← België

Beslissing ten gronde nr. 38/2021

Beslissing ten gronde 38/2021 - 1/25 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 38/2021 van 23 maart 2021 In het kader van het beroep tot nietigverklaring dat het Belgisch Staatsblad tegen deze beslissing heeft ingesteld bij het Marktenhof (MH), heeft het MH prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Op 11 januari 2024 deed het HvJEU een uitspraak (C-231/22)0 waarin het de status van het Belgisch Staatsblad als verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens bevestigde Dossiernr. : DOS-2020-00404 Betreft: klacht tegen het Belgisch Staatsblad wegens gebrek aan rechtmatigheidsgrond en weigering tot wissing van in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad gepubliceerde persoonsgegevens De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Y. Poullet en Christophe Boerave, leden, die in deze samenstelling de zaak behandelen; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: de klager: de heer X, vertegenwoordigd door zijn raadsman meester Sari Depreeuw, advocaat, met kantoor gevestigd te 1050 Brussel, Avenue Louise 81 (hierna de klager) de verweerder: de FOD Justititie, gevestigd te 1000 Brussel, Waterloolaan 115, vertegenwoordigd door de heer Jean-Paul Janssens, voorzitter van het directiecomité (hierna de verweerder) 0 https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=281142&pageIndex=0&doclang=NL&mode= st&dir=&occ=first&part=1&cid=4500479 Beslissing ten gronde 38/2021 - 2/25

  1. Procedurele voorgeschiedenis Gelet op de klacht die de klager op 21 januari 2020 bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) heeft ingediend; Gelet op de beslissing van 20 oktober 2020 van de Eerstelijnsdienst (ELD) van de GBA om de klacht ontvankelijk te verklaren, en de toezending hiervan aan de Geschillenkamer; Gelet op de brief van 5 maart 2020 van de Geschillenkamer waarin deze de partijen in kennis stelt van haar beslissing om het dossier op grond van artikel 98 WOG te beschouwen als klaar voor behandeling ten gronde, en een tijdpad voor de uitwisseling van de conclusies meedeelt; Gelet op de hoofdconclusies van de verweerder van 6 april 2020; Gelet op de conclusies van de klager van 21 april 2020; Gelet op de conclusies van antwoord van de verweerder, ontvangen op 6 mei 2020; Gelet op de uitnodiging tot de hoorzitting van de Geschillenkamer aan de partijen van 20 augustus 2020; Gelet op de hoorzitting tijdens de zitting van de Geschillenkamer van 9 oktober 2020 in aanwezigheid van meester S. Depreeuw en meester O. Belflamme, vertegenwoordigers van de klager, en van de heer A. Hoefmans, directeur van de dienst Gegevensbescherming van de FOD Justitie, en de heer W. Verrezen, directeur van het Belgisch Staatsblad, die beiden de verweerder vertegenwoordigen; Gelet op het proces-verbaal van de hoorzitting en de door de partijen hierover geformuleerde opmerkingen, die bij het proces-verbaal werden gevoegd. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder in zijn toelichtingen verklaart dat hij er zich tijdens de hoorzitting rekenschap van heeft gegeven dat het koninklijk besluit van 30 januari 2001 waarnaar in de conclusies ter staving van zijn verdediging verschillende keren wordt verwezen, was vervangen door een nieuw koninklijk besluit van 29 april 2019 (BS, 30 april 2019) dat na de invoering van de AVG is vastgesteld. De verweerder preciseert dat het nieuwe koninklijk besluit de inhoud van het ingeroepen artikel 11.5, dat werd vervangen door artikel 1-9 § 5, niet heeft gewijzigd
  2. 1 Artikel 1-9, § 5: De verbetering van een vergissing in een in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akte, uittreksel van een akte, beslissing of stuk wordt neergelegd en bekendgemaakt overeenkomstig de voorgaande paragrafen. De verbetering van een vergissing in een stuk waarvan de neerlegging werd bekendgemaakt door mededeling in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, gebeurt door neerlegging ter griffie, overeenkomstig de voorgaande paragrafen, van één of meer verbeterde of bijkomende bladen, waarop "verbetering" is vermeld. Zij worden gevoegd bij een blad waarop de gegevens bedoeld in paragraaf 2, vierde lid zijn vermeld alsook de aanduiding van het stuk waarop de verbetering betrekking heeft. De verbeterde of bijkomende bladen worden in het dossier bewaard. De neerlegging van verbeterde of bijkomende bladen wordt door uittreksel in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Beslissing ten gronde 38/2021 - 3/25
  3. Feiten en voorwerp van het verzoek2
  4. De klager is aandeelhouder van de bvba X. De klager is in het bezit van de overgrote meerderheid van de aandelen van de bvba, terwijl zijn vennoot een kleine minderheid bezit.
  5. De aandeelhouders van de vennootschap - waaronder de klager - hebben besloten over te gaan tot een verlaging van het maatschappelijk kapitaal, waarvan de statuten, als gevolg van deze operatie, gewijzigd zijn bij besluit van de buitengewone algemene vergadering van begin 2019 (artikel 316 van het Wetboek van vennootschappen).
  6. In februari 2019 is een uittreksel van dat besluit gepubliceerd in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, die beschikbaar zijn op papier en in een elektronische versie die via internet kan worden geraadpleegd.
  7. Het uittreksel dat in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd bevat het besluit om het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap te verlagen, het oorspronkelijke bedrag van het kapitaal, het bedrag van de verlaging met vermelding van het bedrag van het nieuwe maatschappelijk kapitaal, en de nieuwe tekst van de statuten. Dit zijn immers de elementen die door artikel 69 in samenhang met artikel 74 van het Wetboek van vennootschappen vereist worden.
  8. Bovendien vermeldt het uittreksel onder andere de naam van de twee vennoten (waaronder de klager), de bedragen die hun zijn uitbetaald, en de nummers van hun bankrekeningen.
  9. Het gedeelte van het uittreksel dat in het Nederlands is gepubliceerd (zie punt 5 hierboven) luidt als volgt: (…) - aan de heer X , voornoemd, door uitbetaling op de rekening met nummer (..) op zijn naam van het bedrag van (..); - aan de heer Z, voornoemd, door uitbetaling op de rekening met nummer (..) op zijn naam, van het bedrag van (..) (hierna de betwiste passage) 2 Aangezien de kapitaalvermindering heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen, is het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 van toepassing op de feiten in kwestie. Beslissing ten gronde 38/2021 - 4/25
  10. Dit uittreksel is door de notaris van de klager opgesteld overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen (artikel 74, eerste lid, 5°, juncto artikel 69, eerste lid, 5° 3) en vervolgens door deze laatste aan de griffie van de ondernemingsrechtbank van het rechtsgebied van de vennootschap toegezonden om in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad te worden gepubliceerd
  11. In de veronderstelling dat zijn notaris een vergissing had begaan door de betwiste passage op te nemen in het verzoek tot publicatie van het uittreksel van de kapitaalvermindering, heeft de klager via zijn notaris en diens functionaris voor gegevensverwerking (DPO) stappen ondernomen om de wissing van die betwiste passage bij de verweerder te verkrijgen.
  12. Op 28 maart 2019 stuurt de DPO van de notaris van de klager een e-mail naar de DPO van de verweerder waarin hij deze laatste verzoekt de twee hierboven aangehaalde paragrafen te wissen overeenkomstig het recht op wissing van de klager (art. 17 van de AVG). Meer bepaald verzoekt de DPO van de notaris van de klager namens deze laatste, om (a) de wissing van de publicatie van het uittreksel met de betwiste passage en (b) de vervanging ervan door de publicatie van een uittreksel zonder deze betwiste passage.
  13. Op 10 april 2019 reageert de verweerder afwijzend op het verzoek van de klager. Zijn weigering is gebaseerd op de uitzondering bedoeld in artikel 17, lid 3, van de AVG (recht op wissing) en artikel
  14. In plaats van de gevraagde wissing, stelt de DPO van de verweerder een nieuwe publicatie van het uittreksel voor - zonder de betwiste passage -, waarbij de oorspronkelijke publicatie intact zou blijven.
