← België

Beslissing ten gronde nr. 37/2020

1/49 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 37/2020 van 14 juli 2020 Deze beslissing werd vernietigd door het arrest 2020/ AR/1111 van het Marktenhof dd. 30 juni 2021 Dossiernr.: DOS-2019-03780 Voorwerp: X c/ Google (verwijdering van links/recht op vergetelheid) De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Yves Poullet en Christophe Boeraeve, leden; Gelet op de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit , hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; heeft de volgende beslissing genomen inzake: - de klager "X", vertegenwoordigd door mr. Carine DOUTRELEPONT; - de verwerkingsverantwoordelijke: Google Belgium NV, Etterbeeksesteenweg 180, 1040 Brussel, vertegenwoordigd door dhr. Louis-Dorsan JOLLY en dhr. Gerrit VANDENDRIESSCHE. Beslissing ten gronde37/2020 - 2/49

  1. Feiten en historiek van de procedure
  2. De klager, een Belgisch ingezetene, heeft op 12 augustus 2019 een klacht ingediend tegen Google Belgium NV, een onderneming naar Belgisch recht, met betrekking tot het verwijderen van links naar een reeks contents met nummers van 1 tot en met 12, waarvan de twaalf URLs in de klacht zijn opgesomd. Deze klacht werd op 14 augustus 2019 ontvankelijk verklaard door de eerstelijnsdienst.
  3. In wezen klaagt de klager over het feit dat "Google” weigert om zijn verzoeken om verwijdering van links in te willigen, verzonden via de online aanvraagformulieren voor verwijdering van persoonlijke informatie. Volgens hem verschijnen bij het verrichten van een zoekopdracht op basis van zijn vooren achternaam links naar content die schadelijk is voor zijn eer en goede naam in de Belgische geschreven pers.
  4. Meer specifiek wordt kritiek geuit op twee categorieën van content in de Google-indexen. Enerzijds gaat het om content waarin de klager voorgesteld wordt als een persoon met 'partij Y-label' (een Belgische politieke partij), terwijl het zou gaan om een verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens in de zin van artikel 9 van de AVG die niet onder de uitzonderingen vallen van de AVG en die bovendien onjuist zijn.
  5. Anderzijds gaat het om content die verwijst naar informatie die suggereert dat tegen de klager een klacht werd ingediend wegens pesterijen, terwijl deze klacht in 2010 ongegrond is verklaard door de instelling belast met het onderzoek van deze klacht, ARISTA 1, en dat de desbetreffende informatie bijgevolg niet meer actueel is.
  6. Wat betreft de eerste categorie van content, content nr. 1 tot 8, liet Google als volgt weten: Google kan geen toegang kan krijgen tot inhoud nr. 22 (Google vraagt daarom een screenshot van de volledige content van de pagina in kwestie, om het verzoek nader te kunnen onderzoeken); content nr. 7 werd verwijderd of de pagina verschijnt niet; Google beslist om content nr. 1, 3, 4, 5, 8 3 en content nr. 64niet te blokkeren. 1 SPMT-ARISTA is een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, die sinds 1 januari 2020 Cohezio is geworden (zie https://www.cohezio.be /fr, laatst geraadpleegd op 20 februari 2020). 2 Google vraagt daarom een screenshot van de volledige inhoud van de betreffende pagina, om het verzoek nader te kunnen onderzoeken. 3 Om deze reden: "na onderzoek van het evenwicht tussen de belangen en de rechten die verbonden zijn aan de content in kwestie, met inbegrip van factoren zoals de relevantie van deze content voor uw professioneel leven, heeft Google besloten deze niet te blokkeren". 4 Om deze reden: "na onderzoek van het evenwicht tussen de belangen en de rechten die verbonden zijn aan de content in kwestie, met inbegrip van factoren zoals de kennelijke relevantie van deze inhoud, heeft Google besloten deze niet te blokkeren." Beslissing ten gronde37/2020 - 3/49
  7. Wat betreft de tweede categorie van content, content nr. 9 tot 12, zou Google ook hebben besloten deze niet te blokkeren
  8. Op 30 augustus 2019 heeft de Geschillenkamer op grond van artikel 95, paragraaf 1, 1° en artikel 98 van de WOG besloten dat de klacht ten gronde kon worden behandeld. De partijen werden uitgenodigd om conclusies in te dienen. De conclusies van Google werden ontvangen op 30 september
  9. Op 15 oktober 2019 heeft de klager, aangezien de WOG hierover niet duidelijk is, aan de griffie van de Geschillenkamer gevraagd in hoeverre het mogelijk was om Google Ireland Ltd en Google LLC te doen tussenkomen in het geding. Op 21 oktober 2019 werd hem geantwoord dat, onverminderd de beslissing die de Geschillenkamer in dezen zou nemen, de klager uitgenodigd werd om zijn verzoek in te dienen in zijn conclusies, wat de tegenpartij in staat zou stellen ook een standpunt in te nemen. Dezelfde dag heeft de klager zijn antwoordconclusies ingediend, zonder de tussenkomst van andere partijen te vragen. Op 12 november 2019 heeft Google zijn syntheseconclusies meegedeeld.
  10. Google heeft herhaaldelijk, en recentelijk in een brief van 21 november 2019, verzocht te worden gehoord. De partijen werden door de Geschillenkamer uitgenodigd om te worden gehoord. Overeenkomstig artikel 93 van de WOG kan de Geschillenkamer de betrokken partijen horen. Op basis hiervan en gezien de door de partijen uitgewisselde conclusies, heeft zij Google LLC ook de mogelijkheid geboden om deel te nemen aan de geplande hoorzitting om er zijn eventuele argumenten aan te voeren. Op 6 mei 2020 werd een hoorzitting georganiseerd in aanwezigheid van Google Belgium NV en de klager, vertegenwoordigd door een plaatsvervanger van mr. Carine DOUTRELEPONT. Google LLC heeft niet gereageerd op de uitnodiging die het toegestuurd kreeg en ook niet tijdens de hoorzitting. Wanneer Google Belgium NV hiernaar gevraagd werd, liet het verstaan dat Google LLC deze uitnodiging weliswaar ontvangen had, maar dat in Californië niets meer met de hand ondertekend werd wegens de Covid-19-epidemie. Welnu, de Geschillenkamer heeft een papieren brief naar Google LLC geschreven en Google LLC reageert op dezelfde wijze als het wordt uitgenodigd. Het e-mailadres van de Geschillenkamer was echter bekend bij Google, dat het had kunnen gebruiken om haar te antwoorden. Vanwege de bovengenoemde epidemie werd de hoorzitting op afstand gehouden, door middel van videoconferentie.
  11. Op 11 mei 2020 werd aan de partijen een proces-verbaal van de hoorzitting verstrekt. Op 13 mei heeft de klager aan de Geschillenkamer meegedeeld dat hij geen opmerkingen had. Op 22 mei 2020 heeft Google Belgium NV zijn opmerkingen over het proces-verbaal van de hoorzitting van 6 mei meegedeeld in de vorm van 'track changes''. 5 Om de volgende reden: "na onderzoek van het evenwicht tussen de belangen en de rechten die verbonden zijn aan de content in kwestie, met inbegrip van factoren zoals uw rol in het openbaar leven, heeft Google besloten deze content niet te blokkeren." Beslissing ten gronde37/2020 - 4/49
  12. Op 4 juni 2020 heeft de Geschillenkamer een e-mail naar Google Belgium NV gestuurd, met daarin het bedrag van de tegen Google Belgium NV voorgenomen geldboete en de redenen waarom de inbreuken op de AVG het genoemde bedrag rechtvaardigen. Google Belgium NV werd in dezelfde email uitgenodigd om zijn verweermiddelen te doen gelden met betrekking tot het bedrag van de voorgenomen boete. De Geschillenkamer ontving deze verweermiddelen per e-mail van 24 juni.
  13. Op 9 juni 2020 heeft de Geschillenkamer op grond van artikel 61 van de AVG een informele kennisgeving van vrijwillige wederzijdse bijstand ingediend in het mechanisme voor samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten, met het verzoek om binnen twee weken te reageren. De Spaanse, Portugese, Hongaarse, Slowaakse, Duitse (Hamburg en Baden-Württemberg), Franse, Italiaanse en Ierse autoriteiten hebben binnen deze termijn opmerkingen ingediend.
  14. Structuur van de beslissing
  15. Met deze beslissing onderzoekt de Geschillenkamer de problematiek van de verwijdering van zoekresultaten met content over een natuurlijke persoon, na een zoekopdracht door een zoekmachine op het internet. Deze problematiek wordt behandeld in welbekende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna het HvJ EU), met name in de arresten Google Spanje6, Google/CNIL7 en GC en al.8/CNIL. Het Belgische Hof van Cassatie heeft zich ook uitgesproken over het de verwijdering van zoekresultaten en het recht om vergeten te worden9
  16. Voor de Geschillenkamer is dit een gelegenheid om een principebeslissing te nemen en te beslissen over een aantal fundamentele aspecten in verband met de verwijdering van zoekresultaten, op basis van de rechtspraak van het HvJ EU ter zake en andere punten in verband met de vaststelling van haar handelingsbevoegdheid (met name het arrest van het HvJ EU Wirtschaftsakademie10).
  17. Ten eerste onderzoekt de Geschillenkamer de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) in de voorgelegde zaak op grond van artikel 55,
  18. en overweging 122 van de AVG. Daartoe toont de Geschillenkamer aan dat de zaak in kwestie niet onderworpen moet worden aan het "één-loketmechanisme" van de AVG (Afdeling 3 infra). 6 HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, Google Spain SL en Google Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) en Mario Costeja González 7 HvJ EU, 24 september 2019, C-507/17, Google LLC tegen Commission Nationale de l’Informatique et des Libertés (CNIL). 8 HVJ EU, 24 september 2019, C-136/17, GC e.a. tegen Commission Nationale de l’Informatique et des Libertés (CNIL). 9 Zie onder andere Cass, 29 april
  19. 10 HvJ EU, 5 juni 2018, C-210/16, Unabhängiges Landeszentrum für Datenschutz Schleswig-Holstein tegen Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein GmbH. Beslissing ten gronde37/2020 - 5/49
  20. In de tweede plaats, na te hebben geconcludeerd dat een dergelijke bevoegdheid bestaat, onderzoekt de Geschillenkamer het begrip "verwerkingsverantwoordelijke" in de zin van artikel 4, lid 7, van de AVG om te bepalen of Google Belgium NV - de verweerder in deze zaak - kan worden beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke en/of zijn activiteiten onlosmakelijk verbonden zijn met die van de verwerkingsverantwoordelijke (Google LLC), alsook of de GBA haar bevoegdheden kan uitoefenen ten aanzien van Google Belgium (Afdeling 4 infra).
  21. Ten derde bepaalt zij de territoriale toepassing van de verwijdering van zoekresultaten, in verband met het Google/CNIL-arrest (Afdeling 5 infra).
  22. Ten vierde onderzoekt de Geschillenkamer de verzoeken van de klager om verwijdering van zoekresultaten, die betrekking hebben op de politieke labeling en de klacht wegens pesterijen (Afdeling 6, infra).
  23. Ten vijfde oordeelt de Geschillenkamer dat bepaalde feiten die haar in het onderhavige geval ter kennis werden gebracht, een inbreuk vormen op de AVG (Afdeling 7 infra) en specificeert zij de daarmee samenhangende corrigerende maatregelen.
  24. Bevoegdheid van de GBA en niet-toepasbaarheid van het "één- loketmechanisme"
  25. De bevoegdheid van de GBA wordt vastgesteld en geregeld in hoofdstuk VI van de AVG.
  26. Volgens artikel 55, lid 1, van de AVG is een toezichthoudende autoriteit bevoegd om haar taken en bevoegdheden uit te oefenen op het grondgebied van de lidstaat waartoe zij behoort. Overweging 122 bepaalt dat dit onder meer betrekking moet hebben op de verwerking van gegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke op dit grondgebied, alsmede op de verwerking van gegevens die gevolgen heeft voor betrokkenen op dat grondgebied.
  27. Territoriale bevoegdheid is een belangrijk beginsel van de AVG, dat moet worden gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van de AVG betreffende de territoriale toepassing van de AVG. De territoriale bevoegdheid van de autoriteit is een bevoegdheidsregel die gebaseerd is op het beginsel in het internationaal publiekrecht dat een staat de bevoegdheid heeft om het recht op zijn eigen grondgebied te handhaven. Dit beginsel van de AVG moet worden gelezen in samenhang met de doelstelling(ratio legis) van de Verordening om een adequate en volledige bescherming van de Beslissing ten gronde37/2020 - 6/49 grondrechten van de betrokkene te waarborgen. Territoriale bevoegdheid kan ook de activiteiten van een plaatselijke dochteronderneming van een in een derde staat gevestigde onderneming omvatten
  28. De territoriale bevoegdheid geldt ook wanneer de verwerking wordt uitgevoerd door een niet op het grondgebied van de Europese Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijke, zoals bepaald in en overeenkomstig de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van de AVG. Dit wordt bevestigd door het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB)
  29. Een uitzondering op dit basisbeginsel van de AVG is daarentegen opgenomen in artikel 56, lid 1., gelezen in samenhang met artikel 60, over de samenwerking tussen de leidende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten (het "één-loket"). In een situatie van grensoverschrijdende verwerking binnen de Europese Unie geeft de leidende autoriteit leiding aan de samenwerking. Het toepassingsgebied van deze uitzondering is beperkt tot situaties van "grensoverschrijdende verwerking", zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 23, van de AVG, d.w.z. een verwerking die wordt uitgevoerd in meerdere vestigingen in de Europese Unie van een verwerkingsverantwoordelijke, of een verwerking waardoor in meer dan één lidstaat betrokkenen wezenlijke gevolgen ondervinden of waarschijnlijk zullen ondervinden. In de onderhavige zaak wordt de klacht ingediend tegen Google Belgium NV, een dochteronderneming van Google LLC (USA). Deze Belgische vestiging, een vennootschapsrechtelijke dochteronderneming van Google, is de verweerder. Google Belgium NV verdedigt echter het standpunt dat alleen Google LLC (Verenigde Staten) de verwerkingsverantwoordelijke is.
