grond van artikel 100, §1, 5°, van de WOG, een berisping te formuleren voor schending van artikel 5, lid 1, punt a), gelezen in combinatie met artikel 6, lid 1, punt f), en van artikel 5, lid 1, punten b),
  10. c)en
  11. f)van de AVG. Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, §1, van de WOG, beroep worden aangetekend bij het Marktenhof, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. (get.) Hielke Hijmans Voorzitter van de Geschillenkamer

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.