  15. Op 11 april 2019 antwoordt de DPO van de notaris van de klager de verweerder dat zijn standpunt irrelevant is en dringt hij erop aan de publicatie van het uittreksel met de betwiste passage te wissen. 3 Artikel 74: Overeenkomstig de vorige artikelen worden neergelegd en bekendgemaakt: 1° de akten die bepalingen wijzigen waarvoor dit wetboek de bekendmaking voorschrijft. (artikel 69, 1° ) Het uittreksel uit de oprichtingsakte van vennootschappen, met uitzondering van de economische samenwerkingsverbanden, bevat: 5° in voorkomend geval, het bedrag van het maatschappelijk kapitaal; het gestorte bedrag; het bedrag van het toegestane kapitaal; voor de commanditaire vennootschappen, de bij wijze van geldschieting gestorte en te storten bedragen; voor de coöperatieve vennootschappen, het bedrag van het vaste gedeelte van het kapitaal. 4De formaliteiten inzake de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad werden vastgesteld in het Koninklijk Besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen, in het bijzonder in zijn artikel 11, dat is vervangen door het Koninklijk Besluit van 29 april 2019 tot oprichting van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, zoals vermeld in de procedurele voorgeschiedenis. 5 Artikel 86 van de AVG. Verwerking en toegang van het publiek tot officiële documenten: Persoonsgegevens in officiële documenten die voor de uitvoering van een taak van algemeen belang in het bezit zijn van een overheidsinstantie, een overheidsorgaan of een particulier orgaan, mogen door de instantie of het orgaan in kwestie worden bekendgemaakt in overeenstemming met het Unierecht of het lidstatelijke recht dat op de overheidsinstantie of het orgaan van toepassing is, teneinde het recht van toegang van het publiek tot officiële documenten in overeenstemming te brengen met het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening. Beslissing ten gronde 38/2021 - 5/25
  16. In een e-mail van 30 april 2019 voert de DPO van de verweerder aanvullende argumenten aan om zijn weigering tot wissing van de betwiste passage te ondersteunen.
  17. Op 30 april 2019 vraagt de DPO van de notaris van de klager het advies van de GBA. Op 5 juli 2019 herinnert de ELD van de GBA met name

(1)aan het feit dat een koninklijk besluit (d.w.z. het koninklijk besluit van 30 januari 2001 waarop de verweerder zich beroept ter ondersteuning van zijn weigering tot wissing) niet kan primeren boven een Europese verordening (namelijk de AVG), en
(2)aan de voorwaarden van het recht op wissing.
  1. Door de notaris van de klager zijn vervolgens op 8 juli 2019, 25 oktober 2019, 19 november 2019 en 8 januari 2020, verschillende verzoeken gedaan zonder succes. De betwiste passage is niet uit het Belgisch Staatsblad verwijderd.
  2. Op 21 januari 2020 dient de klager een klacht in bij de GBA.
  3. In zijn klacht brengt de klager het volgende aan:
(1)een inbreuk op artikel 6 van de AVG door de verweerder wegens het publiceren van zijn persoonsgegevens op internet zonder rechtmatigheidsgrond;
(2)een inbreuk op artikel 17 van de AVG door de verweerder wegens het niet verwijderen van zijn persoonsgegevens naar aanleiding van de uitoefening van zijn recht op wissing. 17. In zijn conclusies van 21 april 2020 vraagt de klager de Geschillenkamer voor recht te verklaren dat zijn klacht gegrond is en dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden van het recht op wissing overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de AVG. De klager vraagt de verweerder op te leggen gevolg te geven aan de uitoefening van zijn recht op wissing en de hem betreffende persoonsgegevens te wissen (namelijk de namen, bankrekeningnummers en de gestorte bedragen die zowel op hemzelf als op zijn medevennoot betrekking hebben) binnen tien werkdagen na de kennisgeving van de beslissing van de GBA, op straffe van een dwangsom per dag vertraging, waarvan het bedrag door de GBA wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 100, § 1, 6, 10 en 12, van de WOG. De klager wijst eveneens op een schending van artikel 5, lid 1, punten
  1. c)en e), van de AVG. 18. De Geschillenkamer wenst reeds dadelijk te onderstrepen dat in het kader van de taak van toezicht op de naleving van de AVG die de GBA is toevertrouwd (waarvan zij het adminstratief geschillenorgaan
  2. is)door zowel de Europese wetgever (artikel 58 van de AVG) als door de Belgische wetgever (artikel 4 van de WOG), zij de door de klager gerapporteerde feiten zal onderzoeken zowel in het licht van de artikelen van de AVG waarnaar wordt verwezen in het klachtenformulier dat de klager op 21 januari 2020 heeft ingediend, als in het licht van de artikelen van de AVG waarnaar hij in een tweede fase in zijn conclusies van 21 april 2020 heeft verwezen. Beslissing ten gronde 38/2021 - 6/25 19. De Geschillenkamer beslist hier immers, zoals zij in haar beslissing 19/2020 heeft gedaan, dat van de klager niet kan worden verwacht dat hij op duidelijke, nauwkeurige en uitputtende wijze de wettelijke bepalingen aangeeft op basis waarvan hij zijn klacht indient. Deze kwalificatie van de feiten - die desgevallend een inbreuk op de geldende regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens vormt - valt onder de verantwoordelijkheid van de Inspectiedienst en de Geschillenkamer.6 20. Na bijna twee jaar werking stelt de Geschillenkamer vast dat klagers die een klacht bij de GBA indienen niet noodzakelijk op de hoogte zijn van de precieze bepalingen van de AVG of van andere specifieke wetgevingen die van toepassing zijn op de feiten die zij rapporteren en die volgens hen in strijd zijn met de toepasselijke regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens. De Geschillenkamer is op dat vlak van mening dat van hen niet kan worden geëist dat zij over die kennis beschikken om een klacht in te dienen. 21. Indien de Geschillenkamer zou weigeren zich te buigen over de grieven die de klager in de loop van de procedure heeft aangevoerd met betrekking tot de in zijn klacht aan de kaak gestelde feiten, zou zij de doeltreffendheid van de uitoefening van het recht om een klacht in te dienen zoals voorzien in artikel 77 van de AVG, aanzienlijk verminderen, en zelfs ernstig in gevaar brengen. Het tegendeel beweren zou van de klager vereisen dat hij in zijn klacht alle grieven in verband met de door hem aangeklaagde feiten aangeeft. De Geschillenkamer wenst te benadrukken dat dit een onaanvaardbare aantasting zou betekenen van het recht om een klacht in te dienen en meer in het algemeen het grondrecht op gegevensbescherming, dat om doeltreffend te zijn, moet kunnen worden gecontroleerd door de toezichthoudende autoriteiten, met name via de klachten die zij ontvangen. Het toezicht op het grondrecht op gegevensbescherming door een onafhankelijke autoriteit maakt immers deel uit van de essentie van dat recht en is vastgelegd in artikel 8, lid 3, van het Handvest van de grondrechten. Nogmaals, het tegendeel beweren, zou er eveneens de facto (en op basis van de bevindingen die de Geschillenkamer gedurende de bijna twee jaar dat zij actief
  3. is)op neerkomen dat van de klager wordt vereist dat hij wordt bijgestaan door een advocaat of een andere juridische raadsman (vanaf de neerlegging van zijn klacht), hetgeen geen voorwaarde kan zijn voor de uitoefening van een grondrecht bij de Gegevensbeschermingsautoriteit. De Geschillenkamer is overigens van mening dat het recht om een klacht in te dienen zoveel mogelijk kosteloos moet zijn (artikel 12, lid 5, van de AVG), zoals dat het geval is voor de uitoefening van andere in de AVG opgenomen rechten (Hoofdstuk III). De toezichthoudende autoriteiten moeten bovendien de uitoefening van de rechten van de betrokkenen faciliteren, met inbegrip van het recht om een klacht in te dienen (artikel 57, lid 2, van de AVG). 6Zie in dat verband de nota over de rol van de klager, die beschikbaar is op de website van de GBA: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/nota-inzake-de-positie-van-de-klager-in-deprocedure-bij-de-geschillenkamer.pdf Beslissing ten gronde 38/2021 - 7/25 22. Aangezien de feiten in het onderhavige geval niet werden betwist en geen verdere verduidelijkingen behoefden, heeft de Geschillenkamer geen beroep gedaan op de Inspectiedienst, zoals zij op grond van artikel 94, derde lid, van de WOG kan doen. Het feit dat geen beroep wordt gedaan op de Inspectiedienst wanneer de feiten duidelijk vaststaan, mag niet tot gevolg hebben dat de Geschillenkamer het recht wordt ontnomen de in de klacht aan de kaak gestelde feiten in het licht van alle relevante grieven te onderzoeken, voor zover het gaat om juridische argumenten die verband houden met de in de klacht gerapporteerde feiten, en met inachtneming van het contradictoir debat, zoals zij in haar beslissing 17/2020 heeft benadrukt (punten 20-28). 23. De grieven ten gevolge van het niet eerbiedigen van artikel 5, lid 1, punt c), (beginsel van minimale gegevensverwerking) en van artikel 5, lid 1, punt e), (beginsel van beperkte opslag) van de AVG, die de klager in zijn conclusies heeft aangevoerd, zijn bovendien, onverminderd het bovenstaande, intrinsiek verbonden met de vraag naar het al dan niet bestaan van een legitimiteitsgrond (artikel 6 van de AVG) die van meet af aan reeds in de klacht aan de orde is gesteld. Bij gebrek aan een legitimiteitsgrond (artikel 6 van de AVG) die de verwerking van gegevens toestaat, eerbiedigt de verwerkingsverantwoordelijke immers evenmin het beginsel van minimale gegevensverwerking, dat vereist dat enkel gegevens mogen worden verwerkt die toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het beoogde doeleinde. Door geen gevolg te geven aan het recht op wissing van de klager (van in het begin aan de orde gesteld in de klacht) schendt de verwerkingsverantwoordelijke (mogelijk) eveneens het beginsel van de opslagbeperking van verwerkte gegevens. 