  30. De Geschillenkamer benadrukt dat zelfs in het geval dat Google LLC en niet Google Belgium NV de verwerkingsverantwoordelijke is (een veronderstelling die niet door de Geschillenkamer13 wordt gevolgd), de GBA bevoegd zou zijn om de klacht van een Belgische onderdaan te behandelen. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke buiten de Europese Economische Ruimte valt niet onder de artikelen 56, lid 1, en 60 van de AVG. Het in de VS gevestigde bedrijf "Google" heeft wel degelijk een hoofdvestiging in de Europese Unie: meer bepaald in Ierland, via Google Ireland Ltd. Indien de verwerking in de onderhavige zaak uitgevoerd zou worden in het kader van de activiteiten van deze hoofdvestiging, zou deze verwerking binnen de werkingssfeer van artikel 56, lid 1, van de AVG en het "één-loket"-samenwerkingssysteem vallen, met de Ierse autoriteit als leidende autoriteit. 11 THE EU GENERAL DATA PROTECTION REGULATION (GDPR), A Commentary, Edited by Kuner, Bygrave and Docksey, OUP 2020, p. 903, 906-
  31. Zie ook het Google Spain-arrest, punten 34 en
  32. 12 Guidelines 3/2018 on the territorial scope of the GDPR (Article 3) - voor openbare raadpleging, goedgekeurd op 12 november 2019 beschikbaar op www.edpb.europa.eu. 13 Infra, nr. 32-53 Beslissing ten gronde37/2020 - 7/49
  33. Tijdens de hoorzitting was de verdeling van de verantwoordelijkheden binnen de groep van "Google"ondernemingen onderdeel van het debat, zoals voorzien was in de uitnodigingsbrief van de Geschillenkamer. In die brief had de Geschillenkamer duidelijk de wens geuit te worden geïnformeerd over de taken en verantwoordelijkheden van de vestigingen van de Google-groep, met inbegrip van het bestaan van een eventuele hoofdvestiging (in de zin van artikel 4, lid 16, van de AVG)
  34. Google Belgium NV heeft erkend dat Google Ireland Ltd de hoofdvestiging van Google is in de zin van artikel 4, lid 16, van de AVG, namelijk de plaats van de centrale administratie van Google LLC in de Europese Unie. Hoewel de rol van Google Ireland in de onderhavige procedure wordt vermeld, is de Geschillenkamer van mening dat de verwerking van de gegevens in de onderhavige zaak niet plaatsvindt in het kader van de activiteiten van Google Ireland Ltd.
  35. In de eerste plaats betoogde Google Belgium NV tijdens de hoorzitting dat de verwijzing naar Google Ireland Ltd buiten het debat valt. Volgens Google Belgium NV is deze verwijzing niet opgenomen in de conclusies van de klager en vindt het debat plaats tussen Google Belgium NV en Google LLC: er is dus geen sprake van dat Google Ireland Ltd tussenkomt. In de onderhavige procedure hebben de partijen niet van gedachten gewisseld over "Google Ireland of Google BE", het debat is tussen Google Belgium NV en Google LLC. Om procedurele redenen diende de Geschillenkamer zich derhalve niet uit te spreken over de rol van Google Ireland Ltd. De Geschillenkamer herhaalt in dit verband echter dat zij de partijen uitdrukkelijk heeft verzocht zich uit te spreken over het bestaan van een mogelijke hoofdvestiging van Google op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte 15, en dat tijdens de hoorzitting duidelijk is gebleken dat Google Ireland Ltd die vestiging is.
  36. Ten tweede heeft Google Belgium NV tijdens het pleidooi benadrukt dat de activiteit van Google Ireland Ltd als verwerkingsverantwoordelijke betrekking heeft op andere situaties dan de indexeringsactiviteiten van de zoekmachine. Zij heeft betrekking op de verwerking van gegevens van "gebruikers": wanneer een persoon bijvoorbeeld gebruik maakt van de zoekmachine, kan zijn of haar zoekgeschiedenis door Google worden verwerkt met als doel de zoekresultaten aan te passen. In dat geval is Google Ireland Ltd bijgevolg de verwerkingsverantwoordelijke. Voor de Google-zoekmachine en de verwerking die overeenkomt met de drie stappen die nodig zijn voor de werking van de zoekmachine (exploratie, indexering, selectie van de zoekresultaten) welke aan de orde is in de procedure, is Google Ireland Ltd niet de verwerkingsverantwoordelijke. Deze rolverdeling wordt verklaard door het feit dat Google Ireland Ltd optreedt als interface met gebruikers die in de EU 14 De uitnodigingsbrief bevatte de volgende passage: "Onverminderd de argumenten die zij eventueel voor de Geschillenkamer wensen te ontwikkelen, worden alle partijen in het kader van de onderhavige zaak uitgenodigd om zich uit te spreken over de activiteiten, de taken en de verantwoordelijkheden van Google LLC en Google Belgium NV, en over het bestaan van een eventuele hoofdvestiging (in de zin van artikel 4, 16) van de AVG) van Google op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte". 15 Supra, noot
  37. Beslissing ten gronde37/2020 - 8/49 wonen, maar niet betrokken is bij de ontwikkeling en het beheer van de zoekmachine, de exclusieve bevoegdheid van Google LLC.
  38. Zo zijn de door Google Belgium NV tijdens de hoorzitting naar voren gebrachte elementen dat Google Ireland Ltd verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de gebruikers is wanneer bijvoorbeeld hun zoekgeschiedenis wordt verwerkt om de door de zoekmachine meegedeelde resultaten aan te passen, potentieel in tegenspraak met het door Google Belgium NV verdedigde standpunt dat Google LLC inderdaad de enige verwerkingsverantwoordelijke is in het kader van de werking van de zoekmachine en haar drie fasen, namelijk de exploratiefase, de indexeringsfase en de fase van de selectie van de resultaten.
  39. Bijgevolg wordt de gegevensverwerking (d.w.z. de verwijdering van zoekresultaten) in het onderhavige geval niet uitgevoerd in het kader van de activiteiten van Google Ireland Ltd. Kortom, in het onderhavige geval kan de Ierse toezichthoudende autoriteit niet de leidende autoriteit zijn in de zin van de artikelen 56 en 60 van de AVG, hetgeen betekent dat het "één-loketmechanisme" niet van toepassing is en dat de bevoegdheid van de Geschillenkamer kan worden beoordeeld in het licht van het in artikel 55, lid 1, van de AVG vastgelegde territorialiteitsbeginsel.
  40. Deze conclusie wordt bevestigd door het standpunt dat Google LLC inneemt in een brief van 23 juni 2020 aan de Ierse toezichthoudende autoriteit, waarin Google LLC uitlegt dat het zich niet langer zal verzetten tegen het feit dat een lokale toezichthoudende autoriteit een lokale competentie zou uitoefenen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens die binnen de verantwoordelijkheidssfeer van Google LLC valt
  41. Deze stellingname betekent echter niet dat het samenwerkingsmechanisme niet kan worden toegepast
  42. Wat betreft de verwerkingsverantwoordelijke
  43. Het doel van deze afdeling is vast te stellen of Google Belgium NV - in de onderhavige zaak de verweerder - kan worden beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot de verzoeken van de klager om verwijdering van zoekresultaten, d.w.z. de entiteit die het doel en de middelen bepaalt en/of waarvan de activiteiten onlosmakelijk verbonden zijn met die van de verwerkingsverantwoordelijke, in dit geval Google LLC. 16 Deze brief is door de Geschillenkamer toegevoegd aan het dossier. 17 Infra, nr.
  44. Beslissing ten gronde37/2020 - 9/49
  45. In dit stadium maakt de Geschillenkamer een voorafgaande opmerking over de territoriale toepassing van de AVG. Artikel 3 van de AVG onderscheidt twee verschillende scenario's met betrekking tot de territoriale toepasselijkheid: a. het eerste scenario betreft de toepassing van de AVG op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke op het grondgebied van de Unie, ongeacht of de verwerking al dan niet in de Unie plaatsvindt (artikel 3, lid 1); 18 b. het tweede scenario betreft de toepassing van de AVG op de verwerking van persoonsgegevens van personen die zich op het grondgebied van de Unie bevinden, door een niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijke (artikel 3, lid 2).
  46. De Geschillenkamer merkt op dat deze twee paragrafen op elkaar moeten worden afgestemd. Anders zou op basis van een zuiver tekstuele lezing een zeker rechtsvacuüm kunnen ontstaan wanneer een verwerking wordt uitgevoerd door een verwerkingsverantwoordelijke met een vestiging in de Unie, en de verwerking niet wordt uitgevoerd in het kader van de activiteiten van die vestiging maar wel door een verwerkingsverantwoordelijke die in een derde land is gevestigd.
  47. In het onderhavige geval is het niet betwistbaar dat de betrokkene (de klager) zich op het grondgebied van de Europese Unie (in dit geval België) bevindt. Aangezien Google LLC verschillende vestigingen heeft in de Unie, is artikel 3.2 niet van toepassing. Bijgevolg wordt de territoriale toepassing in gang gezet door punt 3.1 van de AVG. Als geen van deze bepalingen van toepassing zou worden geacht, zou de door het Hof van Justitie van de Europese Unie 19 geëiste adequate en volledige bescherming van de betrokkenen immers niet worden gewaarborgd.
  48. Bovendien benadrukt de Geschillenkamer dat, aangezien de AVG en de rechtspraak van het Hof van Justitie voorzien in een adequate en volledige bescherming van de personen, de toepassing van artikel 3, lid 1, als de hoofdregel beschouwd moet worden, louter op grond van het feit dat de doeltreffende controle complex wordt indien de verwerking van de persoonsgegevens uitgevoerd wordt door een vestiging buiten de Europese Unie. Het is bijvoorbeeld niet eenvoudig voor een toezichthoudende autoriteit om de onderzoeksbevoegdheden uit te oefenen of corrigerende maatregelen te nemen als bedoeld in artikel 58 van de AVG ten aanzien van een vestiging buiten de Unie. 4.1 Positie van de verwerkingsverantwoordelijke 'Google Spain'-arrest 18 Het toepassingsgebied van de AVG werd bij besluit van het Gemengd Comité van de EER van 6 juli 2018, dat op 20 juli 2018 in werking is getreden, uitgebreid tot de 3 staten van de Europese Economische Ruimte (EER), namelijk IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Dit besluit heeft in het onderhavige geval geen gevolgen. Niettemin wordt in de onderhavige beslissing meermaals verwezen naar de EER. 19 HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, Google Spain SL en Google Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) en Mario Costeja González. Punt nr.
  49. Beslissing ten gronde37/2020 - 10/49
  50. In wezen is Google Belgium NV van oordeel dat de klacht tegen Google Belgium NV niet gegrond is omdat de enige verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens in verband met de door Google aangeboden webzoekmachine niet Google Belgium NV is, maar de Amerikaanse onderneming Google LLC. Tot staving van zijn argumenten beroept zij zich op het Google Spain-arrest
  51. In die zaak heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat een vestiging als Google Spain voldoet aan het criterium van artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 95/46/EG 21, waarbij het in wezen van mening was dat de activiteiten van de exploitant van de zoekmachine (toen Google Inc., thans Google LLC) en die van haar vestiging in de betrokken lidstaat onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, aangezien de activiteiten met betrekking tot de advertentieruimte het middel vormen om de betrokken zoekmachine economisch rendabel te maken en die motor tegelijkertijd het middel is om deze activiteiten uit te voeren
  52. Het Hof oordeelde in dezelfde zaak ook, zoals Google Belgium NV stelt, dat de "exploitant van een zoekmachine" verantwoordelijk is voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van zijn activiteit, die verschilt van en complementair is aan die van webredacteurs
  53. Het doel van deze rechtspraak is om "door middel van een brede definitie van het begrip "verantwoordelijke" een adequate en volledige bescherming van de betrokken personen te waarborgen"
  54. Volgens Google Belgium NV zou dit arrest impliceren dat Google LLC de enige verwerkingsverantwoordelijke is. Dit standpunt is niet overtuigend. Het Hof van Justitie heeft geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de verantwoordelijkheden van de Amerikaanse onderneming en haar Europese vestiging, maar heeft integendeel benadrukt dat de activiteiten van beide entiteiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Zelfs indien een dergelijk theoretisch onderscheid tussen de verantwoordelijkheden van de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij geldig zou zijn, zou de procedure tegen Google Belgium NV nog steeds geldig zijn, juist vanwege deze onlosmakelijke banden en de vereiste van een adequate en volledige bescherming van de betrokkenen.
  55. Bovendien heeft Google Belgium NV tijdens de hoorzitting aangevoerd dat de verwerking onder artikel 3, lid 1, van de AVG valt, dat als volgt bepaalt: "Deze verordening is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van een 20 HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, Google Spain SL en Google Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) en Mario Costeja González. 21 Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PB L281/
  56. 22 HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, Google Spain SL en Google Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) en Mario Costeja González, punt
  57. 23 Ibid, punt 32 tot
  58. 24 Ibid, punt
  59. Beslissing ten gronde37/2020 - 11/49 verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker in de Unie, ongeacht of de verwerking in de Unie al dan niet plaatsvindt". Dientengevolge kan de bovengenoemde rechtspraak van het Hof van Justitie worden toegepast, wat het Hof van Justitie overigens heeft gedaan in zijn arrest in de zaak Google/CNIL betreffende de omvang van de verwijderingen van zoekresultaten die aan Google kunnen worden opgelegd
  60. De Geschillenkamer wijst erop dat dit standpunt impliceert dat Google Belgium NV lijkt te aanvaarden dat de verwerking wordt uitgevoerd in het kader van de activiteiten van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke in de Europese Unie, namelijk Google Belgium NV. Een andere lezing van dit standpunt zou - zoals bepaald in het arrest Google/CNIL - "ertoe leiden dat de verwerking van persoonsgegevens [...] wordt vrijgesteld van de verplichtingen en garanties die zijn vastgelegd [in richtlijn 95/46 en] de AVG". Een dergelijke lezing zou met andere woorden het nuttige effect van de toepassing van de AVG in gevaar brengen.
  61. De Geschillenkamer erkent weliswaar dat deze rechtspraak over de toepassing van het beginsel van de "onlosmakelijke band" werd ontwikkeld in het kader van de toepassing van Richtlijn 95/46/EG, waarvan de territorialiteitsbepalingen verschillen van die van de AVG. Niettemin bevestigt het Hof in bovengenoemd arrest Google/CNIL zijn voornemen om zijn jurisprudentie op dit gebied uit te breiden tot de AVG. De Geschillenkamer citeert de volgende paragrafen: "
  62. In dergelijke omstandigheden zijn de activiteiten van de exploitant van de zoekmachine en die van zijn vestiging in de Unie immers onlosmakelijk met elkaar verbonden [...].
  63. Dat de zoekmachine in kwestie wordt geëxploiteerd door een onderneming uit een derde staat, kan dan ook niet tot gevolg hebben dat de verwerking van persoonsgegevens die ten behoeve van de werking van die zoekmachine plaatsvindt in verband met de reclame- en handelsactiviteiten van een vestiging van de voor die verwerking verantwoordelijke op het grondgebied van een lidstaat, vrijgesteld is van de verplichtingen en waarborgen van richtlijn 95/46 en verordening 2016/679 [...]." Bovendien is duidelijk vastgesteld en erkend dat de auteurs van de AVG ernaar streven de bescherming van de betrokkenen verder te verbeteren en doeltreffender te maken. 4.2 Rol van de vestigingen van Google. 25 HvJ EU, 24 september 2019, C-507/17, Google LLC tegen Commission Nationale de l’Informatique et des Libertés (CNIL), punten 48 tot
  64. Beslissing ten gronde37/2020 - 12/49
  65. In zijn antwoordconclusies betoogt de klager met name dat Google Belgium NV een dochteronderneming is van Google LLC die hoofdzakelijk actief is in de digitale marketing en haar maatschappelijke zetel heeft in Brussel, dat de activiteiten van Google Belgium NV gericht zijn op de inwoners van België en dat de activiteiten van Google Belgium NV en Google LLC onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in de zin van het eerder genoemde Google Spain-arrest.
  66. Google Belgium NV betwist dit niet. Evenmin wordt betwist dat Google Belgium NV daadwerkelijk en effectief actief is in België.
  67. Tijdens de hoorzitting werd Google Belgium NV gevraagd naar de verschillende rollen van de vestigingen van Google. Het bevestigde geen enkele rol te spelen bij de verwerking van de gegevens tijdens de drie fasen van de werking van de Google-zoekmachine, namelijk de exploratiefase, de indexeringsfase en de fase van de selectie van de resultaten op basis van de zoekopdracht van de gebruiker. Google LLC zou in dit verband als enige verwerkingsverantwoordelijke zijn. Tijdens de hoorzitting legde Google Belgium NV uit dat het een in België gevestigde dochteronderneming van Google is die tot de toepassing van de Europese en Belgische wetgeving kan leiden. Google Belgium NV is derhalve van mening dat Google LLC krachtens artikel 3, lid 1, van de AVG onder de toepassing van de AVG valt en bijgevolg geen vertegenwoordiger hoeft aan te wijzen overeenkomstig de artikelen 3, 2 en 27 van de AVG.
  68. Google Belgium NV verklaarde dat het alleen adviesdiensten aanbiedt met betrekking tot de marketing van de diensten van andere Google-entiteiten op de Belgische markt. De verzoeken om verwijdering van zoekresultaten worden rechtstreeks en uitsluitend door Google LLC behandeld op basis van de online formulieren die door de betrokkenen worden ingediend, zonder enige betrokkenheid van Google Belgium NV. Deze laatste legt uit dat wanneer zij wordt benaderd door betrokkenen die verzoeken om verwijdering van een zoekresultaat, zij hen systematisch verwijst naar online formulieren die worden verzonden naar (en geadresseerd aan) Google LLC. Op basis van het land en de taal die de betrokkene in het formulier heeft gekozen, worden de medewerkers van de eerstelijnsdienst van Google LLC geselecteerd om op het desbetreffende geval te reageren. In gevallen waarin de betrokken content verder moet worden geëvalueerd, wordt een escalation-proces (escalatie) gevolgd en in het onderhavige geval werd een Belgische persoon die in de Verenigde Staten is gevestigd (en geen werknemer is van Google Belgium NV) en die voor Google LLC werkt, geraadpleegd. De analyses die deze Google-medewerker heeft uitgevoerd, zijn gebaseerd op informatie uit openbare bronnen en zijn goede kennis van de bijzonderheden van het betrokken land waarvan hij de nationaliteit heeft.
  69. De Geschillenkamer concludeert dat, op basis van de voorgaande elementen, door toepassing van het Google Spain-arrest, de AVG wel degelijk van toepassing is op Google LLC overeenkomstig artikel 3, Beslissing ten gronde37/2020 - 13/49 lid 1, van de AVG en dat de dochteronderneming Google Belgium NV een vestiging is die krachtens artikel 3, lid 1, van de AVG tot toepassing van de AVG kan leiden. De Geschillenkamer beroept zich in dit verband op het arrest Google/CNIL26, waarin het Hof benadrukt dat het niet van belang is of deze verwerking al dan niet in de Unie plaatsvindt.
  70. Hoewel het inderdaad zo is dat Google Belgium NV doeleinden of de middelen voor de verwerking in strikte zin niet bepaalt - deze worden bepaald door Google LLC - is Google Belgium NV een dochteronderneming van Google LLC en volgt uit de positie van Google Belgium NV dat de activiteiten van die dochteronderneming de toepassing van artikel 3.1 van de AVG met zich meebrengen. De betreffende verwerking wordt met andere woorden uitgevoerd in het kader van de activiteiten van de vestiging van Google in België. Een andere interpretatie zou de toepassing van artikel 3, lid 2, van de AVG impliceren, evenals de verplichting van Google om een vertegenwoordiger in de Europese Unie aan te wijzen op grond van artikel 27 van de AVG. Dit wordt niet voorzien door Google en is ook niet nodig gezien de rol van Google Belgium NV.
  71. De Geschillenkamer wijst erop dat deze interpretatie wordt gestaafd door het Google Spain-arrest, hoewel de zaak niet identiek is. In dat arrest oordeelde het Hof - op grond van richtlijn 95/46 - dat "er sprake is van een verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van de voor de verwerking verantwoordelijke op het grondgebied van de lidstaat, in de zin van deze bepaling, wanneer de exploitant van een zoekmachine in een lidstaat ten behoeve van het promoten en de verkoop van door deze zoekmachine aangeboden advertentieruimte een bijkantoor of een dochteronderneming opricht waarvan de activiteiten op de inwoners van die lidstaat zijn gericht." 27
  72. Bovendien kan deze dochteronderneming in België, aangezien haar activiteiten onlosmakelijk verbonden zijn met die van Google LLC, gezien de rol die zij speelt en beschrijft, op dezelfde manier worden behandeld als een verwerkingsverantwoordelijke in het kader van de werking van de Googlezoekmachine en het beheer van de verzoeken om verwijdering van links in België.
  73. Kortom, de Geschillenkamer is van mening dat Google Belgium NV op basis van de elementen van het dossier en de Google Spain-rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie op dezelfde manier moet worden behandeld als een verwerkingsverantwoordelijke. 26 HvJ EU, 24 september 2019, C-507/17, Google LLC tegen Commission Nationale de l’Informatique et des Libertés (CNIL), punt
  74. 27 HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, Google Spain SL en Google Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) en Mario Costeja González, punt
  75. Beslissing ten gronde37/2020 - 14/49
  76. Hoewel Google Belgium NV niet als verwerkingsverantwoordelijke kan worden beschouwd, blijft de Geschillenkamer hoe dan ook bevoegd ten aanzien van Google Belgium NV, omdat deze entiteit op het Belgisch grondgebied aanwezig is, zoals blijkt uit de volgende elementen. 4.3 De bevoegdheid van de GBA met betrekking tot Google Belgium
  77. Er moet rekening worden gehouden met het arrest Wirtschaftsakademie van het Hof van Justitie van 5 juni 201828 inzake Richtlijn 95/46/EG, dat een toezichthoudende autoriteit machtigt om haar bevoegdheid met betrekking tot een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke uit te oefenen , ook al is die vestiging geen gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke . De hieronder weergegeven ontwikkelingen zullen aantonen dat de toepassing van deze rechtspraak moet worden uitgebreid tot het onderhavige geval
  78. In de Wirtschaftsakademie-zaak oordeelde het Hof dat de Duitse toezichthoudende autoriteit, om te zorgen voor de naleving van de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens op het Duitse grondgebied, bevoegd is om met betrekking tot Facebook Germany alle competenties uit te oefenen die zij heeft op grond van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 28, lid 3, van Richtlijn 95/46 (overwegingen 50 e.v.). Welnu in dezelfde zaak oordeelde het Hof eveneens duidelijk dat "Facebook Inc. en, wat de Unie betreft, Facebook Ireland moeten worden beschouwd als degenen die primair het doel van en de middelen voor de verwerking van de persoonsgegevens van de Facebookgebruikers en van de personen die de fanpagina’s op Facebook bezoeken vaststellen en dus onder het begrip „voor de verwerking verantwoordelijke” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 95/46 vallen"30 (cursief toegevoegd door de Geschillenkamer). Facebook Germany was met andere woorden niet verantwoordelijk (of gezamenlijk verantwoordelijk) voor de betwiste gegevensverwerking.
  79. Het Hof heeft deze bevoegdheid toegekend aan de Duitse toezichthoudende autoriteit na nagegaan te hebben of de twee voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder a), van richtlijn 95/46 zijn vervuld: "om vast te stellen of een toezichthoudende autoriteit, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, ten aanzien van een op het grondgebied van de lidstaat waaronder zij ressorteert gelegen vestiging bevoegd is tot uitoefening van de bevoegdheden die haar krachtens het nationale recht zijn toegekend, moet worden nagegaan of de twee voorwaarden van artikel 4, lid 28 HvJ EU, 5 juni 2018, Zaak C-210/16, Unabhängiges Landeszentrum für Datenschutz Schleswig-Holstein tegen Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein GmbH. 29 30 Infra, nr. 64 e.v. HvJ EU, 5 juni 2018, Zaak C-210/16, Unabhängiges Landeszentrum für Datenschutz Schleswig-Holstein tegen Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein GmbH, punt
  80. Beslissing ten gronde37/2020 - 15/49 1, onder a), van richtlijn 95/46 zijn vervuld, namelijk, ten eerste, of het „een vestiging [...] van de voor de verwerking verantwoordelijke” in de zin van deze bepaling betreft, en ten tweede, of deze verwerking wordt verricht „in het kader van de activiteiten” van die vestiging in de zin van diezelfde bepaling"
  81. Het Hof heeft geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde is voldaan en dat "in casu vaststaat dat Facebook Inc., als verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens samen met Facebook Ireland, een vaste vestiging heeft in Duitsland, namelijk Facebook Germany, gelegen in Hamburg, en dat deze laatste onderneming in die lidstaat daadwerkelijk en effectief werkzaamheden verricht"
  82. Mutatis mutandis is dit ook het geval voor Google Belgium NV 33, dat daadwerkelijk en effectief actief is in België.
  83. Wat de tweede voorwaarde betreft, oordeelde het Hof, met het oog op een adequate en volledige bescherming van de betrokkenen en door toepassing van de bovengenoemde Google Spainrechtspraak, dat de activiteiten van de Duitse Facebook-vestiging onlosmakelijk verbonden waren met die van de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, te weten Facebook Inc. en Facebook Ireland
  84. Mutatis mutandis is dit ook het geval voor Google Belgium NV, zoals het overigens heeft bevestigd, aangezien deze het argument van de klager op dit punt niet weerlegt
  85. Op grond daarvan concludeerde het Hof in de Wirtschaftsakademie-zaak dat het Duitse recht van toepassing was op grond van artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 95/46 en dat de Duitse toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 28, lid 1, van deze richtlijn bevoegd was om het Duitse recht op de verwerking toe te passen, en dat zij dus bevoegd was om alle bevoegdheden waarover zij krachtens de Duitse omzettingsbepalingen van artikel 28, lid 3, van richtlijn 95/46 beschikt, ten aanzien van Facebook Germany aan te wenden
  86. Het Hof oordeelde ook dat "de omstandigheid [...] namelijk dat de keuzestrategieën met betrekking tot de verkrijging en de verwerking van persoonsgegevens inzake personen die op het grondgebied van de Unie wonen, worden vastgesteld door een moedermaatschappij die in een derde land is 31 Ibid, punt
  87. 32 Ibid, punt
  88. 33 Supra, nr. 44-
  89. 34 HvJ EU, 5 juni 2018, Zaak C-210/16, Unabhängiges Landeszentrum für Datenschutz Schleswig-Holstein / Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein GmbH, punten 56 tot
  90. 35 36 Supra, nr. 44-47, in het bijzonder nr.
  91. HvJ EU, 5 juni 2018, Zaak C-210/16, Unabhängiges Landeszentrum für Datenschutz Schleswig-Holstein / Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein GmbH, punten 61 en
  92. Beslissing ten gronde37/2020 - 16/49 gevestigd, zoals in dit geval Facebook Inc., niet afdoet aan de bevoegdheid van de toezichthoudende autoriteit van een lidstaat ten aanzien van een op het grondgebied van deze lidstaat gelegen vestiging van de voor de verwerking van deze gegevens verantwoordelijke"
  93. De inwerkingtreding van de AVG verandert niets aan de relevantie van deze rechtspraak en versterkt deze zelfs, althans in de context van de onderhavige zaak. Artikel 3, lid 1, van de AVG wordt beschouwd als de opvolger van artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 95/46
  94. In het Google/CNILarrest worden deze twee bepalingen trouwens samen genoemd
  95. De Geschillenkamer is van oordeel dat het, om de drie hieronder uiteengezette redenen, passend is om de lessen van het arrest Wirtschaftsakademie in de onderhavige zaak te volgen, en dat zij derhalve bevoegd is om haar bevoegdheden tegen Google Belgium NV uit te oefenen op basis van een klacht die tegen dit laatste is ingediend bij de Gegevensbeschermingsautoriteit.
  96. Ten eerste: de verwerkingsverantwoordelijke is gevestigd buiten de Europese Economische Ruimte. Mutatis mutandis, en a fortiori met het oog op een adequate en volledige bescherming van de betrokkenen in een geval als het onderhavige, waarin de voor de verwerking verantwoordelijke rechtspersoon zich niet op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte bevindt (de verwerkingsverantwoordelijke is in casu Google LLC) moet de Wirtschaftsakademierechtspraak in het kader van de AVG worden toegepast. De nieuwe regels die in de AVG zijn vastgelegd, doen geen afbreuk aan de beginselen die het Hof in deze rechtspraak heeft vastgesteld: de AVG uniformeert de taken en bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten (zie de artikelen 57 en 58), waarvan de competentie onderworpen blijft aan het territorialiteitsbeginsel (zie artikel 55, lid 1, van de AVG).
  97. Integendeel, de AVG beoogt de doeltreffendheid van de regels inzake gegevensbescherming te versterken en de betrokkenen zo goed mogelijk te beschermen. Terwijl het Hof heeft geoordeeld dat zelfs wanneer de verwerkingsverantwoordelijke op het grondgebied van een lidstaat is gevestigd, de toezichthoudende autoriteit van een andere lidstaat waar zich een vestiging bevindt die niet gezamenlijk verantwoordelijk is voor de verwerking, bevoegd is voor een dergelijke vestiging, is deze redenering a fortiori van toepassing wanneer de verwerkingsverantwoordelijke buiten de Europese Unie is gevestigd. 37 Ibid, punt
  98. THE EU GENERAL DATA PROTECTION REGULATION (GDPR), A Commentary, Edited by Kuner, Bygrave and Docksey, OUP 2020, p.
  99. 38 39 HvJ EU, 24 september 2019, C-507/17, Google LLC tegen Commission Nationale de l’Informatique et des Libertés (CNIL), punt
  100. Beslissing ten gronde37/2020 - 17/49
  101. Ten tweede: de verwerkingsverantwoordelijke hoeft geen vertegenwoordiger aan te wijzen, aangezien hij op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte is gevestigd. Gezien de rollen die Google Belgium NV40 en Google LLC spelen, aangezien deze laatste een verwerkingsverantwoordelijke is die aan de AVG is onderworpen op grond van artikel 3, lid 1 van deze AVG, was Google LLC derhalve niet verplicht een vertegenwoordiger aan te wijzen overeenkomstig artikel 27 van de AVG. In overweging 80 van de AVG wordt het volgende bepaald: "De vertegenwoordiger dient uitdrukkelijk te worden aangewezen via een schriftelijk mandaat van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker om namens hen op te treden met betrekking tot zijn verplichtingen uit hoofde van deze verordening. De aanwijzing van een dergelijke vertegenwoordiger heeft geen invloed op de verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker uit hoofde van deze verordening. Die vertegenwoordiger moet zijn taken verrichten volgens het van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker ontvangen mandaat, en moet onder meer samenwerken met de bevoegde toezichthoudende autoriteiten met betrekking tot alle maatregelen die ter naleving van deze verordening worden genomen. In geval van nietnaleving door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker dient de aangewezen vertegenwoordiger aan handhavingsprocedures te worden onderworpen".