24. Bijgevolg moet elk argument dat de verweerder in de onderhavige zaak vanaf het begin van de procedure niet op de hoogte was gebracht van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, hier worden verworpen. 25. De verweerder vraagt de Geschillenkamer de klacht van de klager te verwerpen, omdat volgens hem niet kan worden vastgesteld dat hij de AVG heeft geschonden. 3. De hoorzitting van 16 oktober 2020 26. Tijdens de hoorzitting van 16 oktober 2020 hebben de partijen de mogelijkheid gehad om hun standpunt uiteen te zetten, daarbij uitgebreid verwijzend naar hun eerder ingediende conclusies. 27. Meer in het bijzonder kwamen de volgende punten tijdens deze hoorzitting naar voren: - De raadsman van de klager verduidelijkte dat de persoonsgegevens die rechtstreeks betrekking hebben op de medevennoot van de klager eveneens moeten worden Beslissing ten gronde 38/2021 - 8/25 beschouwd als hem betreffende persoonsgegevens en dat bijgevolg zijn verzoek om wissing eveneens hierop betrekking had (zie punt 17 hieronder). - De partijen gaven aan het eens te zijn over het feit dat de publicatie van de persoonsgegevens van de klager in de betwiste passage niet viel onder de openbaarmakingsverplichting zoals voorzien in het Wetboek van vennootschappen. - De verweerder bevestigde zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke. - De verweerder wees erop dat hij niet gemachtigd is te sorteren tussen gegevens waarvan de bekendmaking volgens het Wetboek van vennootschappen verplicht is en gegevens waarvan de bekendmaking regelmatig wordt gewenst. Niet zelden wensen natuurlijke personen of rechtspersonen gegevens aan de publicatie toe te voegen, gegevens waarvan de bekendmaking bijvoorbeeld wettelijk niet verplicht is volgens het Wetboek van vennootschappen. De verweerder voegde eraan toe dat die sortering in de praktijk onmogelijk is gezien het aantal uittreksels van akten dat dagelijks marginaal moet worden gecontroleerd (alleen de aanwezigheid van bepaalde vermeldingen en het formaat worden gecontroleerd)7. - Bij een verzoek tot rectificatie verwijst de gewijzigde publicatie noodzakelijkerwijs naar de publicatie die zij wijzigt (en in dat geval kan de persoon die de publicatie zoekt haar terugvinden via de datum die wordt vermeld op het bericht van wijziging). 28. Een volledig proces-verbaal van deze hoorzitting is opgesteld en meegedeeld aan de partijen, zoals is vermeld in de procedurele voorgeschiedenis. IN RECHTE 4. Wat betreft de inbreuken begaan door de verweerder Ter inleiding 7Uittreksel uit het PV van de hoorzitting : Het dossier wordt door de Ondernemingsrechtbank verwerkt voordat het voor publicatie naar het Staatsblad wordt verzonden. Onder "verwerken" moet worden verstaan dat de griffie van de Ondernemingsbank het document scant, er de nodige referenties aan toevoegt (nummer, ...) en een louter formele controle van het voorgelegde document uitvoert (is het gedateerd, ondertekend?... enz.). Een circulaire verduidelijkt dat de griffie zich tot deze formele controle moet beperken zonder de inhoud van het document te kunnen wijzigen. Die inhoud is de verantwoordelijkheid van de notaris die het document heeft ingediend. De griffie verwerkt 800 tot 900 akten per dag. Zij heeft 24 uur om het dossier te aanvaarden en 48 uur om het naar het Belgisch Staatsblad te sturen. Beslissing ten gronde 38/2021 - 9/25 29. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder bevestigt verwerkingsverantwoordelijke te zijn. In het kader van zijn eigen discretionaire bevoegdheid ten aanzien van deze kwalificatie8 neemt de Geschillenkamer die kwalificatie eveneens aan, oordelend dat in het licht van de betwiste passage van het gepubliceerde uittreksel, de verweerder wel degelijk in die hoedanigheid heeft gehandeld door er zowel het doel als de middelen van vast te stellen (artikel 4, lid 2, van de AVG). 30. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder herhaaldelijk benadrukt dat de fout die aanleiding heeft gegeven tot de hele procedure die tot de onderhavige beslissing heeft geleid, door de notaris van de klager is gemaakt bij de doorgifte van het in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad te publiceren akte. 31. De verweerder is inderdaad tussenbeide gekomen nadat de notaris van de klager het te publiceren document met de betwiste passage had opgesteld en hem had toegezonden. Er was sprake van een opeenvolgende tussenkomst van twee verschillende verwerkingsverantwoordelijken, eerst van de notaris, daarna van de verweerder, die een verschillende verwerking hebben uitgevoerd. 9 32. Zelfs indien de initiële fout door de notaris van de klager is gemaakt, moet voor elke uitgevoerde verwerking de AVG worden nageleefd. Bijgevolg vergoelijkt de door een eerste verwerkingsverantwoordelijke gemaakte fout een schending van de AVG door de "latere" (om de woorden van de verweerder te gebruiken) verwerkingsverantwoordelijke niet. Dit begrip van "latere" verwerkingsverantwoordelijke is overigens niet verankerd in de AVG. In het onderhavige geval stelt de Geschillenkamer alleen een opeenvolgende tussenkomst van twee verwerkingsverantwoordelijken vast. De verweerder is natuurlijk wel eerst ontvanger geweest van de gegevens in de zin van artikel 4, lid 9, van de AVG, maar die hoedanigheid sluit niet uit dat hij op zijn beurt is opgetreden in de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke. 4.1. Wat betreft de schending van artikel 6 van de AVG (rechtmatigheid van de verwerking) en artikel 5, lid 1, punt
  4. c)(beginsel van minimale gegevensverwerking) 33. De Geschillenkamer herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 6 van de AVG de verwerking van persoonsgegevens slechts rechtmatig is wanneer en voor zover zij is gebaseerd op een van de in artikel 6 van de AVG opgesomde rechtmatigheidsgronden. 8 Zie in dat verband het Europees Comité voor Gegevensbescherming (ECGB), Guidelines 07/2020 on the concepts of controller and processor in the GDPR, versie 1.0. van 2 september 2020. Deze richtsnoeren zijn voor openbare raadpleging voorgelegd en kunnen worden gewijzigd https://edpb.europa.eu/sites/edpb/files/consultation/edpb_guidelines_202007_controllerprocessor_en.pdf. Zie ook beslissing 81/2020 van de Geschillenkamer (punt 46). 9 Zie ook beslissing 81/2020 van de Geschillenkamer (punt 46). Beslissing ten gronde 38/2021 - 10/25 34. Het wordt niet betwist dat het uittreksel dat in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd persoonsgegevens betreffende de klager in de zin van artikel 4, lid 1, van de AVG bevat, en dat deze publicatie bijgevolg gebaseerd moet zijn op een van de rechtmatigheidsgronden van artikel 6 van de AVG. De Geschillenkamer merkt in dat verband op dat zoals de klager aangeeft, de persoonsgegevens betreffende deze laatste zowel zijn identiteitsgegevens, zijn rekeningnummer en het bedrag dat hem is betaald, als dezelfde informatieve gegevens over zijn medevennoot, omvatten. Al deze informatie moet worden beschouwd als persoonsgegevens betreffende de klager. Standpunt van de verweerder 35. De verweerder verklaart dat de klager niet preciseert op welk moment hij een schending van artikel 6 van de AVG meent vast te stellen. De verweerder beweert dat zowel wat betreft de publicatie in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad in februari 2019 als wat betreft de periode die volgt op het daaropvolgende verzoek tot wissing van de klager, hij de verwerking van de gegevens van de klager baseert op een geldige rechtmatigheidsgrond overeenkomstig artikel 6 van de AVG. 36. Met betrekking tot de publicatie in februari 2019 verklaart de verweerder, althans in zijn eerste conclusies, dat hij zich kan beroepen op drie rechtmatigheidsgronden:
(1)de toestemming van de klager (artikel 6, lid 1, punt a), van de AVG in combinatie met artikel 7 van de AVG),
(2)artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG10, voor zover de publicatie voor de verweerder het gevolg is van de noodzakelijke nakoming van een wettelijke verplichting voortvloeiend uit artikel 73, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen en het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en ten slotte
(3)artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG11 voor zover de publicatie van de door de notaris van de klager verstrekte informatie valt onder de door het Belgisch Staatsblad gewaarborgde taak van algemeen belang van officiële documentaire bron, overeenkomstig de wet van 28 februari 1845 tot vaststelling van een nieuwe wijze van bekrachtiging en afkondiging van wetten en besluiten , en de wet van 18 mei 1873 houdende Titel IX, Boek I, van het Wetboek van koophandel met betrekking tot de vennootschappen. De verweerder wijst er tevens op dat de vervulling van die taak van algemeen belang binnen het kader valt van het reeds genoemde artikel 86 van de AVG betreffende de toegang van het publiek tot officiële documenten. 10 Artikel 6, lid 1, punt c, van de AVG. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: (...)