  102. In artikel 27, lid 4, van de AVG wordt het volgende bepaald: "Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, wordt de vertegenwoordiger door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker gemachtigd om naast hem of in zijn plaats te worden benaderd, meer bepaald door de toezichthoudende autoriteiten en betrokkenen, over alle met de verwerking verband houdende aangelegenheden".
  103. Dat de Europese wetgever het, bij de aanname van artikel 3, lid 1 van de AVG, niet nuttig geacht heeft om een verwerkingsverantwoordelijke in een situatie zoals die van Google LLC in het Google Spain -arrest te verplichten een vertegenwoordiger aan te wijzen 41, komt doordat hij geoordeeld heeft dat de aanwezigheid van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke op het grondgebied van de Unie in de zin van artikel 3, 1., van de AVG een voldoende sterke territoriale band zou vormen met het grondgebied van de Europese Unie om een goede toepassing van de AVG te garanderen: het is een impliciet maar vaststaand feit dat een vestiging in de zin van deze bepaling niet minder verantwoordelijk kan zijn voor de toepassing van de AVG dan een vertegenwoordiger in de zin van artikel 27 van de AVG. 40 41 Supra, nr. 44-
  104. Arrest waaraan hij niet kon voorbijgaan bij de aanname van de AVG: het arrest dateert van 13 mei 2014 en de AVG werd bijna 2 jaar later, op 27 april 2016, goedgekeurd. Beslissing ten gronde37/2020 - 18/49
  105. Integendeel, het is in deze logica dat de Wirtschaftsakademie-rechtspraak kan worden gezien: om de effectieve toepassing van de AVG ten aanzien van de betrokkene te waarborgen, moet deze rechtspraak ook worden toegepast op de vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke op het grondgebied van de Unie, zoals Google Belgium NV, wanneer de verantwoordelijke, die onderworpen is aan de AVG, krachtens artikel 3, lid 1, van de AVG, geen vertegenwoordiger in de zin van artikel 27 van de AVG heeft moeten aanwijzen. De toezichthoudende autoriteiten niet toestaan de juridische, sociale en functionele scheiding buiten beschouwing te laten die wordt toegepast door een verwerkingsverantwoordelijke die buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd, wanneer zijn vestiging op dat grondgebied nochtans een onlosmakelijk met de Europese Economische Ruimte verbonden activiteit uitoefent, zou de territoriale bevoegdheid van deze autoriteiten onnodig beperken door hen systematisch te verplichten hun bevoegdheid extraterritoriaal uit te oefenen, ondanks het bestaan van een dergelijke band, die tegelijkertijd een sterke territoriale band vormt. In een dergelijke situatie zou het noodzakelijke beroep op de uitoefening van extraterritoriale bevoegdheid, bovendien gelet op de juridische, procedurele en praktische beperkingen ervan, het nuttige effect van de AVG rechtstreeks ondermijnen. Men zou zich immers kunnen afvragen hoe de toezichthoudende autoriteit haar bevoegdheden op grond van de artikelen 58 en 83 van de AVG effectief en efficiënt zou kunnen uitoefenen.
  106. Ten derde: Google als multinationale entiteit laat niet toe de verwerkingsverantwoordelijke duidelijk te identificeren. De twee voorgaande argumenten worden versterkt door het feit dat de communicatie van Google LLC en Google Belgium NV, ten aanzien van de betrokkenen, onduidelijk is over de identificatie van de verwerkingsverantwoordelijke. Het is dan ook des te noodzakelijker om de Wirtschaftsakademie-rechtspraak in casu toe te passen, ten einde het nuttige effect van de AVG te waarborgen.
  107. Google Belgium NV merkt in zijn syntheseconclusie met name op dat de klager "zijn eerste verzoek om verwijdering van links heeft gericht aan Google LLC (stuk B.1 en B.2), met gebruikmaking van het door Google LLC ter beschikking gestelde standaardformulier (stuk A.3)". Hij heeft zich niet gericht tot Google Belgium NV. In het Franse formulier voor het verzoek om verwijdering van gegevens wordt namelijk tot op zekere hoogte verwezen naar Google LLC: er wordt verwezen naar Google LLC met betrekking tot het gebruik van de meegedeelde informatie om de betrokkene te identificeren en ook met betrekking tot het gebruik van de informatie die via het formulier wordt verstrekt, bovendien verwijst ook het "copyright " naar Google LLC.
  108. In de inleiding van het formulier wordt echter eenvoudigweg verwezen naar "Google" en in de laatste aan te vinken zin staat: "Ik begrijp dat Google mijn verzoek niet zal kunnen behandelen ...". Over deze eerste verwijzing (in de inleiding van het formulier) verklaarde Google Belgium NV tijdens de Beslissing ten gronde37/2020 - 19/49 hoorzitting dat het de bedoeling is om zo min mogelijk 'gewichtig' te zijn tegenover de gebruikers en dat expliciet naar Google LLC verwezen wordt in de belangrijke juridische passages van het formulier.
  109. In de Franse antwoorden van Google wordt echter ook verwezen naar "Google" en "L'équipe Google".
  110. Wat betreft de mogelijkheden om de beslissing van Google over de verzoeken om verwijdering van zoekresultaten aan te vechten, wordt in het antwoordformulier alleen het volgende vermeld: "Als u het niet eens bent met onze beslissing, heeft u het recht om uw probleem voor te leggen aan de gegevensbeschermingsautoriteit in uw land. In dit geval raden wij u aan het referentienummer van uw verzoek te vermelden [...] en een kopie bij te voegen van de bevestiging die u na verzending van het verzoekformulier hebt ontvangen. Als Google de webmaster van de site is, kunt u proberen contact op te nemen met de eigenaar of de auteur van de pagina en hem direct uw verzoek tot verwijdering sturen".
  111. Noch in het formulier, noch in de antwoorden van Google (LLC) wordt expliciet een verwerkingsverantwoordelijke geïdentificeerd. Op basis van deze elementen is de Geschillenkamer van oordeel dat het proces inzake verwijdering van zoekresultaten voor de betrokkenen een zekere dubbelzinnigheid in stand houdt wat betreft de identiteit verwerkingsverantwoordelijke.
  112. In dit verband heeft Google Belgium NV tijdens de hoorzitting zijn verbazing uitgesproken over het feit dat de betrokkenen nog steeds kunnen twijfelen aan de identificatie van de verwerkingsverantwoordelijke in geval van verwijdering van zoekresultaten, gezien het eerder genoemde Google Spain-arrest waarin Google Inc. als enige verwerkingsverantwoordelijke wordt geïdentificeerd. Het begrijpt dan ook niet waarom deze vaste rechtspraak nog steeds twijfels laat bestaan over de identiteit van de verantwoordelijke ten aanzien van de betrokkenen en hun raadsmannen.
  113. De Geschillenkamer is wat dit betreft van mening dat dit de verwerkingsverantwoordelijke geenszins ontslaat van zijn verplichting om de betrokkene overeenkomstig artikel 12, leden 1 en 2, van de AVG op een transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke wijze en in duidelijke en eenvoudige bewoordingen te informeren, en de uitoefening van zijn rechten te vergemakkelijken (zie in dit verband infra punt 168). Zo is de verwerkingsverantwoordelijke verplicht om overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van de AVG precieze informatie te verstrekken.
  114. Deze dubbelzinnigheid met betrekking tot de rol en de verantwoordelijkheden van Google LLC en Google Belgium NV, die bij de betrokkenen terecht twijfel kan doen ontstaan over de vraag welke partij (al dan niet) de verwerkingsverantwoordelijke is waartoe zij zich richten, vormt een derde reden die de omzetting van de Wirtschaftsakademie-rechtspraak in het onderhavige geval rechtvaardigt, Beslissing ten gronde37/2020 - 20/49 zodat de Geschillenkamer bevoegd is om op te treden op basis van een klacht van een betrokkene tegen enkel Google Belgium NV.
  115. Conclusie Op basis van deze elementen besluit de Geschillenkamer dat de klager zijn klacht, met betrekking tot de verwijdering van zoekresultaten naar content in de indexen van de Googlezoekmachine tegen enkel Google Belgium NV mocht richten. Voor de Geschillenkamer is het irrelevant dat de verwerking van zijn gegevens in de praktijk buiten de Europese Unie plaatsvindt door werknemers van Google LLC.
  116. Territoriale toepassing inzake verwijdering van zoekresultaten
  117. In het onderhavige geval verzoekt de klager om een wereldwijde verwijdering van links op grond van het feit dat hij leidinggevende is van een grote onderneming.
  118. In het geval van een verzoek om verwijdering van links door een betrokkene aan de toezichthoudende autoriteit van de staat van het centrum van zijn belangen, wat hier het geval is voor de klager, is de Geschillenkamer bovendien van mening dat deze autoriteit het best geplaatst is om een uitspraak te doen. Op een ander gebied, dat van de internationale bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in burgerlijke en handelszaken, heeft het Hof van Justitie in zijn eDate Advertising-arrest van 25 oktober 2011 het volgende besloten42: "
  119. De in punt 42 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte aanknopingscriteria moeten dan ook worden aangepast in die zin dat het slachtoffer van de schending van een persoonlijkheidsrecht via internet zich, afhankelijk van de plaats waar de in de Europese Unie door die schending berokkende schade intreedt, voor de volledige schade tot een gerecht kan wenden. Aangezien de gevolgen van een op internet geplaatste content voor de persoonlijkheidsrechten van een persoon het best kunnen worden beoordeeld door het gerecht van de plaats waar het beweerde slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft, beantwoordt het aan het in punt 40 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doel van een goede rechtsbedeling, aan dat gerecht bevoegdheid toe te kennen. 42 HvJ EU, 25 oktober 2011, C-509/09 en C-161/10, eDate Advertising GmbH e.a. tegen X en MGN LIMITED. Het arrest werd gewezen onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, nu vervangen door Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (zonder dat dit gevolgen heeft voor de onderhavige redenering). Beslissing ten gronde37/2020 - 21/49 "
  120. De plaats waar een persoon het centrum van zijn belangen heeft is meestal zijn gewone verblijfplaats. Een persoon kan het centrum van zijn belangen echter ook hebben in een andere lidstaat waar hij niet gewoonlijk verblijft, voor zover uit andere aanwijzingen, zoals de uitoefening van een beroepsactiviteit, kan blijken dat hij een bijzonder nauwe band met die staat heeft." (onderstreping toegevoegd door de Geschillenkamer).
  121. Mutatis mutandis zijn deze overwegingen ook in het onderhavige geval relevant. In het onderhavige geval heeft de klager niet alleen zijn gewone verblijfplaats in België, maar speelt zijn beroepsloopbaan zich ook in België af
  122. Het is dan ook de Gegevensbeschermingsautoriteit die het best geplaatst is te beoordelen wat de gevolgen zijn voor zijn rechten, in het kader van de online geplaatste content.
  123. Met betrekking tot het verzoek van de klager om een wereldwijde verwijdering van links op grond van het feit dat hij leidinggevende is van een grote onderneming, is de Geschillenkamer allereerst van mening dat hij niet met behulp van concrete elementen aantoont dat zijn belangen ook in (op het grondgebied van) andere lidstaten of derde landen worden geschaad (wat niet uitsluit dat zijn belangen in België vanuit die grondgebieden kunnen worden geschaad).
  124. Bovendien heeft het Hof in het Google/CNIL-arrest geoordeeld dat artikel 17 van de AVG (waarop het recht op verwijdering van zoekresultaten is gebaseerd) niet als draagwijdte kan hebben dat aan Google een wereldwijde verwijdering van zoekresultaten wordt opgelegd voor alle versies van zijn zoekmachine. Daar komt nog bij dat noch het Belgische nationale recht noch de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (zie met name artikel 4), noch de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens, die de draagwijdte van de materiële bevoegdheid van de Geschillenkamer bepalen, aan laatstgenoemde de bevoegdheid verlenen om een wereldwijde verwijdering van links te gelasten. De Geschillenkamer kan dan ook geen gevolg geven aan het verzoek van de klager om de wereldwijde verwijdering van links.
  125. De Geschillenkamer beoordeelt vervolgens de argumenten voor een Europese draagwijdte van de verwijdering van links. Het Hof heeft - in het reeds aangehaalde Google/CNIL-arrest het volgende vastgesteld: "
  126. Vastgesteld moet echter worden dat het belang van het publiek om toegang te hebben tot bepaalde informatie zelfs binnen de Unie kan verschillen van de ene lidstaat tot de andere, zodat de afweging die moet worden gemaakt tussen enerzijds dat belang en anderzijds de rechten op eerbiediging van het privéleven en bescherming van de persoonsgegevens van de 43 Infra, nr. 100-
  127. Beslissing ten gronde37/2020 - 22/49 betrokkene, niet noodzakelijk voor alle lidstaten leidt tot hetzelfde resultaat, temeer daar het volgens artikel 9 van richtlijn 95/46 en artikel 85 van verordening 2016/679 aan de lidstaten is om onder meer voor verwerkingen voor uitsluitend journalistieke doeleinden of ten behoeve van artistieke of literaire uitdrukkingsvormen te voorzien in uitzonderingen en afwijkingen die noodzakelijk zijn om die rechten te verzoenen met onder meer de vrijheid van informatie.
  128. Met name uit de artikelen 56 en 60 van verordening 2016/679 volgt dat de verschillende betrokken toezichthoudende nationale autoriteiten voor grensoverschrijdende verwerkingen in de zin van artikel 4, punt 23, van die verordening – onder voorbehoud van artikel 56, lid 2 – volgens de in die bepalingen vastgestelde procedure moeten samenwerken teneinde een consensus te bereiken en tot één besluit te komen dat al die autoriteiten bindt en waarvan de naleving door de verwerkingsverantwoordelijke moet worden gewaarborgd wat betreft de verwerkingsactiviteiten binnen al zijn vestigingen binnen de Unie. Voorts wordt de toezichthoudende autoriteiten bij artikel 61, lid 1, van verordening 2016/679 met name de verplichting opgelegd om elkaar relevante informatie te verstrekken en wederzijdse bijstand te verlenen teneinde deze verordening op een consequente manier ten uitvoer te leggen en toe te passen in de gehele Unie, en wordt in artikel 63 van die verordening gepreciseerd dat met het oog daarop is voorzien in het coherentiemechanisme dat is uiteengezet in de artikelen 64 en 65 van diezelfde verordening. Ten slotte biedt de in artikel 66 van verordening 2016/679 geregelde spoedprocedure een betrokken toezichthoudende autoriteit de mogelijkheid om in buitengewone omstandigheden, wanneer zij van mening is dat er dringend moet worden opgetreden om de rechten en vrijheden van betrokkenen te beschermen, onverwijld voorlopige maatregelen met een bepaalde geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden te nemen die beogen rechtsgevolgen in het leven te roepen op het eigen grondgebied.
  129. Dit regelgevingskader stelt de nationale toezichthoudende autoriteiten dan ook de instrumenten en mechanismen ter beschikking die noodzakelijk zijn om de rechten op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkene te verzoenen met het belang van het gehele publiek van de lidstaten bij toegang tot de informatie in kwestie, en om in voorkomend geval een besluit over de verwijdering van links te kunnen vaststellen dat betrekking heeft op alle zoekopdrachten die vanaf het grondgebied van de Unie worden uitgevoerd op de naam van de betrokkene ." (onderstreping toegevoegd door de Geschillenkamer).
  130. Dit uittreksel uit de rechtspraak van het Hof van Justitie onderstreept dat de raadpleging van de andere toezichthoudende autoriteiten ook tot doel heeft rekening te kunnen houden met het belang dat het publiek in andere lidstaten heeft bij toegang tot de informatie, indien wordt overwogen om te beslissen over een verwijdering van zoekresultaten voor alle Europese domeinnamen van de Google-site Beslissing ten gronde37/2020 - 23/49 (google.be; google.fr; google.de; enz.) en van de Europese ingezetenen. Bij een beperktere verwijdering van zoekresutaten - bijvoorbeeld een beperking tot de Belgische topniveaudomeinnaam (.be) van Google en tot een geoblokkering van in België woonachtige gebruikers - zou het publiek in andere lidstaten namelijk niet worden aangetast in zijn mogelijkheden om toegang te krijgen tot de informatie
  131. De AVG biedt daartoe twee mogelijkheden voor internationale samenwerking: ofwel verplichte samenwerking op grond van artikel 56, lid 1, en artikel 60 (competentie van een leidende autoriteit en één-loket) van de AVG, ofwel vrijwillige samenwerking op grond van artikel 61 van de AVG, wat het mogelijk maakt zich te beperken tot het mededelen van de relevante informatie.
  132. Aangezien de Geschillenkamer oordeelde dat het één-loketmechanisme niet van toepassing is op de onderhavige zaak,45 dient de Geschillenkamer, indien zij voornemens is een verwijdering van zoekresultaten te gelasten voor alle (of meerdere) domeinnamen van de Google-website die de landencodes van de Europese Economische Ruimte weerspiegelen, samen met een geoblokkering van alle (of een deel van de) in Europa gevestigde gebruikers, (alle of een deel van, naar gelang het geval) haar collega-toezichthouders te raadplegen op basis van artikel 61 van de AVG. Dientengevolge heeft de Geschillenkamer naar aanleiding van het arrest Google/CNIL, en met name punt 69 daarvan, informeel overleg gepleegd met de andere Europese toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 61 van de AVG, om ervoor te zorgen dat de verwijderingen van zoekresultaten geen onevenredige inbreuk maken op de vrijheid van informatie van de internetgebruikers in andere lidstaten. Uit deze raadpleging is het volgende naar voren gekomen: Met uitzondering van één toezichthoudende autoriteit uit Duitsland (Hamburg) steunden de toezichthoudende autoriteiten die gereageerd hebben de intenties van de Geschillenkamer, ook wat betreft de verwijdering van zoekresultaten voor de hele Europese Economische Ruimte.
  133. De Geschillenkamer is van mening dat een verwijdering van links alleen effectief kan zijn als zij van toepassing is op zoekopdrachten die buiten België worden verricht. In de Europese ruimte zonder binnengrenzen zou het niet nuttig zijn om een verwijdering van links te gelasten die beperkt blijft tot zoekopdrachten vanaf het Belgische grondgebied.
  134. Wat de geografische reikwijdte van de verwijdering van links betreft, oordeelt de Geschillenkamer overeenkomstig het Google/CNIL-arrest - dat de links verwijderd moeten worden in de hele Europese Unie (en in de landen van de Europese Economische Ruimte). Enerzijds oordeelt de Kamer dat 44 Er zijn natuurlijk tussengevallen waarbij bijvoorbeeld samenwerking met slechts twee autoriteiten voldoende zou kunnen zijn, bijvoorbeeld bij een bevel tot verwijdering van links voor twee andere nationale Google-extenties, .fr en .lu, in combinatie met een geoblokkering van de ingezetenen van deze twee landen, in welk geval alleen de autoriteiten van deze landen zouden moeten worden geraadpleegd. 45 Supra, nr. 19-
  135. Beslissing ten gronde37/2020 - 24/49 zoekopdrachten van buiten België (ter plaatse of door gebruik te maken van een proxyserver om toegang te krijgen tot andere versies van de zoekmachine) een ernstige impact kunnen hebben op het recht van de klager op bescherming van zijn gegevens. Het is immers volstrekt denkbaar dat de klager in het kader van zijn privé- of beroepsleven contacten heeft met andere Europese landen (bv. buurlanden van België) en dat mensen bijgevolg proberen informatie over de klager te verkrijgen via andere versies van de zoekmachine van Google dan de Belgische versie (.be). In deze context zou een tot België beperkte verwijdering van links niet doeltreffend genoeg zijn.
  136. Wat betreft de verzoeken om verwijdering van zoekresultaten
  137. De door de klager aan Google gerichte verzoeken om verwijdering van zoekresultaten moeten worden beoordeeld in het licht van de criteria en regels die het Hof van Justitie heeft geformuleerd in zijn reeds genoemde Google Spain-arrest, de richtsnoeren van de Groep artikel 29 met betrekking tot dat arrest46, hierna "de richtsnoeren van de Groep artikel 29", alsook in het arrest GC et al. c/ CNIL van 24 september 201947 en de "Guidelines 5/2019 on the criteria of the Right to be Forgotten in the search engines cases48" van het Europees Comité voor gegevensbescherming (hierna de "guidelines van de EDPB"), om een goed evenwicht te garanderen tussen de rechten van de betrokkene en de vrijheid van meningsuiting van de internetgebruikers en hun recht op informatie te garanderen.
  138. Vooraf moet worden opgemerkt dat hoewel een inbreuk op de privacy als gevolg van de opname van links aanzienlijke proporties kan aannemen vanwege de onvermijdelijke rol van zoekmachines bij de toegang tot informatie via het internet, een verwijdering van zoekresultaten op dezelfde manier en om dezelfde reden ook gevolgen kan hebben voor de vrijheid van informatie van internetgebruikers.
  139. In zijn arrest GC et al./CNIL stelt het Hof van Justitie het volgende: "66 In ieder geval moet de exploitant van een zoekmachine na de ontvangst van een verzoek om verwijdering van een link, op grond van een zwaarwegend algemeen belang als bedoeld in artikel 8, lid 4, van Richtlijn 95/46 of artikel 9, lid 2, onder g), van Verordening 2016/679 en met inachtneming van de in die bepalingen vastgestelde voorwaarden, nagaan of de opname van de link naar de betreffende webpagina op de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van de betrokkene noodzakelijk is voor de 46 Guidelines on the implementation of the Court of Justice of the European Union judgment on“Google Spain and Inc v. Agencia Española de protección de datos (aepd) and Mario Costeja González” c-131/12, goedgekeurd op 26 november 2014 door de Groep artikel
  140. 47 HvJ EU, 24 september 2019, C-507/17, Google LLC tegen Commission Nationale de l’Informatique et des Libertés (CNIL). 48 Versie 2.0, na raadpleging, goedgekeurd op 7 juli 2020, beschikbaar op www.edpb.europa.eu. Beslissing ten gronde37/2020 - 25/49 uitoefening van het door artikel 11 van het Handvest beschermde recht op vrijheid van informatie van de internetgebruikers die mogelijk belang hebben bij het verkrijgen van toegang tot deze webpagina door middel van dergelijke zoekopdracht. Ofschoon de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest beschermde rechten van de betrokkene in de regel voorrang hebben op dit recht van vrijheid van informatie van internetgebruikers, kan dit evenwicht in bijzondere gevallen afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt [..]. 67 Hierbij komt het feit dat in het geval de verwerking betrekking heeft op de bijzondere categorieën gegevens als bedoeld in artikel 8, paragrafen 1 en 5, van richtlijn 95/46, of artikel 9, lid 1, en artikel 10 van verordening 2016/679, de inbreuk op de grondrechten van eerbiediging van het privéleven en van de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkene, zoals in punt 44 van dit arrest is opgemerkt, mogelijk bijzonder ernstig is vanwege de gevoeligheid van deze gegevens"
  141. In hetzelfde arrest heeft het Hof met betrekking tot informatie over gerechtelijke procedures in strafzaken het volgende geoordeeld: "In het kader van een verzoek tot verwijdering van links naar webpagina’s waarop informatie is gepubliceerd over een strafrechtelijke procedure die tegen de betrokkene is gevoerd en welke informatie betrekking heeft op een voorgaande fase van deze procedure en niet langer overeenkomt met de huidige situatie, is het dus aan de exploitant van de zoekmachine om te beoordelen of deze persoon, gelet op alle omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de aard en de ernst van de betreffende overtreding, het verloop en de afloop van die procedure, de tijd die is verstreken, de rol die deze persoon in het openbare leven speelt en zijn gedrag in het verleden, het belang van het publiek ten tijde van het verzoek, de inhoud en de vorm van de publicatie en de repercussies ervan voor die persoon, er recht op heeft dat de desbetreffende informatie in het huidige stadium niet langer wordt verbonden aan zijn naam op een resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht die is verricht op deze naam". 50
  142. De Groep artikel 29 legt ook uit dat: 49 50 HvJ EU, 24 september 2019, C-507/17, Google LLC tegen Commission Nationale de l’Informatique et des Libertés (CNIL). HvJ EU, 24 september 2019, C-507/17, Google LLC tegen Commission Nationale de l’Informatique et des Libertés (CNIL), punt
  143. Beslissing ten gronde37/2020 - 26/49 "Het algemene doel van deze criteria is te beoordelen of de informatie in een zoekresultaat relevant is voor het belang dat het grote publiek heeft bij toegang tot die informatie. "De relevantie hangt ook nauw samen met de leeftijd van de gegevens. Afhankelijk van de feiten van de zaak kan informatie die lang geleden, bijvoorbeeld 15 jaar geleden, is gepubliceerd, minder relevant zijn dan informatie die een jaar geleden is gepubliceerd. De gegevensbeschermingsautoriteiten zullen de relevantie ervan beoordelen in het licht van de hieronder gespecificeerde parameters. A. Hebben de gegevens betrekking op het beroepsleven van de betrokkene? Bij de beoordeling van het verzoek om verwijdering van links moeten de gegevensbeschermingsautoriteiten eerst een onderscheid maken tussen privé- en beroepsleven. De bescherming van gegevens – en meer in het algemeen de privacywetgeving – is in de eerste plaats gericht op het waarborgen van het grondrecht van personen op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer (en op de bescherming van hun gegevens)"
  144. In zijn klacht vermeldt de klager, onder zoekresultaten in verband met een "partij Y-labeling", acht links en URLs, van 1 tot
  145. Deze zijn opgenomen in het stuk nr. 1 van zijn conclusies. De overige content, van 9 tot 12, bevindt zich onder links met betrekking tot een "klacht wegens pesterijen". Deze zijn ook opgenomen in stuk 1 van zijn conclusies. Ter ondersteuning van zijn stelling stelt klager in wezen dat de content van de opgenomen zoekresultaten, onjuist en/of verouderd is en/of op onrechtmatige wijze aan het publiek meegedeelde gevoelige gegevens bevat. Hij betwist niet de rechtmatigheid van de mededeling aan het publiek van de content zelf waarnaar de links verwijzen.
  146. Alvorens de betwiste zoekresultaten achtereenvolgens te analyseren52, beoordeelt de Geschillenkamer of de klager een rol speelt in het openbare leven53 en of de content van de zoekresultaten, bijzondere categorieën van gegevens over de klager bevat als bedoeld in artikel 9 van de AVG
  147. 6.
  148. De rol van de klager in het openbare leven 51 Guidelines on the implementation of the Court of Justice of the European Union judgment on“Google Spain and Inc v. Agencia Española de protección de datos (aepd) and Mario Costeja González” c-131/12, goedgekeurd op 26 november 2014 door de Groep artikel 29, p.
  149. 52 Infra, nr. 123 e.v. 53 Infra, nr. 99-
  150. 54 Infra, nr. 109 e.v. Beslissing ten gronde37/2020 - 27/49
  151. Onder de criteria waarmee bij de uit te voeren analyse rekening moet worden gehouden55, lijkt de rol van de betrokkene in het openbare leven van doorslaggevend belang te zijn. In de guidelines van de EDPB wijst deze, in navolging van het Hof van Justitie, op het volgende: "Het Hof oordeelde ook dat de rechten van de betrokkenen in het algemeen prevaleren boven het belang van de internetgebruikers om via de aanbieder van de zoekmachine toegang te krijgen tot informatie. Het heeft echter verschillende factoren geïdentificeerd die van invloed kunnen zijn op deze vaststelling. Deze omvatten: de aard van de informatie of de gevoeligheid ervan, en met name het belang van de internetgebruikers om toegang te krijgen tot de informatie, belang dat kan variëren naar gelang van de rol die de betrokkene in het openbare leven speelt [...]"