  1. c)de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. 11 Artikel 6, lid 1, punt
  2. e)van de AVG. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: (...)
  3. e)de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. Beslissing ten gronde 38/2021 - 11/25 37. In titel 3 hierboven is erop gewezen dat de vertegenwoordigers van de verweerder tijdens de hoorzitting hebben uiteengezet dat de verweerder volgens instructies via rondzendbrief niet gemachtigd was te sorteren tussen enerzijds gegevens waarvan de bekendmaking volgens het Wetboek van vennootschappen verplicht is of een andere tekst waarvan de publicatie wordt gevraagd, en anderzijds aanvullende gegevens die sommigen gepubliceerd wensen te zien ondanks het feit dat hun bekendmaking niet wettelijk verplicht is. Zij wezen er eveneens op dat in de praktijk die sortering bovendien niet mogelijk is gezien het aantal uittreksels van akten dat dagelijks wordt bekendgemaakt. 38. Met betrekking tot de voortgezette publicatie na het verzoek om wissing van de klager, meent de verweerder zich te kunnen blijven beroepen op artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG. Hij beroept zich op artikel 1-9 § 5 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen dat voorziet in een rectificatieprocedure in geval van een fout in een document dat in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd, met uitsluiting van welke mogelijkheid dan ook om een gepubliceerde akte zonder meer te wissen. Het ontbreken van een wettelijk voorschrift (zelfs machtiging) dat het Belgisch Staatsblad verplicht om in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke de akte te wissen waarin de gegevens betreffende de klager zich bevinden, doet volgens de verweerder dan ook geen afbreuk aan de rechtmatigheid van de voortgezette publicatie van de gegevens in de betwiste passage na het verzoek tot wissing. 39. Wat het beginsel van minimale gegevensverwerking betreft (artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG), onderstreept de verweerder dat die schending betrekking heeft op de verwerking door de notaris en niet op de verwerking die hij heeft uitgevoerd overeenkomstig zijn hierboven genoemde wettelijke verplichting (punt 35), die hem niet toestaat de inhoud van hetgeen hem door de notaris is doorgegeven te wijzigen. Standpunt van de klager 40. De klager is van mening dat de publicatie van de betwiste passage in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad in strijd is met artikel 6 van de AVG, in de zin dat door de verweerder geen enkele rechtmatigheidsgrond geldig kan worden ingeroepen om de publicatie van de persoonsgegevens van de betwiste passage die daarin zijn opgenomen te rechtvaardigen, ongeacht het moment waarop men het bestaan van die rechtmatigheidsgrond vaststelt. 41. De klager betoogt in dat verband dat in tegenstelling tot wat de verweerder beweert, er geen toestemming van zijn kant is geweest voor de publicatie van de betwiste gegevens (artikel 6, lid 1, punt a), van de AVG), aangezien die publicatie het gevolg is van een fout. De verweerder kan zich volgens de klager ook niet beroepen op artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG, dat enkel de verwerking van de gegevens toestaat die noodzakelijk zijn voor het nakomen van een wettelijke verplichting, terwijl in het onderhavige geval de publicatie van de betwiste gegevens verder gaat dan wat in de Beslissing ten gronde 38/2021 - 12/25 relevante artikelen van het Wetboek van venootschappen na een kapitaalvermindering wordt vereist. De verweerder benadrukt in dat verband de ratio legis van de publicatie in het Belgisch Staatsblad. Het doel hiervan is tweeledig, namelijk enerzijds het informeren en beschermen van derden ten aanzien van de vennootschap waarmee zij interageren, en anderzijds het beschermen van de vennootschap zelf die op die manier haar interne beslissingen aan derden tegenwerpbaar kan maken. Het doel om derden te beschermen is erg belangrijk in het geval van een kapitaalvermindering, aangezien de vennootschap verarmt en de waarborgen van de schuldeisers worden verzwakt. De publicatie van de kapitaalvermindering is in dat opzicht het begin van een periode van twee maanden vanaf welke de schuldeisers onder bepaalde voorwaarden zekerheid voor hun eerdere schuldvorderingen kunnen eisen. De publicatie van gegevens betreffende de aandeelhouders, zoals de klager, waaruit blijkt hoe de terugbetaling van het kapitaalbedrag heeft plaatsgevonden en op welke bankrekeningen er bedragen zijn gestort, is niet relevant voor dat openbaarmakingsdoeleinde (niet vereist in het Wetboek van vennootschappen). De klager betwist eveneens dat de verweerder, zoals deze laatste beweert, zich kan beroepen op artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG, aangezien aan de voorwaarde van "noodzakelijkheid" voor de vervulling van zijn taak van algemeen belang in het onderhavige geval niet wordt voldaan. 42. Ten slotte is de klager van mening dat aangezien de persoonsgegevens in de betwiste passage noch relevant, noch noodzakelijk waren voor het door het Wetboek van vennootschappen vereiste openbaarmakingsdoeleinde (d.w.z. zoals hierboven vermeld, het informeren van derden en beschermen van schuldeisers), er sprake is van een schending van het beginsel van minimale gegevensverwerking in artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG, door de verweerder. Standpunt van de Geschillenkamer 43. De Geschillenkamer herinnert eraan, zoals reeds vermeld in de punten 33 en 34 hierboven, dat elke gegevensverwerking gebaseerd moet zijn op een van de rechtmatigheidsgronden voorzien in artikel 6 van de AVG en dat een rechtmatigheidsgrond moet bestaan zolang de verwerking voortduurt. 12 44. In dit verband herinnert de Geschillenkamer er tevens aan dat het aan de verwerkingsverantwoordelijke is om een rechtmatigheidsgrond voor zijn verwerking aan te geven. Dit vereiste maakt ook deel uit van de beginselen van eerlijkheid en transparantie die hij moet toepassen (artikel 5, lid 1, punt a), van de AVG - als toegelicht in overweging 39 van de AVG)13. Aangezien uit de ene of de andere rechtmatigheidsgrondslag verschillende gevolgen voortvloeien, met name wat de rechten van de betrokkenen betreft, is het niet toegestaan dat de 12 Indien een verwerkingsverantwoordelijke de rechtmatigheidsgrond tijdens de verwerking zou moeten wijzigen, kan hij dit enkel doen op voorwaarde dat hij aan alle toepassingsvoorwaarden van die grond voldoet en moet hij ook de betrokkene daarvan in kennis stellen, en alle andere toepasselijke bepalingen van de AVG naleven, alsof hij als het ware van nul af aan zou beginnen met betrekking tot die verwerking. 13 Zie in dat verband artikel 13, lid 1, punt c, en artikel 14, lid 1, punt c), van de AVG. Beslissing ten gronde 38/2021 - 13/25 verwerkingsverantwoordelijke zich, afhankelijk van de omstandigheden, op de ene of de andere beroept. Ter illustratie: de verwerkingsverantwoordelijke kan er zich niet, zoals in dit geval, tegelijk op beroepen dat hij de verwerking baseert op de toestemming van de betrokkene (artikel 6, lid 1, punt a), van de AVG) en op zijn wettelijke verplichting (artikel 6, lid 1, punt
  4. c)van de AVG). De toestemming kan te allen tijde worden ingetrokken, en al laat dit de geldigheid van de verwerking vóór de intrekking van de toestemming onverlet (artikel 7, lid 3, van de AVG), het staat a priori de verwerkingsverantwoordelijke niet meer toe de verwerking in de toekomst voort te zetten (artikel 17, lid 1, punt b), van de AVG). Door te verklaren dat hij de verwerking baseert op zijn wettelijke verplichting (artikel 6, lid 1, punt
  5. c)van de AVG) sluit de verwerkingsverantwoordelijke in principe elke mogelijkheid tot bezwaar tegen de verwerking uit, aangezien noch de intrekking van de toestemming noch het recht van bezwaar voor de gevallen in artikel 21, lid 1, van de AVG, kan worden ingeroepen, d.w.z. tegen de verwerking van persoonsgegevens op grond van artikel 6, lid 1, punt
  6. e)of
  7. f)en niet van artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG. Door eveneens artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG als mogelijke rechtsgrond in te roepen - dat op zijn beurt specifiek de uitoefening van het recht van bezwaar van de betrokkene mogelijk maakt - naast artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG, dat dat niet mogelijk maakt, zaait de verwerkingsverantwoordelijke grote verwarring. In het algemeen creëert de verwerkingsverantwoordelijke, door zich op verschillende rechtmatigheidsgronden te beroepen, een zekere vaagheid met betrekking tot de uitoefening van de rechten van de betrokkenen. 45. Onverminderd het voorgaande, aangezien de verweerder zich op niet minder dan drie rechtmatigheidsgronden meent te kunnen beroepen om de gegevensverwerking op te baseren voor de publicatie in februari 2019, zal de Geschillenkamer hierna onderzoeken of een daarvan daadwerkelijk een geldige basis voor de publicatie van de betwiste passage kan zijn. 46. Wat artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG betreft, waarop de verweerder zich eveneens beroept, herinnert de Geschillenkamer eraan dat dit slechts in aanmerking kan worden genomen wanneer het gaat om "een verwerking (van persoonsgegevens) die noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting", waarbij elke woord hier van belang is. 47. In het kader van zijn verdediging heeft de verweerder de aandacht van de Geschillenkamer gevestigd op het feit dat de toepassing van artikel 6, lid 1, punt
  8. c)van de AVG in casu niet verkeerd mag worden begrepen. De wettelijke verplichting waarmee rekenening moet worden gehouden is die van de bekendmaking waaraan het Belgisch Staatsblad is gebonden overeenkomstig artikel 73, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen en het reeds genoemde koninklijk besluit van 29 april 2019, en dat, aldus de verweerder, hem verplichtte datgene wat de notaris hem had toegezonden ongewijzigd te publiceren, zonder dat de diensten van het Belgisch Staatsblad gemachtigd waren een selectie te maken tussen wat daadwerkelijk gepubliceerd moest worden in toepassing van het Wetboek van vennootschappen en wat daarbuiten zou vallen (zie de punten 27 Beslissing ten gronde 38/2021 - 14/25 en 37 hierboven). Dat is volgens de verweerder de wettelijke verplichting waaraan hij is gebonden. Volgens de verweerder is het bijgevolg niet van belang dat de bekendgemaakte gegevens niet door het Wetboek van vennootschappen worden vereist: hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is het resultaat van de wettelijke verplichting van de verweerder. 48. De Geschillenkamer kan niet instemmen met deze redenering omdat zij deze in strijd acht met de voorwaarde van noodzakelijkheid in artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG, en volgens haar neerkomt op een ontkenning van de toepassing van het beginsel van minimale gegevensverwerking, in strijd met artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG, dat vereist dat enkel gegevens mogen worden verwerkt die toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de beoogde doeleinden. 49. Deze noodzakelijkheidsvoorwaarde van de verwerking is terug te vinden in alle rechtmatigheidsgronden (met uitzondering van die van de toestemming) van de punten
  9. b)tot en met
  10. f)van artikel 6 van de AVG. 50. In zijn arrest Huber bepaalt het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) met betrekking tot deze noodzakelijkheidsvoorwaarde: “Gelet op het doel, een gelijkwaardige bescherming te bieden in alle lidstaten, kan het begrip noodzakelijkheid zoals dit naar voren komt uit artikel 7, sub e 14, van richtlijn 95/46, dat een nauwkeurige afbakening wil geven voor een van de gevallen waarin de verwerking van persoonsgegevens geoorloofd is, dus niet een inhoud hebben die verschilt van lidstaat tot lidstaat. Het gaat bijgevolg om een autonoom begrip van het gemeenschapsrecht, dat moet worden uitgelegd op een wijze die volledig beantwoordt aan het doel van de richtlijn zoals omschreven in artikel 1, lid 1.”15 (de Geschillenkamer onderstreept) 51. In zijn conclusie16 in deze zaak verklaart de advocaat-generaal in dat verband: "Het noodzakelijkheidsbegrip heeft een lange geschiedenis in het gemeenschapsrecht en vormt een vast onderdeel van het evenredigheidscriterium. Het houdt in dat de autoriteit die ter bereiking van een legitiem doel een maatregel vaststelt die een door het gemeenschapsrecht gewaarborgd recht aantast, moet aantonen dat deze maatregel de minst beperkende is ter bereiking van dit doel. Wanneer bovendien de verwerking van persoonsgegevens kan leiden tot een inbreuk op het 14 De lidstaten bepalen dat de verwerking van persoonsgegevens slechts mag geschieden indien: (...)
  11. e)de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag die aan de voor de verwerking verantwoordelijke of de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, is opgedragen. 15 HvJ-EU, 16 december 2008, arrest Heinz Huber tegen Bundesrepublik Deutschland, C-524/06, punt 52. 16 Conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro van 3 april 2008 in het kader van de procedure voor het HvJ- EU die heeft geleid tot het arrest dat wordt vermeld in voetnoot 15 hierboven (C-524/06). Beslissing ten gronde 38/2021 - 15/25 grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, moet tevens rekening worden gehouden met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven waarborgt. Zoals het Hof heeft verklaard in het arrest Österreichischer Rundfunk e.a., kan een nationale regeling die niet strookt met artikel 8 EVRM, evenmin voldoen aan het in artikel 7, sub e, van richtlijn 95/46 neergelegde vereiste. Artikel 8, lid 2, EVRM bepaalt dat inmenging in het privéleven is toegestaan voor zover hiermee een van de hierin opgesomde doelstellingen wordt nagestreefd en deze „in een democratische samenleving noodzakelijk is”. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens houdt het bijvoeglijk naamwoord "noodzakelijk” in dat een "dwingende maatschappelijke behoefte” bestaat." 52. Deze rechtspraak, die zeker in het licht van artikel 7 , punt e), van Richtlijn 95/46/EG is geformuleerd, geldt voor alle rechtmatigheidsgronden die deze noodzakelijkheidsvoorwaarde handhaven. Ook nu Richtlijn 95/46/EG is ingetrokken, blijft zij relevant, aangezien deze noodzakelijkheidsvoorwaarde wordt gehandhaafd in artikel 6, lid 1, punten
  12. b)tot en met f), van de AVG. Artikel 6, lid 1, van de AVG herneemt inderdaad de bewoordingen van artikel 7 van Richtlijn 95/4, waarvan het de tegenhanger is.17 53. De Groep Artikel 29 heeft eveneens verwezen naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bij het bepalen van het noodzakelijkheidsvereiste 18 en concludeerde dat het adjectief "noodzakelijk" niet de soepelheid heeft van termen zoals "aanvaardbaar", "normaal", "nuttig", "redelijk" of "opportuun".19 54. Ter ondersteuning van het voorgaande concludeert de Geschillenkamer dat de beoordeling door de verweerder van wat "noodzakelijk is voor de nakoming van zijn wettelijke verplichting" niet los kan worden gezien van het doel dat wordt nagestreefd met de door het Wetboek van vennootschappen voorgeschreven openbaarmaking20. In zijn arrest Manni verduidelijkt het HvJ-EU in die zin dat om 17 De enige verschillen zijn de toevoeging in artikel 6, lid 1, punt d), van de AVG van het wezenlijke belang van een andere natuurlijke persoon dan de betrokkene, en de verwijdering in artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG van "de derde aan wie de gegevens worden verstrekt", waarbij de taak van algemeen belang of de taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag uitsluitend door de verwerkingsverantwoordelijke moet worden vervuld. Bovendien bestaat er een klein verschil in formulering tussen artikel 7, lid 1, punt f), van Richtlijn 95/46/EG en artikel 6, lid 1, punt