  152. Volgens de richtsnoeren van de Groep artikel 29 (blz. 15-16): "Wat is een "rol" in het openbare leven? Het is niet mogelijk om met zekerheid vast te stellen welke rol een natuurlijk persoon in het openbare leven moet spelen om de toegang van het publiek tot informatie over die persoon te rechtvaardigen via een zoekopdracht op internet. Politici, hoge ambtenaren, zakenlieden en (gereglementeerde) beoefenaars van vrije beroepen kunnen echter over het algemeen worden beschouwd als personen die een rol spelen in het openbare leven. Er zijn redenen om het publiek in staat te stellen informatie te zoeken over de rol en de activiteiten van dergelijke personen in het openbare leven. In het algemeen moet worden nagegaan of de toegang van het publiek tot de specifieke informatie van een persoon door middel van een naamzoeking zou voorkomen dat deze persoon zich schuldig maakt aan ongepast openbaar of beroepsmatig gedrag. Het is al even moeilijk om de subgroep van "publieke personen" te definiëren. Als algemene regel kan worden gesteld dat publieke personen personen zijn die vanwege hun functie of de door hen aangegane verplichtingen tot op zekere hoogte blootgesteld zijn aan de media. Resolutie 1165

(1998)van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over het recht op eerbiediging van het privéleven bevat een mogelijke definitie van "publieke personen". Zij stelt dat "openbare personen degenen zijn die openbare functies vervullen 55 Supra, nr. 93. 56 Vrije vertaling van punt 48 van de Engelse tekst van de "guidelines". Beslissing ten gronde37/2020 - 28/49 en/of openbare middelen gebruiken en, meer in het algemeen, al diegenen die een rol spelen in het openbare leven, of het nu gaat om politieke, economische, artistieke, sociale, sportieve of andere personen". Sommige informatie over openbare personen heeft een louter privékarakter en zou normaal gesproken niet opgenomen mogen worden in de zoekresultaten, bijvoorbeeld informatie over hun gezondheid of familieleden. Als de personen die een verzoek indienen echter publieke personen zijn en de informatie in kwestie niet louter privé-informatie is, zullen er in de regel voldoende redenen zijn om de verwijdering van links uit zoekresultaten die op hen betrekking hebben, te weigeren. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna "EHRM" ) is bijzonder relevant voor het beoordelen van de belangenafweging" (cursief toegevoegd door de Geschillenkamer). 101. In deze context brengen zowel de klager als Google elementen naar voren die aantonen dat de klager een rol heeft gespeeld en speelt in het openbare leven in België. 102. Om te beginnen moet worden benadrukt dat noch de richtsnoeren van de Groep 29, noch de guidelines van de EDPB vereisen dat de betrokkene een politieke persoonlijkheid is om een rol te kunnen spelen in het openbare leven. 103. In zijn klacht merkt de klager op dat hij een leidinggevend kaderlid is van de Onderneming Z en dat "hij als [leidinggevend kaderlid] van [Onderneming Z] onmiskenbaar een aanzienlijke mate van mediaaandacht heeft". De klager benadrukt echter direct na deze verklaring dat de betrokken feiten niet kunnen bijdragen aan een democratisch maatschappelijk debat en dat het publiek geen rechtmatig belang heeft of meer heeft bij toegang tot deze informatie. Hij wijst er ook op dat hij geen politieke persoonlijkheid was, wat echter, zoals gezegd, niet doorslaggevend is voor de analyse van zijn rol in het openbare leven. 104. Onderneming Z is actief in België en de klager is al enkele jaren leidinggevend kaderlid van onderneming W, een onderneming die nauw verbonden is met onderneming Z. 105. Google somt in zijn conclusies bovendien een aantal functies op die de klager in het verleden heeft vervuld en die, eveneens naar het oordeel van de Geschillenkamer, illustreren dat hij in het verleden ook een rol heeft gespeeld in het openbare leven. 106. Naast de reeds genoemde huidige verantwoordelijkheden van klager omvatten de taken over een periode van ongeveer twintig jaar: een functie als lid van het politieke kabinet van een minister van Beslissing ten gronde37/2020 - 29/49 partij Y; regeringscommissaris in entiteit A; lid van entiteit B; mandataris binnen de overheidsdienst; regeringscommissaris in entiteit D; een functie met een zeer hoge verantwoordelijkheid in organisatie E; en een functie met een hoge verantwoordelijkheid in overheidsinstantie F. 107. Met andere woorden, de klager vervult openbare functies en heeft deze vervuld en/of vervult functies waarbij hij openbare middelen heeft gebruikt en gebruikt, werd en wordt blootgesteld aan mediaaandacht en heeft gehandeld en handelt in een publieke context als een publieke persoon en, meer in het bijzonder, als een hoge ambtenaar of een mandataris van een overheidsdienst. 108. Concluderend, op basis van de uiteengezette elementen 57 is de Geschillenkamer van mening dat de klager een rol heeft gespeeld en speelt in het openbare leven. 6.2. Wat betreft het "partij Y-label" 109. In zijn klacht en conclusies legt de klager aan Google ten laste dat het links opneemt naar gevoelige gegevens over hem. In zijn bewoordingen: "In het onderhavige geval tonen de indexen van Google [de klager] als een persoon met [partij Y-] label. De politieke standpunten [van de klager] vormen gevoelige gegevens in de zin van artikel 9 van de AVG. Deze gegevens genieten een versterkte juridische bescherming. De verwerking van dergelijke gegevens door Google is aldus verboden, aangezien zij niet kan steunen op één van de toepasselijke uitzonderingen (namelijk artikel 9, lid 2 van de AVG en artikel 8 §1 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens)". 110. De klager benadrukt voorts dat het feit dat hij wordt voorgesteld als een persoon "met partij Y-label" onjuiste informatie is die de verwijdering van links rechtvaardigt, en dat met name de gevolgtrekkingen van Google over de relatie van de klager met partij Y overhaast zijn en gebaseerd zijn op foutieve informatie (dit punt wordt hieronder besproken 58). 111. In zijn syntheseconclusies merkt Google op dat het in deze context, namelijk die van de klager en zijn rol in het openbare leven in België, "voor het publiek duidelijk is dat politieke labeling geenszins verwijst naar werkelijke of veronderstelde politieke opvattingen [van de verzoeker], maar alleen naar de politieke partij waarmee hij professioneel nauw verbonden is en die zijn kandidatuur voor het 57 Supra, nr. 99-106. 58 Infra, nr. 116-122. Beslissing ten gronde37/2020 - 30/49 verkrijgen van openbare mandaten heeft gesteund" 59. In zijn conclusies wil Google in feite de professionele banden tussen de verzoeker en partij Y aantonen. In het bijzonder om te rechtvaardigen dat de behandeling van politieke labeling belangrijk is om te komen tot een debat van algemeen belang dat relevant is vanwege de manier waarop de benoeming van (hoge) ambtenaren en de toekenning van publieke mandaten in België werkt, citeert Google professor David Renders die stelt dat de werving van hogere ambtenaren gepolitiseerd is. In dezelfde geest heeft de tweede paragraaf van het persartikel van minder dan tien jaar geleden van www.lecho.be een portret geschetst van de klager en zijn benoeming in verband gebracht met een functie met hoge verantwoordelijkheden bij overheidsinstantie F (Bijlage B.14 in het Google-dossier). 112. De "politieke labeling" van een openbaar mandataris/hoge ambtenaar en artikel 9 van de AVG. In de specifieke context van het onderhavige geval is de Geschillenkamer van oordeel dat de verwijzing naar een politieke "labeling" van een openbaar mandataris of een hoge ambtenaar op zich niet automatisch een politieke "mening" aan het licht brengt: de labeling vestigt in beginsel enkel de aandacht op het feit dat de betrokkene professioneel wordt gesteund 60 in zijn openbare leven 61 en meer bepaald, in het kader van zijn loopbaan als mandataris bij een overheidsdienst en hoge ambtenaar. Niets belet een politieke partij om de kandidatuur van een persoon voor een hoge functie professioneel te ondersteunen op basis van persoonlijke kwaliteiten, zonder rekening te houden met zijn of haar politieke opvattingen. De klager wijst er overigens op dat hij geen lid is van partij Y. 113. Er zal met andere woorden per link moeten worden beoordeeld of de link in kwestie, naast de vermelding van de politieke labeling, ook de politieke opvatting van de klager onthult. 114. Het is trouwens in die zin dat artikel 9, lid 1, van de AVG is opgesteld, dat bepaalt dat "de verwerking van persoonsgegevens waaruit de [...] politieke opvattingen blijken , [...]" verboden is (cursief toegevoegd door de Geschillenkamer). Dus zelfs in de veronderstelling dat de eerste verwerkingen van de bronnen waarnaar links geplaatst zijn (de genoemde kranten, die onder de journalistieke vrijheid vallen62) een politieke opvatting onthullen, quod non, is het moeilijk vol te houden dat de verwerking door Google een politieke opvatting onthult: met het opnemen van links wordt een dergelijke doelstelling niet nagestreefd, het leidt in het onderhavige geval slechts naar namen van personen. 59 Syntheseconclusie, p. 22, punt 29. 60 Supra, nr. 106. 61 Supra, nr. 101-108. 62 Infra, nr. 123 e.v. Beslissing ten gronde37/2020 - 31/49 115. In dezelfde geest, ten slotte, maar explicieter, stelt artikel 6 van het gemoderniseerde Verdrag nr. 108 van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens63: "Article 6 – Bijzondere categorieën van gegevens 1. De verwerking: […] - van persoonsgegevens voor informatie die zij onthullen over ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, vakbondslidmaatschap, religieuze of andere geloofsovertuigingen, gezondheid of seksleven; is alleen toegestaan op voorwaarde dat de wet voorziet in passende waarborgen ter aanvulling van die van dit verdrag. 2. Deze waarborgen moeten van dien aard zijn dat zij de risico's voorkomen die de verwerking van gevoelige gegevens met zich mee kan brengen voor de belangen, rechten en fundamentele vrijheden van de betrokkene, en met name het risico van discriminatie" 64. 116. Wat betreft de onjuistheid van de "partij Y-labeling". Bepalen of een openbare mandataris wordt gesteund door een bepaalde politieke partij in een context waarin benoemingen gepolitiseerd zijn65 is in feite een complexe kwestie waarvoor (al dan niet journalistiek) onderzoek en een zekere evaluatie nodig kan zijn, aangezien het uiteindelijk ook om een meningsuiting ten aanzien van de betrokkene gaat. Het is in dit geval niet onbelangrijk dat de betwiste links 2, 3, 4 en 5 betrekking hebben op artikelen uit de Belgische pers, dat de betwiste link 6 betrekking heeft op een site voor het voorlichten van het publiek (msn.com) en dat de betwiste link 1 ten slotte betrekking heeft op een Belgische website die gespecialiseerd is in de problematiek van de cumulatie van mandaten en de transparantie op dit gebied in België (www.cumuleo.be). 117. Het is niet de taak van de Geschillenkamer om het debat tussen de betrokkene en de dienstverlener van de zoekmachine over de juistheid van dergelijke informatie à fond te onderzoeken. Dit is overigens evenmin de taak van de auteurs van deze informatie, die de kern vormt van een thema dat ontegenzeggelijk van algemeen belang is en een publiek debat op gang brengt. In dit kader moet in wezen gezorgd worden voor transparantie bij de benoeming en uitoefening van de mandaten binnen een openbaar ambt in België, transparantie die de kern vormt van de democratie en in de loop van 63 Protocol tot wijziging (CETS nr. 223) van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108), op 18 mei 2018 goedgekeurd door het Comité van Ministers van de Raad van Europa tijdens zijn 128e ministeriële zitting. 64 Onderstreept door de Geschillenkamer. 65 Supra, nr. 111. Beslissing ten gronde37/2020 - 32/49 de tijd geanalyseerd zal moeten worden. Artikel 17, lid 3, onder a), van de AVG vereist overigens niet dat een dergelijk debat à fond wordt onderzocht. 118. In het onderhavige geval noemt Google ter rechtvaardiging van het bestaan van een politieke labeling de volgende vijf elementen: ten eerste was de klager ongeveer 20 jaar geleden lid van een politiek kabinet van een minister van partij Y. Ten tweede wordt in een artikel waarvoor de verwijdering van links wordt gevraagd, beweerd dat er sprake is van een schending van de cumulatieregels die in de statuten van partij Y zijn opgenomen en wordt er een uittreksel overgenomen waarin een politieke vertegenwoordiger P zo'n 15 jaar geleden een brief aan de klager heeft gericht om de cumulatieregels binnen de partij toe te lichten. Ten derde heeft de verzoeker minder dan 5 jaar geleden als spreker deelgenomen aan een congres van partij Y. Ten vierde heeft hij nog een lezing gegeven aan partij Y, volgens een Twitter-post van enkele jaren geleden van een afgevaardigde van partij Y in het Brusselse parlement. Ten vijfde en ten slotte blijkt hij te hebben gewerkt in het studiecentrum van partij Y, zoals blijkt uit de woorden van een hoge ambtenaar (die destijds in functie was) in een artikel 66 waarin de klager wordt geportretteerd. In dit artikel wordt aan de klager bovendien ook het "partij Y-label" toebedeeld. 119. De klager weerlegt het standpunt van Google. Zo is het volgens hem onjuist dat hij wordt voorgesteld als een persoon met 'partij Y-label' en moeten de desbetreffende links derhalve verwijderd worden. Hij stelt met name dat: hij nooit lid is geweest van partij Y, dat de aanname van het feit dat de band tussen de verzoeker en partij Y aangetoond wordt in link nr. 3 (link naar de brief van een politieke mandataris P) een overhaaste gevolgtrekking is die steunt op foutieve elementen, dat de verzoeker zich niet schuldig gemaakt heeft aan enige cumulatie die de op hem toepasselijke regels zou schenden en dat de brief van politieke mandataris P (die overigens privé-correspondentie vormt die in strijd blijkt met artikel 22 van de Grondwet, artikel 8, § 2 van de EVRM en artikel 314 van het Strafwetboek) niets zegt over de vraag of de klager (wat niet het geval
  1. is)al dan niet lid is van partij Y (in de brief aan de klager staat namelijk het volgende: " […] als je lid bent van de partij Y, […]"). 120. Tijdens de hoorzitting merkt de klager onder meer op dat de functie van lid van een politiek kabinet van een minister van partij Y die zo'n twintig jaar geleden werd uitgeoefend oud is en dat ondertussen de verhoudingen ook kunnen veranderen. Hij merkt op dat zelfs als hij in zijn privéleven regelmatig contact heeft met onder andere leden van deze (en andere) politieke familie(s); dit hem niet tot lid van de partij Y maakt. Het gaat om een gevaarlijke gedachtekronkel die schade berokkent aan de manier waarop hij door het publiek en zijn administratie wordt waargenomen. 66 Artikel van l’Echo op www.lecho.be. Beslissing ten gronde37/2020 - 33/49 121. Aan de ene kant baseert Google zich echter niet alleen op deze elementen, zoals wordt geïllustreerd door de betwiste links en de voornoemde door Google aangevoerde elementen 67. Aan de andere kant, en nog fundamenteler, betwist de klager niet dat hij in zijn openbare leven, en meer in het bijzonder in het kader van zijn loopbaan als openbaar mandataris en hoge functionaris 68, professioneel werd gesteund door partij Y. 122. In het licht van deze elementen69 is de Geschillenkamer van mening dat de kritiek van de klager over de onnauwkeurigheid van de 'partij Y-labeling' die hem in de betwiste links wordt toebedeeld, de toepassing van artikel 17, lid 3, onder a), van de AVG niet kan uitsluiten. 6.3 De betwiste links 123. Wat de betwiste links betreft, dient te worden verwezen naar stuk 1 van de conclusies van de klager, waaruit de onderstaande feitelijke elementen zijn afgeleid, tenzij anders vermeld. De betwiste links worden ook meer in detail uitgelegd in de syntheseconclusie van Google en de bijbehorende stukken. 124. Zoekresultaat nr. 1. Deze link verwijst naar de site cumuleo.be, en heeft betrekking op de mandaten, functies en beroepen uitgeoefend door de klager die wordt geciteerd als persoon "met partij Y-label". 125. Gelet op de rol van de klager in het openbare leven 70, op het feit dat politieke labeling informatie vormt die verband houdt met de transparantie bij de benoeming en uitoefening van een openbare mandaten (thema dat de kern vormt in het democratische debat en dat in de loop van de tijd geanalyseerd zal moeten worden), op de wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen (en met name op artikel 2, lid 2), aangezien in de huidige context de vermelding van zijn partij Y-label geen enkele van zijn politieke opvattingen71 onthult, en aangezien het gaat om links van content waarvan de juistheid niet wordt betwist (behalve evenwel de door de klager geuite kritiek met betrekking tot de 'partij Ylabeling'72), is de Geschillenkamer van oordeel dat zoekresultaat nr. 1 noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie en dat Google dit zoekresultaat, overeenkomstig artikel 17, lid 3,