  13. f)van de AVG zonder dat de reikwijdte van deze bepaling daardoor wordt gewijzigd. Al deze wijzigingen hebben geen invloed op de noodzakelijkheidsvoorwaarde. 18 Groep Artikel 29, Advies 06/2014 van 9 april 2014 over het begrip "gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking verantwoordelijke" in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG, WP 217. 19 EHDR, 25 maart 1983, Silver e.a.tegen het Verenigd Koninkrijk, punt 97. 20 Zie ook advies 06/2014 van de Groep artikel 29, over het begrip "gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking verantwoordelijke" in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG van 9 april 2014 (blz 21); "Artikel 7, onder c), is alleen van toepassing wanneer de verplichting bij wet wordt opgelegd (en niet, bijvoorbeeld, in een contractuele regeling). De wet moet voldoen aan alle toepasselijke voorwaarden om de verplichting geldig Beslissing ten gronde 38/2021 - 16/25 te bepalen of de lidstaten verplicht zijn te voorzien in het recht voor de betrokkenen om de autoriteit die is belast met het bijhouden van een officieel register (handelsregister - vermelding van gefailleerden in dit geval) te verzoeken om de in dat register opgenomen gegevens te wissen of te vergrendelen of de toegang daartoe te beperken, rekening moet worden gehouden met het doel van de inschrijving in het betrokken register21. 55. Het tegendeel beweren, zoals de verweerder verdedigt, zou erop neerkomen dat hij wordt ontheven van elk onderzoek van de relevantie van de door hem gepubliceerde gegevens, terwijl integendeel de tenuitvoerlegging van dit grondbeginsel van de gegevensbescherming voorzien in artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG, op hem rust in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke. 56. Daarenboven vestigt de Geschillenkamer de aandacht op het feit dat in het onderhavige geval de gepubliceerde gegevens relatief rechtstreeks verband houden met de kapitaalverminderingsverrichting die heeft plaatsgevonden (wat hun publicatie een "schijn van wettigheid" zou kunnen verlenen, of op zijn minst tot een zeker begrip voor het standpunt van de verweerder zou kunnen leiden). De Geschillenkamer wil haar lezers echter attenderen op het feit dat de opvatting van de verweerder over wat moet worden verstaan onder "een verwerking die noodzakelijk is voor een wettelijke verplichting", in navolging van de verweerder zou kunnen worden ingeroepen met betrekking tot de publicatie van elk overbodig gegeven, hoe onbeduidend, delicaat of gevoelig het ook moge zijn (tevens in de zin van de artikelen 9 en 10 van de AVG). 57. Ten slotte met betrekking tot dit punt van artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG, is de Geschillenkamer van mening dat de enige nuttige uitlegging die het noodzakelijkheidsbegrip zoals opgelegd door de rechtspraak van het HvJ-EU ten volle kan invullen, bestaat in de kwalificatie als "noodzakelijk voor de wettelijke verplichting van de verweerder" van enkel de gegevens die noodzakelijk zijn voor het door het Wetboek van vennootschappen nagestreefde doel (artikelen 69 en 74) dat de publicatie in het Belgisch Staatsblad door de verweerder vereist. Aangezien de aan de vennoten uitbetaalde bedragen en hun rekeningnummers geen deel uitmaken van de in die artikelen opgesomde gegevens en zij niet bijdragen aan het openbaarmakingsdoeleinde, zijn zij niet noodzakelijk voor de nakoming van de wettelijke verplichting van de verweerder. Bijgevolg concludeert de Geschillenkamer dat de verweerder zich niet kan beroepen op artikel 6, lid 1, punt c), als rechtmatigheidsgrond voor zijn verwerking in deze zaak. 58. Wat artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG betreft, dat eveneens door de verweerder wordt ingeroepen, is de Geschillenkamer van mening dat ook dit in deze zaak niet in aanmerking kan worden genomen. Zoals in het geval van artikel 6, lid 1, punt c), moet aan het noodzakelijkheidscriterium worden en bindend te maken en moet tevens in overeenstemming zijn met de gegevensbeschermingswetgeving, waaronder de vereisten van noodzakelijkheid, evenredigheid en doelbinding." 21 HvJ-EU, 9 maart 2017, arrest Camera di Commercio tegen S. Manni, C-398/15, punt 48. Beslissing ten gronde 38/2021 - 17/25 voldaan. Het moet hier worden beoordeeld in het licht van de rol van de verweerder als officiële documentatiebron. De verweerder beroept zich in dit verband op twee wetteksten, namelijk de wet van 28 februari 1845 tot vaststelling van een nieuwe wijze van bekrachtiging en afkondiging van wetten, en de wet van 18 mei 1873 met daarin titel IX, boek I, van het Wetboek van Koophandel betreffende vennootschappen. De Geschillenkamer betwist niet dat de openbaarmakingstaak van de verweerder via publicaties (in de Bijlagen) van het Belgisch Staatsblad een taak van algemeen belang vormt in de zin van artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG. Zoals hierboven in verband met artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG is aangehaald, kan echter enkel de verwerking van gegevens die noodzakelijk is voor de verwezenlijking van dat algemeen belang als rechtmatig worden aangemerkt in de zin van artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG. In het onderhavige geval is de openbaarmaking van de persoonsgegevens van de klager in de betwiste passage niet noodzakelijker voor dat belang dan voor de nakoming van de wettelijke verplichting van de verweerder, en dit om de reeds genoemde redenen (zie met name punt 56). 59. Wat artikel 86 van de AVG betreft waarop de verweerder zich eveneens beroept ter ondersteuning van zijn taak van algemeen belang, is de Geschillenkamer het eens met de analyse van de klager dat die verwijzing niet voor de hand ligt. Zij is eveneens van mening dat gelet op deze toegang het des te belangrijker is dat de verweerder erop toeziet dat alleen de noodzakelijke persoonsgegevens worden bekendgemaakt. 60. Nu de toepassing van artikel 6, lid 1, punten
  14. c)en e), is uitgesloten, moet de Geschillenkamer onderzoeken of de verwerking van de persoonsgegevens betreffende de klager, zoals de verweerder betoogt, in casu kan worden gebaseerd op de toestemming van de klager. 61. Zoals in overweging 43 van de AVG en door het Europees Comité voor gegevensbescherming in zijn richtsnoeren 05/202022 wordt onderstreept, is het niet waarschijnlijk dat overheidsinstanties zich voor de verwerking van persoonsgegevens kunnen baseren op toestemming. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke een overheidsinstantie is, is de machtsverhouding tussen de verwerkingsverantwoordelijke en de betrokkene immers vaak onevenwichtig, waardoor niet kan worden voldaan aan de voorwaarde van vrije toestemming. Zonder afbreuk te doen aan deze algemene overwegingen, sluit het juridisch kader van de AVG echter het gebruik van toestemming als rechtsgrond voor de verwerking van gegevens door overheidsinstanties niet volledig uit. 62. In het onderhavige geval is de Geschillenkamer van mening dat toestemming niet de basis kan zijn voor de openbaarmaking van de betwiste passage. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de AVG is het immers aan de verwerkingsverantwoordelijke, d.w.z. de verweerder, om aan te tonen dat hij 22 Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679, vastgesteld op 4 mei 2020: https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_202005_consent_nl.pdf Beslissing ten gronde 38/2021 - 18/25 geldige toestemming van de betrokkene heeft gekregen, namelijk een toestemming die beantwoordt aan alle voorwaarden van artikel 4, lid 11, van de AVG. De Geschillenkamer is van mening dat de verweerder niet aantoont een dergelijke toestemming van de klager te hebben gekregen. Zelfs in de veronderstelling dat de verweerder een geldige toestemming had gekregen ten tijde van de publicatie van februari 2019, en quod non, volgens de verweerder de klager zijn toestemming zou hebben ingetrokken zonder gevolgen voor de geldigheid van de publicatie van februari 2019, is de Geschillenkamer van mening dat de verweerder geen rechtmatigheidsgrond heeft vanaf het ogenblik dat deze toestemming is ingetrokken, aangezien artikel 6, lid 1, punten
  15. c)en e), niet kan worden ingeroepen. 63. Wat het argument van de verweerder betreft dat sommigen meer wensen openbaar te maken dan de toepasselijke regelgeving voorschrijft, is de Geschillenkamer van mening dat in dat geval de openbaarmaking van dergelijke gegevens - aanvaard en uitgevoerd door de verweerder in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke - op een andere rechtsgrond zou berusten dan de nakoming van zijn wettelijke verplichting of de vervulling van zijn taak van algemeen belang, die de toestemming zou kunnen zijn (artikel 6, lid 1, punt a), van de AVG) (zie hierboven punt 61). Deze moet alle vereiste kenmerken hebben (zie de definitie ervan in artikel 4, lid 11, van de AVG). Het is dus ook aan de verweerder om hieruit alle consequenties te trekken met betrekking tot de rechten van de betrokkenen en het verzamelen van bewijzen van verkregen toestemming. 64. Kortom, uit het voorgaande blijkt dat er in het onderhavige geval geen legitimiteitsgrond is voor de openbaarmaking door de verweerder van de betwiste passage met persoonsgegevens betreffende de klager. De Geschillenkamer stelt dan ook een schending van artikel 6 van de AVG vast. Deze gaat gepaard met een schending van artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG. Bij gebrek aan rechtmatigheidsgrond gaat de openbaarmaking van deze gegevens immers ook voorbij aan het beginsel van minimale gegevensverwerking. 4.2. Wat betreft de schending door de verweerder van het recht op wissing van de klager (artikel 17, lid 1, van de AVG) 65. De Geschillenkamer herinnert eraan dat op grond van artikel 17, lid 1, van de AVG de betrokkene inderdaad het recht heeft van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen, en dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is die persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de gevallen opgesomd in artikel 17, lid 1, van de AVG van toepassing is, waaronder het volgende geval:
  16. d)de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt. Standpunt van de klager Beslissing ten gronde 38/2021 - 19/25 66. Op grond van artikel 17, lid 1, punt d), van de AVG, meent de klager dat de verweerder gevolg had moeten geven aan zijn recht op wissing omdat de verwerking van zijn gegevens in de betwiste passage onrechtmatig is, aangezien zij geen rechtsgrond heeft (artikel 6 van de AVG) en de openbaarmaking van de genoemde gegevens in strijd is met artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG. De klager is overigens van mening dat zelfs indien de verweerder het recht heeft zich te beroepen op artikel 6, lid 1, punt e), quod non volgens de klager, de voorwaarden van artikel 17, lid 1, punt c), van de AVG gelden23. Door te weigeren de genoemde gegevens te wissen, schendt de verweerder eveneens artikel 5, lid 1, punt e), van de AVG, dat bepaalt dat persoonsgegevens niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het beoogde doeleinde. Standpunt van de verweerder 67. De verweerder betwist niet dat hij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek tot wissing van de klager. Hij is van mening dat hier geen van de gevallen van artikel 17, lid 1, van de AVG van toepassing is en dat hij het recht heeft zich te beroepen op de uitzondering van artikel 17, lid 3, punt b), van de AVG, gelet op de wettelijke verplichting die op hem rust, met name het reeds genoemde koninklijk besluit van 29 april 2019 dat voorziet in een procedure voor rectificatie met uitsluiting van elke mogelijkheid tot wissing (artikel 1-9 § 5). Hij voegt eraan toe dat, aangezien de wetgever hem niet machtigt om gegevens van een gepubliceerde akte volledig of gedeeltelijk te wissen, hem geen schending van artikel 5, lid 1, punt e), van de AVG, kan worden verweten. Standpunt van de Geschillenkamer 68. De Geschillenkamer is van mening dat op grond van de schending van artikel 6 van de AVG in combinatie met artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG die zij bij de verweerder heeft vastgesteld (zie punt 64 hierboven), de klager onder de voorwaarden valt van artikel 17, lid 1, punt d), van de AVG, dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht om zonder onredelijke vertraging onrechtmatig verwerkte persoonsgegevens te wissen. 69. Aangezien het recht op wissing in artikel 17, lid 1, van de AVG uitzonderingen omvat, is het aan de Geschillenkamer om na te gaan of een van de uitzonderingen in artikel 17, lid 3, van de AVG in dit geval van toepassing is, met name artikel 17, lid 3, punt b), van de AVG dat door de verweerder wordt ingeroepen. 70. De Geschillenkamer is van mening dat om de volgende redenen, de verweerder zich niet op artikel 17, lid 3, punt b), van de AVG kan beroepen als uitzondering op het recht op wissing van de klager. 23 De betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2. Beslissing ten gronde 38/2021 - 20/25 71. Deze uitzondering bepaalt dat het recht voor de betrokkene om van de verwerkingsverantwoordelijke de wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen, niet van toepassing is voor zover de gegevensverwerking noodzakelijk is voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van openbaar belang of in het kader van het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen". 72. Zoals hierboven vermeld, beroept de verweerder zich in dat verband op de rectificatieprocedure waarin het koninklijk besluit van 29 april 2019 voorziet, waaruit volgens hem moet worden afgeleid dat hij door de nationale wetgever niet gemachtigd is gegevens uit officiële publicaties te verwijderen. Wat dat betreft zou de verweerder het recht hebben zich te beroepen op artikel 17, lid 3, punt b), van de AVG om te weigeren gevolg te geven aan elk verzoek tot wissing, gezien zijn wettelijke verplichting die hem elke wissing verbiedt. De verwerking van alle gepubliceerde gegevens zou hier dan ook noodzakelijk zijn voor de wettelijke verplichting die hij moet nakomen. De Geschillenkamer is van mening dat uit het feit dat een koninklijk besluit niet voorziet in een rectificatieprocedure niet noodzakelijkerwijs moet worden afgeleid dat elke wissing verboden is. In dit verbod, indien het zou bestaan, zou bij wet moeten worden voorzien overeenkomstig de voorwaarden van artikel 23 van de AVG en het kan niet worden afgeleid uit het gebrek aan een verwijzing naar dit recht in een koninklijk besluit. Aangezien de AVG rechtstreeks van toepassing is, is zij, bij gebrek aan een uitzondering waarin is voorzien bij de naleving van de voorwaarden die zij oplegt, van toepassing. De Geschillenkamer stelt derhalve een gebrek aan wettelijke verplichting vast, die de verweerder zou toelaten artikel 17, lid 3, punt b), van de AVG in te roepen. 73. Het is trouwens hierboven bewezen dat de wettelijke verplichting tot publicatie in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad waartoe de verweerder is gebonden, de verwerking van de gegevens in de betwiste passage niet vereist en dat derhalve de verwerking van die gegevens niet noodzakelijk is voor het nakomen van de wettelijke verplichting van de verweerder (punt 57). Deze verwerking is ook niet noodzakelijk voor de vervulling van zijn taak van algemeen belang (punt 58). Aan de voorwaarden van artikel 17, lid 3, punt
  17. b)van de AVG, die door de verweerder worden aangevoerd, is in dit geval dus niet voldaan. 74. Zelfs indien de redenering van de verweerder wordt gevolgd, die erin bestaat de noodzakelijkheidsvoorwaarde op verschillende tijdstippen te beoordelen, namelijk op het tijdstip van de eerste publicatie enerzijds en op het tijdstip van het verzoek tot wissing anderzijds, zou de conclusie van de Geschillenkamer nog steeds dezelfde zijn. A fortiori, indien men kijkt naar het tijdstip van het verzoek tot wissing van de klager, vervalt de reeds vermelde (praktische) onmogelijkheid om vóór de publicatie een selectie te maken tussen wat wettelijk verplicht is om te Beslissing ten gronde 38/2021 - 21/25 worden gepubliceerd en wat voortvloeit uit de wensen van de betrokkenen. De klager wijst bij zijn verzoek tot wissing juist op de overbodig gepubliceerde gegevens. 75. De Geschillenkamer is ook van oordeel dat de argumenten ontleend aan de aard van het Belgisch Staatsblad niet zodanig zijn dat zij de uitoefening van het recht op wissing van de klager beletten. De verweerder wijst in dit verband op de onveranderlijkheid van de publicaties in het Belgisch Staatsblad en zijn Bijlagen na hun bekendmaking, en het feit dat de rechtszekerheid van officiële publicaties in het gedrang zou komen door het recht op wissing toe te passen op gegevens die zij bevatten. 