  2. a)van de AVG, derhalve terecht heeft behouden. 67 Infra, nr. 123 e.v. en supra, nr. 105 en 118. 68 Supra, nr.106. 69 Supra, nr. 116-122. 70 Supra, n° 99-108. 71 Supra, nr. 112-115. 72 Supra, nr. 116-122. Beslissing ten gronde37/2020 - 34/49 126. Zoekresultaat nr. 2. Deze link verwijst naar een artikel in de krant Le Soir (www.lesoir.be). 127. Wat betreft de link naar een artikel in een Belgisch persorgaan, waarvan de juistheid van de inhoud met betrekking tot het beroepsleven van de klager niet wordt betwist (behalve evenwel de door de klager geuite kritiek met betrekking tot de 'partij Y-labeling'73), gelet op de rol van de klager in het openbare leven74, op het feit dat politieke labeling informatie vormt die verband houdt met de transparantie bij de benoeming en uitoefening van een openbare mandaten (thema dat de kern vormt in het democratische debat en dat in de loop van de tijd geanalyseerd zal moeten worden), en aangezien in de huidige context de vermelding van zijn partij Y-label geen enkele van zijn politieke opvattingen75 onthult, is de Geschillenkamer van oordeel dat link nr. 2 noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie en dat Google dit zoekresultaat, overeenkomstig artikel 17, lid 3,
  3. a)van de AVG, derhalve terecht heeft behouden. 128. Zoekresultaat nr. 3. Deze link verwijst naar een artikel op de informatiesite RTL Info(www.rtl.be). 129. Wat betreft de link naar een artikel in een Belgisch persorgaan, waarvan de juistheid van de inhoud met betrekking tot het beroepsleven van de klager niet wordt betwist (behalve evenwel de door de klager geuite kritiek met betrekking tot de 'partij Y-labeling'76), gelet op de rol van de klager in het openbare leven77, op het feit dat politieke labeling informatie vormt die verband houdt met de transparantie bij de benoeming en uitoefening van een openbare mandaten (thema dat de kern vormt in het democratische debat en dat in de loop van de tijd geanalyseerd dient te worden), en aangezien in de huidige context de vermelding van zijn partij Y-label geen enkele van zijn politieke opvattingen 78 onthult, is de Geschillenkamer van oordeel dat link nr. 3 noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie en dat Google dit zoekresultaat, overeenkomstig artikel 17, lid 3,
  4. a)van de AVG, derhalve terecht heeft behouden. 130. Hoewel zoekresultaat nr. 3 inderdaad betrekking heeft op informatie die meer dan 10 jaar oud is en dus niet meer heel recent is, blijft deze informatie toch relevant aangezien de klager toen en ook nu nog een professionele rol speelde en speelt in het openbare leven. 131. Zoekresultaat nr. 4. Deze link verwijst naar een artikel op de website van de krant La Libre Belgique(www.rtl.be). 73 Supra, nr. 116-122. 74 Supra, nr. 99-108. 75 Supra, nr.109-115. 76 Supra, nr. 116-122. 77 Supra, nr. 99-108. 78 Supra, nr.109-115. Beslissing ten gronde37/2020 - 35/49 132. Wat betreft de link naar een artikel in een Belgisch persorgaan, waarvan de juistheid van de inhoud met betrekking tot het beroepsleven van de klager niet wordt betwist (behalve evenwel de door de klager geuite kritiek met betrekking tot de 'partij Y-labeling'79), gelet op de rol van de klager in het openbare leven80, op het feit dat politieke labeling informatie vormt die verband houdt met de transparantie bij de benoeming en uitoefening van een openbare mandaten (thema dat de kern vormt in het democratische debat en dat in de loop van de tijd geanalyseerd dient te worden), en aangezien in de huidige context de vermelding van zijn partij Y-label geen enkele van zijn politieke opvattingen 81 onthult, is de Geschillenkamer van oordeel dat zoekresultaat nr. 4 noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie en dat Google dit zoekresultaat, overeenkomstig artikel 17, lid 3,
  5. a)van de AVG, derhalve terecht heeft behouden. 133. Zoekresultaat nr. 5. Deze link verwijst naar een artikel op de website van de krant La Libre Belgique(www.rtl.be). 134. Wat betreft de link naar een artikel in een Belgisch persorgaan, waarvan de juistheid van de inhoud met betrekking tot het beroepsleven van de klager niet wordt betwist (behalve evenwel de door de klager geuite kritiek met betrekking tot de 'partij Y-labeling'82), gelet op de rol van de klager in het openbare leven83, op het feit dat politieke labeling informatie vormt die verband houdt met de transparantie bij de benoeming en uitoefening van een openbare mandaten (thema dat de kern vormt in het democratische debat en dat in de loop van de tijd geanalyseerd zal moeten worden), en aangezien in de huidige context de vermelding van zijn partij Y-label geen enkele van zijn politieke opvattingen84 onthult, is de Geschillenkamer van oordeel dat zoekresultaat nr. 5 noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie en dat Google dit zoekresultaat, overeenkomstig artikel 17, lid 3,
  6. a)van de AVG, derhalve terecht heeft behouden. 135. Net als bij zoekresultaat nr. 3 geldt dat hoewel zoekresultaat 5 inderdaad betrekking op informatie die meer dan 10 jaar oud is en dus niet meer heel recent is, deze informatie relevant blijft aangezien de klager toen en ook nu nog een professionele rol speelde en speelt in het openbare leven. 136. Zoekresultaat nr. 6. Deze link verwijst naar een artikel op de informatiesite (www.rtl.be). 137. Google voert aan dat de link nr. 6 naar een pagina leidt die niet meer bestaat. De klager is echter terecht van mening dat het opnemen van de link door Google als zodanig litigieus is. 79 Supra, nr. 116-122. 80 Supra, nr. 99-108. 81 Supra, nr.109-115. 82 Supra, nr. 116-122. 83 Supra, nr. 99-108. 84 Supra, nr. 109-115. Beslissing ten gronde37/2020 - 36/49 138. Google antwoordt in zijn syntheseconclusie dat er noch in de eerste tien resultatenpagina's van de zoekmachine, noch in de pagina's daarna, nog links verschijnen naar url 6. Zij heeft tijdens de hoorzitting bevestigd dat er geen links naar url 6 meer opgenomen worden en de klager heeft dit niet betwist. Het verzoek van de klager om verwijdering van zoekresultaten is derhalve niet langer relevant ten aanzien van zoekresultaat nr. 6. 139. Zoekresultaat nr. 7. Deze link verwijst naar een bericht van de GERFA op de website www.gerfa.be. De GERFA is de studie- en hervormingsgroep voor het administratief ambt. Google legt in zijn syntheseconclusies uit dat de GERFA werd opgericht als reactie op de massale politisering van de overheidsdiensten in België en om de bewustwording en reflectie ten aanzien van de verbetering van het beheer van deze diensten aan te wakkeren, en dat GERFA in 1990 een erkende vakbondsorganisatie is geworden en nu ongeveer 1500 leden telt. 140. Google voert ook hier aan dat zoekresultaat nr. 7 naar een pagina leidt die niet meer bestaat. De klager is echter terecht van mening dat het opnemen van het zoekresultaat door Google als zodanig litigieus is. 141. Google antwoordt in zijn syntheseconclusies dat er noch in de eerste tien resultatenpagina's van de zoekmachine, noch in de pagina's daarna, nog links verschijnen naar url 7. Het heeft tijdens de hoorzitting bevestigd dat er geen links naar url 7 meer opgenomen worden en de klager heeft dit niet betwist. Het verzoek van de klager is derhalve niet langer relevant ten aanzien van zoekresultaat nr. 7. 142. Zoekresultaat nr. 8. Deze link verwijst naar een artikel op de website www.7sur7.be. 143. Wat betreft de link naar een artikel in een Belgisch persorgaan, waarvan de juistheid van de inhoud met betrekking tot het beroepsleven van de klager niet wordt betwist (behalve evenwel de door de klager geuite kritiek met betrekking tot de 'partij Y-labeling' waarnaar hierboven verwezen wordt 85), gelet op de rol van de klager in het openbare leven86, op het feit dat politieke labeling informatie vormt die verband houdt met de transparantie bij de benoeming en uitoefening van een openbare mandaten (thema dat de kern vormt in het democratische debat en dat in de loop van de tijd geanalyseerd zal moeten worden), en aangezien in de huidige context de vermelding van zijn partij Y-label geen enkele van zijn politieke opvattingen87 onthult, is de Geschillenkamer van oordeel dat link nr. 8 noodzakelijk 85 Supra, nr. 116-122. 86 Supra, nr. 99-108. 87 Supra, nr.109-115. Beslissing ten gronde37/2020 - 37/49 is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie en dat Google dit zoekresultaat, overeenkomstig artikel 17, lid 3,
  7. a)van de AVG, derhalve terecht heeft behouden. 144. Net als bij zoekresultaat nr. 3 en 5 geldt dat hoewel zoekresultaat 5 inderdaad betrekking heeft op informatie die meer dan 10 jaar oud, deze informatie relevant blijft aangezien de klager toen en ook nu nog een professionele rol speelde en speelt in het openbare leven. 145. In het licht van de bovenstaande overwegingen concludeert de Geschillenkamer dat Google terecht heeft besloten om het verzoek van de klager om verwijdering van zoekresultaten niet in te willigen, aangezien dit verzoek gericht is op het verwijderen van links naar informatie die verband houdt met politieke labeling. De Geschillenkamer seponeert de klacht met betrekking tot de verzoeken om verwijdering van zoekresultaten nr. 1 tot 8. 6.4 Wat betreft de vermeende pesterijen 146. De zoekresultaten 9 tot 12 verwijzen allemaal naar artikelen op Belgische perssites (respectievelijk www.lalibre.be, www.dhnet.be, www.7sur7.be, www.sudinfo.be), die allemaal ongeveer tien jaar oud zijn en gewag maken van een tegen de klager ingediende klacht wegens pesterijen binnen de overheidsdienst. 147. Het bestaan van deze klacht wordt niet betwist. 148. In het door de klager op 31 mei 2019 bij Google ingediende aanvraagformulier voor verwijdering van links schrijft de klager echter onder meer het volgende: "Deze indexen verwijzen naar informatie die suggereert dat tegen [de klager] een klacht wegens pesterijen werd ingediend. Deze klacht werd in 2010 ongegrond verklaard. Het niet actuele karakter van deze informatie rechtvaardigt het verzoek om verwijdering van zoekresultaten, geformuleerd op basis van artikel 17 van de AVG". 149. Als stuk 7 van zijn dossier voegt de klager toe wat de eerste pagina (van de 22) blijkt te zijn van een "Advies in het kader van een met redenen omklede klacht, Wet van 11 juni 2002, gewijzigd door de Wet van 10 januari 2007, Vertrouwelijk", geformuleerd door "ARISTA, externe dienst voor preventie en bescherming", alsook de 20ste bladzijde waarvan sommige elementen zijn weggelaten, en de volgende tekstfragmenten nog bestaan: "[...] Op basis van deze definitie, de elementen waarover we beschikken en de punten die hierboven zijn besproken, kunnen we deze situatie niet herkennen als pesterijen . 9. Beslissing ten gronde37/2020 - 38/49 Conclusies [...] Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake is van misbruik of pesterijen dor de betrokken persoon". 150. Ten eerste wijst de klager er in dit verband op dat het document (waarvan Google de authenticiteit en integriteit niet betwist) gedateerd is op 2 december 2010 en dat de klacht tegen de klager ongegrond werd verklaard. Uit de documenten in het dossier blijkt niet dat de klacht in kwestie het voorwerp is geweest van andere eventuele procedures of dat er later andere klachten van dezelfde aard tegen de klager ingediend zouden zijn. De informatie waarnaar een link is opgenomen, is dus niet langer actueel en relevant. 151. Ten tweede moet worden opgemerkt dat de genoemde artikelen zo'n tien jaar oud zijn en gewag maken van feiten die ongeveer tien jaar oud zijn. Afgezien van het feit dat de grond van deze feiten niet bewezen werd, zijn deze artikelen dus oud. 152. Ten derde kan, in deze context, het zoekresultaat dat verwijst naar het feit dat tegen de klager een klacht wegens pesterijen werd ingediend schadelijke gevolgen hebben, zowel in zijn beroeps- als zijn privéleven. 153. Hoewel de betwiste zoekresultaten destijds hebben kunnen bijdragen aan een openbaar debat over een zaak van algemeen belang, is de Geschillenkamer van oordeel dat deze links om de bovengenoemde redenen thans achterhaald en niet meer actueel zijn, en derhalve niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd voor de uitoefening van het recht op vrijheid van informatie overeenkomstig artikel 17, lid 3, onder a), van de AVG. 154. In het onderhavige geval mag Google op grond van artikel 6, lid 1, onder f), van de AVG een dergelijk zoekresultaat niet handhaven, aangezien de rechten en belangen van de klager om de genoemde redenen prevaleren. Google dienst deze zoekresultaten derhalve te verwijderen. 155. In het licht van deze overwegingen stelt de Geschillenkamer een inbreuk vast op de artikelen 17, lid 1, a, en 6, lid 1, f, van de AVG en gelast zij Google Belgium NV om de verwerking in overeenstemming te brengen en daartoe alle doeltreffende technische maatregelen te treffen om de zoekresultaten nr. 9 tot 12 niet langer op te nemen. 156. Het is derhalve niet nodig de aanvullende elementen te beoordelen die door de klager zijn aangevoerd met betrekking tot de andere betwiste content in zoekresultaat nr. 10, die betrekking heeft op een jaarlijks budget dat zou zijn toegewezen door een bestuur van de overheidsdienst. Beslissing ten gronde37/2020 - 39/49 7. Inbreuken op de AVG 157. Bij het indienen van zijn aanvraagformulier voor verwijdering van zoekresultaten bij Google, op 31 mei 2019, onder "Reden voor verwijdering", heeft de klager, via zijn advocaat, aangegeven dat de klacht wegens pesterijen in 2010 ongegrond was verklaard en dat de informatie die in de zoekresultaten wordt opgenomen, dus niet meer actueel is88. In dit stadium van de procedure werd dit feit - de aangedragen bewijsstukken (zoals het eerder genoemde advies 89) buiten beschouwing gelaten - dus bij de indiening van het formulier voor verwijdering van zoekresultaten onder de aandacht van Google gebracht, en dan nog wel door een advocaat. 158. Op datzelfde ogenblik heeft Google er kennis van moeten nemen dat de content waarnaar de zoekresultaten verwijzen, ongeveer tien jaar oud is en betrekking heeft op feiten die al meer dan tien jaar oud zijn. 159. De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat Google na ontvangst van het door de klager ingediende formulier met het verzoek om verwijdering van zoekresultaten, daadwerkelijk kennis heeft gekregen van het gedateerde karakter van de klacht wegens pesterijen, van het feit dat deze informatie niet actueel is en, ten slotte, dat de klacht, aangezien zij betrekking heeft op pesterijen, schade zou kunnen berokkenen aan de klager. Google was dus vanaf dat ogenblik daadwerkelijk op de hoogte van ernstige redenen om een verwijdering van zoekresultaten te eisen op basis van artikel 17, lid 1, onder a), van de AVG, redenen waarom de Geschillenkamer overigens geoordeeld heeft dat de links nr. 9 tot 12 verwijderd dienden te worden90. 160. Op 18 juni 2019 nam "het Google-team" echter genoegen met het volgende te antwoorden aan de klager: " […] Na onderzoek van het evenwicht tussen de belangen en de rechten die verbonden zijn aan de content in kwestie, met inbegrip van factoren zoals uw rol in het openbaar leven, heeft Google besloten deze content niet te blokkeren. Voorlopig hebben we besloten om geen actie te ondernemen met betrekking tot deze URL's. 88 Supra, n° 148. 89 Supra, nr. 149. 90 Supra, nr. 150-153. Beslissing ten gronde37/2020 - 40/49 Wij raden u aan uw verzoek om verwijdering rechtstreeks te sturen naar de webmaster die de betreffende site beheert. Deze persoon is in staat de relevante content van het Web te verwijderen of te voorkomen dat deze in zoekmachines verschijnt. Om te weten hoe u contact kunt opnemen met de webmaster [...]. Als de verouderde inhoud van een site in de resultaten van Google blijft verschijnen, kunt u ons vragen de betreffende pagina bij te werken of te verwijderen. Gebruik hiervoor de tool [...]. Als u het niet eens bent met onze beslissing, heeft u het recht om uw probleem voor te leggen aan de gegevensbeschermingsautoriteit in uw land […]". 161. Niet-naleving van de artikel 17, lid 1, onder a), en artikel 6, lid 1, onder f), van de AVG. Door op 18 juni 2019 te weigeren de links nr. 9 tot 12 te verwijderen, hoewel Google LLC deze onmiddellijk had moeten verwijderen omdat het daadwerkelijk op de hoogte was van ernstige redenen die rechtvaardigen dat deze zoekresultaten niet behouden konden worden op grond van artikel 17, lid 3.
  8. a)van de AVG91, met dien verstande dat Google LLC de zoekresultaten ook tijdelijk had kunnen verwijderen om de aangevoerde ernstige redenen in feite en meer in detail bij de klager en zijn raadsman te controleren, is Google LLC de verplichtingen van artikel 17, lid 1, onder a), van de AVG niet nagekomen. 162. Dezelfde feiten vormen ook een inbreuk op artikel 6, lid 1, onder f), van de AVG, aangezien in de omstandigheden van het geval en om de reeds aangevoerde redenen92 de belangen van de klager die een bescherming van persoonsgegevens vereisen, prevaleren boven het gerechtvaardigde belang van Google om links op te nemen naar de via het internet beschikbare content. 163. De Geschillenkamer is van oordeel dat deze niet-naleving door Google een ernstig karakter heeft. Hoewel de geschonden bepalingen normen bevatten die voor interpretatie vatbaar zijn en het recht op gegevensbescherming geen absoluut recht is, is het verwijderen van links een duidelijke verplichting van een zoekmachine in het licht van het Google Spain-arrest. Zoals het Hof van Justitie heeft opgemerkt, is de mogelijke ernst van de inbreuk serieus en prevaleren de rechten van een betrokkene in beginsel boven het belang van het publiek om de desbetreffende informatie te vinden wanneer een zoekopdracht uitgevoerd wordt op de naam van die persoon. 93 91 Supra, nr. 157-159. 92 Supra, n° 150-153. 93 HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, Google Spain SL en Google Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) en Mario Costeja González, punten 81 en 97. Beslissing ten gronde37/2020 - 41/49 164. Google, dat in het onderhavige geval perfect op de hoogte was van alle feitelijke elementen, heeft na het verzoek van de klager niet zorgvuldig gehandeld door te weigeren de links naar de betreffende content te verwijderen, terwijl de klager aan Google het bewijs had geleverd van het achterhaalde karakter van deze content. In dit verband is de Geschillenkamer van oordeel dat deze elementen vergelijkbaar zijn met de elementen waarop in de Google Spain-zaak werd gewezen, met name de elementen met betrekking tot het ontoereikende karakter en de verstreken tijd. De inwilliging van het verzoek van de klager vraagt bijgevolg geen ingewikkelde juridische beoordeling. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat er in deze omstandigheden geen sprake is van een onevenredige inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en informatie, in tegenstelling tot wat Google Belgium NV beweert. 165. Inbreuk op artikel 12, 1. en 4 van de AVG Tot slot, wat betreft de analyse van de afweging van de onderhavige rechten en belangen die uitgevoerd moet worden op grond van artikel 17, lid 3, onder
  9. a)van de AVG en van de rechtspraak van het Hof van Justitie dienaangaande94, heeft Google door genoegen te nemen met het antwoord aan de klager dat "na onderzoek van het evenwicht tussen de belangen en de rechten die verbonden zijn aan de content in kwestie, met inbegrip van factoren zoals uw rol in het openbaar leven, Google [heeft] besloten deze content niet te blokkeren" tekort gekomen aan de verplichtingen van artikel 12, leden 1 en 4, van de AVG. De klager zag zich namelijk geconfronteerd met een gebrekkige reden voor het weigeren van zijn verzoek, waardoor hij de motivatie van Google niet volledig kon kennen en begrijpen. Google heeft trouwens de deur voor iedere verdere discussie gesloten en de klager uitgenodigd om, indien hij het niet eens was met de beslissing van Google, zijn probleem rechtstreeks voor te leggen aan de gegevensbeschermingsautoriteit in zijn land. Concluderend kan worden gesteld dat het antwoord van Google over de reden voor de weigering tot verwijdering van links niet voldoende transparant en begrijpelijk was, in strijd met artikel 12, lid 1, en artikel 4 van de AVG. 8. Corrigerende en afschrikkende maatregelen. 166. Om te beginnen beveelt de Geschillenkamer Google Belgium, krachtens artikel 100, lid 1, 8° en 9° van de WOG, om de verwerking in overeenstemming te brengen en daartoe alle doeltreffende technische maatregelen te doen nemen om de zoekresultaten nummers 9 tot 12 niet langer op te nemen, voor alle andere websites van de zoekmachine in al hun taalversies, maar uitsluitend voor gebruikers die deze raadplegen vanuit de Europese Economische Ruimte, en dit uiterlijk zeven dagen na kennisgeving van deze beslissing, en om aan de Geschillenkamer binnen dezelfde termijn per email op het adres litigationchamber@apd-gbabe mee te delen dat het bovengenoemde bevel werd uitgevoerd. 94 Supra, nr. 92-96. Beslissing ten gronde37/2020 - 42/49 167. Naast het bevel om de zoekresultaten nr. 9 tot en 12 te verwijderen is de Geschillenkamer van oordeel dat voor de twee hierboven vermelde inbreuken als aanvulling, ter afschrikking, administratieve geldboeten moeten worden opgelegd. 168. De Geschillenkamer benadrukt dat het opleggen van een administratieve geldboete niet alleen bedoeld is om een einde te maken aan een gepleegde inbreuk, maar vooral om een doeltreffende toepassing van de regels van de AVG te waarborgen. Zoals in overweging 148 is aangegeven, verlangt de AVG dat bij ernstige inbreuken sancties, waaronder administratieve geldboeten, worden opgelegd als aanvulling op of in de plaats van passende maatregelen. De Geschillenkamer handelt aldus op grond van artikel 58, lid 2, onder i), van de AVG. De administratieve geldboete heeft dus niet als hoofddoel een einde te maken aan de inbreuken. Dit doel kan worden bereikt door verschillende corrigerende maatregelen, waaronder dwangbevelen, die worden genoemd in artikel 100, § 1, 8° en 9° van de WOG en die zijn opgenomen in de AVG. Met betrekking tot een sanctie in de vorm van een administratieve geldboete houdt de Geschillenkamer rekening met de aard en de ernst van de overtreding om de oplegging van deze sanctie en de draagwijdte ervan te onderzoeken. 169. Benadrukt moet worden dat deze beslissing niet de eerste administratieve geldboete is die aan Google wordt opgelegd voor een inbreuk in het kader van een verwijdering van zoekresultaten. Zo heeft de Zweedse toezichthouder op 11 maart 2020 aan Google een boete van 75 miljoen SEK (ongeveer 7 miljoen euro) opgelegd wegens verschillende inbreuken op zijn verplichting tot het verwijderen van zoekresultaten.95 170. Op 4 juni 2020 werd een formulier voor het opleggen van een administratieve geldboete naar Google Belgium NV gestuurd om deze argumenten voor het opleggen van administratieve geldboeten mee te delen96 171. In antwoord op dit formulier voert Google Belgium NV verschillende argumenten aan. Google Belgium stelt dat het helemaal geen sancties opgelegd moet krijgen, omdat dit "totaal ongepast, gevaarlijk contraproductief en zelfs onwettig" zou zijn97. In ondergeschikte orde stelt Google Belgium NV dat "de beoogde sancties in strijd zouden zijn met het evenredigheidsbeginsel van de repressieve normen. Bovendien zou de publicatie op naam van een sanctie tegen Google Belgium NV contraproductief zijn"98. Nog meer in ondergeschikte orde is Google Belgium NV van oordeel dat de vaststelling van het 95 EDPB « The Swedish Data Protection Authority imposes administrative fine on Google”, 11 maart 2020, beschikbaar op www.edpb.europa.eu. 96 Supra, nr.10. 97 Antwoord van Google Belgium NV op het boeteformulier, 24 juni 2020, p. 2. 98 Ibidem Beslissing ten gronde37/2020 - 43/49 bedrag niet naar behoren gerechtvaardigd is omdat "de Geschillenkamer bepaalde onjuiste criteria heeft gehanteerd [...] en, daarentegen, geen rekening heeft gehouden met de verzachtende omstandigheden"99. Het bedrag van de boete wordt door Google Belgium NV ook als problematisch beschouwd omdat Google Belgium NV niet in staat is de schaal, de formule en de berekeningswijze die voor de vaststelling ervan worden gebruikt, te controleren. 172. In antwoord op deze argumenten specificeert de Geschillenkamer dat zij zich baseert op artikel 83 van de AVG om tot de conclusie te komen dat een administratieve geldboete gerechtvaardigd is en om het bedrag ervan te berekenen. De Geschillenkamer motiveert haar beslissing op basis van de onderstaande bevindingen. 173. Zoals in het boeteformulier werd aangegeven, met betrekking tot de bepaling van de omzet van Google Belgium NV, die een criterium is voor de berekening van de boete, baseert de Geschillenkamer zich op het advies van het Europees Comité voor gegevensbescherming, dat als volgt luidt: " Om geldboeten op te leggen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, gebruikt de toezichthoudende autoriteit de definitie van het begrip onderneming zoals vastgesteld door het Hof van Justitie van de Europese Unie voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, namelijk dat het begrip onderneming wordt begrepen als een economische eenheid die door de moedermaatschappij en alle betrokken dochterondernemingen kan worden gevormd. Overeenkomstig het EU-recht en de jurisprudentie moet een onderneming worden gezien als een economische eenheid die commerciële/economische activiteiten uitoefent, ongeacht de rechtsvorm ervan (overweging 150). 100 174. De Geschillenkamer baseert zich daarom op de omzet van het conglomeraat Alphabet, veronderstelde moedermaatschappij van Google Belgium NV, waarvan het bedrag voor de laatste drie jaar als volgt is: . 99 - Alphabet omzet 2019: $161,857 mds. - Alphabet omzet 2018: $136,819B mds. - Alphabet omzet 2017: $110,855 mds. 101 Ibidem 100 "Richtsnoeren voor de toepassing en vaststelling van administratieve geldboeten in de zin van Verordening (EU)2016/679", goedgekeurd op 3 oktober 2017, blz. 6, beschikbaar op www.edpb.europa.eu. 101 Beschikbaar op: https://www.macrotrends.net/stocks/charts/GOOG/alphabet/revenue. Beslissing ten gronde37/2020 - 44/49 175. Wat de niet-naleving van de artikelen 17.1.
  10. a)en 6.1. f), van de AVG betreft, beslist Geschillenkamer, gelet op artikel 83. 2 van de AVG, een administratieve geldboete van 500.000 EUR op te leggen, rekening houdend met de volgende elementen: (
  11. i)ten minste van 19 juni 2019 tot 6 mei 2020, d.w.z. de datum van de hoorzitting in deze zaak, d.w.z. gedurende een periode van tien maanden, en dit overigens, ondanks de mededeling, tijdens de procedure door de klager in het kader van de uitwisseling van de conclusies, van een advies van ARISTA inzake buitenvervolgingstelling met betrekking tot de klacht wegens pesterijen102, heeft Google de zoekresultaten nr. 9 tot 12 behouden, ook al beschikte het over ernstige elementen om de verwijdering van zoekresultaten vanaf 19 juni 2019 te rechtvaardigen. Het behoud van zoekresultaten 9 tot 12 heeft geleid (en kan nog steeds leiden) tot aanzienlijke schade aan de reputatie van klager, aangezien hij gedurende meer dan tien maanden bijzonder negatieve informatie over hem in de zoekmachine vond, hoewel hij had verzocht om verwijdering en het bewijs had geleverd van de onnauwkeurigheid van de informatie. De Geschillenkamer is van oordeel dat de beslissing rechtstreeks relevant is voor de klager en dat zij onrechtstreeks relevant is voor alle internetgebruikers die over de klager informatie hebben kunnen zoeken in de zoekmachine. Gedurende deze periode werden de betwiste zoekresultaten door Google behouden zonder rechtsgrond krachtens artikel 6, lid 1, van de AVG, hetgeen een ernstige inbreuk vormt op de AVG. De inbreuk op artikel 17, lid 1, onder a), vormt ook een schending van een wezenlijk beginsel van de AVG en is op zijn minst een grove nalatigheid (artikel 83, lid 2, onder a), van de AVG); (
  12. ii)de bovengenoemde elementen vormen een ernstige inbreuk op de AVG en een nalatigheid van Google Belgium NV (artikel 83, lid 2, onder b), van de AVG). Google Belgium kan zich in dit verband ni

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.