76. Wederom is de Geschillenkamer van mening dat, aangezien in dit geval de gegevens nooit hadden moeten worden bekendgemaakt, hun wissing niet van dien aard is dat zij de rechtszekerheid van de publicatie in gevaar zou brengen, aangezien de gegevens die moeten worden bekendgemaakt na de kapitaalvermindering onveranderd blijven. Volgens de Geschillenkamer is er geen sprake van principiële onveranderlijkheid van officiële publicaties. De Geschillenkamer herinnert er hier aan dat in zijn arrest Manni het HvJ-EU erkent dat de nationale wetgever een termijn kan opgeven na afloop waarvan gegevens in een openbare gegevensbank zoals het handelsregister (in het onderhavige geval de informatie dat de handelaar failliet was gegaan) worden gewist24. In het eerder genoemde arrest Huber spreekt het HvJ-EU over het beginsel dat openbare registers enkel de gegevens mogen bevatten die noodzakelijk zijn voor het doel dat zij beogen, onder toepassing van de noodzakelijkheidsvoorwaarde vervat in de rechtmatigheidsgrond waarop zij gebaseerd zijn. Het HvJEU voegt eraan toe dat deze registers moeten worden bijgewerkt en dat de overbodige gegevens moeten worden gewist.25 77. De Geschillenkamer concludeert uit het voorgaande dat artikel 17, lid 3, punt b), van de AVG in het onderhavige geval niet van toepassing is en dat de verweerder zich niet met recht op een andere vrijstelling van wissing kan beroepen. 78. Bijgevolg, rekening houdend met de in punt 64 vastgestelde schendingen, stelt de Geschillenkamer een schending vast van artikel 17, lid 1, punt d), van de AVG door de verweerder. Deze schending wordt gecombineerd met een schending van artikel 5, lid 1, punt e), van de AVG, aangezien bij gebrek aan wissing op grond van artikel 17, lid 1, punt d), van de AVG, met de bewaring van deze gegevens het beginsel dat gegevens niet langer mogen worden verwerkt dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking, niet is nageleefd. 24 HvJ-EU, arrest van 9 maart 2017, Camera di Commercio tegen S. Manni, C-398/15, punten 32-35 en 58 e.v. 25 Zie de punten 59 en 60 van het arrest Huber, genoemd in voetnoot 15 hierboven. Beslissing ten gronde 38/2021 - 22/25 4. Wat betreft de corrigerende maatregelen en sancties 79. Overeenkomstig artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 80. Het is belangrijk om de schendingen waarvoor de verweerder verantwoordelijk is in de juiste context te plaatsen om de meest geschikte corrigerende maatregelen en sancties vast te stellen. 81. De Geschillenkamer herinnert er in dit verband aan dat het haar soevereine verantwoordelijkheid is als onafhankelijke administratieve autoriteit - met inachtneming van de relevante artikelen van de AVG en van de WOG - om passende corrigerende maatregel(
  18. en)en sanctie(
  19. s)te bepalen. Beslissing ten gronde 38/2021 - 23/25 82. De Geschillenkamer merkt op dat het Kenniscentrum van de GBA reeds meermaals heeft gewezen op tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van de AVG met betrekking tot gegevensverwerkingen door het Belgisch Staatsblad. In een recent advies 99/20 bijvoorbeeld wijst de GBA, zich beroepend op artikel 1250 van het Gerechtelijke Wetboek dat verwijst naar een verplichting tot officiële publicatie in het Belgisch Staatsblad, op het volgende: “Zoals ze reeds deed in advies nr. 141/2019, wijst de Autoriteit er hier nogmaals op dat deze publicatie, zoals in het algemeen geldt voor iedere publicatie in het Belgisch Staatsblad, niet onderworpen is aan enige bewaartermijn met betrekking tot de persoonsgegevens die hierin voorkomen. In dit opzicht brengt de Autoriteit opnieuw in herinnering dat artikel 23 AVG de wetgever niet alleen toestaat om te voorzien in een beperking op de rechten vermeld in de artikelen 12 tot en met 22 AVG, maar ook in een beperking op de reikwijdte van artikel 5 AVG en bijgevolg ook op artikel 5.1.
  20. e)AVG. Dergelijke beperkingen zijn echter niet mogelijk zonder rekening te houden met de voorwaarden neergeschreven in artikel 23, §2 AVG, te beginnen met het feit dat in een dergelijke beperking moet voorzien zijn door de wetgeving van de lidstaat in kwestie. De Autoriteit heeft echter nog steeds geen kennis van een dergelijke wetgevende norm met betrekking tot de publicatie in het Belgisch Staatsblad. De Autoriteit dringt er bijgevolg nogmaals op aan deze situatie te verhelpen.” 83. De Geschillenkamer is van mening dat in het onderhavige geval, gezien de vastgestelde schendingen, de meest passende corrigerende maatregel erin bestaat de verweerder een berisping te geven (artikel 100, § 1, 5°, WOG) vergezeld van een bevel om gevolg te geven aan de uitoefening van het recht op wissing van de klager op grond van artikel 100, § 1, 6° WOG, en dit zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen een termijn van 30 dagen vanaf de datum van kennisgeving van deze beslissing aan de partijen. De kosten die de uitvoering van dit bevel tot wissing met zich brengen, kunnen niet op de klager worden verhaald, aangezien de uitoefening van de rechten van de betrokkenen overeenkomstig artikel 12, lid 5, van de AVG, kosteloos is. 84. De Geschillenkamer spreekt zich niet uit over de mogelijkheid van een eventuele administratieve geldboete voor de verweerder. Rekening houdend met de hoedanigheid van "overheid" van deze laatste in de zin van artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens , gelezen in samenhang met de artikelen 83, lid 7, van de AVG en 221, § 2, van de voornoemde wet van 30 juli 2018, is de Autoriteit immers niet bevoegd om hem een dergelijke boete op te leggen. 85. De Geschillenkamer verzoekt de wetgever overigens de door het Belgisch Staatsblad uitgevoerde gegevensverwerkingen in overeenstemming te brengen met de AVG, met name voor wat betreft de vaststelling van de rechtmatigheidsgrond van de uitgevoerde gegevensverwerkingen, de toepassing van het beginsel van minimale gegevensverwerking neergelegd in artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG, en de uitoefening van het recht op wissing van de betrokkenen. Beslissing ten gronde 38/2021 - 24/25 6. Wat betreft de transparantie 86. Gezien het belang van transparantie met betrekking tot het besluitvormingsproces en de beslissingen van de Geschillenkamer, zal deze beslissing worden gepubliceerd op de website van de GBA, waarbij de directe identificatiegegevens van de klager en de genoemde partijen, zowel natuurlijke als rechtspersonen, met uitzondering echter van het Belgisch Staatsblad en de FOD Justitie, worden verwijderd. 87. Het besluit om haar beslissingen te publiceren met vermelding van de identiteit van de verweerder, rechtvaardigt de Geschillenkamer met het feit dat een dergelijke bekendmaking een snelle naleving waarborgt, bijdraagt tot een vermindering van het risico op herhaling, en is bedoeld om het publiek te informeren gelet op de verwerkingsverantwoordelijke in kwestie. Bovendien zou elke pseudonimisering van de naam van de verweerder in deze enkele gevallen illusoir zijn geweest 26. 88. In casu is de Geschillenkamer van mening dat ter ondersteuning van de eerder genoemde motieven, de openbaarmaking van de identiteit van de verweerder gerechtvaardigd is. Het schrappen van de identificatie van de FOD Financiën/het Belgisch Staatsblad is, gezien het unieke karakter van het Belgisch Staatsblad, bovendien illusoir. Heb behoud van deze identificatie is trouwens van essentieel belang voor het goede begrip van de beslissing en derhalve voor de transparantie die door de Geschillenkamer wordt nagestreefd. OM DEZE REDENEN, beslist DE GESCHILLENKAMER, na beraadslaging, om: - op grond van artikel 100, § 1, 5°, WOG, de verweerder te berispen; - op grond van artikel 100, § 1, 6°, WOG, de verweerder te gelasten zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze beslissing, gevolg te geven aan de uitoefening van het recht op wissing van de klager. De verweerder dient de Geschillenkamer binnen dezelfde termijn hiervan in kennis te stellen en bewijsstukken aan te bieden op het emailadres litigationchamber@apd-gba.be. 26 Zie beslissing 37/2020 van de Geschillenkamer (punt 183): https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-37-2020.pdf Beslissing ten gronde 38/2021 - 25/25 Op grond van artikel 108, § 1, WOG, kan tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving ervan, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. (get.) Hielke Hijmans Voorzitter van de Geschillenkamer

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.